Roderik Six In het wit recensie

Roderik Six In het wit recensie

In het wit

  • Auteur: Roderik Six (België)
  • Soort boek: Vlaamse roman
  • Uitgever: Prometheus
  • Verschijnt: 4 september 2025
  • Omvang: 168 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 18,99 / € 10,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Roderik Six In het wit recensies

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van In het wit, de roman van Roderik Six, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “Stilistisch loepzuiver, filmisch en suggestief, zelfs van een onwereldse poëzie. Een exotische droom als dystopie.” (Stefan Hertmans over de roman Volt)
  • “Harde, goede, ingekookte taal, zwart als gestolde olie. Monster is een prachtig bittere en pijnlijk consequente novelle over verlies, rouw en liefde.” (Ilja Leonard Pfeijffer)

Recensie van Tim Donker

En dan, op vol volume: Aluk Todolo, en misschien harder nog dan vol volume, als dat kan, want het moet door alle luchtlagen heen bonken vandaag, deze dag, nu er ligt, dit boek, In het wit van Roderik Six, een roman, naar hij meent, maar waar liggen die grenzen eigenlijk?, en wie bepaalt wat?, dit boek is er weer zo een, denkt hij, denkt het besprekerken, er moet iets losgeschud omdat dit het geval is, omdat wat hij net gelezen heeft er weer zo een is, en hij peinst dat Dregke dat allemaal niet kan waarderen, maar is Dregke nog ergens, soms maakt het t besprekerken een beetje verdrietig niet te weten of Dregke nog ergens is, ook al een van die dingen die knagen, wat knaagt en neerbraak, het is aan Aluk Tolodo om dingen die knagen los te schudden, of om geluiden te overstemmen, kan ook, want hij weet nog wel, dagen bij de houtkachel, en verrek, warmte zou ook een sentraal begrip kunnen zijn in dit hier In het wit, en dan vooral vanwege de kou. Want het begint met sneeuw, en dat is al het eerste punt, dat het begint met sneeuw, maar dat later misschien, of nee dat nu. In de sneeuw rijdt een harmonicabus. In de harmonicabus zit M. Ja, eenvoudigweg M., ook daarover denkt het besprekerken zo hij zijne, maar dat komt wel pas later. M. is letterkundige en gepromoveerd op de invloed die het weer heeft gehad op de grote werken uit de wereldliteratuur. Gezocht, u zegt? Wel zet u dan maar schrap want Six sleept er wel meer aan de haren bij. M. liet zich inspireren door een stelregel van thrillerschrijver Elmore Leonard. Daar had het besprekerken nog nooit van gehoord, moest hij tot zijn schaamte toegeven, niet per se onbekende films als Get shorty en Jackie Brown zijn gebaseerd op boeken van Leonard, al heette die laatste in de boekversie dan Rum punch. De regel waardoor M. zich uitgedaagd voelde was Begin nooit een boek met een beschrijving van het weer, en hoewel t besprekerken gloeiend het land heeft aan welke stelregel dan ook (gedurende zijn opleiding maakte t besprekerken -die toen nog geen besprekerken was maar een zotteken dat ervan droomde ooit een dichterken te zijn- er een sport van om alle regels van alle docenten met voeten te treden en toch, naar zijn eigen stelligste overtuiging dan, sterk werk in te leveren), moet hij niettemin, een weinig schoorvoetend (daar staat hij te schoren met die voeten van hem), toegeven dat hij niet gauw iets bedenken kan dat afgezaagder is aan het begin van een roman dan een beschrijving van het weer. Maar Six doet het hier, zo neemt t besprekerken aan toch, om de draak te steken met het gebod van Leonard, en bij extrapolatie misschien wel met alle geboden in welke kunstvorm dan ook, en dat kan t besprekerken dan wel weer waarderen. De sneeuw in In het wit als stijlmiddel, thema, motief en, vreest t besprekerken, metafoor, de roman bijt zichzelve in de eerste bladzijden al in de staart, metafiksie, dus voor nu is het goed, toch, M. in de bus onderweg naar haar in een zorginstelling wonende, dementerende vader, de sneeuw die de witheid in het hoofd van een alzheimerpatiënt symboliseert, waar kennen we dat van?, verwijst Six alleen maar naar Hersenschimmen of pasticheert hij misschien ook deze, naar de bescheiden mening van t besprekerken wat overgewaardeerde, roman van Bernlef? t Besprekerken weet t niet, en hij weet wel meer niet. Mogelijkerwijs speelt Six geregeld met de voeten van zijn lezers. Het zou kunnen dat het kan maar het zou ook kunnen dat het niet kan. De bombast. In beeld: de bus in de sneeuw. Maar ook in woord: “De confituur smaakte naar nazomer”; “De boterige klomp werkelijkheid karnde door haar maag”; “Het majestueuze zeedier […] kliefde zorgeloos door het helblauwe water”; “Er prijken ijsbloemen op het dunne keukenraam. Pasgeboren sterren zijn het, uit het nachtgewelf geduwd wegens niet levensvatbaar, om dan, na een eeuwenlange reis door het heelal, langs gasnevels en op het nippertje ontsnapt aan zwarte gaten, te pletter te storten op dit enkelglas. Hier zullen ze hun laatste uren slijten. Op gestold zand, hun kristallen tentakels uitgestrekt – en straks, wanneer de fluitketel stoom aflaat en het gasvuur onder de pan pruttelt, zullen ze afdruipen.”; hoe zwaar wil je het hebben?, maar van de overdaad kon je al een vermoeden hebben als je het sietaat op het achterplat had gelezen: “Sneeuwen zou geen werkwoord mogen zijn. Al dat gedwarrel, die speelse kristallen die meer zweven dan vallen, het heeft niets met werk te maken. Het woord mist daadkracht en gewicht, het mist sleur. Sneeuwen – het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt.” jajaja, al is het in werkelijkheid, in het boek, wel iets mojer: “Sneeuwen zou geen werkwoord mogen zijn, dacht M., net voor ze met een harde schok in haar zitting werd gedrukt. De bus, een harmonica op wielen en diesel, slipte en zwenkte en de chauffeur trok het voertuig weer vloekend recht, de dood nog maar eens een halte afgewend. Al dat gedwarrel, die speelse kristallen die meer zweven dan vallen, het heeft niets met labeur te maken. Het verbum mist daadkracht en gewicht, het mist sleur. Sneeuwen – het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt.”, goed t besprekerken moet toegeven dat labeur mojer is dan werk en misschien is verbum ook wel mojer dan woord (en waarom is dit fragment eigenlijk gekozen voor het achterplat als het klaarblijkelijk woorden bevat waarvan de wijze achterplatmakers menen dat het potentiële lezers zou kunnen afschrikken? en Six wil overduidelijk alle taalregisters openen dus waarom zijn belangrijkste instrument tot nietszeggendheid gestemd? en waarom is Six daar eigenlijk mee akkoord gegaan? hij koos de woorden verbum en labeur toch ook niet voor niets zo peinst t besprekerken?), maar dan toch weer die dood die pas een halte later mag komen, de busrit in de sneeuw naar een vader die sterven gaat beschrijven als het Leven Zelve, is er een reden, Six, voor al deze vetheid? Al deze moddervette vetheid? Die schaamteloos is, en daarom ook wel weer te prijzen. Maar dan. Maar ook. Maar verder. Want M. zit lang in de bus, even dacht t besprekerken (iets wat hij overigens bijzonder sterk had gevonden), dat ze gans het boek entlang in de bus zou zitten. Ze zit en kijkt en hoort en denkt, altijd dankbaar voor een schrijver, het openbaar vervoer: voorbijschuivend landschap, instappende passagiers, opgevangen gesprekken en hoe alles bij je hoofdpersoon herinneringen en gedachten kan aanjagen. Medepassagiers voor deze M., en wat moet je van haar denken eigenlijk?, kijken op hun telefoon “een oude serie” “over zes witte vrienden die hun dagen spendeerden in een koffieshop en om de haverklap in grappige misverstanden verzeilden. Niemand hoefde er ooit te werken, ook al woonden ze in New York, in appartementen zo groot als balzalen. Een van hen, de zweverige blondine, kwam zelfs rond als straatmuzikante.”, en dat is tegen het zere been van t besprerken al is het dan een been uit het verleden, noem het een fantoombeen. Het is uit de tijd dat t besprekerken nog geen vader was, de dagen en de tijden waren anders toen, t besprerken besprak voornamelijk muziek en had nog wat van de ambities uit zijn studententijd behouden; hij zou ook best een dichterken willen zijn, of een schrijverken allicht, hij zat hoe dan ook hele avonden te schrijven: proza, poëzie, recensies, beschouwelijk werk, hij schreef de avond weg en de kamer leeg, hij schreef tot de klok het middernachtelijk uur gepasseerd was. Het volgende deed zich voor: als hij zijn pen neerlegde en direkt zijn bed op zocht, bleef de slaap lang uit. Dan lag hij nog lang te malen over een beschrijving die misschien wat puntiger kon, een formulering die een beetje mankte, en had hij de naam van de zanger op die seedee die hij eerder die avond besproken had eigenlijk wel goed gespeld? Dan ging hij weer bed uit, schoot in het donker wat aan (t-shirt niet zelden achterstevoren en binnenstebuiten), dan zocht hij zijn papieren weer op, klapte de laptop weer open, zat daar weer te lang, was de volgende dag geen sent meer waard. Zaak was het om het hoofd leeg te maken en dan pas naar bed te gaan. Maar hoe maak je het hoofd leeg? Met de geest niet al te zeer okkuperende dommigheden. En waar vind je dommigheden bij uitstek? Op televisie. Na het schrijven televisiekijken, dan naar bed. Wat gekeken was nog niet heel eenvoudig, het moesten geen films zijn, die duurden te lang en waren te voorspelbaar en stelden het geduld van t besprekerken te zeer op de proef; het moesten ook geen praatprogramma’s zijn vanwege de ergeniswekkende flauwekul die daar net iets te vaak gedebiteerd werd; het moest niks zijn waar een vervolg in zat; gewoon iets stompzinnigs dat je eenmalig kon zien en waarvan je ook net zo goed al eens een aflevering van kon missen, want het waren de dagen voor de smart-tv en van terugkijken of van internet op de televisie was geen sprake, er werden dingen uitgezonden en daar kon je naar kijken en als je het gemist had was het weg. Zodoende geraakte t besprekerken gehaakt aan sitcoms. Dat is de grote zwakte van t besprerken: als iets bij hem eenmaal gewoonte is geworden, geraakt hij er bijna niet meer van af. Na zijn avondlange schrijfsessies zag t besprekerken sitcoms, want die werden vaak in de late uren, aan het eind van de programmering, nog eens herhaald. De serie waar M. hier op doelt zag t besprekerken ook. De hele serie. En het is eenvoudigweg niet waar dat niemand er hoefde te werken. Iedereen werkte. Eentje was akteur, al had hij zelden een klus; zijn geldproblemen waren dan ook regelmatig onderwerp van gesprek en katalysator van ontwikkelingen. Dan was er een chef-kok, een paleontoloog die eerst in een museum werkte en later als hoogleraar aan een universiteit, een data-analist, een hoofd inkoper bij een gerenommeerd modehuis. De “zweverige blondine” kwam helemaal niet rond als straatmuzikant; zij was masseuse. Daarnaast trad ze ook op met haar muziek ja, maar niet op straat maar in diezelfde koffieshop waar ze volgens M. hun dagen spendeerden. Voor zo’n simplistische, voornamelijk op goedkoop divertissement gerichte, sitcom waren er ook nog verrassend vaak scenes die zich afspeelden op de respectievelijke werkplekken van de “zes witte vrienden” (is er een reden om te specificeren dat die mensen wit waren?), en gingen hun gesprekken, bijvoorbeeld die in die koffieshop, ook vrij vaak over (problemen op het) werk. En dan waren ook lang niet al hun appartementen zo groot als balzalen en van het grootste appartement werd ook nog regelmatig verklaard waarom de huur ervan zo betaalbaar was. Maar afgezien daarvan, is het een beetje flauw om dit soort series af te rekenen op hun waarschijnlijkheidsgehalte; sitcoms jagen geen realisme na maar zijn gericht op de lach: elke paar minuten moet er gelachen worden en sja, zo vaak geeft de doodgewone aldag toch ook niet te lachen? Trouwens, ook serieuzer werk kan op zulke overwegingen stuk gaan – in menig boek is het evenmin duidelijk hoe de hoofdrolspelers de levensstijl kunnen onderhouden die ze hebben. Maar t besprekerken zou dit nooit naar voren hebben gebracht, hij wil niet per se te boek komen te staan als kenner van Amerikaanse comedyseries, als hij Six niet vaker had kunnen betrappen op slordigheden. Waarom moet M. zich badinerend uitlaten over een sitcom van decennia terug; waarom schreef Six de Friends kijkende passagiers de bus in? Om flauwiteiten erop los te kunnen laten?, om hoogbrauw te kunnen doen over laagbrauwcultuur? Moet het iets over Six zeggen, hee mensen kijk mij eens aantonen hoe slecht een of andere Amerikaanse serie uit tempo doeloe in elkaar zit?, of moet het iets over M. zeggen (een lichtelijk pretentieus personage is ze wel)? Maar verderop is er ook al sprake van “grijze materie” als het over hersenen gaat, niet alleen een kliesjee van jewelste maar ook diskutabel – is hersenweefsel van een levend brein niet doorbloed en dus roze? (toen t besprekerken nog een puberend scholierken was, haatte hij het altijd al zo erg als leraren zeiden dat je de “grijze materie” moest “laten werken”) En in een andere verhaallijn laat Six iemand nadenken over “eskimo’s” die “hun hele leven lang” in “een hut van ijs” verblijven; is dat wel waar?; bewonen Inuit (ja) hun “hut van ijs” niet slechts tijdelijk, bijvoorbeeld tijdens het jachtseizoen?

Dit is er weer zo een, denkt t besprekerken. Hij weet weer niet goed wat hij er van denken moet. Want ondanks alle slordigheden, ondanks de hoogdravendheid, ondanks de bij vlagen zeer gezwollen taal, blijft hij wel lezen.

Hij wil weten. Hij wil weten van M., en van haar vader. Van de jeugd, van het samen dat ooit was. M., die verderop Emma blijkt te heten, wat vaak afgekort werd tot Em of zelfs eenvoudigweg M., dus in tegenstelling tot wat t besprekerken dacht geen verwijzing naar de M. uit het gedicht van Jules Deelder (die, als hij het zich goed herinnert, van achthoog naar beneden sprong en onder zich de auto’s zag en nog één keer aan zijn Dinkey Toys dacht) (maar t besprekerken kan zich vergissen, het is vermoedelijk zo’n dertig jaar geleden dat hij dat gedicht voor het laatst onder ogen kreeg) (al speelt zelfmoord wel een rol in In het wit) (maar nu verraadt t besprekerken misschien al te veel), werd voornamelijk opgevoed door haar vader; haar moeder Iris overleed toen M. nog jong was, ze herinnert zich nauwelijks nog iets van haar moeder. En dan, in een volgend deel, wordt de hoofdrol vervuld door iemand die Iris heet en die is getrouwd met iemand die Ronald heet, wat ook de naam is van M.’s vader. Hier, zo denkt de lezer, zo dacht t besprekerken alleszins, gaat opgehelderd worden hoe dat nou zit met die moeder die M. zich niet meer herinnert; hier zitten we in Iris’ hoofd. Maar alsnog blijft veel in het vage. Gaat Iris dood op het eind? Heeft Iris zich wel goed kunnen vinden in haar moederschap? Bevraagt Six de relaties die ontstaan uit huwelijk en nageslacht: ineens ben je iemands zoon of dochter, ineens ben je iemands vader of moeder, relaties die zonder precedent zijn; vriendschap kun je leren – een vriendschap kan kapot gaan en dan weet je de volgende keer misschien beter waar je op moet letten. Maar vader, moeder, zoon, dochter – dat gaat niet meer weg. t Besprekerken voelt zich als vader helemaal op zijn plek; niets is hij ooit méér geweest dan vader; geen enkele rol is ooit zo totaal aanwezig geweest in zijn leven maar hoe moet gruwelijk moet het zijn als het ouderschap je geen, of onvoldoende, vreugde schenkt? Is dat dan leven?

Ja dat is dan leven.

En leven heeft de eigenschap altijd maar door te gaan tot het er niet meer is. Wanneer de M.-lijn hervat wordt, lijkt zij inmiddels zelf ook dement. De dingen verliezen langzaamaan hun naam. En “[z]onder naam zijn dingen gewoon maar massa”; hoe waar is dat! Neem iets waar waarvan je geen verstand hebt, machineonderdelen ofzo, en je ziet gewoon maar dingen. Of. Je komt aan, vooruit, met de trein, op een plek waar je nog nooit geweest bent – je ziet het doorheen onbeschreven ogen. Wanneer je er al een paar dagen bent, zie je de dingen anders, je kent hun onderlinge relaties, de afstanden van het een tot het ander, je weet er al een beetje je weg, je ogen zijn niet langer onbeschreven; het heeft t besprekerken op vakantie wel eens gespeten hoe snel zijn onbekendheid met die nieuwe omgeving teloor ging.

Lezend doorheen de slordigheden, de soms te dik aangezette poëzie, de kliesjees, de dingen waarvan je niet weet met welk doel Six ze inzette blijft van In het wit een muzikale en sfeervolle roman over die enkele wezenlijke levensvragen aan de orde stelt. In welke mate hebben we ons leven in eigen hand? Wat laten we teloor gaan, wat laten we vervluchtigen voor we er goed en wel grip op kregen? We kiezen onze geboorte niet, kunnen we ons einde wel zelf kiezen? t Besprekerken moest herhaaldelijk denken aan de euthanasieroman die Joost Oomen niet al te lang geleden schreef. En daartussen? Wanneer kunnen we nog weglopen, wanneer kunnen we nog terug. Wie zei je ooit dat je deze weg moest gaan? En nu loop je er, en wil je het wel, wil je het lopen wel, wil je deze weg wel.

Uiteindelijk geraakte t besprekerken in een filosofische stemming door dit bedachtzame en verstilde boek. En een schrijver die je met zijn boek het gevoel kan geven dat je normaal hebt na het beluisteren van een seedee van Dirty Three vergeef je natuurlijk ruiterlijk al zijn maniërismen.

Flaptekst van de nieuwe Roderik Six roman

“Sneeuwen zou geen werkwoord mogen zijn. Al dat gedwarrel, die speelse kristallen die meer zweven dan vallen, het heeft niets met werk te maken. Het woord mist daadkracht en gewicht, het mist sleur.
Sneeuwen – het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt.”

Een vrouw reist door een sneeuwlandschap. Ze is op weg naar de buitenwijk waar haar vader woont. In zijn hoofd sneeuwt het al lang. Terwijl de vlokken rond haar neerdwarrelen, moet ze een hartverscheurende beslissing nemen.

Een moeder staart door een keukenraam. Buiten speelt een kind in de sneeuw. Was dit de droom – een huis in het dorp, een dochter, een man? Is dit nu leven?

In de nieuwe, ontroerende roman In het wit van Roderik Six worstelen jonge vrouwen met oeroude dilemma’s. Met stilistisch vernuft schetst Six een teder portret van mensen op het kruispunt van leven en dood. In het wit is een intieme roman over maatschappelijke thema’s als dementie en moederschap.

Roderik Six is in 1979 geboren in Ieper en groeide op in het in het West-Vlaamse Woesten. Hij is literair journalist bij het weekblad Knack. Met zijn debuut Vloed won hij prompt De Bronzen Uil. Zijn tweede roman Val werd bekroond met de driejaarlijkse Prijs voor de Letteren van de provincie West-Vlaanderen. Roderik Six woont en werkt in Gent.

Bijpassende boeken