Xavier Roelens Wildnissen recensie en informatie over de nieuwe dichtbundel van de dichter uit Vlaanderen. Op 20 januari 2026 verschijnt de nieuwe dichtbundel van Xavier Roelens, de Vlaamse dichter. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.
Xavier Roelens Wildnissen recensies
Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Wildnissen, het nieuwe boek met gedichten van Xavier Roelens, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.
Recensie van Tim Donker
Beelden. Is dat het niet. Hoe in deze tijd het beeld steeds dominant is. Beelden, in onze koppen gegrift. Hun ogenschijnlijke objectiviteit in combinatie met een zekere dramatiek bepaalt in hoge mate wat de massa nu weer denkt, wat de massa nu weer vindt, naar wie de empathie van de massa nu weer uitgaat. Waar beelden knallen, worden woorden verbrijzeld. Je hoeft niet meer te luisteren, je moet alleen nog maar zien. In 2020 las ik in het prachtwerkje De coronastorm van René ten Bos een indringende analyse van een overbekend beeld: “Op een kleine ijsschots, de laatste resten van een gesmolten ijsberg, hangt een ijsbeer. Het dier is bijna groter dan het ijs. Het is een beeld dat op ons netvlies bevriest. Mensen die naar de foto kijken, zien iets dramatisch. Ze zien hoe een dier zich vastklampt aan iets wat er straks niet meer zal zijn. Ze zien wanhoop. Ze zien vergankelijkheid. Ook het dier zal er straks niet meer zijn. Het zal verdrinken in het onmetelijke water waardoor het omringt wordt. In één beeld vangt men het drama van de klimaatopwarming. Dat ijsberen heel goed kunnen zwemmen, sterker nog, dat ze moeiteloos tientallen, zelfs honderden kilometers kunnen afleggen, komt niet meer in de hoofden op. Evenmin beseft men dat er van ijsberen die op een ijsschots hangen werkelijk honderden foto’s gemaakt zijn, niet alleen in tijden van de opwarming, maar ook daarvoor al, toen de wereld nog koel was. We zien een dier dat bezig is met zijn hobby.” En, even later: “Overigens heeft empathie met ijsberen weinig nut. Het zijn gewoon gevaarlijke rotbeesten.” Die ijsbeer dus. Diezelfde. Die ijsbeer die spreken kan en zegt dat wij mensen, dat meest destructieve schepsel dat ooit de aarde bewandelde, druk bezig zijn toe te werken naar de zesde massa-extinctie, dat we de hele planeet naar de wuppe helpen, enkel en alleen om ons eigen gewin, om ons eigen meer en meer en meer, ons eigen nooit genoeg. En wie zal er straks jammerlijk verzuipen? Jawel hoor, die eeuwige verdomde rotijsbeer. Die ijsbeer dus, komt ook in Wildnissen nog even langsgedreven. Het was toen dat ik opkeek en hum dacht. Maar eigenlijk was het al naar het einde toe, toen Roelens me allang voor zich gewonnen had.
Misschien moet ik niet beginnen met het einde in zicht.
Misschien moet ik eerder beginnen.
Misschien moet ik beginnen met een ooit. Toen ik in Antwerpen was.
Antwerpen. Ja. Wanneer was dat? In een periode, een tijd, een ooit, dat ik daar vrij vaak kwam. Toen het millennium nog krakelend vers was. Deze ene keer moet, uiteraard, na 2007 zijn geweest. Maar voor de geboorte van mijn oudste. Voor 2013. Aan het einde van het eerste decennium, of aan het begin van het twede stond ik in De Slegte in Antwerpen. Hoe vaak ik daar gestaan heb. Hoeveel boeken ik daar wel buiten gesleept heb. Een dichtbundel trok mijn aandacht. Er is een spookrijder gesignaleerd. Zo heette het. Des dichters naam, Xavier Roelens, deed een vage bel rinkelen. Misschien opgepikt uit DW B. Zou kunnen. Dat las ik in die dagen nog wel. Er is een spookrijder gesignaleerd oordeelde ik op een opmerkelijke titel. Er zat een zekere pretentieloosheid in die me aansprak. Maar dan kon het met de gedichten natuurlijk ook nog de flauwzinnige kant op, grapjespoëzie, of iets met leuke berichten uit de krant ofzo. Ik bladerde wat. Wat ik zag beviel me. Ik kocht het boek. Las het diezelfde avond nog op de hotelkamer. Ik moet u nu eerlijk bekennen dat ik me op dit moment geen enkel gedicht eruit meer herinner maar het moet schoon veel indruk gemaakt hebben want Roelens werd een huishoudnaam in mijn brein. Later, ergens rond 2012, maar nog altijd, denk ik, voor de geboorte van mijn eerste vond ik in een andere Slegte, ditmaal die in mijn woonplaats, Stormen, olielekken en motetten. Ik weet nog van één gedicht in die bundel. Een lang gedicht. Ik weet dat het me meerdere jaren gekost heeft om dat te lezen. Maar dat kwam omdat ik halfweg in dat gedicht stopte met lezen (misschien was mijn oudste inmiddels geboren?), en om een of andere onnaspeurbare reden niet veel later heel de bundel uit het oog verloor, en het pas bij mijn recentste verhuis weer tegenkwam (en maar doodgemoedereerd verder ging te lezen waar ik blijkens de boekenlegger gebleven was).
Roelens. Ik ben, sja wat ben ik? Een fan? Dat klinkt me te puberaal. Een liefhebber? Te liefdevol. Een volger, misschien. Een voorzichtige volger toch, want Onze kinderjaren ontging mij in weerwil van het interessante uitgangspunt even. Maar Wildnissen plofte gelukkigerwijze weer keurignetjes op mijn recenseertafel. En ik slaakte een aarzelend hoera.
Vanwaar de aarzeling, u vraagt?
Hum. Ja. Dat is. Engagement kleefde altijd al aan Roelens, en dat was goed. En stormen, olielekken en motetten was toch ook “ecologisch geïnspireerd” als dat dan geloof ik heet. Maar inmiddels zijn we verder, inmiddels zijn we ouder, inmiddels zijn we later, en nu kan ik als ik een zin lees als “In een wereld die op een klimaatramp afstevent, koos Xavier Roelens toch voor zelfgemaakte kinderen.”, waarmee het achterplat (altijd weer dat vermaledijde achterplat) opent, niet anders dan een welgemeende diepe zucht slaken.
De ecocide de klimaatrampen de milieucrisis & al die boeken erover: de klimaatromans, de dystopische romans, de ecopoëzie, de deugboeken jajaja, ik weet het wel, we gaan ten onder & de aarde eraan, het is vijf voor twaalf of twee voor twaalf of een voor twaalf, weet ik veel, er gaan dagen voorbij dat ik niet op de doemsdagklok kijk, ik weet het wel, ik ken het verhaal al zo lang, en het is juist daarom dat ik me afvraag wat je er nog aan toe denkt te voegen. Luister. Laat ons niet op verkeerde voet beginnen, of beginnen, dit mag misschien al niet meer als het begin van deze bespreking gelden (al heb ik nog met geen woord gerept over het boek waar het eigenlijk over gaat), laat ons niet op verkeerde voet verder gaan: ik geloof in het antropoceen. Het lijkt me evident dat het blijvende gevolgen zal hebben wanneer er een diersoort ontstaat die zich specialiseert in de eigen en andere soorten afmaken, in gifstoffen lozen, in alles aan de bodem onttrekken wat er maar in die bodem te vinden is; dat dat schade toebrengt, lijkt mij geen al te ver gezochte aanname. Ik zou ook geheel voor een totale afschaffing van al het vliegverkeer zijn. Alles mag wel minder. Alles moet wel minder. Je hoeft niet naar Japan. Ik vind het decadent om te menen dat alles maar binnen bereik moet zijn, dat je overal maar naartoe moet kunnen. Als je er niet heen kunt lopen, hoef je er helemaal niet heen te gaan. Of, laten we zeggen fietsen. Of okee, treinen. Je hoeft niet naar Japan en je hoeft niet naar de maan en je hoeft ook niet de allernieuwste smartphone. Minder is goed. Dat klatst niets dan mijn bijval. Maar misschien is niet alles het gevolg van menselijk toedoen. Het woord klimaatverandering valt mij te vaak in elk gemiddeld kaffeegesprek. Als er heel veel sneeuw valt in januari dan is dat toch echt wel klimaatverandering, als het droog is in januari dan is dat klimaatverandering, als het erg mild is voor de tijd van het jaar is dat klimaatverandering maar als het heel erg koud is ook. Dat er teveel regen valt, en dat de rivieren buiten hun oevers zullen treden. Of we zitten straks weer met een droogteprobleem want het heeft nog niet geregend. Elk weertype, elk natuurfenomeen, de bloemen, de bijen, dat ze er niet zijn of dat ze er wel zijn, elk teveel, elk te weinig. Klimaatverandering. Kun je echt zien dat De Natuur In De War Is he. Ja. Die praat. Zulke praat. Het milieu is allang het milieu niet meer. Het milieu is een inkomstenbron. Voeg u in het koor der jeremiëerders, dat verkoopt wel, want deugers willen deugers lezen, en de meeste lezers zijn deugers. Het milieu is een goedgedaansticker van de juf. Wij zijn goed. En iedereen met een zelfs maar lichtelijk afwijkende mening is slecht. En toch is het helemaal niet eerlijk, onee.
Dat is waarom mijn hoera aarzelde. Omdat ik eventjes geen zin meer heb in calimeroboeken.
Maar in korrel 1 tot en met 1.21 gaat Wildnissen eenvoudigweg over verlangens. De dingen die je kunt verlangen. Dat opa en dat tante nog wat langer zouden blijven leven, bijvoorbeeld. Dat kan een verlangen zijn. Dat de biefstuk wat meer doorbakken mag. Dat je een Porsche op baterijen kon hebben om tegen de muren van je peperkoeken huisje op te rijden. Dat het lievevrouwenbedstro overal mag groeien, maar liever niet hier. Dat zijn dingen. Zoiets zou je kunnen verlangen. En verlangens mogen ter diskussie gesteld. Dit is voorwaar niet slecht. Dit is zelfs erg goed.
In iets wat je een lopend gedicht zou kunnen noemen -zij het hier en daar onderbroken door kruisende gedachten- stapt Roelens langzaamaan voort. De wat vreemd aandoende nummering ontleent hij naar eigen zeggen aan de Tractatus logica-philosophicus van Ludwig Wittgenstein. Dat moge wat pretentieus lijken, en verrek, dat is het ook. Maar Roelens is in de eerste plaats een dichter, geen filosoof. En het goede ding is, het hele goede ding is dat hij de poëzie laat prevaleren. De poëzie gaat voor op de gedachte, en op de boodschap. Voor de poëzieliefhebber blijven de boeken van Xavier Roelens een heerlijke rit.
Wat klinkt die laatste zin dom.
Wel. Een onvergetelijke reis? Achnee, hou het dan maar bij die heerlijke rit van u.
Ja, de wijze waarop de mens met zijn planeet omspringt, ligt geregeld op de rooster. En ja, die onvermijdelijke ijsbeer vaart maar weer eens langs op dat ijsschotsje van hem (Roelens leest heel erg veel maar Ten Bos heeft hij klaarblijkelijk niet gelezen) (schandalig zoiets). Maar vaker ligt zijn vergrootglas op het meer, het steeds weer meer, de veelheid van de dingen, de oneindigheid van alles wat er is en wat nog steeds niet genoeg is. De vrolijke supermarkt met de vrolijke producten, zoals hij dat ergens noemt. Roelens racet er doorheen. Hij ziet van alles, en wijst ernaar. En ondertussen wordt hij vader, en ondertussen leert hij dingen doen (ondertussen leert hij leren) (hij droomde dat hij op zijn werk was).
Er is sprake van tekstfuga’s en van cycli en jajaja dat zal allemaal wel. Ik hecht eraan Wildnissen te lezen als één lang, lopend gedicht. Opgebouwd uit, zo je wil, korrels. Korrels die over u heen gaan, in uw kleren blijven zitten, in uw oren, in uw haar: zo ken ik Roelens: hij laat altijd wel iets achter.
We verlangen dingen. Misschien. En wat we verlangen, wat we willen laat sporen na. Misschien. We wilden iemands ouder zijn, we wilden zijn waar we niet waren, we wilden wat we nog niet hadden. Laat het. Lees het. Onderga het.
Korrel 7 kent verder geen subnummering meer, het is maar die ene grote korrel zeven en hij is misschien wel het schoonst. Een abecedarium van dingen & verschijnselen. De aardpeer. De bedwants. Chantage. Dialect. Empathie. Alles al geprobeerd. Het deed me denken aan het prachtige Alfabet van Inger Christensen (in Denenmarken al sedert 1981 te lees maar in 2002 in Nederlandse vertaling verschenen bij Meulenhoff; onlangs, echter, heruitgegeven door het altijd fijne Koppernik & waarom bereikte dat mijn recenseertafel nooit?) (schandalig zoiets). Christensen bouwde haar boek niet naar voorbeeld van Wittgenstein maar volgens de Fibonacci-nummers (waarom moeten sommige poëten toch altijd weer zonodig laten merken dat ze niet van de straat zijn?) (ja ons bent best heel slimme jongens en meisjes hoor ons hebt al es un boekje of twee gelezen vergis u niet in ons) (langs de andere kant zijn dichters die met nadruk de straat opzoeken; “street credibility” (heet dat zo?) willen niet minder vervelend) en dat moge pretentieus lijken (en verrek dat is het ook!); Alfabet is één van de allerbeste poëzieboeken allertijden. Abrikozenbomen bestaan, bramen bestaan, citroenbomen bestaan, duiven bestaan, de eland bestaat; Christensen ontfermde zich in een kleine zeventig pagina’s over alles wat bestaat (en wat bedroevend kan zijn, of juist wondermooi); Roelens doet dit op het eind van zijn fraje bundel nog eens dunnetjes over en beziet wat er zoal reeds geprobeerd is. Hij zit Christensen daarmee in genialiteit ei zo na op de hielen.
Roelens overdondert.
Roelens fluistert.
Roelens schreeuwt.
Roelens zet stil.
Misschien hier of daar een “ongemakkelijke waarheid”. En een pleidooi voor “wildnissen”; dat wat er ook zonder ons is (& ik dacht aan de ongecontroleerd groeiende liefde waar Callahan het over had kort voor hij voorgoed volkomen ruk werd). Maar vooral woekerende poëzie. Van verstillende pracht. Is poëzie al geprobeerd, Roelens? Want als ergens, dan hier.
Wildnissen
Lyrisch-ecologisch tractaat
- Auteur: Xavier Roelens (België)
- Soort boek: gedichten, poëzie
- Uitgever: Atlas Contact
- Verschijnt: 20 januari 2026
- Omvang: 120 pagina’s
- Uitgave: paperback
- Prijs: € 22,99
- Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris
Flaptekst van de nieuwe Xavier Roelens dichtbundel
Een dichter kijkt als vader naar een wereld in crisis. Tussen angst en verwondering, wanhoop en hoop, ontstaan gedichten vol bezorgdheid, tederheid en een verlangen naar wildheid.
Wildnissen is de nieuwe, langverwachte dichtbundel van Xavier Roelens. In een wereld die op een klimaatramp afstevent, koos hij er toch voor om vader te worden. Nu ziet hij overal kinderen en voelt hij een zware verantwoordelijkheid. Met moeder de angst aan het stuur wil hij uit de wagen stappen en stilstaan bij alle gevoelens die daarbij komen kijken: van depressie tot vreugde, van verdriet tot ontzetting. De feiten broeien in zijn hoofd. Hij kijkt van zijn zoon naar de presidenten die met oorlogen de overbevolking aanpakken. Hij zit in zijn zetel een lyrisch-ecologisch traktaat te schrijven, een pleidooi voor wildnis en wildnissen, maar gaat uiteindelijk ook liever wandelen.
Xavier Roelens is in 1976 in Rekkem, West-Vlaanderen. Hij zag vele auteurs debuteren als coördinator van SchrijversAcademie, de Vlaamse schrijfopleiding voor gevorderden. Sinds enkele jaren geeft hij zelf les in Ieper en Tielt aan schrijvers in spé. Zelf debuteerde hij, na een korte carrière in het slammilieu, in 2007 met er is een spookrijder gesignaleerd. Zijn ecologisch geïnspireerde bundel Stormen, olielekken, motetten (2012) werd door de jury van de Herman de Coninckprijs tot de vijf beste Vlaamse bundels van dat jaar gerekend. Voor Onze kinderjaren (2018) vroeg hij aan 365 mensen naar hun vroegste herinnering als kind en maakte daar 77 gedichten mee. De bundel werd genomineerd voor de Grote Poëzieprijs 2019. Zijn werk is vertaald in het Engels, Frans, Russisch en Kroatisch.
