Ivo van Strijtem Wereldburgers recensie, review en informatie boek met gedichten van de Vlaamse dichter. Op 25 augustus 2026 verschijnt bij Uitgeverij Atlas Contact de dichtbundel van Ivo van Strijtem, de dichter uit Vlaanderen. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.
Ivo van Strijtem Wereldburgers recensies en reviews
Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Wereldburgers, het boek met gedichten van Ivo van Strijtem, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.
Recensie van Tim Donker
Dan de avond, en dat het niet direkt.
Geen erg, gebeurt wel vaker.
Gebeurt dit wel vaker? Ja. Gebeurt wel vaker, dit. Dat het eerst pas komt met zinnetjes. Want dat eerste gedicht, he. Muze heet het. Niet onaardig nee. Wanneer ik zeg niet onaardig bedoel ik dat het niet rotslecht is. Maar ja. De dichter laat keel rijmen op veel, en wangen op verlangen, en tsja, sowieso: rijm. En dus. Diepe zucht. En doorlezen. Want je kunt nie beoordeel nie een dichtbundel op it’s eerste gedicht nie. Ik wil Wereldburgers meteen weer op de stapel maar dat mag niet van mijzelf. Doorlezen moest ik van mijzelf en zeikerd zei ik tegen mijzelf maar ik las wel door want als ik gesproken heb dan zit er voor mij niets anders op dan te luisteren. Laat ik oren hangen. En lees ik door.
En later was ik dan toch wel blij met mijzelf. Want het was er niet direkt, die avond. Niet bij Wereldburgers. Maar het kwam wel, en het kwam in zinnetjes. Na dat matige openingsgedicht (noem je dat zo?), trekt Uit het hoofd, gedicht nummer twee, wel mijn aandacht via zinnetjes als “Vertoef je graag in een navel zo groot als een zwembad”; “mogelijk is ook dat het liever vat zeg maar zon sneeuw / en regen zeg maar hoe zeg je dat en je niet na tien tellen / gaat geeuwen” en “dan wil je graag dat langs gewone bomen / een doodgewone trein je meevoert of je praat met een geit” – en ja dat zijn moje zinnetjes, dat zijn hele moje zinnetjes, dat zijn voorwaar prachtzinnetjes zeg nou zelf.
Lees ik Uit het hoofd nog eens. Zie ik dat al die zinnetjes die ik zo mooi vond tesaam reeds bijna dat hele gedicht zijn. En misschien weet ik wel niet zo goed wat een zwembad zo groot als een navel te maken heeft met praten met een geit – maar dat maakt niet uit want dit is poëzie en poëzie hoeft niet logies te zijn en je hoeft poëzie zelfs niet per se geheel te volgen om het toch nog mooi te kunnen vinden -; een mens kan toch redelijkerwijs doch weliswaar een beetje schoorvoetend zeggen dat ik Uit het hoofd wél een mooi gedicht vind.
Nu hoef ik mezelf niet te bevelen door te lezen. Nu lees ik Wereldburgers omdat ik graag poëzie lees. Of. Naja. Omdat ik graag goeje poëzie lees.
Dan hoor ik u vragen: wat is goeje poëzie. Ja weetikveel. Alle poëzie die ik goed vind zou ik zeggen. Misschien is een minimale voorwaarde dat het iets eigens heeft, en aan die voorwaarde voldoet Van Strijtem in ruime mate. Dat hij dat zelf ook wel lijkt te weten, is geen bezwaar. Niet alle eigendunk is onverteerbaar. Want dat hij zelf peinst aan een “van Strijtemse School van de Poëzie” is, neem ik aan, niet bloedserieus bedoelt. Hoe die school eruit zou zien, legt hij uit in het gelijknamige gedicht: “Kan het wat minder poëtisch ja? / dank je” & ook sieteert hij met instemming Brendan Kennelly’s adagium “Poetry my Arse”. Ik moest hem opzoeken. Dat zal ik u bekennen. Dat ik hem moest opzoeken, die Brendan Kennelly. Het was een Ierse dichter (was ja, hij is een paar jaar geleden overleden), die inderdaad een bundel op zijn naam heeft gezet met als titel Poetry, my Arse. Klaarblijkelijk pleitte hij voor een minder hoogdravend soort poëzie. Maar ik las online wat van Kennelly’s gedichten en hij bleek het soort poëet dat elke nieuwe regel (dus niet zin!) begint met een hoofdletter, en misschien gruw ik nog meer dan van rijmende gedichten van gedichten waarin elke nieuwe regel begint met een hoofdletter. Dus Kennelly kon wat mij betreft meteen weer van het podium maar hij had me wel de bril aangereikt waardoor ik Van Strijtem kon lezen.
(nee onzin natuurlijk, ik had heeldurtijd gewoon mijn eigen bril op)
Misschien wil zo’n Van Strijtem gewoon wel wat meer spreektaligheid in zijn gedichten. Al weet ik niet. Hoe spreektalig is een morgen met ingetogen warmte, een jij van veertien en een ik van een jaartje ouder samen op een brugje, een adempauze aan de oevers van pas twintig of die zij die het ongelooflijk naar hun zin hebben? Het zijn dingen die toch welhaast te mooi zijn voor gewoon zomaar een gesprek.
Dagdagelijksheid dan misschien? Misschien gaat Van Strijtem niet in dialoog met politiek, filosofie of de wereldliteratuur, misschien wil hij gewoon dichten over wat hij ziet als hij naar buiten kijkt (of naar binnen, naar de Van Strijtem van vele jaren jonger). Maar weeral weet ik niet. Hoe dagdagelijks is een herder die Florian heet? (hij heeft een frons en een rode neus). Dus denk ik maar: hij zit op vele snijvlakken, die Van Strijtem. Op het snijvlak van spreektaligheid en poëzie, op het snijvlak van de aldag en mystiek, op het snijvlak van de dingen recht onder je neus en de dingen in de hele wereld (de wereld is alles wat het geval is) (de wereld bestaat niet), op het snijvlak van alles nu en alles dat ooit was. Zo is er een twaalfdelig gedicht dat Stille nacht heet en verrek, dat lijkt net het kerstverhaal. Maar keer na keer wordt de jezusvertelling zoals we die kennen onderbroken door beelden, gedachten, uitwaaieringen die op zijn zachtst gezegd wat vreemd aandoen. “Dit vraagt om Bethlehem of om iets navenants waar je / een vuurtje kan stoken want daar brandt de lamp of / beter een ster van een zekere allure een ster die / haar wereld kent daar zal je een pappeke koken // waar ligt Bethlehem op een eiland in de Stille Oceaan / in Timboektoe in de golf van Biskaje op de maan / of in Lubumbashi of even ten oosten van Guangzhou / of verscholen in het Amazonewoud of in Judea // ten zuiden van Jeruzalem of in de Kleemstraat de Varing / of de Pamelse Klein tenzij in een akker of een wei / waar ligt Bethlehem misschien in Maria misschien in Jozef / in een eicel van Maria in een zaadcel van Jozef // in het zand van de weg die we gaan in een sneeuwvlok die / toornige woorden dooft of misschien in het liefdesspel in het ontkleden in het zoenen in de liefde die de honger stilt / want Bethlehem veroorlooft en ontbloot Bethlehem is brood” (en geweldig niet, tsjee, Van Strijtem weet nu zelfs rijm mooi te maken) (hou vast, er komt nog meer); “Waar ligt Bethlehem wie geeft Bethlehem onderdak / is Bethlehem een bed een bad een bakermat / dat denk ik wel ja of een stal een schuur een buur / dat denk ik wel ja of een gelukkig toeval een bruistablet // een zalf voor op een zeer been dat denk ik wel ja / een hand op een koortsig hoofd een aai / een koele slok water op het heetst van de dag / dat denk ik wel ja of iemand die zegt het komt goed // of iemand die zegt zit er maar niet mee of iemand / die zegt laat het daarbij en vergeet het of iemand / die zegt kom we lachen erom de liefde die spreek je / niet tegen ja denk ik dan dat is Bethlehem // de sneeuw van Valerius die op die van Pieter gaat liggen / en een schuur een gehucht omarmt met in de sneeuw / een avondgloed hoe doet hij dat of met erin / een waas van groen voor straks voor het kind // van Maria en van Jozef van Yousra en van Zacharia van Ruth / van Iris en van Jan de sneeuw van Boris in een Sovjetnacht / de sneeuw van Robert in een bos in Massachusetts van / Werner die een sneeuwbrief naar zijn zus in Zweden schrijft.” – en het beneemt me de adem en mijn stem (want ik brul van enthousiasme) en ik vind het allemaal zo ongelooflijk prachtig, en ik ben niet eens, zelfs niet een beetje, religieus (al is dit geen religie misschien, dit is veeleer religiositeit misschien, of gewoon zomaar zwevende gevoelens) (en bij die iemand die zegt kom we lachen erom denk ik aan Suzanne, niemand was mojer dan Suzanne, nooit had ik iemand gezien die zo mooi was als Suzanne, en we waren zeventien misschien, of weet ik het, we zaten op de havo, we waren klasgenoten, ik wilde dat Suzanne meer was dan mijn klasgenoot, ik weet niet eens zeker of ik verliefd op haar was en een relatie wilde, ik wilde denk ik dat we boezemvrienden waren en dat we alles deelden en we elkaar ons hele leven zouden blijven zien, dat is niet gelukt, dat is allemaal niet gelukt, maar ooit, op een keer, zaten we naast elkaar in de kantine, we waren zeventien, of weet ik het, en we waren ons examenjaar zat en de school zat en heel het lerarenteam zat en Suzanne zei Wacht maar, over twee jaar lachen we hierom, en ik weet niet waarom ze twee jaar zei en ik weet niet waarom ik Ja? zei maar wat ik wel weet is dat het me verbijsterde dat Suzanne zelfs een kliesjee mooi en oprecht en troostrijk kon laten klinken), maar gaat het hier überhaupt eigenlijk wel over het kerstverhaal of gaat het over jonge geliefden die de toekomst berekenen en uitkomen bij zes procent (“is die zes procent Bethlehem dat denk ik wel ja / is zes procent voldoende dat denk ik niet nee / maar daar doen we het mee een hulsttak een vogel / van twee keer niets een koolmees een mus een pruts”, of om de vrede die lukt bij de een terwijl bij de ander de mayonaise niet pakt (en Van Strijtem kennende zoals ik het inmiddels denk te kennen vermoed ik maar zo dat mayonaise hier niet eens als beeldspraak geldt), of over sterven en schrijven en veel vijven en zessen, of over alle mensen die geboren zijn in een stal (Tanja bijvoorbeeld, en André, en Michiel, en de moeder van Serge), of over de stampvolle herberg of over de sneeuw in ons warhoofd? Ik weet het niet, maar het blaast me evengoed gansch en geheel omver, deze stille nacht die komt in twaalf delen. En hoe vaak is dat jezusverhaal nu al verteld?, weet jij dat?, loopt dat ergens in de miljoenen keren, weet jij dat?, naja, hou het voorlopig op talloze talloze keren, en hoe kan het iemand dan lukken om een verhaal zo uitgekauwd zo mooi grappig aangrijpend wonderlijk verpletterend muzikaal gloedvol nóg eens te vertellen, weet jij dat? In wat misschien wel het mooiste gedicht van 2026 is. In ieder geval sinds het vorige mooiste gedicht van 2026. En tot het volgende moooiste gedicht van 2026.
In de afdeling Wereldburgers (laat ons noemen: de titelafdeling) krijgen we een serie portretten voorgeschoteld. Van mensen. Allemaal gewoon maar mensen. Mensen die dood zijn. Mensen die de dichter gekend heeft. Al is het maar van horen zeggen. Kleine luiden, prutsers, legendes, beroemdheden (Beyonce komt langs, en Leonid Brezjnev), kleuters, heren, dames, sporters, doodgravers. Mensen aan wie iets tragisch kleeft, mensen die ergens in uitblonken, die verlangden naar het onbereikbare, spoorloos verdwenen, gewoonweg doodongelukkig waren. Hier zingt Van Strijtem een kleiner lied. Innemend. Of hoe noem je dat. Sjarmant. Ontwapenend. Van Strijtem toont zich in deze portretten wat aardser misschien, maar hangt altijd nog met één voet tussen de sterren.
Van grote hoogte ziet men immers alles – de beelden en de gedachten blijven ook bij slotafdeling “En ten slotte nog dit:” in hoge mate intrigerend. Dacht u bijvoorbeeld wel eens aan de dagen die je leven best missen kon (wegens te onnoemenswaardig?) (opraapbaar, misschien weet Dregke dat nog). De dichterlijkheden die niet in je koffie gemengd hoeven te worden. De schaamte aan spaanders. Schemer van gemis. De keuzes en je ruggengraat in een envelop. Een verdriet waar je naam stuntelig in gebeiteld staat. En voort. En verder. En vuts. Over leven en sterven, over rondhangen en een boek lezen, over wat onooglijk is en wat je zomaar boven het hoofd zou kunnen groejen – over dit soort dingen gaan Van Strijtems gedichten. En over andere nog. Zijn poëzie bevindt zich ergens tussen de flitsen van onversneden schoonheid en het uitgestrekte Al.
Weeral een dichter die ik niet kende. Deze Ivo van Strijtem. Zelfs al heeft al best wat titels op zijn naam (ik zou kunnen zeggen dat dat misschien komt omdat het voornamelijk vrij suffe titels zijn maar je kan ook niet beoordelen een dichtbundel op it’s titel). Dus Wereldburgers is voor mij een kennismaking. En een aangename kennismaking ook. Bijzonder aangenaam. Dat had ik op de eerste bladzij nog niet kunnen peinzen. Maar zo gaat dat met poëzie, en het is ook wat ik er zo eindeloos bloedmooi aan vind: het raakt je altijd weer als je er totaal niet op voorbereid bent.
Wereldburgers
- Auteur: Ivo van Strijtem (België)
- Soort boek: gedichten, poëzie
- Uitgever: Atlas Contact
- Verschijnt: 25 augustus 2026
- Omvang: 96 pagina’s
- Afmetingen: 16 x 24 x 1,2 cm
- Gewicht: 168 gram
- Prijs: € 22,99
- Boek bestellen >
Flaptekst van de dichtbundel van Ivo van Strijtem
De gedichten in Wereldburgers bewegen zich moeiteloos tussen het aardse en het verhevene, tussen klein, tastbaar geluk en een onstilbaar verlangen. In heldere, ritmische verzen ontvouwt zich een wereld die tegelijk rauw en teder is, brutaal en devoot.
Emoties liggen open en scherp op de bladzijde, terwijl het alledaagse zonder schroom naast het sacrale wordt geplaatst. Tussen het banale en het goddelijke ontstaat poëzie die durft te schuren én te troosten – die knielt bij een geboorte onder de sterren, maar even goed de ironie van het bestaan onder ogen ziet.
Tegelijk spreekt uit deze gedichten een open blik op de wereld: de dichter beweegt zich als een wereldburger tussen talen, plaatsen en levens, en zoekt naar wat mensen verbindt voorbij grenzen en verschillen. Woede en zachtheid, verlies en hunkering vloeien samen in beelden die blijven nazinderen.
Ivo van Strijtem is het pseudoniem van Ivo Evenepoel. Hij is geboren op 26 juli 1953 in Strijtem, nu Roosdaal in Vlaams-Brabant. Hij maakt geen geheim van wat hij mooi vindt. Hij introduceerde vele dichters in het Nederlands taalgebied, schreef enthousiasmerende essays (verzameld in ‘Iedereen dichter’), en ook in zijn eigen gedichten krijgen schoonheid en liefde hun rechtmatige plaats. Van hem verschenen onder andere ‘Een rode sjaal‘, ‘Het tegenbezoek‘, ‘De liefde, jazeker‘ en ‘Een kamer met een tafel en schrijfgerei’.











