Charles Lewinsky – De stotteraar

Charles Lewinsky De stotteraar recensie en informatie van deze Zwitserse roman. Op 11 november 2020 verschijnt bij Meridiaan Uitgevers de Nederlandse vertaling van Der Stotterer de nieuwe roman van Charles Lewinsky.

Charles Lewinsky De stotteraar Recensie en Informatie

Recensie van: Tim Donker

Maar je moet goed begrijpen hoe dat ging. Ik stond daar met dat boek in mijn hand, dat boek dat ik zojuist bij hem bezorgd had. Want het was zaterdag en dus een werkdag en ik had een pakketje voor hem gehad dat niet door de brievenbus paste, ik had bij hem aangebeld en hij was naar beneden gekomen vanaf helemaal het allerhoogste verdiep waar hij woont. We stonden daar. In het portiek van zijn flat. Ik gaf hem het pakje. Hij maakte het open. Het was een boek. Ik vroeg of ik het eens mocht zien. Ik weet niet waarom ik dat vroeg, omslag en titel spraken me niet erg aan en de schrijversnaam zei me niks. Ik denk dat ik graag iets in mijn handen heb als ik met mensen praat. De post voor zijn portiek had ik al bezorgd, mijn armen waren leeg, het is goed om met iemand te praten en af en toe met mijn kop in een boek te kunnen duiken. Denk ik.

Dat we aan het praten waren, dat moet je vooral in je achterhoofd houden. Of voornamelijk hij praatte want zo’n soort man is hij wel een beetje. Dat Lewinsky een Zwitser was, zei hij en ik mompelde iets over Zwitserse schrijvers (Eigentlich möchte Frau Blum den Milchmann kennenlernen, mompelde ik, Max Frisch mompelde ik, Blaise Cendrars mompelde ik maar die is naar Frankrijk verkast en ook nogal overschat, mompelde ik. mompelde ik allemaal) waarop hij een hele resem schrijvers uit Zwitserland opsommen begon. Dat Meridiaan mij eigenlijk weinig zei, mompelde ik en hij zei iets over Atlas Contact en dat bij Meridiaan ook het boek van een hele bekende schrijfster was verschenen maar dat hij haar naam even niet kon ophoesten. Ik kuchte droog en zei dat ik hem daar niet mee kon helpen. Ondertussen bladerde ik. Las ik zinnen. Halve zinnen. Flarden. Woorden. Meer een sfeer, las ik.

Ik las: “Oké. Natuurlijk doe ik het. Ik zou wel gek zijn als ik het niet deed.”

Ik las: “Ik hou van woorden. Ik hou van lezen en ik hou van”

Ik las “U”. Her en der las ik “U”. Hier werd iemand aangesproken met “U”. En ik dacht dus dat dat de lezer was. Ja nogmaals, je moet je realiseren dat ik aan het praten was terwijl ik bladerde en niet echt las. Laat staan grondig. En ik zei dat de schrijfstijl van dit boek me wel pakte, dat ik zelfs nog maar half in het gesprek aanwezig was. Zo gegrepen was ik. Maar niet genoeg gegrepen om echt gelezen te hebben. Maar dat zei ik er niet bij.

Hij zei: “Oké. Neem maar mee. Recenseer het zelf dan maar.”

En zo kwam het dat ik het boek meenam. Ik stopte het in mijn stuurtas, ik praatte nog wat, nam afscheid, vervolgde mijn ronde. Gans de rest van mijn ronde eindlang (wat niet schokkend lang meer was, overigens, want hij woont op zo’n tweederde van die wijk) dacht ik aan het boek in mijn stuurtas. Het boek met de ik die wel gek zou zijn als hij het niet deed. Het boek met de ik die van woorden hield, en van lezen. Het boek waarin de lezer rechtstreeks wordt aangesproken. Met “U” dan nog.

Ik ben graag “U”. Misschien omdat ik zo zelden met “U” aangesproken word. Ik ben bijna vijftig, maar voor veel mensen ben ik klaarblijkelijk altijd nog “jongen”. Jongen dit, jongen dat. Zeggen ze dan. Soms zelfs jochie. En dus zeggen ze ook “je”. Een jongen is geen “U” immers. Dan ben ik ook nog eens volwassen in een tijd waarin het ook in zakelijke brieven heel gebruikelijk is om te tutoyeren. Zelfs in officiële schrijvens ben ik niet per definitie “U”. Als ik werk ben ik vaak “jullie”. Dat gaat dan zo. Dan regent het de hele dag door, en het waait, en dan ga ik kleddernat en verwaaid op mijn postfiets door de straten (die zwarte, want met die rode heb ik een ongeluk gehad) en dan zeggen de mensen: “Dat is ook niet leuk voor jullie”. En dan kijk ik altijd achter me om te zien of me misschien niet een hele stoet collega’s achterop komt. Maar als ik werk ben ik kennelijk niet ik maar alle postbodes die er zijn. Een pars pro toto dat ik nooit zo goed begrepen heb.

Vanavond ging het fijn zijn. Met die nieuwe whisky, die dure, die ik me eindelijk had kunnen kopen met het geld dat ik voor mijn verjaardag had gekregen. En dan dit boek. En dan stilte, dus pas als iedereen naar bed was. Zou ik zitten. Met dit boek.

Zat ik. Met dit boek. En las. Las beter. Las echt. O. Dus. Het is niet ik die “U” is in De Stotteraar. Nee. De Stotteraar is een brievenboek. Lichte teleurstelling. Boeken die de lezer rechtstreeks aanspreken en hem dan nog “U” noemen ook zijn er niet veel. Met brievenboeken echter kun je bibliotheken vullen. De grote aantrekkingskracht van De Stotteraar weg. Terwijl ik zat. Aan tafel. In stilte. Met roodwijn overigens. Geen whisky. Maar ik las. Ik las en ik las. En las. En las.

Ik heb gelezen.

Ik heb dit boek in één week uitgelezen. Opdat het soort boekenwurm dat op een achternamiddag met gemak duizend pagina’s “wegzet” me niet verkeerdelijk begrijpen zou: dat is snel voor mijn doen. Heel erg snel. Omdat ik wel veel lees, en vaak maar nooit lang achtereen. Want ik moet mijn kinderen naar school brengen. En ontbijt voor ze maken. En de bedden verschonen. En het huis stofzuigen. En de afwas doen. En boodschappen doen. En werken, soms. En de kinderen weer uit school halen. En eten koken. En de badkamer schrobben. En een ruzie tussen mijn dochter en mijn zoon beslechten. En een spelletje met ze doen. En de WC opkuisen. En de huiskamer opruimen. En de was ophangen. En mijn kinderen op bed leggen. En ze voorlezen. En voor ze zingen. En een recensie schrijven. En op een stoellekee zitten en voor me uit staren. En peinzen over hoe de dingen zijn, en niet. En koffie zetten. En een omeletje bakken voor mijn zoon. En broodjes smeren. En me rot voelen. En de keukenvloer aanvegen. En tussendoor korte leesmomentjes sprokkelen. Daarnaast lees ik altijd dertig, vijftig, honderd boeken door elkaar. Als ik inhoud, sfeer, stijl van het een zat ben, ga ik door in het andere en zo verder en zo vuts. Maar terwijl ik in de De Stotteraar bezig was, heb ik geen letter in enig ander boek gelezen. Een hele week lang al mijn leesmomentjes vullen met maar één boek: zoiets kwam niet eerder voor hier in mijn huis. En die leesmomentjes alleen al, rekte ik tot in het oneindige op. Ik zat met De Stotteraar op de WC net zo lang tot ik het koud kreeg en de WC-bril in mijn huid gekerfd stond. Ik las De Stotteraar lopend door de huiskamer, doorheen de tuin op weg naar de schuur waar de fiets staat waarmede ik altijd mijn kinderen ophaal van school (en later zocht ik me rot naar het boek totdat het me inviel: Oja, ligt in de schuur!). Ik las dit boek één doordeweekse avond zo lang dat het nacht werd, diep in de nacht, veel te diep in de nacht want de volgende morgen moet ik om half zeven alweer kinderen aankleden wassen voeden naar school brengen. En ik maakte de fout er een paar zware Belgiese biertjes bij te drinken zodat ik vele tientallen pagina’s herlezen moest de volgende dag (zegt iemand: alcohol dulles the senses) (net dat wat ik er zo fijn aan vind). Zodoende. De Stotteraar en alleen De Stotteraar, 375 bladzijden op één week gedaan – een record sedert ik kinderen heb.

Misschien moet ik u vertellen waarom ik het boek zo rap gelezen heb.

Nee. Ik ga u eerst eens vertellen wie toch die stotteraar is over wie De Stotteraar gaat. Niet Notker de Stotteraar. Maar Johannes Hosea Stärckle. Zijn –ernstige- stotteren deed hem al vroeg de kracht van het geschreven woord ontdekken. In schrift kon hij alles wat hij sprekend niet kon. Niet alleen: zich vloeiend uitdrukken. Maar ook: voorwenden een ander te zijn. Met dat vermogen kon hij op school opstellen en brieven vervalsen; met dat vermogen verdiende hij later zijn brood. In eerste instantie bij een schimmig bedrijfje waar hij treurige, alleenstaande, eenzame mannen moest doen geloven dat ze met liefhebbende, aandachtige, sexy vrouwen aan het chatten waren. Later pakte hij de zaken grootser aan: hij troggelde menig oud vrouwtje grote sommen geld af door zich als een in de problemen zittende kleinzoon voor te wenden. Een slordigheidje deed het bedrog uitkomen en Stärckle geraakte achter de tralies.

Dat is De Stotteraar. Een gevangenisboek evenzeer als een brievenboek. In zijn cel schrijft Stärckle brieven. Voornamelijk aan gevangenispastor Arthur Waldmeier, in de gevangenis algemeen bekend als “de padre”. Verderop in het boek schrijft Stärckle ook anderen wel een sporadische brief, maar het lichaam van De Stotteraar wordt uitgemaakt door de brieven aan “de padre”. Hij is de “U” die ik even dacht te zijn. Aan Waldmeier schrijft Stärckle over zijn jeugd, maar hij stuurt hem ook kortverhalen die Stärckle  “vingeroefeningen” noemt. Via deze brieven, en niet minder via de kortverhalen leert de lezer Stärckle kennen.

Een dun gegeven, u zegt?

Ja, u plaudeert recht en niet krom. Maar Lewinsky maakt gebruik van een aantal literaire trucs die De Stotteraar vaart geven, maar ook (de suggestie van) inhoud. Trucs die zo opzichtig zijn (en die Lewinsky bij monde van Stärckle hier en daar ook onverbloemd toegeeft – en dat is nog de beste truc van allemaal: zeggen dat je de boel aan het oplichten bent en dan vrolijk verder gaan!) dat je Lewinsky het breed lachend vergeeft.

Ongecompliceerd taalgebruik. Korte zinnen. Versnellen. Vertragen. Alvast op de ontknoping van een bepaalde passage vooruitlopen zodat de lezer weet dat het dramatisch eindigen gaat, alleen weet hij nog niet hoe. Af en toe een terzijde inlassen om de lezer op zijn honger te laten zitten. Beloven dat je in een volgende brief op iets terug zult komen (zo wordt de –niet eens zo heel geweldige- wraak op een pestende klasgenoot uitgesmeerd over vier brieven: alleen komaan weer twintig bladzijden die de lezer ademloos tussen twee slokken koffie door gelezen heeft). Plotseling afgebroken zinnen. Wat mij bij dat eerste doorbladeren al opviel: die directe aanspreekvorm. De lezer weet wel dat hij de padre niet is nee. Maar er is geen padre. De lezer is de enige die leest. De lezer voelt zich toch meegesleurd in de communicatiestroom. Waarover nog dit: het is ook een geniale zet van Lewinsky om het boek op te bouwen met louter en alleen de uitgaande brieven. Een oplichter is op zijn best als je alleen zijn weergave van de feiten kent, immers. Op deze manier genereert Lewinsky bij de lezer een zeker sympathie voor Stärckle. Daarin schijnt de Zwitser wel vaker te floreren. Ik weet het niet, dit is het eerste boek dat ik van hem lees maar ik hoor zeggen dat hij vaak een onaangename hoofdpersoon kiest met wie de lezer na verloop van bladzijden dan toch meeleven gaat. Een ander groot pluspunt dat komt met het gegeven dat de lezer alleen maar de brieven leest die Stärckle schrijft (en niet de brieven die hij ontvangt), is dat hij (de lezer) altijd alleen maar weet wat Stärckle weet (of wat Stärckle wil dat de lezer van zijn brieven weet): als Stärckle in onzekerheid zit of vanwege bepaalde gebeurtenissen in de gevangenis zelfs voor zijn leven vreest, hangt ook de lezer in het luchtledige.

Trucs? Ja, trucs. Maar wel trucs die maken dat De Stotteraar leest als een dingens, kom hoe heet het weet?, vroeger gingen ze op stoom & ik zit er nooit in. Welja, een trein bedoel ik. Een gigantische vaart. Een bladzijdeomslaander of noem jij eens een normale Nederlandse term voor dat achterlijke “pageturner”. Door. En door. Even nog dit stukje. Even nog deze brief. Even nog deze tien, vijftig, honderd bladzijden, wacht even, ik kom zo.

Maar tot nog toe een receptuur waarmee ook Stephen King (om nu maar eens een andere gewiekste oplichter te noemen) mee had kunnen afkomen. Ja, mensen die bijna nooit literatuur lezen durf ik De Stotteraar blindelings aanraden. Het enige boek dat ik aan mijn vrouw zou kunnen geven als we op (zomer)vakantie zijn in ergens een ergens: hier lees dit eens, je zult het goed vinden, ik weet het zeker. Meer nog: voor mijn onlangs 85 geworden tantetje was dit best een geschikt verjaardagscadeautje geweest.

Doch Lewinsky heeft meer gedaan dan een lekker makkelijk weglezend allemansvriendje uit zijn pen wurmen. De meer “intellectueel” ingestelde lezer met een onberispelijke boekenkast hoeft zich voorwaar niet te schamen voor het plezier dat ook hij zal beleven aan De Stotteraar. De schrijver is niet vergeten zoiets als “diepgang” aan te brengen, zij het dan dat ook deze “diepgang” totaal getrukeerd lijkt (maar daarover later meer).

Door zijn schandelijk liefdeloze jeugd met een godsdienstwaanzinnige vader en een moeder die vooral goed is in wegkijken en niets horen, is Stärckle opgegroeid tot een formidabel bijbelvast persoon. Hij heeft gelijk welk bijbelcitaat direct bij de hand om gelijk welke situatie, gedachte of herinnering te illustreren – niet zelden met een enigszins cynische ondertoon. Daarmee geeft Lewinsky zijn lezers veel te denken over religie, in dit geval het christendom. Het zijn namelijk over het algemeen niet de van ruimdenkendheid en naastenliefde getuigende citaten waarmee Stärckle zijn brieven opsiert. De vraag of religie ons tot betere of slechtere mensen maakt is niet nieuw, maar zolang er nog religie bestaat van blijvende relevantie. Een oude discussie nieuw bloed inpompen getuigt van even grote kracht als een totaal nieuwe beginnen.

Het moge geen verwondering wekken dat Stärckle van zijn geloof viel, of er allicht nooit echt op gezeten heeft. Later werd zo’n beetje alles dat Schopenhauer geschreven heeft Stärckles bijbel. Ook aan hem refereert hij in zijn brieven ruimschoots. En er valt bij deze filosoof genoeg moois te rapen, woorden die doen lachen, woorden die verstillen, woorden die tot denken zetten. Zodus: in die trein, in die vaart, toch geregeld nog een overpeinzing bij mij. Ook vanwege de fantastische oneliners van Stärckles eigen hand: Schopenhauer was een goede leermeester. “IJdelheid maakt dom en domheid maakt ijdel”, zegt hij bijvoorbeeld ergens, of: “Je bent nog niet blind als je alleen maar je ogen dichtdoet.”; “Gekken zijn vaak goede psychiaters.”; “[D]e waarheid [is] een veiligheidsriem voor mensen die geen fantasie hebben.” Niet alleen slaagt Lewinsky erin een oplichter sympathiek te maken; de lezer zal in hem zelfs een intelligent en weldenkend man zien. Door te appelleren aan gevoelens en ideeën die velen wel kennen, en die dan zo exact te formuleren dat daar heel precies iets staat dat jij al een half (of voor mijn part een heel) leven ongeprononceerd in je meedraagt, wordt aan Stärckle welhaast het aura van een wijze verleend. “Als studie had ik Duitse taal- en letterkunde gekozen,” vertelt Stärckle, “vanuit het naïeve idee dat we bij de werkgroepen gezamenlijk diep op de meesterwerken van de literatuur zouden ingaan. De illusies van een provinciaal. Teksten, zo werd ons bijgebracht, waren objecten die we net zo lang moesten ontleden tot de in de kleine stukjes geknipte onderdelen precies in de van tevoren voorgeschreven reageerbuisjes pasten.” Daar staat mijn eigen teleurstelling in literatuurwetenschap en in een studie Nederlands (waar ik uiteindelijk niet eens meer aan begonnen ben) kernachtig verwoord in een beeldspraak die ik zelf nét niet had kunnen verzinnen. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat velen die Nederlands zijn gaan studeren uit taal-  of boekenliefde iets dergelijks gevoeld moeten hebben. Op geraffineerde wijze maakt Lewinsky Stärckle tot uw verwant.

En die kortverhalen die hij schrijft en aan de padre stuurt, die zijn ook nog eens niet halfslecht. Een ervan – het verhoor van een vluchtelinge – is zelfs ronduit geniaal. Het verhaal bevat enkel de antwoorden van de vluchtelinge (zoals De Stotteraar ook alleen uit de brieven van Stärckle zelf bestaat); een voorwaar frischiaans experiment. Wat? Frisch. Max Frisch. Ik had het net nog over hem. Wel opletten.

De Stotteraar geeft te denken. De Stotteraar is afwisselend (want in de kortverhalen of in de dagboekfragmenten (ja, er zijn ook dagboekfragmenten in dit brievenboek. had ik dat nog niet gezegd?) wordt weer een ander register opengetrokken. De Stotteraar is spannend. De Stotteraar is bij vlagen zeer komisch. De Stotteraar weet te ontroeren. De Stotteraar is het soort boek dat je je station zou doen missen (ik weet het niet, ik ga nooit meer met de trein en zeker niet nu je zo’n gezondheidsbedervende muilkorf op moet van die andere meesteroplichters die onze regering uitmaken dezer dagen). De Stotteraar is het soort boek waardoor je te laat zou komen op je eigen bruiloft. Voor De Stotteraar zou je je doodsstrijd nog onderbreken. Even wachten Dood, nog maar een paar pagina’s en dan mag jij.

Alleen maar lof.
Alleen maar hosanna.
Alleen maar hallelujah.
Alleen maar prijs.
Alleen maar hysterie.

En toch.
Toch?
Ja toch.
Toch is er een toch.

Zegt iemand: “Jij wilt dat je moet werken voor een boek. Je bent een calvinist.”

Zegt iemand, en ik sta, en ik zwijg vooraleer ik lopen ga.

En ik denk. Is dat zo? Moet ik gewerkt hebben voor een boek? Moet lezen me moeite gekost hebben? Moet het een beetje pijn doen? Ja. Nee. Misschien. Ik weet het niet. Een licht wantrouwen tegen een boek dat wegsmolt in mijn handen zonder al te veel sporen na te laten in mijn brein is er wel. Of dat mijn allergrootste bezwaar tegen De Stotteraar is, weet ik niet. Ik hield er een beetje het gevoel aan over dat ik bedrogen was. Bedrogen door de bedrieger. Die een knol zo goed op een citroen liet gelijken dat het er misschien wel één was. Als het lijkt op een citroen en smaakt als een citroen noemen we een knol immers mogelijkerwijs maar beter een citroen.

Formulewerk. Met zorgvuldig afgepaste ingrediënten. Humor, spanning, vaart, emotie, diepgang en allee komaan weer een bestseller geschreven. Dat schrijven liegen is, en ook een vorm van oplichten laat Lewinsky Stärckle al zeggen en misschien is dat ook wel Lewinsky’s persoonlijke mening dienaangaande. Ik weet niet of het mijn mening is. Er zijn miljoenen opvattingen over kunst. Ik ben aanhanger van de elitaire, naïeve, ouderwetse, kinderachtige gedachte dat kunst net iets meer is dan een goocheltruc, hollywoordfilm of diepvriesmaaltijd. Iets met zieleroerselen en zo. Ja lach gerust. Ik wacht wel even. Iets van een ziel, mis ik in dit boek.

Slordigheidjes. Het achterplat zegt: “Al voor verliefde klasgenoten schrijft hij liefdesbrieven”. Stärckle schreef nooit liefdesbrieven voor verliefde klasgenoten. De achterplatschrijver heeft overduidelijk het boek niet gelezen. Scannend misschien, want er is wel iets met liefdesbrieven en een verliefde klasgenoot. Dit is achterplat, en dan nog van de Nederlandse vertaling dus het is Lewinsky zelf niet aan te rekenen. Maar het maakt deel uit van de sfeer van een op automatisme geschreven boek. Een ander slordigheidje versterkte dat gevoel nog. Bladzijde 310, Stärckle in de gevangenis: “Het verliep als volgt. Het blaadje met de volgende twee brieven zat al opgevouwen in mijn zak. Toen hij kwam legde ik het papier zwijgend op tafel en hij stopte het eveneens zwijgend in zijn zak. Geen augurenlach. Hij toonde zich een goed pokeraar.”  En drie regels verder: “Deze keer liet hij het papier liggen.”. Het schoolvoorbeeld van de continuïteitsfout in een hollywoodfilm (daar hebben we ‘m weer). Bajesklant stopt briefje in zijn zak dat in de volgende scene nog op tafel ligt. Een slapende eindredacteur? Geen doodszonde. Misschien het soort van onoplettendheidje waardoor Stärckle de gevangenis in moest. Een bewijs van routinematigheid op zijn minst. Kun je weer gaan diskuteren over kunst, en of kunst routinematig mag zijn of altijd bloed en zweet en tranen en pijn eist.

Charles Lewinsky De stotteraar Recensie

De Stotteraar. Ik las het snel. Ik las het met heel veel plezier. En ik voelde me bekocht. Niet omdat ik het snel las en met veel plezier. Maar omdat het me achter liet met het gevoel dat het niet geschreven was, maar in elkaar geflanst. Intelligent in elkaar geflanst, briljant in elkaar geflanst misschien wel, maar in elkaar geflanst niettemin. Het achterplat maakt gewag van schrijfplezier en plezier is er alleszins doch ik zou het wel een gemaniëreerd schrijfplezier willen noemen. Ik hou ernstig rekening met de mogelijkheid dat dit alles Lewinsky’s bedoeling is geweest en dat De Stotteraar dient als een bewijs voor Stärckles ideeën en het boek dus op fabelachtige wijze fictie met realiteit verknoopt. Stärckle krijgt de lezer immers ook in zijn ban. En wie is dan de grote oplichter geweest? Lewinsky? Johannes Stärckle? Of leest de lezer zichzelf graag op?

Is De Stotteraar een boek? Een goocheltruc? Een psychologisch experiment? Langeafstandshypnose? Of toch maar gewoon vermaak, al of niet plat? Soms dacht ik het één, soms dacht ik het ander. Het gevoel van een boek, een echt boek, zo een boek met een ziel, u weet, noem me ouderwets, ontbrak me net iets te vaak. Misschien kwam dat dan door de snelheid waarmee ik het las. Misschien ben ik wel een calvinist. Misschien wantrouw ik wel dingen die me geen moeite gekost hebben. Of dingen niet. Maar wel boeken. Ik hou van traagheid. Je kent die mannen wel met zo’n scheurijzer waar ze zo trots op zijn. Die zeggen altijd: Ik hou van snelheid. Ik niet. Ik hou van die dingen die traag gaan. Ik hou van traagheid. Ik reis liever per auto dan per vliegtuig. Ik loop liever dan ik ren. Ik hou van slowfood slow cooking slowcore slow journalism. Traagheid laat dingen ontdekken. Snelheid raast alleen maar.

De Stotteraar raasde over me heen en gaf me net te weinig ruimte om zelf dingen te ontdekken. Maar het is een prachtboek, zonder meer. Mensen die weinig lezen, moeten dit absoluut lezen. Als je maar één boek per jaar leest, laat dat dit jaar dan De Stotteraar zijn. Mensen die veel lezen moeten het ook niet laten liggen: uw intellect wordt immers genoeg geprikkeld.

Mensen zoals ik, die nog een “iets” willen van een boek, een “iets” dat bij gebrek aan woorden een “ziel” genoemd zou kunnen worden (maar liever niet) zullen dat “iets” denk ik missen in De Stotteraar. Maar lezen moeten ze het toch. Daar houden calvinisten immers van. Iets te moeten.

De stotteraar

    • Schrijver: Charles Lewinsky (Zwitserland)
    • Soort boek: Zwitserse roman
    • Origineel: Der Stotterer (2019)
    • Nederlandse vertaling: Herman Vinckers
    • Uitgever: Meridiaan Uitgevers
    • Verschijnt: 11 november 2020
    • Omvang: 400 pagina’s
    • Uitgave: Paperback / Ebook
    • Recensie van: Tim Donker

Flaptekst van de nieuwe roman van Charles Lewinsky

Op 11 november verschijnt de nieuwe roman van Charles Lewinsky, bekend van Het lot van de familie Meijerwaarvan destijds 300.000 exemplaren zijn verkochtWat begon als een verhaal over monniken uit de middeleeuwen, groeide uit tot een verhaal over een stotteraar in de twintigste eeuw. Johannes Hosea Stärckle heeft moeite met het gesproken woord, maar is een meester in het geschreven woord.

Door middel van brieven, verzonnen verhalen en bekentenissen probeert Johannes, nadat hij in de gevangenis belandt, iedereen voor zich te winnen die over zijn lot kan beslissen. Een verrukkelijk onderhoudend verhaal van hoog niveau. Het schrijfplezier spat ervan af!

Bijpassende boeken en informatie