Tag archieven: Tim Donker

Anna Moschovakis – Participation

Anna Moschovakis Participation recensie en informatie over de inhoud van de Amerikaanse roman. Op 8 november 2023 verschijnt bij uitgeverij Coffee House Pres de nieuwe roman van de Amerikaanse schrijfster Anna Moschovakis. Er is geen Nederlandse vertaling van het boek verkrijgbaar of aangekondigd.

Anna Moschovakis Participation recensie en informatie

Op deze pagina kun je de recensie door Tim Donker vinden van de roman Participation. Het boek is geschreven door Anna Moschovakis. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden te vinden. Bovendien kun je op deze pagina informatie over de inhoud van de roman van de Amerikaanse schrijfster Anna Moschovakis.

Recensie van Tim Donker

& ziet: daar lopen ze: bewondering en teleurstelling. Hoe ze daar gaan, hand in hand. Hoe ze het zonlicht weerkaatsen, hoe de glans, hoe het bijna liefde is, hoe het bijna dans is, hoe het bijna geluk is. Eindelijk de lege weg. Eindelijk bewondering en teleurstelling. Eindelijk lopend, eindelijk gaan. Je kunt niet anders dan kijken tot je ze niet meer ziet.

Anna Moschovakis. Ja die kende ik wel. Als dichter voornamelijk. Ofnee. Alleen als dichter. They and we will get into trouble for this behoort tot de beste dichtbundels de ik ooit gelezen heb. You and three others are approaching a lake meen ik ook gelezen te hebben, nee besproken zelfs, in een elders, in een toenmalig. Maar ik kan het maar weer eens niet vinden, hoe zit dat met mij en al die boeken die ik meen gelezen te hebben maar niet meer kan vinden in die boekenkasten van mij. De romancier Anna Moschovakis openbaarde zich al met Eleanor, or The Rejection of the Progress of Love uit 2018 maar die is even onder mijn radar doorgevlogen geloof ik. Het pakt niet altijd goed uit als dichters romans gaan schrijven (of romanciers dichtwerken), maar in Moschovakis had ik het volste vertrouwen. Moschovakis bewonder ik diep en acht ik hoog. Gewoon omdat ze Moschovakis is. En boeken schrijft die alleen Anna Moschovakis schrijven kan.

Zitten, de eerste avond. Ik had het boek vers in handen. Dit boek, deze Anna, dit Participation. Het eerste doorbladeren, de vingers trillen dan altoos een beetje, stelde niet teleur. Ik zag corpsgrootte verschillen, ik zag pagina’s met ontbrekende woorden, ik zag veel paginawit, ik zag stukken tekst de vorm hebben van een gedicht, ik zag pagina’s met alleen maar losse woorden onder elkaar, ik zag korte hoofdstukjes, ik zag kleine schetsjes, ik zag een zin die sprak en zei: “we were lovers and friends but it wasn’t enough” en dat vond ik een moje doch ietwat tragiese zin, ik zag een zin die sprak en zei: “some of us were in the pond as the level went down” en dat vond ik een moje doch ietwat raadselachtige zin – en ik dacht dit gaat weer mooi worden, en ik dacht ik verheug mij op een goeje lees, en ik dacht dit gaat weer tiepies Anna Moschovakis worden.

Wel. Hum. Ja. Tiepies Anna Moschovakis is Participation in ieder geval. Je kunt niet zeggen dat het ergens over gaat. Dingen gaan nooit ergens over. Waar gaat je leven over? Waar ging gisteren over? Waar gaat de snelweg, je fiets, het eten over? Moschovakis zit het leven vaak dicht op de huid, al is ze even zo vaak volledig absurd. Ze schrijft een surrealisties soort realisme. Of klinkt realisties surrealisme beter misschien?

Zoals het gaat met geworpen zijnden is er niet dat “waar het over gaat”; er zijn slechts gegevens. En de gegevens in Participation zijn weer eens Moschovakisiaans onnavolgbaar. Er zijn twee leesgroepen: Love en Anti-Love. Er is een E die misschien Ezekiel heet. En S. is er ook. Er zijn boekwinkels en mensen die daar werken. Eentje heeft een vergetelijke naam maar onvergetelijke handen. Er zijn een “husband” en een “wife” aan wie E. soms scénes, verledens, gevoelens toeschrijft; misschien mensen die ze (?) alleen maar achter een raam ziet, misschien mensen die ze van verre of nabij kent, zoals ze ook een Pablo kent en een “capitalist” en een “anarchist” en de Griekse dichter Giorgios. Er is een storm, een overstroming, sommige dorpen zijn afgesloten. Er zijn boeken die gelezen worden. Boeken die gehoord worden. Boeken die besproken worden. Boeken die gekocht worden. Er is een café. Er zijn vertalers en er zijn bemiddelaars. En alles hangt samen. Of gedeeltelijk dan toch. Een beetje. Misschien zou je kunnen zeggen dat “tesamenheid” een tema is in Participation. Misschien zou je kunnen zeggen dat het met “deelname” te maken heeft. Deelname aan een leesgroep bijvoorbeeld, of aan hulpacties bij de overstromingen. Deelname aan medemenselijkheid. Tesamenheid geeft geboorte aan tesamenheid. De roos van Leary. De mens bepaald door wie hij is in relatie tot een ander. Maar (denk ik) (hoop ik) geen blindelingse oproep tot onvoorwaardelijke overgave aan het “kollektief” (Marina haat het nieuwe normaal) (Marina haat naties) (daar moest ik even om lachen, om die laatste zin, luidop dan nog, een lach die vanuit mijn buik kwam, diep, de kamer in katapulterend, wat maakte het uit, ik was toch alleen thuis). Moschovakis lijkt het bijzondere hoger aan te slaan dan het gangbare en onvoorwaardelijke  overgave aan het kollektief eist immers de totale opoffering van het bijzondere. De mensen in dit boek komen ook alleen onder merkwaardige omstandigheden en op maffe manieren tot “tesamenheid” en vaak ook maar kortstondig. Er is een rare scéne -dit boek zit vol met rare scénes- die zich afspeelt in een legertent, of in ieder geval een hele grote tent waar vele personen rechtop in kunnen lopen. “Reparatiecafé”, zo heet de tent. Overal staan mensen achter tafeltjes alsof ze dingen verkopen. Maar wel een bizarre dingen verkopen zij, blijkens de plakkaten die aan hun tafeltjes hangen: “Divisie van verstomde verwachtingen”; “Divisie van fantoommedicijn”; “Divisie van reiniging van het Twaalfde Huis”; “Divisie van het onherroepelijk mechanische”; “Divisie van conflict”; “Divisie van conversatie”. Ineens is er muziek, wordt iedereen gezogen naar het midden van de tent, is er dans, oneindige dans, iedereen danst, overal armen, overal voeten, overal benen; één groot, dansend “superwezen”, tot, weeral ineens, iedereen zijn positie achter de tafeltjes weer inneemt. In een hoek speelt een kind spinet. Deze tesamenheid is wild, spontaan, maf, lief, bijna hippie-achtig mooi – niet de fascistoïde en totalitaire soort kollektiviteit waarbij iedereen die ongevaccineerd is of niet op 1,5 meter afstand wenst te blijven al niet mee mag dansen. Deze tesamenheid kun je wel vertrouwen, want van waarachtige inclusiviteit; niet de huichelachtige “inclusiviteit” van woke waarbij andersheid juist ontmoedigd wordt (heb je ooit met stemverheffing tegen je personeel gesproken, ben je gelijk nooit meer welkom). Misschien dat Moschovakis schampt langs de manier waarop mensen tot elkaar kunnen komen.

De manier waarop mensen elkaar kunnen aanspreken.

“When I say that I wanted to love – Pascal, or the other books on the originary stack – I mean that I wanted, that I needed, to be addressed. And I was outside the field of address.
When I say the swiping away of the sword results in a scar, I mean there is a numbness that arrives on the scene. Researchers at the intersection of psychoanalysis and brain science have documented the damage that occurs to children who are not sufficiently, routinely addressed. A blurring occurs that is dysregulating, that is dangerous.
Once this damage is located squarely in the past, the scar itself can be measured, tended to. The lingering blur is less frightening to look at, but is also harder to understand.
The blur may offer a way to think about having a bad memory.
We know it from our everywhere screens, how a swipe leaves a smudge.”

Misschien schampt Moschovakis langs manier om elkaar minder snel weg te vegen?

Maar misschien ook niet. “You don’t have to believe me, but you can.” schrijft ze in het eerste hoofdstuk al. Misschien zijn deze woorden er niet eens. Misschien moet je als lezer vooral niet alleen daar kijken waar het licht op valt:

“You, too, have questions. Where are we in time and space? For example. Some answers are easy: It’s summer. I am in the corner apartment, alone, for a week; my part-time roommates are away; the café-bar in the village to the north is temporarily closed so the plumbing can be repaired. I have one last push with my job for the capitalist, one more paycheck on the way.

Other answers are less forthcoming. The trick -like the joke where the drunk keeps hunting for his keys in the wrong place, a phenomenon referenced earnestly in the mediation manual as “the Streetlight Effect” – is not to look only where the light falls.
When I said that Pablo is needed now, I am referencing an event that will occur but hasn’t yet.
Another term for the streetlight effect is “the Drunkard’s Search.”

Ik hou van de lichten die Moschovakis laat schijnen, ik hou van de manier waarop ze boetseert met taal:

“Last night, in a contemplative mood, or mode, I harvested one of the mushrooms from the bin and bit off the cap.
I was hoping to find a shortcut to discovering what it is I want to tell you. About my questions and my lists, and the unsecured corporate wireframe and the terribly tender flesh.
I lay down and had a very long sentence foot under then over leg to the window where one no two trees hid a brightbright thing, starthing faraway green though up close were also a thousand-hundred or hunnerred smaller that looked the same size and the dog -did you know there was a dog, not a real- was a waggything and then, and then it became allclear, because this was mild, you see, only a smallsmall bite, and now it’s morning and I’m clever and it’s time to tell you who I am.”;

ik hou van hoe ze de lezer aanspreekt, dingen herroept, ik hou van het poëtische (in de taal, in de beelden, in de gebeurtenissen) –

en toch.

Bewondering en teleurstelling gingen hand in hand. Ik zei het al. Ik vond Participation mooi, maar niet zo mooi als ik had verwacht. Niet zo mooi als ik had gehoopt. Niet zo mooi als het had kunnen zijn.

Soms zit het boek tegen het cerebrale aan. Of zeg, tegen intellectualisme. Er wordt erg veel gedacht, en erg veel gepraat in Participation. Over liefde. Over drugs. Over seks. Over boeken. Over tijd. Over intimiteit. En soms zit je dan vast. Soms zit je als lezer vast in niet al te interessante ideeën over niet al te interessante onderwerpen. Dat vast zitten in, dat had ik niet verwacht. Ik dacht de woorden te zullen indrinken, ik had niet verwacht dat ik soms ook (lang) moest kauwen. Dat is hem. Dat is die teleurstelling.

Maar dan weer: welke schrijver kan me teleurstellen met een boek dat ik prachtig vind? Alleen Anna Moschovakis kan me teleurstellen met een boek dat ik prachtig vind. Een stem die zelfs in teleurstelling er nog hoog bovenuit blijft klinken.


Anna Moschovakis Participation recensie.

Participation

  • Schrijfster: Anna Moschovakis (Verenigde Staten)
  • Soort boek: Amerikaanse roman
  • Uitgever: Coffe House Press
  • Verschijnt: 8 november 2022
  • Omvang: 216 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook

Flaptekst van de roman van Anna Moschovakis

In the latest novel from Anna Moschovakis, two reading groups, unofficially called Love and Anti-Love, falter amidst political friction and signs of environmental collapse. Participation offers a prescient look at communication in a time of rupture: anonymous participants exchange fantasies and ruminations, and relationships develop and unravel. As the groups consider—or neglect—their syllabi, and connections between members deepen, a mentor disappears, a translator questions his role, a colleague known as “the capitalist” becomes a point of fixation, and “the news reports” filter through in fragments. With incisive prose and surprising structural shifts, Participation forms an alluring vision of community, and a love story like no other.

Anna Moschovakis is the author of the novel Eleanor, or, The Rejection of the Progress of Love and of three books of poetry, most recently They and We Will Get Into Trouble for This. Her translation of David Diop’s At Night All Blood Is Black (Frêre d’âme) was awarded the 2021 International Booker Prize. Raised in Los Angeles, she has lived in New York since 1993 and currently makes her home in the Western Catskills.

Bijpassende boeken en informatie

Louise Kennedy – Verboden terrein

Louise Kennedy Verboden terrein recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe roman over The Troubles in Noord-Ierland. Op 13 oktober 2022 verschijnt bij Uitgeverij Pluim de Nederlandse vertaling van Trespasses, de nieuwe roman van de Ierse schrijfster Louise Kennedy.

Louise Kennedy Verboden terrein recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van de roman over Noord-Ierland, Verboden terrein. Het boek is geschreven door Louise Kennedy. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden te vinden. Bovendien kun je op deze pagina informatie over de inhoud van de roman van de Ierse schrijfster Louise Kennedy.

Recensie van Tim Donker

Wel. Hum ja. Dat kan dus ook. Een boek goed vinden, en er toch niks over te zeggen hebben. Ja. Ik zat daar, en ik las het boek. En nu zit ik hier, en het boek is uit. En ik vond het goed, maar wat kan ik erover zeggen? Ik maakte in al die tijd dat ik het las maar één aantekening: “haar moeder wordt afwisselend “haar moeder” en “Gina” genoemd”. Dat schreef ik, toen ik nog maar een paar pagina’s ver was in Verboden terrein. Maar vul daar maar eens een bespreking mee.

Ik denk dat ik dat schreef omdat ik dacht het boek door te hebben. Soms heb ik dat. Dan ben ik nog maar een paar pagina’s ver en dan denk ik al wel te weten welke kant het zal uitgaan met deze schrijver, met deze roman, met dit boek. Verboden terrein is niet het eerste boek dat ik lees. Soms meen je dan als veellezer vroegtijdig bepaalde patronen te kunnen detekteren. Je kent je pappenheimers immers, denk je. En soms denk je er dan niet eens naast.

Ik dacht, Verboden terrein wordt vast zo’n verkeerdebeen-boek. Die Kennedy is vast zo’n tiep die de lezers in verwarring wil houden. Ow, dit gaat mooi zijn. Ik hou van verkeerdebeen-boeken, ik hou van verwarring, ik hou ervan om met een beetje hulp van de schrijver steeds het verkeerde te denken. Hield ik die Gina toch mooi een paar minuten lang voor een zus of een tante ofzo, ha!, blijkt “Gina” en “haar moeder” gewoon één en dezelfde persoon te zijn! Ben ik daar mooi tuk gehad gewezen, dat gaat mooi zijn.

Maar Verboden terrein is geen verkeerdebeen-boek. Of niet per se. Geregeld schrijft Kennedy eerst, en stelt dan pas vragen. Dierhalve zijn sommige passages niet bij aanvang reeds helder. Maar het lijkt me niet dat Kennedy er echt op uit is verwarring te zajen. Het is gewoon hoe de dingen gaan. En het is misschien niet in de eerste plaatst waarom ik Verboden terrein zo mooi vond.

Nee ik weet niet waarom ik Verboden terrein zo mooi vond.

Was het de schrijfstijl?

Nee het was niet de schrijfstijl. Kennedy heeft een vrij afgemeten stijl. Korte zinnetjes vaak. Deed me af en toe denken aan Cormac McCarthy. Dat weglaten van aanhalingstekens bij directe rede bijvoorbeeld. Zodat je soms niet weet wie er aan het woord is, of iets gezegd of gedacht wordt, of dat het alleen maar de woorden van de verteller zijn. Een onderkoelde stijl, zou je kunnen zeggen. Tot daar ineens een brokje poëzie doorheen breekt; een zinsnede als “Het zonlicht lag in scherven op het gras”, bijvoorbeeld (die moest ik terugzoeken, net, want zoals gezegd maakte ik haast geen aantekeningen terwijl ik las). Dan wordt de beklemming verlicht. Ja misschien was het toch de schrijfstijl.

Was het het onderwerp?

Nee het was niet het onderwerp. Ierland, jaren zeventig. Midst wat zo onhandig wel met “the troubles” werd aangeduid. Noem het gerust een burgeroorlog. De jonge, katholieke basisschooljuf Cushla woont met haar moeder in een klein dorpje nabij Belfast. Ze springt af en toe bij in de pub van haar broer waar ze de oudere, protestantse, getrouwde advocaat Michael ontmoet en naja – u raadt het al. Daar komt natuurlijk een verhouding van. Capuleti en Montecchi tussen het tuig en de dronkaards. In een tamelik nabij verleden. In een tamelik nabij land. En dan nog zo wezensvreemd. Ja misschien was het toch het onderwerp.

Was het het diep menselijke hoofdpersonage?

Nee het was niks met diepe menselijkheid. Overal is diepe menselijkheid. Het is diep menselijk om te ontbijten met een gepocheerd ei op een geroosterd broodje, een kop koffie ernaast en Maurice McIntyre op de speler. Het is diep menselijk om de was op te hangen, of doorheen de kou te moeten om snijbonen en aardappelen en vlees te halen. Overal is diepe menselijkheid. De dag zit er vol mee. Ik moet maar uit mijn raam kijken om diep menselijke mensen te zien. Maar dan zie ik Cushla niet. Met haar altijd bezopen maar toch best lieve moeder. Met die kinderen uit haar klas en dan vooral die ontwapenende prachtige fantastische Davy McGeown wiens vader zo ongenadig in elkaar werd geslagen dat hij er blijvende schade aan overhield. Met die stomme broer en zijn domme pub en die bijna aandoenlijk idiote stamgasten. Met die Michael die best van haar houdt maar ook een baan heeft, en een gezin, en misschien zoiets als “verantwoordelijkheden”, en er politiek “gevaarlijke” meningen op na houdt (en met iets bezig is, maar dat kom je op het eind pas te weten). Met die schattige collega Gerry die er steeds maar weer voor haar is. Met alle dingen die zij doet, zij, Cushla, al die diep menselijke dingen die haar steeds verder de vernieling in helpen. Ja misschien was het toch dat diep menselijke van het hoofdpersonage.

Was het de spanning die doorheen heel het boek voelbaar is en tegen het eind schoksgewijs tot ontlading komt?

Ach. Nee. Waarom. De lateavond-film is spannend. Spanning is slaapverwekkend. Het moet vroeg in de negentiger jaren zijn geweest toen ik met mijn toenmalig beste vriend Patrick naar de bioscoop ging om Silence of the lambs te zien. Ik werd wakker toen hij in mijn zij porde en zei: “Spannend he!”. Echter, Verboden terrein is geen film laat op de avond (grote stukken ervan las ik evenwel wél laat op de avond). De spanning is niet formulematig van opbouw, niet geconstrueerd volgens de wetten van Hollywood. Een contante dreiging zit enerzijds in de grauwzaamheid. Niemand in die omgeving maakt zich illusies en iedereen weet dat er niet veel goeds van kan komen daar te zijn. Anderzijds zit de lezer Cushla zo dicht op de huid dat hij, de lezer, op geen moment méér weet dan Cushla. Deze blikvernauwing zet steeds opnieuw de stuipen op uw lijf. Je kunt de bijl uit elke hoek verwachten, maar toch valt hij steeds bij verrassing. Ja misschien was het toch wel de spanning.

Was het het altoos onuitputtelijke gegeven van de verboden liefde?

Ach welnee. Rot op met je verboden liefde. Liefde is naar haar aard verboden. Van zodra liefde toegestaan is wordt zij al te rap gewoon en liefde en gewoonheid verdragen elkaar niet. “Gewone liefde”, dat is ten beste genegenheid. Of nog: verdraagzaamheid. Liefde brandt het hevigst daar waar het niet zou mogen branden. Verboden hout knettert het best, of zoiets zou ik kunnen zeggen als ik dingen zou willen zeggen als verboden hout knettert het best. Geen zoete vruchten echter, dit is in het wild gegroeide liefde, oncontroleerbaar, dit is dodelijke ernst, dit is liefde op leven en dood, zo verboden maakt de gemiddelde mens zijn verboden liefde niet mee. Hoe moeizaam Cushla sentimeters “verboden terrein” verovert, feitelijk tegen haar eigen wil in. Michael woont ergens in een betere wijk met zijn gezin maar huurt ook nog ergens een appartementje en dat is Cushla’s domein; de tweestrijd: ze wil het wel, ze wil het niet, de liefde liefhebben en de liefde haten; er is “iets” met Michael maar dat kom je op het eind pas te weten en alles alles alles spelt dat ze deze man maar beter niet lief kan hebben, maar ze heeft hem lief, totaal, fenomenaal en integraal en god hoe mooi kan lelijkheid zijn. Ja misschien was het toch wel die verboden liefde.

Was het de overweldiging van het geweld?

De almanack spelt inmiddels 2023 en we zijn er nog (in de jaren zeventig zongen The Scorpions nog: ’94, ’95, if the world is still alive…), we hebben ons porsie geweld wel gehad, waardoor wordt de nihilistische mens dezer dagen nog overweldigd? Naja. Te weten dat dit écht is natuurlijk. Te weten dat mensen van verschillende geloven elkaar écht naar het leven stonden, te weten dat die autobommen, die molotov cocktails, die aanslagen, al die haat, al die wraak wederom wraak, al dat gebrek aan mededogen, de ander het licht in de ogen niet te gunnen; te weten dat dat in het noorden van een eiland hier niet al te ver vandaan dagdagelijkse realiteit is geweest, iets waarmee je je dag, je lessen opende, ja dat te weten doet de keel wellicht een weinig snoeren. Ja. Misschien overweldigde ook dat me.

Of.

Nee. Ik weet niet waarom ik Verboden terrein zo mooi vond.
Of dat heet. Ik weet wel waarom ik Verboden terrein zo mooi vond. En nu weet u het ook.

Louise Kennedy Verboden terrein recensie

Verboden terrein

  • Schrijfster: Louise Kennedy (Ierland)
  • Soort boek: Ierse roman
  • Origineel: Trespasses (2022)
  • Nederlandse vertaling: Sandra Boersma, Leen Van Den Broucke
  • Uitgever: Uitgeverij Pluim
  • Verschijnt: 13 oktober 2022
  • Omvang: 352 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 23,99 / € 14,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman over The Troubles in Belfast

Het is midden jaren zeventig. Het Ierse nieuws wordt gedomineerd door berichten over ontploffende autobommen en mensen die worden beschoten, mishandeld of vermoord.

Cushla Lavery woont met haar moeder in een dorpje vlak bij Belfast. Ze geeft les op een basisschool en draait regelmatig bardiensten in de pub van haar familie. Daar ontmoet ze Michael Agnew, een oudere, getrouwde advocaat. Qua status en klasse konden ze niet meer van elkaar verschillen. Ze storten zich in een stormachtige affaire.

Als de vader van een van haar leerlingen slachtoffer wordt van een brute aanval helpt Cushla de familie waar ze kan. Het conflict tussen haar wereld en die van Michael wordt steeds groter. De politieke spanningen lopen op en alles wat Cushla zo zorgvuldig heeft opgebouwd dreigt uit elkaar te vallen.

Verboden terrein is een kwetsbaar en tegelijkertijd onverschrokken verhaal, een intiem portret van mensen die gevangenzitten in het grensgebied tussen het persoonlijke en het politieke, waar wie je bent minder gewicht draagt maar welke keuzes je maakt des te meer.

Bijpassende boeken en informatie

Fleur Jaeggy – De waterstandbeelden

Fleur Jaeggy De waterstandbeelden Recensie en informatie over de inhoud van de roman van de Italiaanstalige Zwitserse schrijfster. Op 9 januari 2023 verschijnt bij uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van de roman uit 1980, Le statue d’acqua, van de Zwitserse schrijfster Fleur Jaeggy.

Fleur Jaeggy De waterstandbeelden recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op de pagina de recensie en waardering vinden van de Zwitserse roman uit 1980 De waterstandbeelden. Het boek is geschreven door FleurJaeggy. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van de roman van de Italiaanstalige Zwitserse schrijfster Fleur Jaeggy.

Recensie van Tim Donker

Misschien als meden. Misschien perzen. Misschien niet bij de pakken neer. Misschien vroeger, of anders later. Misschien als duw komt tot schuif. Misschien een puntje. Misschien een paaltje. Misschien laat op de avond. Misschien als de kinderen op school. Misschien in bad, misschien onder de douche. Misschien in de achtertuin of misschien op de fiets. Als het waait. Regent. Of zon, en windstil, en een reden om in een betere wereld te geloven. Misschien als je het van verre kunt zien komen. Misschien met jeuk op onbereikbare plekken. Misschien zonder reden. Misschien zomaar. Misschien bij de eerste pot koffie van de dag. Misschien in een ander land op het strand. Misschien onder blauwe hemel. Misschien in halfslaap. Misschien dronken. Misschien als ik sta te koken, of mijn nagels knip, of de was ophang. Misschien bijtijds. Misschien veel te laat. Ooit, misschien ga ik de schaamteloosheid bereiken om me die vraag te stellen. Deze vraag: Wat is een boek? Een stompzinnige vraag, zeg nu zelf. Maar. Ik las De waterstandbeelden en het leek me een gepaste doch niet te stellen vraag. Een ongekend domme doch volslagen logische vraag. Een uiterst kinderachtige en toch tamelijk intrigerende vraag.

Met boek bedoel ik natuurlijk fictie.

Met fictie bedoel ik natuurlijk literatuur.

Met literatuur bedoel ik natuurlijk –

O, er zullen ongetwijfeld handboeken bestaan. Het zal wel vastgelegd zijn, ergens. Een of andere literatuurwetenschapper heeft zich er ooit over gebogen en hij heeft iets gezegd. Iets met plot, ontwikkeling, zoiets. Iets met personages die op het eind verder zijn dan aan het begin. Iets met mensen die op de eerste bladzijde al iets moeten willen, al is het maar een glas water. Ik weet het wel. Ik heb die klok ooit horen luiden maar het heeft me nooit een moer kunnen schelen waar de klepel hing. Wetten ontdekken waar die niet zijn, loopt altijd op potsierlijkheden uit. Aan alles valt wel te tornen. Zoals Eekhoorn al zei. In een verhaal van Toon Tellegen dat ik een paar avonden geleden nog aan mijn zoon voorlas.

Ik heb nooit een grijns kunnen onderdrukken als iemand -meestal was Peter dat- oordeelde dat iets “niet zoveel meer met muziek te maken” had, als ik weer eens zo’n soort cd had opgelegd. U kent dat soort cd wel. Geen melodie, geen ritme, soms zelfs in het geheel geen instrumenten meer. The Brutum Fulmen die acht minuten lang het oorverdovende geluid van een industriële ventilator door mijn boxen (of toen: Peters boxen) lieten knallen, die op een werkbank lichtpeertjes kapot hamerden, die het gepiep van een deur in een parkeergarage tot in het ondraaglijke versterkten. Dat heeft niet zoveel meer met muziek te maken, zei hij, zei Peter.

Ik heb me altijd afgekeerd van mensen die naar een schilderij wezen en zeiden Dat kan mijn kleine zusje ook. Klaarblijkelijk is kunst bovenal iets wat je kleine zusje niet kan. Vraag je kleine zusje wat zij niet kan en doe het dan en zie daar: je hebt kunst gemaakt.

Ik heb altijd alleen maar wrevel gevoeld als ik moest zeggen wat ik eigenlijk zo leuk vond aan die “rare boeken” die ik las, ik heb woede gevoeld bij de onderliggende suggestie dat het alleen maar aanstellerij was, dat ik alleen maar deed alsof ik die “rare boeken” leuk vond om interessant te lijken. Want volgens mij heeft dat niet zoveel meer met schrijven te maken. Zei Peter weer.

Toch vroeg ik me toen ik De waterstandbeelden las even, heel even, een kortdurend, schaamtevol, eindeloos lijkend rotmoment, af of ook ik, ik zou bijna zeggen zelfs ik, niet een iets nodig heb, een allerminimaalst iets, een allerlaatste kleine kruimel literatuurwetenschap om mee te wegen, om te zeggen Ja, dit is een boek. Het is onzin, dat weet ik ook wel. Er is alleen maar een kaft, bladzijden, er zijn alleen maar letters. Dat is alles. En met Kraakpen hadden we een keer, één nummer, de kaft zelfs afgeschaft (bijna twee decennia voordat nY dat deed, ik wil het niet zeggen maar ik zeg het toch). Dat begreep toen niet iedereen. Er waren er die dachten dat ze een incompleet exemplaar toegestuurd hadden gekregen.

Jaeggy kende ik nog van De gelukzalige jaren van tucht. Dat was een raar boek, niet? Het was de sfeer, of het was de stijl, of het was de duisternis, of het was het licht, het bleef steeds een laatste rest hebben die je niet benoemen kon. Maar ik kon nog wel zeggen dat het ging over vriendschap, dat het zich afspeelde op een kostschool, dat het jaren overbrugde, dat er twee meisjes waren, dat die zich op het eind op een andere -letterlijke en figuurlijke- plek bevonden dan aan het begin. Daar kon je in de literatuurlessen nog wel wat mee.

Over De waterstandbeelden kan ik niets zeggen. Ik kan wel beginnen over die Beeklam die standbeelden bewaart in een ondergelopen kelder van zijn Amsterdamse huis, zoals de zijflap zegt, maar De waterstandbeelden gaat niet over Beeklam en in weerwil van de titel ook niet over zijn standbeelden. Amsterdam is een plek, helaas, maar er zijn ook andere plekken. Het zou zich nu af kunnen spelen of vijftig jaar geleden of vele eeuwen geleden. Het zou een roman kunnen zijn, maar ook een theatertekst, of een -daar heb je hem weer- boeklang poëem. Maar dat kan nog allemaal. Dat verontrust mij nog niet.

Het boek is maar een luttele 110 pagina’s dik al lijkt het veel dikker. Daarmee bedoel ik dat je het in vele stoelen leest, en onder vele hemels, dat je over vele vloeren gaat terwijl je dit aan het lezen bent, dat je het gedurende vele nachten leest. Ik zat maar in één stoel. Ik las dit in één nacht uit. Maar De waterstandbeelden is rijk, maf, ontregelend, duister. De vele korte, soms zeer korte, hoofdstukjes lijken even zovele geschilderde gruwelijkheden ofnee het zijn geen gruwelijkheden maar ze lijken het slechts. Of. Ja. Nee. Ik weet het niet. Je hebt de indruk dat je naar iets pijnlijks kijkt, dat alles zich afspeelt onder onheilszwangere luchten, er is iets mis aan het gaan maar je kunt niet zeggen wat, straks gaat hier zich iets bijzonder ellendigs afspelen maar dat straks komt nooit. De personages zijn die van Beckett of die van Joyce of die van Poe of die van De Sade of gewoon die van Jaeggy.

Maar dat kan nog allemaal. Dat verontrust mij nog niet.

Het perspectief wisselt, de taal vervreemdt, er is een gesprek met een kraai, personages komen uit de lucht vallen, er zijn onnavolgbare monologen, pinteriaanse dialogen, misschien is het één lange hallucinatie, zomwijlen bijkans hermetische tekstbrokjes die door de aarde zelf opgerocheld lijken te zijn, er is onderkoelde humor: “Als hij zei dat het een prachtige ochtend was, dan leek zijn toon eraan toe te voegen dat het betreurenswaardig was dat ochtenden prachtig waren.”; “ze was even lang als de kasten in haar huis hoog waren.”; “Snel, droogjes en verstrooid hadden de twee mannen amper tijd om met elkaar kennis te maken of ze waren het al eens, twee kieskeurige boompjes, die vanbinnen blij dat ze het snoeien hadden overleefd.”; “Beeklam stond weer op straat. De stad leek hem vaag en ver weg, er hing een geur van natte bloemen. Twee meisjes sloegen elkaar, het ene gebruikte haar vuisten, het andere een rood parapluutje. Hij waardeerde de elegante bedrevenheid van het brute geweld.”- naja geen dijenkletsers nee maar iets dat even een tik tegen de werkelijkheid geeft zodat de werkelijkheid scheef komt te hangen en zulke tikken zijn toch altijd weer goed voor een halve of misschien zelfs hele grijns op mijn gezicht.

Maar dat kan allemaal nog. Dat verontrust mij nog niet.

(Peter zou zeggen dat dat volgens hem niet zoveel meer met humor te maken heeft)

(Peter zei dat ooit daadwerkelijk dat iets volgens hem niet zoveel meer met humor te maken had. Dat ging over de zanger van Hallo Venray die ooit, op een of ander festival, meest vermoedelijk Pinkpop, was opgekomen op een pogostick. Peter beschreef me die scéne en voegde daaraan toe: Dat heeft volgens mij niet zoveel mee met humor te maken. Vroeg ik: Was dat als humor bedoeld dan?)

(& vooral dan dat dat parapluutje rood is)

Pas die allerminimaalste kruimel die Jaeggy me liet heroverwegen, deed het boek branden in mijn vingers. Die allerminimaalste kruimel was peteriaans geformuleerd: Heeft dit volgens mij nog wel wat met betekenis te maken?

Fragmentarisme, dat ken ik.
Tijdloosheid (als in: niet onomstotelijk situeerbaar in een duidelijk herkenbare tijd), dat ken ik.
Geen vaste hoofdpersonen, dat ken ik.
Van vorm veranderen, dat ken ik.
Een onduidelijke plot, of misschien zelfs de totale afwezigheid daarvan – dat ken ik.
Maar het betekende altijd nog wel iets. Iemand stond op, iemand ging zitten. Iemand vond iets, iemand voerde een telefoongesprek. Iemand dronk wijn, iemand dacht aan iemand anders. Iemand viel voor de tweede keer. Hoe die Jozef en die Maria dat grootgebracht hebben hè, je verstaat het niet.

Ik las De waterstandbeelden niet in één nacht uit. Ik deed er meerdere dagen over. De stoel en de vloeren en het plafond waren wel dezelfden, dat wel. Al waren zij dat op een ander nivo ook niet. Dit is ook geen in éénnachtuit-boek. Dit hier is een taje lees. Ik vond mij geregeld terug, in mijn leesstoel, hologig naar de bladzij starend, mompelend Wat heb je nu zojuist gelezen, Donker? – en dan het antwoord moeten schuldig blijven (nee, dat is niet waar, ik adresseer mijzelf nooit bij mijn achternaam). De waterstandbeelden telt vele zinnen die ik drie, vier, vijf keer moest herlezen om ergens in het duister toch nog zoiets als kontoeren te ontwaren. Bijvoorbeeld: “Alles wat vluchtig is voelde als haar eigendom, ofschoon haar dagen elders rondzwierven, waar geen heerschappij bestaat, waar de volmaaktheid geen erfgenamen heeft.”

Zo’n zin dus. En ik lees dat. En dan lees ik het nog eens. En dan nog eens. En nu heb ik hem zelfs overgeschreven. En ik lees, en ik schrijf over, en ik denk Staat daar iets? Betekent dat iets? Zegt het iets? Delen van die zin vind ik erg mooi. “haar dagen elders rondzwierven, waar geen heerschappij bestaat”, dat vind ik mooi, aan het woord “ofschoon” heb ik al sinds mijn vroegste jeugd een enorme hekel (net zoals aan “een poos”, of “dikwijls”, die haat ik ook al sinds mijn kleutertijd); “waar de volmaaktheid geen erfgenamen heeft” vind ik een beetje te gezwollen en “Alles wat vluchtig is voelde als haar eigendom” doet me dan weer te ijl aan, iets waar een bandje als Dead Can Dance mee af zou kunnen komen en dat is niet bedoeld als compliment. Maar het is een zin, en het staat in dit boek, en zinnen als deze deden me dat laatste kruimeltje vastpakken en van dichtbij bekijken. Moet een zin wel iets betekenen, en dan bedoel ik iets buiten die zin zelve. Kunnen zinnen geen “loutere” poëzie zijn, een taal die alleen nog maar naar zichzelf verwijst? Ben ik, juist ik, niet erg afkerig van X verwijst naar Y en Z naar A? Want zou je ommers A bedoelend niet liever ook A schrijven? Wat geen pleidooi is tegen poëtisch taalgebruik, hooguit tegen literair snobisme (ik heb het hier over die werken die je pas ten volle kunt begrijpen als je de bijbel, de Griekse en Germaanse mythologie, de Oosterse filosofie en de gehele wereldgeschiedenis van buiten kent). Mag een zin misschien niet gewoon een moje zin zijn, ook zonder dat je zou kunnen promoveren op die zin?

Dan denk ik aan “In het mooiste uur van de nacht veranderde koelte in treurnis.”. Staat daar iets? Nee. Ja. Ik weet het niet. Misschien is het zwanger van oneindig veel betekenissen. Misschien betekent het niets anders dan dat in het mooiste uur van de nacht de koelte in treurnis veranderde. Koelte verandert wel vaker in treurnis. Wel. Ja. Ik vind het vooral een hele moje zin. Op dit uur van de ochtend, met kaneelkoffie in mijn kop en Ornette Coleman in de speler is een hele moje zin meer dan genoeg. Op dit uur van de ochtend mag een boek best dat zijn: een verzameling hele moje zinnen, een stuk of wat verstillende beelden, vervreemding, duisterheid & dingen die absurd zijn. Ik heb De waterstandbeelden mooi gevonden. Een mooi boek, koffie en Coleman. Niks meer is er nodig om een regenachtige ochtend prachtig te maken.


Fleur Jaeggy De waterstandbeelden Recensie

De waterstandbeelden

  • Schrijfster: Fleur Jaeggy (Zwitserland)
  • Soort boek: Italiaanse roman uit Zwitserland
  • Origineel: Le statue d’acqua (1980)
  • Nederlandse vertaling: Hilda Schraa
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 9 januari 2023
  • Omvang: 112 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 19,50
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman uit 1980 van Fleur Jaeggy

Familie, obsessie en rijkdom samengebracht door de meesterstilist.

Zelfs in het bepaald niet weelderige oeuvre van Fleur Jaeggy is De waterstandbeelden een bijzonder eigenaardig boek. Deze vroege roman, wrang van eenzaamheid en vol vervreemde emotionele armoede, is gedeeltelijk gestructureerd als een toneelstuk: de dramatis personae omvatten de verschillende familieleden, vrienden en bedienden van een man genaamd Beeklam, een rijke kluizenaar die standbeelden bewaart in de ondergelopen kelder van zijn Amsterdamse huis, waar herinneringen beven in traag licht en het omringende water ondergronds naar het IJ wordt gelokt.

De waterstandbeelden, opgedragen aan Ingeborg Bachmann en uitgewerkt in Jaeggy’s sobere maar diamantscherpe stijl, levert – met zijn verzameling getroebleerde maar verwante zielen – een onuitwisbaar beeld van de drassigheid van het leven.

De Zwitsers-Italiaanse schrijfster Fleur Jaeggy (31 juli 1940) werd in Zürich geboren. In 2019 verschenen van haar in vertaling de verhalenbundel Ik ben de broer van XX en de roman SS Proleterka, die op de shortlist van de Europese Literatuurprijs stond. De gelukzalige jaren van tucht, haar bekendste roman, die bekroond werd met de Premio Bagutta, verscheen in 2021 bij Koppernik.

Bijpassende boeken en informatie

Oksana Zaboezjko – Zusters

Oksana Zaboezjko Zusters recensie en informatie over de inhoud van de bundel met verhalen uit Oekraïne. Op 24 november 2022 verschijnt bij uitgeverij Cossee de Nederlandse vertaling van de verhalenbundel Сестро, сестро van de Oekraiense schrijfster Oksana Zaboezjko.

Oksana Zaboezjko Zusters recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van Zusters. Het boek is geschreven door Oksana Zaboezjko. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van het boek uit 2003 van de Oekraïense schrijfster Oksana Zaboezjko.

Recensie van Tim Donker

Ha gezellig, oorlog! Kunnen we weer eens lekker eensgezind zijn, en vlaggen uit het zolderraam laten hangen. Hebben we een goed onderwerp om over te praten bij de koffieautomaat. Een reden om een boek te lezen. Ja lezen. Ja boeken. Lezen is altijd goed. Oksana Zaboezjko behoort tot de belangrijkste Oekraïense schrijvers en dichters, zo vertelt mij het achterplat. Maar kansen zijn groot dat ik tot aan mijn graf nooit van haar gehoord zou hebben als in Oekraïne geen oorlog was uitgebroken. Maar er brak wel oorlog uit, en dus zijn er boeken. Want Oekraïne, oorlog, dat willen de mensen lezen, dat verkoopt. Een diergelijk cynisme zou Zaboezjko zeker en vast bevallen, want cynisme – daar kent zij wel wat van. Het speelt een rol in al deze verhalen. Verhalen die flink indruk op me maakte. Diepe indruk. Deze verhalen. Hele diepe indruk.

Zaboezjko schrijft, en Zaboezjko schrijft mooi. Ze is goed in openingen. “Je had een zusje moeten hebben, zo’n vier, nee, vijf jaar jonger. Boven je hele kindertijd cirkelden onstoffelijke meisjesnamen, die met elkaar van plaats wisselden en naar elkaar riepen: je wist niet waaraan je ze moest vastmaken, aan je poppen durfde je ze niet te geven want het waren geen poppennamen”, zoals Zusje, mijn zusje, het eerste verhaal in deze bundel begint. Of het begin van Na de derde bel geen toegang tot de zaal: “Een futiliteit, zoals altijd. Alles begint altijd met een futiliteit, een vuiltje in je oog, een rothumeur, een belediging van lang geleden die een frustraat als Gavrilo Princip ineens weer te binnen schiet (ze hadden dat scharminkel nooit moeten uitlachen) – en plop, voor je het weet zit je met een kosmische brand en probeer die maar eens te blussen.” Of simpeler misschien, eentje nog en dan hou ik ermee op, nee niet met deze bespreking maar met het citeren van eerste zinnen, de eerste zin van Hier had uw reclame kunnen staan (Oksana Zaboezjko is ook goed in titels, Oksana Zaboezjko is goed in veel maar dat vertel ik nog wel): “Het waren de mooiste handschoenen die ik ooit had gezien.”: Oksana Zaboezjko maakt dat ik lezen wil, ja zelfs dat over die handschoenen ja, wie maalt er immers over de schoonheid van handschoenen en hoe mooi kunnen handschoenen überhaupt zijn, handschoenen zijn gewoon handschoenen (hoewel, de handschoenen van mijn moeder, die van dun leer waren, bruin, als we ’s winters op de fiets zaten droeg ze die, dan keek ik naar mijn moeders handen aan het stuur, ja die handschoenen daar vond ik wel wat van), het deed me ook denken aan de eerste regel van het liedje Packs of three van Arab Strap maar die regel is evenwel zo ranzig dat ik hem hier niet herhaal, ga zelf maar luisteren, het is het eerste liedje op Philophobia, sowieso wel een aardige seedee.

Dus ik zet me. Dus ik lees. En ik weet me gemangeld. Ik weet me bij de strot gegrepen. Ik weet me aan mijn leesstoel genageld, met hele echte spijkers dit keer. Zaboezjko lezen is een fysieke ervaring.

Ze schrijft in lange, soms ellenlange zinnen, zinnen vol beelden, zinnen vol namen, zinnen vol details. Veel van wat ze terloops benoemd heeft in het verhaal verder geen nut of functie meer (die Gavrilo Princip bijvoorbeeld, uit de eerste zinnen van Na de derde bel geen toegang tot de zaal nou die komt in dat hele verhaal verder niet meer voor), gewoon een korte flits, maar het is er wel, het is wel gezien. Dat werkt zeer intensifiërend, zeker bij een schrijfster die er toch al niet op uit is om de lezer met een blij gevoel achter te laten. Zaboezjko heeft niet een bijzonder positief mensbeeld. Als op te maken valt uit zinnen als: “Om schuldig te zijn hoef je geen mes in een hart te steken – je hoeft alleen maar geboren te worden.”; “Het verschil tussen goed en kwaad bestaat niet.”; “Op het moment dat Leentje in hun klas 4B verscheen, had Darka met haar elf jaar al een cv dat prima bruikbaar was voor een toekomstige crimineel of politiek leider (de grens tussen de twee is zoals bekend flinterdun en wordt minder bepaald door persoonlijk succes dan door omstandigheden)”; “[J]e [kunt] in werkelijkheid iets wat leeft, of het nu een bloem is, een konijntje, een mens of een land […] niet […] hebben: je kunt het alleen maar vernietigen – de enige manier om hard te maken dat het je bezit is.””; “de oneindigheid kan je niet bezitten. En al onze inspanningen om zoveel mogelijk te verwerven – geld, mannen, indrukken, diploma’s, jurken, auto’s – zijn alleen maar zielige, belachelijke pogingen om dichter bij het oneindige te komen, door steeds maar weer iets aan de schamele som toe te voegen.”, “we zijn allemaal geen slechte mensen, maar waarom wordt alles wat me aanraken meteen zo smerig?”, of deze: “Wat volgde was allemaal oké: huwelijk, armoede, kinderen, ziektes, werk waar ze niet van hield, en kleine vreugdes, zoals een nieuw appartement of een leren jas. Het was maar varkensleer, maar wel goed gelooid. Het had slechter kunnen zijn. Veel slechter.”; een filosofie a la Johnny Dowd: be content with your life, it might not get any better.

De stijl. Ja de stijl. Die zinnen die zich om me heen winden, kronkelen, drajen, soms maken dat ik denk dat ik het niet meer aan het volgen ben en dan het volgende woord ja ik volg toch nog. En het cynisme. O ja het cynisme. Niks mis met cynisme. In een wereld gelijk den dezen. Lijkt mij. En dan de thematiek. O. Ja. De thematiek. Wacht ik ga zo verder. Maar in eerste vermoeide het, die fysieke ervaring die Zaboezjko lezen is. Ik hield het niet vol. Dat is altijd goed he. Beter toch dan de paginadrajer die je na verloop van tijd geheel vergeten ben (Coe, laatst viel de naam Coe, ik weet mijn collega nog, die had een boek van Coe vertaald en hij gaf het mij, een echte paginadrajer zei hij, maar dan in het Engels, en verrek ik had die Coe inderdaad zo uit en ik weet nog dat ik er over geschreven heb, elders, niet hier, maar laatst viel de naam Coe en ik wilde er een gesprekje over aanknopen maar ik bedacht me dat ik niets meer wist: niet waar het over ging, niet hoe de personen heetten, niet eens meer de titel van het boek kon ik me herinneren). Maar de eerste laten we zeggen honderdnogwat pagina’s van Zusters (het boek telt maar 190 bladzijden) hield ik het steeds maar kort vol: vijf bladzijden, misschien zes of zeven, en dan moest ik iets anders gaan doen: een ommetje maken in mijn kamer, misschien alvast de aardappels schillen (idioot het is nog maar elf uur in de ochtend) of gewoon maar even dobberen op dit hier The Basin of the Heavens van Area C en Mudboy, wat een aangenaam dobberen is maar ik hoor Area C toch net iets liever spelen met Black Forest / Black Sea (wat niet erg is; er kan nu eenmaal vrij weinig op tegen Black Forest / Black Sea), ergens in de kamers boven uit een raam gaan kijken en de vlucht van een vogel volgen. Weet ik het. Alles. Als het maar even niet dit boek was. Dit gruwelijke boek. Dit prachtige boek. Dit alles verbrijzelende boek.

Eigenlijk doen ze heel gewone dingen, de mensen in deze verhalen. Ze overwegen een paar boeken te gaan lezen op het balkon, ze maken zich op om naar een schoolreünie te gaan, ze kopen een paar handschoen, ze zitten met hun man en hun dochter in de auto en kibbelen wat. Maar op de achtergrond gaat het altijd om machtsverhoudingen, om superieur aan een ander te willen zijn, om skeletten in de kast, om dat wat je een leven lang blijft achtervolgen, om uitbuiting, om exploitatie, om politiek, om alles dat onze wereld lelijk maakt. Op de achtergrond ja. In Een album voor Gustaaf komt de achtergrond wel heel erg naar voren. In dit verhaal gaat het het meest expliciet om de Oranje Revolutie. Een naamloos blijvende, elkaar “Kleine” en “Kleintje” noemende “HIJ” en “ZIJ” krijgen bezoek van de Nederlandse (!) schipper Gustaaf die een plakboek wil maken over de Oranje Revolutie. Met nauw verholen wellust kijkt Gustaaf in hun fotoboeken, en ontlokt verhalen aan zijn gastheer en -vrouw. “ZIJ”, “kleintje”, is historicus wat Zaboezjko de gelegenheid geeft kolleezje te geven over de geschiedenis van Oekraïne. Het is wat mij betreft het minst geslaagde verhaal in de bundel, en niet alleen omdat het meer op een opiniestuk lijkt dan op een verhaal. Gustaaf komt uit een cultuur die geen angst kent, alleen maar reclame en videospellen en andere simulacra (neuh, Zaboezjko hier is nooit oorlog geweest); de Maidan als de ultieme vrijheid en Rusland als onderdrukking, hum. Hoeveel beter is dat “vrije” westen dan? Ik snap vanuit het Oekraïens verleden, en meer nog vanuit dat allesontwrichtend heden, ieder anti-Russisch sentiment en ik voel ook niets dan sympathie voor het loszingen van de Maidan van de beeldcultuur: de rocksterren, de televisiepersoonlijkheden (die in informele jazz voor de camera verschijnen) (wat is die gast eigenlijk, een komiek?) (???) (stel u voor dat André van Duin morgen minister-president is) (langs de andere kant: Rutte — hoeveel beter is dat dan?) (???) (ook een komiek en niet eens half zo intelligent als Van Duin) (dus ik bedoel maar); dus toch, kom op, de maidan?, echt waar, het “vrije” westen, je moet hier maar een snotvalling krijgen om nergens meer welkom te zijn, want stel je voor dat je iemand aansteekt die daar minder goed tegen kan, ja ineens ging het in heel het westen maar om één persoon en dat was fucking iemand fucking die fucking daar fucking minder fucking goed fucking tegen fucking kan (waarom zou ik vlees eten?) (visboer doe mij nog maar een kilootje kibbeling hoor) (want vissen zijn geen dieren ofzo); iedere vrijheid is maar een alsof, een “tot daar en niet verder” (Nederland houdt van gewoon), een nooit zelf gekozen voorwaardelijkheid; er is maar een in relatieve zin vrij ongevaarlijk virusje nodig om van ons allemaal communisten te maken die al hun vrijheden moeten opofferen voor het collectief.

Maar vooral: juist omdat in Een album voor Gustaaf het ongezegde gezegd wordt, is het minder sterk dan de andere verhalen. In de andere verhalen speelt Zaboezjko een veel geraffineerder spel. In andere verhalen sleept ze je aan je haren mee naar de spiegel en wat ze je laat zien is niet altijd even fris. Ik noem een briljante scéne uit Meisjes (en wat een ongekend fantasties verhaal dat is). Dat gaat over meisjes. Twee meisjes. Darka en Leentje. Pubers. Meisjes op weg om vrouwen te worden. Er ontwikkelt zich een vriendschap tussen Darka en Leentje. Je zou die vriendschap als innig, mooi, verheven kunnen zien. Neem de tongzoenscéne. Ja, er is een tongzoenscéne. Twee heel jonge meisjes die tongzoenen. Dat zou je mooi kunnen vinden, of lief, of aandoenlijk, of geil. Afhankelijk van wie je bent (een pedofiel of wat). Maar dat is niet hoe Zaboezjko het beschrijft. Zij maakt er iets van dat op overmeesteren, bezitten, exploiteren uitkomt. Dat doet iets met lezers. Het raakt aan je eigen ziekte. Het raakt aan de ziekte van de wereld. Wat we geneigd zijn lief te noemen is misschien wel heel erg lelijk, dacht ik. Snap je nu dat ik mijn lezen af en toe moest onderbreken?

Of het al eerder genoemde Hier had uw reclame kunnen staan. Je zou het met enige goede wil “magisch realistisch” kunnen noemen. Of een modern sprookje. Het is lieflijk, het is zacht, het is mooi. Het interrumpeert en rectificeert zichzelf zomwijlen op godijneske wijze (godijnesk? ja dat is een bijvoeglijk naamwoord – veelzeggender, als je het mij vraagt, dan “kafkaesk”): “Hier dringt zich een plotwending op, en Julio Cortázar of Peter Høeg bijvoorbeeld zou hier vast en zeker een verhaal hebben geschreven (en Taras Prochasko, die te lui is om het te schrijven, zou het in een koffietentje vertellen)”; “Nee, dat laatste verzin ik maar, dat is nooit gebeurd.”, zulke dingen, en als lief en mooi en grappig het is, uiteindelijk gaat het toch ook om de medogenloosheid van consumentisme, van een kapitalistisch uitbuitingssysteem waarin niets nog eeuwige waarde heeft – of welke waarde dan ook.

Maar het mooiste is misschien toch wel Na de derde bel geen toegang tot de zaal. De dynamiek tussen een vrouw en haar puberdochter. Dat zit al zo propvol dingen. Generatieconflict, verlies, vergankelijkheid, strijd, territoriumdrift, liefde, onbegrip, de schimmen uit je verleden, een zucht naar erkenning. En dan is het ook nog oorlog. Ja. Oorlog. Een land, Oekraïne, in oorlog met een ander land, Rusland. De oorlog, een oorlog, deze oorlog, wie weet, ergens in het land is het oorlog, sommige mensen moeten hun zonen naar het front sturen maar gelukkig hebben hoofdpersoon Olha en haar man alleen een dochter. Al het grote zit hier in bijzinnen. Het nepnieuws van Russia Today, de handelswijze van Poetin, landgenoten die heulen met de Russen. Het verhaal zou al bol hebben gestaan van spanning als het alleen maar om de moeder-dochter relatie ging: de vrouw die in de overgang is (“de kus van de dood”), en het meisje dat een vrouw in wording is. Dat doet alleen al zo bizar veel gedachten in mijn hoofd opkomen, en dan is er ook nog eens oorlog ergens in de achtergrond, en het cynisme dat het voor de welgestelde hoofdfiguren uit dit verhaal met hun dochter die gelukkig geen zoon is iets is dat in de achtergrond kan blijven doet mijn hoofd bijna ontploffen.

Zusters is een bijzonder straffe bundel. En of het nu oorlog is of niet, ik zou graag meer willen lezen van Oksana Zaboezjko. Dus vertaal. Vertaal meer. Vertaal alles.


Oksana Zaboezjko Zusters Recensie

Zusters

  • Schrijfster: Oksana Zaboezjko (Oekraïne)
  • Soort boek: Oekraïense verhalen
  • Origineel: Сестро, сестро (2003)
  • Nederlandse vertaling: Helen Saelman, Marina Snoek
  • Uitgever: Cossee
  • Verschijnt: 24 november 2022
  • Omvang: 224 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 22,99 / € 14,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman van de Oekraïense schrijfster Oksana Zaboezjko

Een dochter in haar tienerjaren, een schrijfster die in een klein, oud winkeltje een bijzonder paar handschoenen vindt en een historica. Oksana Zaboezjko’s protagonisten – onveranderlijk vrouwen – observeren hun eigen daden en gevoelens tegen de achtergrond van de Sovjettijd en de Oranje Revolutie van 2004. Ze vinden kracht, macht, maken fouten en worden gedreven door de tegenstrijdigheden en malheurs van een vol leven. Hun gecompliceerde relaties met lichamelijkheid en schoonheid worden met empathie beschreven als deel van hun zelfbeeld.

Oksana Zaboezjko is een van de belangrijkste publieke intellectuelen van Oekraïne. In haar veelbekroonde werk vraagt ze zich af hoe je de meest ondenkbare realiteit van onze tijd zin kan geven. In deze over de hele wereld vertaalde verhalenbundel draait ze het begrip ‘waarheid’ in haar handen als een prachtig paar verloren handschoenenen en maakt ze op subtiele wijze het politieke zichtbaar in het persoonlijke.

Oksana Zaboezjko (Loetsk, 1960) behoort tot de meest vertaalde Oekraïense schrijvers en dichters. Ze studeerde Filosofie in Kiev en promoveerde in Filosofische kunst. In de jaren negentig doceerde ze in de Verenigde Staten als gastprofessor in Pittsburgh, Pennsylvania en Harvard. In 1996 verscheen haar eerste roman, Veldonderzoek naar Oekraïense seks, in 2010 haar magistrale Het museum van de achtergelaten geheimen, en in 2022 de verhalenbundel Zusters.

Oksana Zaboezjko Mijn langste boektournee RecensieOksana Zaboezjko (Oekraïne) – Mijn langste boektournee
essay
Uitgever: Cossee
Verschijnt: 24 november 2022

Bijpassende boeken en informatie

Wouter Godijn – Poging een luchtig gedicht te schrijven

Wouter Godijn Poging een luchtig gedicht te schrijven recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe dichtbundel. Op 17 november 2022 verschijnt bij uitgeverij Atlas Contact het nieuwe boek van dichter en schrijver Wouter Godijn.

Wouter Godijn Poging een luchtig gedicht te schrijven recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van Poging een luchtig gedicht te schrijven. Het boek is geschreven door Wouter Godijn. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud het nieuwe boek met gedichten van Wouter Godijn.

Recensie van Tim Donker

Dan zeggen ze – wie ze welke ze het was er toch maar één? ja maar meervoud klinkt gewichtiger – dat ze een bundel van Wouter Godijn voor me hebben en dan roep ik enthousiast uit O!, daar heb ik bijna alles van!, en denk ik, denk ik later Is dat eigenlijk wel zo? Ik heb titels van Godijn ja, meerdere, ik weet het, maar hoeveel heb ik er eigenlijk?, en wil je wel geloven dat ik nu absoluut geen zin heb om op te staan en naar de kast te lopen en te tellen hoeveel titels van Godijn daar zijn, o, ik heb poëzie van hem, zeker, en De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt staat in mijn bovenkast, waar alle boeken staan die ik nog moet lezen, waar de boeken staan die ik ooit ga lezen, waar veel boeken staan die ik waarschijnlijk nooit meer zal lezen. Ik weet dat ik er in begonnen ben, in De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt en ik weet ook dat ik strandde, vrij snel, nog maar half op weg naar halverwege. Zou ik in ieder geval al zijn poëzie hebben dan? Nee. Ja. Misschien. Ik heb denk ik best veel van Wouter Godijn in mijn kast.

En later heb ik dat boek in handen, en ik ga zitten, en ik schenk me een Sint Bernardus tripel in en ik denk even aan Kees. Dat doe ik de laatste tijd wel vaker. Even aan Kees denken als ik me een bier in schenk, of een bepaald soort plaat op leg, of gewoon oemsonst. Ik drink. Ik lees. Ik lees een paar pagina’s en denk Kan je poëzie uitleggen?

Meer int bijzonder: Kun je de poëzie van Wouter Godijn uitleggen?

Dan bedoel ik Godijn dus. Die man die dingen schrijft als: “slijm uitsproeiend: de klunzenaar / half gesmoorde kreten ten gehore brengend / krergens in de krakrakramers van zijn kret / onderbreekt kreze krezigheden (de muizen / verstijven), slaat de zonsondergang / -dwaas violet- hologig gade”, en dan is er een paar regels lager ook nog iemand die naaktslakken druppelt uit een slagroomspuit. En dan is Godijn niet bezig om zoveel mogelijk zotheden bij elkaar te harken, of geforceerd de enigmaticus uit te hangen of hermetiek in de gezichten van de lezer te wrijven tot het gaat bloeden. Of. Naja. Die bloedende gezichten, dat zou Godijn misschien nog wel kunnen bevallen. Automatiese poëzie zou het nog kunnen zijn. Of vrije improvisaties. Live. Waar de lezer bij is. Of juist doorrijpte poëzie. Lag het zo lang te rijpen tot het alles zegt wat het niet zeggen kan. Zeventig jaar gegist. Of –

Maar het is niet alleen wát hij zegt. Hoe het gezegd wordt is bij Godijn het halve lied. Of tweederde lied misschien. De bladspiegel bijvoorbeeld. Springt alle kanten op. Gedichten kunnen bladbreed of draaddun zijn. Omhoog of omlaag springen, over de bladzij rennen nee slenteren nee huppelen. Er zijn doorhalingen in, toevoegingen, correcties – in een nog maar net te ontcijferen handschrift. Er is paginawit, er is paginazwart. Gedichten die zichzelf herroepen, becommentariëren, zich in zichzelf verstrikken.

Hoe leg je dat uit? Was mijn vraag.

Of nog. Moet je dat wel uitleggen, is dat wel aan een eenvoudige bespreker, die simpele ziel, zie hem daar nu zitten achter de computer met dat brilletje op zijn hoofd, hoe die deze woorden tikt, je verstaat het niet. Uitleggen. Inkaderen, vastspijkeren zal hij bedoelen.

Hum. Nee.

Dan drink ik & dan denk ik. Misschien moet de spreker louter kondt doen van zijn beleving. De beleving bij de bundel. Die trouwens poging een luchtig gedicht te schrijven heet, zei ik dat al?

Maar wat was dan mijn beleving bij poging een luchtig gedicht te schrijven? Iets als geluk? Kan ik zeggen dat ik gelukkig werd van poging een luchtig gedicht te schrijven? (of was dat de drank misschien).

Hmm. Geluk. Ja. Kweenie. Vrij aan het begin zit een nogal gore aftrekscéne. Of hoe noem je dat. Een aftrekgedicht. Een nogal goor aftrekgedicht. Zo vrij aan het begin. Zo net toen ik me begon af te vragen of ik gelukkig werd van deze bundel. Komt dat gore. Hoeveel goorheid kan geluk verdragen, vooral als het niet je eigen goorheid is.

Dus. En verder lezen.

En dus verder lezend dit lezen:

je moet me vertellen over Jezus en de zeven wolven
en dat het verhaal van de kruisiging maar een fabeltje was
ze nagelden hem aan de grond
stuurden zeven hongerige wolven op hem af
drie van hen bleven ronddolen in Klein-Azië
(de in karmijnrood en parelwit gekleden
kwamen na dagen verzonken zijn in gepeins
tot de slotsom dat wie drie,
vier, opnieuw drie en ten slotte één bij elkaar optelt
onvermijdelijk als de dood
zal uitkomen bij zeven)
vier lieten zich wegassimileren door de woestijnen in het Zuiden
drie gingen Noordwaarts, Moedertje Rusland in
waar we later nog zoveel over zouden horen
en één boog af richting Europa
maar slaagde er niet in ons allemaal op te eten
Jezus stond op uit – ja, dat is waar, nog steeds, elke dag weer
maar in gras, insecten, in witte bloemen
die zich lieten openvouwen in heldere babyhoofdjes
lang voor de slaap der volwassenheid alles uitwiste
in luciferdoosjes wegwerpaanstekers Chinees porselein
in jou en in mij

ja, als je me dat allemaal vertelt zal ik vrolijk zijn
en me verheugen in het Wonder van de Schepping

en denken ja. Ja denken. Vrolijk. Ja, dat is het goede woord. Dank je, Wouter. Vrolijk. Dat is wat het was. Ik werd vrolijk van deze poëzie. Van deze struikelende, vliegende, razende gedichten. Die me soms vertellen wat er allemaal nóg gebeurt terwijl ik dit zit te lezen dus buiten zichzelf treden is nog een ding wat de poëzie van Wouter Godijn kan. Ja. Papier wordt weer wit, het gazon moet weer gemaaid, moegespeelde kleuters hebben grensoverschrijdend lipperige lippen en grensoverschrijdend vieze neuzen. Vrolijk? Vrolijk! Dat word ik ervan als zo’n stukgebruikt woord als “grensoverschrijdend” (wie niet stil zit, kop naar beneden, bek dicht houdt vertoont tegenwoordig al snel “grensoverschrijdend gedrag”) ineens een kolderieke lading krijgt door het in onverhoedse context te sleuren.

En dat lees ik dan allemaal, allang een andere dag, allang koffie in een mok, en ineens staat er spacerock op. Spacerock? Ja, dat kwam zo. De buurman was geweest. Of niet de buurman. Maar de oude. En hij was niet eens mijn buurman maar de buurman van mijn buurman. Hij was de buurman van Sergio. Die kwam. Op een maandag. Tiepies een dag waarop mensen langskomen. De buurman wou geen koffie hij wou thee, waarom wou hij nou thee, wie wil er nou thee, ik drink nooit thee, ik zei hoe gaat dat dan en hij zei ik help je wel en daar zaten we, hij met zijn thee en ik met mijn koffie en we praatten en iemand zei spacerock. Ik denk dat ik het zei, ik was de enige ander in de kamer en de buurman, de oude dus, wist niet wat spacerock was. Waarom was ik begonnen over spacerock, waarom zei ik spacerock. Ik wil dat wel eens horen, zei de buurman, zet eens iets op. Dus zette ik iets op. An Emerald City misschien, of weetikveel, Guru Guru ofzo, Gong wellicht, ineens heel het kot vol spacerock, het was die dag dat de zon scheen, zo had ik deze bespreking willen noemen: De Dag Dat De Zon Scheen, maar ik geef mijn besprekingen al jaren geen titels meer mee en spacerock staat verdorie nóg op als de buurman, de oude, al weer weg is, het was Tangerine Dream denk ik, of Faust, of Het Droste Effect, of Oranssi Pazuzu, de koffie is op & de buurman had niet eens koffie gebliefd, hij wou thee, ik zit in mijn leesstoel en lees verder in poging een luchtig gedicht te schrijven, lees over een lawine van piepkleine roestbruine spinnetjes, merkwaardig en merkwaardiger nog om dit te lezen met die muziek op, het was Dark Buddha Rising of The Dunes of  Øresund Space Collective

of Floorian (was Bastro beter geweest dan?) (nee maar Star Booty zou oké zijn) (laat ik het anders voorlopig maar op jazz houden laat ik het maar op Mostly Other People Do The Killing houden laat ik het maar op dat prachtige Coimbra Concert houden met die briljante Köln Concert-pastiesj die de hoes is), lees over een reuzenaxolotl die in een leunstoel hangt, over grootouders die al bijna in opgezette dieren zijn veranderd (wow, vooral dat “al bijna”), over wolken in een wolkeloze lucht, lees zinnen als “na mijn onthoofding voelde ik me zo dromerig”, “waarom lijken schaamlippen toch zo op zéér oude mannengezichten?” en “ontdingd zijn de dingen op hun liefst”, deze gedichten zijn zo aaibaar, ik wil ze nog even op mijn schoot, nog even op mijn knie, nog even in mijn binnenste voelen kriebelen.

Ja. Andere muziek of niet. Of opstaan, voor andere muziek moet ik opstaan, opstaan en bijna over de surprise waaraan mijn zoon bezig is struikelen (ik had expres niet opgeruimd voordat de buurman kwam want ik wou eens één keer in mijn leven de zin “Let niet op de rommel” kunnen bezigen maar uiteindelijk vergat ik het nog te zeggen).

Misschien geen jazz maar postpunk dan misschien? (wist jij dat Eduardo Benavente in 1983 is omgekomen bij een auto-ongeluk?) (altijd als we door Benavente reden begon mijn moeder over Fred Benavente) (heb ik mijn vader ooit dat hoesje van Coimbra Concert laten zien?) (mijn vader was een groot Jarrett-liefhebber) Misschien –

Uiteindelijk is de bundel te stoelnagelend om steeds naar de seedeespeler te lopen. Het is te mooi, te vrij, te speels, te vrolijk, te grappig ook. Ja. Hardop lachen. Hardop lachend poëzie lezen. Is wat kan en wat (soms) goed is. Zelfs het titelgedicht waarin Godijns multiple sclerose een duidelijke (maar niet expliciete) rol krijgt zit vol zomwijlen bijkans slapstick-achtige humor. In veel gedichten speelt zijn ziekte een rol, maar meestal niet zo pijnlijk grappig als hier.

Je kunt niets op deze gedichten tegen hebben. Of. Naja. Misschien. Ik heb nu al verscheidene bundels van Godijn gelezen, en de manier waarop zijn gedichten telkens weer exploderen kan me inmiddels zo heel af en toe een klein tikje maniëristisch aandoen. Maar echt een heel klein tikje dan, en ook nog maar af en toe. En alleen als je echt zou willen dat ik een klein puntje van kritiek op tafel gooide. Want wie kleine puntjes kritiek op tafel gooit komt serieuzer over dan iemand die het allemaal alleen maar leuk gevonden heeft. En als het afsluitende Moziekop (een klein carnaval voor carnavalhaters) (sowieso voor deze hele bundel wel een goeje aanduiding) alleen maar een hele grote grijns op mijn gezicht zet ben ik al snel weer geneigd om deze poëzie elk vermoeden van maniërisme te vergeven. Uiteindelijk vergeef ik deze poëzie alles. Uiteindelijk zal ik alle poëzie van Godijn altijd alles weer vergeven.


Wouter Godijn Poging een luchtig gedicht te schrijven recensie

Poging een luchtig gedicht te schrijven

  • Schrijver: Wouter Godijn (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Atlas Contact
  • Verschijnt: 17 november 2022
  • Omvang: 104 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 21,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de nieuwe bundel met gedichten van Wouter Godijn

Is het in deze tijd van klimaatverandering, oorlog en coronapandemie nog mogelijk een luchtig gedicht te schrijven? In zijn nieuwe bundel gaat Wouter Godijn op zoek naar een antwoord op deze vraag. Gruwelijke en wonderbaarlijke visioenen zijn het resultaat, in gedichten die eenvoudig en helder lijken maar de verbeelding van de lezer tarten. Wie zich open durft te stellen gaat een literair avontuur tegemoet zoals hij maar zelden heeft meegemaakt. Poëzie die al lezende in beweging blijft, een achtbaan waar je aanvankelijk ietwat huiverig maar vol adrenaline in stapt en die precies de kick geeft die je zocht. Hoopvol en vol ontnuchtering, grappig en schrijnend, verrassend en logisch. Alles kan in Godijns hoogst authentieke universum waarin de dichter zich niets aantrekt van poëtische conventies, net zomin als van conventies in het algemeen.

Wouter Godijn Karina of de ondergang van Nederland RecensieWouter Godijn (Nederland) – Karina of de ondergang van Nederland
Nederlandse dystopische roman
Waardering redactie∗∗∗∗ (uitmuntend)
Eigenzinnige, verontrustende en unieke roman die een groot lezerspubliek verdient…lees verder >

Bijpassende boeken en informatie

  • Nederlandse dichters

Donald Niedekker – Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost

Donald Niedekker Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost recensie en informatie nieuwe Nederlandse roman. Op 27 januari 2022 verschijnt bij uitgeverij Koppernik de nieuwe roman van de Nederlandse schrijver Donald Niedekker.

Donald Niedekker Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op de pagina de recensie en waardering vinden van de roman Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost. Het boek is geschreven door Donald Niedekker. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van de nieuwe roman van de Nederlandse schrijver Donald Niedekker.

Recensie van Tim Donker

Waarom denk ik toch altijd dat historische romans vuistdik zijn, en droog, en stomvervelend? Met Rozenkruisers enzo, en tempeliers, en partizanen, en een plan dat een Plan is. Mannen in gewaden, en overal torens, overal kerkers. Eindeloos gepraat. De burggraaf springt als door een adder gebeten op. In 1584 ontmoet de twaalfde Engelse meester de twaalfde Franse meester. De baron springt als door een adder gebeten op. Een beslissend gesprek in een koets. Alle wijze mannen zijn blind. Iemand die zegt Het is beter een kaars aan te steken dan de duisternis te vervloeken. Een brief waar alles in staat en die later onvindbaar is. De grootvizier springt als door een adder gebeten op. Regen valt vele pagina’s lang. Iemand vindt een kistje. Iemand vindt een boek. Iemand vindt een manuscript. Ineens is alles duidelijk. Later zal het verfilmd worden met Sean Connery in de hoofdrol.

Waarop baseer ik mijn weerzin tegen historische romans? Hoeveel historische romans heb ik gelezen, immers? Ongeveer nul. En dan is mijn schatting nog aan de hoge kant. Misschien iets meer als je de grenzen van het zjanrûh dermate oprekt dat ook Een episode uit het leven van een landschapsschilder, De hoge hoed der historie of het laatste deel van Het einde van het lied eronder mogen vallen. En ach, slechts één van deze titels heb ik helemaal gelezen.

Dat Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost een historische roman is, daarover moeten wij niet diskuteren. Dit is het verhaal. In de zestiende eeuw was er een kaart, de kaart van Petrus Plancius. Er was die kaart die beweerde dat de Noordpool in de zomer maandenlang een open zee was zodat je via het noorden lijnrecht naar China zou kunnen varen. Er wordt een expeditie uitgerust om dat te testen. Zelfs een dichter scheept in, die, eenmaal in China, het loflied kan schrijven over het succes van de onderneming. Maarja. De noordpool is geen zee. Het schip loopt vast bij Nova Zembla. Het ijs neemt levens, het ijs eindigt alles. Dat is het verhaal. Het verhaal van heel de historij. We kennen het allemaal. Jacob van Heemskerck. Willem Barentsz. Nova Zembla. Pieter Platevoet. Gerrit de Veer. Allemaal echt gebeurd. Allemaal echt in de encyclopedie. Allemaal echt. Allemaal toen. Dus historisch.

Het verhaal van mannen op een schip, en een kaart, en Nova Zembla en het ijs. Zo’n soort verhaal zou ik toch nooit gaan lezen? Ik hou van de kleine verhalen. Ofnee. Ik hou niet van verhalen. Zei iemand, zei ooit, zei een vriend, zei een uitgever, zei een uitgever die ik ooit voor een vriend hield ooit: Die experimenten ken ik nu wel, vertel me eerst maar eens een goed verhaal. Zei ik: die goede verhalen die ken ik nu wel, vertel het me eerst maar eens op een experimentele manier. Ofnee. Zei ik niet. Ik durf zulke dingen nooit goed zeggen want ik hou iedereen altijd voor intelligenter dan ik. Maar gij geeft boeken uit, denk ik dan, dit is uw vak, gij zult dat wel beter weten. Maar toch.

Het boek, en waar dat dan over gaat.

Haat je die vraag niet? Zit je een boek te lezen, is er altijd wel iemand die wil weten waar het boek over gaat. Moet je in twee drie vier vijf of zes zinnen vertellen waar de schrijver tweehonderd driehonderd vierhonderd vijfhonderd of zeshonderd bladzijdes voor nodig heeft. Het boek gaat ommers niet over die twee drie vier vijf of zes zinnen; het boek gaat niet over dat waar het achterplat zegt dat het over gaat. Het boek is niet zijn verhaal.

Neem nu dit boek. Gaat Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost over de expeditie, de mannen, de kaart, Nova Zembla, het ijs? Ja. Net zo goed als ik ga over wie ik als baby was of over wat ik vandaag gedaan heb.

Dus nee.

(ik heb vandaag gefietst met mijn dochter, mijn moje lieve wijze grappige charmante fantastiese zevenjarige dochter. we fietsten. we klommen op houten bouwseltjes, we schuifelden voetje na voetje over touwen die over het water gespannen waren. we sprongen. we klommen hoger misschien)

Want wat iets is, is altijd vele malen oninteressanter dan hoe iets verschijnt.

Neem de nacht. De interval tussen twee dagen.
Of neem de dag.
Of neem wat er in je glas zit.

Probeer het mooiste liedje dat je kent te beschrijven. Probeer te zeggen waar het over gaat.

Nee.

Wat iets is, is nooit waar het over gaat. Is nooit de beschrijving ervan. Is niet de twee drie vier vijf of zes zinnen. Is niet fietsen is niet klimmen is niet springen is niet de touwen. Het hangt tussen de dingen in, het is altijd wat je niet noemt.

Donald Niedekker klinkt als een naam die verzonnen had moeten worden als hij niet al bestaan had. Maar. Misschien bestaat de naam ook niet, misschien is hij wel verzonnen. Wat is, is en wat niet is, is mogelijk.

Ik bedoel zeggen ja we kennen al die namen we kennen als die feiten we kennen al die data maar voor mij gaat het in Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost niet om een “wie es eigentlich gewesen ist”; zelfs niet om een “wie es möglich gewesen ist”.

Het gaat niet om de kaart, en ook niet om dat die fout bleek, en ook niet om dat die fout levens kostte.

Ik dacht aan dat prachtige seedeetje van Liars: They were wrong, so we drowned. En dat is al meer waar Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost over gaat. Niet over Liars, of over het seedeetje, maar dat het me denken deed.

En zit ik aan, zit ik aan keukentafel, zit ik aan keukentafel te tiepen, dit, het is zondagavond, het is laat in de avond, het is zo laat in de avond dat het rap vroeg in de nacht zal zijn, en komt binnen, gaat open, de kamerdeur, en komt binnen, mijn zoon, mijn prachtige lieve wijze grappige achtjarige zoon, met zijn slaaphoofd en zijn slaaphaar staat hij daar, in niets dan zijn onderbroek en hij zegt: Waarom zit je te schrijven? Zeg ik: Omdat ik spreken moet ook als ik moet zwijgen. Hij mompelt iets over wakker geworden en niet meer kunnen slapen en sloft naar de bank, ploft neer, gezicht gekeerd naar mij, en ik zeg ik breng je zo weer naar bed jongen en ik tiep nog twee, drie alinea’s vooraleer ik afsluit. Hij is alweer in slaap gevallen op de bank. Ik neem hem in mijn armen, til hem de trap op, zijn bed in. Ik mompel droom je dromen, jongen, droom je eeuwige dromen, droom je dromen als in rozige bloedwarme permafrost. Wat nergens op slaat, dat weet ik ook wel. Maar het is al meer waar Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost over gaat. Niet over de zoon, of het dromen; zelfs niet over het nergens op slaan. Maar dat het de geest uit wandelen stuurt.

De mannen op het schip en het behouden huis en het ijs; de ondeugdelijke kaart en de doden en de zee – daarmee had je een avonturenroman kunnen bouwen. Of een jongensboek. Of een vuistdikke, droge en stomvervelende historische roman. Maar Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost is niets van dat alles.

Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost is boven dat alles.

Boven dat alles – doordat, ik noem nu, het verteld wordt door een dode. De ingescheepte dichter liet het leven en vertelt vanuit zijn graf -zijn ijsgraf- na eeuwen zijn verhaal. Het verhaal van de kaart en van de noordpool die geen zee bleek, maar ook zoveel andere verhalen. Verhalen over zijn jeugd; over zijn grootmoeder die zo prachtig vertellen kon (en tot prachtig vertellen inspireren wist), over zijn vader die in hout handelde ergens in het hoge Noorden en soms maanden achtereen van huis was, en die van één van zijn reizen een ei meenam, een ei dat een ei bevatte dat een ei bevatte dat een ei bevatte… -; maar ook verhalen over Petrus Plancius, Johannes Kepler, Tycho Brahe. Verhalen over de Insulae Fortunatae, Vinland, Erik de Rode, Estotiland of Drogeo. Geen idee of deze verhalen echt gebeurd zijn, maar de ingevroren dichter heeft ze u in elk geval wel echt verteld.

Verhalen weven verhalen.

In korte hoofdstukjes wervelen al deze verhalen door elkaar. Fragmentarisch. Betoverend. Verstillend. Eruptief.

In een taal zo prachtig, zo adembenemend mooi.

“De lucht was zo koud dat je hem in stukken kon bijten. Je nam een hap en de kou schoot naar je voorhoofd, drukte op je oogbollen en je kaak kromp zodat je kiezen knarsten als stonden ze op barsten. Van lieverlee nam je nog een hap. Dat heette elders ademen. Maar wat dat hier was wist je niet.”

Of:

“We zeilden naar de volgende bocht en daarachter lag de verhoopte Kaap Tabin? Nee, we zeilden naar de volgende bocht en daarachter lag de doorgang naar China en Cathay? Nee, we zeilden naar de volgende bocht en daarachter lag de Noordoostelijke Doorvaart? Nee, er stonden een paar vissershuisjes. We zeilden naar de volgende bocht en die gaven we een naam, Oranje Kaap of Kaap Troost of Kaap Hoop of Kaap Plancius, om van hem af te zijn, of Kaap Herinnering, en daarachter konden we de specerijen van het Oosten al ruiken? Nee, er hingen huiden en vis op rekken te drogen. We zeilden naar de volgende bocht en we dronken thee uit kopjes van doorzichtig porselein? Nee, er dreef ijs. IJsbergen kwamen op ons af.”

Of:

“Nova Zembla is overal.
Nova Zembla is alles.
Nova Zembla is mijn ondergang.
Nova Zembla is mijn redding.”

Of, ineens een beetje Toon Tellegen-achtig:

“Vlak voor mijn dood zag ik een worm uit de grond kruipen, […]. Hij gaf me raadsels en werken op. Ik moest een steen schillen, zonder te morsen in een zacht gekookt ei een knoop leggen, een haar splijten met een bot mes. Hij vroeg me naar het grootste priemgetal, de kwadratuur van de cirkel, het tijdstip waarop alle hemellichamen in gang waren gezet, hoeveel zandkorrels er in het universum pasten en hoeveel duivels op de punt van een naald. Hij vroeg waar gedachten vandaan kwamen, wat de kostbaarste steen was (voor ik kon antwoorden vuurde hij de volgende vraag af), waarom de zee zout was, het aantal hemelen en het aantal kwellingen van Judas op zondag.”

Een historische roman? Hum. Nee. Ja. Misschien.

Maar ook een loflied op het leven, een kontemplatieve memento mori, een tijdloos toekomstboek, een sprookje, een ontstaansgeschiedenis, een apocalyps, een uit zijn voegen barstend gedicht.

En een filosofiese roman?, probeer ik voorzichtig. Voorzichtig, vandaar dat vraagteken.

“Een kaart maakt de werkelijkheid die hij afbeeldt. Als de kaart een pad suggereert waar er geen is, goede kans dat na verloop van tijd dit pad er alsnog is.” zegt het. Denk dit. Beschouw dit. Drink dit in.

Wat zegt het?

O, het zegt veel meer dan deze twee zinnen.

Het bevat ten eerste een allusie op smeltende poolkappen. De ikfiguur merkt dat zijn ijsgraf in deze tijd niet meer is wat het al die eeuwen was: het is smeltende. Eeuwig is niet meer eeuwig; eeuwig ijs is nu stem. Konkludeert hij. Geen frost zo perma of de mens weet er wel raad mee. Zodat wij straks -ha!- alsnog via het noorden naar China varen kunnen. Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost is dus ook een ecologische roman; een boek over het antropoceen. Antropoceen-doem, bestaat deze kategorie al in de boekhandel?

Maar binnenin deze bitterheid zit een twede bitterheid (zoals dat ei dat een ei bevatte): wetenschap als Creator, niet Beschrijver. Een kaart als selffulfilling prophecy. Feyerabend zou ervan gesmuld hebben. Wetenschappers zijn mogelijkerwijs niet getrouwe analisten van de werkelijkheid; nee ze creëren die. Het is niet perse waar maar het wordt in ieder geval waar omdat de Wetenschapper zegt dat het waar is.

En! Andrej Sacharov. Zegt die naam u iets: Andrej Sacharov? Hij kreeg in 1975 de Nobelprijs voor de vrede, vanwege, hoor toe, zijn strijd voor ontwapening. Maar hij was ook de man van de Tsar Bomba, de krachtigste waterstofbom ooit. Op 30 oktober 1961 door de Russen (jahoor, de Russen weer!) tot ontploffing gebracht op Nova Zembla. Een gebeurtenis die helemaal op het einde nog een plekje weet te veroveren in deze al-historische al-roman. De schokgolf van de ontploffing dreunt doorheen alles, dus waarom niet doorheen het immers nogal nabije ijsgraf van de ikfiguur? Met de introductie van Sacharov krijgt het boek in de staart ook nog even een politieke, of op zijn minst sociale of maatschappelijke lading mee. En dan denk je dat je in een boek op het einde wel zo zoetjesaan naar rust en afsluiting toegezongen zult worden. Nee. Niet Niedekker. Die grijpt nog even een slagje harder naar de keel.

En verwart me. Heb ik dan al die tijd een politieke roman zitten lezen? In terugblik niet eens een hele gekke gedachte.

Dit boek is overal.
Dit boek is alles.
Dit boek is mijn ondergang.
Dit boek is mijn redding.

En ik dacht dat ik het zweet op mijn voorhoofd had staan toen ik het uit had.

Voorlopig even het allermooiste boek dat ik ooit gelezen heb. Tot het volgende allermooiste boek dat ik lezen zal.

Donald Niedekker Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost Recensie

Waarachtige beschrijvingen uit de permafrost

  • Schrijver: Donald Niedekker (Nederland)
  • Soort boek: Nederlandse roman
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 27 januari 2022
  • Omvang: 192 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 21,50
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol
  • Winnaar F. Bordewijkprijs 2022

Flaptekst van de nieuwe roman van Donald Niedekker

Januari 1597 overleed in het Behouden Huys op Nova Zembla een bemanningslid van wie de identiteit nooit is vastgesteld. Nu 425 jaar later, nu de permafrost begint te ontdooien, ontwaakt hij uit zijn ijsgraf, waarin hij destijds door Willem Barentsz en zijn mannen is begraven. Deze anonymus op de scheepsrol die was ingescheept om als dichter een loflied te schrijven op de expeditie naar de Noord-Oost Passage, de keizer van China en de specerijenmarkten van het Oosten kan nu de Grote Dooi is gekomen alsnog zijn getuigenis afleggen. Een bericht uit de permafrost van een ervaringsdeskundige.

Van Donald Niedekker verscheen in 2014 de roman Als een tijger, als een slak. Zijn roman Oksana stond in 2017 op de shortlist van de Fintro Literatuurprijs (de voormalige Gouden Uil). In 2018 verscheen de roman Wolken &c., in 2019 gevolgd door Zo zie je alles, die op de longlist van de de Boekenbon Literatuurprijs stond. Niedekker ontving in 2021 de vub Luc Bucquoye Prijs voor eigenzinnige literatuur.

Bijpassende boeken en informatie

Brad Zellar – Till the Wheels Fall Off

Brad Zellar Till the Wheels Fall Off recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe Amerikaanse roman. Op 12 juli 2022 verschijnt bij uitgeverij Coffee House Press de nieuwe roman van de Amerikaanse schrijver Brad Zellar. Er is geen Nederlandse vertaling van het boek verkrijgbaar of aangekondigd.

Brad Zellar Till the Wheels Fall Off recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van de roman Till the Wheels Fall Off. Het boek is geschreven door Brad Zellar. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van de roman van de Amerikaanse schrijver Brad Zellar.

Recensie van Tim Donker

“Hou je van muziekboeken?” vroeg iemand me laatst. Hum. Hou ik van muziekboeken? Een vraag gelijk aan “Hou je van bumbelie?” of “Hou je van bumbelieboe?”. Hou ik van muziekboeken? Héb ik muziekboeken überhaupt? Road van Wiebren Rijkeboer misschien? Ja dat mag denk ik wel een muziekboek heten. Speelde muziek ook niet een aanzienlijke rol in Het uur van lood van Rob van Erkelens? Maar hoeveel muziek moet er in een boek zitten vooraleer het een muziekboek heten mag? Ik las dat boek zo’n dertig jaar geleden denk ik, Het uur van lood bedoel ik, misschien de allereerste roman die écht indruk op me maakte, het eerste bewijs van een al lang daarvoor sluimerend vermoeden dat ik veel zou kunnen ophebben met literatuur (al zocht ik toen al jaren tevergeefs). Ik geloof dat er veel muziek in zat maar ik geloof dat het toch geen muziekboek was. High fidelity uiteraard. Nick Hornby. Een boek dat ik gekregen moet hebben. Ik zou er in ieder geval nooit een cent voor over hebben gehad. Een pocket, ook nog eens, niets leest zo vervelend als een pocket. Ik hou niet van dat formaat, niet van de kleur van de bladzijdes, niet van hoe die pagina’s aanvoelen. Maar ik las het wel uit, dat wel. Het was een tijdlang een “bovenboek” toen ik nog op mijn vorige adres woonde. Dat betekende dat ik er alleen in las als ik boven naar de weesee ging. Ik las het op een paar maanden tijd uit, en nu weet ik er niks meer van. Ik mocht die hoofdpersoon niet zo geloof ik. Ik mocht de hoofdpersoon van Road ook al niet zo. Is dat zo met muziekboeken? Vinden schrijvers van muziekboeken eigenlijk dat muziekliefhebbers eikels zijn? Hou ik van muziekboeken? Ik kan zeggen dat ik twee muziekboeken las. Ik kan zeggen dat die me niet heel veel deden. Ik kan zeggen dat ik van boeken hou, en van muziek. Ik kan zeggen dat ik in tejorie van muziekboeken zou kunnen houden. Ik kan zeggen dat dat tot voor kort bij een vermoeden bleef, net zoals het tot, wanneer was het?, 1993?, 1994?, het kan niet later geweest zijn dan 1995, maar een vermoeden was dat ik veel van literatuur zou kunnen houden.

Tot voor kort ja. Tot voor Till the wheels fall off. Wat Het uur van lood voor mij deed voor literatuur als geheel, heeft Till the wheels fall off voor me gedaan voor het type “muziekboek”. Of is dat een zjanrûh? Hoe ook. Till the wheels fall off is een muziekboek en Till the wheels fall off is fantasties. Vond ik althans.

Matthew Carnap woont met zijn moeder bij familie in. Zijn vader heeft hij nooit gekend; die is gesneuveld in Vietnam toen Matthew nog niet eens geboren was. Moeder is alleenstaand en jong, en eigenlijk niet echt het type om moeder te zijn. Dus wonen ze in, en worden ze onderhouden door familie. Ooms. Oma. Een okkasjonele tante misschien. Als Matthew een jaar of negen is, trouwt zijn moeder met Russel Vargo, de eigenaar van een rolschaatsbaan. Matthew en zijn moeder trekken in bij Russel in diens kleine appartementje boven de rolschaatsbaan. Omdat de Vargo’s eigenlijk gezworen vijanden zijn van de Carnaps, komen de ooms, de oma, de okkasjonele tante er niet bijzonder vaak over de vloer en bij moeder is het vuur ook betrekkelijk snel gedoofd. Matthew is echter gebiologeerd door de rolschaatsbaan en de vele muziek die Russ er met een passie vanaf zijn “high tower” laat weerklinken. Tussen de jongen en zijn stiefvader, die vaak met zijn tweeën optrekken, ontstaat een zeer hechte band, en de pijn kan dan ook niet groter zijn als een paar jaar later alweer de onvermijdelijke scheiding volgt.

Till the wheels fall off is een hartbrekend hartverwarmend hartveroverend boek over opgroejen, verlies, onvermogen, familie, eenzaamheid, pijn, en muziek, heel veel muziek. Het boek wordt verteld in retrospekt: als Matthew een volwassen man is en vanuit Minneapolis in Minnesota terugkeert naar het Prentice in Wisconsin waar hij geboren en getogen is, waar hij met moeder en Russ woonde boven de rolschaatsbaan, waar hij gebeten werd van het muziekvirus. Waar hij van leeftijd kwam, ja, want behalve een muziekboek is dit ook een komen-van-leeftijd roman.

Prentice. Waar hij eenvoudigweg zou blijven rolschaatsen tot de wielen eraf vielen. De wielen zijn er inmiddels af, alle wielen zijn overal af, en waar ze nog niet af zijn dreigen ze er wel af te vallen. Want Prentice is niet meer het Prentice van Matthews jeugd; “Not a trace of that old magical world remained” laat Zellar Carnap mijmeren als hij als volwassen man voor het eerst weer eens door het noordelijke stadje loopt te dwalen. Hierin lijkt Till the wheels fall off ten dele ook een aanklacht te zijn – een aanklacht tegen het veranderen om het veranderen, het weggojen van wat nog bruikbaar was alleen maar omdat het nieuw moet en nieuwer nog en daarna nog het nieuwste (en dan lachen, met zijn allen om wat ooit nieuw was maar nu alweer oud).

Het is ook een melankoliek boek. Ik herken mezelf in Matthew Carnap – een man die, evenals Vargo overigens, moeilijk om kan gaan met wat voorbij is: “I used to hate the Popular Science magazines Rollie found so fascinating. I hated their fixation on a version of futurism that struck me as pure nightmares from science fiction. These visions of the future seemed to promise nothing but ridiculous and homogenous outfits, human Habitrails, and all manner of contraptions apparently designed to eliminate any sort of inconvenience or difficulty. It all seemed either stupidly utopic or terrifyingly dystopic. And I didn’t want any of it – whatever it was. I wanted life as it was to go on forever. I suppose some people – most people – dream of the future but my dreams are almost exclusively of the past. I dream of going back, of reclaiming a life and a world that’s either lost or rapidly disappearing.” – daar lees ik dan mijn eigen gedacht. Mijn eigen gedacht. In een boek. In het Engels dan nog (denk ik Engels?) (klaarblijkelijk). En ik denk ja. En ik denk ook nee want al dat zou worden “designed to eliminate any sort of inconvenience or difficulty” is helaas al geen toekomst meer, dat is nu gewoon ze prezent. Daarom hebben we “werken op afstand”, mondkapjes, vaccinaties en een anderhalvemetermaatschappij; een -nogal naïeve- (bijna lief naïef, als het niet zo verschrikkelijk was) poging om iets te elimineren wat voor het allergrootste deel van de mensheid inderdaad niet veel meer dan een “inconvenience” hoeft te zijn.

Dit boek is een vriend, dacht ik eerst, maar toen hoorde ik hoe pathetisch dat klonk. Dus ik herstel en zeg: dit boek is als spreken met een vriend. Misschien het soort vriend dat je alle dagen ziet, of meerdere keren per week, weetikveel, ik heb geen vrienden plus daarbij ik zie ze nooit. Eerder nog zou dit boek kunnen zijn als spreken met het soort vriend dat je bijna nooit spreekt maar waarmee het iedere keer als je hem spreekt is alsof je hem gisteren nog sprak (ik had dat laatst of laatst vorig jaar kerst met mijn oudste zus die ik dus bijna nooit zie). Je praat over de mensen die je zag, over de rotzooi die de wereld geworden is, en over muziek, natuurlijk, heel veel over muziek.

Want “He showed me the way one type of music, or one specific artist or record, evolved naturally from another (Howlin’ Wolf to Screamin’ Jay Hawkins to Captain Beefheart to Tom Waits)” lezen, en denken, en zeggen Ja, ja, ja, zo zou het wel eens kunnen zijn al zijn Captain Beefheart en Tom Waits eigenlijk wel min of meer gelijkoorspronkelijk maar goed, toegegeven: Beefheart sloeg al eerder wegen in die Waits pas veel later zou gaan inslaan, nadat hij gedaan had met een folkie te zijn, een nachtclubzanger te zijn, een groezelige blueszanger te zijn, – maar het vervolg lezen: “and the ways obvious influences could be absorbed or incorporated to make something wholly original (Phil Spector plus Bob Dylan plus the Rascals plus Creedence Clearwater Revival equals Bruce Springsteen).” en denken nee, nee denken, nee toch niet denken, want Bob Dylans wijn nemen plus water plus water plus water plus water plus water plus water plus water plus water erbij equals Bruce Springsteen; “wholly original” kun je dat beslist niet noemen, Carnap (of Vargo, want Matthew heeft deze wijsheden van Russ) (of Zellar misschien, wie weet hoeveel van de schrijver er in dit boek zit, ommers) (delen van het boeken komen gemeend genoeg over om voor autofictie te kunnen doorgaan) (en dan, Carnap en Vargo en Zellar, of jullie alle drie, vind ik die Springsteen (die ik graag op zijn Nederlands uitspreek, als een Nederlandse spring en een Nederlandse steen dus, vind ik die springsteen dus, niet eens half slecht. Sterker nog: ik heb seedees van die man. Soms draai ik die zelfs).

Dit boek is ook een essay. Over de wereld en de dingen. Die ja. De wereld en de dingen. En de mensen. Ja de mensen moeten niet vergeten. En hoe het daarmee gaat dan. Met de wereld en de dingen en de mensen. Matthew is vaak alleen in dit boek en dat geeft hem de tijd om te denken, heel veel te denken. Over dus de wereld en de dingen en de mensen.

Een voordracht is het ook. Een poëzievoordracht. Waar de stijl in Till the wheels fall off meestentijds een franjeloze materie-van-feit stijl is, wordt het waar Matthew nadenkt over zijn slapeloosheid juist erg poëtisch en metaforisch. Wat doet hij ’s nachts bij gebrek aan slaap? “I was on the floor. I was in the dark. I was rembering”. Drie regels die samen volgens mij wel als gedicht mogen gelden.

En af en toe is het groot, is het Amerikaans, is het direkt-van-hollywood (ja ik zie dit boek nog wel verfilmd worden en dat is niet per se een compliment). Woonde Matthew als kind in een rolschaatsbaan; zijn oom Rollie (degene die die Popular Science bladen zo interessant vond) (zie een sietaat of drie of vier terug) regelt het zo dat de volwassen Matthew bij zijn terugkeer naar Prentice in het plaatselijke honkbalstadion komt te wonen. Maffe woonlocaties, kleurrijke bijfiguren als Baron, the Cowboy en Greenland Earle, een overdaad aan sentimentele passages en een pompeus, melodramatisch einde ja dit kan zo de bioscoop in (verdorie, het is vaker wel dan niet filmisch: je ziet dit boek eerder nog dan je het leest misschien). En ik haat hollywood, ik haat gezochte bijfiguren, ik haat melodrama en ik haat “filmisch”. Maar in Till the wheels fall off werkt het gewoon. Het werkt allemaal. Dat einde, o god dat einde, ik las het met kippenvel over mijn hele lijf en tranen in mijn ogen en ik weet dat het zemig is en zoet en dat het er helemaal overheen is, over wat, over de top ofzo, nee over de hele godvergemese heuvel heen, sentimentalistisch, weetikveel, maar het werkte, ik las het bijna zonder te ademen, ik vond het prachtig, dan maar een sentimentele dwaas oké?

Uiteindelijk gaat dit boek over luisteren. Naar muziek, naar de ander, naar de straten, naar de nacht. Naar het bloed in je aderen. Naar de wereld, de dingen, de mensen. Daarvoor is het boek. Voor de wereld, de dingen, de mensen. Dit boek is voor iedereen die in leven is.

Brad Zellar Till the Wheels Fall Off Recensie

Till the Wheels Fall Off

  • Schrijver: Brad Zellar (Verenigde Staten)
  • Soort boek: Amerikaanse roman
  • Taal: Engels
  • Uitgever: Coffee House Press
  • Verschijnt: 12 juli 2022
  • Omvang: 328 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Boek bestellen bij: Amazon / Bol

Flaptekst van de roman van Brad Zellar

From roller rinks and record players to coin-operated condom dispensers and small-town mobsters, Till the Wheels Fall Off is a novel about an unconventional childhood among the pleasures and privations of the pre-digital era.

It’s the late 1980s, and Matthew Carnap is awake most nights, afflicted by a potent combination of insomnia and undiagnosed ADHD. Sometimes he gazes out his bedroom window into the dark; sometimes he wanders the streets of his small southern Minnesota town. But more often than not, he crosses the hall into his stepfather Russ’s roller rink to spend the sleepless hours lost in music. Russ’s record collection is as eclectic as it is extensive, and he and Matthew bond over discovering new tunes and spinning perfect skate mixes. Then Matthew’s mother divorces Russ; they move; the roller rink closes; the twenty-first century arrives. Years later, an isolated, restless Matthew moves back to his hometown. From an unusual apartment in the pressbox of the high school football stadium, he searches his memories, looking for something that might reconnect him with Russ.

With humor and empathy, Brad Zellar (House of Coates) returns with a discursive, lo-fi novel about rural Midwestern life, nostalgia, neurodiversity, masculinity, and family—with a built-in soundtrack.

Bijpassende boeken en informatie

Annemarie Estor – Nanopaarden megasteden

Annemarie Estor Nanopaarden megasteden recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe dichtbundel. Op 26 oktober 2022 verschijnt bij uitgeverij Wereldbibliotheek het boek met nieuwe gedichten van Annemarie Estor.

Annemarie Estor Nanopaarden megasteden recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van de dichtbundel Nanopaarden megasteden. Het boek is geschreven door Annemarie Estor. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud het nieuwe boek met gedichten van Annemarie Estor.

Recensie van Tim Donker

Dat het draafde, was wat ik dacht. Dat het hoger draafde. Weer zo één, was wat ik dacht. Weer zo één die maar meteen gans de aarde in woorden vatten wil. De Oldowan en de Awen en de An sunnan satta selitha sina. Een dichter uit Wales, een kloof in Tanzania, een Oudnederfrankische psalm, ja hoor. En dan zijn de paginanummers nog eens een keer van die pretentieuze romeinse sijfers ook. Weer zo één die op elke bladzijde met nadruk moet laten blijken dat waj niet fan de straat is. Is wat ik dacht, toen ik ja mompelde en zuchtte en deze bundel terzijde smeet. En dat is ook waar de bundel bleef: terzijde. Wekenlang. Tot ik hem weer oppakte. Een even kleine als zinloze reorganisatie van mijn recenseertafel (feitelijk een secretaire) had de bundel weer bovenaan de stapel gebracht en ik had hum gezegd en door mijn baard geraspt (want het was donderdag en scheerdag is vrijdag), en gedacht dat poëzie altijd vele kansen verdient, en dat de titel bovendien niet onaardig is, en de kansen van poëzie zijn oneindig. Dus ik open weer, ik heropen, ik zit weer, ik ga weer zitten en lees verder bij Zelfontsnapper. Want daar stak de boekenlegger uit. Had klaarblijkelijk maar drie gedichten gelezen toen ik terzijde smeet. En watdoetjijweten? Zelfontsnapper is voorwaar lang niet slecht. Geen idee waar we zijn maar ik meen te mogen vaststellen dat het niet Wales of Tanzania of Oudnederfrankië is. Weet ook niet zo heel erg goed waar het over gaat maar het wemelt in dat Zelfontsnapper wel van de verleidelijke, fantastiese, geweldige prachtzinnen. “Nog nooit hadden we een lijk gekust. // We vochten. / We bewapenden hele bataljons strontvliegen / met liefde en tuberculose.” is hoe het opent en zeg nou zelf: je zult menige bibliotheek moeten doorploegen om een gedicht te vinden dat mojer opent dan dit. Of misschien niet menige bibliotheek maar toch wel menige boekenkast. Of misschien niet menige boekenkast maar toch wel menige boekenplank. Of. Naja. Het is een sterke opener, laat ik het daar op houden. En ik was weer wakker, en ik was mee, en ik las door. “Het leven was een eindeloos schadeformulier”, lees ik even verderop, en: “We waren blind geworden voor winkels. / Hebben en geld diende nergens meer toe. / Nu we geen winperextensions meer wilden, / specialiseerden we ons in zelfontsnapping. // Nu pas sliep de hommel / in de paarse artisjokkenbloem. // De hommel was dronkener in dieperslaap daar / dan in weer zo’n loft / van een gladjakker in een witte Opel Insignia.”, en: “We kochten een ruïne. / Althans, we soort van kochten een ruïne. // Een hut om in te schuilen. / Tegen woorden. / Tegen concepten. / Tegen het woord ‘conceptueel’.”, en dan ook weer het einde: “Ooit hadden we tuberculose / en lief / en verachtten we / de dood in de bergen.”, en ik is wow (al had ik misschien een fraksie liever gezien: Hebben en geld dienden nergens meer toe), en ik is plat op de grond, liggend, bijkomen van zoveel schoonheid. Dit voel ik wel. Ja deze taal voel ik branden. En wat is poëzie anders dan een poging de taal tot ontbranding te brengen.

En dan begint het stilaan, of anders met een knal. Ik laat me meevoeren door Estor, op dwaaltocht, langsheen uithoeken, verten, het nimmer geziene. Of dat nu hier is, of daar, of elders (kan het nooit goed aanschouwde nabije immers niet evenzeer als uithoek gelden?). Als spinnendraden blijven in haar vrijwel steeds door slagschaduwen verdeemsterde poëzie zinnen aan mijn gelaat kleven. Zinnen en beelden. Mensen die overgojen met harde schijven bijvoorbeeld. Een koning die met vleesmessen een aan hun oren aan waslijnen opgehangen koor van konijnen staat te dirigeren. Een rat die een maf liedje zingt: “Koop is om / Be is dorven / Eer lik on / Ver komt het valst (herh. ad infinit., smorz.)”. Of de idee dat we allemaal wolken zullen zijn: “We zullen allemaal wolken worden, / paspoortloos drijvend over de aarde / paspoortloos rondjes drijvend om de aarde / regenend op wie we maar willen.” – stel je voor dat je boven gaat (want laat & naar bed moet je ook eens) en dat je in de badkamerspiegel kijkt en je ziet dat allemaal aan je gelaat kleven (waarom gelaat waarom niet gezicht), dan weet je dat je iets goeds hebt gelezen. En als je weet dat je iets goeds hebt gelezen dan weet je dat je iets goeds hebt gedronken. En als je weet dat je iets goeds hebt gedronken is het alvast geen verloren dag geweest.

Estor slaat bodems weg, zaait twijfel. Twijfel groeit immers het best op weggeslagen bodems. Ik weet niet meer wat het zijn is van het zijnde dat het karakter heeft van het erzijn, ik ken onder niet meer uit boven, en ik weet ook niet meer hoe laat het is. Maar het meest trek ik nog in twijfel hoe benoembaar alles is. Deze teksten hier in die Nanopaarden megasteden, hoe zou je die noemen? Het omslag houdt het op “gedichten”. Maar je kunt evengoed spreken van eindetijdsverhalen, ontstaansmythen, ontspoord dagboekproza, tot woorden gestolde dreampop (of dark ambient of coldwave of free jazz voor die materie), parabels, omleidingen, berichten om bestwil, parasociaal surrealisme, lucide sprookjes, sardoniese reisverslagen of een verzameling pilromans. Alles beweegt, niets staat stil, een mij iets te gezwollen zin als “De grendel ging / op de achterdeur van de tijd.” kan gevolgd worden door transludieke bemerkingen als: “Ik was de planning vergeten, / de pagina’s met meetuitslagen, / de geheugenkaarten, / mijn oplaadsnoer / en mijn verzameling / van de meest wiskundige partituren van Bach. // Ik had het dakraam open laten staan. // De complottheorieën, / de farmaceutische industrie, / de toeslagenaffaire, / het institutioneel racisme, / kometen, fruitvliegjes, alles, / ja echt alles / kon zomaar binnen komen vallen. // Op het bureau had ik gewoon / de mythen en de satire laten liggen / vlak naast een kilo jarig gehakt. // Maar vooral was ik vergeten mee te nemen, / nog vruchtbaarder dan mijn urine: / mijn weemoed.”

Ik bracht in deze bespreking, op subtiele en minder subtiele wijze, Nanopaarden en megasteden al een aantal keer in verband met het werk van Gust Gils. Dat soort van Zuid-Amerikaanse Vlaamsheid bezit bijvoorbeeld ook een zin als “Wie om het laatst in zijn graf ligt / draagt de goudste tanden.”, maar bij “Ze nam zich voor: Vanavond / om 24 minuten, 4 seconden, / en 36 milliseconden over 8, / zal ik / voor het eerst van mijn leven / de realiteit binnentreden./ Dan ga ik door zijn vliegengordijn, / bestijg ik zijn gekromde trap / en laat ik mij verblinden / door wat daar maar staat.” moest ik dan weer sterk denken aan het fantastiese My shit and my love van Walasse Ting denken (leeft Walasse Ting nog eigenlijk?) (zoiets is tegenwoordig natuurlijk gemakkelijk genoeg uit te zoeken met de wiki en de pedia en de google en de internet maar ik laat de vraag liever in de lucht hangen) (zolang de vragen nog in de lucht hangen leven we nog) (feitelijk een kunstschilder geloof ik, die Ting) (wel zag ik ooit dat eigenste My shit and my love op een veilingsite aangeboden worden voor honderddrieënveertig dollar, wil je wel geloven dat ik mijn eigen exemplaar vele jaren geleden uit de kringloop viste voor weinig meer dan een paar senten?).

Doch stuk, waarlijk stuk, ging ik op een gedicht (tekst?) (verschuiving?) (entiteit?) (rorschachtest?) met als titel Ziener, zapper, haruspex. De ongemene rijkdom van de woordkunstenarij daarin had niet misstaan in de Operaties-trilogie van Jacq Firmin Vogelaar. Ow. Hoorde je wat ik zei, Estor? De Operaties-trilogie. Dus. Kaleidiafragmenten en Raadsels van het rund en Alle vlees. Deze drie boeken mogen tot het beste gerekend worden dat de hele Nederlandse literatuurgeschiedenis heeft opgeleverd en zijn sowieso de allermooiste die Vogelaar ooit schreef. Helaas zijn het ook meteen de allerlaatste moje boeken die hij ooit schreef: direkt maar dan ook echt direkt na Alle vlees was er ineens geen ene donder meer aan. Alsof hij met de Operaties-trilogie het beste uit zichzelf had weggeschreven en er een lege huls in de vorm van een saje, fantasieloze sufbubbel was overgebleven. Maar daar gaat het nu niet over, het gaat over Nanopaarden megasteden en mijn stukheid, echt stuk dus en zo was ik: vol basten en kieren en gaten, maximaal open: zo was ik, zo las ik. En steeds opnieuw deden de woorden me sentimeters boven het vloeroppervlak zweven.

(en wat is met dat My junkyard sweetheart? Dat een liedje van Pavilion zou moeten zijn? Ik heb gezocht en op al mijn schermen geeft de titel alvast geen raak terwijl die bandnaam daarentegen weer zo algemeen is dat ik na weken zwemmen in de zoekresultaten nog niks gevonden zou hebben. Maar ik wil weten, ik is muziekverslaafde, god wat hou ik van muziek, had die Estor niet wat meer kunnen geven, niet een plaattitel, een label, de naam van de zanger? Of past dit langs de andere kant bezien juist naadloos in haar schrijven: altijd maar sturen met kluitjes in het riet of een wilde ganzenjacht of zoeken naar het onvindbare, altijd maar onoplosbare speurtochten uitzetten, altijd maar de lezer uit zichzelf trekken) (ik ga ervan uit dat het niet de Pavilion is van Tales of the south, een eepeetje waar een liedje op staat dat niet My junkyard sweetheart heet maar Junkyard sweetheart, een liedje dat best mooi is maar zeer zeker niet de pot met goud die je hoopt te vinden aan het eind van een zoektocht die toch ruim… uhm… twee minuten duurde) (maar van iemand die partituren van Bach spaart kun je alles verwachten).

Wel. Deze dag was een andere dag. Deze dag was een andere dag dan de vorige dag, toen ik thuis kwam met een bos bleekselder in mijn hand en ze verdomme nog steeds voor het raam stond te grijnzen (met heur moddervette harses). Deze dag hield een fluwelen mist mijn huis in een zachte omhelzing. Deze dag begon met McCoy Tyner en ging naadloos over in Jarboe (en wat een bloed- en bloedmoje seedee is The cut of the warrior eigenlijk) en aldurtijd was de koffie warm en geurig en verfijnd. Deze dag stroomde de taal vrijelijk. Deze dag dankte ik mijn vier muren voor de fantastiese leeservaring die Nanopaarden megasteden geweest was. Deze dag was gezegend met de genialiteit van Annemarie Estor.


Annemarie Estor Nanopaarden megasteden Recensie

Nanopaarden megasteden

  • Schrijfster: Annemarie Estor (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Wereldbibliotheek
  • Verschijnt: 26 oktober 2022
  • Omvang; 72 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 22,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de nieuwe dichtbundel van Annemarie Estor

Van de winnaar van de Herman de Coninckprijs en de Jan Campertprijs!

Al met al hebben we het goed voor elkaar. Toch? Onze wereld is compleet in kaart gebracht, getemd en vormgegeven. We lijken aan alles te hebben gedacht, maar in Nanopaarden megasteden vraagt Annemarie Estor zich af hoeveel we onderweg zijn vergeten en verloren. Weten we bijvoorbeeld nog wel dat onze kennis ooit als verwondering is begonnen? Of dat er sinds het begin van het bestaan überhaupt tijd is verstreken? Estor neemt de lezer mee naar plekken waar we liever niet meer komen en gaat de strijd aan met het idee dat alles beredeneerbaar is. Zo ontstaat een wonderlijk beeld van een wereld die we dachten te kennen.

Annemarie Estor (24 april 1973) is dichter en essayist. Ze is gepromoveerd cultuurwetenschapper. Eerder verschenen van haar bij Wereldbibliotheek Vuurdoorn me (2010, bekroond met Herman de Coninckprijs voor het beste debuut), De oksels van de bok (2012, Herman de Coninckprijs voor de beste dichtbundel 2013), Dit is geen theater meer (2015, nominatie Pernathprijs), Niemandslandnacht  (2018, bekroond met de Jan Campert-prijs); en het beeldverhaal Hauser (2013) met dichteres en beeldend kunstenares Lies Van Gasse.

Bijpassende boeken en informatie

Cormac McCarthy – De passagier

Cormac McCarthy De passagier recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe Amerikaanse roman. Op 25 oktober 2022 verschijnt de Nederlandse vertaling van The Passenger, de nieuwe roman van de Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy. In december verschijnt een tweede nieuwe roman van de Amerikaanse schrijver die als titel Stella Maris heeft gekregen.

Cormac McCarthy De passagier recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op de pagina de recensie en waardering vinden van de roman De passagier. Het boek is geschreven door Cormac McCarthy. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van dit nieuwe roman van de Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy.

Recensie van Tim Donker

Ai. Daar had McCarthy me even op het verkeerde been zeg. Ik weet niet waarom, maar ik dacht dat hij een schrijver van spionagethrillers was. Met duikboten enzo, en gasten met een Duits aksent. Het slag boeken dat na de eerste druk al snel een zoveelste druk in pocketvorm beleeft. Pockets die dan in zo’n molen worden gezet. Je weet wel. Zo’n molen. Die bij de kassa staat. De kassa van de drogisterij. Je koopt een zonnebril en een flesje antimuggenspray en je staat in de rij en je kijkt in die molen en je ziet een pocket en het is een spionagethriller, iets met duikboten en gasten met een Duits aksent en je denk Hee die pik ik even fijntjes mee. Lekker lezen aan de rand van het zwembad van het all-in resort in Turkije. Ik zeg u één ding. Neem deze goede raad van mij aan. Nee, ik bedoel als je ooit iets van mij aanneemt dan dit. Er zijn mensen die nooit lezen, helemaal goed. Kunnen fantastiese vrienden zijn, die mensen. Prettige gesprekspartners. Misschien kunnen ze goed koken of ze zetten heerlijke koffie. Weetikveel. Er zijn ook mensen die zich helemaal lijp lezen. Snuiven zich door alle boeken. Die nog lezen zelfs al lezen zij niet. Helemaal goed, zullen misschien nog wel betere vrienden zijn. Lenen je al eens een boek uit, of doen je een goede tip aan de hand. Alles goed. Maar mocht u iemand kennen die alleen op vakantie leest, verbreek dan onmiddellijk elk kontakt. Er is geen mens te bedenken waarvan ik een ergere afkeer heb dan de mens die alleen op vakantie leest. Want gedurende het jaar hebben ze het er te druk voor ofzo. Bedenk u. Bedenk u dit. Deze mensen werken niet 24 uur per dag. Deze mensen eten ook, en ze slapen, en ze gaan naar de winkel en tussen al die aktiviteiten door genieten zij ook zomwijlen van wat zij zo domweg “vrije tijd” noemen (in de avond misschien). Ow. Dan kijken zij zeker liever tv? Een leuke serie op Netflix? Goed. Moet je vooral doen. Maar wees dan gewoon een voltijdse niet-lezer. Ook op vakantie. Met dat hypocriete gezeik. Geen tijd. Je houdt van boeken of niet. Hoe kun je geen tijd hebben om niet te houden. Te houden van. Je stomme molenboeken.

Want daar had ik het over. Over Cormac McCarthy als schrijver van spionagethrillers, pockets die eindigen in de molen bij de kassa van de drogist. Dat hij me op dat been gezet had, ik weet niet waarom, ik verwarde hem misschien met een andere McCarthy.

Hoewel. Ik zeg wel “even”. En ik zeg wel “verkeerde been”. Maar verdomd, er komt zowaar wat spionage voor in De passagier. En harde, Charles Bronson-achtige kerels. En intriges of hoe heet dat. En al komen er geen duikboten in voor, gedoken wordt er wel. Maar toch schat ik De passagier niet in op een molenboek, en niet alleen omdat het daar veel te dik voor zou zijn (het past niet in de molen) (er komt trouwens ook nog een molen voor in De passagier). Ook te bizar. Te bizar voor de molen. Te bizar voor de gemiddelde molenboekenlezer.

De passagier is in geen enkele categorie onder te brengen. Het is spannend, ja het is doordesemt van spanning, onheimelijkheid, dreiging, duisternis. De passage waarin de hoofdpersoon alleen is op een nogal absurd booreiland is bloedstollend angstaanjagend. Maar ondanks dat De passagier spannend is, is het geen spannend boek. Als u mij volgt. Het boek is te grillig voor een spannend boek (maar misschien is het alleen maar mijn vooroordeel dat “het spannende boek” doorgaans een zekere eenduidigheid heeft).

Goed. Neem de hoofdpersoon. Bobby Western. Hoogst curieus tiep. Studeerde natuurkunde. Brak die studie af, ging autoracen. Was musicus. Is nu diepzeeduiker. Niet meteen een frekwent voorkomend carrièreverloop. Heeft een zus, een geniaal wiskundige. Helaas ook schizofreen. Zus en Bobby koesteren een innige liefde voor elkaar, een beetje te innig voor een broer en een zus. In de wereld van zus komen vreemde wezens voor. In de wereld van Bobby voornamelijk harde kerels. Om mee te praten. Dialogen. Veel dialogen. Gesprekken over Vietnam, racewagens, vrouwen, drank. Zulke kerels zijn het. Maar evengoed kan een bladzijden- en bladzijdenlang gesprek gaan over de s-matrixtheorie, fotonen, bosonen en quarks; three quarks for Mustar Mark; zo’n gesprek laat McCarthy zonder enige gêne gewoon dertien pagina’s duren; al die natuurkundige praat waarvan de gemiddelde lezer alleen maar een vaag vermoeden zal hebben, of gesprekken over de zin en reikwijdte van wis- en natuurkunde of van wetenschap in haar totaliteit; filosofiese gesprekken, absurde gesprekken. In barren. In restaurants. Verrassend veel eetscènes in De passagier. Veel drinkscènes ook. Maar dat verrast allicht minder. Het rithme van de dialogen deed mij een weinig denken aan A Naked Singularity van Sergio de la Pava (wat een fantasties boek dat ook is trouwens) (ik ben er al jaren in bezig maar sedert het bij mijn verhuis weer onder mijn aandacht is geraakt lees ik er weer wat geregelder in) (maar de laatste maanden is de stapel op mijn recenseertafel (feitelijk een secretaire) zo hoog dat het lezen in mijn privécollectie een beetje voelt als spijbelen) (meestal spijbel ik als ik boven op de weesee zit) (laatst spijbelde ik een keer in bad) maar met de dialogen in De passagier is nog iets anders aan de hand. Aanhalingstekens ontbreken bijvoorbeeld, maar ook het obligate “zei die en die”. Omdat dialogen rap kunnen gaan en als gezegd ook lang kunnen duren, weet je bij vlagen niet meer goed wie wat zegt. Als lezer ben je soms verloren.

Als lezer ben je vaak verloren. Met die verlorenheid speelt McCarthy, en dat doet hij briljant. Briljant. Ik heb de neiging briljant te kapitaliseren, vet en onderstreept. Iets als dit BRILJANT. Ik kende Cormac McCarthy niet (want ik dacht dat hij van die molenboeken was, weet u nog) maar djiezus wat een ongekend plezante kennismaking is dit geweest zeg. De pagina’s smolten gewoon doorheen mijn vingers. McCarthy schrijft geen spannend boek, en ook geen spionagethriller. Omdat hij niet de wetten van fictie volgt. Wie veel leest, of voor mijn part geregeld al eens een film kijkt, kan meestal na enkele tientallen pagina’s wel zo’n beetje inschatten waar het heen gaat. Of in ieder geval waar hij met dit boek aan toe zal zijn. Dat het waarschijnlijk toch wéér de butler gaat zijn die het gedaan heeft, dat de hoofdpersoon uit de gevangenis zal ontsnappen, dat personages met een nadrukkelijke hekel aan elkaar meest waarschijnlijk in elkanders armen eindigen gaan. De passagier volgt geen enkele wet. Cormac McCarthy pleurt zijn lezers ergens in de oceaan (om bij het diepzeeduikthema te blijven) en vanaf daar moeten zij zichzelf maar zien te redden. Je weet op geen enkel moment wat er op de volgende pagina gebeuren kan. Sterker nog: je weet meer dan eens niet goed wat er nu eigenlijk aan de hand is. McCarthy geeft de lezer zo weinig informatie dat je er een beetje paranoïde van wordt. Wat wordt er hier voor me achtergehouden? Personages worden nauwelijks geïntroduceerd, en er trekt nogal een bonte stoet aan markante personages voorbij. Soms kun je alleen maar vermoeden wie iemand is (zal wel een collega van Western zijn). Maar McCarthy leidt sowieso niks in. Ineens zit je in een flashback, zomaar ineens, net zaten ze nog in de kroeg, verrek ze zaten toch in de kroeg, wat is met die racewagens ineens dan? Of in iemands hallucinatie. Soms ben je zonder dat je het wist in een andere stad, in een andere staat, in een ander land. De passagier lezen is zoiets als op een dag gekatapulteerd worden in het leven van iemand anders, iemand met een turbulent leven, en je hebt geen enkele informatie, en iedereen doet tegen je of jij die ander bent en alsof alles maar bekend voor je is, niemand legt iets uit, je moet zelf maar de stukjes bij de beetjes leggen. En alles is duister, alles is groezelig, alles doet ontheemd voelen, ow, sferisch is McCarthy sterk, ijzersterk. Hoe hij dat toch doet. Al die schoonheid, al die pracht, en toch vrees je ellende om elke andere hoek. De passagier spande mijn zenuwen tot het uiterste, en dan draait McCarthy ze nog iets strakker en ik dacht ze bijna te horen springen.

(nou hielp de muziek ook niet mee, ik draaide eerst iets onrustbarends van Can (ik heb het Damo Suzuki nooit helemaal kunnen vergeven dat hij heeft meegespeeld in Hair, jij?) (wie speelt er nu godsamme mee in welke musical dan ook) (musicals zijn het verwerpelijkste dat de entertainmentindustrie heeft opgeleverd) (en dat wil wat zeggen) en daarna iets zelfs-nog-onrustbarenders van Unbehagen, iets rustigs, ja iets zalvends heb ik nodig, Amplifier Machine welja Amplifier Machine waarom dacht ik niet veel eerder aan Amplifier Machine?)

En ik zit hier en dacht te zullen schrijven dat De passagier een tiepies mannenboek is. Maar mogen zulke termen nog wel tegenwoordig? Is vast niet erg woke. Een tiepiese man, wie is er nog een tiepiese man, ik ben zelf de minst tiepiese man die je ooit zag (kom zelf kijken). Maar ik weet de tijd voor het wokeïsme nog wel. Ik weet de trein nog wel. Wanneer kwam Elementaire deeltjes uit? 1998? 1999? Ik liep toen stage bij Roodkoper. Oosterhuis en de zijnen hadden me henen gezonden. Naar de Vers voor de Pers-dag. Bestaat dat nog, Vers voor de Pers? Zal haast wel niet. Bij Roodkoper zullen ze blij zijn geweest eindelijk eens een stagiair te kunnen sturen op dat soort rotklusjes. Doch ik vond het fantasties. Daar rond te lopen als afgezant van een blad, een heus blad, een echt bestaand blad, tussen journalisten, uitgevers en een okkasjonele schrijver. Ik groette iemand die ik dacht te kennen. Hij groette niet terug maar keek me wel aan, lang en indringend, en enigszins spottend. Ik nam een prospectus van haast elke uitgeverij mee (want wist ik eigenlijk veel wat nu tiepiese boeken gingen zijn voor Roodkoper om te bespreken?) en navigeerde de helft van de tijd op mijn eigen voorkeuren. Stond lang stil bij het kraampje van Nijgh en Van Ditmar. In die tijd uitgever van het werk van JHM Berckmans, en van het Uur van lood, en in een verder verlee hadden ze dat prachtige Nieuwe Nijgh Boeken-reeksje gehad. Met dat alles was Nijgh en Van Ditmar verantwoordelijk voor een substantieel deel van mijn toen nog zeer bescheiden bibliotheekje dus ik bestudeerde hun komende uitgaven nauwgezet. Zo nauwgezet, klaarblijkelijk, dat Vic van der Rijt me uiteindelijk aansprak. Er ontstond een geanimeerd gesprek, Van Der Rijt is vermoedelijk de aardigste mens ter wereld. Toen ik Berckmans ter sprake bracht geraakte hij bijkans buiten zichzelf van enthousiasme. Er stond niks nieuws van Berckmans op stapel, zei hij, maar hij ging me wel kunnen helpen mijn Berckmans-collectie aan te zuiveren, hij zou eens kijken in het magazijn, ik moest hem maar eens mailen. Hij gaf me zijn kaartje en ik mailde hem des anderendaags een lijst van alle Berckmans-titels die ik nog zocht (dat was destijds ongeveer 2/3 deel van zijn oeuvre). Na lange tijd liet Van Der Rijt Harold Polis me één boek toesturen. Eén. Ik geloof dat het Vergeet niet wat de zevenslaper zei was.

Bij het kraampje van De Arbeiderspers werd ik toch zeker weer aangesproken. Ik wist niet wie die man was, een lector, een redacteur, een waarnemer, de directeur zelf misschien? Wel leek hij me meer biertjes op te hebben dan ik. Maar dat waren er dan ook maar nul. Hij drukte me een recensie-exemplaar van Elementaire deeltjes in handen. Dit moet je lezen, zei hij. Een hele reeks superlatieven verliet zijn mond. Ik doorbladerde wat, probeerde het achterplat te lezen. Wat me slecht afging, omdat de man maar kreten bleef slaken. Het is wel een echt mannenboek!, zei hij. Dan scheelt het alvast dat ik er één ben, mompelde ik, en liep door, met dat boek in mijn hand. Later, in de trein, midst stapels folders, schuin aangekeken door mijn medetreinreizigers, viel het me in dat die man, die man die ik gegroet had omdat ik hem meende te kennen, dat dat Midas Dekkers geweest was.

In die dagen, 1998 of 1999, was nog helemaal niemand woke maar ik zal lange tenen omzeilen door te zeggen dat De passagier in ieder geval niet is voor mensen met zwakke zenuwen (waarmee ik niet suggereren probeer dat vrouwen zwakkere zenuwen zouden hebben dan mannen). Het is hard, ruw, bonkig, duister, dreigend, huiveringwekkend, kafkaesk, hallucinant, surrealisties, nachtmerrie-achtig, dystopies, onvoorspelbaar, desolaat, ontroerend, ongrijpbaar, filosofies, poëties en bloedmooi.

Soms dacht ik dat sommige dingen niet hadden gehoeven. Een weeral bladzijdenlang gesprek over de moord op Kennedy bijvoorbeeld. Zou de moord op Kennedy wereldwijd gezien niet het meest uitgekauwde thema allertijden kunnen zijn? Of dat laatste hoofdstuk. Dat maf is. Ja heel dat boek is maf maar dat laatste hoofdstuk is nog wel wat maffer. Fietst hij nou echt van een plaats nabij Murcia naar een heuvel nabij Barcelona? Is hij op een eiland? Gaat er een veerboot naar Ibiza? Wie is die man die hij tegenkomt bij een processie? Wil ik me nog wel zoveel vragen moeten stellen op het eind van een boek? Maar dan weer. Zonder dat laatste hoofdstuk had ik misschien wel de mooiste zin uit het boek moeten missen. “Geloof in zichzelf als een man in een land in oorlog voor een zaak die rechtvaardig was voor de mensen van wie hij hield en de vaders van die mensen en hun poëzie en hun pijn en hun God”. Ah. Die zin had ik niet willen missen. Nee. Niets uit De passagier had ik willen missen.


Cormac McCarthy De passagier Recensie

De passagier

  • Schrijver: Cormac McCarthy (Verenigde Staten)
  • Soort boek: Amerikaanse roman
  • Origineel: The Passenger (2022)
  • Nederlandse vertaling: Arjaan en Thijs van Nimwegen
  • Uitgever: De Arbeiderspers
  • Verschijnt: 25 oktober 2022
  • Omvang: 384 pagina’s
  • Uitgave: gebonden boek / ebook
  • Prijs; € 24,99 / € 15,99
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol

Flaptekst van de nieuwe roman van Cormac McCarthy

1980, Pass Christian, Mississippi. Reddingduiker Bobby Western – gekweld door verlies, bang voor de diepte van de oceaan en verlangend naar een dood die hij niet met God kan verzoenen – is getuige van intriges die hem alleen maar schade berokkenen. Hij wordt fysiek achtervolgd door mannen met insignes, en mentaal door de geest van zijn vader en door zijn zus: de liefde van zijn leven én de verwoester van zijn ziel.

De passagier reist door het zuiden van Amerika, van de praatzieke kroegen van New Orleans tot een verlaten booreiland voor de kust van Florida.

Cormac McCarthy Stella Maris RecensieCormac McCarthy (Verenigde Staten) – Stella Maris
Amerikaanse roman
Uitgever: De Arbeiderspers
Verschijnt: 6 december 2022

Bijpassende boeken en informatie

Eva Gerlach – Hier

Eva Gerlach Hier recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe dichtbundel. Op 11 oktober 2022 verschijnt bij uitgeverij De Arbeiderspers de bundel met nieuwe gedichten van de Nederlandse dichteres Eva Gerlach.

Eva Gerlach Hier recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van de dichtbundel Hier. Het boek is geschreven door Eva Gerlach. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud de boek met nieuwe gedichten van dichteres Eva Gerlach.

Recensie van Tim Donker

Dat ze zaten te eten en dat de dingen hen langzaamaan weer in genade aannamen was wat ik onthouden had. Het had iets kunnen zijn uit de verhalen van eekhoorn en mier, al was het dan waarschijnlijk in minder gezwollen taal gezegd. Dat je tussen het eten en de dingen misschien pas echt hier bent, welk hier, elk hier. Losse bedrading zo heette dat. Had ik het niet eens gevonden in de kringloopwinkel, ik weet het niet, tweedehands alleszins, lang geleden, in ergens een daar. Misschien kende ik Eva Gerlach toen nauwelijks. Een beetje van naam. Ook de naam van mijn lievelingszus (die voornaam althans, mijn lievelingszus heeft verder gewoon mijn achternaam). Zo’n naam blijft. Zo’n boek pak je wel op. Zo’n boek koop je. Op een dag in een tijdperk dat je nog tweedehands boeken kon kopen, ergens, daar, nooit hier.

Hier. Dat is eigenlijk nergens. Er is altijd veel meer daar dan hier. Iemands hier is voor heel veel anderen al snel een daar. Jouw daare hierheid is niet hier. De fantasie dat een daar jouw hier zou kunnen zijn. Het hier van een ander ook jouw hier. Vanuit de trein misschien. Een wijk die je ziet, en je afvragen hoe het zou zijn om daar te wonen, alle dagen daar thuis te komen, daar te zitten, tussen die muren en dat dat dan je hier is. Of gewoon zo maar. Een dorp op de kaart. Renkum misschien.

Een daar beleef je anders dan het hier, zelfs als dat daar tijdelijk je hier is. Op vakantie zijn, of op bezoek. Hoe je even een daar als een hier kunt zien, maar hoe het dan toch een daar blijft. Je moet immers vragen wanneer de visboer er staat, en tegenover welke supermarkt eigenlijk. Misschien is het dat met het hier. Hier behoeft geen vragen. Hier is waar de dingen je langzaamaan weer in genade aannemen.

Of toch. Het hier van Meindert, de hoofdpersoon van het gelijknamige openingsgedicht in Hier -de dichtbundel van Eva Gerlach waarover ik hier moeizaam mijn gedachten probeer bijeen te schrapen- is het hospitaal waar hij, Meindert (“Meindert was iemand vroeger hij leerde de mensen.”), langzaamaan onttakelt wordt, tot er niets meer is. Alleen nog maar de dingen, die ellendige dingen weer, die altijd ja. “In zijn kamer zie je // de naalden gevouwen nachthemd afgehaald bed / op de wasbak 1 lege ampul OxyNorm in de emmer / 1 bijsluiter Mitomycine 3 TENA Men 4”. Want dat is een ander ding met hier. Het hier kan genadeloos illusieloos zijn. Het hier is lichaam, je lichaam is nooit daar. Dat maakt hier onontkoombaarder dan daar. Daar, dat kan nog alles zijn. Totdat daar hier is.

Waarmee niet gezegd wil zijn dat hier alles duidelijk is. Hier is waar je bent, en daarstraks was je nog daar. Ik las Hier enige weken geleden, toen ik op vakantie was in het noorden van Limburg. Dat was toen hier, maar is nu weer daar. Toen ik las, een bos vlak achter het raam waarvoor ik zat, hield ik vooral van de manier waarop Hier voedsel geeft aan. Ruimte laat voor. In de ruimtes tussen het variabele hier zweeft. Poëzie die kieren laat waardoorheen gekeken kan worden. Dat is mooi, woorden zijn mooi maar de ruimte tussen woorden is ook mooi. Poëzie die zoekt, niet perse zoekt te vinden. Poëzie die dwaalt, niet perse aankomt. Poëzie die herijkt. Herademt. Herhaalt. Herneemt. Herdenkt. Herziet. Herschrijft. Hervindt. Hernieuwt. Hertrouwt. Herbouwt. Herformuleert. Herkrijgt. Herkanst. Herroept. Heropent. Herwaardeert. Herenigt. Hervormt. Herleid. Herschept. Herkent. Het regende op de dag dat ik Krista weer zag.

Of dat je voor het raam staat, adem in en uit, het gordijn beweegt zachtjes in een ongedefiniëerde luchtstroom. Of de zee misschien. Of dat het later wordt, en hoe het licht dan valt. Of je pocheert een ei, en ergens in huis valt iets om. Of jeuk op onbereikbare plekken. Of het eerste water van de dag. Dat de einder ergens moet beginnen. Dat één leven het laatste moet zijn. Zulke dingen.

Nee. Wat zei ik? Hier kan nog alles zijn. Hier stelt onophoudelijk vragen. Hier nemen de dingen je nooit meer in genade aan. In dit hier werpt elke schaduw een duister, het hier is altijd maar tijdelijk, het hier heb je nooit voorgoed: “Als je uit me vandaan springt kijk ik”, heet het dan, of: “We denken dat we het zien […] [m]aar we doen onze ogen open / en er is zwart”, of: “om hier niet te zijn liepen we / daarheen”; “ik lig / hier, ik die daar moet zijn”; “leen me je oplichterij je gescharrel je vleesmes” – is er altijd een daar dat een hier had moeten zijn, een Ene die beter de Ander was geweest, het onkenbare dat met het kenbare werd verward? Of gaat het hier alleen maar over de (on)mogelijkheid over je eigen schaduw te springen?

Het ultiemste daar zou de maan zijn. Waarlijk gelukkig zijn op de maan, en “veertjelicht zo”.

Misschien is dat dan het verschil tussen hier en daar? Kan het gewogen worden in het gewicht van ellende? Of dood? Of afbraak? Meinderts aftakeling? Het gewicht van ellende als het hier is, en niet daar. Als het huis uit Huis jouw huis: “In de kelder bewoog iedereen”; “In ons dorp stond geen huis meer recht op”; “Bont en blauw kort / en klein hier en nooit meer / verschil”. En “[a]ls ze komen en ze vinden je dwingen ze je / je kleren uit te trekken en ze Vernederen je / zei iedereen die kwam groeten maar ik blijf hier. // Als ze komen kruip ik in mijn bed waar niemand me ziet / ik maak mezelf klein ik verstop me onder de dekens // en ik huil en ik schreeuw maar ik maak geen enkel geluid.” (hoe erg hier zo’n hier is als het jouw hier is, als jij die ik bent, niet een ik uit een gedicht of iemand die je ziet op tv)

Je hier is eindeloos veel, eindeloos ver, eindeloos vol. Zo ook deze poëzie (die steeds in beweging is). Dacht ik dat je uiteindelijk misschien niets rest dan je bal oprapen en verder lopen, maar daar eindigt het niet. Althans daar eindigen de woorden niet. Er zijn ook nog aantekeningen (heb je werkelijk Bob Marley nodig om te zeggen dat je niet moet vragen waarom?), en die lees ik -helaas- en ik denk O ging dat over een jongleur dan?

(die associatie had ik er niet direkt bij) (maar ik associeer bijna niets met jongleurs) (maar nu dan toch in dit onvoorzien kielzog) (en hongerkunstenaar en kafka en je moet je leven veranderen in dit onvoorzien kielzog) (zijn associaties in dit onvoorzien kielzog) – zijn

Zijn associaties in dit onvoorzien kielzog.


Eva Gerlach Hier Recensie

Hier

  • Schrijfster: Eva Gerlach (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: De Arbeiderspers
  • Verschijnt: 11 oktober 2022
  • Omvang: 80 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 19,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de nieuwe dichtbundel van Eva Gerlach

Wit bot op het strand
ravenbeksleutel
Ik pak het op
voel het spannen
van vleugels

Hier: waar je bent; waar, hoe, wanneer ook. Schaduw en plaats, vast en los, ziekte, oorlog; aarde, lucht, water en vuur; dood en liefde: een reis om het lichaam in 47 gedichten.

Eva Gerlach (Amsterdam, 9 april 1948) is een van de belangrijkste dichters uit het Nederlandse taalgebied. Zij debuteerde in 1977 in Hollands Maandblad; twee jaar later verscheen haar eerste bundel, Verder geen leed, waarop tot dusver een klein twintigtal andere voor volwassenen en kinderen volgde. Haar werk voor volwassenen werd bekroond met tal van literaire prijzen, waaronder de P.C.Hooftprijs 2000; voor haar eerste jeugdbundel, Hee meneer Eland (1989), ontving zij een Zilveren Griffel en de Nienke van Hichtumprijs. Gerlach publiceerde recent het drieluik Labyrint, dat bestaat uit KluwenOntsnappingen (bekroond met de Awater Poëzieprijs 2016) en Oog (bekroond met de Herman de Coninckprijs 2020).

Bijpassende boeken en informatie