Tagarchief: Tim Donker

Toon Tellegen – God onder de mensen

Toon Tellegen God onder de mensen recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe Nederlandse roman. Op 20 april 2021 verschijnt bij Uitgeverij Querido de nieuwe roman van de Nederlandse schrijver Toon Tellegen.

Toon Tellegen God onder de mensen recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van de roman God onder mensen. Het boek is geschreven door Toon Tellegen. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van de nieuwe roman van de Nederlandse schrijver Toon Tellegen.

Recensie van Tim Donker

Toon Tellegen. Spreek die naam uit als je in een donker hoekje van mijn kamer staat. Noem hem in het park. Fluister hem in de supermarkt als ik naar het juiste merk gezouten roomboter zoek. Schreeuw hem van de daken. Zeg “Toon Tellegen” waar dan ook, en ik zal aan mijn zoon denken.

Mijn zoon. Mijn moje prachtige zeven nee bijna achtjarige zoon. Toen hij een jaar of vijf was, ben ik begonnen hem voor te lezen uit Misschien wisten zij alles. 313 verhalen over de eekhoorn en andere dieren. Elke avond voor het slapen gaan. Twee of drie verhalen per keer. Tenminste dat was steeds het uitgangspunt. Maar altijd bedelt hij er wel een paar verhalen bij. Inmiddels hebben we het boek al een aantal maal helemaal uit gelezen. Dan beginnen we weer opnieuw. Het is grappig om te zien hoe hij in de loop der jaren anders is gaan reageren op wat in essentie dezelfde verhalen zijn. Eerst onderging hij ze vooral. Later stelde hij steeds meer vragen over de verhalen. We hebben heel wat keren zitten mijmeren, denken en filosoferen naar aanleiding van wat hij altijd is blijven noemen de “eekhoorn en mier”-verhalen. Tegenwoordig levert hij vooral kommentaren, bedenkt alternatieve eindes of extrapoleert de gedragingen van de dieren tot in het (nog) absurde(re).

Maar vroeger. Ja vroeger. Vroeger was alles anders natuurlijk. Vroeger had ik nog geen zoon. Vroeger was ik in de twintig. Ik was natuurlijk niet in al het vroeger dat er ooit geweest is in de twintig maar er was een vroeger waarin ik in de twintig was. Het twede millennium liep op zijn einde, en de jaren negentig van de twintigste eeuw waren grofweg halfweg of een beetje verder nog. Grunge was -gode zij dank- een kortstondige rage gebleken. Ik sprak Femke nooit meer, en dat vond ik wel zuur. Ik liep rond op een opleiding waar mensen zich trachtten te bekwamen in het schrijven van uiteenlopende tekstsoorten en met “rondlopen op” was mijn verbintenis met die opleiding wel ruimschoots omschreven. Rondlopen en kijken. Naar mijn medestudenten, Ah!, dacht ik dan, dit is waarschijnlijk het soort mensen dat mijn moeder bedoelde als ze het over wouldbe’s had. De haardrachten, de kledij, de baardjes, die stompzinnige grijnzen op die stompzinnige koppen. Maar vooral dat ongelooflijke gezwets dat ze uit hun botten sloegen om intelligent of interessant over te komen. Soms stond ik stil, en luisterde ik even. Nooit zei ik iets.

Wat in die dagen erg hip was bij deze mensen was zeggen dat je kinderboeken las. Misschien moest je zelfs wel zeggen dat je voornamelijk kinderboeken las, of louter kinderboeken. En altijd weer met datzelfde afgezaagde argument: “want ja die zijn tenminste nog fantasievol” en als je niet oppaste kwam er ook nog een halfbakken filosofietje over de kindergeest achteraan ook. Maar dan was ik meestal al door gelopen.

De naam die bij zulke gesprekken het vaakst viel was Toon Tellegen. Toon Tellegen Toon Tellegen allemaal lazen ze Toon Tellegen. Ik had een hekel aan die man zonder ooit een letter van hem gelezen te hebben. Kun je iemand kennen op grond van zijn publiek? Ja. Nee. Natuurlijk niet. Hum. Weet je – mede daarom ben ik gestopt naar konserten te gaan. Ik wilde het publiek niet zien dat hoorde bij de muziek die ik lief had. Ik wilde me niet afvragen of ik ook dat publiek was. Ik wilde me ook niet afvragen of het publiek wat zei over de muziek en of de muziek dan wat zei over mij. En ook schrijvers hebben een publiek al word je daar doorgaans minder mee geconfronteerd.

Maar met Misschien wisten zij alles. 313 verhalen over de eekhoorn en andere dieren kreeg Toon Tellegen voor mij in één klap het mooiste en liefste en wijste publiek dat een mens zich wensen kan. Als dat publiek niet zeven nee bijna acht jaar geleden ter wereld was gekomen had ik God onder de mensen misschien nooit willen lezen. Dan was Toon Tellegen een naam gebleven die verbonden aan hipsters, aan alto’s, aan wouldbe’s (o en gode moge ik aub niet één van hen zijn). Maar ja. Je kunt een schrijver niet kennen aan zijn publiek hé. Die lieve, absurde, maffe, licht-ontregelende, filosofische, sprookjesachtige, grappige, dromerige, wijze, bedachtzame, bizarre, leuke, rebelse, dwarse, groteske, mysterieuze, fijne, verslavende, kontemplatieve, opruiende, moje, fantastische verhaaltjes in Misschien wisten zij alles. 313 verhalen over de eekhoorn en andere dieren waar een zoon en zijn vader na bijna drie jaar nog altijd geen genoeg van kunnen krijgen die waren toch echt van diezelfde Tellegen wiens naam ik in dat laatste decennium van het vorige millennium niet kon horen zonder onpasselijk te waren. Dus hop doe maar Theo geef maar hier die God onder de mensen.

De toon, toets, kleuring en schrijfstijl in deze korte verhalen over God herken ik direkt uit de “eekhoorn & mier”-verhalen (vertelde ik je al dat mijn zoon ooit zelf een “eekhoorn & mier”-verhaal schreef?), maar er is iets, er zit iets bij of er mist iets. Maar eerst – het onderwerp, de hoofdpersoon: God. Ja God. O God het gaat over God. (zegt August Hans den Boef O God, er is geen God) (zeggen Elsbet De Pauw en Max Urai Voor God held werd, was zij een saaie vrouw in ademnood) (zegt Tom Waits There is no devil, that’s just God when he’s drunk) (zegt Roger Waters What God wants God gets God help us all). Waarom zou een mens schrijven over God? Die vraagt stelt Tellegen zichzelve ook in het voorwoord.

En hij antwoordt ook. Want soms stel je je vragen die je zelf kan beantwoorden. Hij zegt: “Over God heb ik absolute zekerheid en absolute onzekerheid, verder over niets.” En: “Daarom kan ik vrijmoedig over hem schrijven, zonder schroom, zonder wroeging, zonder angst, zonder spot, zonder bitterheid, zonder jaloezie, zonder wrok, zonder vooringenomenheid, zonder terughoudendheid, zonder illusie, zonder sarcasme, zonder rancune, zonder ontzag, zonder mededogen, zonder hoop en zonder zijn naam te misbruiken.”

Dat klinkt niet alsof God onder de mensen (ondertitel: Verhalen en aantekeningen over God, wie hij ook is) een verbeten afrekening is van een ex-gelovige. Of het nietsontziende sarcasme van een atheïst. Maar het klinkt evenmin alsof het hier om een vrome verheerlijking zou gaan (zegt Arnold: bij mannen is het mannelijk, bij vrouwen is het vrouwelijk maar bij de Heere is het heerlijk). Agnostische overpeinzingen, is wat ik dacht te gaan lezen en dat leek me passend voor de schrijver van de veellagige “eekhoorn en mier”-verhalen.

Die “eekhoorn en mier”-schrijver ontmoette ik als gezegd vrijwel onmiddellijk. De God die door Nietzsche was doodverklaard en door Van Ostaijen gezien werd als de absolute negatie, treedt hier als mens-onder-de-mensen op in verhalen die sjarmant, lieflijk, speels, licht vervreemdend, poëtisch en tamelik humoristies zijn (naja, voorover slaan van het lachen deed ik bij God onder de mensen niet één keer, maar glimlachen, grijnzen en grinniken deed ik veel, heel veel). Omdat de verhalen in dit boek me zo sterk deden denken aan “eekhoorn en mier”, en omdat het duidelijk niet van enige grappigheid ontbloot was dacht ik er verscheidene malen aan een verhaal voor te lezen aan mijn zoon. Maar geen enkel verhaal leende zich daar echt toe. God onder de mensen is nie veur kinders. Omdat. Omdat. Ja. Ik weet het niet. Er zit veelal venijn in de staarten. Er begon me iets te dagen.

De sfeer neigt naar die van de kinderverhalen maar de strekking is vaak eerder aan volwassenen besteed. Aw goed. Misschien wisten zij alles kent ook lagen die de voorlezende ouder eerder vatten zal dan het toehorende kind. Het is niet voor niets dat mijn zoon en ik zoveel gepraat hebben naar aanleiding van dat boek. Misschien wisten zij alles is een kinderboek waaraan ook volwassenen genot kunnen beleven; God onder de mensen is een kinderboek voor volwassenen (en ongeschikt voor kinderen) en dat is anders. Dat scheelt. Dat scheelt een hele dimensie.

Toon Tellegen God onder de mensen Recensie

Het eerste is dat ik denk dat het zeer wijs van Tellegen is geweest om God onder de mensen na 136 bladzijden voor gezien te houden. En dan nog. Je hoort altijd zeggen dat het zo geniaal geweest is van John Cleese om het wat Fawlty Towers betreft bij twaalf afleveringen verdeeld over twee seizoenen te houden maar alsnog zitten er tussen die twaalf een paar erg zwakke afleveringen. Die met die Amerikaan bijvoorbeeld is bijzonder vervelend en bijzonder ongrappig. Zo ook. Ik las deze 136 bladzijden in vijf of zes sessies uit. Dat had niet gehoeven. De verhalen zijn kort en behoeven veelal geen loodzware leesinspanning. Maar toch. Als ik te lang in God onder de mensen las (en dan bedoel ik langer dan tien minuten en dat zeg ik niet om grappig te doen), naderde Tellegen de grenzen van mijn geduld gevaarlijk dicht. Dan legde ik weg, dan ging ik andere dingen doen. Dan dronk ik koffie, dan zwaaide ik vriendelijk naar de buurman, dan verschoof ik wat papieren op de secretaire, dan stofte ik mijn lampen af. Later – vaak een dag later maar het kon ook wel een paar uur later zijn – had ik dan wel weer trek in één of twee verhalen uit God onder de mensen. Maar ook laters raken op, mensen. Ook laters raken op. Als Tellegen met God onder de mensen was afgekomen met een werkelijk lijvig boek en mijn lektuur dus verdeeld had moeten worden in vele laters dan was het voor mij naar verloop van acht of tien laters gaan verzanden in gekunstelde anekdotiek. Of lees: meer van hetzelfde.

Ja nu heb ik u waar ik u hebben wil. Dat laatste kon van Misschien wisten zij alles niet gezegd worden. Nee sterker: bij de herhaalde herlezingen zijn de verhalen nog steeds nieuw. Voor mijn zoon, maar evengoed voor mij (en echt niet alleen omdat zijn reacties op de verhalen in de loop der jaren veranderd zijn). Die kracht mis ik bij God onder de mensen. De agnost. Ik mis de agnost. God krijgt vele gezichten in dit boek, maar haast geen enkele is echt prettig. Hij is gek, besluiteloos, onverzorgd, agressief, haveloos, wreed, onvoorspelbaar, grillig, lomp, kil, gevoelsarm, behoeftig, nukkig, cynisch, onredelijk, ongeduldig, gemeen, hautain, kinderachtig, kleinzielig, lichtgeraakt, onhandelbaar en soms een regelrechte psychopaat. Tellegens God komt er bekaaid vanaf. Maar de mensheid niet minder. Hun liefde voor God is dociel, onderdanig, werktuigelijk of veeleisend en egoïstisch. Over Opperwezens en de mensen die in Hen geloven, lijkt Tellegen toch niet al te vleiende gedachten te koesteren.

In de verhalen varieert de toon wel (absurd, grimmig, licht, hard, kluchtig) maar de vele gezichten van God zijn haast alle wat stuurs. Zelden aimabel. Behalve in het laatste verhaal, waar God een schommelend achtjarig kind is. Ik dacht: nog van dat. Maar toen was het boek uit.

God had vaker een kind moeten zijn. Of een dier. Of voor mijn part een saaie vrouw in ademnood. Een plek had ook gekund. Of de regen. In ieder geval minder vaak een man. En minder vaak onaangenaam. Het spektrum is minder wijds dan het had kunnen zijn waardoor ik, in weerwil van de bewering op het achterplat, een zekere diepgang mis in God onder de mensen. Het boek bracht me steeds in een prettige stemming, maar het zette me niet aan het denken. Dat zou mijn klacht zijn als er een klacht moest zijn.

Waarom moet er een klacht zijn?

Er moet geen klacht zijn. Het kan ook zonder klachten. Negeert dan het bovenstaande grotendeels en neem alleen mee dat God onder de mensen een fijn en licht en grappig boek is met kleine verhalen over een zeker niet altijd onberispelijke God. Maar neem nog één tip van mij aan. Lees niet lang in dit boek. Lees kort. Lees heel even. Wel, als dit dan toch een kinderboek voor volwassenen is, leg het op uw nachtkast. Lees elke avond één verhaal (ik zou bijna zeggen verhaaltje maar ik hou niet zo van diminutieven), knip het lichtje uit en val in slaap. Droom rare en merkwaardige dromen. Droom lucide. Slaap uw allerdiepste slaap. Morgen is nog anderhalve zalige eeuwigheid ver weg.

God onder de mensen

  • Schrijver: Toon Tellegen (Nederland)
  • Soort boek: Nederlandse roman
  • Uitgever: Querido
  • Verschijnt: 20 april 2021
  • Omvang: 136 pagina’s
  • Uitgave: gebonden boek / ebook
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol

Flaptekst van de roman van Toon Tellegen

God bestaat steeds opnieuw in Toon Tellegens gedachten. Soms is hij een kluizenaar, dan weer wordt hij wegens wangedrag aangehouden of is hij een buitengewoon goede balletdanser. Ook in de zomer draagt hij een dikke winterjas en regelmatig twijfelt hij eraan of de mensen van hem houden. Gelooft hij wel in zichzelf? Hij zit een keer in iemands hoofd, hij wordt betrapt op overspel, hij bedenkt een nieuwe, betere God, hij is af en toe onredelijk en kwaadaardig. Maar ook liefdevol en onzeker. Hij lijkt verdacht veel op een mens, maar is toch steeds God. ‘God wist alles, maar niet of hij wel bestond.’
Op weergaloze wijze speelt Toon Tellegen met onze ideeën, gevoelens en verlangens over het bestaan van God in de wereld – voor alle gelovigen en ongelovigen.

Bijpassende boeken en informatie

Karin Boye – Kallocaïne

Karin Boye Kallocaïne recensie en informatie over de inhoud van deze dystopische roman. Op 7 april 2021 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van de roman Kallocaïn van de Zweedse schrijfster Karin Boye.

Karin Boye Kallocaïne recensie en informatie

Als de redactie het boek gelezen heeft, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden de roman Kallocaïne. Het boek is geschreven door Karin Boye. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van de beroemde dystopische roman uit 1940 van de Zweedse schrijfster Karin Boye.

Recensie van Tim Donker

Er is het boek. En er is de tijd. Soms neemt de tijd iets van het boek weg. En soms geeft de tijd iets aan het boek mee. Daar zal ik zo meer over vertellen. Maar eerst wil ik u vermoeien met een anekdote.

Dat het op een donderdag was doet niet ter zake maar misschien wel dat het in een depot was waar ik normaal nooit kom. In ieder geval dat het ging om een collega die ik nog nooit gezien had. Ik zag hem en ik noemde zijn naam (want ik had op het rooster gezien wie de enige wijken die nu nog op de schappen stonden weg moest lopen). We raakten aan de praat. We spraken over politiek. Over communisten. Over liberalen. Over absolutisme. Over een eeuwig gelijk. Over het collectief. En over de dystopie. Ik kende diene mens niet eens. Soms heb je bizarre gesprekken met mensen die je niet kent. Ik zei dat ik een dystopische roman uit 1940 had gelezen waarin een personage zijn afschuw uitsprak over zoiets volstrekt onhygiënisch als handen schudden. Het was eigenlijk de opmaat naar een ruimere verhandeling, die over steriele samenlevingen had zullen gaan, maar de collega onderbrak me: “Ja dat is dan typisch zo’n zinnetje dat alleen door deze tijd dan een toevallige meerwaarde krijgt.” Ik meende zelfs een gnuif te horen in zijn stem. Ik zweeg even. Mompelde: “Sja, als je zoiets in de jaren tachtig had gelezen had je er natuurlijk glad overheen gelezen. En nu staat het zelfs op het achterplat!”. We spraken nog even door maar de vaart was merkbaar uit het gesprek. Niet veel later ging hij zijn ronde lopen, en ik de mijne. En ik dacht. Ik dacht na.

“Dat moet je in die tijd zien.” zei mijn vader altijd. Mijn vader en ik waren beide muziekliefhebber. Of liever. Ik heb muziek altijd nog lief met hart en ziel maar mijn vader is dood. Ik weet niet of je na je dood nog muziekliefhebber bent, of dat de dood maakt dat je alles was je was voorgoed geweest bent. Het lijkt mij logisch dat er na de dood nog bitter weinig te liefhebben valt maar wat weet ik er nou van. Ik ben nog nooit dood geweest. Wat er ook van zij, mijn vader en ik wisselden dingen uit. Tapes. Cd’s. Platen. Dan zaten we op zijn werkkamer en dan luisterden we. Dingen die ik mooi vond, dingen die hij mooi vond. We commentaarden ook op elkaars dingen. Als ik hem bijvoorbeeld iets van meer elektronische aard liet horen, zei hij meestal: “Hier komt denk ik geen instrument meer aan te pas, is het wel? Niet dat dat erg is maar…” Na die maar bleef het stil. Veelzeggend stil, want natuurlijk vond hij het wel erg dat daar geen instrument meer aan te pas kwam. Muziek, dat hoorde je met instrumenten te maken. Op die instrumenten mocht je zo waanzinnig te keer gaan als je maar wilde, maar instrumenten moesten het zijn! Als ik weer eens iets bij me had “waar geen instrument meer aan te pas kwam”, bereidde ik in mijn kop meestal een lange verhandeling voor over wat een instrument precies is, en hoe je moet bepalen of iets al of niet een instrument is, welke criteria je daarvoor kunt hanteren. Ik kwam er nooit toe wat in mijn kop zat daadwerkelijk uit te spreken.

Het kwam ook voor dat mijn vader met iets kwam dat mij niet meteen als muziek in de oren klonk. De liefde voor jazz, die deelden we maar als hij met één van zijn jaren zestig bandjes aan kwam zetten, raakte het negen keer op tien mijn kouwe kleren niet. “Dat moet je in die tijd zien,” was zijn eeuwige verweer op mijn bedenkingen. “Toen was dit revolutionair!”. Ik zakte verder onderuit in mijn zetel. Dronk mijn whisky. Zei “Goede muziek veroudert nooit”. Of: “Klassiek is wat levenskrachtig is.” Of misschien zei ik niets.

Dat is waar ik over na liep te denken toen ik links en rechts brieven in brievenbussen stopte. Over die “toevallige meerwaarde” waar mijn collega van gesproken had. En het “je moet het in de tijd zien” van mijn vader. Er is de kunst (want blijkbaar gaat dit verder dan boeken alleen). En er is de tijd. Er is geen eeuwige kunstbeleving. Iets kan revolutionair zijn in de ene tijd en tientallen jaren later slechts nog flauwe drab. Een passage over handen schudden kan in elke gegeven tijd niets te betekenen hebben. Totdat 2020 komt en alles anders wordt.

Laten we wel wezen. Ja laten we dat vooral wezen: wel. Karin Boye kon onmogelijk hebben voorzien dat er een tijd zou komen waarin iedereen met graagte al hun rechten en alle normale omgangsvormen aan de kapstok zou hangen om te voorkomen dat iemand verderop in de straat een snotvalling zou krijgen die zijn oude omaatje fataal kon zijn (stel je voor dat je het aan een ander doorgeeft die daar minder goed tegen kan, zei iemand tegen me die zonder enige bedenkingen zijn prik had gehaald) (want we doen het niet voor onszelf, we doen het voor de ander) (de eeuwige ander) (we doen het voor elkaar) (want de prik is heilig en het collectief is heilig) (maar over prikken en over het collectief straks meer) (veel meer). De schrijfster haalde de inspiratie voor Kallocaïne uit het stalinisme en het nationaalsocialisme. Kallocaïne is geen visionaire roman, en beoogde dat ook niet te zijn. Maar er is het boek, en er is de tijd. En de tijd heeft met 2020 iets gegeven aan Kallocaïne. Een beklemming bovenop de beklemming die het al had. Het zal wel geen toeval zijn dat Koppernik het dit jaar weer onder het stof vandaan heeft gehaald: dit is slechts de tweede vertaling in het Nederlands sinds 1949. En het zal ook wel geen toeval zijn dat Koppernik uitgerekend de passage over dat handen schudden op het achterplat geciteerd heeft. Je zou bijna gaan denken dat Koppernik aan de goede kant van de streep staat.

Maar eerst wat het is. Wat het eigenlijk is. Wat is het eigenlijk, dat Kallocaïne. Het is een roman, mensen. Jawel. Een roman van een Zweedse schrijfster. Geschreven in 1940. Klassiek ja. En dystopisch. Een klassieke dystopische roman. Ik hoor u al Orwell denken. U denkt er niet naast. U had ook Opstaan op zaterdag van Jan Gerhard Toonder kunnen denken (inderdaad, de broer van) en dan had u er evenmin ver naast gedacht. De ene dystopie wil nog wel eens lijken op de andere dystopie. Misschien is er voorbij de ultieme nachtmerrie niet veel anders meer.

In deze dystopie gaat het om die tiep die Leo Kall heet. En het gaat er meteen goed op met Leo Kall want op de eerste bladzij zit die tiep al in het kasjot. “Mijn levensomstandigheden verschillen slechts marginaal van die waarin ik als vrij man leefde.”, zegt hij. De lezer komt al snel te weten dat dat niet is om dat het gevangenisbeleid zo libertair is. Gans de roman is feitelijk een terugblik op het leven van Leo Kall van voor zijn gevangenschap. Wat er voor de gevangenschap was, was gevangenschap.

Buiten de gevangenismuren is er in de tijd waarin Kallocaïne speelt een wereldstaat. Een wereldstaat met “schoensteden”, “chemiesteden”, “molensteden”, “textielsteden”. Burgers bestaan niet meer, iedereen is medesoldaat en wordt op grond van zijn capaciteiten te werk gesteld in één van de steden. Kall diende als chemicus in een chemiestad. Medesoldaten dragen werkkleren tijdens de werkuren en vrijetijdsuniformen na het werk. Ook zijn er kleren voor de verplichte leger- en politiediensten.

Iedereen woont in gelijkvormige woningen

Iedereen woont in gelijkvormige woningen, dat zijn eenkamerwoningen voor ongehuwden en tweekamerwoningen voor gehuwden en gezinnen. Het eten en de huishoudelijke taken worden verzorgd door een hulp in de huishouding die ook een controlerende functie heeft en aan het eind van de week verslag uitbrengt over alles wat er in huis gebeurd is, en dan met name over eventuele ongeregeldheden. Daarnaast zijn overal “politieogen” en “politieoren” aangebracht in de huizen en daarbuiten; lees: camera’s en microfoontjes.

Kinderen zijn overdag in het kinderverblijf waar ze in een nogal bizarre speelbak mogen spelen: “een reusachtige kuip van email, vier vierkante meter groot en een meter diep, waarin je niet alleen kleine speelbommen kon laten vallen en bossen en huizen met licht ontvlambaar materiaal in brand kon steken, maar als de kuip met water werd gevuld ook complete miniatuurzeeslagen kon uitvechten, waarbij de kanonnen van de scheepjes met dezelfde lichte springstof werden geladen als in de speelgoedbommen werd gebruikt, er waren zelfs torpedoboten bij. Hierdoor kregen kinderen spelenderwijs zoveel strategisch inzicht dat het hun tweede natuur werd, bijna een instinct, en tegelijkertijd was het natuurlijk eersteklasvermaak.” Op hun zevende gaan ze naar een kinderkamp, waar ze ook ’s nachts verblijven; dan komen ze nog maar twee dagen per week thuis. Als in hun volwassenheid het moment daar is dat ze te werk gesteld zullen worden in één van de steden, wordt er een groot, publiek, streng gereguleerd afscheid gevierd onder het toeziend oog van medesoldaten op politiedienst. Dan wordt er gegeten en naar een kunstmatig opgewekte “groepsextase” toegewerkt. Het is niet toegestaan verdrietig te zijn, of te praten over of zelfs maar te denken aan toekomstig gemis. Eenmaal aan het werk in een andere stad zien mensen hun ouders nooit meer terug. De opdracht is dan om elkaar zo snel mogelijk te vergeten.

Zwakkere emoties, zoals melankolie, verlangen en zoals gezegd verdriet of gemis zijn niet toegestaan: slechts een kontinue opgewektheid en de op de afscheidsfeesten georganiseerde groepsextase. Medesoldaten spreken elkaar in deze panoptische samenleving meteen aan op zulke zwaktes. Het zal weinig verwondering wekken dat in deze wereldstaat liefde op sterven na dood is: “Ik denk dat het woord liefde op zijn plaats is wanneer je je in alle troosteloosheid toch aan elkaar vastklampt,” laat Boye Kall peinzen, “alsof er ondanks alles een wonder zou kunnen gebeuren, wanneer de pijn zelf een soort waarde heeft gekregen en getuigenis aflegt van het feit dat je tenminste één ding gemeen hebt: het wachten op iets dat niet bestaat.” (misschien niet eens zo’n onrake definitie van liefde; op zijn minst heel toepasbaar voor “huwelijk”).

In het verlengde hiervan is ook lichamelijk contact tot een minimum beperkt. Uiteraard wordt het aangemoedigd als man en vrouw voor nieuwe medesoldaten zorgen, maar lichamelijk contact buiten deze pure functionaliteit wordt als afkeurenswaardig en verwerpelijk beschouwt (want dat zou maar zo een uiting kunnen zijn van affectie, of, erger nog, pure lust). In dit licht moet ook de passage waarover ik met mijn collega sprak (en die op het achterplat geciteerd staat) gelezen worden. Een zekere groep vrijdenkers gedraagt zich volgens een ooggetuige wel zeer staatsgevaarlijk: “En trouwens, alleen al hoe ze elkaar begroetten! Ze pakten elkaars handen vast. Is dat normaal? Het moet onhygiënisch zijn en bovendien is het zo intiem dat het beschamend is. Elkaars lichamen zo aan te raken, opzettelijk! Ze beweerden dat het een heel oude begroeting was die ze nieuw leven hadden ingeblazen, maar je hoefde het niet te doen als je niet wilde, je werd nergens toe gedwongen.”

(ja stel je een staat voor waarin je tot niets gedwongen wordt, dat zou pas echt verwerpelijk zijn) (nicht wahr, Hugo de Jonge?)

En daar raken we aan het allerbelangrijkste: het ik mag niet meer zijn in de wereldstaat. Niemand mag nog individuele gevoelens, gedachten, twijfels, ideeën, opvattingen koesteren: alles moet in dienst staan van het collectief. De grootste schande die een mens over zichzelf kan afroepen, is iets gezegd, gedacht of gedaan te hebben dat niet volledig aan het collectief was toegewijd. Er is zelfs een “excuusuurtje” op de radio. Op vrijdagavond lezen mensen tussen acht en negen hun excuses voor als ze zich een keer wat al te “staatsgevaarlijk” hebben geuit in een publieke ruimte (iedereen die zich in een publieke binnenruimte beweegt draagt een mondkap, zegt Maffe Mark).

Tegen deze achtergrond vindt Leo Kall een waarheidsserum uit. Wie ingespoten wordt met “kallocaïne”, zoals het spul al snel komt te heten, vertelt in iets dat een beetje lijkt op een alcoholroes alles wat hij in normale omstandigheden nooit kwijt had gewild. Kalls uitvinding leidt ertoe dat gedachten strafbaar worden. Iedereen die in zijn gedachten maar de miniemste twijfels heeft bij de wereldstaat kan veroordeeld worden, als het moet tot de dood. In eerste instantie is Leo Kall erg fier op zijn uitvinding en de wettelijke consequenties ervan. Maar gedurende Kallocaïne begint hij steeds meer te twijfelen. Aan de wereldstaat, aan kallocaïne, aan de nieuwe wet. Het valt hem alsmaar moeilijker een onberispelijk medesoldaat te zijn.

Het grootste gedeelte van Kallocaïne vreesde ik dat het einde zeer voorspelbaar ging zijn. Dat je dat wel kilometers van te voren ging kunnen komen aanzien waar dat heen ging met die Leo Kall, en zijn twijfels, en zijn uitvinding. Maar zo voorspelbaar als ik dacht dat het zou zijn, was Kallocaïne niet. Daarmee is het boek van de eerste tot de laatste bladzijde spannend, beklemmend, koortsig en hallucinerend. Dat is het boek. En dan is er nog de tijd.

De tijd geeft ons allen gelijk op het eind

Neen. De tijd is gewoon maar de tijd. De tijd tikt. De minuten brengen uren, de uren brengen de dagen. De dagen weken, maanden, jaren. De jaren brengen tijdperken. Hebben dit tijdperk gebracht. Dit tijdperk dat Boye niet kon voorzien hebben maar dat wel hier is, nu. In het nu waarin ik Kallocaïne las. Het nu dat zoveel raakvlakken vertoont met Kallocaïne.

De injecties, ja. De injecties, gans het land, gans de wereld. Alles en iedereen geïnjecteerd. Weten de geïnjecteerden waarmee ze worden geïnjecteerd worden en wat voor gevolgen de injecties voor hen hebben? Nee, dat weten ze niet. Maar het zal De Staat; “het collectief” ten goede komen. “Want stel je voor dat je iemand anders aansteekt die daar minder goed tegen kan. Zo sta ik er toevallig nog eens een keer in.” of woorden van dien strekking sprak dus iemand tot mij. (maar wacht we konden elkaar toch al niet meer aansteken? want we moesten toch al anderhalve meter uit elkaars buurt blijven en we droegen toch al allemaal die maffe lappen voor ons bakkes). En lap, daar heb je het dan. De onbereidwilligen zijn staatsgevaarlijke gekken. Nee moordenaars. Vuile schoften die het niets kan schelen dat door hun toedoen iemand dood zou kunnen gaan. Moet je je maar laten inspuiten met eender welke zooi, moet je maar vertrouwen dat dat helpt, dat dat goed is. Want je slikt toch ook paracetamol? (ja, das een goeje vergelijking! een geneesmiddel dat bijna honderdvijftig jaar geleden werd uitgevonden enerzijds en een veel te snel ontwikkeld en totaal nieuw vaccin anderzijds. een in de supermarkt verkrijgbare pil die iedereen geheel vrijwillig en individueel kan slikken enerzijds en een spuit die de hele wereld wordt opgedrongen anderzijds). De mensen in Kallocaïne weten ook niet waarmee ze geïnjecteerd worden en wat voor (zeer nadelige) gevolgen die zal hebben. Het lijkt bijna een allegorie!

Het collectief! Hoe gans de wereld (gerealiseerde wereldstaat!) in de ban van een fascistoïde soort van pseudo-communisme het collectief tot de absolute norm heeft verheven waaraan alles opgeofferd moet worden. (want stel je fucking voor dat je fucking iemand anders fucking aansteekt die daar fucking minder goed tegen kan) (wees niet die eigenwijze Nederlander) (doe niet zo vervelend, doe nou eens mee) (dus laat je kop hangen en neem die spuit!) (ik heb geen seconde getwijfeld). Maar ook de paradox: wanneer het collectief boven alles en iedereen moet gaan, leidt alles en iedereen daar aan. Maar wat is het collectief meer dan “alles en iedereen”? Dus feitelijk wordt het collectief opgeofferd aan het collectief. Dat zie je goed in Kallocaïne. Het leven in de wereldstaat in onleefbaar, iedereen wantrouwt iedereen; wantrouwen is zelfs een groot goed geworden (niet alleen in de wereldstaat, dit, ook in de coronamaatregelenstaat in wantrouwen alom: kom de ander niet te nabij want de ander kan ziek zijn, de ander kan je dood worden, weest angstig mensen, wees toch zo doods- en doodsbang voor elkaar!) (nicht wahr, Van Ranst?). Geluk, liefde, warmte, spontaniteit en vrijheid zijn verdwenen; niet voor niks merkte Kall op dat zijn leven in gevangenschap niet zo gek veel verschilde van zijn leven daarvoor. In de wereldstaat kan elke gedachte die ook maar het miniemste beetje afwijkt van het allerbraafste braaf je de doodstraf opleveren. Iedereen, ook de allerbraafste braverik, heeft op zijn minst één keer in zijn leven een gedachte gehad die een miniem beetje afweek van het allerbraafste braaf. De conclusie moge duidelijk zijn. Wanneer het collectief belangrijker wordt dan de hele verzameling individuen bij elkaar, moet uiteindelijk iedereen dood.

Medesoldaten die elkaar aanspreken op “staatsgevaarlijke” uitlatingen en gedragingen, ow dat kennen we nu ook hè? Het lijkt wel alsof dat coronabeleid ruim baan gegeven heeft aan de allerlaagste karaktertrekken in de mens. Ik zat voor het zwembad van mijn kinderen te praten met de moeder van een ander kind. De vrouw had het erover dat ze het zo zielig vond voor de kinderen dat ouders nu niet meer mochten kijken, de vorderingen die ze maakten niet meer van nabij konden zien. Dat het afzwemmen met maar weinig publiek mocht, en niet groots en uitbundig gevierd kon worden. Ik zei (en ik dacht dat ik het zeggen kon tegen deze vrouw, die me heel redelijk leek: “Op de lange termijn zullen alle coronamaatregelen vele malen schadelijker blijven dat corona zelve ooit kon zijn.” De vrouw stoof op. “Nee! Totdat je het krijgt. WE moeten zeker blijven oppassen!”. Ik vond dat “we” opvallend. Waarom waren we ineens een “we” geworden? Zij kon anders denken over zaken, andere media raadplegen dan ik, dat is goed, dan vindt ze misschien dat zij moet blijven oppassen. Maar waarom waren wij ineens de WE die moesten blijven oppassen? Of toen ik in een winkel was waar ik normaal nooit kom, in een stad waar ik niet woon, en geen idee waarom ik daar was nee. Ik had mijn zoon in de winkelwagen. Mijn lieve moje wijze grappige gekke zoon van acht. Die sjipjes wilde, van die hoorntjes, waar je spuitkaas in kan spuiten. Ik kende het daar niet, ik kom daar nooit. Ik zocht me ongans naar het sjipjespad, vond het, schoot het in, liet hem kiezen, en wilde toen weer teruggaan. Maar er liep een man achter ons die hologig en met een halve pruillip een paar passen achteruit deinsde, en toen nog een paar. Het hologig en pruillipig persoon ving ineens te spreken aan. Nogal lomp, als je het mij vraagt: “Hee. Je gaat de verkeerde kant op, jij!” Ik denk dat je de verbazing met kruiwagens tegelijk van mijn gezicht kon afscheppen (een verkeerde kant? hebben supermarkten tegenwoordig verkeerde en goede kanten dan?) want de man verduidelijkte: “Er staan pijlen op de grond.” Inderdaad had een of andere zwakbegaafde met tape pijlen op de supermarktvloer gemaakt. Het was me niet opgevallen, welke gek gaat immers kijken of er geen pijlen op de vloer staan. Wat mij verbaasde was de onbeleefdheid die de man zich meende te mogen permitteren. Dat kan toch alleen in een wereldstaat waar brave medesoldaten geacht worden te weten hoe de pijlen staan?

Kallocaïne. De collega. Mijn vader. De muziek die hij me liet horen. Dat wat een “toevallige meerwaarde” heette te zijn.

Een boek dat mooi is, maar ook ongemakkelijk maakt. Dat is het boek, en dat is de tijd

Dat iets dat sterk is door onvoorziene ontwikkelingen nog sterker kan worden, is te mooi om een toevalligheid te kunnen zijn. Net zo goed als de revolutionaire muziek van mijn vader die luttele decennia later al niets revolutionairs meer heeft. Wanneer de revolutie zó efemeer is, had ze om te beginnen al niet veel kracht. Stel je voor: ik ken iemand die Le Sacre du Printemps nog steeds onbeluisterbare chaos vindt. Ik bedoel maar. Verbrijzeling kan hoorbaar blijven.

Boye schrijft niet over deze tijd, maar veel uit Kallocaïne is wel toepasbaar op deze tijd. Ik snap hoe voor de collega de verleiding groot is om in toevalligheden te denken. Maar het is wel degelijk een kwaliteit van Kallocaïne en van de schrijfkunst van Karin Boye. Iedereen kan een nachtmerrie verzinnen. Maar een mogelijke nachtmerrie is nog iets anders. De schrijfster van Kallocaïne had goed gekeken naar de spoken van haar tijd; spoken die klaarblijkelijk zo onuitroeibaar zijn dat ze ook in andere tijden -in een andere gedaante- weer op konden duiken. Ze maakte er een goed geschreven roman van, de tijd kwam en gaf er iets aan dat het nog huiveringwekkender maakte. Een boek dat mooi is, maar ook ongemakkelijk maakt. Dat is het boek, en dat is de tijd.

Recensie van Tim Donker

Karin Boye Kallocaïne Recensie

Kallocaïne

  • Schrijfster: Karin Boye (Zweden)
  • Soort boek: dystopische roman, Zweedse roman
  • Origineel: Kallocain (1940)
  • Nederlandse vertaling: Bart Kraamer
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 7 april 2021
  • Omvang: 196 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol
  • Recensie Tim Donker

Waardering voor Kallocaïne

  • “Een fascinerende roman in het genre van 1984 en Brave New World.” Literary Journal
  • “Ze schetst met een ontstellend combinatievermogen het beeld van een toekomstige wereld.” Tagesanzeiger Zürich
  • “Wat in Kallocaïne de strijd zo aangrijpend maakt, is het feit dat de held Kall zich er aanvankelijk in het geheel niet van bewust is, en pas gaandeweg tot het besef van zijn afwijkend en daarmee zijn verzet en staatsgevaarlijkheid komt.” Maatstaf

Flaptekst van de roman van Karin Boye

Karin Boye’s ‘roman uit de eenentwintigste eeuw’ is een spookachtig visioen van een door politie bestuurde en gemilitariseerde samenleving. Met zijn uitvinding kallocaïne heeft de scheikundige Leo Kall de Wereldstaat voorzien van een middel om totale controle uit te oefenen. Maar terwijl zijn waarheidsdrug de weg opent naar de zielen van zijn medeburgers komen de wildste dromen over opstand naar boven en verlangens naar vrijheid, liefde en vertrouwen – waardoor Leo Kall begint te twijfelen aan de voortreffelijkheid van de Staat en zijn rol erin als loyale soldaat.

Kallocaïne heeft na tachtig jaar nog niets van zijn actualiteit verloren en behoort samen met Jevgeni Zamjatins Wij, George Orwells 1984 en Aldous Huxleys Brave New World tot de grote dystopische klassiekers van de twintigste eeuw.

Bijpassende boeken en informatie

Paul van Ostaijen – Bezette stad

Paul van Ostaijen Bezette stad recensie en informatie dichtbundel uit 1921. Op deze pagina is de recensie te lezen van Tim Donker van de dichtbundel Bezette stad van Paul van Ostaijen. Bovendien besteedt hij aandacht aan twee door dit boek geïnspireerde boeken van Matthijs de Ridder – Boem Paukeslag en Matthijs de Ridder en Willem Bongers-Dek – Besmette stad.

Paul van Ostaijen Bezette stad recensie en informatie

Recensie van Tim Donker

Paul van Ostaijen Bezette stad Recensie boek uit 1921

Bezette stad

  • Schrijver: Paul van Ostaijen (Belgie)
  • Soort boek: gedichten
  • Eerste druk: 1921
  • Uitgever heruitgave: Boom Uitgevers
  • Verschijnt: 25 maart 2021
  • Omvang: 160 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol

Laten we zeggen dat dat honderd jaar geleden is. Laten we dat zeggen want het is ook honderd jaar geleden. Laten we het daarom klassiek noemen. Zegt iemand: klassiek is wat levenskrachtig is. Ofnee. Komen we af met een term als historisch. De historische avantgarde noemt sij dat. Goeje term enerzijds wel. Zeg nu zelf. Hoe strijdbaar Van Ostaijen was, en hoe idealistisch – en hoe hij dat in zijn werk wilde laten meeklinken. Zegt Hector-Jan Loreis: nieuwe roman is nieuwe filosofie. Dat ging dan misschien over de nouveau roman maar voor het werk van Van Ostaijen (alsmede van vele anderen van de “historische” avantgarde) is het er evenmin naast. Nieuwe gedachten vroegen om nieuwe vormen. Nieuwe vormen om oude tijden op te blazen en zo de weg vrij te krijgen voor nieuwe tijden. Zegt iemand: God geve dat wij staatsgevaarlijk weze. Goed dat het een militaire term is. Niet goed dat het een militaire term is. Kan Buelens zeggen: wij verkennen nu hier deze plek, opdat anderen hier later ook zouden kunnen komen. Humja. Maar stel je voor dat je jazzer bent. Je bent niet zo’n hele interessante jazzer misschien. Maar je blaast al eens een trashmetalliedje op je sax. En je laat je sax al eens op je kin balanseren. En dan blijkt dat de sax op de kin of Angel of Death uit de sax toch niet goed is om schokgolven teweeg te brengen. Dan kun je nog altijd lachen met avantgarde. En heel bueleniaans zeggen dat die avantgardisten maar een stel sukkelaars was dat misschien maar een fractie eerder rondhing waar later velen rondhingen te hangen. Of stel je voor dat je Kundera bent. Je kunt nog altijd Kundera zijn. Je kunt nog altijd Kundera worden. Je bent Kundera en je zegt dat avantgardisten vuile lafaards waren omdat ze laaghartig flirtten met een zekere overwinnaar: de toekomst. En dit hier is mijn probleem. Dit is mijn probleem met de militaire achtergrond van het begrip avantgarde. Ik peins mij een avantgarde zonder ruimtelijke en temporele invulling. Ik peins me dit.

Dat misschien niet elke avantgardist school heeft willen maken. Dat misschien niet elke avantgardist zonodig volgelingen behoefde. Dat er misschien ook avantgardisten waren zonder glazen bol. Dat misschien niet elke avantgardist de toekomst had gezien; gezien had welke stijlen in de toekomst gevierd zouden worden om het dan alvast nú te gaan maken opdat zij later als Ziener gezien zouden worden. Ergens wordt het hier totaal infantiel. Ik stel mij de mogelijkheid tot experimenteren voor, zonder de ballast van de militaire term. Een zoeken naar nieuwe vormen, misschien, omdat je in de oude vormen niet gezegd krijgt wat je zeggen wou. Er zit altijd iets politieks in de grensoverschrijding. Experimenteren is altijd een daad. Maar het kan ook een puur individuele daad zijn. De avantgardist als eenling die er niet om malen zal dat hij geen volgelingen hebben zal. Die op zijn eigen individuele manier spreken wil, zonder de ketenen van de tradisie en zonder de verantwoordelijkheid dat hij een pad effenen moet voor anderen.

(de simplistiese idee dat er een garde is en een avantgarde, p’sies gelijk ons toen we in de schoelje moesten varen gaan werd verteld dat er leiders en volgers waren & anders niets, en ik zat, zat aan, zat aan tafeltje en keek en ik zag volgers en ik zag leiders en ik zag ook figuren die geen van beiden waren maar zich naast of onder of boven de groep bevonden, niet per se alleen, niet per se geïsoleerd maar wel buiten de groepsdynamiek; misschien plauderen wij beter van een voor de garde en een naast de garde en een terzijde de garde en een onder de garde en een boven de garde en een lichtjaren van de garde vandaan en niks met heel de garde te maken hebbende)

Neem het onderhavige werk. Bezette stad. Het is nog altijd een uniek werk, en ook honderd jaar later zullen er nog veel lezers zijn die het niet snappen of het misschien zelfs geen poëzie vinden. Het spreekt een zo krachtige taal dat het nu nog altijd van de bladzijden spat. Poëzie is woordkunst, zei Van Ostaijen ooit. In Bezette stad lijkt vooral het woord tot kunst verheven te zijn. Ik wil, voor ik lezen ga, eerst en vooral kijken naar Bezette stad. Kijken naar de bladzijden. Kijken naar de typografie. Kijken naar de wisseling in corpsgrootte, kijken naar de verschillende lettertypes. Hoeveel boeken kent u die u veel, zeer veel kijkgenot verschaffen nog vóór het (te verwachten) leesgenot? En dan is er nóg een komponent: muzikaliteit! Bezette stad oogt ritmies, oogt muzikaal. Wow. Ja. Je kunt het boek ook horen voor je het leest. Ik dacht een flard Stravinsky te horen, ik lieg niet (nog zoiets trouwens, ik ken iemand die Le Sacre du Printemps nog steeds als onbeluisterbare herrie ziet).

Laat het beginnen met laweit. (zacht lawijd). Laat het beginnen op een punt in de geschiedenis. Laat het iets historisch zijn, een zeppelin boven Antwerpen bijvoorbeeld. Laten we beginnen op een punt in de geschiedenis, laat het iets groots zijn, waarom niet iets groots. Iets als de eerste wereldoorlog misschien. Iets als een zeppelin boven Antwerpen misschien. Iets als een bom misschien. Zodat het begint met laweit. (zacht lawijd). Altijd begint alles met laweit, altijd begint alles met een bom.

De eerste wereldoorlog is in Nederland denkelijk niet de bekendste der wereldoorlogen. Hier voor u beschreven, hier voor u door Van Ostaijen beschreven, direkt, levend. Of niet meteen direkt en niet meteen levend: Van Ostaijen schreef Bezette stad toen hij in Berlijn woonde, en de eerste wereldoorlog al afgelopen was. En ik lees het, op een punt in de geschiedenis, ik lees dit in Vleuten op het punt in de geschiedenis dat het ausradieren der oningeënten niet meer ver af is (geen seconde getwijfeld!) (opdat ik er geen meer kan aansteken die daar minder goed tegen kan) (die daar minder goed tegen kan) (want we doen het voor elkaar) (voor elkaar voor elkaar) (er is geen punt in de geschiedenis waarop we zo ontzettend solidair met elkaar zijn geweest) (we doen het samen) (en wie anders denkt kan henen gaan) (wees niet die eigenwijze Nederlander) (geen seconde getwijfeld) (iemand anders die daar minder goed tegen kan).

De eerste wereldoorlog. En jazz. En film. En sex. En ellende. En explosies. En dans. Een dans in explosieve poëzie. Zegt Paul Neuhuys: Tussen het statigen en de boulevards schitteren de cinema’s, en de cinema’s die had Van Ostaijen ook zien schitteren. Bezette stad barst van de filmverwijzingen. De wijze waarop film, jazz, dans en het uiterst beweeglijke taalgebruik van Van Ostaijen samenkomen maakt dat het oorlogsgeweld in eerste instantie bijna orgastisch aandoet. Er is sprake van “kanoncoïtus” en van “knal knal kneppert klettert knepperen klettert knallen / muziek luchtverplaatsing in Zut majeur / en contrapunt / Vluchtverplaatsing in Zut mineur / bommen knallen / en de obus bust zich in een huis / (record spoedbestelling) / gaat huis in vlam / flakkeren van vlam vóór maan / maan voor de Vlam / vlam / maan / VLAM / de STad STaat STil”.

Of misschien is de sexualisering een manier om de perversiteit van de situatie te benadrukken? “EUROPA volgens EROTISCHE BEDDINGEN / wij kennen Europa zó lang zó lang / gerekt uitgestrekt vlak en in de hoogte / geologies / stroombekken / politiek / commerciëel / en dat alles en dat alles / naar / deze EROTIESE KAART is een noodzakelijkheid”.

De noodwendigheid der dingen in een groots, onontkoombaar SAMEN. (zie het ziekelijke coronopaspoort) (het ausradieren der oningeënten kan een aanvang nemen) (geen seconde getwijfeld) (een ander die daar minder goed tegen kan) (darf ich ihnen ausweis sehen?)

Misschien verwachtte de flamingant Van Ostaijen wel dat er  een ander soort SAMEN zou voortkomen uit deze oorlog. Vernieling om een nieuwe opbouw mogelijk te maken. Als we hem volgen van een “bedreigde stad” over een “bezette stad” naar “de aftocht” (inval – bezetting -aftocht) lijkt verwoesting echter voornamelijk verwoesting te hebben gebracht. “de overwinning is aan diegene die het meest mizerie kan lijden” heet het, en “de bezetting houdt op / de bezetting begint”; “alles is zonder zin / nu”; “leve de gekrepeerden”.

Bezette stad is het indringende verslag van een oorlog; het is ook Van Ostaijens verslag van een oorlog. Dat geeft de nodige ruimte bij het lezen. Het is mogelijk om die boek puur historisch te lezen. Een jongeman maakt een oorlog mee. Ofnee. Een jongeman maakt de eerste wereldoorlog mee, in Nederland -als ik zei- niet meteen de bekendste van de twee wereldoorlogen. Je kunt iets leren over de eerste wereldoorlog; je kunt iets leren over hoe een jongmens -een activistisch jongmens- als Van Ostaijen de eerste wereldoorlog (en in het bijzonder de bezetting van Antwerpen) beleefd heeft. Je gaat dat in je eentje niet allemaal kunnen vatten; je gaat niet alle (film)verwijzingen en alle historische subtiliteiten vatten. Maar er is hoop. Matthijs de Ridder schreef Boem Paukeslag. Daarin pluist hij Bezette stad grondig uit, en verklaart het onverklaarbare. Ik kom nog te spreken over De Ridder en over Boem Paukeslag; ik kom er nog over te spreken.

Misschien ben je geen historicus. Misschien maakte je geen oorlog mee (zegt Herman Brusselmans: iedereen heeft een oorlog meegemaakt). Misschien lees je dit op een punt in de geschiedenis waarop het ausradieren van de oningeënten (geen seconde getwijfeld) niet meer veraf is, en herken je toch iets in de onvrijheden die Van Ostaijen hier beschrijft. Dan is er Besmette stad, waarin f’domme diezelfde Matthijs de Ridder samen met Willem Bongers-Dek vijfenzestig kunstenaars vanuit hun tijd heeft laten reageren op Bezette stad. Of je leest gewoon het werk van Van Ostaijen nog een keer, maar dan met je ogen van nu. Want ook dat is mogelijk: in woorden van toen, het gebeuren van nu ontmoeten.

Tot slot vind ik het geenszins van oppervlakkigheid of denkluiheid getuigen om Bezette stad puur als (experimenteel) kunstwerk te benaderen. Het grote formaat dat Boom dit boek gegund heeft komt hier van pas: ik kende Bezette stad eigenlijk alleen op klein formaat in de Verzamelde poëzie uit 1963, waar het toch minder tot spreken komt. Het gaat hier om een grootse taal ommers; een taal die uit zijn voegen barst, woorden die overheen heel de pagina lopen, woorden die zich opblazen, woorden die leeglopen, slagvaardige woorden en moegestreden woorden: ook nu is het nog opwindend om te lezen (zien?). Ook nu is het nog “nieuw”; ook nu is het nog een avontuur; ook nu nog kent het zijn gelijke niet; ook nu nog in staat om hoogstpersoonlijke assoosjasies bij de lezer te evokeren. Dadaïstische wortkunst, w’rom niet; “sprachskepsis”: de wereld is niet in woorden te vatten, dierhalve zijn woorden alleen maar interessant als “associatieruimte”; in nieuwe -eventueel ongrammaticale- samenhangen nieuwe betekenissen genereren (nieuwe roman is nieuwe filosofie); Paul van Ostaijen zelve zou hier misschien gruwelen maar we hoeven niet te lezen met de ogen van de schrijver en zelfs niet met diens goedvinden (of de schrijver nu nog in leven is of niet). Ik dacht aan August Stramm en ik denk heus niet dagelijks aan August Stramm.

Mogelijk dat het mogelijk is dat alle drie de leesniveaus tegelijk kunnen opgaan (de historische, de hedendaagse en de kunstzinnige) of anders wel na elkaar: Bezette stad is een boek dat uitnodigt tot herlezen. En iedere keer dat je het leest, zul je een ander boek lezen (ja ik weet wel je kunt ook niet twee keer in dezelfde rivier stappen maar dit is toch anders).

Besmette stad Recensie

Besmette Stad

Vijfenzestig kunstenaars antwoorden op Bezette stad van Paul van Ostaijen

  • Redactie: Matthijs de Ridder, Willem Bongers-Dek
  • Soort boek: kunstboek
  • Uitgever: Pelckmans Uitgevers
  • Verschijnt: 15 februari 2021
  • Omvang: 256 pagina’s
  • Uitgave: paperback 
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol

En dit is ook veel. Is ook veel bijvoorbeeld Jeroen Olyslaegers (hee ik dacht dat die al dood was trouwens?) (wie is er dan dood dan?), is ook veel waarbij, hoe noem je dat?, dada, cut-up, kollaazje, praat van radio of op straat of op facebook (bestaat dat nog dan?) of whatsapp, is ook veel van wat een moderne dag Paul van Ostaijen gedaan zou hebben (maar kon die verschrikkelijke engerd van een Marc van Ranst er niet nog wat erg van langs krijgen, Jeroen?, er was van langser misschien). En is ook veel, is Betül Sefika en Maarten van der Graaff (nee niet die van die generator) (die was zonder r) (ach Peter Hammil) (een luis is geen thuis) (ach Nick Pearne) (ook hij nu dood) & bij eerste doorbladeren (let wel, ik keek niet goed) dacht ik ha! dat zal Yves Coussement zijn. nee. bij eerste doorbladeren (let wel, ik keek niet goed) dacht ik ha! dat zal Ruben van Gogh zijn. nee. bij eerste doorbladeren (let wel, ik keek niet goed) dacht ik ha! dat zal Dean Bowen zijn. nee. bij eerste doorbladeren (let wel, ik keek niet goed) dacht ik ha! dat zal Xavier Roelens zijn. nee. bij eerste doorbladeren (let wel, ik keek niet goed) dacht ik ha! dat zal Onno Kosters zijn. nee. bij eerste doorbladeren (let wel, ik keek niet goed) dacht ik ha! dat zal Nick Swarth zijn. nee. bij eerste doorbladeren (let wel, ik keek niet goed) dacht ik ha! dat zal Peter Smink zijn. nee. bij eerste doorbladeren (let wel, ik keek niet goed) dacht ik ha! dat zal Peter van Lier zijn. nee. bij eerste doorbladeren (let wel, ik keek niet goed) dacht ik ha! dat zal Veva Leye zijn. nee. bij eerste doorbladeren (let wel, ik keek niet goed) dacht ik ha! dat zal Joshua Clover zijn (waarom niet? die schreef al eens over Antwerpen, toch?). Want ik bedoel zoals het spat. Ik bedoel zoals het loopt. Overheen de pagina. Nee. Van de pagina af. Want dat is een ander ding met poëzie: het wil helemaal niet op een stomme pagina staan te staan, het wil daar van af. Het wil bij u zijn. Poëzie wil alleen bij u zijn. U die de lezer is. En het is waar dat het uit zijn voegen barst. En hoe het barst. Deze vierkante decimeter (te verleggen) (o & het is raden naar).

Deze volte. Deze volheid. Dit volle. Hoe het beweegt overheen en ook buiten pagina’s. Soms is het misschien een beetje vanostaijentje spelen, dan denkt een mens bijna Maar Bezette stad is beter (het oude werk is beter) (vroeger was het beter) (ik vind de vroege Angelique beter dan de latere Angelique) (ik hield van de Angelique van vroeger maar zulk een trezebees als die Angelique van nu is) (vooral toen ze begon te zagen dat ze zich zo schaamde dat ze de coronaregels eerst niet serieus nam & toen kreeg ze corona) (en nu schaamt ze zich dat ze ooit een collega in zijn gezicht uitlachte omdat hij haar verweet dat ze zich niet aan de 1,5 m regel hield). Maar. Neen. Vaak is het echt, en echt mooi.

Zoals. Lisa Weeda (ik ken haar niet) met het lichtelijk vervreemdende 1914, 16 over een van een kopje afgebroken oortje dat door een soldaat tot ring vermaakt is – alles gezien vanuit het standpunt van het kopje dan oortje dan ring.

Of Nele Eeckhout en Pete Wu (ik ken hen niet) wier Rauwstad helaas wel hier en daar ontsierd wordt door een afgrijselijk, werkelijk afzichtelijke zin als “De geur van gemorste whiskey penseelde zich uit zijn baard en zwelde in zijn aan als een vals strijkkwartet”, of, erger nog (ja het kan nog erger): “Nacht maakte langzaam plaats voor dageraad, terwijl hij wachtte tot het verleden hem bedolf als een vallende pudding.” (als een vallende pudding? als een vallende pudding?? is dat een poging tot absurdisme ofzo, of moeten we er gewoon maar mee lachen misschien) (mijn zesjarige dochter lacht denkelijk wel met vallende puddings) (maar het is nog niet eens de allerlelijkste zin uit dit boek. de allerlelijkste zin uit dit boek, en het moet zijn dat ze er een prijsvraag over hebben gehouden, het moet zijn dat het expres gedaan is, want de allerlelijkste zin uit het boek (op naam van Benno Barnard) luidt: “Dada heeft mijn gedicht geneukt.”. echt waar. dat durft die Benno Barnard na zijn zestiende nog met droge ogen schrijven) (ik heb het dada gevraagd trouwens en dada weet van niets).

Of De miniatuur van Hester van Gent (ik ken haar niet), wat een soort mengeling is van Kafka, Karin Boye en Toon Tellegen met hinten Tomaka Shibasaki en Kobo Abe; een wonderlijke dystopie, even sprookjesachtig en lief als het grauw, troosteloos en beklemmend is; bol staand van de allermooiste beelden die een menselijk wezen ooit opgedacht heeft sinds het ontstaan van de aarde ja WOW!, De miniatuur alleen al maakt Besmette Stad het aanschaffen meer dan waard.

Of Opdracht aan Mevrouw Weetikveel van Sanneke van Hassel en Annelies Verbeke (ik ken hen niet).

Of Woe-Han van Jeroen Olyslaegers ofnee wacht die noemde ik al.

(het is ook zoveel. dit boek is ook zoveel)

Of dat zelfs Besmette stad/Bedreigde stad van Lucky Fonz III niet half slecht is (zelfs?) (wat heb jij tegen Lucky Fonz III) (ik weet het niet iets in die gast staat me gewoon niet aan) (maar ik heb wel een cd van hem in mijn cdkast en die cd vind ik geeneens half slecht ofzo) (maar ik weet ook niet altijd goed genoeg zeggen waarom mensen me wél aanstaan eigenlijk).

Of Essentiële verplaatsing van Betül Sefika en Maarten van der Graaff ofnee wacht die noemde ik al.

(het is ook zoveel. dit boek is ook zoveel)

Of . deze vakantie er zelf eentje in elkaar knutselen van Tsead Bruinja.

Of Slipstream van Maxime Garcia Diaz (die ken ik niet).

Of Holle haven van Gaea Schoeters (die ken ik niet).

Of Morgen gaan we in lockdown van Aya Sabi (die ken ik niet).

Of Projectieve meetkunde van Iduna Paalman (die ken ik niet) (veel mensen hier ken ik niet) (ik ken hier niemand) (nee) (de meerderheid hier ken ik niet) (nee) (ik ken de helft niet) (nee) (veel mensen hier ken ik niet).

Of Plons van Mandula van den Berg (die ken ik niet).

Of Nietsomhanden van Babs Gons (die ken ik niet).

Of Nietsomhanden van Maud Vanhauwaert (die ken ik niet).

Of Drop-D van Asha Karami (die ken ik niet).

Of drie gesprekken aan een plein in een stad in lockdown van Leen Verheyen (die ken ik niet).

Of Het ge______sprek van Andy Kipple (hee maar die kennen we toch) (hee maar die gesprek kennen we toch) (hee maar Andy Kipple is toch Chiel Zwinkels en Jeroen van Rooij) (toen ik het las toen bij Het Balanseer toen had ik de Van Ostaijen-relatie niet direkt geraden eigenlijk) (ik raad nooit iets) (naar het schijnt bestaat er ook nog een op muziek gezette versie van dit gesprek) (silencio) (MJOEZIEK) (keer terug naar het elixer) (ontmoet de mentor) (en geef de dichter ook wat) (en de tijd in crescendo) (swoesj!) (elixer gietend gorgelend) (en de tijd in crescendo en Ornette Coleman op de stereo) (see op beeld) (see laat een plaat vallen) (don’t let the beat drop)

De brieven van Jozef Otten aan “Pol” van Ostaijen waar Koen Peeters mee afkomt, zijn ontroerend, innemend en schoon. Zijn die brieven authentiek? (op internet vind ik enkel een slager die Jozef Otten heet) (in Lanaken zit die) (op de Henri Dunantstraat) (nummer 10) (en Jo Otten, die ken ik wel) (van Bed en wereld weet u nog wel?) (uit 1932) (zouden de brieven mojer zijn als ze echt zijn?) (zou het jammer zijn als blijken zou dat Koen Peeters ze gefingeerd heeft) (ik weet het niet) (en het doet er ook niet toe).

Besmette Stad is een vol, een groot, een mooi boek. Een boek dat raakt, een boek dat krachtig spreken kan. Een boek dat ik bij vlagen nóg mojer vind (maar vertel het niet door) dan Bezette stad.

Matthijs De Ridder BOEM Paukeslag Recensie

BOEM Paukeslag

Op strooptocht door Paul van Ostaijens Bezette stad

  • Schrijver: Matthijs de Ridder (België)
  • Soort boek: non-fictie
  • Uitgever: Pelckmans Uitgevers
  • Verschijnt: 15 februari 2021
  • Omvang: 324 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol

Doch eigenlijk hou ik hier niet zo van. De man die het ons allemaal eens vertellen zou. Hoe het zit. Hoe het allemaal zit met dit boek of deze film of dat schilderij. Hoe we ernaar kijken moeten, hoe we het lezen moeten, wat we hadden moet oppikken, wat we waarschijnlijk allemaal gemist hebben. Deze verwijzing. Dat detail. Die ene zin of die andere, op die ene pagina. Of die andere.

Zei Ray Loriga ooit (ik sieteer uit mijn hoofd want hij zei het in een interview in een blad dat ik niet meer heb of nooit gehad heb om mee te beginnen) dat iedereen die denkt een ander iets bij te kunnen brengen per definitie niet deugt. Dat ging over onderwijzers geloof ik. En inderdaad: iedereen die van verre of nabij betrokken is bij een onderwijsinstelling deugt niet maar zo straf als Loriga het uitdrukte zou ik het niet willen stellen. Maar snappen doe ik hem wel. Het gaat om werelden uit iemand halen om er je eigen wereld voor in de plaats te stellen.

Hoe mooi kunst is. Is dat het open is. Is dat het in elk hoofd andere dingen doet. Is dat het verbindingen aangaat met wat er in het hoofd is, en in elk hoofd zit weer wat anders. Moet je dat kapot maken? Moet je dat er allemaal uitgooien om ervoor in de plaats te zetten: de van nu af aan enige juiste manier om Bezette stad te lezen? Ik weet het niet. Ik wil denk ik met mijn eigen ogen Bezette stad lezen; niet met die van Matthijs de Ridder. Ik hoef niet perse te weten waarover al die liedjes gaan die Van Ostaijen noemt; ik hoef niet perse te weten waarom de N in het zeppelin-vormige woord zeppelin omgedraaid is; ik hoef niet zo nodig opmerkzaam te zijn op de vele boogvormen in Bezette stad. Wat meer is: ik hoef niet alles te begrijpen. Onbegrip is goed, vooral in poëzie. Een dichter hoeft natuurlijk helemaal niks, maar als ik ooit na een slag van de molen zou gaan roepen dat “De poëzie maar één taak heeft” dan zou “in verwarring brengen” het minst erge vervolg van die zin zijn.

Boem Paukeslag is dikker dan het werk waar het over gaat. De Ridder neemt de tijd. Hij begint “een kleine maand voordat Paul van Ostaijen aan Bezette stad begon”. Wie dit boek leest als achtergrondinformatie bij Bezette stad of als naslagwerk raadpleegt om een bepaalde voor hem onheldere passage uit dit uit zijn voegen barstende poëem, moet over lange adem beschikken. Een index of register mankeert, dus iets opzoeken of iets teruglezen is lastig. Er is eigenlijk maar één weg doorheen Boem Paukeslag en dat is van begin naar eind.

Misschien moet je het werk van Matthijs de Ridder zelfs wel los zien van het werk van Paul van Ostaijen. Sterker nog: misschien moet je Bezette stad niet gelezen hebben om Boem Paukeslag ten volle te kunnen smaken. De Ridder schetst op onnavolgbare wijze -want dat hij onderhoudend kan schrijven bewees hij al in nY- een tijdsbeeld. Van een kapotte metropool in een kapotte tijd. Van vroege avantgarde. Van dada, kubisme, futurisme. Van een uitgeweken revolutionair, een zoekend jongmens dat zich niet wilde “neerleggen bij het nieuwe […] normaal”, zoals De Ridder dat ergens noemt (en zoiets kan, dat weet elkendeen die mij ook maar een beetje kent, meteen op mijn volle sympathie rekenen).

Bovenal is het de ontstaansgeschiedenis van een boek. Een boek dat ik mooi vind, een boek dat ik heel erg mooi vind. Maar je hoeft het boek niet mooi te vinden om de ontstaansgeschiedenis mooi te vinden. Meer dan driehonderd pagina’s pende De Ridder en het leest rap. En het goede is, ik denk dat ik niet eens heel anders over Bezette stad of Paul van Ostaijen ben gaan denken. Boem Paukeslag is gewoon een lezenswaardig boek voor iedereen die zich interesseert voor geschiedenis, literatuur, oorlog, sociologie of de aloude menselijke zoektocht naar verlossing.

Bijpassende boeken en informatie

Jan Lauwereyns – Gehuwde rotsen

Jan Lauwereyns Gehuwde rotsen recensie en informatie nieuwe Vlaamse roman. Op 18 maart 2021 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver Jan Lauwereyns. 

Jan Lauwereyns Gehuwde rotsen recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van de roman Gehuwde rotsenr. Het boek is geschreven door Jan Lauwereyns. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver Jan Lauwereyns.

Recensie van Tim Donker

Hier zit ik dan. Of daar, ten opzichte van waar u zit. Hier zit ik, laptop opengeklapt. Kijkend, zittend, peinzend. Naast me ligt een boek dat ik met smaak -veel smaak, zeer, zeer veel smaak- gelezen heb. Gehuwde rotsen, zo heet dat boek. En ik zit achter mijn laptop en ik wil schrijven:

Geniaal!

en dan gedaan. Of:

Iedereen moet dit lezen! Iedereen moet dit lezen! Iedereen moet dit lezen!

en dan gedaan. Of:

Dit is het allermooiste boek dat ik ooit gelezen heb.

en dan gedaan.

Ja. Waarom niet eigenlijk? Waarom altijd afgekomen met die ellenlange recensies waarin ik het gelezene, en hoe ik het gelezene verstaan heb, tracht te spiegelen aan mijn eigen leven – mijn leven van nu, mijn leven van gisteren, mijn leven van dertig jaar geleden. Hoe door en door egosentries eigenlijk dit begrijpen als be-grijpen: pas als het gegrepen en ontvoerd is, en ingelijfd bij het ons bekende is het “begrepen”.  Pas als het helemaal van ons is en niet meer van die stomme schrijver die de tekst alleen maar een beetje heeft zitten oprochelen, is het begrepen. Pas als we lezende voornamelijk onszelf zien verschijnen, is het begrepen. Misschien doen zeeën van wit een boek meer eer aan. Hum. Ja. Zou kunnen. Misschien. Maar toch. Nuance. De kieren. De details. De lagen. De plooien. En dat alles willen benoemen. Of minstens een poging wagen.

Want in een boek is er inhoud. En er is hoe die inhoud vorm krijgt. Ik zei dat eerder. Ik zei dat zopas. In een andere ruimte, en het ging over een ander boek. Er is inhoud, en er is hoe die inhoud tot u komt. Afhankelijk van wie u bent, zult u meer op het ene of juist meer op het andere letten. Ook in een andere ruimte gesproken: verhalen.

We zaten in zijn huis aan de Lessinglaan. Willem en ik. Willem was echt wel een soort van vriend van mij in die dagen. Hij kende mijn voorliefde voor het experimentele proza, en hij liet nooit af die in een kwade reuk te zetten.

“Die experimenten die ken ik nu wel,” zei hij dan, “Vertel me eerst maar eens een boeiend verhaal.”

“Die verhalen die ken ik nu wel,” replikeerde ik, “Vertel me het eerst maar eens op een boeiende manier. Sowieso zijn maar twee verhalen: dat van de liefde en dat van de dood.”

Zei ik, en zweeg ik, en toen dronk ik mijn koffie. Die koffie, dat was een verhaal apart. Ik weet niet welk apparaat die tiep gebruikte maar de koffie was altijd fantastisch bij Willem. Die rook ik al van dat ik voet over de drempel zette en dan kon ik niet wachten tot hij zeggen zou: “Wil je een kopje koffie?”. En dan wilde ik een kopje ja, en een tweede en het liefst nog een derde. Ik weet niet wat voor apparaat die tiep gebruikte maar een vierde kopje zat er klaarblijkelijk nooit in.

Dat Gehuwde rotsen uitblinkt in verhalen op een boeiende manier vertellen, zal bij eerste doorbladeren meteen duidelijk zijn. Ik bedoel: de vorm. Ik bedoel: het afwijken. Ik bedoel: het experiment. Ander proza, of mag je dat niet meer zeggen? Ik zou het Cyrille Offermans eens moeten vragen.

Er zijn hoofdstukken, hier op zijn Antwerps “sjappitters” geheten. Daar kennen de zinnen geen punt. En geen hoofdletter ook. Er zijn er, zo heb ik mij laten vertellen, die menen dat het “voorbij” is om zinnen niet met een hoofdletter te laten beginnen. Alsof dat een “fase” was die de literatuur in de hoogtijdagen van het “andere proza” (ow) doormaken moest, in plaats van een prachtig mooi stijlmiddel. Veel witregels ook. Zinnen, woorden, flarden in het Antwerps.

En er zijn teksten tussendoor deze “sjappitters”. Teksten die op het eerste gezicht gedichten lijken, of ultrakort proza. Teksten die wel aan hoofdletters en punten doen.

En er zijn foto’s. Familiefoto’s zo te zien. Ook al niet heel erg gebruikelijk in de gemiddelde roman. Maar Gehuwde rotsen is wel een roman. Het staat op het omslag. Dus is het zo. Het is een roman, maar wat een maffe roman lijkt het.

Misschien moet dat geen verbazing wekken. We praten immers over Jan Lauwereyns. O, ik ken nog geen fraksie van wat deze veelschrijver allemaal op zijn naam heeft staan. Boventalig, overtalig, hij schreef ook nog in het Engels en in het Frans en in het Japans. Ik ken maar drie titels. Of eigenlijk twee. Anophelia! De mug leeft en Stemvork (dat laatste schreef hij samen met Arnoud van Adrichem). Monkey Business vond ik ooit bij, mind you, de drogisterij hier in het dorp. Het lag in een bak met afgeprijsde boeken. De bak stond voor de winkel, ik liep daar maar wat te lopen, ik keek alleen uit verveling in die bak en niet in de verwachting er iets moois in te vinden. Maar iets moois lag er in, verdomd, een boek van die Lauwereyns die ik wel kende van dat prachtige Stemvork van weleer (ja wanneer was het weer?). Monkey Business – zowel de naam als het omslag spraken me niet direkt aan en doorbladeren kon niet want het zat in plastiek. Maar van Jan Lauwereyns dus ik kocht het, maar ik kwam er nooit toe het te lezen. Ik weet niet waarom. Iets in het boek zette me niet tot lezen aan, denk ik. Zoveel in Gehuwde rotsen zette me wel tot lezen aan.

Het vormexperiment is in dit geval maar één. De inhoud is twee. Ik las niet veel vaker een boek dat me op beide vlakken in de ban hield. Maar Lauwereyns doet dat dus: schone dingen op een boeiende manier vertellen. In de sjappitters ontvouwt zich een autobiografie. Of een deel ervan. Voor zover een autobiografie überhaupt mogelijk is. Woorden vallen nooit geheel samen met waar ze naar verwijzen, en dan zit dat falende geheugen van de mens er ook nog eens tussen. Je kunt het ook een ode noemen. Een ode aan zijn moeder. Yolande. Een ode aan het leven ook, maar daar kom ik later nog over te spreken.

Het gezin van de jonge Jan Lauwereyns. Zijn vader, zijn moeder, zijn broer. Uiteraard gaat veel aandacht uit naar de scheiding van vader en moeder en de zelfmoord van moeder later. Harde, schrijnende verhalen. Pijnlijk, en diepe duisternis. Maar zo leest het niet. Het afzien van de gebruikelijke interpunctie ontneemt de tekst een deel van zijn zwaarte. Het geeft het boek een bedachtzame, zoekende toon. Er mag getwijfeld worden. Want het geheugen stottert. Er is “wie es eigentlich gewesen war” en er is de afdruk daarvan in ons hoofd. En wat in Lauwereyns’ hoofd zit laat hij eruit stromen waar de lezer bij is. En dat is een waar genoegen. De sjappitters hebben een melankolieke ondertoon. In weerwil van wat hij vertelt is het niet tragisch of dramatisch of larmoyant. Slechts de bitterzoetheid van wat niet meer is. Dat wat vergaan is. De dingen. Het is één uur ’s nachts en ik sta af te wassen. Zegt iemand, zegt Femke Ik spreek jou nog wel als je kinderen hebt dan moet er orde zijn dan kun je niet meer om één uur ’s nachts staan af te wassen en nu zijn mijn kinderen zes en zeven en het is één uur ’s nachts en ik sta af te wassen met Simeon ten Holt op de steerjoo en ik mis Femke en ik denk aan toen mijn zoon één jaar oud was en mijn dochter nog niet eens geboren en mijn zoon kon ‘s middags de slaap niet vatten en ik zat daar met hem, op de bank, en Simeon ten Holt op de steerjoo en ik wiegde mijn zoon zachtjes tot hij sliep, en ik mis dat mijn zoon één jaar is en ik mis zijn middagdutjes en ik mis Femke en het is geen verdrietig missen, het is zoet missen en dat is melankolie. En het heeft geen zak met Gehuwde Rotsen te maken maar daar staand, afwassend, de zoete mis, dacht ik wel ineens heel sterk aan dat boek.

De melankolieke toon geeft Gehuwde Rotsen vlees. Het boek is een mens. Een mens om mee op kaffee te gaan. Peinzend in whiskyglazen kijkend verhalen vertellen. Gesprekken met veel witruimtes. Er zijn niet veel mensen bij wie je goed kunt zwijgen. Mooi zwijgen. Bedachtzaam zwijgen. O dit boek zwijgt zo mooi. Dat vele wit. Je kunt de ruimte nemen op te kijken, naar de muur staren en te peinzen over wat je gelezen hebt. Want Lauwereyns kan mooi zwijgen maar ook heel mooi spreken. Zijn Nederlands is poëties, het Antwerps is zangerig. Ergens heet het dat Antwerps het lelijkste dialect is dat er bestaat, en dat is net de reden waarom Lauwereyns het inzet. Hij wil het ontdoen van die lelijkheid en van het xenofobe waarmee het veelal lijkt samen te hangen. Maar stiekem vind ik dat Antwerps gewoon heel erg mooi.

Jan Lauwereyns Gehuwde rotsen Recensie

Doch Gehuwde Rotsen is meer dan vlees alleen. Het is ook geest. Lauwereyns slentert niet allenig maar door het herinneringslaantje – hij reageert duidelijk vanuit zijn huidige leven op het vroegere. Dat huidige leven daar in dat verre Japan van hem waar hij nu woont. Waar hij boeken leest. En ook over die boeken weer dingen denkt die hij – hee, ik ken dat – terugwerpt op zijn eigen bestaan. Veel van die gedachten gaan over The Human Predicament, een zwartgallig boek van anti-natalist David Benatar. Hierin krijgt Gehuwde Rotsen ook een ongemeen filosofisch karakter.

Dat wordt nog sterker in de tekstjes die zich tussen de sjappitters in staan. Wanneer je het boek daadwerkelijk gaat lezen (het is al zo mooi om het alleen maar te bekijken maar het wordt echtwaar nog veel mojer als je het gaat lezen), blijkt het niet louter poëzie te zijn wat in de “tussentekstjes” opblinkt. Het kan ook proza zijn. Een navertelde film misschien. Eveneens aantekeningen over vroeger maar wat uitgepuurder, wat stelliger dan in de sjappitters. Vestzakessays soms. Ik vind niet alle tussentekstjes even sterk, de gedachten van Lauwereyns lijken er wat meer tot stolling gekomen te zijn en de referenties zijn er ook alweer een pakje meer doorsnee. Descartes en Kant en Wittgenstein komen langs bijvoorbeeld, en die hebben we vaker langs zien komen in onze boekenkasten niet?

(van Wittgenstein kun je denken wat je denken kunt -in de Tractatus maar vooral in Filosofische onderzoekingen wordt er voorzekers niet nevens gepeinsd- maar dat g’uw bakkes moet toedoen over de dingen waar je niet over spreken kunt vind ik nog altijd één van de allerslechtste adviezen allertijden en het is als je het mij vraagt dan ook nooit beter beantwoord dan door Dirk von Lowtzow die samen met zijn bandje Tocotronic Wittgenstein op navolgende wijze replikeerde: “doch ich muss reden auch wenn ich schweigen muss”)

(als je het mij vraagt zei ik maar je vraagt het mij niet en daarom zeg ik het toch maar)

Ik vind het echter wel een moje vorm: eerst de sjappitters en dan die andere teksten. Het is alsof de sjappitters het geleefde leven weergeven, en de tussenteksten hoe dat leven tot woord gestold is. Zo legde ik ook het omslag uit: de grote rots het leven, het kleine rotsje de weergave ervan in tekst (of zou het andersom zijn?). Wat niet is zoals het omslag uitgelegd dient te worden. Maar vooruit, de lezer krijgt voldoende speelruimte in Gehuwde rotsen.

Met, of liever tegenin, The Human Predicament en de zelfmoord van zijn moeder, komt Lauwereyns tot moje analyses over het leven en hoe dat lief te hebben. Dat is dan die ode. Een ode, een autobiografie, een filosofie, een roman; recensie, essay, poëzie – dat alles, en meer nog is Gehuwde Rotsen: één van de zachtaardigste, mooiste, wijsgerigste, weerbarstigste, troostrijkste, innemendste, ontroerendste en rijkste boeken die ik ooit gelezen heb. En dat is dan die nuance.

En nu dan echt gedaan.

Gehuwde rotsen

    • Schrijver: Jan Lauwereyns (België)
    • Soort boek: Vlaamse roman
    • Uitgever: Koppernik
    • Verschijnt: 18 maart 2021
    • Omvang: 336 pagina’s
    • Uitgave: paperback
    • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol

 

Flaptekst van de nieuwe roman van Jan Lauwereyns

Ontroerend poëtisch onderzoek naar Antwerpse wortels.

De gedachte aan de twee leeft in de rotsen,
verbonden met een dik strooien koord.

Zo luiden de slotregels van een kleine Japanse parabel, over de archetypische Moeder en Vader. Moeder heeft een razende doodsdrift. Vader hunkert minstens zo hard naar meer geboortes. En wat heeft dat koord te betekenen? 

Seg Jan, zoagt tegen oe weurmkes. (Te vertalen als: ‘Zeg Jan, zeur tegen je wormpjes.’) Op dit aangeven van zijn dode moeder gaat de genoemde zoon tien dagen lang wroeten in zijn geheugen, dat misschien ook wel een geweten is. Overigens spookt niet alleen de moeder nog. Ook de dode vader wil niet vergeten worden. 

Alles bij elkaar blijkt de materie door en door menselijk, met gebrekkige liefde, aanlokkelijke zwartgalligheid en tot mislukken gedoemde huwelijken. 

In Gehuwde rotsen laat Jan Lauwereyns het verhaal maar stromen zoals het zich aandient, in de vorm van een nieuwe (en tegelijk superklassieke) kruisbestuiving: Augustinus met Boccaccio. Bekentenissen, met veel aandacht voor vader en moeder, in tien dagen, tien hoofdstukken, geschreven in de moedertaal. Met flarden van een soort Antwerps dat zich liever met het oor dan met het oog laat lezen. 

Tsjak, zoê, en voorts, en verder, wordt er getokkeld. Terwijl er buiten een pandemie woedt, bidt het binnenste tevergeefs om troost. 

Jan Lauwereyns informatie

Jan Lauwereyns (1969) is schrijver, dichter en neurowetenschapper. Zijn dichtbundel Hemelsblauw werd in 2012 bekroond met de VSB Poëzieprijs. In 2003 verscheen zijn roman Monkey business, die binnenkort opnieuw verschijnt. Iets in ons boog diep stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2016. Hij woont en werkt in Fukuoka, Japan.

Bijpassende boeken en informatie

Louis van Dievel & Britt Droog – Madeleine

Louis van Dievel en Britt Droog Madeleine recensie en informatie over de inhoud van het Vlaamse romanfeuilleton. Op 24 februari 2021 verschijnt bij Uitgeverij Vrijdag de nieuwe roman van de Vlaamse schrijvers Louis van Dievel en Britt Droog.

Louis van Dievel & Britt Droog Madeleine recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van de roman Madeleine. Het boek is geschreven door Louis van Dievel en Britt Droog. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van het Vlaamse romanfeuilleton van Louis van Dievel en Britt Droog.

Recensie van Tim Donker

Wacht. Dievel zeg je? Van Dievel? Ja, die ken ik wel. Van hem las ik immers De onderpastoor. Of lezen. Naja. Dat is. Ik kwam tot bladzijde 84, toch. Maar het boek telt er bijna vierhonderd. Ik las van dat boek dus eigenlijk meer niet dan wel. Wat niet perse aan het boek lag, haast ik me te zeggen (it’s not you, it’s me). Ik weet het niet. Er kwamen andere boeken op mijn pad. Recensie- en andere exemplaren. En De onderpastoor geraakte onderaan een stapel en kwam op eigen kracht niet meer boven. Vreemd. Ik had wat ik ervan gelezen had toch straf schoon gevonden. Zo schoon zelfs, dat ik het had aangeraden aan een bevriende dominee. Hoewel “vriend” hier misschien een beetje sterk uitgedrukt is en dat zeg ik niet alleen maar omdat ik de verdenking van me af wil wentelen als zou de klerus me na zijn. Verre van een onprettige leeservaring hoe dan ook, en toch was het overheen mijn horizon gevallen.

Maar in zwijgen spreekt misschien des te welluidender uw geest, dacht ik dan maar – het ongelezene kon gelden als een versterking van de schoonheid van het gelezene misschien.

(zegt Adam Zagajewski: wat zingt, is wat zwijgt)

(en Adam Zagajewski, die ging dood. en ik, opverend. hij is dood, Adam Zagajewski is dood. maar nadat ik hem de langste tijd verwarde met Adam Zamzeenzad en m zelfs nog eventjes voor een nazaat van Jevgenij Zamjatin had gehouden moest ik tot de konkluzie komen dat ik eigenlijk niet zo goed wist wie Adam Zagajewski eigenlijk meer was dan zo’n naam waaraan te pas en te onpas gerefereerd wordt)

En Britt Droog. Ja. Nee. Die ken ik niet. Ik zou kunnen zeggen dat de naam Britt zelden aan een interessant persoon heeft toebehoord en dat het feit dat heur achternaam bij onmiddellijke associaties oproept met Bart F.M. me ook al niet erg hoopvol stemt…, maar dat zeg ik niet nee ik zwijg. En ik lees. In Madeleine.

Ja. Ik bedoel: ik lees. Hoort het eens uit. Ik lees ik las ik heb gelezen. Terwijl het boek zo weinig voor me mee had, op eerste gezicht dan. Met die Britt en die Droog en die titel en dat omslag dat ik eerlijk gezegd nogal heel erg spuuglelijk vond. En alleen maar die Van Dievel van wie ik ooit es enkele tientallen pagina’s met veel smaak gelezen had om dat alles goed te maken. Ging ik lezen, las ik, heb ik gelezen. Ik las Madeleine in minder dan een halve week uit. En nee, overdreven dik is het boek met zijn (haar?) 253 pagina’s niet nee maar voor mijn doen is dat toch heel erg snel. Eerstens omdat ik altijd mimimaal vijftig boeken tegelijk lees (ofnee niet tegelijk nee maar door elkaar) en twedens omdat ik post moet bezorgen, en koken, en afwassen, en de plee kuisen, en vegen, en mijn kinderen naar school brengen, en voor ze zorgen, en met ze spelen, en ik moet mjoeziek luisteren, zo ongelooflijk veel mjoeziek moet ik luisteren, en daar woordjes over zeggen, hier, daar, op een andere site, en peinzen moet ik, en triest zijn moet ik, en in bad liggen moet ik, en zwijgend in mijn koffie kijken moet ik, wie heeft er tijd om boeken te lezen?, in minder dan een halve week dan nog?

Madeleine léést. Madeleine leest prettig. Ik ken maar weinig boeken die ik met zoveel plezier, zoveel zin, zoveel gedrevenheid heb gelezen als Madeleine. Legde ik het neer, om een van de hoger genoemde dingen te gaan doen bijvoorbeeld, wilde ik het alweer oppakken. Madeleine is (voor het grootste gedeelte althans, maar daar kom ik straks nog over te spreken) warm, fijn, grappig, lieflijk, aangenaam en voelgoed. En dat voor een boek dat zich afspeelt tegen een achtergrond van armoede, mishandeling, verwaarlozing, ziekte, dood, misdaad, alcoholisme, ontrouw, aftakeling, agressie, onnozelheid en algehele gekte. Hoe? Hoe hebben ze’m dat gelapt, die Droog en die Van Dievel om van zulke ellende een boek te smeden dat voor het grootste gedeelte een warm en zacht bedje is waar je maar in wilt blijven liggen en liggen en liggen?

Hoe? Ik ga u zeggen hoe.

Er is inhoud. En er is hoe je die inhoud overbrengt.

Inhoudelijk vertelt Madeleine het weinig boeiende verhaal van de uit een laag milieu afkomstige Madeleine Verboven, een vroegtijdige schoolverlaatster die na de nodige uitzichtloze baantjes terecht is gekomen bij het belachelijk rijke stel Jacques en Elfride waar ze in eerste instantie schoonmaakster is maar het al vrij snel tot een soort van life coach schopt – hetwelk in praktijk betekent dat ze goed betaald wordt om naar haar “werkgevers” te luisteren, waar nodig wat adviezen te geven en vooral de rol te hebben van een gezinslid en dus erbij te zijn op hun exorbitante uitjes en dito etentjes. Klinkt als het scenario voor een hollywoodiaanse vrouwenfilm of het gegeven van een nieuwe serie op NET5 en niet als een boek dat mij voor enkele dagen stevig in zijn ban houden wist.

Dus nogmaals. Hoe?

Voorwaar. Ik zeg u. Er is inhoud. En er is hoe je die inhoud overbrengt.

Dat Van Dievel me kan laten vreten wat ik nooit dacht te vreten, bewees hij met De onderpastoor reeds (al heb ik dat dan ook niet helemaal opgegeten) want intriges in een parochie rondom een veel te progressieve onderpastoor klonk ook al niet als een gegeven dat mij meteen deed opveren uit mijn zetel en dat het “waargebeurd” is, hielp evenmin mee. Toch las ik er graag in totdat die boekenlawine De onderpastoor bedolf. Dat had iets te maken met die volkstaal, meende ik indertijd te detecteren.

Wel. Volkstaal is er in Madeleine genoeg. Het is in plat Vlaams geschreven. Dat is het eerste wat er zo aantrekkelijk aan is. Ik vind dat Vlaams zo prachtig. Zoveel prachtiger dat Nederlands. Zoveel prachtiger ook dan Engels (naar mijn weten werd Louis Paul Boons De kapellekensbaan in het Engels vertaald als Chapel Road maar zeg nu zelf: dat is toch niet hetzelfde? De kapellekensbaan behoort tot de mooiste boeken die ik ken maar een boek dat Chapel Road heet zou ik nooit willen lezen). Wel, aan Madeleine kon ik mij goed laven wat dat Vlaams betreft. Ik heb aardig wat boeken in mijn kast staan waarin Belgische schrijvers het Vlaams niet schuwen, en dan heb ik ook nog -in een andere kast- vele cd’s in één of ander Vlaams dialect. Ik ben er dus niet direct onbekend mee, is wat ik zeggen wil, maar in Madeleine kwamen toch nog wel wat Vlaamse woorden voor die mij (ho, daar had ik bijna gezegd: zelfs mij) niets zeiden. En die ik niet heb opgezocht natuurlijk, omdat in de context meestal wel duidelijk was wat het zeggen wou en zo niet – des te beter. Soms zijn die Vlaamse woordbouwsels zo ongekend geniaal dat je het niet moet willen verpesten door er zoon saai afgezaagd neerlands ekwievalent aan te hangen.

Maar niet aan het Vlaams alleen dankt Madeleine zijn (haar?) lezenswaardigheid. Ikfiguur Madeleine Verboven vertelt haar aan u! Ja. U! De lezer! Ze richt zich tot u, ze praat tegen u. Dat werkt altijd goed he, de lezer direct aanspreken. Doet u voelen alsof u één bent met het boek. Een van de polen die de vertelling in evenwicht houden. De vertelling kan niet zonder verteller, maar ook niet zonder toehoorder. En bladzij na bladzij blijven Droog en Van Dievel de lezer erbij slepen, hem onderdompelend in de zalige waan dat hij in Madeleine volwaardig gesprekspartner is. Een enkele keer drijven ze de illuzie te ver, bijvoorbeeld als Madeleine zogenaamd reageert op iets dat de lezer gezegd zou hebben. Dan wordt het een beetje potsierlijk en op de verkeerde manier lachwekkend. Maar int algemeen slaagt het schrijversduo er griezelig goed in een sfeer te creëren alsof ze daar zit, Madeleine. Bij u thuis. Op de bank. Misschien is ze je poets- of buurvrouw. Misschien is ze een vriendin. Misschien is ze iemand die je vroeger gekend hebt en die je net weer tegenkwam bij de Albert Heijn. Nu zit ze op de bank, jullie drinken koffie en later uiteraard port of wijn, en Madeleine vertelt. En blijft vertellen. Omdat jouw bank zo lekker zit, jouw koffie zo goed smaakt en er geen betere oren zijn dan de jouwe om dit aan te horen.

Louis van Dievel & Britt Droog Madeleine Recensie

Een laatste verteltechniek die voor zoveel vaart zorgt, houdt allicht verband met de oorspronkelijke verschijningswijze van Madeleine. Het was in eerste instansie een feuilleton op internet. Waar op het internet dat weet ik niet; gewoon: “op internet” zeggen ze (heb je wel goed gekeken? óp het internet hè. niet erachter of eronder). Madeleine praat niet vanuit het eitje. Loopt op de zaken vooruit, herneemt eens iets, belooft er later op terug te komen. Veel episodes uit haar leven komt de lezer niet in één keer aan de weet. Het is een gekende truuk, het is misschien een beetje een flauwe truuk maar het is er wel één die er in slaagt de aandacht bij het boek te houden. Want hoe zit dat nou presies, en hoe gaat het verder, en hoe is het zo gekomen? Dat gaat dan ongeveer zo:

“Heb ik al gezegd dat ik afkomstig ben van Okselaar, gelijk okselhaar maar dan zonder h? Grapje! Zijt ge daar al eens geweest? Ik denk het niet. Ge moet het al weten liggen. Als ge in Veerle de baan naar Diest neemt, passeert ge aan uw rechterhand dancing Heideroosje. Dat is in de streek een bekend etablissement. Daar heb ik mij door de Ronny laten doen. Och, ik wil eigenlijk niks over de Ronny zeggen. Later misschien. Ge rijdt voorbij dancing Heideroosje, altijd maar rechtdoor, en als ge coiffeur Mario ziet, of het Dierenparadijs, dan zijt ge in Okselaar. Er is niks te zien. Mijn straat zijt ge voorbij voordat ge het weet. De Molenvijver. Op de hoek van de grote baan en café Den Oxo neemt ge de Tessenderlobaan. Een dikke kilometer rechtdoor blijven rijden, en dan rechtsaf. Daar heb ik dus altijd gewoond. Of bijna altijd, want toen ik nog met de Ronny getrouwd was…

Ik ging over de Ronny zwijgen.”

Niet ongeveer zo. Presies zo. Dat vertrouwelijke taaltje, dat direkte spreken, die licht chaotiese verteltrant die maakt dat Madeleine zich gemakkelijk verliest in zijsporen, en in zijsporen van zijsporen… – dat dus. Dat maakt dat het me zo fijn was, daar in dat eerste deel. Dat ik het zo graag las. En ook dat ik Madeleine me zo sympathiek werd. Ik heb dat niet zo snel bij romanpersonages. Meestal blijven die van papier. Daar. In dat boek. Maar ik liet me met graagte zo schandelijk manipuleren door Droog en Van Dievel dat Madeleine vlees werd, bloed werd, persoon werd. Die ik liefhad. Ofnee, laat ik niet overdrijven. Die ik graag mocht toch. Dat wel.

Maar dan. Met Madeleine is het niet gedaan na pagina 165. Na deel één komt deel twee. Ja. Deel twee heeft anders dan deel één een titel. Madeleine in quarantaine zo luidt die titel. En mijn gevoelens zijn gemengd. Zeer. De -nogal afgezaagde- anticlimax in hoofdstuk 27, naar ik aanneem oorspronkelijk bedoeld als einde, is flauw, gemakzuchtig en laf en in zijn halfhartigheid nogal lauwtjens ook. Het slaat bijna al het voorgaande aan diggelen. Dat kan goed zijn, een bloedmooi stijlmiddel kan dat zijn. Hier echter leek het me niet op zijn plaats. Al goed dus dat het niet het definitieve einde geworden is. Maarja. Wil ik die Madeleine die me vlees geworden was die me bloed geworden was die me sympathiek geworden was wel terugvinden in de hoek der coronafascisten? Of, mocht u dat laatste woord te zwaar vinden: in de hoek van diegenen die zonder enige vorm van protest of kritiek en met hangend hoofd gedwee al hun burgerrechten zijn gaan inleveren bij de alleenheersers die vandaag overheen bijkans heel de wereld de dienst zijn gaan uitmaken. De makke schapen die zich met angst als eeuwige raadgever bijeen hebben laten drijven achter dat hek dat nu en voor altijd hun leefruimte geworden is om van daaruit boos te blaten naar de zwarte schapen die hun vrijheid te lief hadden om alles voor zoete koek te slikken en de euvele moed aan de dag leggen om gewoon door te blijven lopen. Dan misschien toch liever dat zwakke einde en wél gedaan na pagina 165.

En het gaat al vrij rap mis. Dat plaatje bij deel twee, onder die dubieuze titel. De Madeleine van de voorkant maar dan gekneveld met zo’n achterlijke mondkap die niet werkt (& sterker: eerder nog ziek maakt) maar die toch om één of andere rare reden verplicht is geworden (ook hier in dit land, waar nog niet zo gek lang geleden zo’n hetze was tegen “gelaatsbedekkende kledij”). Of dat ten geleide op pagina 169 dat zegt dat “dit boek [eigenlijk] in de herfst van 2020 [had] moeten verschijnen”, maar “[c]orona heeft er anders over beslist”. Feitelijk is het niet corona die zulks beslist, maar de overtrokken coronamaatregelen die maken dat veel anders is gelopen dan gepland. Maar dat is het ergste niet; corona als grote schuldige aanwijzen (en niet de beleidsmakers) is gangbaar geworden in het dagelijks taalgebruik en ik corrigeer mensen er al niet meer op. Alleen bij mijn zoon van zeven en mijn dochter van zes probeer ik het verschil tussen die twee helder te houden. Erger nog is dat het tot op het bot uitgekauwde “ieder nadeel heb zijn voordeel” er maar weer eens bijgehaald wordt, een kliesjee dat ik werkelijk waar niet meer wil horen. Voor zo lang als ik leef niet. En dan die wijd en zijd al te vergoddelijkte Cruijf ook nog een “voetbalfilosoof” noemen (filosoof mun voeten ja). Van dat warm gevoel dat deel één me gaf schoot al bijna niks meer over voor ik een letter in deel twee gelezen had.

En verdorie, al in hoofdstuk 1 van deel 2 toont Madeleine zich het braafste meisje van de klas door als enige niet naar de “lockdownparty” te gaan die op vrijdagavond zou gehouden worden in haar stamkaffee Den Oxo, “vóór alle cafés in het land dicht moesten”. En achteraf prijst ze zich daar gelukkig om, want: “Op maandag lieten al drie feestvierders op Facebook weten dat ze zich maar raar voelden. Op dinsdag lag er al een in het ziekenhuis van Diest. Op de spoed. De Stef. En het was niet voor een snotvalling. Op woensdag begonnen ze op Facebook op Danny van Den Oxo te schelden, dat het allemaal zijn schuld was.” Wat me een tikje aangedikt lijkt, aangezien de incubatietijd van corona volgens mij minimaal vijf dagen is. Als het gaat om ongefundeerde verspreiding van coronahysterie doen al onze overheden al genoeg hun best, laat dat asjeblieft wegblijven uit de schone kunsten. Mijn ergernis is gewekt. Goed. En het einde is al in zicht. Gaat dat nog goedkomen of ga ik op de valreep toch nog een slechte smaak in mijn mond overhouden aan Madeleine?

Het komt goed. Of het komt niet goed. Of een beetje goed. Ik weet het niet. Hoewel corona gelukkig geen hoofdrol opeist in het twede deel, zijn er toch nog wel wat passages, zinnen en opmerkingen die ik liever niet had gelezen. Ik ga die niet allemaal opsommen. Hou het erop dat Madeleine op het einde voor mij niet meer dat heerlijke mens is dat ik in deel één had kennen geleerd.

Al komt dat ook door andere zaken. Het fortuin is haar in deel twee een stuk minder gunstig gezind dan in deel één. Die opmerking is trouwens feitelijk van toepassing op alle verhaalfiguren.

En nu ik u toch in die hoek heb. Het hoofdstuk 9 dat op bladzijde 217 begint is nu het werkelijke slot en van een anticlimax is zeer zeker geen sprake meer. Eerder het tegenovergestelde, hoe dat te noemen? Een superclimax ofzo. Een explosie van gebeurtenissen, de een al theatraler dan de ander. En iedereen die in deel één voorkwam, speelt er een rol(letje) in. Zo vet, zo overdreven, en zo’n krankjorume samenloop van omstandigheden dat het bijna slapstick wordt. Dramatische slapstick, bestaat dat al?

Maar de laatste tien zinnen van de allerlaatste bladzijde ontroeren me buitenmate. Een tranentrekkerige ontroering, een ontroering “ondanks mijzelf”; hoe ik hier tot tranen toe geslagen word daar is Disney niks bij. Maar goed, het effect is hetzelfde: ik sluit het boek met een ferme krop in mijn keel en kippenvel overheen heel mijn lijf. En met het gevoel dat ik eigenlijk twee boeken gelezen heb.

Deel 1 was gelijk ik zei luchtig, lieflijk, komisch, aandoenlijk. Hartverwarmend, zou ik bijna zeggen als ik van dat woord geen slappe knieën kreeg.

Deel 2 is hard, rauw, grimmig, dramatisch, sensationeel en troosteloos. Dus. Wel. Ja. Nee. Hmm. Ik weet nog steeds niet of dat twede deel schrijven wel zo’n goed idee was van Droog en Van Dievel. Je kunt in ieder geval zeggen dat je nu twee boeken krijgt. Voor de prijs van één. Dat moet ons Hollanders toch in ieder geval aanspreken, hè.

Madeleine

  • Schrijvers: Louis van Dievel, Britt Droog (België)
  • Soort boek: romanfeuilleton, Vlaamse roman
  • Uitgever: Uitgeverij Vrijdag
  • Verschijnt: 24 februari 2021
  • Omvang: 168 pagina’s
  • Uitgave: Paperback / Ebook
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol 

Flaptekst van de feuilletonroman van Louis van Dievel en Britt Droog

Maak kennis met Mrs Madeleine Verboven: een veertiger met wat overgewicht en een rokershoestje, kuisvrouw van beroep maar niet uit roeping. Afkomstig uit Okselaar, zoals okselhaar maar dan zonder h. Veel te jong getrouwd, moeder van een kind dat inmiddels volwassen is en in ‘den bak’ zit. Tegenwoordig een hobbelig liefdesleven en een hondje dat Angèleke heet. Streetwise, met een korst op haar ziel. Leep, maar niet slecht van inborst. Marginaal? Misschien. Maar daar wordt aan gewerkt. Want bij Elfride en Jacques thuis heeft Madeleine het eindelijk getroffen, méér dan getroffen. Bij deze welstellende lieden heeft ze het min of meer tot een soort van gezinslid geschopt. Wat tal van opportuniteiten biedt, om dat modewoord eens te gebruiken.

Bijpassende boeken en informatie

Jeroen van Rooij – Het gesprek / Dierengebeden en buitengebieden

Jeroen van Rooij Het gesprek Dierengebeden en buitengebieden recensie en informatie nieuwe gedichten. In november 2020 verschijnen twee nieuwe bundels van de Nederlandse dichter Jeroen van Rooij.

Jeroen van Rooij Het gesprek / Dierengebeden en buitengebieden

Recensie van Tim Donker

Zomaar een dag in een wereld die nog niet nog gekker geworden was: ik breng mijn kinderen naar school want dat had Maffe Mark toen nog niet verboden. Begin december. Mijn zoon bij mij achterop. Want dat wisselen ze af. Op zijn gymdagen zit mijn zoon achterop. De andere dagen mijn dochter. Het is maandag, een gymdag, mijn zoon zit er. Ik open mijn mond en als steeds weet ik niet wat eruit zal komen als ik zeg: “Er was een gast. Een onderwatergast die de zee beheerste. Hij werd gedood door tien miljoen pond slijk uit New York en New Jersey. Deze aap is gaan hemelen.” Mijn zoon, mijn prachtige zevenjarige zoon, zegt niet pappa wat zit je maf te lullen. Nee hij zegt: Dat moet Poseidon zijn geweest! En we spreken verder over mythen, over hoe de dagen aan hun namen komen, over religie, over tijd, over dood – dat alles in die amper tien minuten die het duurt om naar de school te fietsen (mijn dochter, mijn prachtige vijfjarige dochter, fietst een paar meter voor ons en zingt sinterklaasliedjes). Op de terugweg bedenk ik me hoe woorden geboorte geven aan andere woorden en dat dat is waarom ik zoveel hou van taal. Het moet die dag geweest zijn waarop ik begon lezen in twee boeken van Jeroen van Rooij die onlangs uitkwamen bij het balanseer.

Boeken, ik zeg. Want een pasklare term voor deze twee werken heb ik niet direct. dierengebeden en buitengebieden lijkt nog enigszins op zoiets als een “dichtbundel” maar je zou het net zo goed een konseptalbum kunnen noemen. En het gesprek zou van alles kunnen zijn. Ik weet het niet. Er kleven geen stickers op de boeken, en er is geen achterplat. En ik stuur een berichtje naar de man die de boeken aanvroeg en aan mij gaf en die op het bovenste verdiep van ergens een flat woont en ik schrijf, ik vraag: Zat er een bio bij die boeken van het balanseer? En hij stuurt terug, hij schrijft Nee, helaas, zegt hij, hij zegt: Je zou eens kunnen kijken op de website. En ik leg mijn telefoon, mijn splinternieuwe telefoon, op de secretaire (en later kon ik hem niet meer vinden omdat hij bedolven was geraakt onder kladjes, schrijfsels, aantekeningen, invallen, ideeën, overpeinzingen, bio’s (van andere boeken), nog eens bio’s (van seedees), kindertekeningen, vodjes en onleesbare notities) en ik denk Ja dat is een goed idee. Dat ga ik doen, denk ik, ik ga op de website kijken. En pas als ik de laptop aangezet heb en een blauwachtig scherm me zijn licht in mijn gezicht spuwt, valt mijn franc. Geen achterplat!, denk ik. Verdomme, geen achterplat! Hoe en zee!

Geen achterplat.

Geen achterplat. Dus: geen foto. O wat fijn. Niet hoeven peinzen Wat heeft die zeikerd een vervelend kapsel. Of: waarom kijkt hij zo aanstellerig de camera in (met duistere blik, want dat is interessant). Of: welke gek trekt nu in jezusnaam zo’n achter bloesje aan? Maar ook: geen hysterische persstemmen. Geen “de literaire sensatie van het jaar” of “dit is poëzie die ertoe doet.” Geen (half)bekende Nederlander die iets positiefs te murmelen had over dit boek, geen u of v van krant w of x die y of z zei. Geen personalia. Geen geboortejaar, niet de stad waar Jeroen van Rooij werkt, geen “Jeroen van Rooij trad op van Pisa tot Parijs”, niet de obligate opsomming van alle literaire bladen waarin hij publiceerde. Een heerlijke, fantastische, weldadige leegte. Vooral: geen zinnetjes die me op voorhand al vertellen hoe ik dit straks al lezende moet gaan duiden. Waar het over gaat. Wat het “eigenlijk” “is”. Geen “het gesprek is een ode aan de liefde” of “het gesprek legt het onvermogen tot werkelijke communicatie bloot” of “In dierengebeden en buitengebieden worden de noden van onze tijd op rake wijs naar voren gebracht” of braak jij er nu even iets onzinnigs uit. O! Hoe heerlijk! Eindelijk een uitgeverij die het begrijpt! Eindelijk boeken die de lezer helemaal zelf mag lezen!

(je kunt zo’n achterplat ook niet lezen, ik hoor u zeggen. maar neen. dat gaat niet neen. ik moet dat lezen he. het is een ziekte. het is een afwijking. ik weet dat het mijn leesplezier keer na keer voor niet eens een klein deel vergalt, maar ik kan het ook niet ongelezen laten. is er een achterplat, is er een bio. dan moet ik lezen, dan moet ik lezen. sommige mensen gaan trager rijden om een ongeluk op de andere weghelft beter te zien, ik lees achterplatten)

Dus ik begon, brandschoon & met niets dan mijzelf & het boek, aan het gesprek.

Ofnee. Dat is niet helemaal waar. Er was ook koffie (was er koffie?), er was een bank, en er was mjoeziek. Op de cd-speler terwijl ik dit las: Quiet City van Pan American & het paste er goed bij. Ook nog op de cd-speler terwijl ik dit las: V van Barn Owl. En het paste er goed bij.

Bij?

Waarbij?

het gesprek iseen poëem. Of is het een overpeinzing? Een gedachtewisseling? Brokstukken? Een interview? Een persiflage op een televisieprogramma? Een semi-religieuze introspectie? Er zijn vragen, zoveel is zeker. Het zijn vragen zoals “Wat vind jij in een kerk?”; “Wie zitten er aan jouw laatste avondmaal?”; “Wanneer mis je God het meest?” en “Wat vind jij van Jezus?”. De vragen komen van de Evangelische Omroep. Want zoveel leegte is er weer niet, dat er geen danklijst zou zijn (is er een danklijst, dan moet ik lezen, dan moet ik lezen). De danklijst dankt de Evangelische Omroep voor de vragen. Dat staat tussen haakjes: (voor de vragen) staat er. Allicht is het gesprek gebaseerd op een televisieprogramma, ik nie weet nie, ik kijk niet zoveel televisie. Het Gesprek klinkt wel als een naam van een EO-programma. Ik zie zo’n EO-maker al zitten en met hele serieuze blik het soort vragen als de hoger geciteerde stellen aan een geloofsgenoot.

Op die laatste bladzijde, die danklijstbladzijde staat ook nog: “Het gesprek is geschreven in de context van het project Besmette Stad van Vlaams-Nederlands Huis deBuren (https://deburen.eu/besmette-stad). Een door Andy Kipple uitgevoerde versie is te vinden op https://deburen.eu/besmette-stad/72/andy-kipple .” maar daarmee wordt het gelukkig niet veel duidelijker – vooral niet omdat Andy Kipple en Jeroen van Rooij volgens mij één en dezelfde zijn. De websites heb ik overigens nooit bezocht.

Goed. Vragen. Maar antwoorden, dat is een heel ander paar mouwen. Er zijn vragen, en er is tekst na de vragen. Achter. Onder. Voorbij de vragen is er tekst. Soms kunnen die teksten onder de vragen nog wel gelden als ongevere antwoorden, schijnbare antwoorden, min of mere antwoorden, of, in een doodenkel geval, als vrij directe antwoorden maar vaker nog lijken de teksten nog maar weinig te maken te hebben met waar het in de vraag om ging. Op de vraag “Wat is ware liefde?” is “Onware liefde bestaat niet / en ware liefde is een gif // dat geliefden splijt, ziek maakt / en doodt.” nog wel een helder (en tamelijk juist) antwoord; “Het kaarsje kost een euro // Het brandt voor het consumentenvertrouwen / de motor van onze welvaart.” geeft een cynische lading aan de vraag “Voor wie brand jij een kaarsje?” maar het is nog wel een antwoord. Echter als er gevraagd wordt “Wat maakt jou gelukkig?” lijkt “Iemand heeft een tijger. / Iemand heeft een emmer. / Iemand heeft een kraanwagen. // Beschrijf de omstandigheden, maar laat op cruciale punten / de (sociale) context achterwege. // Dwing iemand zelf voor context te zorgen. // Ideologie openbaart zich / naast de particuliere omstandigheden / van mijn verschijning. // Iemand eet een maïswafel met Tartex. // Een helikopter komt voorbij. // Iemand strekt de armen uit naar de hemel.” meer op ijlen dan op zoiets als een gericht antwoord formuleren. Bloedmooi ijlen, dat wel. Heel erg bloedmooi ijlen. Als mijn recensies nog titels hadden gehad, zoals terug in de goede oude dagen dan was “Bloedmooi ijlen” een goede kandidaat geweest.

Dit kan (een parodie op) een vraag-en-antwoord spel zijn, of (een persiflage van) een interview, maar evengoed een lange gedachtestroom. Of een combinatie van beide: iemand die zijn peinzerijen soms een bepaalde kant laat opsturen door de televisie die wel aanstaat maar waar hij niet heel geconcentreerd naar zit te kijken (zoals dromen zich soms laten regisseren door de geluiden uit de omgeving van de slapende). Er is, heel het boek doorheen, een zekere coherentie waarneembaar. Melankolie, ziekte, dood, milieu, economie, consumentisme en vogels zijn terugkerende thema’s en er zijn ook enkele verwijzingen naar de covid 19-situatie aan te wijzen. Het is dus denkbaar dat de “antwoorden” (bij gebrek aan een beter woord noem ik de teksten onder de vragen toch maar zo) in ieder geval door één persoon gegeven dan wel opgedacht werden, en het gesprek dus niet dermate “cut-up” is dat de zinnen van overal vandaan bijeen gesprokkeld zijn.

Wat er ook is: datumaanduidingen. Het boek begint op 27 april 2020 met “Wat vind jij in een kerk?”, een luttele dertien bladzijden later is het 6 juni 2020 en volgt er op de vraag “Wil jij de eerste of de laatste zijn?” niets meer dan wit. Een dikke twee maanden is wel erg lang voor een gesprek. Is het gesprek dan toch maar dagboekproza? Of dagboekpoëzie? Geven de data de werkelijke schrijfmomenten aan? Soms volgen de data elkaar rap op; zitten er maar één of twee zinnen tussen. Andere keren vlot een halve bladzijde. Dat gaf voedsel aan mijn peins dat de datumaanduidingen een bepaald effect moesten verzorgen. De ontregeling van de tijd. Velen zullen zich herkennen in de bespiegeling dat de tijd door de hysterische coronamaatregelen in 2020 een ander karakter had dan in andere jaren. Verdikking van de tijd enerzijds door alle dagen binnen zitten en te weinig levensveraangenamende activiteiten te kunnen ondernemen, zoals op kaffee gaan, uit eten, in een hotel overnachten in een stad waar je normaal nooit komt, of al eens het privévliegtuig naar Griekenland nemen. Anderzijds was het een jaar zonder duidelijke ijkpunten (daar schreef ik haast: geijkte ijkpunten) waardoor het voorbij leek nog voor het werkelijk beleefd was (nu al december? huh? we hebben nog niet eens de verjaardag van tante Mien gevierd!). Quarantaineleven, quarantainekunst, quarantainezijn: nY vulde er een heel (nogal zwak) nummer mee (wacht eens even, stond Jeroen van Rooij daar in?) (opstaan en zoeken in de papierberg die mijn secretaire is) (nee, Jeroen van Rooij stond daar niet in). Zo kon je er soms een hele dag over doen om één vraag te stellen of meerdere dagen in dezelfde gedachtenkringen rondtollen. Er waren geen dagen meer. Maffe Mark had ook de dag verboden. Een tijdsvacuüm als het nieuwe normaal.

Ook het lezen is een roes. Lijvig kan een mens het gesprek bepaaldelijk niet noemen en toch kreeg ik twee cd’s kwijt in mijn leestijd. Er was zoveel poëzie in deze poëzie. Neem een zin als “De zon scheen in Times New Roman”. Dan moet ik staan. Dan moet ik lopen. Dan moet ik die zin laten nawerken in mijn lijf. Ik moet de zin voelen, ik moet het duren ervan voelen. Dan moet ik lopen. Dan moeten mijn benen bewegen. Dan loop ik, wiegelend, waggelend, een beetje op de maat van de muziek met die zin in mijn lijf. Soms stond ik op, van bank, om te lopen, naar secretaire, om iets op te schrijven. Ook een keer om naar de eettafel te lopen waar mijn koffie stond. Maar die bleek al koud geworden (zegt René: Koude koffie, dat is vergif voor mij).

het gesprek intrigeert, leeft op, zet tot denken, zet tot lopen, laat zich voelen. Het nodigt uit tot herlezen (lees het tien keer en je hebt een korte roman gelezen). Het spreekt, het zegt dat Jezus de uitvinder van de inflatie was (met slechts zeven broden en zeven vissen). Of dat Helena haar camera heeft overgeplakt omdat ze in haar blootje haar haar aan het kleuren is. Het klinkt & soms klinkt het (half) bekend, of als een allusie op iets bekends. Een boek zo polyfoon zal voor elk paar ogen iets anders zijn. Een vraaggesprek; een gedachtenstroom; flardmatige dagboeknotities; zotteklap; een persiflage; cut-up; readymade; samplepoëzie; introspectie; een teder poëem; een essay over angst, verval, hoop, religie en erzijn; een ecologisch manifest; de brokstukken van een gemankeerde samenleving; een oefening in het denken – de beperking zit hier niet in de woorden van de schrijver maar in de hoofden van zijn lezers.

Al evenzeer wordt mijn hoofd bewogen door dierengebeden en buitengebieden. Het is iets dikker dan het gesprek en misschien iets herkenbaarder als “dichtbundel”. Zo hebben de gedichten hier titels, ik noem maar iets, en opener om het leven meandert over het waterbeertje. Een kort gedicht, een van het type dat mensen uit hun hoofd zouden kunnen kennen of voordragen in een cursus poëzie schrijven als de cursisten van de leraar moesten aan de klas laten zien wat hen inspireert.

Maarja, vanaf het tweede gedicht gaat het dan toch alweer min of meer mis. Die tiep maakt voor een dichter toch wel ongehoord lange regels, zeker! Alsof de woorden het blad af willen lopen (en dat willen woorden, mensen, woorden willen altijd het blad af, woorden willen in uw woord komen wonen, woorden willen parasiteren op uw hersenen, woorden willen niet op papier, woorden houden niet van papier).

(ooit, in mijn studentenjaren, maakte ik een blad dat Kraakpen heette. mijn kompaan en ik stonden er eens mee op een beurs voor kleine uitgeverijen-achtige beurs, ik bedoel het was zo’n beetje de niche van de niche, we stonden met een klein clubje idioten, elk achter ons eigen tafeltje, in een klein zaaltje in Perdu. we hadden net het tweede nummer uit, we hadden nog maar twee nummers, en daar stonden we, achter ons tafeltje, met twee nummers voor ons: één min of meer “normaal” nummer met een blauwe voorkant waarop een door mij getekend stoellekee te zien was en een door mij geschreven gedicht (dat Kraakpen heette, een gedicht dat ik al jaren daar voor had geschreven en dat ineens naamgever van een blad was geworden) en een heel maf nummer, dat geen voorkant had of althans niet in gebruikelijke zin: het hoofdverhaal begon al op de voorkant. dat was een middellang verhaal, eerder een soort prozapoëzie eigenlijk, iets dat ik ooit geschreven had en toen maar vier pagina’s lang was maar in de loop der jaren van herschrijven en herschrijven was het inmiddels een bladzijde of tien of vijftien gaan beslaan. het was één lange aaneenschakeling van gedachten, fictie, associaties, herinneringen en gebeurtenissen. er waren geen leestekens, slechts om de zin of paar zinnen een schuine streep. er kwam een oude vrouw bij ons tafeltje staan, ze pakte het maffe nummer op en bladerde er in. ze smeet het weer neder, zeggend: afschuwelijk! zoveel woorden! en ik sloeg met mijn drinkvuist op het tafeltje en bulderde: waar gaat het goddomme heen met de wereld! nu gaan ze in tijdschriften toch zeker ook al woorden afdrukken!)

Maar waar zat ik. Oja, omdat dit boek meer dan het gesprek gelijkenissen vertoonde met wat er in boekhandels zoal als “dichtbundels” verkocht wordt (bestaan die nog, boekhandels? of gaat maffe mark die subiet verbieden? niet essentieel, en die boekenwurmen houden ook nog es geen anderhalve meter afstand ook), duurde het wat langer vooraleer ik aan ritmiek, toon, klankkleur, stem gewend was. Werkt dat zo in hoofden, het mijn voorop? Zoiets van Ah! Losse gedichten!, dus dit gedicht gaat over het waterbeertje gaan, en daar gaat het over de liefde gaan, en daar over God, en daar over de net iets te aantrekkelijke buurvrouw van de dichter, hier gaan we lachen gaan en daar huilen of huiveren of roepen Hee! Dat heb ik ook eens meegemaakt! Doch zo gemakkelijk laat Van Rooij zich niet vangen.

Een konseptalbum zei ik al even. Ik zou een mens in ieder geval niet voor idioot uitmaken als hij zou betogen dat dierengebeden en buitengebieden feitelijk één lang gedicht is. Of een kortverhaal. Een novelle. Een pilroman. Ja. Een fragmentarische pilroman, waarom niet. Wat het ene gedicht brengt, wordt in een ander gedicht hernomen. Een thema, een sfeer, een naam. Wie is bijvoorbeeld die Clarice die maar blijft opduiken, is dat een Silence of the Lambs-verwijzing?

Mocht u nu peinzen dat monotonie op de loer ligt in deez hier gedichten, dan peinst u er glansrijk naast. Dat de poëzie zo vol is bij Van Rooij, ik zei het al, en ook hier is het voller nog dan vol, stampensvol, overvol. De taal boventalig. De stem meerstemmig. Zelfs de titels van de gedichten van de afdeling dierengebieden vormen, onder elkaar gezet, een gedicht (zij het een wat B. Zwaal-achtig gedicht):

om het leven
zonder dieren
aan de mensen
door de dieren

De taal zindert, de taal breekt soms; passages van het type “Zoals de das // of de veldmuis (die geen diepte kan inschatten) / en spring van mijn hand.” zijn talrijk bij van Rooij – gebroken zinnen verkeerdelijk aan elkaar gelijmd en ik vind het wondermooi. Ik hou bijna steeds van zijn taal. Ik ben niet zo dol op dingen als “bullet point” of “seksen” (werkwoordelijk gebruikt ik meen, en ook zie ik het liever met een x gespeld) (welke dichter zei weer “ze schreven seks nog met zo’n geile x”?), en “Een ding rekent erop aan het eind van zijn leven verbrand te worden in de crematoria van de vooruitgang” was me een slagje te vet maar dat het stombelt en valt maakt de overige 99.9% alleen maar nog mojer. God wat hou ik van zijn humor in zinnen als: “Een mens schrijft het jaar van de onbezonnen aankoop”, van zijn optimisme in: “Een ding kan niets / maar doet het toch”, van zijn pessimisme in: “Een mens wil vet en suiker / en Ariel Liquitabs, een mens wil dat zijn cruesli kraakt / alsof de aarde iedere ochtend opnieuw / vers voor hem geschapen wordt.”, van de manier waarop hij in één zin alle oeuvres van alle Generatie Nix-schrijvers overbodig maakt: “Toen ik dit schreef / werd ik door niemand gebeld.”, van zijn surrealisme in “Het is december / in het jaar van de natte doos / alweer. Een Ford met een gewei / en een Renault met slagtanden / rijden frontaal op elkaar in, net zo lang / tot ze leegbloeden uit hun wonden. Een zwerm vleermuizen / verandert midden in hun vlucht in ansichtkaarten // en gaat in vlammen op.” of van zijn dada in: “Espresso macchiato, houten vloeren en wasmachines, / vliegen, t-shirts, kamerplanten en schilderijen, / serverparken, drinkbekers en genderneutrale voornamen, / bomen, parkeerplaatsen, fietsen en ganzen / zonsop- en ondergangen, waterfeesten en gazons.” (als ik tot aan mijn dood nog maar vijf zinnen zou mogen lezen, laat het om godswil dan deze zinnen zijn!). En dan heb ik het nog niet eens over zijn lyrische kant gehad.

Ik hou van hoe het zindert en vonkt en buldert en vuurt en tot stilstand komt en meandert en kabbelt en lispelt en schreeuwt en lacht en huilt en krijst en krast en streelt en zwijgt. Ik hou van de klaarte en de duisternis, de dagdagelijksheid en de vreemdheid, het feit en de fictie. Hoe het lijkt alsof hij de taal niet aktief zoekt doch de taal hem steeds weet te vinden. Alsof de taal Jeroen van Rooij nodig heeft om uitgedrukt te worden zoals de taal graag uitgedrukt wordt. Ik hou van hoe hij pregnant weet te zijn in schijnbare achteloosheid (denk daar even bij na, mensen, denk daar eens drie seconden of tien minuten of u halve leven over na, mensen want het gaat hier om een kunst die vrijwel niemand beheerst – hier is op elke bladzijde een dichter aan het woord die met onnadrukkelijke vanzelfsprekendheid zinnen die bol staan van pracht en van betekenis zomaar uit zijn mouw schudt). Ik hou van hoe ik -nogal vaak eigenlijk- niet precies weet wat hier aan de hand is.

Bijvoorbeeld in de buitengebieden-sieklus. Welke gebieden zijn hier de buitengebieden? Het is er warm, in ieder geval, en er zijn grotten. Mogelijkerwijs is het er oorlog (maar het is overal oorlog nu). Af en toe lijkt het te gaan om misschien letterlijk uitgeschreven film- of journaalbeelden. Beelden die ik me had moeten herinneren misschien, had kunnen herinneren als ik een beter mens was geweest. Dat stuk over Luke Shambrook bijvoorbeeld. Wie is Luke Shambrook? Dat moet bijna iets echts zijn. Een Luke Shambrook verzin je niet. Hoe gemakkelijk, weeral. Gewoon de laptop open, ik hou de laptop alle dagen open. Gewoon gaan zitten en heel gewoon dat stomme google (eigenlijk zou je’t moeten boycotten allemaal: al dat facebook, al dat microsoft, al dat whatsapp, al dat google, je moest het boycotten, je gaat het boycotten, morgen ga je het boycotten). Zo’n naam kun je gewoon heel gewoon doodgewoon intiepen. Tik tik tik. Luke Shambrook. Enter is geloven. Eens zien wat dat oplevert. Weeral had ik het bijna gedaan. Weeral weeral. Weeral deed ik het niet. Het is mojer met alleen deze woorden te zijn. Met de Luke Shambrook die de dichter laat geboren worden in mijn hoofd, die ik baar uit mijn voorhoofd. Als er een echt verhaal is hoef ik het niet te weten (ik heb sowieso al nooit gesnapt waarom “waargebeurd” een boek of een film aantrekkelijker zou moeten maken. Als ik iets wil zien dat waargebeurd is, dan ga ik wel met een stoellekee op de stoep voor mijn huis zitten. Alles wat ik dan zie is allemaal heel echt aan het gebeuren).

Zo mooi als bij Jeroen van Rooij heb ik de poëzie lang niet meer gezien. Ik verbaas me zelfs niet meer over de kracht van het toeval als helemaal op het einde blijkt dat 53°38’57.0”N 18°18’18.0”O geïnspireerd is door de versie van Stara Rzeka van het Nico-liedje My Only Child: Cień chmury nad ukrytym polem, uitgekomen op het Instant Classic-label. Nee, ik kende die Rzeka ook niet maar dat label behoort wel tot één mijner favorietste labels en er speelde zelfs een cd van dat label toen ik delen van dierengebeden en buitengebieden aan het lezen was (Aurora van Alchimia, moest Jeroen van Rooij geïnteresseerd zijn) (& jaja hoor ik u denken, dat is nu weeral de zoveelste seedee waarover gij zit te murmelen daar in dat ding van u dat voor een bespreking moet doorgaan, en gij denkt dat wij dat geloven? maar dan moet u goed begrijpen hoe dat gaat hier bij mij als ik alleen thuis ben: ik ben een kettingluisteraar van de oude stempel: ik steek de ene cd met de andere aan en dat gaat bij mij van jazz naar black metal naar flamenco naar postrock naar maliblues naar noise naar krautrock naar avantgarde naar ambient naar slowcore naar postpunk naar techno naar wave naar folk naar hiphop naar country naar /

Wat kan ik nog zeggen? Ik kan niks meer zeggen. Ik moet zwijgen. Want jullie moeten lezen. Deze twee bloedmoje werken van Jeroen van Rooij. Uw hoofd, uw huis en uw boekenkast zullen er wel bij varen.

Jeroen van Rooij Het gesprek Recensie

Het gesprek

  • Schrijver: Jeroen van Rooij (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Het balanseer
  • Verschijnt: 10 november 2020
  • Omvang: 24 pagina’s
  • Uitgave: Paperback 


Jeroen van Rooij Dierengebeden en buitengebieden Recensie

Dierengebeden en buitengebieden

    • Schrijver: Jeroen van Rooij (Nederland)
    • Soort boek: gedichten, poëzie
    • Uitgever: Het balanseer
    • Verschijnt: 9 november 2020
    • Omvang: 64 pagina’s
    • Uitgave: Paperback

 

Bijpassende boeken en informatie

Charles Lewinsky – De stotteraar

Charles Lewinsky De stotteraar recensie en informatie van deze Zwitserse roman. Op 11 november 2020 verschijnt bij Meridiaan Uitgevers de Nederlandse vertaling van Der Stotterer de nieuwe roman van Charles Lewinsky.

Charles Lewinsky De stotteraar Recensie en Informatie

Recensie van: Tim Donker

Maar je moet goed begrijpen hoe dat ging. Ik stond daar met dat boek in mijn hand, dat boek dat ik zojuist bij hem bezorgd had. Want het was zaterdag en dus een werkdag en ik had een pakketje voor hem gehad dat niet door de brievenbus paste, ik had bij hem aangebeld en hij was naar beneden gekomen vanaf helemaal het allerhoogste verdiep waar hij woont. We stonden daar. In het portiek van zijn flat. Ik gaf hem het pakje. Hij maakte het open. Het was een boek. Ik vroeg of ik het eens mocht zien. Ik weet niet waarom ik dat vroeg, omslag en titel spraken me niet erg aan en de schrijversnaam zei me niks. Ik denk dat ik graag iets in mijn handen heb als ik met mensen praat. De post voor zijn portiek had ik al bezorgd, mijn armen waren leeg, het is goed om met iemand te praten en af en toe met mijn kop in een boek te kunnen duiken. Denk ik.

Dat we aan het praten waren, dat moet je vooral in je achterhoofd houden. Of voornamelijk hij praatte want zo’n soort man is hij wel een beetje. Dat Lewinsky een Zwitser was, zei hij en ik mompelde iets over Zwitserse schrijvers (Eigentlich möchte Frau Blum den Milchmann kennenlernen, mompelde ik, Max Frisch mompelde ik, Blaise Cendrars mompelde ik maar die is naar Frankrijk verkast en ook nogal overschat, mompelde ik. mompelde ik allemaal) waarop hij een hele resem schrijvers uit Zwitserland opsommen begon. Dat Meridiaan mij eigenlijk weinig zei, mompelde ik en hij zei iets over Atlas Contact en dat bij Meridiaan ook het boek van een hele bekende schrijfster was verschenen maar dat hij haar naam even niet kon ophoesten. Ik kuchte droog en zei dat ik hem daar niet mee kon helpen. Ondertussen bladerde ik. Las ik zinnen. Halve zinnen. Flarden. Woorden. Meer een sfeer, las ik.

Ik las: “Oké. Natuurlijk doe ik het. Ik zou wel gek zijn als ik het niet deed.”

Ik las: “Ik hou van woorden. Ik hou van lezen en ik hou van”

Ik las “U”. Her en der las ik “U”. Hier werd iemand aangesproken met “U”. En ik dacht dus dat dat de lezer was. Ja nogmaals, je moet je realiseren dat ik aan het praten was terwijl ik bladerde en niet echt las. Laat staan grondig. En ik zei dat de schrijfstijl van dit boek me wel pakte, dat ik zelfs nog maar half in het gesprek aanwezig was. Zo gegrepen was ik. Maar niet genoeg gegrepen om echt gelezen te hebben. Maar dat zei ik er niet bij.

Hij zei: “Oké. Neem maar mee. Recenseer het zelf dan maar.”

En zo kwam het dat ik het boek meenam. Ik stopte het in mijn stuurtas, ik praatte nog wat, nam afscheid, vervolgde mijn ronde. Gans de rest van mijn ronde eindlang (wat niet schokkend lang meer was, overigens, want hij woont op zo’n tweederde van die wijk) dacht ik aan het boek in mijn stuurtas. Het boek met de ik die wel gek zou zijn als hij het niet deed. Het boek met de ik die van woorden hield, en van lezen. Het boek waarin de lezer rechtstreeks wordt aangesproken. Met “U” dan nog.

Ik ben graag “U”. Misschien omdat ik zo zelden met “U” aangesproken word. Ik ben bijna vijftig, maar voor veel mensen ben ik klaarblijkelijk altijd nog “jongen”. Jongen dit, jongen dat. Zeggen ze dan. Soms zelfs jochie. En dus zeggen ze ook “je”. Een jongen is geen “U” immers. Dan ben ik ook nog eens volwassen in een tijd waarin het ook in zakelijke brieven heel gebruikelijk is om te tutoyeren. Zelfs in officiële schrijvens ben ik niet per definitie “U”. Als ik werk ben ik vaak “jullie”. Dat gaat dan zo. Dan regent het de hele dag door, en het waait, en dan ga ik kleddernat en verwaaid op mijn postfiets door de straten (die zwarte, want met die rode heb ik een ongeluk gehad) en dan zeggen de mensen: “Dat is ook niet leuk voor jullie”. En dan kijk ik altijd achter me om te zien of me misschien niet een hele stoet collega’s achterop komt. Maar als ik werk ben ik kennelijk niet ik maar alle postbodes die er zijn. Een pars pro toto dat ik nooit zo goed begrepen heb.

Vanavond ging het fijn zijn. Met die nieuwe whisky, die dure, die ik me eindelijk had kunnen kopen met het geld dat ik voor mijn verjaardag had gekregen. En dan dit boek. En dan stilte, dus pas als iedereen naar bed was. Zou ik zitten. Met dit boek.

Zat ik. Met dit boek. En las. Las beter. Las echt. O. Dus. Het is niet ik die “U” is in De Stotteraar. Nee. De Stotteraar is een brievenboek. Lichte teleurstelling. Boeken die de lezer rechtstreeks aanspreken en hem dan nog “U” noemen ook zijn er niet veel. Met brievenboeken echter kun je bibliotheken vullen. De grote aantrekkingskracht van De Stotteraar weg. Terwijl ik zat. Aan tafel. In stilte. Met roodwijn overigens. Geen whisky. Maar ik las. Ik las en ik las. En las. En las.

Ik heb gelezen.

Ik heb dit boek in één week uitgelezen. Opdat het soort boekenwurm dat op een achternamiddag met gemak duizend pagina’s “wegzet” me niet verkeerdelijk begrijpen zou: dat is snel voor mijn doen. Heel erg snel. Omdat ik wel veel lees, en vaak maar nooit lang achtereen. Want ik moet mijn kinderen naar school brengen. En ontbijt voor ze maken. En de bedden verschonen. En het huis stofzuigen. En de afwas doen. En boodschappen doen. En werken, soms. En de kinderen weer uit school halen. En eten koken. En de badkamer schrobben. En een ruzie tussen mijn dochter en mijn zoon beslechten. En een spelletje met ze doen. En de WC opkuisen. En de huiskamer opruimen. En de was ophangen. En mijn kinderen op bed leggen. En ze voorlezen. En voor ze zingen. En een recensie schrijven. En op een stoellekee zitten en voor me uit staren. En peinzen over hoe de dingen zijn, en niet. En koffie zetten. En een omeletje bakken voor mijn zoon. En broodjes smeren. En me rot voelen. En de keukenvloer aanvegen. En tussendoor korte leesmomentjes sprokkelen. Daarnaast lees ik altijd dertig, vijftig, honderd boeken door elkaar. Als ik inhoud, sfeer, stijl van het een zat ben, ga ik door in het andere en zo verder en zo vuts. Maar terwijl ik in de De Stotteraar bezig was, heb ik geen letter in enig ander boek gelezen. Een hele week lang al mijn leesmomentjes vullen met maar één boek: zoiets kwam niet eerder voor hier in mijn huis. En die leesmomentjes alleen al, rekte ik tot in het oneindige op. Ik zat met De Stotteraar op de WC net zo lang tot ik het koud kreeg en de WC-bril in mijn huid gekerfd stond. Ik las De Stotteraar lopend door de huiskamer, doorheen de tuin op weg naar de schuur waar de fiets staat waarmede ik altijd mijn kinderen ophaal van school (en later zocht ik me rot naar het boek totdat het me inviel: Oja, ligt in de schuur!). Ik las dit boek één doordeweekse avond zo lang dat het nacht werd, diep in de nacht, veel te diep in de nacht want de volgende morgen moet ik om half zeven alweer kinderen aankleden wassen voeden naar school brengen. En ik maakte de fout er een paar zware Belgiese biertjes bij te drinken zodat ik vele tientallen pagina’s herlezen moest de volgende dag (zegt iemand: alcohol dulles the senses) (net dat wat ik er zo fijn aan vind). Zodoende. De Stotteraar en alleen De Stotteraar, 375 bladzijden op één week gedaan – een record sedert ik kinderen heb.

Misschien moet ik u vertellen waarom ik het boek zo rap gelezen heb.

Nee. Ik ga u eerst eens vertellen wie toch die stotteraar is over wie De Stotteraar gaat. Niet Notker de Stotteraar. Maar Johannes Hosea Stärckle. Zijn –ernstige- stotteren deed hem al vroeg de kracht van het geschreven woord ontdekken. In schrift kon hij alles wat hij sprekend niet kon. Niet alleen: zich vloeiend uitdrukken. Maar ook: voorwenden een ander te zijn. Met dat vermogen kon hij op school opstellen en brieven vervalsen; met dat vermogen verdiende hij later zijn brood. In eerste instantie bij een schimmig bedrijfje waar hij treurige, alleenstaande, eenzame mannen moest doen geloven dat ze met liefhebbende, aandachtige, sexy vrouwen aan het chatten waren. Later pakte hij de zaken grootser aan: hij troggelde menig oud vrouwtje grote sommen geld af door zich als een in de problemen zittende kleinzoon voor te wenden. Een slordigheidje deed het bedrog uitkomen en Stärckle geraakte achter de tralies.

Dat is De Stotteraar. Een gevangenisboek evenzeer als een brievenboek. In zijn cel schrijft Stärckle brieven. Voornamelijk aan gevangenispastor Arthur Waldmeier, in de gevangenis algemeen bekend als “de padre”. Verderop in het boek schrijft Stärckle ook anderen wel een sporadische brief, maar het lichaam van De Stotteraar wordt uitgemaakt door de brieven aan “de padre”. Hij is de “U” die ik even dacht te zijn. Aan Waldmeier schrijft Stärckle over zijn jeugd, maar hij stuurt hem ook kortverhalen die Stärckle  “vingeroefeningen” noemt. Via deze brieven, en niet minder via de kortverhalen leert de lezer Stärckle kennen.

Een dun gegeven, u zegt?

Ja, u plaudeert recht en niet krom. Maar Lewinsky maakt gebruik van een aantal literaire trucs die De Stotteraar vaart geven, maar ook (de suggestie van) inhoud. Trucs die zo opzichtig zijn (en die Lewinsky bij monde van Stärckle hier en daar ook onverbloemd toegeeft – en dat is nog de beste truc van allemaal: zeggen dat je de boel aan het oplichten bent en dan vrolijk verder gaan!) dat je Lewinsky het breed lachend vergeeft.

Ongecompliceerd taalgebruik. Korte zinnen. Versnellen. Vertragen. Alvast op de ontknoping van een bepaalde passage vooruitlopen zodat de lezer weet dat het dramatisch eindigen gaat, alleen weet hij nog niet hoe. Af en toe een terzijde inlassen om de lezer op zijn honger te laten zitten. Beloven dat je in een volgende brief op iets terug zult komen (zo wordt de –niet eens zo heel geweldige- wraak op een pestende klasgenoot uitgesmeerd over vier brieven: alleen komaan weer twintig bladzijden die de lezer ademloos tussen twee slokken koffie door gelezen heeft). Plotseling afgebroken zinnen. Wat mij bij dat eerste doorbladeren al opviel: die directe aanspreekvorm. De lezer weet wel dat hij de padre niet is nee. Maar er is geen padre. De lezer is de enige die leest. De lezer voelt zich toch meegesleurd in de communicatiestroom. Waarover nog dit: het is ook een geniale zet van Lewinsky om het boek op te bouwen met louter en alleen de uitgaande brieven. Een oplichter is op zijn best als je alleen zijn weergave van de feiten kent, immers. Op deze manier genereert Lewinsky bij de lezer een zeker sympathie voor Stärckle. Daarin schijnt de Zwitser wel vaker te floreren. Ik weet het niet, dit is het eerste boek dat ik van hem lees maar ik hoor zeggen dat hij vaak een onaangename hoofdpersoon kiest met wie de lezer na verloop van bladzijden dan toch meeleven gaat. Een ander groot pluspunt dat komt met het gegeven dat de lezer alleen maar de brieven leest die Stärckle schrijft (en niet de brieven die hij ontvangt), is dat hij (de lezer) altijd alleen maar weet wat Stärckle weet (of wat Stärckle wil dat de lezer van zijn brieven weet): als Stärckle in onzekerheid zit of vanwege bepaalde gebeurtenissen in de gevangenis zelfs voor zijn leven vreest, hangt ook de lezer in het luchtledige.

Trucs? Ja, trucs. Maar wel trucs die maken dat De Stotteraar leest als een dingens, kom hoe heet het weet?, vroeger gingen ze op stoom & ik zit er nooit in. Welja, een trein bedoel ik. Een gigantische vaart. Een bladzijdeomslaander of noem jij eens een normale Nederlandse term voor dat achterlijke “pageturner”. Door. En door. Even nog dit stukje. Even nog deze brief. Even nog deze tien, vijftig, honderd bladzijden, wacht even, ik kom zo.

Maar tot nog toe een receptuur waarmee ook Stephen King (om nu maar eens een andere gewiekste oplichter te noemen) mee had kunnen afkomen. Ja, mensen die bijna nooit literatuur lezen durf ik De Stotteraar blindelings aanraden. Het enige boek dat ik aan mijn vrouw zou kunnen geven als we op (zomer)vakantie zijn in ergens een ergens: hier lees dit eens, je zult het goed vinden, ik weet het zeker. Meer nog: voor mijn onlangs 85 geworden tantetje was dit best een geschikt verjaardagscadeautje geweest.

Doch Lewinsky heeft meer gedaan dan een lekker makkelijk weglezend allemansvriendje uit zijn pen wurmen. De meer “intellectueel” ingestelde lezer met een onberispelijke boekenkast hoeft zich voorwaar niet te schamen voor het plezier dat ook hij zal beleven aan De Stotteraar. De schrijver is niet vergeten zoiets als “diepgang” aan te brengen, zij het dan dat ook deze “diepgang” totaal getrukeerd lijkt (maar daarover later meer).

Door zijn schandelijk liefdeloze jeugd met een godsdienstwaanzinnige vader en een moeder die vooral goed is in wegkijken en niets horen, is Stärckle opgegroeid tot een formidabel bijbelvast persoon. Hij heeft gelijk welk bijbelcitaat direct bij de hand om gelijk welke situatie, gedachte of herinnering te illustreren – niet zelden met een enigszins cynische ondertoon. Daarmee geeft Lewinsky zijn lezers veel te denken over religie, in dit geval het christendom. Het zijn namelijk over het algemeen niet de van ruimdenkendheid en naastenliefde getuigende citaten waarmee Stärckle zijn brieven opsiert. De vraag of religie ons tot betere of slechtere mensen maakt is niet nieuw, maar zolang er nog religie bestaat van blijvende relevantie. Een oude discussie nieuw bloed inpompen getuigt van even grote kracht als een totaal nieuwe beginnen.

Het moge geen verwondering wekken dat Stärckle van zijn geloof viel, of er allicht nooit echt op gezeten heeft. Later werd zo’n beetje alles dat Schopenhauer geschreven heeft Stärckles bijbel. Ook aan hem refereert hij in zijn brieven ruimschoots. En er valt bij deze filosoof genoeg moois te rapen, woorden die doen lachen, woorden die verstillen, woorden die tot denken zetten. Zodus: in die trein, in die vaart, toch geregeld nog een overpeinzing bij mij. Ook vanwege de fantastische oneliners van Stärckles eigen hand: Schopenhauer was een goede leermeester. “IJdelheid maakt dom en domheid maakt ijdel”, zegt hij bijvoorbeeld ergens, of: “Je bent nog niet blind als je alleen maar je ogen dichtdoet.”; “Gekken zijn vaak goede psychiaters.”; “[D]e waarheid [is] een veiligheidsriem voor mensen die geen fantasie hebben.” Niet alleen slaagt Lewinsky erin een oplichter sympathiek te maken; de lezer zal in hem zelfs een intelligent en weldenkend man zien. Door te appelleren aan gevoelens en ideeën die velen wel kennen, en die dan zo exact te formuleren dat daar heel precies iets staat dat jij al een half (of voor mijn part een heel) leven ongeprononceerd in je meedraagt, wordt aan Stärckle welhaast het aura van een wijze verleend. “Als studie had ik Duitse taal- en letterkunde gekozen,” vertelt Stärckle, “vanuit het naïeve idee dat we bij de werkgroepen gezamenlijk diep op de meesterwerken van de literatuur zouden ingaan. De illusies van een provinciaal. Teksten, zo werd ons bijgebracht, waren objecten die we net zo lang moesten ontleden tot de in de kleine stukjes geknipte onderdelen precies in de van tevoren voorgeschreven reageerbuisjes pasten.” Daar staat mijn eigen teleurstelling in literatuurwetenschap en in een studie Nederlands (waar ik uiteindelijk niet eens meer aan begonnen ben) kernachtig verwoord in een beeldspraak die ik zelf nét niet had kunnen verzinnen. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat velen die Nederlands zijn gaan studeren uit taal-  of boekenliefde iets dergelijks gevoeld moeten hebben. Op geraffineerde wijze maakt Lewinsky Stärckle tot uw verwant.

En die kortverhalen die hij schrijft en aan de padre stuurt, die zijn ook nog eens niet halfslecht. Een ervan – het verhoor van een vluchtelinge – is zelfs ronduit geniaal. Het verhaal bevat enkel de antwoorden van de vluchtelinge (zoals De Stotteraar ook alleen uit de brieven van Stärckle zelf bestaat); een voorwaar frischiaans experiment. Wat? Frisch. Max Frisch. Ik had het net nog over hem. Wel opletten.

De Stotteraar geeft te denken. De Stotteraar is afwisselend (want in de kortverhalen of in de dagboekfragmenten (ja, er zijn ook dagboekfragmenten in dit brievenboek. had ik dat nog niet gezegd?) wordt weer een ander register opengetrokken. De Stotteraar is spannend. De Stotteraar is bij vlagen zeer komisch. De Stotteraar weet te ontroeren. De Stotteraar is het soort boek dat je je station zou doen missen (ik weet het niet, ik ga nooit meer met de trein en zeker niet nu je zo’n gezondheidsbedervende muilkorf op moet van die andere meesteroplichters die onze regering uitmaken dezer dagen). De Stotteraar is het soort boek waardoor je te laat zou komen op je eigen bruiloft. Voor De Stotteraar zou je je doodsstrijd nog onderbreken. Even wachten Dood, nog maar een paar pagina’s en dan mag jij.

Alleen maar lof.
Alleen maar hosanna.
Alleen maar hallelujah.
Alleen maar prijs.
Alleen maar hysterie.

En toch.
Toch?
Ja toch.
Toch is er een toch.

Zegt iemand: “Jij wilt dat je moet werken voor een boek. Je bent een calvinist.”

Zegt iemand, en ik sta, en ik zwijg vooraleer ik lopen ga.

En ik denk. Is dat zo? Moet ik gewerkt hebben voor een boek? Moet lezen me moeite gekost hebben? Moet het een beetje pijn doen? Ja. Nee. Misschien. Ik weet het niet. Een licht wantrouwen tegen een boek dat wegsmolt in mijn handen zonder al te veel sporen na te laten in mijn brein is er wel. Of dat mijn allergrootste bezwaar tegen De Stotteraar is, weet ik niet. Ik hield er een beetje het gevoel aan over dat ik bedrogen was. Bedrogen door de bedrieger. Die een knol zo goed op een citroen liet gelijken dat het er misschien wel één was. Als het lijkt op een citroen en smaakt als een citroen noemen we een knol immers mogelijkerwijs maar beter een citroen.

Formulewerk. Met zorgvuldig afgepaste ingrediënten. Humor, spanning, vaart, emotie, diepgang en allee komaan weer een bestseller geschreven. Dat schrijven liegen is, en ook een vorm van oplichten laat Lewinsky Stärckle al zeggen en misschien is dat ook wel Lewinsky’s persoonlijke mening dienaangaande. Ik weet niet of het mijn mening is. Er zijn miljoenen opvattingen over kunst. Ik ben aanhanger van de elitaire, naïeve, ouderwetse, kinderachtige gedachte dat kunst net iets meer is dan een goocheltruc, hollywoordfilm of diepvriesmaaltijd. Iets met zieleroerselen en zo. Ja lach gerust. Ik wacht wel even. Iets van een ziel, mis ik in dit boek.

Slordigheidjes. Het achterplat zegt: “Al voor verliefde klasgenoten schrijft hij liefdesbrieven”. Stärckle schreef nooit liefdesbrieven voor verliefde klasgenoten. De achterplatschrijver heeft overduidelijk het boek niet gelezen. Scannend misschien, want er is wel iets met liefdesbrieven en een verliefde klasgenoot. Dit is achterplat, en dan nog van de Nederlandse vertaling dus het is Lewinsky zelf niet aan te rekenen. Maar het maakt deel uit van de sfeer van een op automatisme geschreven boek. Een ander slordigheidje versterkte dat gevoel nog. Bladzijde 310, Stärckle in de gevangenis: “Het verliep als volgt. Het blaadje met de volgende twee brieven zat al opgevouwen in mijn zak. Toen hij kwam legde ik het papier zwijgend op tafel en hij stopte het eveneens zwijgend in zijn zak. Geen augurenlach. Hij toonde zich een goed pokeraar.”  En drie regels verder: “Deze keer liet hij het papier liggen.”. Het schoolvoorbeeld van de continuïteitsfout in een hollywoodfilm (daar hebben we ‘m weer). Bajesklant stopt briefje in zijn zak dat in de volgende scene nog op tafel ligt. Een slapende eindredacteur? Geen doodszonde. Misschien het soort van onoplettendheidje waardoor Stärckle de gevangenis in moest. Een bewijs van routinematigheid op zijn minst. Kun je weer gaan diskuteren over kunst, en of kunst routinematig mag zijn of altijd bloed en zweet en tranen en pijn eist.

Charles Lewinsky De stotteraar Recensie

De Stotteraar. Ik las het snel. Ik las het met heel veel plezier. En ik voelde me bekocht. Niet omdat ik het snel las en met veel plezier. Maar omdat het me achter liet met het gevoel dat het niet geschreven was, maar in elkaar geflanst. Intelligent in elkaar geflanst, briljant in elkaar geflanst misschien wel, maar in elkaar geflanst niettemin. Het achterplat maakt gewag van schrijfplezier en plezier is er alleszins doch ik zou het wel een gemaniëreerd schrijfplezier willen noemen. Ik hou ernstig rekening met de mogelijkheid dat dit alles Lewinsky’s bedoeling is geweest en dat De Stotteraar dient als een bewijs voor Stärckles ideeën en het boek dus op fabelachtige wijze fictie met realiteit verknoopt. Stärckle krijgt de lezer immers ook in zijn ban. En wie is dan de grote oplichter geweest? Lewinsky? Johannes Stärckle? Of leest de lezer zichzelf graag op?

Is De Stotteraar een boek? Een goocheltruc? Een psychologisch experiment? Langeafstandshypnose? Of toch maar gewoon vermaak, al of niet plat? Soms dacht ik het één, soms dacht ik het ander. Het gevoel van een boek, een echt boek, zo een boek met een ziel, u weet, noem me ouderwets, ontbrak me net iets te vaak. Misschien kwam dat dan door de snelheid waarmee ik het las. Misschien ben ik wel een calvinist. Misschien wantrouw ik wel dingen die me geen moeite gekost hebben. Of dingen niet. Maar wel boeken. Ik hou van traagheid. Je kent die mannen wel met zo’n scheurijzer waar ze zo trots op zijn. Die zeggen altijd: Ik hou van snelheid. Ik niet. Ik hou van die dingen die traag gaan. Ik hou van traagheid. Ik reis liever per auto dan per vliegtuig. Ik loop liever dan ik ren. Ik hou van slowfood slow cooking slowcore slow journalism. Traagheid laat dingen ontdekken. Snelheid raast alleen maar.

De Stotteraar raasde over me heen en gaf me net te weinig ruimte om zelf dingen te ontdekken. Maar het is een prachtboek, zonder meer. Mensen die weinig lezen, moeten dit absoluut lezen. Als je maar één boek per jaar leest, laat dat dit jaar dan De Stotteraar zijn. Mensen die veel lezen moeten het ook niet laten liggen: uw intellect wordt immers genoeg geprikkeld.

Mensen zoals ik, die nog een “iets” willen van een boek, een “iets” dat bij gebrek aan woorden een “ziel” genoemd zou kunnen worden (maar liever niet) zullen dat “iets” denk ik missen in De Stotteraar. Maar lezen moeten ze het toch. Daar houden calvinisten immers van. Iets te moeten.

De stotteraar

    • Schrijver: Charles Lewinsky (Zwitserland)
    • Soort boek: Zwitserse roman
    • Origineel: Der Stotterer (2019)
    • Nederlandse vertaling: Herman Vinckers
    • Uitgever: Meridiaan Uitgevers
    • Verschijnt: 11 november 2020
    • Omvang: 400 pagina’s
    • Uitgave: Paperback / Ebook
    • Recensie van: Tim Donker

Flaptekst van de nieuwe roman van Charles Lewinsky

Op 11 november verschijnt de nieuwe roman van Charles Lewinsky, bekend van Het lot van de familie Meijerwaarvan destijds 300.000 exemplaren zijn verkochtWat begon als een verhaal over monniken uit de middeleeuwen, groeide uit tot een verhaal over een stotteraar in de twintigste eeuw. Johannes Hosea Stärckle heeft moeite met het gesproken woord, maar is een meester in het geschreven woord.

Door middel van brieven, verzonnen verhalen en bekentenissen probeert Johannes, nadat hij in de gevangenis belandt, iedereen voor zich te winnen die over zijn lot kan beslissen. Een verrukkelijk onderhoudend verhaal van hoog niveau. Het schrijfplezier spat ervan af!

Bijpassende boeken en informatie

Gerald Murnane – De vlakte

Gerald Murnane De vlakte recensie en informatie over de inhoud van deze Australische roman. Op 11 februari 2020 verschijnt bij Uitgeverij Signatuur de Nederlandse vertaling van de roman The Plains van de Australische schrijver Gerald Murnane.

Gerald Murnane De vlakte Recensie en Informatie

Recensie van: Tim Donker

En dan, lezend (zoals gewoonlijk elke avond). In het boek. Dit boek. Het boek met het blauw en het geel en het groen en het zwart. Dat ik niet zal beweren dat ik er al ver in ben; ik ben, lawwezeggûh, op éénderde ofzo. Voor mij ligt mijn aantekeningenboekje en het is leeg. Of. Naja. Leeg. Het staat mudvol met krabbels, ideeën, invallen, gedachten, overpeinzingen, bevindingen. Maar niet één ervan heeft betrekking op dit boek. Het blaadje waarop ik MURNANE schreef, in kapitalen ja, en met een forse streep eronder. Dat blaadje is nog leeg. Opmerkelijk. Toch enkele tientallen pagina’s gelezen hebben al, en nog niet één mooie zin te hebben genoteerd. Of een stilistische opvallendheid. Iets dat me had doen lachen, huiveren, peinzen. Iets dat me roepen deed “Ja, zo is het!” of “Die slag is jou, Murnane!”. Een term die ik nog eens opzoeken wil. Enkele prikkelende tegenstrijdigheden. Wat losse associaties. Niets. Wit. Leegte. Blanco. Het overkomt me niet vaak dat ik bij het lezen van een boek – of toch: bij een boek dat ik zinnens ben te bespreken – met het halverwege al in zicht – of toch: reeds voorbij halverwege halverwege – klaarblijkelijk nog niet één keer naar mijn pen heb willen grijpen.

Dit is een moeilijk boek. Maar niet omdat het een moeilijk boek is. Het bevat geen wagonladingen personages met verwarbare namen, of ingewikkelde verhaallijnen, duizelingwekkende meerlagigheden, intellectualistische intertekstuele verwijzingen, onvoorziene plotwendingen, ondoorzichtige motieven, onnavolgbare tijdssprongen, onbegrijpelijke dialogen… En een “pil” is De Vlakte ook bepaaldelijk niet. “Dun boekje.” zei de man die het me gaf. Hij woont in een flat, die man. Op het bovenste verdiep dan nog. En van dat allerbovenste verdiep kwam hij afgezakt, met het boek in zijn hand, helemaal naar dat buiten waar ik stond. “Dun boekje.” zei hij op een toon die suggereren wilde dat ik het wel zo gelezen zou hebben. Maar dat had ik niet. Geenszins. Weken. Maanden. Ofzo. Wie houdt dat bij, wie kijkt er op zijn almanack. Hou het op lang. Lang had ik nodig voor dit werkje van Gerald Murnane. Goed, dat ligt niet alleen maar aan De Vlakte zelve. Deels komt het ook door mijn leesgewoontes. Ik lees veel, en vaak. Maar nooit lang achtereen. Vroeger was dat omdat lezen me altijd weer deed willen schrijven. Maar nu ik kinderen heb, zijn zij het meestal die me mijn lezen doen afbreken. Want ze willen dat ik een broodje voor ze smeer. Of ze hebben een tekening gemaakt die ik absoluut NU moet zien. Of ze willen een spelletje met me doen. Of er moet iets uit de schuur gehaald, of van een hoge kast gepakt. Of ik moet bemiddelen in een conflict. Altijd iets dat zich lastig laat combineren met verder lezen. En dan is er nog dat andere ding. Ik lees altijd zo’n honderd boeken door elkaar.

Wat? Eh, ja. Dat is begonnen, ooit, op een dag in de herfst een jaar of dertig geleden (geef of neem een paar jaar). Ik herinner het me graag als een dag in de herfst. Ten eerste omdat dat sfeervoller is. Ten tweede omdat het een donkere dag was, die dag. Maarja. Ik woonde in die dagen in die sombere, grauwe, grijze studentenflat op het onderste verdiep en daar was het altijd donker. Geen licht viel daar naar binnen. Ik las Geschiedenis van de westerse filosofie van Betrand Russel. Het tweede boek. De katholieke filosofie. De kerkvaders. De scholastiek. Goed voor tweehonderd bladzijden. Taai. Droog. Oersaai. Maar ik wilde lezen. Weten. Snappen. Volgen. Hoe het allemaal gelopen kon zijn. Van de zonsverduisteringvoorspellende Thales tot – ja tot wat? Tot nu. Tot lawwezeggûh Foucault of Deleuze of Sloterdijk of Feyerabend of Agamben of Morton ofzo, van daar naar hier. Nee, wacht. Ik wilde de filosofie in haar geheel kunnen begrijpen. Zoals. Misschien. Je af en toe denkt dat je beter begrijpen zult hoe je vader was als je bepaalde gebeurtenissen uit zijn leven weet. Gebeurtenissen waar hij nooit over sprak, en die niet eens per se bijzonder hoeven zijn. En aww, de filosofie, de moeder van het (jouw) denken, wat kon haar geschiedenis je allemaal niet verduidelijken? Maar dan mocht je geen hoekje overslaan. Het moet zijn dat ik toen nog geloofde aan de ongecorrumpeerdheid van historici – dat ik toen nog niet dacht dat alle geschiedschrijven eo ipso een vervalsen inhoudt. Dus het tweede boek eenvoudigweg overslaan was geen optie. Je kon op een lange reis naar het zuiden toch ook niet zomaar ineens driehonderd kilometer verder zijn? (o dus ik dacht me de “geschiedenis” dus ook nog als een ontwikkeling? een rechte lijn? van A naar B? of noord naar zuid?). Maar tussentijds je kamp opslaan: ergens verwijlen, zwemmen, vissen, op je rug naar de sterren kijken en vooral: eventjes niet meer bezig zijn met Thomas van Aquino of Johannes Scotus – dát kon natuurlijk wel. Ik besloot een pauze in te lassen en een tijdje in een ander boek te lezen. Dat werd Wapenbroeders van Louis Paul Boon. Maar. Ja. En tsja.

Ja en tsja. Boontjes intense schrijfstijl kon nauwelijks gelden als een tijdelijke verlichting van de leeslast. Al na enkele bladzijden had ik dringend de behoefte aan een pauzeboek om pauze te kunnen nemen van het pauzeboek. Ik dacht dat dat derde boek TikTak van Suso DeToro was. Maar goed mogelijk dat ik dat mis heb.

Hoe ook. Mensen. Toen is het begonnen. Dan en daar. Die dag, dat kamertje, die flat. Drie boeken werden tien boeken werden vijftig boeken werden honderd boeken. Dat kan hoor. O, wat ik al niet kocht bij alle kringloopwinkels waar ik kwam, alle boekenstalletjes die ik zag, elke De Slegte die er (toen. ooit) maar was in Nederland en België, bij elk tweedehands boekwinkeltje in een tijd dat elk middelgroot dorp er nog wel één had. Natuurlijk lees ik niet in al die boeken even aktief. Het hangt er van af. Van waar ik ben, bijvoorbeeld. Er zijn bovenboeken: een nog altijd groeiende, hoge stapel op mijn nachtkast: daar zal ik eerder naar grijpen als ik in bad ga, zinnens ben de bovenwc te gebruiken of midden op de avond op bed ga liggen niet omdat ik wil slapen maar omdat ik het getetter van rtl4 of sbs6 meer dan zat ben (zoals gewoonlijk elke avond). Wil ik Engels lezen?, beschouwelijk werk?, abstracte poëzie?, absurde kortverhalen?, romans van minimaal achthonderd bladzijden? Heb ik zin in iets herfstachtigs of juist in iets dat me zomers en licht doet voelen (in beide betekenissen van dat woord)? Vervreemding? Surrealisme? Dadaïsme? Beklemming? Naargeestigheid? Woorden die me denkend zetten, woorden die me doen opveren omdat ik ze absoluut in rechtstand tot me wil nemen, woorden als oorden, of woorden die me alleen maar doen lachen? Het is nu eens in de ene hoek, dan weer in de andere gezocht.

(Mijn vrouw moet daar niet zoveel van weten, van al die boeken overal. Stapels. Op de hoek van de eettafel, op het drankencabinet, op de vloer, op het secretaire, op mijn nachtkast, op de schouw. Soms toon ik mijn goede wil en prop ik wat stapels in één of andere la. Dan vergaat de tijd zoals die dat gewoon is te doen, en dan breekt er op een dag weer een dag aan. Een dag waarop ik een boek zoek omdat ik er even iets in wil naslaan, en dan vind ik dat boek niet maar kom ik wel allerlei boeken tegen die ik ooit, weken of maanden geleden in een la had gepropt om mijn goede wil te tonen, boeken waarin ik aan het lezen was, god betere het!, niet heel aktief misschien maar toch, en dan haal ik boek naar boek weer boven tot de volgende keer dat ik me geroepen voel mijn goede wil te tonen)

En dan zwijg ik nog van de boeken waarover ik schrijven wil. De bespreekboeken (zoals deze). Sommige boeken worden bespreekboeken omdat ik me bij hoge uitzondering eens iets heb aangeschaft van nog relatief recente datum; iets waarvan ik al lezende ben gaan denken Hee! Dit zouden meer mensen moeten lezen! Doch negen keer op tien denk ik dan een dertig- of veertigtal pagina’s later alweer Nee, wacht – dit moet niemand lezen. Waarom zit ik hier zelf nog mijn zuurverdiende leestijd aan vuil te maken eigenlijk? Veruit de meeste bespreekboeken worden mij gegeven om ze te bespreken. Die krijg ik dan, bijvoorbeeld van die man die op het bovenste verdiep in ergens een flat woont. Dit boek ook. Hij kwam er mee aan, helemaal naar beneden vanaf zijn verre bovenste verdiep, hij zei Het is maar een dun boekje.

Ja. Het is maar een dun boekje. En toch duurde het lang als ellen vooraleer ik de laatste bladzijde omgeslagen had. Ja, dat met die honderd boeken en die vele vele leesstapels en die danig versnipperde leestijd helpt niet mee om snel door boeken heen te zijn nee. Mijn goesting verandert ook zo vaak. Dan ken ik een schrijfstijl na enkele tientallen pagina’s wel zo’n beetje en dan wil ik weer even een andere toon, een andere thematiek, een andere stem. Maar er zit beslist ook iets in dit boek dat maakt dat je er niet in “wegzinken” kunt. De Vlakte is alles. Maar een soepel boek is het niet.

Allereerst lijkt het niet in Murnane’s bedoeling te hebben gelegen om enige identificatie van de lezer met de hoofdpersoon gemakkelijk te maken. De “ik” blijft tot op de laatste bladzijde een vreemde. “Ik” geeft weinig prijs zodat je aan het einde niet heel veel meer over hem weet dan je wist aan het begin, of alleen al door lezing van het achterplat. Duidelijke gevoelens lijkt hij niet te hebben, we krijgen zo goed als geen informatie over zijn verleden en andere gedachten dan die te maken hebben met het onderwerp (de vlakte), komen niet of nauwelijks aan bod. Navelstaarderij is “ik” vreemd – zelfs zijn naam wordt niet genoemd (overigens krijgt niemand in het boek een naam). Wie niet toevallig een in Australië woonachtige cineast is, heeft weinig gemeen met de hoofdpersoon van DE Vlakte.

Ook het onalledaagse verhaal biedt niet direct een uitgestoken hand. “Ik” is, als gezegd, een filmmaker (een jonge filmmaker, voegt het achterplat daar nog aan toe) die een film wil maken over de vlakte van het Australische binnenland. Dan kun je als filmmaker zomaar van alles doen. Je kunt met een camera op je schouder de vlakte op gaan, en filmen tot je een ons weegt, en het materiaal vervolgens met klein budget monteren tot een min of meer “veelzeggend” of “kunstzinnig”  geheel. Je kunt avond en avond aan je tafel gaan zitten en met bloed en pijn en zweet en tranen schrijven en schrappen en schaven aan een synopsis en een scenario en een draaiboek of hoe heet dat allemaal, en je pas daarna een keer buigen over de vraag “En wat nu?”. Je kunt een stelletje gelijkgestemden om je heen verzamelen en jezelf een groep noemen en die groep een naam geven en drukker bezig gaan met manifesten schrijven dan met films maken. Je kunt tot op hoge leeftijd blijven dromen over een film en op een dag (in, uiteraard, de herfst) schouderophalend zeggen dat je er nu te oud voor bent. Maar de ikfiguur uit De Vlakte gaat naar een hotel.

In dat hotel heeft een aantal grootgrondbezitters een afgelegen lounge afgehuurd. (“if anybody wants you???” “I”LL BE IN THE LOUNGE!”). Ze verlenen audiëntie aan een hele horde kunstenaars, ambachtslieden, wetenschappers, filosofen en geloofsverspreiders (dan wel –stichters) die ondersteuning behoeven bij het ten uitvoer brengen van hun gedroomde project. De sessies duren dagen. De één na de ander verdwijnt in die lounge om zijn idee voor te leggen aan de grootgrondbezitters. De overigen hangen rond in de bar van het hotel. Ze drinken. Ze praten. Ze mijmeren maar wat voor zich uit. Ze staren in het blauwe heenin. Het duurt en het duurt. De ikfiguur wacht, denkt en drinkt. Zegt Teju Cole:  “Murnane, een genie, is een waardige erfgenaam van Beckett”, en het moet zijn dat Signatuur dacht dat Beckettfans dat zou doen brullen van enthousiasme, want ze zetten de uitspraak op het omslag (het deed mij wel brullen van enthousiasme, in zoverre had ulieden gelijk, Signatuur. maar hoeveel Beckett-fans telt Nederland eigenlijk nog?). Maar daar, op éénderde, of naja toch: reeds voorbij halverwege halverwege, leek het me nog niet erg op Beckett te lijken. Zo waren er naar Beckett-maatstaven al veel te veel bijfiguren, en sommige daarvan zeiden dan ook nog wat ook. Maar ineens dacht ik: stel je voor dat de ikfiguur nooit bij de grootgrondbezitters naar binnen geroepen wordt! Dat het hele boek zal gaan over het wachten op een audiëntie die hem uiteindelijk nooit verleend wordt! En hij gans die 158 pagina’s lang (ja het boek zelve is langer maar de rest is gevuld met een niet tot het verhaal behorende briefwisseling tussen Gerald Murnane en de eerder genoemde Teju Cole) alleen maar in de bar van een hotel zal zitten te zitten! Wow! Ja, dat zou behoorlijk beckettiaans zijn ja, en behoorlijk geniaal ook. Geniaal!, ik dacht ja, en schreef het misschien ook nog wel ergens op die angstvallig lege bladzijde in mijn aantekeningenboekje – zodat daar nu één woord stond. Geniaal. En verder niets. Maar dan wordt hij toch tegen zijn verwachting in (of minstens toch tegen de mijne) naar binnen geroepen en kan er zoiets als een “verhaal” in gang komen (en het is altijd oppassen als verhalen in gang komen want niet zelden is het dáár waar het mis gaat).

De scène die dan volgt is even bizar als grappig. Zes landeigenaren ontvangen de ikfiguur, een zevende ligt te slapen op een veldbed in de hoek. De drank heeft rijkelijk gevloeid, zoveel is duidelijk (en zal ook rijkelijk blijven vloeien). In een toneelmatig weergegeven gesprek praten alle zes in eerste instantie volkomen langs elkaar heen. Iedereen houdt het bij zijn eigen obsessies. Later raakt het gesprek meer geïntegreerd; als een dissonant koor dat zich naar een harmonieus refrein toezingt. Niettemin blijft ieder zijn hoogstpersoonlijke accenten leggen. Veel ruimte om zijn idee te presenteren krijgt de ikfiguur niet. Pas als de zevende man opstaat van het bed en zich in het gesprek mengt, kan de ikfiguur gaan praten. En hoewel de zevende landeigenaar veel van wat de ikfiguur zegt schandalig vindt, neemt hij hem toch in dienst: “Ik kon zolang te gast zijn als ik wilde blijven. Maar het zou beter zijn als ik op een mij passend moment een betrekking in zijn huishouden zou aanvaarden. Een naam voor die betrekking kon ik zelf kiezen. Hij stelde ‘directeur filmprojecten’ voor, maar hij verwachtte wel dat ik me daar nog eens voor zou gaan schamen. Mijn salaris zou elk redelijk bedrag inhouden boven de kosten die het uitoefenen van mijn taken eiste. Natuurlijk zou er geen formele lijst van taken zijn om mijn werkterrein te beperken.”

Let op. Het is goed mogelijk dat het mogelijk is & het kan zijn dat het kan zijn. Dat dit misschien mogelijkerwijs allicht (bijwoorden van twijfel) aan de orde van de dag is, daar in dat verre Australië met zijn vlaktes zijn kangoeroes zijn hitte zijn sluitneder zijn razzia’s. Dat grootgrondbezitters alle dagen een volmaakte vreemde voor onbepaalde tijd in hun huis opnemen om tegen een onduidelijk loon niet welomschreven werkzaamheden te verrichten. Maar ik lees dit niet daar in dat verre Australië, ik lees dit in het al te nabije Nederland. Waar de herfst meedogenloos is ingetreden, Rutte, Grapperhaus en De Jonge veel te veel macht gekregen hebben en angst en middelmaat regeren. En de “plot” (zo het er al één is) van De Vlakte komt mij lichtelijk bizar voor, zij het ook weer niet zó bizar dat je van absurdisme, groteske, surrealisme of voor mijn part in gilsiaanse terminologie gevat “paraproza” (“transludiek”, hee) kunt spreken. Te buitengewoon om gewoon te zijn, deze Murnane maar te gewoon om buitengewoon te kunnen zijn. Zoiets. Binnen zijn ongebruikelijkheid blijft De Vlakte steeds realistisch, soms zelfs op het gortdroge af. Wat dan wel weer passend is bij het vlakke Australische binnenland.

Bizar realisme. Bestaat dat? “Bialisme”. (hee!). Mag ik die term dan munten, mensen? Ze lijkt goed van toepassing te zijn op De Vlakte. Het bizar realisme (of toch maar bialisme?) is één van de redenen waarom ik slecht toegang vind tot dit boek. Eénmaal wonend op het landgoed van zijn broodheer (de ikfiguur verwijst naar hem als “mijn beschermheer”) is er van enig beperkt werkterrein zeer zeker geen sprake; het is me eigenlijk volslagen onduidelijk wat “ik” nu alle dagen zit te doen, daar. In plaats van aktief aan zoiets als een film te werken (hoe men dat dan ook doet, aktief aan een film werken), zit hij meestentijds in één van de vele bibliotheken die het landgoed rijk is. Bibliotheken die tot de nokken toe gevuld zijn met kunst, proza, poëzie van en over de vlakte. Daarover zit hij dan te peinzen. Over de vlakte en over wat anderen zoal gepeinsd hebben over de vlakte.

Zulks is moeilijk inkomen ik zei, en zeg nu opnieuw. Iemand wordt volledig voorzien in zijn levensonderhoud in ruil voor gepeins dat zonder fysieke weerslag blijft. Naar vorderingen van het een of andere project wordt nooit gevraagd. Maar goed, leven in abnormale levensomstandigheden is überliterair en elke toetsing aan de realiteit is voor beperkten. Bovendien is voor iedereen die creërend bezig is, het niet totaal onherkenbaar om veel meer bezig te zijn met het denken over, en dan het denken over denken, en dan het verloren lopen in één of andere zijweg van iets dat maar zijdelings te maken had met iets zijdelings van waar het ooit om begonnen was, dan met het werkelijke “creëren” (wat dat dan ook is). Maar “ik” peinst over de vlakte, over de kunst van de vlakte, de religie van de vlakte, de filosofie van de vlakte, de proza en de poëzie van de vlakte, en over wat grootgrondbezitters (kennelijk de grote voorvechters van de vlaktecultuur?) zoal al of niet gevonden hebben van al dat de vlakte aan materiaal heeft opgeleverd, over bepaalde stromingen en substromingen in het denken over (de cultuur van) de vlakte, over hoe dit denken zich ontwikkeld heeft en de “biarealistische” aard van al deze bespiegelingen maken vele tientallen bladzijden van De Vlakte tot taaie kost. Weeral is het goed mogelijk dat het mogelijk is: dat er dus zo’n grootse cultuur bestaat van en over het Australische binnenland, maar als ik het binnen mijn verstaanshorizon tracht te trekken en er bijvoorbeeld Drenthe van maakt krijgt het weeral absurde (maar niet: absurdistische) trekken.

Omdat “ik” voornamelijk over anderen denkt: over een andere cultuur (“ik” lijkt van origine geen vlaktebewoner te zijn) en over wat anderen over die andere cultuur gedacht en gezegd hebben, krijgt hij zelf ook gedurende het verhaal nauwelijks vorm. Dat maakt het lastig met hem te sympathiseren, of zelfs maar hem te begrijpen. Omdat hij nooit op zichzelf reflecteert, komen ook zijn toch al spaarzame handelingen nogal eens uit de lucht vallen. Zo is er een scéne waarin hij maar weer eens tussen de boeken verscholen zit in de bibliotheek en door een raam de dochter van zijn beschermheer ziet lopen. Ze staat stil en kijkt omhoog. Ineens gaat “ik” meubels verslepen en op elkaar zetten. Na enige regels heeft de lezer dat hij dit doet om een manshoge “pop” van zichzelf te maken, op ware grootte. En als hij dan naar buiten gaat, naar de plek waar de dochter van zijn beschermheer stond toen ze omhoog keek, begrijp je dat hij dit gedaan heeft omdat hij wilde weten of en hoe ze hem gezien heeft toen ze daar stond (doch nog niet waarom hij dat zo gaarne weten wil). Maar omdat “ik” nooit in zinnen denkt als “Ik vroeg me af of ze me gezien kon hebben” of “Ik besloot een replica van mezelf te maken om me vanuit haar standpunt te kunnen zien”, wekken zijn handelingen in eerste instantie alleen maar vervreemding op bij de lezer. En toch krijg ik niet de indruk dat Murnane op vervreemding uit is. Waardoor ik de scéne nogmaals wil lezen, nu zonder vervreemding, nu ik weet wat ik eerst niet wist.

En nu net dat. Net dat, beste mensen beste lezers van dit stukje. Net dat is wat het is: Murnane is me altijd één stap voor. Of één stap. Een hele hoop stappen eigenlijk, en ik snel hem achterna en kijk om omdat ik wil zien waar we gelopen hebben en pas dan zie ik dat het best een mooie weg was en wil ik hem nog een keertje gaan. De Vlakte is een herleesboek maar voor iemand die altijd zo’n honderd boeken tegelijk leest, is herlezen van boeken geen evidentie. Plus daarbij, diene mens die op het bovenste verdiep in die flat woont, heeft me uitdrukkelijk gevraagd het boek terug te geven. Dus moet ik het bij deze ene lezing van De Vlakte houden en Murnane heeft het me uiterst lastig gemaakt om er een of ander duidelijk “iets” van te peinzen. Murnane schrijft niet naar me toe. Ik voel niet mee met de ik in dit verhaal. Voelen is sowieso al van ondergeschikt belang in De Vlakte. De vrouw van de beschermheer zit wel eens bij “ik” in één van de bibliotheken en uit een paar regeltjes blijkt dat “ik” haar best heel sympathiek vindt maar ook die gevoelens zijn tamelijk onnavolgbaar en spelen bovendien enkele bladzijden verderop al geen enkele rol meer. Steeds als ik denk aan te voelen welke kant het op zal gaan (eerst dacht ik dat “ik” nooit bij de grootgrondbezitters zou ontboden worden, toen dacht ik dat de dochter van “iks” beschermheer een rol zou krijgen in het verloop, en daarna de vrouw), gaat het een andere (of juist geen enkele) kant op. Alzo gaan ook veel van Murnanes zinnen. Hij componeert graag lange zinnen waarvan het slecht voorspellen is waar we zijn zullen als de punt wordt gezet. Zinnen die nopen tot herlezen. Ook al. Want wat zegt hij nou eigenlijk? Ontkent hij de ontkenning of bevestigt hij de bevestiging? Wat was ook alweer het begin van deze zin? Ik heb geloof ik even niet opgelet.

Tot slot ook het slot. Ook het slot is niet zoals ik slotten dacht te kennen. En ik vind niet eens dat een slot een slot moet zijn, of wat dan ook. Toch neemt mijn ruimdenkendheid ten aanzien van slotten een klein, licht-knagend gevoel van onbevredigdheid bij dit specifieke slot niet helemaal weg. Noem het wrevel. Of zeg verwarring. Mogelijkerwijs zit mijn onbekendheid met Australische literatuur en/of cultuur hier voor een deel tussen? Het Australische denken? Ik had ooit een Australische vriendin, en nu ik eraan denk: haar begreep ik eigenlijk ook nooit helemaal.

Dit is literatuur die niet reproduceert, maar op zichzelf staat: een “konkreet proza” zo men wil (wie weet Sybren Polet nog?). Een puur fictioneel schrijven: van het hoofd van de schrijver naar het hoofd van de lezer zonder dat het iets van een tussenruimte weerspiegelen wil. Hierom prijs ik Murnane. Hij heeft geen rijdende trein geschapen, waar je maar op te springen hebt maar een boek dat je slechts aanvaarden of verwerpen kunt. In deze volstrekte compromisloosheid herken ik inderdaad de geest van Beckett. Ik zie niet Becketts taalwoede, niet zijn duisternis, niet zijn absurdisme, niet zijn humor. In de hermetiek van de vlaktefilosofieën kan ik nog wel de Beckett van zijn betogende teksten herkennen (maar die Beckett moet ik niet zo eigenlijk, al een geluk dat hij nog zo weinig betogende teksten heeft geschreven anders had ik me als completist nog meer dat mij niet lief is moeten aanschaffen dan mij lief is) (?) (of ja, misschien ook wel de hele vroege Beckett, die nog joyceiaans was tot op het bot, de Beckett van Droom van matig tot mooie vrouwen, misschien dat iets van die Beckett ook nog wel rondwaart in De Vlakte) (maar ook die Beckett is best vervelend eigenlijk) (en de Beckett van de wat overschatte trilogie is ook nog niet helemaal wat hij waard kan zijn) (hmm, eigenlijk heb je met Watt wel de essentiële Beckett in huis) (en Hoe het is) (en wat van die losse, dunne boekjes, hoe heten ze allemaal). Maar waar zat ik? Wel, hoe alles opgeofferd wordt aan een totale eigenzinnigheid dat is voorzekers wel beckettiaans (of is het beckettesk?) ja en het is dan ook vandaar dat ik wel meer zou willen lezen van Murnane.

Gerald Murnane De vlakte Recensie001Boek-Bestellen

Muziekliefhebbers spreken wel over een “instapplaat”. Dat is me wat, mensen, zo’n instapplaat. Het is dé plaat die je heeft doen interesseren in een band of artist om vandaaruit kennis te maken met de rest van het oeuvre. Voorwaarde is dan wel dat er een verder oeuvre te ontdekken valt; bands of artisten die het bij een plaat of drie hebben gelaten, kunnen uiteraard geen instapplaat hebben. Homesickness is één van de allerbeste platen ooit gemaakt en o! dat ware een geweldige instapplaat geweest, maarja: You Fantastic! maakte alleen maar die ene vollelengte cd en dan nog twee ep’tjes (waarvan één fantastisch en één ronduit zwak is). De vonk moet ook niet uitdoven vooraleer je het geld of de tijd gehad hebt om je in dat verdere oeuvre te verliezen, zoals mij gebeurde toen ik Golden Sings That Have Been Sung van Ryley Walker hoorde wat ik toen echt een bloedmooie plaat vond. Maar ik hoorde andere liedjes van andere platen en geen enkel liedje leek me aantrekkelijk genoeg om de plaat waar het op stond in aanschaf te doen en toen ik laatst Golden Sings… weer eens draaide, vond ik er eigenlijk niet zoveel meer aan. Een instapplaat kan de debuutplaat zijn maar dat hoeft niet. Al is het meestal wel zo dat het hoogtepunt te vinden is bij het vroege werk. Weinig bands of artisten beginnen pas bij hun tiende plaat interessant te worden. Ten beste weten ze een redelijk geluid te consolideren, en ook daar begint het niet zelden ten lange laatste oninteressant te worden. Zo kan ik me niet meer heugen wanneer het me nog enthousiasmeerde als de nieuwe Swans er was.

Enfin. Ik vraag me af of De Vlakte een handig gekozen instapboek voor het oeuvre van Murnane is. De man schreef al zo’n vijftien boeken, en niet eerder werd er een boek van hem in het Nederlands vertaald. Waarom gekozen voor een boek uit het hele begin van zijn oeuvre, zijn derde boek, een boek dat hij zelf rekent tot een fase die hij inmiddels achter zich gelaten heeft? In de briefwisseling tussen Teju Cole en Gerald Murnane die nota bene achter in dit boek is opgenomen, stelt Murnane dat zijn schrijfstijl zich heeft moeten ontwikkelen in de eerste tien jaar van zijn schrijversbestaan. Daarbij noemt hij De Vlakte zelfs met name: “Hoewel ik trots ben op Tamarisk Row, A Lifetime on Clouds en De Vlakte, kan ik die boeken nooit opnieuw doornemen zonder dat ik er iets in wil verbeteren. Ik denk dat ik, toen ik die boeken schreef, er nog te zeer op gebrand was om de precieze, de meest passende woorden of zinssneden te vinden, alsof bepaalde woorden of woordcombinaties rijker en krachtiger waren dan andere.” (wat misschien het zo cognitieve aspect van dit boek verklaart).

Ook voordat ik Murnanes woorden over De Vlakte had gelezen, proefde dit boek al als niet nog geheel gerijpt. In veel gevallen kan dit tot voordeel strekken. Als ik hierboven zei: bij musici gaat het nogal eens mis als ze volgens critici “hun sound hebben gevonden” want dan begint negen keer op tien het middelmatige, het inwisselbare, het bloedeloze. Ook bij schrijvers kan dit fenomeen op de loer liggen. Jong, onbekend, nog zonder publiek leggen ze een durf en experimenteerdrang aan de dag die in hun latere werk langzaamaan verdwijnt. Maar bij Murnane zou dit –schat ik zo in- nog wel eens andersom kunnen zijn. Misschien is hij wel die schrijver die toen hij jong was nog dacht dat hij / het schrijven aan van alles diende te voldoen, een ballast die hij bij het klimmen der jaren pas overboord wist te gooien? Ik weet het niet want hoewel ik ook zeer veel Engelstalig lees, is dit voor mij ook pas de eerste kennismaking met de Australiër. Ik raad maar zo’n beetje naar de ontwikkeling in Murnanes schriftuur; een raden dat ik doe op grond van het gegeven dat De Vlakte me intrigeerde zonder me helemaal te overtuigen. Ik kan me best voorstellen dat Gerald Murnane in de loop van komende jaren gaat uitgroeien tot één van mijn lievelingsschrijvers. Ik kan me ook voorstellen dat dat voornamelijk zal zijn vanwege elementen die in De Vlakte nog niet of nauwelijks aanwezig zijn. Dat het me over een jaar of vijftien nog zal verbijsteren dat De Vlakte mijn instapboek was.

De vlakte

    • Schrijver: Gerald Murnane (Australië)
    • Soort boek: Australische roman
    • Origineel: The Plains (1982)
    • Nederlandse vertaling: Sander Grasman, Thijs van Nimwegen
    • Uitgever: Signatuur
    • Verschijnt: 11 februari 2020
    • Omvang: 160 pagina’s
    • Uitgave: Paperback / Ebook
    • Recensie van: Tim Donker

Flaptekst van de roman van Gerald Murnane

Speels en dromerig meesterwerk, waarin een man op de Australische vlakte arriveert in de hoop een film te maken over de vreemde cultuur van de bewoners.

Gerald Murnane is tachtig, schreef zo’n vijftien boeken, The New York Times noemde hem “de grootste auteur in het Engelse taalgebied’ en hij lijkt een gedoodverfde Nobelprijswinnaar. Toch hebben veel mensen nog nooit van de Australiër gehoord. Misschien komt dat doordat Murnane in het gehucht Goroke woont, omringd door stapels archieven van zijn eigen schrijfsels. Hij heeft nog nooit in een vliegtuig gezeten, heeft geen tv en geen computer: hij schrijft met één vinger op zijn typemachine. Als hij niet schrijft, staat hij achter de bar van de lokale golfclub.

Zijn roman De vlakte, die in 1982 verscheen, geldt in kleine kring al als een meesterwerk. Nu wordt het hoog tijd dat zijn werk het grote publiek bereikt. Met De vlakte debuteert Murnane op spectaculaire wijze in het Nederlands taalgebied.

In deze roman arriveert een jongeman op de Australische vlakte in de hoop een film te kunnen maken over de vreemde, maar rijke cultuur van haar bewoners. Het resultaat is een minutieuze verkenning van het vlakke Australische binnenland en zijn landeigenaren.

Bijpassende Boeken en Informatie

Lászlo Krasznahorkai – Baron Wenckheim keert terug Recensie

Lászlo Krasznahorkai Baron Wenckheim keert terug recensie van Tim Donker van deze Hongaarse roman.

Lászlo Krasznahorkai Baron Wenckheim keert terug Recensie

En zit ik. En kijk. Uit het raam bijvoorbeeld. En denken (straks de gordijnen sluiten). En denken (dat het Satie was die gezeid haadt dat ervaring een vorm van verlamming is, en niet Kierkegaard zoals ik gister nog de buurman trachtte diets te maken). En denken (aan morgen denken). En denken (aan gisteren denken). En denken (aan groenteman en wat zullen we vanavond eten denken). En denken (is het mogelijk om onbevooroordeeld een boek te lezen?). Denken, en soms denk je dan ineens iets dat je tussen de haakjes vandaan wilt halen, dat je nader wil denken, dat je beter wil denken, dat je geheel momenteelderlijk meer aandacht waard acht dat een korte gedachteflits tussen vele andere.

Is het mogelijk om onbevooroordeeld een boek te lezen? Het is mogelijk dat het mogelijk is, maar het is ook heel goed mogelijk dat het niet mogelijk is. Bijvoorbeeld als je een schrijver kent. En je hem niks vindt, of juist alles. Of je las niets ván de schrijver maar des te meer óver hem. Of je buurman, die onvermijdelijke buurman (maar na uw nakende verhuis gaat hij wel uit uw recensies verdwijnen, let maar op) zei er al eens iets over. En anders heb je altijd dat stomme achterplat nog.

Van László Krasznahorkai las ik een kortverhaal, ooit. In Terras. Dat moet geweest zijn in de dagen dat mijn laatst zeven geworden zoon nog een baby was. Enkele dingen van dat kortverhaal zijn me bijgebleven. Dat het De Laatste Boot heette, bijvoorbeeld. En dat het in de wij-vorm geschreven was. De wij-vorm komt niet heel vaak voor en zo’n veelkoppige (of toch: meerkoppige) hoofdpersoon intrigeert altijd weer vanwege zijn mysterieuze onbepaaldheid. Dat het, dat dat kortverhaal kbedoel, een sfeer van fatalisme in zich droeg, van laatste dagen, van einde of misschien zelfs voorbij daar, voorbij het einde. Dat ik er desondanks een paar keer om moest lachen. De laatste zin. Die herinner ik me ook nog. “Dat daar was Hongarije”. Zo luidde die zin. Ik uitte die zin soms nog wel eens hardop. Gewoon zomaar. Zonder aanleiding. Dan stond ik op zolder, dan zocht ik naar iets dat ik niet vond, en dan zei ik in het licht van een kaal peertje “Dat daar was Hongarije”. Niet omdat het ergens op sloeg, maar omdat me het een zin leek die men af en toe moest uiten.

En óver Krasznahorkai las ik ook. Misschien was dat later, misschien was dat vroeger, ik nie weet nie, en wat maakt het uit ommers, wie keek er op zijn almanack, wie nam nota? In nY las ik iets over hem dat me denkend zette. Het ging over Satanstango. Het zette me denkend. Dat ik Satanstango eens moest gaan lezen gaan, was wat ik dacht. Ik weet niet meer waarom ik dat dacht, hoe het schrijven was dat ik dacht dat ik dat moest gaan lezen gaan. Ik heb het uiteindelijk nooit gelezen. Zo gaat dat met gedachten. Die komen op, en die gaan weer weg en vaker wel dan niet blijven ze zonder gevolg.

Ook Baron Wenckheim keert terug heeft een achterplat. Dat las ik. Ik las: “In een kleine Hongaarse stad verspreidt zich het gerucht dat Béla Wenckheim, een rijke aristocraat, uit Argentinië terugkeert. Steeds meer mensen rekenen erop dat hij veel geld meebrengt, waardoor de stad weer tot bloei zal komen. Hij wordt dan ook feestelijk onthaald. Maar als de baron door een reeks tragikomische misverstanden onverwacht overlijdt, komt de gedesillusioneerde bevolking in opstand. Er breekt een enorme brand uit in de stad. De enige overlevende is een idioot die uit het gesticht is weggelopen en boven op de watertoren een liedje zit te zingen.”

En ik dacht Dat daar was Hongarije.

En ik dacht, door achterplat, door nY, door kortverhaal maar ook door de niet misse dikte van het boek (496 bladzijden) dat ik een boek ging lezen over een baron, over geld, over ondergang, een boek dat ongetwijfeld zou gaan over veel meer dan waar het over ging: een boek over verdoemenis & einde & wereldbrand & dood; een Grote Europese Roman misschien wel – met ongetwijfeld een of andere boodschap van politieke aard.

Dus nee. Zelfs int geval van een schrijver die ik maar nauwelijks ken. Nee. Het is niet mogelijk onbevooroordeeld een boek te gaan lezen. Maar ik las. En in eerste ging het helemaal niet over een baron, maar over een dirigent. Een niet al te aardige dirigent. Maar goed, het was een vooraf, een “waarschuwing” nog voor de roman begon, dus ik las door, en kwam zo als vanzelf bij iets dat misschien wel het eerste hoofdstuk was. En nog ging het niet over een baron. Nu ging het over een Professor, die zich had teruggetrokken in een provisorische hut in het bos. Hij verschanste zich daar tegen zijn dochter (waar hij nooit naar om had gekeken, of van wier bestaan hij misschien niet eens wist, het werd me niet zo op één twee drie duidelijk) en tegen de pers en tegen allerlei gedoe dat daar buiten gaande was en ik dacht dat mijn sympathie misschien op de hand van die Professor moest zijn maar ik wist het nog niet zo net.

Misschien. Volgende boekdeel (RAM), volgende hoofdstuk (Bleek, veel te bleek), ergens een station, en een elegant geklede heer: HA!, gaat het nu dan toch over een baron gaan?

Wel. Eigenlijk gaat Baron Wenckheim keert terug in zijn geheel niet over baron Wenckheim, of diens terugkeer. Wenckheim heeft er zelfs een vrij minieme rol in. Er is in het eerste deel van het boek inderdaad sprake van een baron Wenckheim die terug zou keren naar dat kleine Hongaarse stadje en voorspoed en welvaart met zich mee zou brengen. Maar meer dan over de feitelijke terugkeer van de feitelijke baron gaat het om alle verwachtingen, alle rumoer, alle geruchten, alle vooronderstellingen, alle gepraat daaromheen. Het eerste deel zou je dierhalve kunnen kenschetsen als een sociaal-politieke versie van Wachten op Godot. Maar ik moest ook herhaaldelijk denken aan De verlossing van Robert Pinget. En omdat het boek niet werkelijk een persoon als hoofdpersoon heeft, maar veeleer een stad of een volk: ge moogt gerust ook John Dos Passos in gedachten nemen. Al vind ik dat Krasznahorkai wel zijn hoed mag afnemen voor Dos Passos maar dat ben ik maar; ik vind dat bijna iedereen zijn hoed moet afnemen voor John Dos Passos.

Maar je kunt verder gaan. Baron Wenckheim keer terug zit propvol, propvol dingen die eigenlijk voornamelijk níet gebeuren. Een ongebeuren dat door het door zichzelf opgehitste volk continu tot gebeuren wordt gemaakt. Een tirannenroman waarin nu eens het volk zelve zijn eigen tiran is? Waarom niet. Ik probeer er nog één: een parodie op het nieuwe testament. Of misschien wel een aanval op elk geloof als zodanig. De menselijke nood aan een Messias, aan een goeroe, aan een held, aan een god. In ieder geval een onuitputtelijk boek. Dat uitput, maar daarover later meer.

De meest eigenlijke gebeurtenis in het boek krijgt het minste aandacht. De baron gaat dood & daarmee verpest ik niks voor mensen die nog gaan lezen gaan want dit staat gewoon te lees op het achterplat. Na de dood van het baron verandert de sfeer van het boek. Van een hoopreligie in een ondergangsreligie, of: van het eerste testament in het Boek der Openbaringen. Ineens gebeuren er dingen, gebeuren er werkelijk dingen: weg zijn de verwachtingen, de vermoedens, het praten over. In plaats daarvan een onophoudelijke reeks plagen en rampen van bijbelse –en soms absurde- proporties. Dit tweede deel vond ik minder sterk. In het suggereren van gebeurtenissen is Krasnahorkai beduidend sterker dan in het werkelijk laten gebeuren van gebeurtenissen. Hoewel ik in het eerste deel ook af en toe moest lachen, of bijna lachen, blijft een verstikkend, vervreemdend, dreigend sfeertje overeind dat het boek zijn kracht meegeeft. In het tweede deel zijn sommige van de plagen die de bevolking overvallen zo absurd dat ik er gelijk een Evil Dead-achtige horrorfilm alleen maar mee lachen kon (zonder nog iets van verstikking, keelsnoering of ontzetting te voelen). Andere scénes hadden dan weer niet misstaan in een boek van Stephen King en zoiets kan nauwelijks als compliment gelden. Het eind doet het boek naar mijn smaak te weinig recht.

Is wat ik dacht, wat ik al lezende dacht, maar dan weer werd ik teruggeworpen op mijn eigen gedacht en vroeg ik me af of ik niet al te vroegtijdig al die dingen had gedacht. Aan het einde van het boek primeert dan ook de vraag wat de ef ik hier nu eigenlijk heb zitten lezen. De Grote Europese Roman? De Grote Hongaarse Roman? De Grote Hongaarse Anti-Roman? Of: De Grote Anti-Hongaarse Roman? (in het tweede deel circuleert een geschrift waarin het Hongaarse volk ongenadig gehekeld wordt). Iets groots alleszins. Iets Dos Passos-achtigs.

Ja ja ja ja Dos Passos, daar is hij weer. Lezende van de baron, en van een gemeenschap en een volk dat het Hongaarse is (dat daar was Hongarije) bekroop me meer en meer het gevoel dat dit boek maar één bouwsteen van een veel groter geheel is – zo lang na de USA-trilogie nu dan eindelijk een waardig Europees antwoord in de vorm van een cyclus die over Hongarije of Europa of voor mijn part de hele wereld zal blijken te gaan. En later, toen het nacht was en ik moe, las ik ergens op dat onmetelijke grote Internet iets dat dat vermoeden bevestigde – Baron Wenckheim keert terug en Satanstango en De melancholie van het verzet en een vooralsnog niet in het Nederlands vertaald werk zouden samen één geheel vormen. Maar dat was laat en ik was moe en later, later nog, kon ik niet goed meer terugvinden waar ik dat gelezen had en begon ik denken dat ik het misschien maar gedroomd had (want ja zo maf droom ik wel, of zo saai zo je wilt).

Of misschien iets dat het lezen zelve ondergraven wil: vanaf het moment dat baron Wenckheim daadwerkelijk terug is, verandert de toon: de dreiging, het gefluister, de ophitserijen zijn weg, de dodelijke ernst van een volk dat zichzelf onomkeerbaar toestuwt naar een totale ondergang maakt plaats voor een idiote reeks voorvalletjes, sitcom-achtige misverstanden, zotterniën en bijna slapstick-achtige situaties; Krasznahorkai trekt in één ruk de angel uit de zorgvuldig opgebouwde ernst – alsof hij de lange neus wil trekken naar de serieusheid waarmee de lezer het werk tot dan toe dacht te moeten betrachten (zegt Zappa (tegen Ivo Nihil dan nog) (God betere het): “I think seriousness itself is something to be laughed at.”). En dan komt die totale ondergang tóch. Alsnog. Dachten we net dat het allemaal toch alleen maar was om mee te lachen, stort de hele klerezooi des te harder voor onze ogen in elkaar. Ja, des te harder ik zeg want de totale ondergang is wel een beetje overdreven in zijn totaliteit: zo potsierlijk, zo bijbels, een straf vanuit Den Hogen, geheel losstaand als het is van ieder menselijk handen. De straffen Gods zijn altijd al overdreven geweest, en onbegrijpelijk dus de idee dat het het volk zelve was dat zich lemmingen gelijk in de afgrond aan het storten was, kan hierbij het raam uit. Het niet-gebeuren leek mij in het eerste deel zo belangrijk; een niet-gebeuren dat zich door verwachtingen, aannames, vooroordelen, gepraat en geroddel tot gebeuren bracht maar dan wel een ander gebeuren dan in eerste instantie voorzien. Zoals door wereldomvattend, even hysterisch als ignorant beleid in deze tot “corana crisis” gebombardeerde tijden eveneens een niet-gebeuren tot een catastrofaal gebeuren wordt gebracht, zij het dat nu angst de motor is en niet hoop zoals in Baron Wenckheim keert terug. De plagen uit het laatste deel staan echter zodanig los van alles wat daaraan vooraf ging dat mijn begrip van dit boek als gaand over een volk dat zichzelf “doodzevert” wel een verkeerd begrip moet zijn (zegt Stevie Wonder: “Some people like to understand you a little bit too damn quickly.”).

Maar het lijkt onwaarschijnlijk dat Krasznahorkai dít boek geschreven zou hebben, als hij alleen maar wilde spelen met de verwachtingen, de interpretaties en het begrip van de lezer; het lijkt ook onwaarschijnlijk dat het hier om louter vingeroefeningen gaat (es kijken of ik net zo goed humoristisch als ernstig schrijven kan!), al treft men in dit boek menig een register aan: filmisch, filosofie, psychologische thriller, drama, vervreemding, absurdisme, eurocrime, dandyïsme, decadentisme, sociaal commentaar, politiek pamflet, een gemankeerde liefdesgeschiedenis. Deze en nog vele andere lezingen van dit boek zijn verdedigbaar en toch is dit geen literaire spierballerij van een schrijver die koste wat het kost zijn kunnen wil tonen en daarom het schier onverenigbare aan elkaar aan het schrijven is. Nee. Het is duidelijk. Baron Wenckheim keert terug moet Iets zijn. En Iets is nooit “zomaar wat”.

Hoe Ietserig dit voor me staat, komt –toegegeven- gedeeltelijk voort uit het feit dat ik dus niet onbevooroordeeld aan Baron Wenckheim keert terug heb kunnen beginnen. Het kortverhaal dat ik las, het stuk in nY en het achterplat – het zei me allemaal: Krasznahorkai is een Groot Schrijver (en Grote Schrijvers zwetsen niet). Maar de idee dat deze 496 pagina’s meer willen zijn dan vrijblijvend vermaak of een intellectualistisch spelletje met de Geoefende Lezer, dank ik toch voornamelijk aan Krasznahorkais schrijfstijl. Deze man vraagt veel van zijn lezers. Nee. Hij eist. Baron Wenckheim keert terug bestaat uit lange, meanderende zinnen die zich veelal herhalen en hernemen, zinnen die drie stappen voorwaarts zetten en dan weer twee terug, zodat aan het begin van de zin niet te voorzien is hoe die –bladzijden verder- zal eindigen. De vele komma’s die men hierbij onderweg tegen komt deden mij aan Claude Simon denken, de merkwaardige, enigszins brokkelige zinsbouw aan De Kalkfabriek van Thomas Bernhard (van een ander meesterwerkje gesproken!). Doorgaans wisselt de focalisator per paragraaf en uiteraard maakt de nieuwe spreker zich niet direct kenbaar zodat de lezer nogal eens ettelijke regels nodig heeft voor hij weet wie er nu weer aan het woord is. Alsof dit een boek is waar je steeds weer opnieuw in moet beginnen; steeds weer opnieuw “even in moet komen” was een aantekening die ik een keer op een voddig kladje schreef. De paragrafen die worden gezien door de ogen van De Professor willen dan ook nog wel eens filosofisch zijn; vrij hard filosofisch eigenlijk. Ik ga niet zeggen dat je filosofie gestudeerd moet hebben om deze passages te begrijpen maar enige affiniteit met dit vakgebied is zeker niet onontbeerlijk. Krasznahorkai vult zijn zinnen paginabreed uit, er wordt weinig gedialogiceerd, er zijn geen witregels, slechts af en toe een inspringing, dus het gaat hier om honderden pagina’s aan massieve tekstblokken; papierverspilling kan men deze schrijver niet verwijten. Eenmaal begonnen aan een paragraaf zit de lezer “vast”, net als, eertijds, bij Eden eden eden van Pierre Guyotat (en ook daar maakten we de ontmenselijking van een volk van nabij mee) (ow, zou Krasznahorkai Guyotat gelezen hebben, peinst gij?).

Waarmee maar gezegd wil zijn: Baron Wenckheim keert terug is geen boek voor tussendoor. Het paste ook niet echt goed in mijn leesgewoonten. Ik heb slechts zeer zelden de luxe een uur of langer aan één stuk te kunnen lezen. In de tien minuten die na het schrijven en de huishoudelijke taken nog wel eens over willen zijn vooraleer ik de kinderen uit school moet gaan halen, greep ik, het zal u niet verbazen, meestal niet naar dit boek. Ook is het geen wcliteratuur en voor het bad – om een andere favoriete leesplek van me te noemen – was het eveneens een weinig te zwaar, zowel in letterlijke als in figuurlijke zin. Op het soort avonden dat iedereen vroeg genoeg in bed lag om mij nog enige uren te vergunnen tot mijn eigen uiterste bedtijd, bleek ik vaak te moe – of in ieder geval toch, te moe voor dít boek. Hoewel ik Baron Wenckheim keert terug grosso modo een fantastisch boek vond, moest ik iedere keer iets overwinnen om er in verder te lezen. Greep ik op het laatste moment toch liever naar iets lichters. Mwah. Ik weet niet. Markies De Sade ofzo, of De moeilijke dood, of Deleuze, of de bijbel – o haast alles leek me steeds weer verteerbaarder om mijn zuurverwonnen leesminuutjes mee op te vullen dan Baron Wenckheim (ik heb dan ook ruim een half jaar over dit boek gedaan, mensen). Dit is het hem nu juist: Krasznahorkai wil geen minuutjes van je. Hij wil je niet op een bankje op het plein onder het flauwe mom dat je dan de kinderen een beetje in de gaten kunt houden. Hij neemt geen genoegen met een portje in de zetel terwijl je gedachten steeds maar blijven uitgaan naar die dikke envelop die vandaag binnenkwam en wat daar in zou zitten. Krasznahorkai vraagt – nee: eist- meer. Veel meer.

Lászlo Krasznahorkai Baron Wenckheim keert terug Recensie

Zegt Rokus Hofstede: “Ik val in deze gedichten als een steen in de vijver.” (geen idee meer waar hij dat zei of over welke gedichten; ik weet alleen nog maar dat ik het hem niet echt navoelde). Wel. Voorwaar. Ik zeg u. Gij zijt de steen. En de baron is de vijver. Maar gij zijt het niet, die in de vijver valt: de vijver valt over u. Telkenmale ge dit boek opendoet stort heel die vijver over u heen. En ge hebt maar te zwemmen.

En om godswil: zwem! Laat u meevoeren. Drijf, vloei, dobber, bulder en verzuip. Golf mee op de cadans van deez hier woorden. Doe het, en doe het goed. En de hallucinante schrijfstijl van Krasznahorkai brengt u in de fabelhafste der trances. Geef de woorden de toewijding die ze verdienen en u zal loskomen van de aarde. Toewijding geven – dat had de eindredacteur beter ook gedaan. Missers als “de echte, die kan allen tante Ibolyka maken” of “de deelnemers […] waren verbluf” horen natuurlijk in geen enkel boek thuis maar hier breekt het – geheel momenteelderlijk weliswaar, maar toch – de trance. En tussendoor ontwaken wil je niet als je je er eindelijk aan overgegeven hebt.

Ook het einde van het boek, het zal u inmiddels niet meer verbazen, vond ik een snuif minder trancewaardig. De gezichtspunten wisselen sneller, er gebeurt teveel, het gebeuren is te grotesk, een enkele passage had zelfs niet misstaan in één van de 100 000 boeken van Stephen King (stephen king stephen king, noemde ik hem al eerder? het voelt alsof ik hem al eerder noemde maar ik heb geen zin om terug te scrollen). Doch misschien zal binnen één of ander Groter Geheel dat nu wat teleurstellende eind zin en betekenis krijgen. En sowieso biedt dit boek al zoveel dat het niet al eens teleurstellend zou mogen zijn: filosofie, trance, hypnose, dreiging, tragiek, duisternis, humor en uitgepuurde schoonheid a la: “waar hij naar links keek, in de richting van Békéscsaba, tevens de richting van de wereld, want die kant op was de wereld, in de ogen van de bewoners van de stad bevond zich de wereld van de onuitputtelijke mogelijkheden links van het stationsgebouw”; zelden las ik een mooiere typering van de grootsheid van het kleinstedelijke denken!

Natuurlijk. Misschien moet je niet onbesuisd beginnen aan Baron Wenckheim keert terug. Misschien moet je een Plan hebben. Ga naar ergens een eiland ofzo. Of een klooster, of een verlaten kasteel. Zorg dat er voedsel is, en drank. En misschien wat muziek ofzo. Maar verder niks. En dan na. En later. Een ander mens zullen zijn. Moest blijken dat het waar is van die cyclus en je wilt het geheel ineens lezen, omdat dat meer gaat zijn dan de som der delen; en elk boek zou geschreven zijn in deze stijl – dan zit je natuurlijk wel minimaal een jaartje of langer vast op dat eiland of in de klooster of kasteel. Maar dit is waar het de literatuur menens is, en daar moet je iets veil voor hebben.

Recensie van Tim Donker

Baron Wenckheim keert terug

  • Schrijver: Lászlo Krasznahorkai (Hongarije)
  • Soort boek: Hongaarse roman
  • Origineel: Báró Wenckheim hazatér (2016)
  • Nederlandse vertaling: Mari Alföldy
  • Uitgever: Wereldbibliotheek
  • Verschenen: 3 september 2019
  • Omvang: 496 pagina’s
  • Uitgave: Paperback / Ebook

Bijpassende boeken en informatie

B. Zwaal – Zeesnede Gedichten 1984-2019

B. Zwaal Zeesnede Gedichten 1984-2019 recensie en informatie over de bundel met verzamelde poëzie. In februari 2019 verscheen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek de bundel met de verzamelde gedichten van B. Zwaal. Op deze pagina kun je de uitgebreide recensie van Tim Donker lezen.

B. Zwaal Zeesnede Gedichten Recensie en Informatie

recensie van Tim Donker

Wat doet u als u in een dichtbundel het laatste gedicht hebt gelezen? U klapt het boek met een plofje dicht en roept UIT, want dat moet altijd geroepen worden als het uit is. Een tijdje staat u recht in plechtige pose, en het licht blijft maar op u vallen. U overweegt een tweede kopje koffie te nemen (of een vijfde of een zesde, ik weet niet hoe ver u bij dan al bent). Om even een loopje te hebben gaat u naar boven, naar de slaapkamers. U trekt de dekens recht. U gaat weer naar beneden. Om nogmaals even een loopje te hebben gooit u een nog niet eens halfvolle vuilniszak weg. U wast uw ramen terwijl u luidkeels Someday we’ll linger in the sun van Gaelynn Lea zingt (& niet voor het eerst vraagt u zich af of zij misschien mogelijkerwijs bij enige kans wellicht familie van Jim Lea is). U treft al wat voorbereidingen voor het avond eten want dat is het vanavond gemakkelijker. U geeft de planten water. U zit neder op een traptrede en u denkt aan vroeger, en hoe de dingen toen waren. U overweegt een bad te nemen want waarom zou u niet, midden op de dag, een bad nemen? U maakt een middelgroot kasteeltje van alle blikjes tomatenpuree in uw voorraadkast, en u staart naar dat kasteeltje, en u denkt Waarom koop ik toch altijd zoveel tomatenpuree ik hou niet eens van tomatenpuree. U overweegt een fles wijn te openen want waarom zou u niet, midden op de dag, een fles wijn openen? U gaat uw tanden poetsen want van al die koffie heeft u een vervelende smaak in uw mond gekregen. U opent uw voordeur en staart een tijdje met uw beste werd-er-geklopt?-gezicht de lege straat in. U lost een puzzel in de ochtendkrant op. U bakt een omeletje en langer dan u lief is staat u te peinzen wat ook alweer de naam is van het eiland waaraan de vorm van uw omelet u doet denken. U schilt een appel, u pelt een banaan. U gaat op uw rug op de zoldervloer liggen en kijkt langdurig naar een spinnenweb in de linkerbovenhoek. U tekent een groot vierkant op een wit vel, en dat vierkant verdeelt u onder in zestien kleinere vierkantjes en al die vierkantjes weer in zestien nóg kleinere vierkantjes. U laat uw telefoon oplichten, wacht tot het scherm weer dooft, laat het dan nog eens oplichten om andermaal te wachten tot het scherm weer dooft. U overweegt een online cursus gitaarspelen te volgen want waarom zou u niet, midden op de dag, een online cursus gitaarspelen volgen? U kraakt zeventien walnoten zonder enige intentie ze op te eten. U verft alle deurknoppen in uw huis lichtgroen. Of weet ik veel wat u doet. Maar één ding doet u zeker en vast niet: direct na de vorige dichtbundel nóg een dichtbundel van dezelfde dichter lezen. En toch komt Wereldbibliotheek hier af met twaalf dichtbundels in één band. En allemaal van dezelfde dichter ja. Allemaal van Zwaal. B. Zwaal. Hier verzameld: de elf dichtbundels die Zwaal tot nog toe schreef, plus één nieuwe. Heel Amerikaans; een soort “new and collected poems”. En zoals bij alles dat heel Amerikaans is, vraag je je af Is het niet wat veel? Vijfhonderdendrieëntwintig bladzijden B. Zwaal, is dat niet wat veel, Wereldbibliotheek? Of laat ik de vraag herformuleren: u had die ene nieuwe, averij grosse, ook zelfstandig kunnen uitgeven. Waarom heeft u ervoor gekozen om het hele voorafgaande oeuvre te hernemen en mee uit te geven met die ene nieuwe? Welke meerwaarde moet ik als lezer daarin vinden?

Meerdere meerwaarden misschien.

Allereerst: zouden er überhaupt mensen bestaan die Zwaal al compleet hadden? Behalve Zwaal zelve misschien, en zijn moeder, en zijn beste vrienden. Die kans lijkt me vrij gering. Verrassend veel mensen blijken zelfs nog nooit van Zwaal gehoord te hebben als ik over hem begin. Ook belezen mensen. Ook poëziekopers. Ik ken Zwaal nu al wat jaartjes en ik ga hier niet beweren dat ik zijn naam al in honderden gezelschappen heb laten vallen. Maar als ik met iemand praat over literatuur in het algemeen en poëzie in het bijzonder, kan het maar zo zijn dat Zwaal weer even langs komt fietsen. Nee, ik ben geen fan. Ik ben een aandachtige. Zwaal wist altijd weer hoe hij mijn aandacht trekken moest. Maar zelfs ik. Ik ben de enige die ik ken die van Zwaal gehoord heeft. En zelfs ik. Bezat voor zeesnede niet één (1). Dichtbundel van. B. Zwaal.

Ik ken hem van toevallige ontmoetingen. In Terras, in DW&B geloof ik maar vooral in Raster. Al verscheen hij maar drie keer in Raster (in nummer 14, in nummer 26 en in nummer 119), toch associëer ik Zwaal eerst en vooral met Raster. Misschien vanwege dat nummer 119? Met Gedicht / Geen gedicht was dat weeral één van de meer onvergetelijke nummertjes. Het is zelfs goed mogelijk dat het de eerste Raster was die ik ooit kocht, en dan gewoon nieuw, in een heel gewone boekhandel bij de heel gewone literaire tijdschriften. Als zo, dan is dat het nummer geweest dat mijn rasterverzamelwoede heeft aangejaagd. (ooit wilde ik het compleet hebben, alle 125 nummers, maar toen ik bemerkte dat ik inmiddels ook heel veel dodelijke saaie Raster bezat, Rasters die ik in geen honderd jaar ooit lezen ging, bekoelde mijn ijver een weinig). Over welk jaar spreken we dan? 2007? Dertien jaar geleden? Kan dat? Ja, dat kan wel zo ongeveer.

(de meeste andere Rasters schafte ik uiteraard noodgedwongen aniquarisch aan).

Dat het dus wel kan kloppen dat ik Zwaal al dertien jaar met me meedraag. Er moet een tijd geweest zijn dat ik actief zocht naar bundels van zijn hand. Dat was in het ooit. Dat was in het toen. Toen De Slegte nog bestond, bijvoorbeeld. Of tweedehands boekwinkels tout court. Want mensen lazen nog echte boeken. Van papier enzo. Mensen kwamen hun huizen nog eens uit om naar ergens een elders te gaan. Een stad waar je nog nooit geweest was. Het was nog mogelijk om onverhoeds, in één of ander zijstraatje, te stuiten op een tweedehands boekwinkel. O hoe heerlijk was dat. Mijn hart klopte sneller, mijn bloed stroomde sneller. Gauw naar binnen en de geur die er dan hing. Ik bedoel dan met name die hele piepkleine winkeltjes. Weten jullie die winkeltjes nog? Overal boeken, ook op de grond. Je kon zien dat er ooit nog wel een bepaalde orde was geweest, want in een bepaalde hoek was de concentratie filosofie iets hoger en in een bepaalde andere hoek de concentratie boeken in andere talen. Maar er waren simpelweg teveel boeken gekomen, en wat ooit orde was, was bedolven onder lagen en lagen aan nieuwe aanwas en de winkeleigenaar had de orde meer en meer los gelaten. Dan kon je in een hoek waar je het niet verwachtte iets vinden dat daar niet thuis hoorde. In zo’n soort winkeltje schafte ik me ooit Marx’ Het Kapitaal aan. Gewoon omdat het ergens heel verloren lag te liggen en ik dat mooi vond. Als je iets gevonden had moest je de eigenaar, meestal een man van boven de 45, zien te vinden onder een boekenberg. Je groef hem uit, je rekende je vondst af. Soms kwam het tot een klein gesprekje. Enthousiaste kreten over gedeelde voorliefdes. Maar het was eigenlijk nog mooier als de winkeleigenaar het bij wat onverstaanbaar gebrom liet. Dat soort winkeltjes bedoel ik. En die tijd bedoel ik. Dat was een mooie tijd, toch mensen? In die tijd moet ik nog wel gezocht hebben naar Zwaal. Maar ik vond hem niet. Uiteindelijk besloot ik het bij toevallige ontmoetingen te laten.

Want dat soort dichter is Zwaal wel. Er is iets aan zijn poëzie dat ongrijpbaar is, dat je nooit echt helemaal leert kennen. Iets van passerende schepen in de nacht, u weet wel (o wacht maar, straks worden we pas echt nautisch). De zon op een glasscherf, een gedaante in de mist. Later vraag je je af of het wel was wat je dacht dat het was. Kon het ook niet een droom geweest zijn. Gedichten als flarden van eertijds; alsof je het niet echt leest maar je een gedicht probeert te herinneren dat je ooit eens gelezen hebt in een literair blad dat je in de trein hebt laten liggen. Misschien moet je zulke poëzie niet willen vatten in een dichtbundel (laat staan een bundelbundeling, maar daar kom ik later wel over te spreken). Zoals sommige jazzmusici niet op vinyl “bevroren” wilden worden omdat dat inging tegen alles waar hun muziek voor stond.

De wind heeft me een lied verteld. Ik zweet nooit

Zwaal kan spreken. Klein kan hij spreken. Meer dan vier woorden hoeft een gedicht bij Zwaal niet per se te hebben:

wrik de rivier
op

kan al een gedicht zijn, is al een gedicht bij Zwaal. Maar pas op, bij hem is de kleinte groot:

hurkend op lijf
schortend
de hemel in

Wordt hier een scéne uit een pornofilm beschreven, of de juiste houding voor het ochtendgebed? Dit kan gaan over de intimiteit van het luierverschonen bij je baby of de extaze van een prachtig blommekee te zien toen je knielde om je veter te strikken. Maar dit kunnen ook gewoon afgevallen woorden zijn, en louter toeval noopt tot betekenis (of niet – samenhang is in het oog van de lezer).

Het zegt wat het zegt, of zegt het meer? Al zijn gedichten zijn hier bijeen gedreven (of niet alle: sommige vielen doorheen kieren dus dit is ergens tussen Theo Verhaars Alle gedichten en het Iets van dat alles van Jan Elburg. misschien is dit wel een “alles van dat iets”) waardoor zin ook in samenhang gaat ontstaan. Hoewel Zwaal ook enkele fors lange gedichten op zijn naam heeft gezet (en ja, ook daarover kom ik nog te spreken, later, mensen, alles later, later), is het gros van zijn gedichten toch aan de korte kant. Zwaal is geen Pier Paolo Pasolini, ik noem hem maar omdat ik het lezen van zijn gedichten als een opgave beschouw. Niet per se een nare opgave maar een opgave niettemin. De vorm maakt dat je gemakkelijk doorleest en omdat Zwaal zijn gedichten nooit van een titel voorziet en steevast hoog in de linkerbovenhoek laat beginnen, kan een mens nog wel eens op het vermetele idee komen om zijn gedichten te lezen als fragmenten van één en hetzelfde boeklange poëem. En nu dan de bundels ook nog eens gebundeld zijn – hohum. Moeten we dan zijn gehele oeuvre misschien maar zien als één gigantisch gedicht? De beelden, vorm, klankkleur, toon, taal, sfeer en thematiek zijn bij Zwaal in die 35 jaar alvast niet immens veranderd. De draad wordt misschien steeds een eindje verder opgepakt maar het blijft om dezelfde draad gaan.

B. Zwaal Zeesnede Gedichten Recensie

Is dat het antwoord op mijn waarom? Waarom toch deze bundelbundeling? De gedichten zijn veelal klein, ik zei al, maar de kleinte is groot. Zei ik ook al. En al zei ik ook dat zijn poëzie wat vorm betreft gemakkelijk lijkt weg te lezen, schijnt Zwaal me toch niet erg geschikt voor snellezerij. Waar de bundelbundeling juist maakt dat je allicht langer door blijft lezen dan je misschien zou moeten doen. Goed, zelf ben ik al meteen in het nadeel. Ik ben, hoe heet dat? Recensent? Criticus? Hou het op “bespreker”. Benijd mij niet. Volledig ontspannen een boek lezen is iets dat ik verleerd heb. Ik lees een boek steeds om er iets van te vinden en om woorden te zoeken voor wat ik ervan vind. Zelfs mijn private lezen –het lezen zonder het oogmerk het boek te zullen bespreken- is nooit zonder bijgedachten. Misschien wel juist als ik een boek niet ga bespreken, vraag ik me af hoe ik het zou bespreken. Hoe zou ik erover schrijven naar een vriendin, wat zou ik erover vertellen als ik mijn buurman tegen kwam op straat en we geraakten aan de praat over literatuur (wat tussen mijn buurman en mij niet zelden het geval is). En al ben ik niet het soort bespreker dat er eer in stelt sneller te kunnen bespreken dan zijn schaduw – ik wil ook weer niet een decennium na de verschijningsdatum van het boek met mijn bespreking op de proppen komen. Zodoende smolten de bladzijden van zeesnede toch net iets rapper onder mijn vingers weg dan ik graag gezien had. Dan lees ik, op bladzijde 31, ik ben dan nog niet eens overdreven ver in fiere miniature, Zwaals eerste bundel, het volgende gedicht:

de tafel
jaagt ons aaneen
dwingt ons tot
blijvende dingen
schop ik zijn poten om
trap ik op jouw liefste teen
blauwe mathilde

en dan stopt het paginasmelten, dan vries ik zoals Amerikaanse filmpolitiemensen dat bedoelen: de stilstand die compleet is (niet de kou, want het warmt juist mijn hart). Groots niet, de dingen die we aan tafels doen. Samen eten, samen klinken, samen bidden voor mijn part maar ook het solitaire schrijven (wie schrijft die bl…) en ha! we schrijven omdat er tafels zijn en niet andersom. Heel dat maffe en kleine en grote ook van dat schoppen en die poten en die teen die uiteraard de liefste is (en geheel momenteelderlijk denk ik aan Femkes liefste oortje) en god wie zou die blauwe mathilde eigenlijk zijn? (& kom me nu niet aan met dat dit verwijst naar een of ander wereldberoemd schilderij ofzo want in dat geval wil ik het niet weten). En weder denk ik dan dit gaat niet, dit kan niet, Zwaals poëzie weerstreeft de snellezing, ik moet over alleen al dit tafelgedicht nog wekenlang mijmeren gaan. Denk ik. Denk ik weder. En denk ik wederopnieuw bij een lang, echt lang gedicht (drie pagina’s – volgens mij het allerlangste gedicht dat Zwaal ooit schreef) over een vrouw en een vlieg in een kamer. En niet alleen gaat het gedicht bladzijden lang door, ook de zinnen in het gedicht zijn lang. Ze rollen bijkans van de pagina af. Je zou nog op je tong moeten bijten om er niet de afgesleten term “prozagedicht” voor te gebruiken. En eigenlijk gebeurt er niet zoveel: het zijn maar die drie elementen: de vrouw, de vlieg, de kamer. Niettemin zit het vol spanning, bizarre absurdheden, huiver, schoonheid, ontroering, een zweem erotiek zelfs; een maf, hypnotiserend, ontregelend, fantastisch prachtgedicht. (ik ga er niet eens aan beginnen om het gedicht na te vertellen of er stukken uit te citeren, je moet het zelf maar lezen) (nee, echt je moet het lezen) (lees het) (nu!) (awkee, de eindzin mag je van me hebben want die is na de zeker voor Zwaals doen astronomische lengte van het gedicht fenomenaal: “daar blijft het bij”). Dus dan weeral die gedachte “Nee dit is niet gemaakt om het zo gauw mogelijk uit te hebben. Dit is om te blijven. In de roes. Dit is om in de roes te blijven.”

Maar aan gene zijde van de roes valt het me op dat er tussen het gedicht over de vrouw en de vlieg en de kamer en het hogergeciteerde tafelgedicht ruim zeventig pagina’s zitten. Zeventig pagina’s zijn vergaan, redelijk onopgemerkt vergaan ook nog eens, sinds de vorige keer dat ik dacht dat dit niet gemaakt was om snel te lezen. En het is maar de dag na de vorige dag, dus klaarblijkelijk heb ik me toch niet gans en geheel aan de traagte die je Zwaal had toebedacht weten over te geven. Op de bladzijde naast het gedicht over de vrouw en de vlieg en de kamer begon loofhut morelle. Dat is Zwaals derde bundel. Dat wil zeggen dat ik in iets meer dan 24 uur toch drie bundels van één en de zelfde dichter had zitten uitlezen. Nu kan ik als verzachtende omstandigheid aanvoeren dat ik op vakantie was. Dat kon toen nog, een mens kon in die dagen nog gaan en staan waar hij wilde. Zelfs naar andere landen kon je reizen. Dat had ik niet gedaan, ik was in mijn eigen land gewoon eindsweegs oostwaarts gereden. Ik denk dat het december geweest moet zijn. Ja, ik zei toch al dat ik niet ’s werelds rapste bespreker ben. De mensen gingen toen nog eens ergens heen. Vakantie, ik zeg. Of. Naja, eigenlijk gewoon een midweek in ergens een kot. Maar als ge peinst dat ik ginderdaar uren achtereen op de sofa heb zitten lezen, peinst ge ernaast. Mijn zoon is zes, mijn dochter was toen nog vier. Er was een zwembad en er was een airhockeytafel die met name mijn zoon en mij erg beviel. Ik overdrijf niet als ik zeg dat mijn leestijd in dat vakantiekot daar feitelijk schaarser was dan op de schooldagen van mijn kinderen. Want ook dat gebeurde in die tijd gewoon nog: alle dagen naar school gaan. Niet de hele wereld bleef angstig binnen zitten omdat Lubach had gezeid dat we allemaal te moord zouden stikken als ook maar iemand het in zijn bolle hoofd kreeg een ander als nabij als 1,4 meter te naderen.

Is dit dan het waarom van zeesnede? Zegt het dwars tegenin mij en mijn ingewandgevoel, dwars tegenin ook wat Jan Kuijper in zijn nawoord bij deze bundelbundeling zegt, dat we de poëzie van Zwaal juist wél snel moeten lezen? Ik denk: Lees. Zwaal. Als. Een. Razende. Lees alles lees het nu. Lees al die bundels gelijktijdig en zie de tekens ontstaan. Zoiets, Wereldbibliotheek? Misschien niet zozeer het oeuvrebrede poëem waar ik reeds op alludeerde, maar wel een conceptuele continuïteit die zich eerst pas openbaart aan degene die leest, en leest, en leest. En blijft lezen. Een paar constanten. Zegt Marc Kregting: “Zwaal maakt de meest erotische Nederlandse poëzie van dit ogenblik.” Erotiek is zeker aanwezig in de gedichten van Zwaal. Soms direct, soms indirect. Daar waar het abstractieniveau toeneemt, is de erotiek misschien vooral in het brein van de lezer. E = mc² is ook erotiek. Niettemin is ook onmiskenbare erotiek moeiteloos aan te wijzen in het werk van Zwaal, ik deed dat ook al in deze bespreking. Toch verbaast het me een weinig dat nu juist dit aspect zo veelvuldig naar voren wordt gehaald door hen die iets zeggen komen over Zwaals poëzie. Erotiek is in zijn gedichten naar mijn mening vaker af- dan aanwezig. Tenzij misschien het taalplezier zelve. Woorden cohabiteren met andere woorden en doen daarbij nieuwe woorden ontstaan: men treft bij Zwaal, en zeker de latere Zwaal, een continue neologisme-explosie aan. Woordenwoekering. Zie daar een constante.

Zwaal creëert taal. Niet op een flauwzinnige Koot-en-Bie manier (o vloek ik nu in kerken? Zeg toch zeker zelf: “otofoto” is zelfs nog vervelender dan het al behoorlijk braakmakende “selfie”), maar meer zoals de zee overheen jaren en jaren patronen in rotsen slijt. Grillige taalbouwsels. Neologismen is daar eigenlijk niet het goede woord voor, want veel van zijn woorden wekken de indruk een oeroud verveleden te hebben; alsof het, eerder nog, om een taal gaat die vooraf gegaan is aan onze taal of voor die materie: elke taal. Taalalchemie. De verleiding is dan groot om er een hoogst idiosyncratisch soort van “symbolistisch” geladen cryptotaal in te zien, in de geest van Alfred Jarry, Jean Paul of voor mijn part James Joyce. Maar in Terras 17, over theater, las ik een stukje van de hand van Zwaal en het ging over zijn tijd bij bewegingstheater BEWTH (een gezelschap dat theater benaderde ongeveer zoals Francisco López muziek benadert). Zegt Zwaal: “[I]k [heb] bij BEWTH mijn debuut als dichter kunnen maken. […] [I]n de eerste jaren [werden] op de affiches […] kleine tekstjes geplaatst en in folders vreemde verhalen gezet die allemaal gemeen hadden dat zij beslist niet over de voorstelling gingen, ja vooral geen uitleg gaven.” En ja. Ik weet het wel. Dit gaat over de gedichten in relatie tot de voorstellingen van BEWTH. Het zegt niet dat Zwaals poëzie op zichzelf niets wil zeggen. Niettemin na bladzij na bladzij op zinnen van het type “het schip van de helling zweeft nat”; “de bultboeg verstoot het sierlijke water”; “teelaarde van bijbal heb ik ontschorst”; “tempelde steel / van woeste trans / sterk af”; “een barenswolk is zonder precedent”; “zijn zijhals neigt tot het huilende paard”; “ziltwier van gloed schond de schemer / woei kou in het doodsbot”; “breezand bleek een lang schuldje”; “krengen van barmhartigheid / leerden wij de moederheil af”; “ik mocht wel vernonnen”; “de vruchtbaren gaan open / voor de zeesnaaiende vissen”; “een bloem is vont”; “zout kuipt zij haar zoetsel”; “doorhangdressoir braakt trommels uit”; “uit het marsdiep reikt de kamer zijn waar aan” te zijn gestuit, zwakt de wil een weinig af Zwaal vooral symbolisch te willen duiden. Zegt Cornelis Verhoeven: “Het symbool is niet, zoals het begrip, de eindterm van een gedachte […] omdat die gedachte nooit een einde vindt”. Maar wie heeft de tijd van leven om eindeloos te blijven peinzen over meer dan vijfhonderd pagina’s? Temeer daar de meerzinnigheid bij Zwaal overheen de jaren flink is toegenomen. Op de lange duur krijgt het “symbolische” in de taal van Zwaal een meer hegeliaanse zin: de woorden zijn zelf hun eigen inhoud en lijken niet langer te verwijzen naar achterliggende wereld. Dus mijn volgend probeersel: tracht zeesnede ons een klassieke lectuur van Zwaal (of poëzie in het algemeen) af te leren? Probeer deze gedichten niet te ontsleutelen. Je moet ze ondergaan. Niks geen meerzinnigheid. Er is maar één zin, en die is gelegen in wat op u toekomt als u Zwaal leest. Dat het af en toe bijna geraaskal lijkt, heeft dan ook betekenis. Niet weten waar het over gaat is immers ook een ervaring, en Zwaal lijkt mij er eerder op uit te zijn ervaringen te willen meegeven dan boodschappen te prediken (al of niet als mysticus).

Wie Zwaal niet zozeer leest om hem te willen begrijpen, speurend naar woorden áchter zijn woorden – maar veeleer op die woorden meedeint, ziet iets muzikaals ontstaan. Melodie, ritmiek. Klanken die vooral beelden oproepen. Opvallend hoe vaak dit min of meer “eeuwige” dingen zijn. De zon, de regen, de aarde. Bomen. Natuur. “Zilver boven takken” heet het ergens, en ik dacht aan takken molenwater. Ik dacht aan F. van Dixhoorn. Ook zo’n dichter die naast het onmiddellijke lijkt te staan. Al vind ik, en dit spijt me oprecht Zwaal, Van Dixhoorn wel een betere dichter. Misschien minder molenwater bij Zwaal, misschien meer zee. Ja zee. Vooral zee. Zee maakt taal hier, met gedichten die zilt en rokerig zijn als een goeje single malt. Zoveel zee zien. “Het onzedelijk scherpe dichtersoog” zoals Lawrence Ferlinghetti dat noemt. Naar zee kun je blijven kijken (misschien is dit het erotische: dat kijken, dat onzedelijke en onbeschaamde kijken van Zwaal).

Zwaals zee moet een noordelijke zijn. Omdat ik af en toe een vluchtige associatie had met Carl Norac, ging ik me afvragen hoe Nederlands Zwaal feitelijk is. De op de binnenflap geciteerde Albert Hagenaars haalt vanwege het door hemzelf geconstateerde “anti-traditionele” karakter van Zwaals gedichten maar weer eens de wat sleetse term “onhollands” van stal. Volgens mij valt het met dat anti-traditionele nog wel mee. Ik heb niet de indruk dat zeesnede pro- of anti-watdanook is, omdat ik niet de indruk heb dat men Zwaal positioneren moet tegenover poëtische hoofd- of nevenstromingen. Wel lijkt zijn talige acrobatiek mij te wortelen in een eerder klassieke dan moderne benadering van poëzie.

Zijn (relatieve) literaire “opzichzelfheid” wil echter nog niet zeggen dat deze poëzie ook in geografisch opzicht niet af te bakenen valt. “Onhollands”, zegt hij. Bestaan hier eigenlijk equivalenten voor in andere talen? Zijn er ook dingen onrussisch, onitaliaans, onaustralisch, onchinees? En betekent dat voorvoegsel “on” daar dan ook vooral dat het goed is? Onhollands, dat wil toch meestal zeggen dat het niet benepen, niet kleingeestig, niet volks, niet beperkt is, niet suf is. Maar moest “onhollands” zeggen willen dat je nooit zou verwachten dat deze gedichten door ‘ne ‘Ollander geschreven zijn dan zeg ik nee. Want gesproken van Carl Norac (want daar had ik het over): in Wallonië kon dit nog wel geconcipiëerd zijn maar veel zuidelijker dan Picardië zou ik deze gedichten niet verpotten. Ze zouden zeker en vast verschrompelen in streken waar de zon meestal onbarmhartig, en de zee altijd blauw is. zeesnede put uit de ziel van een land waar we niets zoeken met teveel kleur in. De zeeën in deze gedichten kunnen beuken misschien en dat zou voor mijn part op rotskusten kunnen zijn, maar wel altijd onder een (donker)grijze lucht. En die zee, en die wind, en die lucht, en alles in die thematiek dat Zwaal naar de eeuwigheid moest tillen, blijkt geen al te verre grensoverschrijdingen toe te staan. Een nogal efemeer soort van eeuwigheid dus.

Ook de bundelbundeling als fenomeen keert zich tegen de eeuwigheid. Eén losse bundel kan zich nog wel uitzingen boven de tijd. Voor één bundel, het liefst een beetje een beduimeld exemplaar, kun je nog wel maximaal de tijd nemen. Je leest één gedicht en je kunt erin blijven hangen, al bestaat het uit maar een paar woorden. Je drinkt je het beeld in, of je laat je moeë hoofd rusten op een prachtig brokje taal. Je kon denken dat je in Ierland was en dan zou je misschien beter kijken. Je denkt aan een lange wandeling op een herfstige avond en links van je, in het duister, ruik en hoor je de zee. Straks in een pub gaat er whisky zijn. Misschien zal daar iemand zijn die een gitaar heeft en wiegelende folkliedjes zingt in een onverstaanbaar dialect. Zo kun je meanderen bij één gedicht, ultrakort of langer, en meer dan een dag in zijn sfeer blijven (tenzij het gedicht vrouwelijk is). En morgen weer één. Dit tempo, deze zo geliefde traagheid, dat past nog bij één bundel. Die je dan ook herlezen kunt. Maanden of jaren later. En dan denken Hee dit woord of deze zinsnede (ha!) was me bij eerste lezing volgens mij ontgaan, of was het toen ook al nacht in dat gedicht dat ik toen zo mooi vond ik zou gezworen hebben dat er iets over de zon in voor kwam. Een vijfde of zesde leesbeurt. Kan zelfs ook nog wel. Maar we plauderen hier van twaalf bundels man. Twaalf bundels! In één band. En alle twaalf van dezelfde dichter. Een dichter die in de 35 jaar die hier verzameld zijn wel enige ontwikkeling doormaakt heeft maar nu ook weer niet zo sterk dat je op eindeloos veel manieren bij zijn gedichten kunt blijven verwijlen. Het verwijlen wordt kuieren en het kuieren wordt lopen en het lopen wordt… ach, u begrijpt wel waar ik heen wil. En ik wil niet zeggen dat ik tegen averij grosse (de laatste bundel van de bundelbundeling) inmiddels aan het rennen was (sowieso al niet mijn favoriete manier van voortbewegen) maar de rust was wel goed uit mijn benen ja.

Ontwikkeling. Wie zei daar “ontwikkeling”? Doet ook dat niet de bundelbundeling: de ontwikkeling des dichters tonen? Ontwikkeling en eeuwigheid gaan ook al niet samen. De eeuwigheid “verloopt” immers niet; de eeuwigheid is. Toen het tussen Zwaal en mij nog bij toevallige ontmoetingen bleef, kon zijn poëzie me nog wel toeschijnen als een poëzie die “er altijd al geweest was en er altijd zou zijn”. Een beetje zoals de man wiens naam je niet kent, maar die je altijd tegenkomt als je naar de winkel gaat, of een ommetje maakt, of je ronde loopt, of je kinderen naar school brengt, of hoe ook, die man, waarmee je altijd een praatje maakt, je weet niet hoe hij heet of waar hij woont of wat hij doet – hij is gewoon die man die altijd op straat is net als jij daar bent.

zeesnede, echter, toont me een vroegere Zwaal en een latere Zwaal. Dus daar gaan je toevallige ontmoetingen waarbij de tijd leek stil te staan. De man nooit echt ouder, de praatjes altijd hetzelfde. De veranderingen springen niet direct in het oog maar toch kan ik me niet gans en geheel losmaken van het gevoel dat de vroegere Zwaal me meer ligt dan de latere Zwaal. Dat zou op zichzelf nog niet alarmerend hoeven te zijn: er is vrijwel geen band, geen artist, geen kunstenmaker, geen dichter, geen schrijver van wie het latere werk beter is dan het vroegere werk (waarom worden we eigenlijk met z’n allen steeds vervelender?) maar bij toevallige-ontmoetingen-Zwaal stelt het iets van de mythe koud.

Hoe het zit. De vroegere bundels waren muzikaler. Niet de taal. Maar de opzet. Daarin. Waren de vroege bundels postrock. Het klassieke postrockliedje, lieve mensen, begint haast altijd met een klein, enigszins triest, stil, eenvoudig, tokkelend gitaarlijntje. Na verloop van minuten wordt dat gitaarlijntje een weinig nadrukkelijker, en later intenser nog. Tegen het einde (maar dan zijn we minstens een stief kwartiertje verder) zitten we met violijnen op onze handen, en cello’s, en beukende drums, en de gitaren stampen tegen dan, en alles heel erg luid, en alles crescendo, tot het uiteenspat. Zo was ook de vroege Zwaal. Eerst die kleine gedichten. Die paar woorden. Bijna lieflijk. Prikkelend. Zoveel paginawit. Zoveel stilte. Misschien nog een lezer die zich afvroeg of hij het wit naar eigen inzicht mocht invullen gaan of liever de stilte de stilte latend. Dat kon nog. Zulke vragen. Bij de eerste gedichten. Van de eerste bundels. Van de vroege Zwaal. Maar dan. Dan kwamen. Dan kwamen de golven. Dan kwam het epische. De grote gedichten die hele bladzijden vulden, woeste woordenstromen die voor wit of stilte geen ruimte meer lieten en nooit genoeg bladzijde leken te hebben. Vanaf ongeveer dat vat, uit 1996, komt daar verandering in. Echt overvol en paginabreed wordt het bij de latere Zwaal niet meer. En verdomd, net alsof hij zijn zeggingskracht niet langer over een hele bundel kon uitsmeren, worden de gedichten bij die “latere Zwaal” wat samengebalder; een paar ponden abstracter misschien. Ongetwijfeld meer melodie. Maar minder direct spreken. Bij de latere Zwaal treffen mij niet langer hele gedichten, zoals dat van die vlieg en die vrouw en die kamer en – bij de latere Zwaal treffen mij flarden. De latere Zwaal is me meer een zinnendichter dan een helegedichtendichter.

Een zin als “de herfst valt over de wijn”, of “de wind waait tepelstrak”, of “schep de vrede maar eens van mijn gebitten”, of “ik verneem een zweem van zee”, of “het geniep is grandioos open en aan alle kanten blaast hier de wind appels”, of “gelicht uit de lange reeks jaren vol dagelijkse dagen is deze nacht mij herkenbaar door de smalle steeg licht”, of welaan eentje nog dan: “de bijbelbedekte kerkhoven lopen uit”- prachtzinnen lijk dezulken liggen bij de latere Zwaal voor het oprapen. Maar het zijn de steentjes die ik uit mijn zolen peuter na vrijwel onbewogen doorheen het landschap gelopen te hebben.

zeesnede mystificeert en demystificeert. Je leert de gedichten kennen in het vage vermoeden dat er misschien niet zoveel te weten valt. Je probeert de poëzie de traagheid te schenken die ze naar je aanneemt verdient alleen maar om tot de ontdekking te komen dat er met wat meer haast niet eens bijster veel verloren gaat. Je wil de gedichten een plaats geven in de eeuwigheid maar dan weer staat die eeuwigheid niet eens behoorlijk stil. En o. Je maakt je open en stil en wit en leeg maar dan bedelft zeesnede je genadeloos onder de veelheid van zijn 523 pagina’s. Nu nogmaals mijn waarom.

Misschien is het waarom eenvoudig dit:

De schoonheid van de uitgave? Dat mooie dikke papier, dat fantastische omslag, en god wat ruikt dit boek lekker!

De compleetheid van de uitgave? Het hebben compleet, van Zwaal, het hebben van Zwaal compleet – dat je van nu alles hebt, en je jezelf mag kennen in de allesheid?  (wat zeggen wil: de alleZwaalbezittenden zijn anderen, toch, dan die die van Zwaal maar één of twee bundeltjes bezitten)

Of misschien een afscheid? Sluit Zwaal hiermee een periode af? Wordt hij romancier, allicht, of gaat hij in een eventuele volgende bundel uit heel andere vaten tappen? Gaat dit de laatste kans zijn om in handen te houden wat snel niet meer zal zijn?

Of.

Ja.

Misschien. Misschien gewoon in je kast te hebben: deze woorden, deze zinnen, deze gedichten. Het te kunnen pakken. Nu, morgen, en over vijf jaar misschien. Wat lezen, even drijven op de woorden. Het boek weer terug in de kast zetten als je merkt dat je aandacht verslapt. Want ontmoetingen met Zwaal moeten plots zijn, en kort, en hevig. En ongrijpbaar bovendien.

Recensie:  Tim Donker

Zeesnede

gedichten 1984-2019

  • Schrijver: B. Zwaal (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Wereldbibliotheek
  • Verschenen: 14 februari 2019
  • Omvang: 536 pagina’s
  • Uitgave: Paperback

Bijpassende boeken en informatie