Tagarchief: Tim Donker

Jan Lauwereyns – Gehuwde rotsen

Jan Lauwereyns Gehuwde rotsen recensie en informatie nieuwe Vlaamse roman. Op 18 maart 2021 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver Jan Lauwereyns. 

Jan Lauwereyns Gehuwde rotsen recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van de roman Gehuwde rotsenr. Het boek is geschreven door Jan Lauwereyns. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver Jan Lauwereyns.

Recensie van Tim Donker

Hier zit ik dan. Of daar, ten opzichte van waar u zit. Hier zit ik, laptop opengeklapt. Kijkend, zittend, peinzend. Naast me ligt een boek dat ik met smaak -veel smaak, zeer, zeer veel smaak- gelezen heb. Gehuwde rotsen, zo heet dat boek. En ik zit achter mijn laptop en ik wil schrijven:

Geniaal!

en dan gedaan. Of:

Iedereen moet dit lezen! Iedereen moet dit lezen! Iedereen moet dit lezen!

en dan gedaan. Of:

Dit is het allermooiste boek dat ik ooit gelezen heb.

en dan gedaan.

Ja. Waarom niet eigenlijk? Waarom altijd afgekomen met die ellenlange recensies waarin ik het gelezene, en hoe ik het gelezene verstaan heb, tracht te spiegelen aan mijn eigen leven – mijn leven van nu, mijn leven van gisteren, mijn leven van dertig jaar geleden. Hoe door en door egosentries eigenlijk dit begrijpen als be-grijpen: pas als het gegrepen en ontvoerd is, en ingelijfd bij het ons bekende is het “begrepen”.  Pas als het helemaal van ons is en niet meer van die stomme schrijver die de tekst alleen maar een beetje heeft zitten oprochelen, is het begrepen. Pas als we lezende voornamelijk onszelf zien verschijnen, is het begrepen. Misschien doen zeeën van wit een boek meer eer aan. Hum. Ja. Zou kunnen. Misschien. Maar toch. Nuance. De kieren. De details. De lagen. De plooien. En dat alles willen benoemen. Of minstens een poging wagen.

Want in een boek is er inhoud. En er is hoe die inhoud vorm krijgt. Ik zei dat eerder. Ik zei dat zopas. In een andere ruimte, en het ging over een ander boek. Er is inhoud, en er is hoe die inhoud tot u komt. Afhankelijk van wie u bent, zult u meer op het ene of juist meer op het andere letten. Ook in een andere ruimte gesproken: verhalen.

We zaten in zijn huis aan de Lessinglaan. Willem en ik. Willem was echt wel een soort van vriend van mij in die dagen. Hij kende mijn voorliefde voor het experimentele proza, en hij liet nooit af die in een kwade reuk te zetten.

“Die experimenten die ken ik nu wel,” zei hij dan, “Vertel me eerst maar eens een boeiend verhaal.”

“Die verhalen die ken ik nu wel,” replikeerde ik, “Vertel me het eerst maar eens op een boeiende manier. Sowieso zijn maar twee verhalen: dat van de liefde en dat van de dood.”

Zei ik, en zweeg ik, en toen dronk ik mijn koffie. Die koffie, dat was een verhaal apart. Ik weet niet welk apparaat die tiep gebruikte maar de koffie was altijd fantastisch bij Willem. Die rook ik al van dat ik voet over de drempel zette en dan kon ik niet wachten tot hij zeggen zou: “Wil je een kopje koffie?”. En dan wilde ik een kopje ja, en een tweede en het liefst nog een derde. Ik weet niet wat voor apparaat die tiep gebruikte maar een vierde kopje zat er klaarblijkelijk nooit in.

Dat Gehuwde rotsen uitblinkt in verhalen op een boeiende manier vertellen, zal bij eerste doorbladeren meteen duidelijk zijn. Ik bedoel: de vorm. Ik bedoel: het afwijken. Ik bedoel: het experiment. Ander proza, of mag je dat niet meer zeggen? Ik zou het Cyrille Offermans eens moeten vragen.

Er zijn hoofdstukken, hier op zijn Antwerps “sjappitters” geheten. Daar kennen de zinnen geen punt. En geen hoofdletter ook. Er zijn er, zo heb ik mij laten vertellen, die menen dat het “voorbij” is om zinnen niet met een hoofdletter te laten beginnen. Alsof dat een “fase” was die de literatuur in de hoogtijdagen van het “andere proza” (ow) doormaken moest, in plaats van een prachtig mooi stijlmiddel. Veel witregels ook. Zinnen, woorden, flarden in het Antwerps.

En er zijn teksten tussendoor deze “sjappitters”. Teksten die op het eerste gezicht gedichten lijken, of ultrakort proza. Teksten die wel aan hoofdletters en punten doen.

En er zijn foto’s. Familiefoto’s zo te zien. Ook al niet heel erg gebruikelijk in de gemiddelde roman. Maar Gehuwde rotsen is wel een roman. Het staat op het omslag. Dus is het zo. Het is een roman, maar wat een maffe roman lijkt het.

Misschien moet dat geen verbazing wekken. We praten immers over Jan Lauwereyns. O, ik ken nog geen fraksie van wat deze veelschrijver allemaal op zijn naam heeft staan. Boventalig, overtalig, hij schreef ook nog in het Engels en in het Frans en in het Japans. Ik ken maar drie titels. Of eigenlijk twee. Anophelia! De mug leeft en Stemvork (dat laatste schreef hij samen met Arnoud van Adrichem). Monkey Business vond ik ooit bij, mind you, de drogisterij hier in het dorp. Het lag in een bak met afgeprijsde boeken. De bak stond voor de winkel, ik liep daar maar wat te lopen, ik keek alleen uit verveling in die bak en niet in de verwachting er iets moois in te vinden. Maar iets moois lag er in, verdomd, een boek van die Lauwereyns die ik wel kende van dat prachtige Stemvork van weleer (ja wanneer was het weer?). Monkey Business – zowel de naam als het omslag spraken me niet direkt aan en doorbladeren kon niet want het zat in plastiek. Maar van Jan Lauwereyns dus ik kocht het, maar ik kwam er nooit toe het te lezen. Ik weet niet waarom. Iets in het boek zette me niet tot lezen aan, denk ik. Zoveel in Gehuwde rotsen zette me wel tot lezen aan.

Het vormexperiment is in dit geval maar één. De inhoud is twee. Ik las niet veel vaker een boek dat me op beide vlakken in de ban hield. Maar Lauwereyns doet dat dus: schone dingen op een boeiende manier vertellen. In de sjappitters ontvouwt zich een autobiografie. Of een deel ervan. Voor zover een autobiografie überhaupt mogelijk is. Woorden vallen nooit geheel samen met waar ze naar verwijzen, en dan zit dat falende geheugen van de mens er ook nog eens tussen. Je kunt het ook een ode noemen. Een ode aan zijn moeder. Yolande. Een ode aan het leven ook, maar daar kom ik later nog over te spreken.

Het gezin van de jonge Jan Lauwereyns. Zijn vader, zijn moeder, zijn broer. Uiteraard gaat veel aandacht uit naar de scheiding van vader en moeder en de zelfmoord van moeder later. Harde, schrijnende verhalen. Pijnlijk, en diepe duisternis. Maar zo leest het niet. Het afzien van de gebruikelijke interpunctie ontneemt de tekst een deel van zijn zwaarte. Het geeft het boek een bedachtzame, zoekende toon. Er mag getwijfeld worden. Want het geheugen stottert. Er is “wie es eigentlich gewesen war” en er is de afdruk daarvan in ons hoofd. En wat in Lauwereyns’ hoofd zit laat hij eruit stromen waar de lezer bij is. En dat is een waar genoegen. De sjappitters hebben een melankolieke ondertoon. In weerwil van wat hij vertelt is het niet tragisch of dramatisch of larmoyant. Slechts de bitterzoetheid van wat niet meer is. Dat wat vergaan is. De dingen. Het is één uur ’s nachts en ik sta af te wassen. Zegt iemand, zegt Femke Ik spreek jou nog wel als je kinderen hebt dan moet er orde zijn dan kun je niet meer om één uur ’s nachts staan af te wassen en nu zijn mijn kinderen zes en zeven en het is één uur ’s nachts en ik sta af te wassen met Simeon ten Holt op de steerjoo en ik mis Femke en ik denk aan toen mijn zoon één jaar oud was en mijn dochter nog niet eens geboren en mijn zoon kon ‘s middags de slaap niet vatten en ik zat daar met hem, op de bank, en Simeon ten Holt op de steerjoo en ik wiegde mijn zoon zachtjes tot hij sliep, en ik mis dat mijn zoon één jaar is en ik mis zijn middagdutjes en ik mis Femke en het is geen verdrietig missen, het is zoet missen en dat is melankolie. En het heeft geen zak met Gehuwde Rotsen te maken maar daar staand, afwassend, de zoete mis, dacht ik wel ineens heel sterk aan dat boek.

De melankolieke toon geeft Gehuwde Rotsen vlees. Het boek is een mens. Een mens om mee op kaffee te gaan. Peinzend in whiskyglazen kijkend verhalen vertellen. Gesprekken met veel witruimtes. Er zijn niet veel mensen bij wie je goed kunt zwijgen. Mooi zwijgen. Bedachtzaam zwijgen. O dit boek zwijgt zo mooi. Dat vele wit. Je kunt de ruimte nemen op te kijken, naar de muur staren en te peinzen over wat je gelezen hebt. Want Lauwereyns kan mooi zwijgen maar ook heel mooi spreken. Zijn Nederlands is poëties, het Antwerps is zangerig. Ergens heet het dat Antwerps het lelijkste dialect is dat er bestaat, en dat is net de reden waarom Lauwereyns het inzet. Hij wil het ontdoen van die lelijkheid en van het xenofobe waarmee het veelal lijkt samen te hangen. Maar stiekem vind ik dat Antwerps gewoon heel erg mooi.

Jan Lauwereyns Gehuwde rotsen Recensie

Doch Gehuwde Rotsen is meer dan vlees alleen. Het is ook geest. Lauwereyns slentert niet allenig maar door het herinneringslaantje – hij reageert duidelijk vanuit zijn huidige leven op het vroegere. Dat huidige leven daar in dat verre Japan van hem waar hij nu woont. Waar hij boeken leest. En ook over die boeken weer dingen denkt die hij – hee, ik ken dat – terugwerpt op zijn eigen bestaan. Veel van die gedachten gaan over The Human Predicament, een zwartgallig boek van anti-natalist David Benatar. Hierin krijgt Gehuwde Rotsen ook een ongemeen filosofisch karakter.

Dat wordt nog sterker in de tekstjes die zich tussen de sjappitters in staan. Wanneer je het boek daadwerkelijk gaat lezen (het is al zo mooi om het alleen maar te bekijken maar het wordt echtwaar nog veel mojer als je het gaat lezen), blijkt het niet louter poëzie te zijn wat in de “tussentekstjes” opblinkt. Het kan ook proza zijn. Een navertelde film misschien. Eveneens aantekeningen over vroeger maar wat uitgepuurder, wat stelliger dan in de sjappitters. Vestzakessays soms. Ik vind niet alle tussentekstjes even sterk, de gedachten van Lauwereyns lijken er wat meer tot stolling gekomen te zijn en de referenties zijn er ook alweer een pakje meer doorsnee. Descartes en Kant en Wittgenstein komen langs bijvoorbeeld, en die hebben we vaker langs zien komen in onze boekenkasten niet?

(van Wittgenstein kun je denken wat je denken kunt -in de Tractatus maar vooral in Filosofische onderzoekingen wordt er voorzekers niet nevens gepeinsd- maar dat g’uw bakkes moet toedoen over de dingen waar je niet over spreken kunt vind ik nog altijd één van de allerslechtste adviezen allertijden en het is als je het mij vraagt dan ook nooit beter beantwoord dan door Dirk von Lowtzow die samen met zijn bandje Tocotronic Wittgenstein op navolgende wijze replikeerde: “doch ich muss reden auch wenn ich schweigen muss”)

(als je het mij vraagt zei ik maar je vraagt het mij niet en daarom zeg ik het toch maar)

Ik vind het echter wel een moje vorm: eerst de sjappitters en dan die andere teksten. Het is alsof de sjappitters het geleefde leven weergeven, en de tussenteksten hoe dat leven tot woord gestold is. Zo legde ik ook het omslag uit: de grote rots het leven, het kleine rotsje de weergave ervan in tekst (of zou het andersom zijn?). Wat niet is zoals het omslag uitgelegd dient te worden. Maar vooruit, de lezer krijgt voldoende speelruimte in Gehuwde rotsen.

Met, of liever tegenin, The Human Predicament en de zelfmoord van zijn moeder, komt Lauwereyns tot moje analyses over het leven en hoe dat lief te hebben. Dat is dan die ode. Een ode, een autobiografie, een filosofie, een roman; recensie, essay, poëzie – dat alles, en meer nog is Gehuwde Rotsen: één van de zachtaardigste, mooiste, wijsgerigste, weerbarstigste, troostrijkste, innemendste, ontroerendste en rijkste boeken die ik ooit gelezen heb. En dat is dan die nuance.

En nu dan echt gedaan.

Gehuwde rotsen

    • Schrijver: Jan Lauwereyns (België)
    • Soort boek: Vlaamse roman
    • Uitgever: Koppernik
    • Verschijnt: 18 maart 2021
    • Omvang: 336 pagina’s
    • Uitgave: paperback
    • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol

 

Flaptekst van de nieuwe roman van Jan Lauwereyns

Ontroerend poëtisch onderzoek naar Antwerpse wortels.

De gedachte aan de twee leeft in de rotsen,
verbonden met een dik strooien koord.

Zo luiden de slotregels van een kleine Japanse parabel, over de archetypische Moeder en Vader. Moeder heeft een razende doodsdrift. Vader hunkert minstens zo hard naar meer geboortes. En wat heeft dat koord te betekenen? 

Seg Jan, zoagt tegen oe weurmkes. (Te vertalen als: ‘Zeg Jan, zeur tegen je wormpjes.’) Op dit aangeven van zijn dode moeder gaat de genoemde zoon tien dagen lang wroeten in zijn geheugen, dat misschien ook wel een geweten is. Overigens spookt niet alleen de moeder nog. Ook de dode vader wil niet vergeten worden. 

Alles bij elkaar blijkt de materie door en door menselijk, met gebrekkige liefde, aanlokkelijke zwartgalligheid en tot mislukken gedoemde huwelijken. 

In Gehuwde rotsen laat Jan Lauwereyns het verhaal maar stromen zoals het zich aandient, in de vorm van een nieuwe (en tegelijk superklassieke) kruisbestuiving: Augustinus met Boccaccio. Bekentenissen, met veel aandacht voor vader en moeder, in tien dagen, tien hoofdstukken, geschreven in de moedertaal. Met flarden van een soort Antwerps dat zich liever met het oor dan met het oog laat lezen. 

Tsjak, zoê, en voorts, en verder, wordt er getokkeld. Terwijl er buiten een pandemie woedt, bidt het binnenste tevergeefs om troost. 

Jan Lauwereyns informatie

Jan Lauwereyns (1969) is schrijver, dichter en neurowetenschapper. Zijn dichtbundel Hemelsblauw werd in 2012 bekroond met de VSB Poëzieprijs. In 2003 verscheen zijn roman Monkey business, die binnenkort opnieuw verschijnt. Iets in ons boog diep stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2016. Hij woont en werkt in Fukuoka, Japan.

Bijpassende boeken en informatie

Louis van Dievel & Britt Droog – Madeleine

Louis van Dievel en Britt Droog Madeleine recensie en informatie over de inhoud van het Vlaamse romanfeuilleton. Op 24 februari 2021 verschijnt bij Uitgeverij Vrijdag de nieuwe roman van de Vlaamse schrijvers Louis van Dievel en Britt Droog.

Louis van Dievel & Britt Droog Madeleine recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van de roman Madeleine. Het boek is geschreven door Louis van Dievel en Britt Droog. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van het Vlaamse romanfeuilleton van Louis van Dievel en Britt Droog.

Recensie van Tim Donker

Wacht. Dievel zeg je? Van Dievel? Ja, die ken ik wel. Van hem las ik immers De onderpastoor. Of lezen. Naja. Dat is. Ik kwam tot bladzijde 84, toch. Maar het boek telt er bijna vierhonderd. Ik las van dat boek dus eigenlijk meer niet dan wel. Wat niet perse aan het boek lag, haast ik me te zeggen (it’s not you, it’s me). Ik weet het niet. Er kwamen andere boeken op mijn pad. Recensie- en andere exemplaren. En De onderpastoor geraakte onderaan een stapel en kwam op eigen kracht niet meer boven. Vreemd. Ik had wat ik ervan gelezen had toch straf schoon gevonden. Zo schoon zelfs, dat ik het had aangeraden aan een bevriende dominee. Hoewel “vriend” hier misschien een beetje sterk uitgedrukt is en dat zeg ik niet alleen maar omdat ik de verdenking van me af wil wentelen als zou de klerus me na zijn. Verre van een onprettige leeservaring hoe dan ook, en toch was het overheen mijn horizon gevallen.

Maar in zwijgen spreekt misschien des te welluidender uw geest, dacht ik dan maar – het ongelezene kon gelden als een versterking van de schoonheid van het gelezene misschien.

(zegt Adam Zagajewski: wat zingt, is wat zwijgt)

(en Adam Zagajewski, die ging dood. en ik, opverend. hij is dood, Adam Zagajewski is dood. maar nadat ik hem de langste tijd verwarde met Adam Zamzeenzad en m zelfs nog eventjes voor een nazaat van Jevgenij Zamjatin had gehouden moest ik tot de konkluzie komen dat ik eigenlijk niet zo goed wist wie Adam Zagajewski eigenlijk meer was dan zo’n naam waaraan te pas en te onpas gerefereerd wordt)

En Britt Droog. Ja. Nee. Die ken ik niet. Ik zou kunnen zeggen dat de naam Britt zelden aan een interessant persoon heeft toebehoord en dat het feit dat heur achternaam bij onmiddellijke associaties oproept met Bart F.M. me ook al niet erg hoopvol stemt…, maar dat zeg ik niet nee ik zwijg. En ik lees. In Madeleine.

Ja. Ik bedoel: ik lees. Hoort het eens uit. Ik lees ik las ik heb gelezen. Terwijl het boek zo weinig voor me mee had, op eerste gezicht dan. Met die Britt en die Droog en die titel en dat omslag dat ik eerlijk gezegd nogal heel erg spuuglelijk vond. En alleen maar die Van Dievel van wie ik ooit es enkele tientallen pagina’s met veel smaak gelezen had om dat alles goed te maken. Ging ik lezen, las ik, heb ik gelezen. Ik las Madeleine in minder dan een halve week uit. En nee, overdreven dik is het boek met zijn (haar?) 253 pagina’s niet nee maar voor mijn doen is dat toch heel erg snel. Eerstens omdat ik altijd mimimaal vijftig boeken tegelijk lees (ofnee niet tegelijk nee maar door elkaar) en twedens omdat ik post moet bezorgen, en koken, en afwassen, en de plee kuisen, en vegen, en mijn kinderen naar school brengen, en voor ze zorgen, en met ze spelen, en ik moet mjoeziek luisteren, zo ongelooflijk veel mjoeziek moet ik luisteren, en daar woordjes over zeggen, hier, daar, op een andere site, en peinzen moet ik, en triest zijn moet ik, en in bad liggen moet ik, en zwijgend in mijn koffie kijken moet ik, wie heeft er tijd om boeken te lezen?, in minder dan een halve week dan nog?

Madeleine léést. Madeleine leest prettig. Ik ken maar weinig boeken die ik met zoveel plezier, zoveel zin, zoveel gedrevenheid heb gelezen als Madeleine. Legde ik het neer, om een van de hoger genoemde dingen te gaan doen bijvoorbeeld, wilde ik het alweer oppakken. Madeleine is (voor het grootste gedeelte althans, maar daar kom ik straks nog over te spreken) warm, fijn, grappig, lieflijk, aangenaam en voelgoed. En dat voor een boek dat zich afspeelt tegen een achtergrond van armoede, mishandeling, verwaarlozing, ziekte, dood, misdaad, alcoholisme, ontrouw, aftakeling, agressie, onnozelheid en algehele gekte. Hoe? Hoe hebben ze’m dat gelapt, die Droog en die Van Dievel om van zulke ellende een boek te smeden dat voor het grootste gedeelte een warm en zacht bedje is waar je maar in wilt blijven liggen en liggen en liggen?

Hoe? Ik ga u zeggen hoe.

Er is inhoud. En er is hoe je die inhoud overbrengt.

Inhoudelijk vertelt Madeleine het weinig boeiende verhaal van de uit een laag milieu afkomstige Madeleine Verboven, een vroegtijdige schoolverlaatster die na de nodige uitzichtloze baantjes terecht is gekomen bij het belachelijk rijke stel Jacques en Elfride waar ze in eerste instantie schoonmaakster is maar het al vrij snel tot een soort van life coach schopt – hetwelk in praktijk betekent dat ze goed betaald wordt om naar haar “werkgevers” te luisteren, waar nodig wat adviezen te geven en vooral de rol te hebben van een gezinslid en dus erbij te zijn op hun exorbitante uitjes en dito etentjes. Klinkt als het scenario voor een hollywoodiaanse vrouwenfilm of het gegeven van een nieuwe serie op NET5 en niet als een boek dat mij voor enkele dagen stevig in zijn ban houden wist.

Dus nogmaals. Hoe?

Voorwaar. Ik zeg u. Er is inhoud. En er is hoe je die inhoud overbrengt.

Dat Van Dievel me kan laten vreten wat ik nooit dacht te vreten, bewees hij met De onderpastoor reeds (al heb ik dat dan ook niet helemaal opgegeten) want intriges in een parochie rondom een veel te progressieve onderpastoor klonk ook al niet als een gegeven dat mij meteen deed opveren uit mijn zetel en dat het “waargebeurd” is, hielp evenmin mee. Toch las ik er graag in totdat die boekenlawine De onderpastoor bedolf. Dat had iets te maken met die volkstaal, meende ik indertijd te detecteren.

Wel. Volkstaal is er in Madeleine genoeg. Het is in plat Vlaams geschreven. Dat is het eerste wat er zo aantrekkelijk aan is. Ik vind dat Vlaams zo prachtig. Zoveel prachtiger dat Nederlands. Zoveel prachtiger ook dan Engels (naar mijn weten werd Louis Paul Boons De kapellekensbaan in het Engels vertaald als Chapel Road maar zeg nu zelf: dat is toch niet hetzelfde? De kapellekensbaan behoort tot de mooiste boeken die ik ken maar een boek dat Chapel Road heet zou ik nooit willen lezen). Wel, aan Madeleine kon ik mij goed laven wat dat Vlaams betreft. Ik heb aardig wat boeken in mijn kast staan waarin Belgische schrijvers het Vlaams niet schuwen, en dan heb ik ook nog -in een andere kast- vele cd’s in één of ander Vlaams dialect. Ik ben er dus niet direct onbekend mee, is wat ik zeggen wil, maar in Madeleine kwamen toch nog wel wat Vlaamse woorden voor die mij (ho, daar had ik bijna gezegd: zelfs mij) niets zeiden. En die ik niet heb opgezocht natuurlijk, omdat in de context meestal wel duidelijk was wat het zeggen wou en zo niet – des te beter. Soms zijn die Vlaamse woordbouwsels zo ongekend geniaal dat je het niet moet willen verpesten door er zoon saai afgezaagd neerlands ekwievalent aan te hangen.

Maar niet aan het Vlaams alleen dankt Madeleine zijn (haar?) lezenswaardigheid. Ikfiguur Madeleine Verboven vertelt haar aan u! Ja. U! De lezer! Ze richt zich tot u, ze praat tegen u. Dat werkt altijd goed he, de lezer direct aanspreken. Doet u voelen alsof u één bent met het boek. Een van de polen die de vertelling in evenwicht houden. De vertelling kan niet zonder verteller, maar ook niet zonder toehoorder. En bladzij na bladzij blijven Droog en Van Dievel de lezer erbij slepen, hem onderdompelend in de zalige waan dat hij in Madeleine volwaardig gesprekspartner is. Een enkele keer drijven ze de illuzie te ver, bijvoorbeeld als Madeleine zogenaamd reageert op iets dat de lezer gezegd zou hebben. Dan wordt het een beetje potsierlijk en op de verkeerde manier lachwekkend. Maar int algemeen slaagt het schrijversduo er griezelig goed in een sfeer te creëren alsof ze daar zit, Madeleine. Bij u thuis. Op de bank. Misschien is ze je poets- of buurvrouw. Misschien is ze een vriendin. Misschien is ze iemand die je vroeger gekend hebt en die je net weer tegenkwam bij de Albert Heijn. Nu zit ze op de bank, jullie drinken koffie en later uiteraard port of wijn, en Madeleine vertelt. En blijft vertellen. Omdat jouw bank zo lekker zit, jouw koffie zo goed smaakt en er geen betere oren zijn dan de jouwe om dit aan te horen.

Louis van Dievel & Britt Droog Madeleine Recensie

Een laatste verteltechniek die voor zoveel vaart zorgt, houdt allicht verband met de oorspronkelijke verschijningswijze van Madeleine. Het was in eerste instansie een feuilleton op internet. Waar op het internet dat weet ik niet; gewoon: “op internet” zeggen ze (heb je wel goed gekeken? óp het internet hè. niet erachter of eronder). Madeleine praat niet vanuit het eitje. Loopt op de zaken vooruit, herneemt eens iets, belooft er later op terug te komen. Veel episodes uit haar leven komt de lezer niet in één keer aan de weet. Het is een gekende truuk, het is misschien een beetje een flauwe truuk maar het is er wel één die er in slaagt de aandacht bij het boek te houden. Want hoe zit dat nou presies, en hoe gaat het verder, en hoe is het zo gekomen? Dat gaat dan ongeveer zo:

“Heb ik al gezegd dat ik afkomstig ben van Okselaar, gelijk okselhaar maar dan zonder h? Grapje! Zijt ge daar al eens geweest? Ik denk het niet. Ge moet het al weten liggen. Als ge in Veerle de baan naar Diest neemt, passeert ge aan uw rechterhand dancing Heideroosje. Dat is in de streek een bekend etablissement. Daar heb ik mij door de Ronny laten doen. Och, ik wil eigenlijk niks over de Ronny zeggen. Later misschien. Ge rijdt voorbij dancing Heideroosje, altijd maar rechtdoor, en als ge coiffeur Mario ziet, of het Dierenparadijs, dan zijt ge in Okselaar. Er is niks te zien. Mijn straat zijt ge voorbij voordat ge het weet. De Molenvijver. Op de hoek van de grote baan en café Den Oxo neemt ge de Tessenderlobaan. Een dikke kilometer rechtdoor blijven rijden, en dan rechtsaf. Daar heb ik dus altijd gewoond. Of bijna altijd, want toen ik nog met de Ronny getrouwd was…

Ik ging over de Ronny zwijgen.”

Niet ongeveer zo. Presies zo. Dat vertrouwelijke taaltje, dat direkte spreken, die licht chaotiese verteltrant die maakt dat Madeleine zich gemakkelijk verliest in zijsporen, en in zijsporen van zijsporen… – dat dus. Dat maakt dat het me zo fijn was, daar in dat eerste deel. Dat ik het zo graag las. En ook dat ik Madeleine me zo sympathiek werd. Ik heb dat niet zo snel bij romanpersonages. Meestal blijven die van papier. Daar. In dat boek. Maar ik liet me met graagte zo schandelijk manipuleren door Droog en Van Dievel dat Madeleine vlees werd, bloed werd, persoon werd. Die ik liefhad. Ofnee, laat ik niet overdrijven. Die ik graag mocht toch. Dat wel.

Maar dan. Met Madeleine is het niet gedaan na pagina 165. Na deel één komt deel twee. Ja. Deel twee heeft anders dan deel één een titel. Madeleine in quarantaine zo luidt die titel. En mijn gevoelens zijn gemengd. Zeer. De -nogal afgezaagde- anticlimax in hoofdstuk 27, naar ik aanneem oorspronkelijk bedoeld als einde, is flauw, gemakzuchtig en laf en in zijn halfhartigheid nogal lauwtjens ook. Het slaat bijna al het voorgaande aan diggelen. Dat kan goed zijn, een bloedmooi stijlmiddel kan dat zijn. Hier echter leek het me niet op zijn plaats. Al goed dus dat het niet het definitieve einde geworden is. Maarja. Wil ik die Madeleine die me vlees geworden was die me bloed geworden was die me sympathiek geworden was wel terugvinden in de hoek der coronafascisten? Of, mocht u dat laatste woord te zwaar vinden: in de hoek van diegenen die zonder enige vorm van protest of kritiek en met hangend hoofd gedwee al hun burgerrechten zijn gaan inleveren bij de alleenheersers die vandaag overheen bijkans heel de wereld de dienst zijn gaan uitmaken. De makke schapen die zich met angst als eeuwige raadgever bijeen hebben laten drijven achter dat hek dat nu en voor altijd hun leefruimte geworden is om van daaruit boos te blaten naar de zwarte schapen die hun vrijheid te lief hadden om alles voor zoete koek te slikken en de euvele moed aan de dag leggen om gewoon door te blijven lopen. Dan misschien toch liever dat zwakke einde en wél gedaan na pagina 165.

En het gaat al vrij rap mis. Dat plaatje bij deel twee, onder die dubieuze titel. De Madeleine van de voorkant maar dan gekneveld met zo’n achterlijke mondkap die niet werkt (& sterker: eerder nog ziek maakt) maar die toch om één of andere rare reden verplicht is geworden (ook hier in dit land, waar nog niet zo gek lang geleden zo’n hetze was tegen “gelaatsbedekkende kledij”). Of dat ten geleide op pagina 169 dat zegt dat “dit boek [eigenlijk] in de herfst van 2020 [had] moeten verschijnen”, maar “[c]orona heeft er anders over beslist”. Feitelijk is het niet corona die zulks beslist, maar de overtrokken coronamaatregelen die maken dat veel anders is gelopen dan gepland. Maar dat is het ergste niet; corona als grote schuldige aanwijzen (en niet de beleidsmakers) is gangbaar geworden in het dagelijks taalgebruik en ik corrigeer mensen er al niet meer op. Alleen bij mijn zoon van zeven en mijn dochter van zes probeer ik het verschil tussen die twee helder te houden. Erger nog is dat het tot op het bot uitgekauwde “ieder nadeel heb zijn voordeel” er maar weer eens bijgehaald wordt, een kliesjee dat ik werkelijk waar niet meer wil horen. Voor zo lang als ik leef niet. En dan die wijd en zijd al te vergoddelijkte Cruijf ook nog een “voetbalfilosoof” noemen (filosoof mun voeten ja). Van dat warm gevoel dat deel één me gaf schoot al bijna niks meer over voor ik een letter in deel twee gelezen had.

En verdorie, al in hoofdstuk 1 van deel 2 toont Madeleine zich het braafste meisje van de klas door als enige niet naar de “lockdownparty” te gaan die op vrijdagavond zou gehouden worden in haar stamkaffee Den Oxo, “vóór alle cafés in het land dicht moesten”. En achteraf prijst ze zich daar gelukkig om, want: “Op maandag lieten al drie feestvierders op Facebook weten dat ze zich maar raar voelden. Op dinsdag lag er al een in het ziekenhuis van Diest. Op de spoed. De Stef. En het was niet voor een snotvalling. Op woensdag begonnen ze op Facebook op Danny van Den Oxo te schelden, dat het allemaal zijn schuld was.” Wat me een tikje aangedikt lijkt, aangezien de incubatietijd van corona volgens mij minimaal vijf dagen is. Als het gaat om ongefundeerde verspreiding van coronahysterie doen al onze overheden al genoeg hun best, laat dat asjeblieft wegblijven uit de schone kunsten. Mijn ergernis is gewekt. Goed. En het einde is al in zicht. Gaat dat nog goedkomen of ga ik op de valreep toch nog een slechte smaak in mijn mond overhouden aan Madeleine?

Het komt goed. Of het komt niet goed. Of een beetje goed. Ik weet het niet. Hoewel corona gelukkig geen hoofdrol opeist in het twede deel, zijn er toch nog wel wat passages, zinnen en opmerkingen die ik liever niet had gelezen. Ik ga die niet allemaal opsommen. Hou het erop dat Madeleine op het einde voor mij niet meer dat heerlijke mens is dat ik in deel één had kennen geleerd.

Al komt dat ook door andere zaken. Het fortuin is haar in deel twee een stuk minder gunstig gezind dan in deel één. Die opmerking is trouwens feitelijk van toepassing op alle verhaalfiguren.

En nu ik u toch in die hoek heb. Het hoofdstuk 9 dat op bladzijde 217 begint is nu het werkelijke slot en van een anticlimax is zeer zeker geen sprake meer. Eerder het tegenovergestelde, hoe dat te noemen? Een superclimax ofzo. Een explosie van gebeurtenissen, de een al theatraler dan de ander. En iedereen die in deel één voorkwam, speelt er een rol(letje) in. Zo vet, zo overdreven, en zo’n krankjorume samenloop van omstandigheden dat het bijna slapstick wordt. Dramatische slapstick, bestaat dat al?

Maar de laatste tien zinnen van de allerlaatste bladzijde ontroeren me buitenmate. Een tranentrekkerige ontroering, een ontroering “ondanks mijzelf”; hoe ik hier tot tranen toe geslagen word daar is Disney niks bij. Maar goed, het effect is hetzelfde: ik sluit het boek met een ferme krop in mijn keel en kippenvel overheen heel mijn lijf. En met het gevoel dat ik eigenlijk twee boeken gelezen heb.

Deel 1 was gelijk ik zei luchtig, lieflijk, komisch, aandoenlijk. Hartverwarmend, zou ik bijna zeggen als ik van dat woord geen slappe knieën kreeg.

Deel 2 is hard, rauw, grimmig, dramatisch, sensationeel en troosteloos. Dus. Wel. Ja. Nee. Hmm. Ik weet nog steeds niet of dat twede deel schrijven wel zo’n goed idee was van Droog en Van Dievel. Je kunt in ieder geval zeggen dat je nu twee boeken krijgt. Voor de prijs van één. Dat moet ons Hollanders toch in ieder geval aanspreken, hè.

Madeleine

  • Schrijvers: Louis van Dievel, Britt Droog (België)
  • Soort boek: romanfeuilleton, Vlaamse roman
  • Uitgever: Uitgeverij Vrijdag
  • Verschijnt: 24 februari 2021
  • Omvang: 168 pagina’s
  • Uitgave: Paperback / Ebook
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol 

Flaptekst van de feuilletonroman van Louis van Dievel en Britt Droog

Maak kennis met Mrs Madeleine Verboven: een veertiger met wat overgewicht en een rokershoestje, kuisvrouw van beroep maar niet uit roeping. Afkomstig uit Okselaar, zoals okselhaar maar dan zonder h. Veel te jong getrouwd, moeder van een kind dat inmiddels volwassen is en in ‘den bak’ zit. Tegenwoordig een hobbelig liefdesleven en een hondje dat Angèleke heet. Streetwise, met een korst op haar ziel. Leep, maar niet slecht van inborst. Marginaal? Misschien. Maar daar wordt aan gewerkt. Want bij Elfride en Jacques thuis heeft Madeleine het eindelijk getroffen, méér dan getroffen. Bij deze welstellende lieden heeft ze het min of meer tot een soort van gezinslid geschopt. Wat tal van opportuniteiten biedt, om dat modewoord eens te gebruiken.

Bijpassende boeken en informatie

Jeroen van Rooij – Het gesprek / Dierengebeden en buitengebieden

Jeroen van Rooij Het gesprek Dierengebeden en buitengebieden recensie en informatie nieuwe gedichten. In november 2020 verschijnen twee nieuwe bundels van de Nederlandse dichter Jeroen van Rooij.

Jeroen van Rooij Het gesprek / Dierengebeden en buitengebieden

Recensie van Tim Donker

Zomaar een dag in een wereld die nog niet nog gekker geworden was: ik breng mijn kinderen naar school want dat had Maffe Mark toen nog niet verboden. Begin december. Mijn zoon bij mij achterop. Want dat wisselen ze af. Op zijn gymdagen zit mijn zoon achterop. De andere dagen mijn dochter. Het is maandag, een gymdag, mijn zoon zit er. Ik open mijn mond en als steeds weet ik niet wat eruit zal komen als ik zeg: “Er was een gast. Een onderwatergast die de zee beheerste. Hij werd gedood door tien miljoen pond slijk uit New York en New Jersey. Deze aap is gaan hemelen.” Mijn zoon, mijn prachtige zevenjarige zoon, zegt niet pappa wat zit je maf te lullen. Nee hij zegt: Dat moet Poseidon zijn geweest! En we spreken verder over mythen, over hoe de dagen aan hun namen komen, over religie, over tijd, over dood – dat alles in die amper tien minuten die het duurt om naar de school te fietsen (mijn dochter, mijn prachtige vijfjarige dochter, fietst een paar meter voor ons en zingt sinterklaasliedjes). Op de terugweg bedenk ik me hoe woorden geboorte geven aan andere woorden en dat dat is waarom ik zoveel hou van taal. Het moet die dag geweest zijn waarop ik begon lezen in twee boeken van Jeroen van Rooij die onlangs uitkwamen bij het balanseer.

Boeken, ik zeg. Want een pasklare term voor deze twee werken heb ik niet direct. dierengebeden en buitengebieden lijkt nog enigszins op zoiets als een “dichtbundel” maar je zou het net zo goed een konseptalbum kunnen noemen. En het gesprek zou van alles kunnen zijn. Ik weet het niet. Er kleven geen stickers op de boeken, en er is geen achterplat. En ik stuur een berichtje naar de man die de boeken aanvroeg en aan mij gaf en die op het bovenste verdiep van ergens een flat woont en ik schrijf, ik vraag: Zat er een bio bij die boeken van het balanseer? En hij stuurt terug, hij schrijft Nee, helaas, zegt hij, hij zegt: Je zou eens kunnen kijken op de website. En ik leg mijn telefoon, mijn splinternieuwe telefoon, op de secretaire (en later kon ik hem niet meer vinden omdat hij bedolven was geraakt onder kladjes, schrijfsels, aantekeningen, invallen, ideeën, overpeinzingen, bio’s (van andere boeken), nog eens bio’s (van seedees), kindertekeningen, vodjes en onleesbare notities) en ik denk Ja dat is een goed idee. Dat ga ik doen, denk ik, ik ga op de website kijken. En pas als ik de laptop aangezet heb en een blauwachtig scherm me zijn licht in mijn gezicht spuwt, valt mijn franc. Geen achterplat!, denk ik. Verdomme, geen achterplat! Hoe en zee!

Geen achterplat.

Geen achterplat. Dus: geen foto. O wat fijn. Niet hoeven peinzen Wat heeft die zeikerd een vervelend kapsel. Of: waarom kijkt hij zo aanstellerig de camera in (met duistere blik, want dat is interessant). Of: welke gek trekt nu in jezusnaam zo’n achter bloesje aan? Maar ook: geen hysterische persstemmen. Geen “de literaire sensatie van het jaar” of “dit is poëzie die ertoe doet.” Geen (half)bekende Nederlander die iets positiefs te murmelen had over dit boek, geen u of v van krant w of x die y of z zei. Geen personalia. Geen geboortejaar, niet de stad waar Jeroen van Rooij werkt, geen “Jeroen van Rooij trad op van Pisa tot Parijs”, niet de obligate opsomming van alle literaire bladen waarin hij publiceerde. Een heerlijke, fantastische, weldadige leegte. Vooral: geen zinnetjes die me op voorhand al vertellen hoe ik dit straks al lezende moet gaan duiden. Waar het over gaat. Wat het “eigenlijk” “is”. Geen “het gesprek is een ode aan de liefde” of “het gesprek legt het onvermogen tot werkelijke communicatie bloot” of “In dierengebeden en buitengebieden worden de noden van onze tijd op rake wijs naar voren gebracht” of braak jij er nu even iets onzinnigs uit. O! Hoe heerlijk! Eindelijk een uitgeverij die het begrijpt! Eindelijk boeken die de lezer helemaal zelf mag lezen!

(je kunt zo’n achterplat ook niet lezen, ik hoor u zeggen. maar neen. dat gaat niet neen. ik moet dat lezen he. het is een ziekte. het is een afwijking. ik weet dat het mijn leesplezier keer na keer voor niet eens een klein deel vergalt, maar ik kan het ook niet ongelezen laten. is er een achterplat, is er een bio. dan moet ik lezen, dan moet ik lezen. sommige mensen gaan trager rijden om een ongeluk op de andere weghelft beter te zien, ik lees achterplatten)

Dus ik begon, brandschoon & met niets dan mijzelf & het boek, aan het gesprek.

Ofnee. Dat is niet helemaal waar. Er was ook koffie (was er koffie?), er was een bank, en er was mjoeziek. Op de cd-speler terwijl ik dit las: Quiet City van Pan American & het paste er goed bij. Ook nog op de cd-speler terwijl ik dit las: V van Barn Owl. En het paste er goed bij.

Bij?

Waarbij?

het gesprek iseen poëem. Of is het een overpeinzing? Een gedachtewisseling? Brokstukken? Een interview? Een persiflage op een televisieprogramma? Een semi-religieuze introspectie? Er zijn vragen, zoveel is zeker. Het zijn vragen zoals “Wat vind jij in een kerk?”; “Wie zitten er aan jouw laatste avondmaal?”; “Wanneer mis je God het meest?” en “Wat vind jij van Jezus?”. De vragen komen van de Evangelische Omroep. Want zoveel leegte is er weer niet, dat er geen danklijst zou zijn (is er een danklijst, dan moet ik lezen, dan moet ik lezen). De danklijst dankt de Evangelische Omroep voor de vragen. Dat staat tussen haakjes: (voor de vragen) staat er. Allicht is het gesprek gebaseerd op een televisieprogramma, ik nie weet nie, ik kijk niet zoveel televisie. Het Gesprek klinkt wel als een naam van een EO-programma. Ik zie zo’n EO-maker al zitten en met hele serieuze blik het soort vragen als de hoger geciteerde stellen aan een geloofsgenoot.

Op die laatste bladzijde, die danklijstbladzijde staat ook nog: “Het gesprek is geschreven in de context van het project Besmette Stad van Vlaams-Nederlands Huis deBuren (https://deburen.eu/besmette-stad). Een door Andy Kipple uitgevoerde versie is te vinden op https://deburen.eu/besmette-stad/72/andy-kipple .” maar daarmee wordt het gelukkig niet veel duidelijker – vooral niet omdat Andy Kipple en Jeroen van Rooij volgens mij één en dezelfde zijn. De websites heb ik overigens nooit bezocht.

Goed. Vragen. Maar antwoorden, dat is een heel ander paar mouwen. Er zijn vragen, en er is tekst na de vragen. Achter. Onder. Voorbij de vragen is er tekst. Soms kunnen die teksten onder de vragen nog wel gelden als ongevere antwoorden, schijnbare antwoorden, min of mere antwoorden, of, in een doodenkel geval, als vrij directe antwoorden maar vaker nog lijken de teksten nog maar weinig te maken te hebben met waar het in de vraag om ging. Op de vraag “Wat is ware liefde?” is “Onware liefde bestaat niet / en ware liefde is een gif // dat geliefden splijt, ziek maakt / en doodt.” nog wel een helder (en tamelijk juist) antwoord; “Het kaarsje kost een euro // Het brandt voor het consumentenvertrouwen / de motor van onze welvaart.” geeft een cynische lading aan de vraag “Voor wie brand jij een kaarsje?” maar het is nog wel een antwoord. Echter als er gevraagd wordt “Wat maakt jou gelukkig?” lijkt “Iemand heeft een tijger. / Iemand heeft een emmer. / Iemand heeft een kraanwagen. // Beschrijf de omstandigheden, maar laat op cruciale punten / de (sociale) context achterwege. // Dwing iemand zelf voor context te zorgen. // Ideologie openbaart zich / naast de particuliere omstandigheden / van mijn verschijning. // Iemand eet een maïswafel met Tartex. // Een helikopter komt voorbij. // Iemand strekt de armen uit naar de hemel.” meer op ijlen dan op zoiets als een gericht antwoord formuleren. Bloedmooi ijlen, dat wel. Heel erg bloedmooi ijlen. Als mijn recensies nog titels hadden gehad, zoals terug in de goede oude dagen dan was “Bloedmooi ijlen” een goede kandidaat geweest.

Dit kan (een parodie op) een vraag-en-antwoord spel zijn, of (een persiflage van) een interview, maar evengoed een lange gedachtestroom. Of een combinatie van beide: iemand die zijn peinzerijen soms een bepaalde kant laat opsturen door de televisie die wel aanstaat maar waar hij niet heel geconcentreerd naar zit te kijken (zoals dromen zich soms laten regisseren door de geluiden uit de omgeving van de slapende). Er is, heel het boek doorheen, een zekere coherentie waarneembaar. Melankolie, ziekte, dood, milieu, economie, consumentisme en vogels zijn terugkerende thema’s en er zijn ook enkele verwijzingen naar de covid 19-situatie aan te wijzen. Het is dus denkbaar dat de “antwoorden” (bij gebrek aan een beter woord noem ik de teksten onder de vragen toch maar zo) in ieder geval door één persoon gegeven dan wel opgedacht werden, en het gesprek dus niet dermate “cut-up” is dat de zinnen van overal vandaan bijeen gesprokkeld zijn.

Wat er ook is: datumaanduidingen. Het boek begint op 27 april 2020 met “Wat vind jij in een kerk?”, een luttele dertien bladzijden later is het 6 juni 2020 en volgt er op de vraag “Wil jij de eerste of de laatste zijn?” niets meer dan wit. Een dikke twee maanden is wel erg lang voor een gesprek. Is het gesprek dan toch maar dagboekproza? Of dagboekpoëzie? Geven de data de werkelijke schrijfmomenten aan? Soms volgen de data elkaar rap op; zitten er maar één of twee zinnen tussen. Andere keren vlot een halve bladzijde. Dat gaf voedsel aan mijn peins dat de datumaanduidingen een bepaald effect moesten verzorgen. De ontregeling van de tijd. Velen zullen zich herkennen in de bespiegeling dat de tijd door de hysterische coronamaatregelen in 2020 een ander karakter had dan in andere jaren. Verdikking van de tijd enerzijds door alle dagen binnen zitten en te weinig levensveraangenamende activiteiten te kunnen ondernemen, zoals op kaffee gaan, uit eten, in een hotel overnachten in een stad waar je normaal nooit komt, of al eens het privévliegtuig naar Griekenland nemen. Anderzijds was het een jaar zonder duidelijke ijkpunten (daar schreef ik haast: geijkte ijkpunten) waardoor het voorbij leek nog voor het werkelijk beleefd was (nu al december? huh? we hebben nog niet eens de verjaardag van tante Mien gevierd!). Quarantaineleven, quarantainekunst, quarantainezijn: nY vulde er een heel (nogal zwak) nummer mee (wacht eens even, stond Jeroen van Rooij daar in?) (opstaan en zoeken in de papierberg die mijn secretaire is) (nee, Jeroen van Rooij stond daar niet in). Zo kon je er soms een hele dag over doen om één vraag te stellen of meerdere dagen in dezelfde gedachtenkringen rondtollen. Er waren geen dagen meer. Maffe Mark had ook de dag verboden. Een tijdsvacuüm als het nieuwe normaal.

Ook het lezen is een roes. Lijvig kan een mens het gesprek bepaaldelijk niet noemen en toch kreeg ik twee cd’s kwijt in mijn leestijd. Er was zoveel poëzie in deze poëzie. Neem een zin als “De zon scheen in Times New Roman”. Dan moet ik staan. Dan moet ik lopen. Dan moet ik die zin laten nawerken in mijn lijf. Ik moet de zin voelen, ik moet het duren ervan voelen. Dan moet ik lopen. Dan moeten mijn benen bewegen. Dan loop ik, wiegelend, waggelend, een beetje op de maat van de muziek met die zin in mijn lijf. Soms stond ik op, van bank, om te lopen, naar secretaire, om iets op te schrijven. Ook een keer om naar de eettafel te lopen waar mijn koffie stond. Maar die bleek al koud geworden (zegt René: Koude koffie, dat is vergif voor mij).

het gesprek intrigeert, leeft op, zet tot denken, zet tot lopen, laat zich voelen. Het nodigt uit tot herlezen (lees het tien keer en je hebt een korte roman gelezen). Het spreekt, het zegt dat Jezus de uitvinder van de inflatie was (met slechts zeven broden en zeven vissen). Of dat Helena haar camera heeft overgeplakt omdat ze in haar blootje haar haar aan het kleuren is. Het klinkt & soms klinkt het (half) bekend, of als een allusie op iets bekends. Een boek zo polyfoon zal voor elk paar ogen iets anders zijn. Een vraaggesprek; een gedachtenstroom; flardmatige dagboeknotities; zotteklap; een persiflage; cut-up; readymade; samplepoëzie; introspectie; een teder poëem; een essay over angst, verval, hoop, religie en erzijn; een ecologisch manifest; de brokstukken van een gemankeerde samenleving; een oefening in het denken – de beperking zit hier niet in de woorden van de schrijver maar in de hoofden van zijn lezers.

Al evenzeer wordt mijn hoofd bewogen door dierengebeden en buitengebieden. Het is iets dikker dan het gesprek en misschien iets herkenbaarder als “dichtbundel”. Zo hebben de gedichten hier titels, ik noem maar iets, en opener om het leven meandert over het waterbeertje. Een kort gedicht, een van het type dat mensen uit hun hoofd zouden kunnen kennen of voordragen in een cursus poëzie schrijven als de cursisten van de leraar moesten aan de klas laten zien wat hen inspireert.

Maarja, vanaf het tweede gedicht gaat het dan toch alweer min of meer mis. Die tiep maakt voor een dichter toch wel ongehoord lange regels, zeker! Alsof de woorden het blad af willen lopen (en dat willen woorden, mensen, woorden willen altijd het blad af, woorden willen in uw woord komen wonen, woorden willen parasiteren op uw hersenen, woorden willen niet op papier, woorden houden niet van papier).

(ooit, in mijn studentenjaren, maakte ik een blad dat Kraakpen heette. mijn kompaan en ik stonden er eens mee op een beurs voor kleine uitgeverijen-achtige beurs, ik bedoel het was zo’n beetje de niche van de niche, we stonden met een klein clubje idioten, elk achter ons eigen tafeltje, in een klein zaaltje in Perdu. we hadden net het tweede nummer uit, we hadden nog maar twee nummers, en daar stonden we, achter ons tafeltje, met twee nummers voor ons: één min of meer “normaal” nummer met een blauwe voorkant waarop een door mij getekend stoellekee te zien was en een door mij geschreven gedicht (dat Kraakpen heette, een gedicht dat ik al jaren daar voor had geschreven en dat ineens naamgever van een blad was geworden) en een heel maf nummer, dat geen voorkant had of althans niet in gebruikelijke zin: het hoofdverhaal begon al op de voorkant. dat was een middellang verhaal, eerder een soort prozapoëzie eigenlijk, iets dat ik ooit geschreven had en toen maar vier pagina’s lang was maar in de loop der jaren van herschrijven en herschrijven was het inmiddels een bladzijde of tien of vijftien gaan beslaan. het was één lange aaneenschakeling van gedachten, fictie, associaties, herinneringen en gebeurtenissen. er waren geen leestekens, slechts om de zin of paar zinnen een schuine streep. er kwam een oude vrouw bij ons tafeltje staan, ze pakte het maffe nummer op en bladerde er in. ze smeet het weer neder, zeggend: afschuwelijk! zoveel woorden! en ik sloeg met mijn drinkvuist op het tafeltje en bulderde: waar gaat het goddomme heen met de wereld! nu gaan ze in tijdschriften toch zeker ook al woorden afdrukken!)

Maar waar zat ik. Oja, omdat dit boek meer dan het gesprek gelijkenissen vertoonde met wat er in boekhandels zoal als “dichtbundels” verkocht wordt (bestaan die nog, boekhandels? of gaat maffe mark die subiet verbieden? niet essentieel, en die boekenwurmen houden ook nog es geen anderhalve meter afstand ook), duurde het wat langer vooraleer ik aan ritmiek, toon, klankkleur, stem gewend was. Werkt dat zo in hoofden, het mijn voorop? Zoiets van Ah! Losse gedichten!, dus dit gedicht gaat over het waterbeertje gaan, en daar gaat het over de liefde gaan, en daar over God, en daar over de net iets te aantrekkelijke buurvrouw van de dichter, hier gaan we lachen gaan en daar huilen of huiveren of roepen Hee! Dat heb ik ook eens meegemaakt! Doch zo gemakkelijk laat Van Rooij zich niet vangen.

Een konseptalbum zei ik al even. Ik zou een mens in ieder geval niet voor idioot uitmaken als hij zou betogen dat dierengebeden en buitengebieden feitelijk één lang gedicht is. Of een kortverhaal. Een novelle. Een pilroman. Ja. Een fragmentarische pilroman, waarom niet. Wat het ene gedicht brengt, wordt in een ander gedicht hernomen. Een thema, een sfeer, een naam. Wie is bijvoorbeeld die Clarice die maar blijft opduiken, is dat een Silence of the Lambs-verwijzing?

Mocht u nu peinzen dat monotonie op de loer ligt in deez hier gedichten, dan peinst u er glansrijk naast. Dat de poëzie zo vol is bij Van Rooij, ik zei het al, en ook hier is het voller nog dan vol, stampensvol, overvol. De taal boventalig. De stem meerstemmig. Zelfs de titels van de gedichten van de afdeling dierengebieden vormen, onder elkaar gezet, een gedicht (zij het een wat B. Zwaal-achtig gedicht):

om het leven
zonder dieren
aan de mensen
door de dieren

De taal zindert, de taal breekt soms; passages van het type “Zoals de das // of de veldmuis (die geen diepte kan inschatten) / en spring van mijn hand.” zijn talrijk bij van Rooij – gebroken zinnen verkeerdelijk aan elkaar gelijmd en ik vind het wondermooi. Ik hou bijna steeds van zijn taal. Ik ben niet zo dol op dingen als “bullet point” of “seksen” (werkwoordelijk gebruikt ik meen, en ook zie ik het liever met een x gespeld) (welke dichter zei weer “ze schreven seks nog met zo’n geile x”?), en “Een ding rekent erop aan het eind van zijn leven verbrand te worden in de crematoria van de vooruitgang” was me een slagje te vet maar dat het stombelt en valt maakt de overige 99.9% alleen maar nog mojer. God wat hou ik van zijn humor in zinnen als: “Een mens schrijft het jaar van de onbezonnen aankoop”, van zijn optimisme in: “Een ding kan niets / maar doet het toch”, van zijn pessimisme in: “Een mens wil vet en suiker / en Ariel Liquitabs, een mens wil dat zijn cruesli kraakt / alsof de aarde iedere ochtend opnieuw / vers voor hem geschapen wordt.”, van de manier waarop hij in één zin alle oeuvres van alle Generatie Nix-schrijvers overbodig maakt: “Toen ik dit schreef / werd ik door niemand gebeld.”, van zijn surrealisme in “Het is december / in het jaar van de natte doos / alweer. Een Ford met een gewei / en een Renault met slagtanden / rijden frontaal op elkaar in, net zo lang / tot ze leegbloeden uit hun wonden. Een zwerm vleermuizen / verandert midden in hun vlucht in ansichtkaarten // en gaat in vlammen op.” of van zijn dada in: “Espresso macchiato, houten vloeren en wasmachines, / vliegen, t-shirts, kamerplanten en schilderijen, / serverparken, drinkbekers en genderneutrale voornamen, / bomen, parkeerplaatsen, fietsen en ganzen / zonsop- en ondergangen, waterfeesten en gazons.” (als ik tot aan mijn dood nog maar vijf zinnen zou mogen lezen, laat het om godswil dan deze zinnen zijn!). En dan heb ik het nog niet eens over zijn lyrische kant gehad.

Ik hou van hoe het zindert en vonkt en buldert en vuurt en tot stilstand komt en meandert en kabbelt en lispelt en schreeuwt en lacht en huilt en krijst en krast en streelt en zwijgt. Ik hou van de klaarte en de duisternis, de dagdagelijksheid en de vreemdheid, het feit en de fictie. Hoe het lijkt alsof hij de taal niet aktief zoekt doch de taal hem steeds weet te vinden. Alsof de taal Jeroen van Rooij nodig heeft om uitgedrukt te worden zoals de taal graag uitgedrukt wordt. Ik hou van hoe hij pregnant weet te zijn in schijnbare achteloosheid (denk daar even bij na, mensen, denk daar eens drie seconden of tien minuten of u halve leven over na, mensen want het gaat hier om een kunst die vrijwel niemand beheerst – hier is op elke bladzijde een dichter aan het woord die met onnadrukkelijke vanzelfsprekendheid zinnen die bol staan van pracht en van betekenis zomaar uit zijn mouw schudt). Ik hou van hoe ik -nogal vaak eigenlijk- niet precies weet wat hier aan de hand is.

Bijvoorbeeld in de buitengebieden-sieklus. Welke gebieden zijn hier de buitengebieden? Het is er warm, in ieder geval, en er zijn grotten. Mogelijkerwijs is het er oorlog (maar het is overal oorlog nu). Af en toe lijkt het te gaan om misschien letterlijk uitgeschreven film- of journaalbeelden. Beelden die ik me had moeten herinneren misschien, had kunnen herinneren als ik een beter mens was geweest. Dat stuk over Luke Shambrook bijvoorbeeld. Wie is Luke Shambrook? Dat moet bijna iets echts zijn. Een Luke Shambrook verzin je niet. Hoe gemakkelijk, weeral. Gewoon de laptop open, ik hou de laptop alle dagen open. Gewoon gaan zitten en heel gewoon dat stomme google (eigenlijk zou je’t moeten boycotten allemaal: al dat facebook, al dat microsoft, al dat whatsapp, al dat google, je moest het boycotten, je gaat het boycotten, morgen ga je het boycotten). Zo’n naam kun je gewoon heel gewoon doodgewoon intiepen. Tik tik tik. Luke Shambrook. Enter is geloven. Eens zien wat dat oplevert. Weeral had ik het bijna gedaan. Weeral weeral. Weeral deed ik het niet. Het is mojer met alleen deze woorden te zijn. Met de Luke Shambrook die de dichter laat geboren worden in mijn hoofd, die ik baar uit mijn voorhoofd. Als er een echt verhaal is hoef ik het niet te weten (ik heb sowieso al nooit gesnapt waarom “waargebeurd” een boek of een film aantrekkelijker zou moeten maken. Als ik iets wil zien dat waargebeurd is, dan ga ik wel met een stoellekee op de stoep voor mijn huis zitten. Alles wat ik dan zie is allemaal heel echt aan het gebeuren).

Zo mooi als bij Jeroen van Rooij heb ik de poëzie lang niet meer gezien. Ik verbaas me zelfs niet meer over de kracht van het toeval als helemaal op het einde blijkt dat 53°38’57.0”N 18°18’18.0”O geïnspireerd is door de versie van Stara Rzeka van het Nico-liedje My Only Child: Cień chmury nad ukrytym polem, uitgekomen op het Instant Classic-label. Nee, ik kende die Rzeka ook niet maar dat label behoort wel tot één mijner favorietste labels en er speelde zelfs een cd van dat label toen ik delen van dierengebeden en buitengebieden aan het lezen was (Aurora van Alchimia, moest Jeroen van Rooij geïnteresseerd zijn) (& jaja hoor ik u denken, dat is nu weeral de zoveelste seedee waarover gij zit te murmelen daar in dat ding van u dat voor een bespreking moet doorgaan, en gij denkt dat wij dat geloven? maar dan moet u goed begrijpen hoe dat gaat hier bij mij als ik alleen thuis ben: ik ben een kettingluisteraar van de oude stempel: ik steek de ene cd met de andere aan en dat gaat bij mij van jazz naar black metal naar flamenco naar postrock naar maliblues naar noise naar krautrock naar avantgarde naar ambient naar slowcore naar postpunk naar techno naar wave naar folk naar hiphop naar country naar /

Wat kan ik nog zeggen? Ik kan niks meer zeggen. Ik moet zwijgen. Want jullie moeten lezen. Deze twee bloedmoje werken van Jeroen van Rooij. Uw hoofd, uw huis en uw boekenkast zullen er wel bij varen.

Jeroen van Rooij Het gesprek Recensie

Het gesprek

  • Schrijver: Jeroen van Rooij (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Het balanseer
  • Verschijnt: 10 november 2020
  • Omvang: 24 pagina’s
  • Uitgave: Paperback 


Jeroen van Rooij Dierengebeden en buitengebieden Recensie

Dierengebeden en buitengebieden

    • Schrijver: Jeroen van Rooij (Nederland)
    • Soort boek: gedichten, poëzie
    • Uitgever: Het balanseer
    • Verschijnt: 9 november 2020
    • Omvang: 64 pagina’s
    • Uitgave: Paperback

 

Bijpassende boeken en informatie

Charles Lewinsky – De stotteraar

Charles Lewinsky De stotteraar recensie en informatie van deze Zwitserse roman. Op 11 november 2020 verschijnt bij Meridiaan Uitgevers de Nederlandse vertaling van Der Stotterer de nieuwe roman van Charles Lewinsky.

Charles Lewinsky De stotteraar Recensie en Informatie

Recensie van: Tim Donker

Maar je moet goed begrijpen hoe dat ging. Ik stond daar met dat boek in mijn hand, dat boek dat ik zojuist bij hem bezorgd had. Want het was zaterdag en dus een werkdag en ik had een pakketje voor hem gehad dat niet door de brievenbus paste, ik had bij hem aangebeld en hij was naar beneden gekomen vanaf helemaal het allerhoogste verdiep waar hij woont. We stonden daar. In het portiek van zijn flat. Ik gaf hem het pakje. Hij maakte het open. Het was een boek. Ik vroeg of ik het eens mocht zien. Ik weet niet waarom ik dat vroeg, omslag en titel spraken me niet erg aan en de schrijversnaam zei me niks. Ik denk dat ik graag iets in mijn handen heb als ik met mensen praat. De post voor zijn portiek had ik al bezorgd, mijn armen waren leeg, het is goed om met iemand te praten en af en toe met mijn kop in een boek te kunnen duiken. Denk ik.

Dat we aan het praten waren, dat moet je vooral in je achterhoofd houden. Of voornamelijk hij praatte want zo’n soort man is hij wel een beetje. Dat Lewinsky een Zwitser was, zei hij en ik mompelde iets over Zwitserse schrijvers (Eigentlich möchte Frau Blum den Milchmann kennenlernen, mompelde ik, Max Frisch mompelde ik, Blaise Cendrars mompelde ik maar die is naar Frankrijk verkast en ook nogal overschat, mompelde ik. mompelde ik allemaal) waarop hij een hele resem schrijvers uit Zwitserland opsommen begon. Dat Meridiaan mij eigenlijk weinig zei, mompelde ik en hij zei iets over Atlas Contact en dat bij Meridiaan ook het boek van een hele bekende schrijfster was verschenen maar dat hij haar naam even niet kon ophoesten. Ik kuchte droog en zei dat ik hem daar niet mee kon helpen. Ondertussen bladerde ik. Las ik zinnen. Halve zinnen. Flarden. Woorden. Meer een sfeer, las ik.

Ik las: “Oké. Natuurlijk doe ik het. Ik zou wel gek zijn als ik het niet deed.”

Ik las: “Ik hou van woorden. Ik hou van lezen en ik hou van”

Ik las “U”. Her en der las ik “U”. Hier werd iemand aangesproken met “U”. En ik dacht dus dat dat de lezer was. Ja nogmaals, je moet je realiseren dat ik aan het praten was terwijl ik bladerde en niet echt las. Laat staan grondig. En ik zei dat de schrijfstijl van dit boek me wel pakte, dat ik zelfs nog maar half in het gesprek aanwezig was. Zo gegrepen was ik. Maar niet genoeg gegrepen om echt gelezen te hebben. Maar dat zei ik er niet bij.

Hij zei: “Oké. Neem maar mee. Recenseer het zelf dan maar.”

En zo kwam het dat ik het boek meenam. Ik stopte het in mijn stuurtas, ik praatte nog wat, nam afscheid, vervolgde mijn ronde. Gans de rest van mijn ronde eindlang (wat niet schokkend lang meer was, overigens, want hij woont op zo’n tweederde van die wijk) dacht ik aan het boek in mijn stuurtas. Het boek met de ik die wel gek zou zijn als hij het niet deed. Het boek met de ik die van woorden hield, en van lezen. Het boek waarin de lezer rechtstreeks wordt aangesproken. Met “U” dan nog.

Ik ben graag “U”. Misschien omdat ik zo zelden met “U” aangesproken word. Ik ben bijna vijftig, maar voor veel mensen ben ik klaarblijkelijk altijd nog “jongen”. Jongen dit, jongen dat. Zeggen ze dan. Soms zelfs jochie. En dus zeggen ze ook “je”. Een jongen is geen “U” immers. Dan ben ik ook nog eens volwassen in een tijd waarin het ook in zakelijke brieven heel gebruikelijk is om te tutoyeren. Zelfs in officiële schrijvens ben ik niet per definitie “U”. Als ik werk ben ik vaak “jullie”. Dat gaat dan zo. Dan regent het de hele dag door, en het waait, en dan ga ik kleddernat en verwaaid op mijn postfiets door de straten (die zwarte, want met die rode heb ik een ongeluk gehad) en dan zeggen de mensen: “Dat is ook niet leuk voor jullie”. En dan kijk ik altijd achter me om te zien of me misschien niet een hele stoet collega’s achterop komt. Maar als ik werk ben ik kennelijk niet ik maar alle postbodes die er zijn. Een pars pro toto dat ik nooit zo goed begrepen heb.

Vanavond ging het fijn zijn. Met die nieuwe whisky, die dure, die ik me eindelijk had kunnen kopen met het geld dat ik voor mijn verjaardag had gekregen. En dan dit boek. En dan stilte, dus pas als iedereen naar bed was. Zou ik zitten. Met dit boek.

Zat ik. Met dit boek. En las. Las beter. Las echt. O. Dus. Het is niet ik die “U” is in De Stotteraar. Nee. De Stotteraar is een brievenboek. Lichte teleurstelling. Boeken die de lezer rechtstreeks aanspreken en hem dan nog “U” noemen ook zijn er niet veel. Met brievenboeken echter kun je bibliotheken vullen. De grote aantrekkingskracht van De Stotteraar weg. Terwijl ik zat. Aan tafel. In stilte. Met roodwijn overigens. Geen whisky. Maar ik las. Ik las en ik las. En las. En las.

Ik heb gelezen.

Ik heb dit boek in één week uitgelezen. Opdat het soort boekenwurm dat op een achternamiddag met gemak duizend pagina’s “wegzet” me niet verkeerdelijk begrijpen zou: dat is snel voor mijn doen. Heel erg snel. Omdat ik wel veel lees, en vaak maar nooit lang achtereen. Want ik moet mijn kinderen naar school brengen. En ontbijt voor ze maken. En de bedden verschonen. En het huis stofzuigen. En de afwas doen. En boodschappen doen. En werken, soms. En de kinderen weer uit school halen. En eten koken. En de badkamer schrobben. En een ruzie tussen mijn dochter en mijn zoon beslechten. En een spelletje met ze doen. En de WC opkuisen. En de huiskamer opruimen. En de was ophangen. En mijn kinderen op bed leggen. En ze voorlezen. En voor ze zingen. En een recensie schrijven. En op een stoellekee zitten en voor me uit staren. En peinzen over hoe de dingen zijn, en niet. En koffie zetten. En een omeletje bakken voor mijn zoon. En broodjes smeren. En me rot voelen. En de keukenvloer aanvegen. En tussendoor korte leesmomentjes sprokkelen. Daarnaast lees ik altijd dertig, vijftig, honderd boeken door elkaar. Als ik inhoud, sfeer, stijl van het een zat ben, ga ik door in het andere en zo verder en zo vuts. Maar terwijl ik in de De Stotteraar bezig was, heb ik geen letter in enig ander boek gelezen. Een hele week lang al mijn leesmomentjes vullen met maar één boek: zoiets kwam niet eerder voor hier in mijn huis. En die leesmomentjes alleen al, rekte ik tot in het oneindige op. Ik zat met De Stotteraar op de WC net zo lang tot ik het koud kreeg en de WC-bril in mijn huid gekerfd stond. Ik las De Stotteraar lopend door de huiskamer, doorheen de tuin op weg naar de schuur waar de fiets staat waarmede ik altijd mijn kinderen ophaal van school (en later zocht ik me rot naar het boek totdat het me inviel: Oja, ligt in de schuur!). Ik las dit boek één doordeweekse avond zo lang dat het nacht werd, diep in de nacht, veel te diep in de nacht want de volgende morgen moet ik om half zeven alweer kinderen aankleden wassen voeden naar school brengen. En ik maakte de fout er een paar zware Belgiese biertjes bij te drinken zodat ik vele tientallen pagina’s herlezen moest de volgende dag (zegt iemand: alcohol dulles the senses) (net dat wat ik er zo fijn aan vind). Zodoende. De Stotteraar en alleen De Stotteraar, 375 bladzijden op één week gedaan – een record sedert ik kinderen heb.

Misschien moet ik u vertellen waarom ik het boek zo rap gelezen heb.

Nee. Ik ga u eerst eens vertellen wie toch die stotteraar is over wie De Stotteraar gaat. Niet Notker de Stotteraar. Maar Johannes Hosea Stärckle. Zijn –ernstige- stotteren deed hem al vroeg de kracht van het geschreven woord ontdekken. In schrift kon hij alles wat hij sprekend niet kon. Niet alleen: zich vloeiend uitdrukken. Maar ook: voorwenden een ander te zijn. Met dat vermogen kon hij op school opstellen en brieven vervalsen; met dat vermogen verdiende hij later zijn brood. In eerste instantie bij een schimmig bedrijfje waar hij treurige, alleenstaande, eenzame mannen moest doen geloven dat ze met liefhebbende, aandachtige, sexy vrouwen aan het chatten waren. Later pakte hij de zaken grootser aan: hij troggelde menig oud vrouwtje grote sommen geld af door zich als een in de problemen zittende kleinzoon voor te wenden. Een slordigheidje deed het bedrog uitkomen en Stärckle geraakte achter de tralies.

Dat is De Stotteraar. Een gevangenisboek evenzeer als een brievenboek. In zijn cel schrijft Stärckle brieven. Voornamelijk aan gevangenispastor Arthur Waldmeier, in de gevangenis algemeen bekend als “de padre”. Verderop in het boek schrijft Stärckle ook anderen wel een sporadische brief, maar het lichaam van De Stotteraar wordt uitgemaakt door de brieven aan “de padre”. Hij is de “U” die ik even dacht te zijn. Aan Waldmeier schrijft Stärckle over zijn jeugd, maar hij stuurt hem ook kortverhalen die Stärckle  “vingeroefeningen” noemt. Via deze brieven, en niet minder via de kortverhalen leert de lezer Stärckle kennen.

Een dun gegeven, u zegt?

Ja, u plaudeert recht en niet krom. Maar Lewinsky maakt gebruik van een aantal literaire trucs die De Stotteraar vaart geven, maar ook (de suggestie van) inhoud. Trucs die zo opzichtig zijn (en die Lewinsky bij monde van Stärckle hier en daar ook onverbloemd toegeeft – en dat is nog de beste truc van allemaal: zeggen dat je de boel aan het oplichten bent en dan vrolijk verder gaan!) dat je Lewinsky het breed lachend vergeeft.

Ongecompliceerd taalgebruik. Korte zinnen. Versnellen. Vertragen. Alvast op de ontknoping van een bepaalde passage vooruitlopen zodat de lezer weet dat het dramatisch eindigen gaat, alleen weet hij nog niet hoe. Af en toe een terzijde inlassen om de lezer op zijn honger te laten zitten. Beloven dat je in een volgende brief op iets terug zult komen (zo wordt de –niet eens zo heel geweldige- wraak op een pestende klasgenoot uitgesmeerd over vier brieven: alleen komaan weer twintig bladzijden die de lezer ademloos tussen twee slokken koffie door gelezen heeft). Plotseling afgebroken zinnen. Wat mij bij dat eerste doorbladeren al opviel: die directe aanspreekvorm. De lezer weet wel dat hij de padre niet is nee. Maar er is geen padre. De lezer is de enige die leest. De lezer voelt zich toch meegesleurd in de communicatiestroom. Waarover nog dit: het is ook een geniale zet van Lewinsky om het boek op te bouwen met louter en alleen de uitgaande brieven. Een oplichter is op zijn best als je alleen zijn weergave van de feiten kent, immers. Op deze manier genereert Lewinsky bij de lezer een zeker sympathie voor Stärckle. Daarin schijnt de Zwitser wel vaker te floreren. Ik weet het niet, dit is het eerste boek dat ik van hem lees maar ik hoor zeggen dat hij vaak een onaangename hoofdpersoon kiest met wie de lezer na verloop van bladzijden dan toch meeleven gaat. Een ander groot pluspunt dat komt met het gegeven dat de lezer alleen maar de brieven leest die Stärckle schrijft (en niet de brieven die hij ontvangt), is dat hij (de lezer) altijd alleen maar weet wat Stärckle weet (of wat Stärckle wil dat de lezer van zijn brieven weet): als Stärckle in onzekerheid zit of vanwege bepaalde gebeurtenissen in de gevangenis zelfs voor zijn leven vreest, hangt ook de lezer in het luchtledige.

Trucs? Ja, trucs. Maar wel trucs die maken dat De Stotteraar leest als een dingens, kom hoe heet het weet?, vroeger gingen ze op stoom & ik zit er nooit in. Welja, een trein bedoel ik. Een gigantische vaart. Een bladzijdeomslaander of noem jij eens een normale Nederlandse term voor dat achterlijke “pageturner”. Door. En door. Even nog dit stukje. Even nog deze brief. Even nog deze tien, vijftig, honderd bladzijden, wacht even, ik kom zo.

Maar tot nog toe een receptuur waarmee ook Stephen King (om nu maar eens een andere gewiekste oplichter te noemen) mee had kunnen afkomen. Ja, mensen die bijna nooit literatuur lezen durf ik De Stotteraar blindelings aanraden. Het enige boek dat ik aan mijn vrouw zou kunnen geven als we op (zomer)vakantie zijn in ergens een ergens: hier lees dit eens, je zult het goed vinden, ik weet het zeker. Meer nog: voor mijn onlangs 85 geworden tantetje was dit best een geschikt verjaardagscadeautje geweest.

Doch Lewinsky heeft meer gedaan dan een lekker makkelijk weglezend allemansvriendje uit zijn pen wurmen. De meer “intellectueel” ingestelde lezer met een onberispelijke boekenkast hoeft zich voorwaar niet te schamen voor het plezier dat ook hij zal beleven aan De Stotteraar. De schrijver is niet vergeten zoiets als “diepgang” aan te brengen, zij het dan dat ook deze “diepgang” totaal getrukeerd lijkt (maar daarover later meer).

Door zijn schandelijk liefdeloze jeugd met een godsdienstwaanzinnige vader en een moeder die vooral goed is in wegkijken en niets horen, is Stärckle opgegroeid tot een formidabel bijbelvast persoon. Hij heeft gelijk welk bijbelcitaat direct bij de hand om gelijk welke situatie, gedachte of herinnering te illustreren – niet zelden met een enigszins cynische ondertoon. Daarmee geeft Lewinsky zijn lezers veel te denken over religie, in dit geval het christendom. Het zijn namelijk over het algemeen niet de van ruimdenkendheid en naastenliefde getuigende citaten waarmee Stärckle zijn brieven opsiert. De vraag of religie ons tot betere of slechtere mensen maakt is niet nieuw, maar zolang er nog religie bestaat van blijvende relevantie. Een oude discussie nieuw bloed inpompen getuigt van even grote kracht als een totaal nieuwe beginnen.

Het moge geen verwondering wekken dat Stärckle van zijn geloof viel, of er allicht nooit echt op gezeten heeft. Later werd zo’n beetje alles dat Schopenhauer geschreven heeft Stärckles bijbel. Ook aan hem refereert hij in zijn brieven ruimschoots. En er valt bij deze filosoof genoeg moois te rapen, woorden die doen lachen, woorden die verstillen, woorden die tot denken zetten. Zodus: in die trein, in die vaart, toch geregeld nog een overpeinzing bij mij. Ook vanwege de fantastische oneliners van Stärckles eigen hand: Schopenhauer was een goede leermeester. “IJdelheid maakt dom en domheid maakt ijdel”, zegt hij bijvoorbeeld ergens, of: “Je bent nog niet blind als je alleen maar je ogen dichtdoet.”; “Gekken zijn vaak goede psychiaters.”; “[D]e waarheid [is] een veiligheidsriem voor mensen die geen fantasie hebben.” Niet alleen slaagt Lewinsky erin een oplichter sympathiek te maken; de lezer zal in hem zelfs een intelligent en weldenkend man zien. Door te appelleren aan gevoelens en ideeën die velen wel kennen, en die dan zo exact te formuleren dat daar heel precies iets staat dat jij al een half (of voor mijn part een heel) leven ongeprononceerd in je meedraagt, wordt aan Stärckle welhaast het aura van een wijze verleend. “Als studie had ik Duitse taal- en letterkunde gekozen,” vertelt Stärckle, “vanuit het naïeve idee dat we bij de werkgroepen gezamenlijk diep op de meesterwerken van de literatuur zouden ingaan. De illusies van een provinciaal. Teksten, zo werd ons bijgebracht, waren objecten die we net zo lang moesten ontleden tot de in de kleine stukjes geknipte onderdelen precies in de van tevoren voorgeschreven reageerbuisjes pasten.” Daar staat mijn eigen teleurstelling in literatuurwetenschap en in een studie Nederlands (waar ik uiteindelijk niet eens meer aan begonnen ben) kernachtig verwoord in een beeldspraak die ik zelf nét niet had kunnen verzinnen. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat velen die Nederlands zijn gaan studeren uit taal-  of boekenliefde iets dergelijks gevoeld moeten hebben. Op geraffineerde wijze maakt Lewinsky Stärckle tot uw verwant.

En die kortverhalen die hij schrijft en aan de padre stuurt, die zijn ook nog eens niet halfslecht. Een ervan – het verhoor van een vluchtelinge – is zelfs ronduit geniaal. Het verhaal bevat enkel de antwoorden van de vluchtelinge (zoals De Stotteraar ook alleen uit de brieven van Stärckle zelf bestaat); een voorwaar frischiaans experiment. Wat? Frisch. Max Frisch. Ik had het net nog over hem. Wel opletten.

De Stotteraar geeft te denken. De Stotteraar is afwisselend (want in de kortverhalen of in de dagboekfragmenten (ja, er zijn ook dagboekfragmenten in dit brievenboek. had ik dat nog niet gezegd?) wordt weer een ander register opengetrokken. De Stotteraar is spannend. De Stotteraar is bij vlagen zeer komisch. De Stotteraar weet te ontroeren. De Stotteraar is het soort boek dat je je station zou doen missen (ik weet het niet, ik ga nooit meer met de trein en zeker niet nu je zo’n gezondheidsbedervende muilkorf op moet van die andere meesteroplichters die onze regering uitmaken dezer dagen). De Stotteraar is het soort boek waardoor je te laat zou komen op je eigen bruiloft. Voor De Stotteraar zou je je doodsstrijd nog onderbreken. Even wachten Dood, nog maar een paar pagina’s en dan mag jij.

Alleen maar lof.
Alleen maar hosanna.
Alleen maar hallelujah.
Alleen maar prijs.
Alleen maar hysterie.

En toch.
Toch?
Ja toch.
Toch is er een toch.

Zegt iemand: “Jij wilt dat je moet werken voor een boek. Je bent een calvinist.”

Zegt iemand, en ik sta, en ik zwijg vooraleer ik lopen ga.

En ik denk. Is dat zo? Moet ik gewerkt hebben voor een boek? Moet lezen me moeite gekost hebben? Moet het een beetje pijn doen? Ja. Nee. Misschien. Ik weet het niet. Een licht wantrouwen tegen een boek dat wegsmolt in mijn handen zonder al te veel sporen na te laten in mijn brein is er wel. Of dat mijn allergrootste bezwaar tegen De Stotteraar is, weet ik niet. Ik hield er een beetje het gevoel aan over dat ik bedrogen was. Bedrogen door de bedrieger. Die een knol zo goed op een citroen liet gelijken dat het er misschien wel één was. Als het lijkt op een citroen en smaakt als een citroen noemen we een knol immers mogelijkerwijs maar beter een citroen.

Formulewerk. Met zorgvuldig afgepaste ingrediënten. Humor, spanning, vaart, emotie, diepgang en allee komaan weer een bestseller geschreven. Dat schrijven liegen is, en ook een vorm van oplichten laat Lewinsky Stärckle al zeggen en misschien is dat ook wel Lewinsky’s persoonlijke mening dienaangaande. Ik weet niet of het mijn mening is. Er zijn miljoenen opvattingen over kunst. Ik ben aanhanger van de elitaire, naïeve, ouderwetse, kinderachtige gedachte dat kunst net iets meer is dan een goocheltruc, hollywoordfilm of diepvriesmaaltijd. Iets met zieleroerselen en zo. Ja lach gerust. Ik wacht wel even. Iets van een ziel, mis ik in dit boek.

Slordigheidjes. Het achterplat zegt: “Al voor verliefde klasgenoten schrijft hij liefdesbrieven”. Stärckle schreef nooit liefdesbrieven voor verliefde klasgenoten. De achterplatschrijver heeft overduidelijk het boek niet gelezen. Scannend misschien, want er is wel iets met liefdesbrieven en een verliefde klasgenoot. Dit is achterplat, en dan nog van de Nederlandse vertaling dus het is Lewinsky zelf niet aan te rekenen. Maar het maakt deel uit van de sfeer van een op automatisme geschreven boek. Een ander slordigheidje versterkte dat gevoel nog. Bladzijde 310, Stärckle in de gevangenis: “Het verliep als volgt. Het blaadje met de volgende twee brieven zat al opgevouwen in mijn zak. Toen hij kwam legde ik het papier zwijgend op tafel en hij stopte het eveneens zwijgend in zijn zak. Geen augurenlach. Hij toonde zich een goed pokeraar.”  En drie regels verder: “Deze keer liet hij het papier liggen.”. Het schoolvoorbeeld van de continuïteitsfout in een hollywoodfilm (daar hebben we ‘m weer). Bajesklant stopt briefje in zijn zak dat in de volgende scene nog op tafel ligt. Een slapende eindredacteur? Geen doodszonde. Misschien het soort van onoplettendheidje waardoor Stärckle de gevangenis in moest. Een bewijs van routinematigheid op zijn minst. Kun je weer gaan diskuteren over kunst, en of kunst routinematig mag zijn of altijd bloed en zweet en tranen en pijn eist.

Charles Lewinsky De stotteraar Recensie

De Stotteraar. Ik las het snel. Ik las het met heel veel plezier. En ik voelde me bekocht. Niet omdat ik het snel las en met veel plezier. Maar omdat het me achter liet met het gevoel dat het niet geschreven was, maar in elkaar geflanst. Intelligent in elkaar geflanst, briljant in elkaar geflanst misschien wel, maar in elkaar geflanst niettemin. Het achterplat maakt gewag van schrijfplezier en plezier is er alleszins doch ik zou het wel een gemaniëreerd schrijfplezier willen noemen. Ik hou ernstig rekening met de mogelijkheid dat dit alles Lewinsky’s bedoeling is geweest en dat De Stotteraar dient als een bewijs voor Stärckles ideeën en het boek dus op fabelachtige wijze fictie met realiteit verknoopt. Stärckle krijgt de lezer immers ook in zijn ban. En wie is dan de grote oplichter geweest? Lewinsky? Johannes Stärckle? Of leest de lezer zichzelf graag op?

Is De Stotteraar een boek? Een goocheltruc? Een psychologisch experiment? Langeafstandshypnose? Of toch maar gewoon vermaak, al of niet plat? Soms dacht ik het één, soms dacht ik het ander. Het gevoel van een boek, een echt boek, zo een boek met een ziel, u weet, noem me ouderwets, ontbrak me net iets te vaak. Misschien kwam dat dan door de snelheid waarmee ik het las. Misschien ben ik wel een calvinist. Misschien wantrouw ik wel dingen die me geen moeite gekost hebben. Of dingen niet. Maar wel boeken. Ik hou van traagheid. Je kent die mannen wel met zo’n scheurijzer waar ze zo trots op zijn. Die zeggen altijd: Ik hou van snelheid. Ik niet. Ik hou van die dingen die traag gaan. Ik hou van traagheid. Ik reis liever per auto dan per vliegtuig. Ik loop liever dan ik ren. Ik hou van slowfood slow cooking slowcore slow journalism. Traagheid laat dingen ontdekken. Snelheid raast alleen maar.

De Stotteraar raasde over me heen en gaf me net te weinig ruimte om zelf dingen te ontdekken. Maar het is een prachtboek, zonder meer. Mensen die weinig lezen, moeten dit absoluut lezen. Als je maar één boek per jaar leest, laat dat dit jaar dan De Stotteraar zijn. Mensen die veel lezen moeten het ook niet laten liggen: uw intellect wordt immers genoeg geprikkeld.

Mensen zoals ik, die nog een “iets” willen van een boek, een “iets” dat bij gebrek aan woorden een “ziel” genoemd zou kunnen worden (maar liever niet) zullen dat “iets” denk ik missen in De Stotteraar. Maar lezen moeten ze het toch. Daar houden calvinisten immers van. Iets te moeten.

De stotteraar

    • Schrijver: Charles Lewinsky (Zwitserland)
    • Soort boek: Zwitserse roman
    • Origineel: Der Stotterer (2019)
    • Nederlandse vertaling: Herman Vinckers
    • Uitgever: Meridiaan Uitgevers
    • Verschijnt: 11 november 2020
    • Omvang: 400 pagina’s
    • Uitgave: Paperback / Ebook
    • Recensie van: Tim Donker

Flaptekst van de nieuwe roman van Charles Lewinsky

Op 11 november verschijnt de nieuwe roman van Charles Lewinsky, bekend van Het lot van de familie Meijerwaarvan destijds 300.000 exemplaren zijn verkochtWat begon als een verhaal over monniken uit de middeleeuwen, groeide uit tot een verhaal over een stotteraar in de twintigste eeuw. Johannes Hosea Stärckle heeft moeite met het gesproken woord, maar is een meester in het geschreven woord.

Door middel van brieven, verzonnen verhalen en bekentenissen probeert Johannes, nadat hij in de gevangenis belandt, iedereen voor zich te winnen die over zijn lot kan beslissen. Een verrukkelijk onderhoudend verhaal van hoog niveau. Het schrijfplezier spat ervan af!

Bijpassende boeken en informatie

Gerald Murnane – De vlakte

Gerald Murnane De vlakte recensie en informatie over de inhoud van deze Australische roman. Op 11 februari 2020 verschijnt bij Uitgeverij Signatuur de Nederlandse vertaling van de roman The Plains van de Australische schrijver Gerald Murnane.

Gerald Murnane De vlakte Recensie en Informatie

Recensie van: Tim Donker

En dan, lezend (zoals gewoonlijk elke avond). In het boek. Dit boek. Het boek met het blauw en het geel en het groen en het zwart. Dat ik niet zal beweren dat ik er al ver in ben; ik ben, lawwezeggûh, op éénderde ofzo. Voor mij ligt mijn aantekeningenboekje en het is leeg. Of. Naja. Leeg. Het staat mudvol met krabbels, ideeën, invallen, gedachten, overpeinzingen, bevindingen. Maar niet één ervan heeft betrekking op dit boek. Het blaadje waarop ik MURNANE schreef, in kapitalen ja, en met een forse streep eronder. Dat blaadje is nog leeg. Opmerkelijk. Toch enkele tientallen pagina’s gelezen hebben al, en nog niet één mooie zin te hebben genoteerd. Of een stilistische opvallendheid. Iets dat me had doen lachen, huiveren, peinzen. Iets dat me roepen deed “Ja, zo is het!” of “Die slag is jou, Murnane!”. Een term die ik nog eens opzoeken wil. Enkele prikkelende tegenstrijdigheden. Wat losse associaties. Niets. Wit. Leegte. Blanco. Het overkomt me niet vaak dat ik bij het lezen van een boek – of toch: bij een boek dat ik zinnens ben te bespreken – met het halverwege al in zicht – of toch: reeds voorbij halverwege halverwege – klaarblijkelijk nog niet één keer naar mijn pen heb willen grijpen.

Dit is een moeilijk boek. Maar niet omdat het een moeilijk boek is. Het bevat geen wagonladingen personages met verwarbare namen, of ingewikkelde verhaallijnen, duizelingwekkende meerlagigheden, intellectualistische intertekstuele verwijzingen, onvoorziene plotwendingen, ondoorzichtige motieven, onnavolgbare tijdssprongen, onbegrijpelijke dialogen… En een “pil” is De Vlakte ook bepaaldelijk niet. “Dun boekje.” zei de man die het me gaf. Hij woont in een flat, die man. Op het bovenste verdiep dan nog. En van dat allerbovenste verdiep kwam hij afgezakt, met het boek in zijn hand, helemaal naar dat buiten waar ik stond. “Dun boekje.” zei hij op een toon die suggereren wilde dat ik het wel zo gelezen zou hebben. Maar dat had ik niet. Geenszins. Weken. Maanden. Ofzo. Wie houdt dat bij, wie kijkt er op zijn almanack. Hou het op lang. Lang had ik nodig voor dit werkje van Gerald Murnane. Goed, dat ligt niet alleen maar aan De Vlakte zelve. Deels komt het ook door mijn leesgewoontes. Ik lees veel, en vaak. Maar nooit lang achtereen. Vroeger was dat omdat lezen me altijd weer deed willen schrijven. Maar nu ik kinderen heb, zijn zij het meestal die me mijn lezen doen afbreken. Want ze willen dat ik een broodje voor ze smeer. Of ze hebben een tekening gemaakt die ik absoluut NU moet zien. Of ze willen een spelletje met me doen. Of er moet iets uit de schuur gehaald, of van een hoge kast gepakt. Of ik moet bemiddelen in een conflict. Altijd iets dat zich lastig laat combineren met verder lezen. En dan is er nog dat andere ding. Ik lees altijd zo’n honderd boeken door elkaar.

Wat? Eh, ja. Dat is begonnen, ooit, op een dag in de herfst een jaar of dertig geleden (geef of neem een paar jaar). Ik herinner het me graag als een dag in de herfst. Ten eerste omdat dat sfeervoller is. Ten tweede omdat het een donkere dag was, die dag. Maarja. Ik woonde in die dagen in die sombere, grauwe, grijze studentenflat op het onderste verdiep en daar was het altijd donker. Geen licht viel daar naar binnen. Ik las Geschiedenis van de westerse filosofie van Betrand Russel. Het tweede boek. De katholieke filosofie. De kerkvaders. De scholastiek. Goed voor tweehonderd bladzijden. Taai. Droog. Oersaai. Maar ik wilde lezen. Weten. Snappen. Volgen. Hoe het allemaal gelopen kon zijn. Van de zonsverduisteringvoorspellende Thales tot – ja tot wat? Tot nu. Tot lawwezeggûh Foucault of Deleuze of Sloterdijk of Feyerabend of Agamben of Morton ofzo, van daar naar hier. Nee, wacht. Ik wilde de filosofie in haar geheel kunnen begrijpen. Zoals. Misschien. Je af en toe denkt dat je beter begrijpen zult hoe je vader was als je bepaalde gebeurtenissen uit zijn leven weet. Gebeurtenissen waar hij nooit over sprak, en die niet eens per se bijzonder hoeven zijn. En aww, de filosofie, de moeder van het (jouw) denken, wat kon haar geschiedenis je allemaal niet verduidelijken? Maar dan mocht je geen hoekje overslaan. Het moet zijn dat ik toen nog geloofde aan de ongecorrumpeerdheid van historici – dat ik toen nog niet dacht dat alle geschiedschrijven eo ipso een vervalsen inhoudt. Dus het tweede boek eenvoudigweg overslaan was geen optie. Je kon op een lange reis naar het zuiden toch ook niet zomaar ineens driehonderd kilometer verder zijn? (o dus ik dacht me de “geschiedenis” dus ook nog als een ontwikkeling? een rechte lijn? van A naar B? of noord naar zuid?). Maar tussentijds je kamp opslaan: ergens verwijlen, zwemmen, vissen, op je rug naar de sterren kijken en vooral: eventjes niet meer bezig zijn met Thomas van Aquino of Johannes Scotus – dát kon natuurlijk wel. Ik besloot een pauze in te lassen en een tijdje in een ander boek te lezen. Dat werd Wapenbroeders van Louis Paul Boon. Maar. Ja. En tsja.

Ja en tsja. Boontjes intense schrijfstijl kon nauwelijks gelden als een tijdelijke verlichting van de leeslast. Al na enkele bladzijden had ik dringend de behoefte aan een pauzeboek om pauze te kunnen nemen van het pauzeboek. Ik dacht dat dat derde boek TikTak van Suso DeToro was. Maar goed mogelijk dat ik dat mis heb.

Hoe ook. Mensen. Toen is het begonnen. Dan en daar. Die dag, dat kamertje, die flat. Drie boeken werden tien boeken werden vijftig boeken werden honderd boeken. Dat kan hoor. O, wat ik al niet kocht bij alle kringloopwinkels waar ik kwam, alle boekenstalletjes die ik zag, elke De Slegte die er (toen. ooit) maar was in Nederland en België, bij elk tweedehands boekwinkeltje in een tijd dat elk middelgroot dorp er nog wel één had. Natuurlijk lees ik niet in al die boeken even aktief. Het hangt er van af. Van waar ik ben, bijvoorbeeld. Er zijn bovenboeken: een nog altijd groeiende, hoge stapel op mijn nachtkast: daar zal ik eerder naar grijpen als ik in bad ga, zinnens ben de bovenwc te gebruiken of midden op de avond op bed ga liggen niet omdat ik wil slapen maar omdat ik het getetter van rtl4 of sbs6 meer dan zat ben (zoals gewoonlijk elke avond). Wil ik Engels lezen?, beschouwelijk werk?, abstracte poëzie?, absurde kortverhalen?, romans van minimaal achthonderd bladzijden? Heb ik zin in iets herfstachtigs of juist in iets dat me zomers en licht doet voelen (in beide betekenissen van dat woord)? Vervreemding? Surrealisme? Dadaïsme? Beklemming? Naargeestigheid? Woorden die me denkend zetten, woorden die me doen opveren omdat ik ze absoluut in rechtstand tot me wil nemen, woorden als oorden, of woorden die me alleen maar doen lachen? Het is nu eens in de ene hoek, dan weer in de andere gezocht.

(Mijn vrouw moet daar niet zoveel van weten, van al die boeken overal. Stapels. Op de hoek van de eettafel, op het drankencabinet, op de vloer, op het secretaire, op mijn nachtkast, op de schouw. Soms toon ik mijn goede wil en prop ik wat stapels in één of andere la. Dan vergaat de tijd zoals die dat gewoon is te doen, en dan breekt er op een dag weer een dag aan. Een dag waarop ik een boek zoek omdat ik er even iets in wil naslaan, en dan vind ik dat boek niet maar kom ik wel allerlei boeken tegen die ik ooit, weken of maanden geleden in een la had gepropt om mijn goede wil te tonen, boeken waarin ik aan het lezen was, god betere het!, niet heel aktief misschien maar toch, en dan haal ik boek naar boek weer boven tot de volgende keer dat ik me geroepen voel mijn goede wil te tonen)

En dan zwijg ik nog van de boeken waarover ik schrijven wil. De bespreekboeken (zoals deze). Sommige boeken worden bespreekboeken omdat ik me bij hoge uitzondering eens iets heb aangeschaft van nog relatief recente datum; iets waarvan ik al lezende ben gaan denken Hee! Dit zouden meer mensen moeten lezen! Doch negen keer op tien denk ik dan een dertig- of veertigtal pagina’s later alweer Nee, wacht – dit moet niemand lezen. Waarom zit ik hier zelf nog mijn zuurverdiende leestijd aan vuil te maken eigenlijk? Veruit de meeste bespreekboeken worden mij gegeven om ze te bespreken. Die krijg ik dan, bijvoorbeeld van die man die op het bovenste verdiep in ergens een flat woont. Dit boek ook. Hij kwam er mee aan, helemaal naar beneden vanaf zijn verre bovenste verdiep, hij zei Het is maar een dun boekje.

Ja. Het is maar een dun boekje. En toch duurde het lang als ellen vooraleer ik de laatste bladzijde omgeslagen had. Ja, dat met die honderd boeken en die vele vele leesstapels en die danig versnipperde leestijd helpt niet mee om snel door boeken heen te zijn nee. Mijn goesting verandert ook zo vaak. Dan ken ik een schrijfstijl na enkele tientallen pagina’s wel zo’n beetje en dan wil ik weer even een andere toon, een andere thematiek, een andere stem. Maar er zit beslist ook iets in dit boek dat maakt dat je er niet in “wegzinken” kunt. De Vlakte is alles. Maar een soepel boek is het niet.

Allereerst lijkt het niet in Murnane’s bedoeling te hebben gelegen om enige identificatie van de lezer met de hoofdpersoon gemakkelijk te maken. De “ik” blijft tot op de laatste bladzijde een vreemde. “Ik” geeft weinig prijs zodat je aan het einde niet heel veel meer over hem weet dan je wist aan het begin, of alleen al door lezing van het achterplat. Duidelijke gevoelens lijkt hij niet te hebben, we krijgen zo goed als geen informatie over zijn verleden en andere gedachten dan die te maken hebben met het onderwerp (de vlakte), komen niet of nauwelijks aan bod. Navelstaarderij is “ik” vreemd – zelfs zijn naam wordt niet genoemd (overigens krijgt niemand in het boek een naam). Wie niet toevallig een in Australië woonachtige cineast is, heeft weinig gemeen met de hoofdpersoon van DE Vlakte.

Ook het onalledaagse verhaal biedt niet direct een uitgestoken hand. “Ik” is, als gezegd, een filmmaker (een jonge filmmaker, voegt het achterplat daar nog aan toe) die een film wil maken over de vlakte van het Australische binnenland. Dan kun je als filmmaker zomaar van alles doen. Je kunt met een camera op je schouder de vlakte op gaan, en filmen tot je een ons weegt, en het materiaal vervolgens met klein budget monteren tot een min of meer “veelzeggend” of “kunstzinnig”  geheel. Je kunt avond en avond aan je tafel gaan zitten en met bloed en pijn en zweet en tranen schrijven en schrappen en schaven aan een synopsis en een scenario en een draaiboek of hoe heet dat allemaal, en je pas daarna een keer buigen over de vraag “En wat nu?”. Je kunt een stelletje gelijkgestemden om je heen verzamelen en jezelf een groep noemen en die groep een naam geven en drukker bezig gaan met manifesten schrijven dan met films maken. Je kunt tot op hoge leeftijd blijven dromen over een film en op een dag (in, uiteraard, de herfst) schouderophalend zeggen dat je er nu te oud voor bent. Maar de ikfiguur uit De Vlakte gaat naar een hotel.

In dat hotel heeft een aantal grootgrondbezitters een afgelegen lounge afgehuurd. (“if anybody wants you???” “I”LL BE IN THE LOUNGE!”). Ze verlenen audiëntie aan een hele horde kunstenaars, ambachtslieden, wetenschappers, filosofen en geloofsverspreiders (dan wel –stichters) die ondersteuning behoeven bij het ten uitvoer brengen van hun gedroomde project. De sessies duren dagen. De één na de ander verdwijnt in die lounge om zijn idee voor te leggen aan de grootgrondbezitters. De overigen hangen rond in de bar van het hotel. Ze drinken. Ze praten. Ze mijmeren maar wat voor zich uit. Ze staren in het blauwe heenin. Het duurt en het duurt. De ikfiguur wacht, denkt en drinkt. Zegt Teju Cole:  “Murnane, een genie, is een waardige erfgenaam van Beckett”, en het moet zijn dat Signatuur dacht dat Beckettfans dat zou doen brullen van enthousiasme, want ze zetten de uitspraak op het omslag (het deed mij wel brullen van enthousiasme, in zoverre had ulieden gelijk, Signatuur. maar hoeveel Beckett-fans telt Nederland eigenlijk nog?). Maar daar, op éénderde, of naja toch: reeds voorbij halverwege halverwege, leek het me nog niet erg op Beckett te lijken. Zo waren er naar Beckett-maatstaven al veel te veel bijfiguren, en sommige daarvan zeiden dan ook nog wat ook. Maar ineens dacht ik: stel je voor dat de ikfiguur nooit bij de grootgrondbezitters naar binnen geroepen wordt! Dat het hele boek zal gaan over het wachten op een audiëntie die hem uiteindelijk nooit verleend wordt! En hij gans die 158 pagina’s lang (ja het boek zelve is langer maar de rest is gevuld met een niet tot het verhaal behorende briefwisseling tussen Gerald Murnane en de eerder genoemde Teju Cole) alleen maar in de bar van een hotel zal zitten te zitten! Wow! Ja, dat zou behoorlijk beckettiaans zijn ja, en behoorlijk geniaal ook. Geniaal!, ik dacht ja, en schreef het misschien ook nog wel ergens op die angstvallig lege bladzijde in mijn aantekeningenboekje – zodat daar nu één woord stond. Geniaal. En verder niets. Maar dan wordt hij toch tegen zijn verwachting in (of minstens toch tegen de mijne) naar binnen geroepen en kan er zoiets als een “verhaal” in gang komen (en het is altijd oppassen als verhalen in gang komen want niet zelden is het dáár waar het mis gaat).

De scène die dan volgt is even bizar als grappig. Zes landeigenaren ontvangen de ikfiguur, een zevende ligt te slapen op een veldbed in de hoek. De drank heeft rijkelijk gevloeid, zoveel is duidelijk (en zal ook rijkelijk blijven vloeien). In een toneelmatig weergegeven gesprek praten alle zes in eerste instantie volkomen langs elkaar heen. Iedereen houdt het bij zijn eigen obsessies. Later raakt het gesprek meer geïntegreerd; als een dissonant koor dat zich naar een harmonieus refrein toezingt. Niettemin blijft ieder zijn hoogstpersoonlijke accenten leggen. Veel ruimte om zijn idee te presenteren krijgt de ikfiguur niet. Pas als de zevende man opstaat van het bed en zich in het gesprek mengt, kan de ikfiguur gaan praten. En hoewel de zevende landeigenaar veel van wat de ikfiguur zegt schandalig vindt, neemt hij hem toch in dienst: “Ik kon zolang te gast zijn als ik wilde blijven. Maar het zou beter zijn als ik op een mij passend moment een betrekking in zijn huishouden zou aanvaarden. Een naam voor die betrekking kon ik zelf kiezen. Hij stelde ‘directeur filmprojecten’ voor, maar hij verwachtte wel dat ik me daar nog eens voor zou gaan schamen. Mijn salaris zou elk redelijk bedrag inhouden boven de kosten die het uitoefenen van mijn taken eiste. Natuurlijk zou er geen formele lijst van taken zijn om mijn werkterrein te beperken.”

Let op. Het is goed mogelijk dat het mogelijk is & het kan zijn dat het kan zijn. Dat dit misschien mogelijkerwijs allicht (bijwoorden van twijfel) aan de orde van de dag is, daar in dat verre Australië met zijn vlaktes zijn kangoeroes zijn hitte zijn sluitneder zijn razzia’s. Dat grootgrondbezitters alle dagen een volmaakte vreemde voor onbepaalde tijd in hun huis opnemen om tegen een onduidelijk loon niet welomschreven werkzaamheden te verrichten. Maar ik lees dit niet daar in dat verre Australië, ik lees dit in het al te nabije Nederland. Waar de herfst meedogenloos is ingetreden, Rutte, Grapperhaus en De Jonge veel te veel macht gekregen hebben en angst en middelmaat regeren. En de “plot” (zo het er al één is) van De Vlakte komt mij lichtelijk bizar voor, zij het ook weer niet zó bizar dat je van absurdisme, groteske, surrealisme of voor mijn part in gilsiaanse terminologie gevat “paraproza” (“transludiek”, hee) kunt spreken. Te buitengewoon om gewoon te zijn, deze Murnane maar te gewoon om buitengewoon te kunnen zijn. Zoiets. Binnen zijn ongebruikelijkheid blijft De Vlakte steeds realistisch, soms zelfs op het gortdroge af. Wat dan wel weer passend is bij het vlakke Australische binnenland.

Bizar realisme. Bestaat dat? “Bialisme”. (hee!). Mag ik die term dan munten, mensen? Ze lijkt goed van toepassing te zijn op De Vlakte. Het bizar realisme (of toch maar bialisme?) is één van de redenen waarom ik slecht toegang vind tot dit boek. Eénmaal wonend op het landgoed van zijn broodheer (de ikfiguur verwijst naar hem als “mijn beschermheer”) is er van enig beperkt werkterrein zeer zeker geen sprake; het is me eigenlijk volslagen onduidelijk wat “ik” nu alle dagen zit te doen, daar. In plaats van aktief aan zoiets als een film te werken (hoe men dat dan ook doet, aktief aan een film werken), zit hij meestentijds in één van de vele bibliotheken die het landgoed rijk is. Bibliotheken die tot de nokken toe gevuld zijn met kunst, proza, poëzie van en over de vlakte. Daarover zit hij dan te peinzen. Over de vlakte en over wat anderen zoal gepeinsd hebben over de vlakte.

Zulks is moeilijk inkomen ik zei, en zeg nu opnieuw. Iemand wordt volledig voorzien in zijn levensonderhoud in ruil voor gepeins dat zonder fysieke weerslag blijft. Naar vorderingen van het een of andere project wordt nooit gevraagd. Maar goed, leven in abnormale levensomstandigheden is überliterair en elke toetsing aan de realiteit is voor beperkten. Bovendien is voor iedereen die creërend bezig is, het niet totaal onherkenbaar om veel meer bezig te zijn met het denken over, en dan het denken over denken, en dan het verloren lopen in één of andere zijweg van iets dat maar zijdelings te maken had met iets zijdelings van waar het ooit om begonnen was, dan met het werkelijke “creëren” (wat dat dan ook is). Maar “ik” peinst over de vlakte, over de kunst van de vlakte, de religie van de vlakte, de filosofie van de vlakte, de proza en de poëzie van de vlakte, en over wat grootgrondbezitters (kennelijk de grote voorvechters van de vlaktecultuur?) zoal al of niet gevonden hebben van al dat de vlakte aan materiaal heeft opgeleverd, over bepaalde stromingen en substromingen in het denken over (de cultuur van) de vlakte, over hoe dit denken zich ontwikkeld heeft en de “biarealistische” aard van al deze bespiegelingen maken vele tientallen bladzijden van De Vlakte tot taaie kost. Weeral is het goed mogelijk dat het mogelijk is: dat er dus zo’n grootse cultuur bestaat van en over het Australische binnenland, maar als ik het binnen mijn verstaanshorizon tracht te trekken en er bijvoorbeeld Drenthe van maakt krijgt het weeral absurde (maar niet: absurdistische) trekken.

Omdat “ik” voornamelijk over anderen denkt: over een andere cultuur (“ik” lijkt van origine geen vlaktebewoner te zijn) en over wat anderen over die andere cultuur gedacht en gezegd hebben, krijgt hij zelf ook gedurende het verhaal nauwelijks vorm. Dat maakt het lastig met hem te sympathiseren, of zelfs maar hem te begrijpen. Omdat hij nooit op zichzelf reflecteert, komen ook zijn toch al spaarzame handelingen nogal eens uit de lucht vallen. Zo is er een scéne waarin hij maar weer eens tussen de boeken verscholen zit in de bibliotheek en door een raam de dochter van zijn beschermheer ziet lopen. Ze staat stil en kijkt omhoog. Ineens gaat “ik” meubels verslepen en op elkaar zetten. Na enige regels heeft de lezer dat hij dit doet om een manshoge “pop” van zichzelf te maken, op ware grootte. En als hij dan naar buiten gaat, naar de plek waar de dochter van zijn beschermheer stond toen ze omhoog keek, begrijp je dat hij dit gedaan heeft omdat hij wilde weten of en hoe ze hem gezien heeft toen ze daar stond (doch nog niet waarom hij dat zo gaarne weten wil). Maar omdat “ik” nooit in zinnen denkt als “Ik vroeg me af of ze me gezien kon hebben” of “Ik besloot een replica van mezelf te maken om me vanuit haar standpunt te kunnen zien”, wekken zijn handelingen in eerste instantie alleen maar vervreemding op bij de lezer. En toch krijg ik niet de indruk dat Murnane op vervreemding uit is. Waardoor ik de scéne nogmaals wil lezen, nu zonder vervreemding, nu ik weet wat ik eerst niet wist.

En nu net dat. Net dat, beste mensen beste lezers van dit stukje. Net dat is wat het is: Murnane is me altijd één stap voor. Of één stap. Een hele hoop stappen eigenlijk, en ik snel hem achterna en kijk om omdat ik wil zien waar we gelopen hebben en pas dan zie ik dat het best een mooie weg was en wil ik hem nog een keertje gaan. De Vlakte is een herleesboek maar voor iemand die altijd zo’n honderd boeken tegelijk leest, is herlezen van boeken geen evidentie. Plus daarbij, diene mens die op het bovenste verdiep in die flat woont, heeft me uitdrukkelijk gevraagd het boek terug te geven. Dus moet ik het bij deze ene lezing van De Vlakte houden en Murnane heeft het me uiterst lastig gemaakt om er een of ander duidelijk “iets” van te peinzen. Murnane schrijft niet naar me toe. Ik voel niet mee met de ik in dit verhaal. Voelen is sowieso al van ondergeschikt belang in De Vlakte. De vrouw van de beschermheer zit wel eens bij “ik” in één van de bibliotheken en uit een paar regeltjes blijkt dat “ik” haar best heel sympathiek vindt maar ook die gevoelens zijn tamelijk onnavolgbaar en spelen bovendien enkele bladzijden verderop al geen enkele rol meer. Steeds als ik denk aan te voelen welke kant het op zal gaan (eerst dacht ik dat “ik” nooit bij de grootgrondbezitters zou ontboden worden, toen dacht ik dat de dochter van “iks” beschermheer een rol zou krijgen in het verloop, en daarna de vrouw), gaat het een andere (of juist geen enkele) kant op. Alzo gaan ook veel van Murnanes zinnen. Hij componeert graag lange zinnen waarvan het slecht voorspellen is waar we zijn zullen als de punt wordt gezet. Zinnen die nopen tot herlezen. Ook al. Want wat zegt hij nou eigenlijk? Ontkent hij de ontkenning of bevestigt hij de bevestiging? Wat was ook alweer het begin van deze zin? Ik heb geloof ik even niet opgelet.

Tot slot ook het slot. Ook het slot is niet zoals ik slotten dacht te kennen. En ik vind niet eens dat een slot een slot moet zijn, of wat dan ook. Toch neemt mijn ruimdenkendheid ten aanzien van slotten een klein, licht-knagend gevoel van onbevredigdheid bij dit specifieke slot niet helemaal weg. Noem het wrevel. Of zeg verwarring. Mogelijkerwijs zit mijn onbekendheid met Australische literatuur en/of cultuur hier voor een deel tussen? Het Australische denken? Ik had ooit een Australische vriendin, en nu ik eraan denk: haar begreep ik eigenlijk ook nooit helemaal.

Dit is literatuur die niet reproduceert, maar op zichzelf staat: een “konkreet proza” zo men wil (wie weet Sybren Polet nog?). Een puur fictioneel schrijven: van het hoofd van de schrijver naar het hoofd van de lezer zonder dat het iets van een tussenruimte weerspiegelen wil. Hierom prijs ik Murnane. Hij heeft geen rijdende trein geschapen, waar je maar op te springen hebt maar een boek dat je slechts aanvaarden of verwerpen kunt. In deze volstrekte compromisloosheid herken ik inderdaad de geest van Beckett. Ik zie niet Becketts taalwoede, niet zijn duisternis, niet zijn absurdisme, niet zijn humor. In de hermetiek van de vlaktefilosofieën kan ik nog wel de Beckett van zijn betogende teksten herkennen (maar die Beckett moet ik niet zo eigenlijk, al een geluk dat hij nog zo weinig betogende teksten heeft geschreven anders had ik me als completist nog meer dat mij niet lief is moeten aanschaffen dan mij lief is) (?) (of ja, misschien ook wel de hele vroege Beckett, die nog joyceiaans was tot op het bot, de Beckett van Droom van matig tot mooie vrouwen, misschien dat iets van die Beckett ook nog wel rondwaart in De Vlakte) (maar ook die Beckett is best vervelend eigenlijk) (en de Beckett van de wat overschatte trilogie is ook nog niet helemaal wat hij waard kan zijn) (hmm, eigenlijk heb je met Watt wel de essentiële Beckett in huis) (en Hoe het is) (en wat van die losse, dunne boekjes, hoe heten ze allemaal). Maar waar zat ik? Wel, hoe alles opgeofferd wordt aan een totale eigenzinnigheid dat is voorzekers wel beckettiaans (of is het beckettesk?) ja en het is dan ook vandaar dat ik wel meer zou willen lezen van Murnane.

Gerald Murnane De vlakte Recensie001Boek-Bestellen

Muziekliefhebbers spreken wel over een “instapplaat”. Dat is me wat, mensen, zo’n instapplaat. Het is dé plaat die je heeft doen interesseren in een band of artist om vandaaruit kennis te maken met de rest van het oeuvre. Voorwaarde is dan wel dat er een verder oeuvre te ontdekken valt; bands of artisten die het bij een plaat of drie hebben gelaten, kunnen uiteraard geen instapplaat hebben. Homesickness is één van de allerbeste platen ooit gemaakt en o! dat ware een geweldige instapplaat geweest, maarja: You Fantastic! maakte alleen maar die ene vollelengte cd en dan nog twee ep’tjes (waarvan één fantastisch en één ronduit zwak is). De vonk moet ook niet uitdoven vooraleer je het geld of de tijd gehad hebt om je in dat verdere oeuvre te verliezen, zoals mij gebeurde toen ik Golden Sings That Have Been Sung van Ryley Walker hoorde wat ik toen echt een bloedmooie plaat vond. Maar ik hoorde andere liedjes van andere platen en geen enkel liedje leek me aantrekkelijk genoeg om de plaat waar het op stond in aanschaf te doen en toen ik laatst Golden Sings… weer eens draaide, vond ik er eigenlijk niet zoveel meer aan. Een instapplaat kan de debuutplaat zijn maar dat hoeft niet. Al is het meestal wel zo dat het hoogtepunt te vinden is bij het vroege werk. Weinig bands of artisten beginnen pas bij hun tiende plaat interessant te worden. Ten beste weten ze een redelijk geluid te consolideren, en ook daar begint het niet zelden ten lange laatste oninteressant te worden. Zo kan ik me niet meer heugen wanneer het me nog enthousiasmeerde als de nieuwe Swans er was.

Enfin. Ik vraag me af of De Vlakte een handig gekozen instapboek voor het oeuvre van Murnane is. De man schreef al zo’n vijftien boeken, en niet eerder werd er een boek van hem in het Nederlands vertaald. Waarom gekozen voor een boek uit het hele begin van zijn oeuvre, zijn derde boek, een boek dat hij zelf rekent tot een fase die hij inmiddels achter zich gelaten heeft? In de briefwisseling tussen Teju Cole en Gerald Murnane die nota bene achter in dit boek is opgenomen, stelt Murnane dat zijn schrijfstijl zich heeft moeten ontwikkelen in de eerste tien jaar van zijn schrijversbestaan. Daarbij noemt hij De Vlakte zelfs met name: “Hoewel ik trots ben op Tamarisk Row, A Lifetime on Clouds en De Vlakte, kan ik die boeken nooit opnieuw doornemen zonder dat ik er iets in wil verbeteren. Ik denk dat ik, toen ik die boeken schreef, er nog te zeer op gebrand was om de precieze, de meest passende woorden of zinssneden te vinden, alsof bepaalde woorden of woordcombinaties rijker en krachtiger waren dan andere.” (wat misschien het zo cognitieve aspect van dit boek verklaart).

Ook voordat ik Murnanes woorden over De Vlakte had gelezen, proefde dit boek al als niet nog geheel gerijpt. In veel gevallen kan dit tot voordeel strekken. Als ik hierboven zei: bij musici gaat het nogal eens mis als ze volgens critici “hun sound hebben gevonden” want dan begint negen keer op tien het middelmatige, het inwisselbare, het bloedeloze. Ook bij schrijvers kan dit fenomeen op de loer liggen. Jong, onbekend, nog zonder publiek leggen ze een durf en experimenteerdrang aan de dag die in hun latere werk langzaamaan verdwijnt. Maar bij Murnane zou dit –schat ik zo in- nog wel eens andersom kunnen zijn. Misschien is hij wel die schrijver die toen hij jong was nog dacht dat hij / het schrijven aan van alles diende te voldoen, een ballast die hij bij het klimmen der jaren pas overboord wist te gooien? Ik weet het niet want hoewel ik ook zeer veel Engelstalig lees, is dit voor mij ook pas de eerste kennismaking met de Australiër. Ik raad maar zo’n beetje naar de ontwikkeling in Murnanes schriftuur; een raden dat ik doe op grond van het gegeven dat De Vlakte me intrigeerde zonder me helemaal te overtuigen. Ik kan me best voorstellen dat Gerald Murnane in de loop van komende jaren gaat uitgroeien tot één van mijn lievelingsschrijvers. Ik kan me ook voorstellen dat dat voornamelijk zal zijn vanwege elementen die in De Vlakte nog niet of nauwelijks aanwezig zijn. Dat het me over een jaar of vijftien nog zal verbijsteren dat De Vlakte mijn instapboek was.

De vlakte

    • Schrijver: Gerald Murnane (Australië)
    • Soort boek: Australische roman
    • Origineel: The Plains (1982)
    • Nederlandse vertaling: Sander Grasman, Thijs van Nimwegen
    • Uitgever: Signatuur
    • Verschijnt: 11 februari 2020
    • Omvang: 160 pagina’s
    • Uitgave: Paperback / Ebook
    • Recensie van: Tim Donker

Flaptekst van de roman van Gerald Murnane

Speels en dromerig meesterwerk, waarin een man op de Australische vlakte arriveert in de hoop een film te maken over de vreemde cultuur van de bewoners.

Gerald Murnane is tachtig, schreef zo’n vijftien boeken, The New York Times noemde hem “de grootste auteur in het Engelse taalgebied’ en hij lijkt een gedoodverfde Nobelprijswinnaar. Toch hebben veel mensen nog nooit van de Australiër gehoord. Misschien komt dat doordat Murnane in het gehucht Goroke woont, omringd door stapels archieven van zijn eigen schrijfsels. Hij heeft nog nooit in een vliegtuig gezeten, heeft geen tv en geen computer: hij schrijft met één vinger op zijn typemachine. Als hij niet schrijft, staat hij achter de bar van de lokale golfclub.

Zijn roman De vlakte, die in 1982 verscheen, geldt in kleine kring al als een meesterwerk. Nu wordt het hoog tijd dat zijn werk het grote publiek bereikt. Met De vlakte debuteert Murnane op spectaculaire wijze in het Nederlands taalgebied.

In deze roman arriveert een jongeman op de Australische vlakte in de hoop een film te kunnen maken over de vreemde, maar rijke cultuur van haar bewoners. Het resultaat is een minutieuze verkenning van het vlakke Australische binnenland en zijn landeigenaren.

Bijpassende Boeken en Informatie

Lászlo Krasznahorkai – Baron Wenckheim keert terug Recensie

Lászlo Krasznahorkai Baron Wenckheim keert terug recensie van Tim Donker van deze Hongaarse roman.

Lászlo Krasznahorkai Baron Wenckheim keert terug Recensie

En zit ik. En kijk. Uit het raam bijvoorbeeld. En denken (straks de gordijnen sluiten). En denken (dat het Satie was die gezeid haadt dat ervaring een vorm van verlamming is, en niet Kierkegaard zoals ik gister nog de buurman trachtte diets te maken). En denken (aan morgen denken). En denken (aan gisteren denken). En denken (aan groenteman en wat zullen we vanavond eten denken). En denken (is het mogelijk om onbevooroordeeld een boek te lezen?). Denken, en soms denk je dan ineens iets dat je tussen de haakjes vandaan wilt halen, dat je nader wil denken, dat je beter wil denken, dat je geheel momenteelderlijk meer aandacht waard acht dat een korte gedachteflits tussen vele andere.

Is het mogelijk om onbevooroordeeld een boek te lezen? Het is mogelijk dat het mogelijk is, maar het is ook heel goed mogelijk dat het niet mogelijk is. Bijvoorbeeld als je een schrijver kent. En je hem niks vindt, of juist alles. Of je las niets ván de schrijver maar des te meer óver hem. Of je buurman, die onvermijdelijke buurman (maar na uw nakende verhuis gaat hij wel uit uw recensies verdwijnen, let maar op) zei er al eens iets over. En anders heb je altijd dat stomme achterplat nog.

Van László Krasznahorkai las ik een kortverhaal, ooit. In Terras. Dat moet geweest zijn in de dagen dat mijn laatst zeven geworden zoon nog een baby was. Enkele dingen van dat kortverhaal zijn me bijgebleven. Dat het De Laatste Boot heette, bijvoorbeeld. En dat het in de wij-vorm geschreven was. De wij-vorm komt niet heel vaak voor en zo’n veelkoppige (of toch: meerkoppige) hoofdpersoon intrigeert altijd weer vanwege zijn mysterieuze onbepaaldheid. Dat het, dat dat kortverhaal kbedoel, een sfeer van fatalisme in zich droeg, van laatste dagen, van einde of misschien zelfs voorbij daar, voorbij het einde. Dat ik er desondanks een paar keer om moest lachen. De laatste zin. Die herinner ik me ook nog. “Dat daar was Hongarije”. Zo luidde die zin. Ik uitte die zin soms nog wel eens hardop. Gewoon zomaar. Zonder aanleiding. Dan stond ik op zolder, dan zocht ik naar iets dat ik niet vond, en dan zei ik in het licht van een kaal peertje “Dat daar was Hongarije”. Niet omdat het ergens op sloeg, maar omdat me het een zin leek die men af en toe moest uiten.

En óver Krasznahorkai las ik ook. Misschien was dat later, misschien was dat vroeger, ik nie weet nie, en wat maakt het uit ommers, wie keek er op zijn almanack, wie nam nota? In nY las ik iets over hem dat me denkend zette. Het ging over Satanstango. Het zette me denkend. Dat ik Satanstango eens moest gaan lezen gaan, was wat ik dacht. Ik weet niet meer waarom ik dat dacht, hoe het schrijven was dat ik dacht dat ik dat moest gaan lezen gaan. Ik heb het uiteindelijk nooit gelezen. Zo gaat dat met gedachten. Die komen op, en die gaan weer weg en vaker wel dan niet blijven ze zonder gevolg.

Ook Baron Wenckheim keert terug heeft een achterplat. Dat las ik. Ik las: “In een kleine Hongaarse stad verspreidt zich het gerucht dat Béla Wenckheim, een rijke aristocraat, uit Argentinië terugkeert. Steeds meer mensen rekenen erop dat hij veel geld meebrengt, waardoor de stad weer tot bloei zal komen. Hij wordt dan ook feestelijk onthaald. Maar als de baron door een reeks tragikomische misverstanden onverwacht overlijdt, komt de gedesillusioneerde bevolking in opstand. Er breekt een enorme brand uit in de stad. De enige overlevende is een idioot die uit het gesticht is weggelopen en boven op de watertoren een liedje zit te zingen.”

En ik dacht Dat daar was Hongarije.

En ik dacht, door achterplat, door nY, door kortverhaal maar ook door de niet misse dikte van het boek (496 bladzijden) dat ik een boek ging lezen over een baron, over geld, over ondergang, een boek dat ongetwijfeld zou gaan over veel meer dan waar het over ging: een boek over verdoemenis & einde & wereldbrand & dood; een Grote Europese Roman misschien wel – met ongetwijfeld een of andere boodschap van politieke aard.

Dus nee. Zelfs int geval van een schrijver die ik maar nauwelijks ken. Nee. Het is niet mogelijk onbevooroordeeld een boek te gaan lezen. Maar ik las. En in eerste ging het helemaal niet over een baron, maar over een dirigent. Een niet al te aardige dirigent. Maar goed, het was een vooraf, een “waarschuwing” nog voor de roman begon, dus ik las door, en kwam zo als vanzelf bij iets dat misschien wel het eerste hoofdstuk was. En nog ging het niet over een baron. Nu ging het over een Professor, die zich had teruggetrokken in een provisorische hut in het bos. Hij verschanste zich daar tegen zijn dochter (waar hij nooit naar om had gekeken, of van wier bestaan hij misschien niet eens wist, het werd me niet zo op één twee drie duidelijk) en tegen de pers en tegen allerlei gedoe dat daar buiten gaande was en ik dacht dat mijn sympathie misschien op de hand van die Professor moest zijn maar ik wist het nog niet zo net.

Misschien. Volgende boekdeel (RAM), volgende hoofdstuk (Bleek, veel te bleek), ergens een station, en een elegant geklede heer: HA!, gaat het nu dan toch over een baron gaan?

Wel. Eigenlijk gaat Baron Wenckheim keert terug in zijn geheel niet over baron Wenckheim, of diens terugkeer. Wenckheim heeft er zelfs een vrij minieme rol in. Er is in het eerste deel van het boek inderdaad sprake van een baron Wenckheim die terug zou keren naar dat kleine Hongaarse stadje en voorspoed en welvaart met zich mee zou brengen. Maar meer dan over de feitelijke terugkeer van de feitelijke baron gaat het om alle verwachtingen, alle rumoer, alle geruchten, alle vooronderstellingen, alle gepraat daaromheen. Het eerste deel zou je dierhalve kunnen kenschetsen als een sociaal-politieke versie van Wachten op Godot. Maar ik moest ook herhaaldelijk denken aan De verlossing van Robert Pinget. En omdat het boek niet werkelijk een persoon als hoofdpersoon heeft, maar veeleer een stad of een volk: ge moogt gerust ook John Dos Passos in gedachten nemen. Al vind ik dat Krasznahorkai wel zijn hoed mag afnemen voor Dos Passos maar dat ben ik maar; ik vind dat bijna iedereen zijn hoed moet afnemen voor John Dos Passos.

Maar je kunt verder gaan. Baron Wenckheim keer terug zit propvol, propvol dingen die eigenlijk voornamelijk níet gebeuren. Een ongebeuren dat door het door zichzelf opgehitste volk continu tot gebeuren wordt gemaakt. Een tirannenroman waarin nu eens het volk zelve zijn eigen tiran is? Waarom niet. Ik probeer er nog één: een parodie op het nieuwe testament. Of misschien wel een aanval op elk geloof als zodanig. De menselijke nood aan een Messias, aan een goeroe, aan een held, aan een god. In ieder geval een onuitputtelijk boek. Dat uitput, maar daarover later meer.

De meest eigenlijke gebeurtenis in het boek krijgt het minste aandacht. De baron gaat dood & daarmee verpest ik niks voor mensen die nog gaan lezen gaan want dit staat gewoon te lees op het achterplat. Na de dood van het baron verandert de sfeer van het boek. Van een hoopreligie in een ondergangsreligie, of: van het eerste testament in het Boek der Openbaringen. Ineens gebeuren er dingen, gebeuren er werkelijk dingen: weg zijn de verwachtingen, de vermoedens, het praten over. In plaats daarvan een onophoudelijke reeks plagen en rampen van bijbelse –en soms absurde- proporties. Dit tweede deel vond ik minder sterk. In het suggereren van gebeurtenissen is Krasnahorkai beduidend sterker dan in het werkelijk laten gebeuren van gebeurtenissen. Hoewel ik in het eerste deel ook af en toe moest lachen, of bijna lachen, blijft een verstikkend, vervreemdend, dreigend sfeertje overeind dat het boek zijn kracht meegeeft. In het tweede deel zijn sommige van de plagen die de bevolking overvallen zo absurd dat ik er gelijk een Evil Dead-achtige horrorfilm alleen maar mee lachen kon (zonder nog iets van verstikking, keelsnoering of ontzetting te voelen). Andere scénes hadden dan weer niet misstaan in een boek van Stephen King en zoiets kan nauwelijks als compliment gelden. Het eind doet het boek naar mijn smaak te weinig recht.

Is wat ik dacht, wat ik al lezende dacht, maar dan weer werd ik teruggeworpen op mijn eigen gedacht en vroeg ik me af of ik niet al te vroegtijdig al die dingen had gedacht. Aan het einde van het boek primeert dan ook de vraag wat de ef ik hier nu eigenlijk heb zitten lezen. De Grote Europese Roman? De Grote Hongaarse Roman? De Grote Hongaarse Anti-Roman? Of: De Grote Anti-Hongaarse Roman? (in het tweede deel circuleert een geschrift waarin het Hongaarse volk ongenadig gehekeld wordt). Iets groots alleszins. Iets Dos Passos-achtigs.

Ja ja ja ja Dos Passos, daar is hij weer. Lezende van de baron, en van een gemeenschap en een volk dat het Hongaarse is (dat daar was Hongarije) bekroop me meer en meer het gevoel dat dit boek maar één bouwsteen van een veel groter geheel is – zo lang na de USA-trilogie nu dan eindelijk een waardig Europees antwoord in de vorm van een cyclus die over Hongarije of Europa of voor mijn part de hele wereld zal blijken te gaan. En later, toen het nacht was en ik moe, las ik ergens op dat onmetelijke grote Internet iets dat dat vermoeden bevestigde – Baron Wenckheim keert terug en Satanstango en De melancholie van het verzet en een vooralsnog niet in het Nederlands vertaald werk zouden samen één geheel vormen. Maar dat was laat en ik was moe en later, later nog, kon ik niet goed meer terugvinden waar ik dat gelezen had en begon ik denken dat ik het misschien maar gedroomd had (want ja zo maf droom ik wel, of zo saai zo je wilt).

Of misschien iets dat het lezen zelve ondergraven wil: vanaf het moment dat baron Wenckheim daadwerkelijk terug is, verandert de toon: de dreiging, het gefluister, de ophitserijen zijn weg, de dodelijke ernst van een volk dat zichzelf onomkeerbaar toestuwt naar een totale ondergang maakt plaats voor een idiote reeks voorvalletjes, sitcom-achtige misverstanden, zotterniën en bijna slapstick-achtige situaties; Krasznahorkai trekt in één ruk de angel uit de zorgvuldig opgebouwde ernst – alsof hij de lange neus wil trekken naar de serieusheid waarmee de lezer het werk tot dan toe dacht te moeten betrachten (zegt Zappa (tegen Ivo Nihil dan nog) (God betere het): “I think seriousness itself is something to be laughed at.”). En dan komt die totale ondergang tóch. Alsnog. Dachten we net dat het allemaal toch alleen maar was om mee te lachen, stort de hele klerezooi des te harder voor onze ogen in elkaar. Ja, des te harder ik zeg want de totale ondergang is wel een beetje overdreven in zijn totaliteit: zo potsierlijk, zo bijbels, een straf vanuit Den Hogen, geheel losstaand als het is van ieder menselijk handen. De straffen Gods zijn altijd al overdreven geweest, en onbegrijpelijk dus de idee dat het het volk zelve was dat zich lemmingen gelijk in de afgrond aan het storten was, kan hierbij het raam uit. Het niet-gebeuren leek mij in het eerste deel zo belangrijk; een niet-gebeuren dat zich door verwachtingen, aannames, vooroordelen, gepraat en geroddel tot gebeuren bracht maar dan wel een ander gebeuren dan in eerste instantie voorzien. Zoals door wereldomvattend, even hysterisch als ignorant beleid in deze tot “corana crisis” gebombardeerde tijden eveneens een niet-gebeuren tot een catastrofaal gebeuren wordt gebracht, zij het dat nu angst de motor is en niet hoop zoals in Baron Wenckheim keert terug. De plagen uit het laatste deel staan echter zodanig los van alles wat daaraan vooraf ging dat mijn begrip van dit boek als gaand over een volk dat zichzelf “doodzevert” wel een verkeerd begrip moet zijn (zegt Stevie Wonder: “Some people like to understand you a little bit too damn quickly.”).

Maar het lijkt onwaarschijnlijk dat Krasznahorkai dít boek geschreven zou hebben, als hij alleen maar wilde spelen met de verwachtingen, de interpretaties en het begrip van de lezer; het lijkt ook onwaarschijnlijk dat het hier om louter vingeroefeningen gaat (es kijken of ik net zo goed humoristisch als ernstig schrijven kan!), al treft men in dit boek menig een register aan: filmisch, filosofie, psychologische thriller, drama, vervreemding, absurdisme, eurocrime, dandyïsme, decadentisme, sociaal commentaar, politiek pamflet, een gemankeerde liefdesgeschiedenis. Deze en nog vele andere lezingen van dit boek zijn verdedigbaar en toch is dit geen literaire spierballerij van een schrijver die koste wat het kost zijn kunnen wil tonen en daarom het schier onverenigbare aan elkaar aan het schrijven is. Nee. Het is duidelijk. Baron Wenckheim keert terug moet Iets zijn. En Iets is nooit “zomaar wat”.

Hoe Ietserig dit voor me staat, komt –toegegeven- gedeeltelijk voort uit het feit dat ik dus niet onbevooroordeeld aan Baron Wenckheim keert terug heb kunnen beginnen. Het kortverhaal dat ik las, het stuk in nY en het achterplat – het zei me allemaal: Krasznahorkai is een Groot Schrijver (en Grote Schrijvers zwetsen niet). Maar de idee dat deze 496 pagina’s meer willen zijn dan vrijblijvend vermaak of een intellectualistisch spelletje met de Geoefende Lezer, dank ik toch voornamelijk aan Krasznahorkais schrijfstijl. Deze man vraagt veel van zijn lezers. Nee. Hij eist. Baron Wenckheim keert terug bestaat uit lange, meanderende zinnen die zich veelal herhalen en hernemen, zinnen die drie stappen voorwaarts zetten en dan weer twee terug, zodat aan het begin van de zin niet te voorzien is hoe die –bladzijden verder- zal eindigen. De vele komma’s die men hierbij onderweg tegen komt deden mij aan Claude Simon denken, de merkwaardige, enigszins brokkelige zinsbouw aan De Kalkfabriek van Thomas Bernhard (van een ander meesterwerkje gesproken!). Doorgaans wisselt de focalisator per paragraaf en uiteraard maakt de nieuwe spreker zich niet direct kenbaar zodat de lezer nogal eens ettelijke regels nodig heeft voor hij weet wie er nu weer aan het woord is. Alsof dit een boek is waar je steeds weer opnieuw in moet beginnen; steeds weer opnieuw “even in moet komen” was een aantekening die ik een keer op een voddig kladje schreef. De paragrafen die worden gezien door de ogen van De Professor willen dan ook nog wel eens filosofisch zijn; vrij hard filosofisch eigenlijk. Ik ga niet zeggen dat je filosofie gestudeerd moet hebben om deze passages te begrijpen maar enige affiniteit met dit vakgebied is zeker niet onontbeerlijk. Krasznahorkai vult zijn zinnen paginabreed uit, er wordt weinig gedialogiceerd, er zijn geen witregels, slechts af en toe een inspringing, dus het gaat hier om honderden pagina’s aan massieve tekstblokken; papierverspilling kan men deze schrijver niet verwijten. Eenmaal begonnen aan een paragraaf zit de lezer “vast”, net als, eertijds, bij Eden eden eden van Pierre Guyotat (en ook daar maakten we de ontmenselijking van een volk van nabij mee) (ow, zou Krasznahorkai Guyotat gelezen hebben, peinst gij?).

Waarmee maar gezegd wil zijn: Baron Wenckheim keert terug is geen boek voor tussendoor. Het paste ook niet echt goed in mijn leesgewoonten. Ik heb slechts zeer zelden de luxe een uur of langer aan één stuk te kunnen lezen. In de tien minuten die na het schrijven en de huishoudelijke taken nog wel eens over willen zijn vooraleer ik de kinderen uit school moet gaan halen, greep ik, het zal u niet verbazen, meestal niet naar dit boek. Ook is het geen wcliteratuur en voor het bad – om een andere favoriete leesplek van me te noemen – was het eveneens een weinig te zwaar, zowel in letterlijke als in figuurlijke zin. Op het soort avonden dat iedereen vroeg genoeg in bed lag om mij nog enige uren te vergunnen tot mijn eigen uiterste bedtijd, bleek ik vaak te moe – of in ieder geval toch, te moe voor dít boek. Hoewel ik Baron Wenckheim keert terug grosso modo een fantastisch boek vond, moest ik iedere keer iets overwinnen om er in verder te lezen. Greep ik op het laatste moment toch liever naar iets lichters. Mwah. Ik weet niet. Markies De Sade ofzo, of De moeilijke dood, of Deleuze, of de bijbel – o haast alles leek me steeds weer verteerbaarder om mijn zuurverwonnen leesminuutjes mee op te vullen dan Baron Wenckheim (ik heb dan ook ruim een half jaar over dit boek gedaan, mensen). Dit is het hem nu juist: Krasznahorkai wil geen minuutjes van je. Hij wil je niet op een bankje op het plein onder het flauwe mom dat je dan de kinderen een beetje in de gaten kunt houden. Hij neemt geen genoegen met een portje in de zetel terwijl je gedachten steeds maar blijven uitgaan naar die dikke envelop die vandaag binnenkwam en wat daar in zou zitten. Krasznahorkai vraagt – nee: eist- meer. Veel meer.

Lászlo Krasznahorkai Baron Wenckheim keert terug Recensie

Zegt Rokus Hofstede: “Ik val in deze gedichten als een steen in de vijver.” (geen idee meer waar hij dat zei of over welke gedichten; ik weet alleen nog maar dat ik het hem niet echt navoelde). Wel. Voorwaar. Ik zeg u. Gij zijt de steen. En de baron is de vijver. Maar gij zijt het niet, die in de vijver valt: de vijver valt over u. Telkenmale ge dit boek opendoet stort heel die vijver over u heen. En ge hebt maar te zwemmen.

En om godswil: zwem! Laat u meevoeren. Drijf, vloei, dobber, bulder en verzuip. Golf mee op de cadans van deez hier woorden. Doe het, en doe het goed. En de hallucinante schrijfstijl van Krasznahorkai brengt u in de fabelhafste der trances. Geef de woorden de toewijding die ze verdienen en u zal loskomen van de aarde. Toewijding geven – dat had de eindredacteur beter ook gedaan. Missers als “de echte, die kan allen tante Ibolyka maken” of “de deelnemers […] waren verbluf” horen natuurlijk in geen enkel boek thuis maar hier breekt het – geheel momenteelderlijk weliswaar, maar toch – de trance. En tussendoor ontwaken wil je niet als je je er eindelijk aan overgegeven hebt.

Ook het einde van het boek, het zal u inmiddels niet meer verbazen, vond ik een snuif minder trancewaardig. De gezichtspunten wisselen sneller, er gebeurt teveel, het gebeuren is te grotesk, een enkele passage had zelfs niet misstaan in één van de 100 000 boeken van Stephen King (stephen king stephen king, noemde ik hem al eerder? het voelt alsof ik hem al eerder noemde maar ik heb geen zin om terug te scrollen). Doch misschien zal binnen één of ander Groter Geheel dat nu wat teleurstellende eind zin en betekenis krijgen. En sowieso biedt dit boek al zoveel dat het niet al eens teleurstellend zou mogen zijn: filosofie, trance, hypnose, dreiging, tragiek, duisternis, humor en uitgepuurde schoonheid a la: “waar hij naar links keek, in de richting van Békéscsaba, tevens de richting van de wereld, want die kant op was de wereld, in de ogen van de bewoners van de stad bevond zich de wereld van de onuitputtelijke mogelijkheden links van het stationsgebouw”; zelden las ik een mooiere typering van de grootsheid van het kleinstedelijke denken!

Natuurlijk. Misschien moet je niet onbesuisd beginnen aan Baron Wenckheim keert terug. Misschien moet je een Plan hebben. Ga naar ergens een eiland ofzo. Of een klooster, of een verlaten kasteel. Zorg dat er voedsel is, en drank. En misschien wat muziek ofzo. Maar verder niks. En dan na. En later. Een ander mens zullen zijn. Moest blijken dat het waar is van die cyclus en je wilt het geheel ineens lezen, omdat dat meer gaat zijn dan de som der delen; en elk boek zou geschreven zijn in deze stijl – dan zit je natuurlijk wel minimaal een jaartje of langer vast op dat eiland of in de klooster of kasteel. Maar dit is waar het de literatuur menens is, en daar moet je iets veil voor hebben.

Recensie van Tim Donker

Baron Wenckheim keert terug

  • Schrijver: Lászlo Krasznahorkai (Hongarije)
  • Soort boek: Hongaarse roman
  • Origineel: Báró Wenckheim hazatér (2016)
  • Nederlandse vertaling: Mari Alföldy
  • Uitgever: Wereldbibliotheek
  • Verschenen: 3 september 2019
  • Omvang: 496 pagina’s
  • Uitgave: Paperback / Ebook

Bijpassende boeken en informatie

B. Zwaal – Zeesnede Gedichten 1984-2019

B. Zwaal Zeesnede Gedichten 1984-2019 recensie en informatie over de bundel met verzamelde poëzie. In februari 2019 verscheen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek de bundel met de verzamelde gedichten van B. Zwaal. Op deze pagina kun je de uitgebreide recensie van Tim Donker lezen.

B. Zwaal Zeesnede Gedichten Recensie en Informatie

recensie van Tim Donker

Wat doet u als u in een dichtbundel het laatste gedicht hebt gelezen? U klapt het boek met een plofje dicht en roept UIT, want dat moet altijd geroepen worden als het uit is. Een tijdje staat u recht in plechtige pose, en het licht blijft maar op u vallen. U overweegt een tweede kopje koffie te nemen (of een vijfde of een zesde, ik weet niet hoe ver u bij dan al bent). Om even een loopje te hebben gaat u naar boven, naar de slaapkamers. U trekt de dekens recht. U gaat weer naar beneden. Om nogmaals even een loopje te hebben gooit u een nog niet eens halfvolle vuilniszak weg. U wast uw ramen terwijl u luidkeels Someday we’ll linger in the sun van Gaelynn Lea zingt (& niet voor het eerst vraagt u zich af of zij misschien mogelijkerwijs bij enige kans wellicht familie van Jim Lea is). U treft al wat voorbereidingen voor het avond eten want dat is het vanavond gemakkelijker. U geeft de planten water. U zit neder op een traptrede en u denkt aan vroeger, en hoe de dingen toen waren. U overweegt een bad te nemen want waarom zou u niet, midden op de dag, een bad nemen? U maakt een middelgroot kasteeltje van alle blikjes tomatenpuree in uw voorraadkast, en u staart naar dat kasteeltje, en u denkt Waarom koop ik toch altijd zoveel tomatenpuree ik hou niet eens van tomatenpuree. U overweegt een fles wijn te openen want waarom zou u niet, midden op de dag, een fles wijn openen? U gaat uw tanden poetsen want van al die koffie heeft u een vervelende smaak in uw mond gekregen. U opent uw voordeur en staart een tijdje met uw beste werd-er-geklopt?-gezicht de lege straat in. U lost een puzzel in de ochtendkrant op. U bakt een omeletje en langer dan u lief is staat u te peinzen wat ook alweer de naam is van het eiland waaraan de vorm van uw omelet u doet denken. U schilt een appel, u pelt een banaan. U gaat op uw rug op de zoldervloer liggen en kijkt langdurig naar een spinnenweb in de linkerbovenhoek. U tekent een groot vierkant op een wit vel, en dat vierkant verdeelt u onder in zestien kleinere vierkantjes en al die vierkantjes weer in zestien nóg kleinere vierkantjes. U laat uw telefoon oplichten, wacht tot het scherm weer dooft, laat het dan nog eens oplichten om andermaal te wachten tot het scherm weer dooft. U overweegt een online cursus gitaarspelen te volgen want waarom zou u niet, midden op de dag, een online cursus gitaarspelen volgen? U kraakt zeventien walnoten zonder enige intentie ze op te eten. U verft alle deurknoppen in uw huis lichtgroen. Of weet ik veel wat u doet. Maar één ding doet u zeker en vast niet: direct na de vorige dichtbundel nóg een dichtbundel van dezelfde dichter lezen. En toch komt Wereldbibliotheek hier af met twaalf dichtbundels in één band. En allemaal van dezelfde dichter ja. Allemaal van Zwaal. B. Zwaal. Hier verzameld: de elf dichtbundels die Zwaal tot nog toe schreef, plus één nieuwe. Heel Amerikaans; een soort “new and collected poems”. En zoals bij alles dat heel Amerikaans is, vraag je je af Is het niet wat veel? Vijfhonderdendrieëntwintig bladzijden B. Zwaal, is dat niet wat veel, Wereldbibliotheek? Of laat ik de vraag herformuleren: u had die ene nieuwe, averij grosse, ook zelfstandig kunnen uitgeven. Waarom heeft u ervoor gekozen om het hele voorafgaande oeuvre te hernemen en mee uit te geven met die ene nieuwe? Welke meerwaarde moet ik als lezer daarin vinden?

Meerdere meerwaarden misschien.

Allereerst: zouden er überhaupt mensen bestaan die Zwaal al compleet hadden? Behalve Zwaal zelve misschien, en zijn moeder, en zijn beste vrienden. Die kans lijkt me vrij gering. Verrassend veel mensen blijken zelfs nog nooit van Zwaal gehoord te hebben als ik over hem begin. Ook belezen mensen. Ook poëziekopers. Ik ken Zwaal nu al wat jaartjes en ik ga hier niet beweren dat ik zijn naam al in honderden gezelschappen heb laten vallen. Maar als ik met iemand praat over literatuur in het algemeen en poëzie in het bijzonder, kan het maar zo zijn dat Zwaal weer even langs komt fietsen. Nee, ik ben geen fan. Ik ben een aandachtige. Zwaal wist altijd weer hoe hij mijn aandacht trekken moest. Maar zelfs ik. Ik ben de enige die ik ken die van Zwaal gehoord heeft. En zelfs ik. Bezat voor zeesnede niet één (1). Dichtbundel van. B. Zwaal.

Ik ken hem van toevallige ontmoetingen. In Terras, in DW&B geloof ik maar vooral in Raster. Al verscheen hij maar drie keer in Raster (in nummer 14, in nummer 26 en in nummer 119), toch associëer ik Zwaal eerst en vooral met Raster. Misschien vanwege dat nummer 119? Met Gedicht / Geen gedicht was dat weeral één van de meer onvergetelijke nummertjes. Het is zelfs goed mogelijk dat het de eerste Raster was die ik ooit kocht, en dan gewoon nieuw, in een heel gewone boekhandel bij de heel gewone literaire tijdschriften. Als zo, dan is dat het nummer geweest dat mijn rasterverzamelwoede heeft aangejaagd. (ooit wilde ik het compleet hebben, alle 125 nummers, maar toen ik bemerkte dat ik inmiddels ook heel veel dodelijke saaie Raster bezat, Rasters die ik in geen honderd jaar ooit lezen ging, bekoelde mijn ijver een weinig). Over welk jaar spreken we dan? 2007? Dertien jaar geleden? Kan dat? Ja, dat kan wel zo ongeveer.

(de meeste andere Rasters schafte ik uiteraard noodgedwongen aniquarisch aan).

Dat het dus wel kan kloppen dat ik Zwaal al dertien jaar met me meedraag. Er moet een tijd geweest zijn dat ik actief zocht naar bundels van zijn hand. Dat was in het ooit. Dat was in het toen. Toen De Slegte nog bestond, bijvoorbeeld. Of tweedehands boekwinkels tout court. Want mensen lazen nog echte boeken. Van papier enzo. Mensen kwamen hun huizen nog eens uit om naar ergens een elders te gaan. Een stad waar je nog nooit geweest was. Het was nog mogelijk om onverhoeds, in één of ander zijstraatje, te stuiten op een tweedehands boekwinkel. O hoe heerlijk was dat. Mijn hart klopte sneller, mijn bloed stroomde sneller. Gauw naar binnen en de geur die er dan hing. Ik bedoel dan met name die hele piepkleine winkeltjes. Weten jullie die winkeltjes nog? Overal boeken, ook op de grond. Je kon zien dat er ooit nog wel een bepaalde orde was geweest, want in een bepaalde hoek was de concentratie filosofie iets hoger en in een bepaalde andere hoek de concentratie boeken in andere talen. Maar er waren simpelweg teveel boeken gekomen, en wat ooit orde was, was bedolven onder lagen en lagen aan nieuwe aanwas en de winkeleigenaar had de orde meer en meer los gelaten. Dan kon je in een hoek waar je het niet verwachtte iets vinden dat daar niet thuis hoorde. In zo’n soort winkeltje schafte ik me ooit Marx’ Het Kapitaal aan. Gewoon omdat het ergens heel verloren lag te liggen en ik dat mooi vond. Als je iets gevonden had moest je de eigenaar, meestal een man van boven de 45, zien te vinden onder een boekenberg. Je groef hem uit, je rekende je vondst af. Soms kwam het tot een klein gesprekje. Enthousiaste kreten over gedeelde voorliefdes. Maar het was eigenlijk nog mooier als de winkeleigenaar het bij wat onverstaanbaar gebrom liet. Dat soort winkeltjes bedoel ik. En die tijd bedoel ik. Dat was een mooie tijd, toch mensen? In die tijd moet ik nog wel gezocht hebben naar Zwaal. Maar ik vond hem niet. Uiteindelijk besloot ik het bij toevallige ontmoetingen te laten.

Want dat soort dichter is Zwaal wel. Er is iets aan zijn poëzie dat ongrijpbaar is, dat je nooit echt helemaal leert kennen. Iets van passerende schepen in de nacht, u weet wel (o wacht maar, straks worden we pas echt nautisch). De zon op een glasscherf, een gedaante in de mist. Later vraag je je af of het wel was wat je dacht dat het was. Kon het ook niet een droom geweest zijn. Gedichten als flarden van eertijds; alsof je het niet echt leest maar je een gedicht probeert te herinneren dat je ooit eens gelezen hebt in een literair blad dat je in de trein hebt laten liggen. Misschien moet je zulke poëzie niet willen vatten in een dichtbundel (laat staan een bundelbundeling, maar daar kom ik later wel over te spreken). Zoals sommige jazzmusici niet op vinyl “bevroren” wilden worden omdat dat inging tegen alles waar hun muziek voor stond.

De wind heeft me een lied verteld. Ik zweet nooit

Zwaal kan spreken. Klein kan hij spreken. Meer dan vier woorden hoeft een gedicht bij Zwaal niet per se te hebben:

wrik de rivier
op

kan al een gedicht zijn, is al een gedicht bij Zwaal. Maar pas op, bij hem is de kleinte groot:

hurkend op lijf
schortend
de hemel in

Wordt hier een scéne uit een pornofilm beschreven, of de juiste houding voor het ochtendgebed? Dit kan gaan over de intimiteit van het luierverschonen bij je baby of de extaze van een prachtig blommekee te zien toen je knielde om je veter te strikken. Maar dit kunnen ook gewoon afgevallen woorden zijn, en louter toeval noopt tot betekenis (of niet – samenhang is in het oog van de lezer).

Het zegt wat het zegt, of zegt het meer? Al zijn gedichten zijn hier bijeen gedreven (of niet alle: sommige vielen doorheen kieren dus dit is ergens tussen Theo Verhaars Alle gedichten en het Iets van dat alles van Jan Elburg. misschien is dit wel een “alles van dat iets”) waardoor zin ook in samenhang gaat ontstaan. Hoewel Zwaal ook enkele fors lange gedichten op zijn naam heeft gezet (en ja, ook daarover kom ik nog te spreken, later, mensen, alles later, later), is het gros van zijn gedichten toch aan de korte kant. Zwaal is geen Pier Paolo Pasolini, ik noem hem maar omdat ik het lezen van zijn gedichten als een opgave beschouw. Niet per se een nare opgave maar een opgave niettemin. De vorm maakt dat je gemakkelijk doorleest en omdat Zwaal zijn gedichten nooit van een titel voorziet en steevast hoog in de linkerbovenhoek laat beginnen, kan een mens nog wel eens op het vermetele idee komen om zijn gedichten te lezen als fragmenten van één en hetzelfde boeklange poëem. En nu dan de bundels ook nog eens gebundeld zijn – hohum. Moeten we dan zijn gehele oeuvre misschien maar zien als één gigantisch gedicht? De beelden, vorm, klankkleur, toon, taal, sfeer en thematiek zijn bij Zwaal in die 35 jaar alvast niet immens veranderd. De draad wordt misschien steeds een eindje verder opgepakt maar het blijft om dezelfde draad gaan.

B. Zwaal Zeesnede Gedichten Recensie

Is dat het antwoord op mijn waarom? Waarom toch deze bundelbundeling? De gedichten zijn veelal klein, ik zei al, maar de kleinte is groot. Zei ik ook al. En al zei ik ook dat zijn poëzie wat vorm betreft gemakkelijk lijkt weg te lezen, schijnt Zwaal me toch niet erg geschikt voor snellezerij. Waar de bundelbundeling juist maakt dat je allicht langer door blijft lezen dan je misschien zou moeten doen. Goed, zelf ben ik al meteen in het nadeel. Ik ben, hoe heet dat? Recensent? Criticus? Hou het op “bespreker”. Benijd mij niet. Volledig ontspannen een boek lezen is iets dat ik verleerd heb. Ik lees een boek steeds om er iets van te vinden en om woorden te zoeken voor wat ik ervan vind. Zelfs mijn private lezen –het lezen zonder het oogmerk het boek te zullen bespreken- is nooit zonder bijgedachten. Misschien wel juist als ik een boek niet ga bespreken, vraag ik me af hoe ik het zou bespreken. Hoe zou ik erover schrijven naar een vriendin, wat zou ik erover vertellen als ik mijn buurman tegen kwam op straat en we geraakten aan de praat over literatuur (wat tussen mijn buurman en mij niet zelden het geval is). En al ben ik niet het soort bespreker dat er eer in stelt sneller te kunnen bespreken dan zijn schaduw – ik wil ook weer niet een decennium na de verschijningsdatum van het boek met mijn bespreking op de proppen komen. Zodoende smolten de bladzijden van zeesnede toch net iets rapper onder mijn vingers weg dan ik graag gezien had. Dan lees ik, op bladzijde 31, ik ben dan nog niet eens overdreven ver in fiere miniature, Zwaals eerste bundel, het volgende gedicht:

de tafel
jaagt ons aaneen
dwingt ons tot
blijvende dingen
schop ik zijn poten om
trap ik op jouw liefste teen
blauwe mathilde

en dan stopt het paginasmelten, dan vries ik zoals Amerikaanse filmpolitiemensen dat bedoelen: de stilstand die compleet is (niet de kou, want het warmt juist mijn hart). Groots niet, de dingen die we aan tafels doen. Samen eten, samen klinken, samen bidden voor mijn part maar ook het solitaire schrijven (wie schrijft die bl…) en ha! we schrijven omdat er tafels zijn en niet andersom. Heel dat maffe en kleine en grote ook van dat schoppen en die poten en die teen die uiteraard de liefste is (en geheel momenteelderlijk denk ik aan Femkes liefste oortje) en god wie zou die blauwe mathilde eigenlijk zijn? (& kom me nu niet aan met dat dit verwijst naar een of ander wereldberoemd schilderij ofzo want in dat geval wil ik het niet weten). En weder denk ik dan dit gaat niet, dit kan niet, Zwaals poëzie weerstreeft de snellezing, ik moet over alleen al dit tafelgedicht nog wekenlang mijmeren gaan. Denk ik. Denk ik weder. En denk ik wederopnieuw bij een lang, echt lang gedicht (drie pagina’s – volgens mij het allerlangste gedicht dat Zwaal ooit schreef) over een vrouw en een vlieg in een kamer. En niet alleen gaat het gedicht bladzijden lang door, ook de zinnen in het gedicht zijn lang. Ze rollen bijkans van de pagina af. Je zou nog op je tong moeten bijten om er niet de afgesleten term “prozagedicht” voor te gebruiken. En eigenlijk gebeurt er niet zoveel: het zijn maar die drie elementen: de vrouw, de vlieg, de kamer. Niettemin zit het vol spanning, bizarre absurdheden, huiver, schoonheid, ontroering, een zweem erotiek zelfs; een maf, hypnotiserend, ontregelend, fantastisch prachtgedicht. (ik ga er niet eens aan beginnen om het gedicht na te vertellen of er stukken uit te citeren, je moet het zelf maar lezen) (nee, echt je moet het lezen) (lees het) (nu!) (awkee, de eindzin mag je van me hebben want die is na de zeker voor Zwaals doen astronomische lengte van het gedicht fenomenaal: “daar blijft het bij”). Dus dan weeral die gedachte “Nee dit is niet gemaakt om het zo gauw mogelijk uit te hebben. Dit is om te blijven. In de roes. Dit is om in de roes te blijven.”

Maar aan gene zijde van de roes valt het me op dat er tussen het gedicht over de vrouw en de vlieg en de kamer en het hogergeciteerde tafelgedicht ruim zeventig pagina’s zitten. Zeventig pagina’s zijn vergaan, redelijk onopgemerkt vergaan ook nog eens, sinds de vorige keer dat ik dacht dat dit niet gemaakt was om snel te lezen. En het is maar de dag na de vorige dag, dus klaarblijkelijk heb ik me toch niet gans en geheel aan de traagte die je Zwaal had toebedacht weten over te geven. Op de bladzijde naast het gedicht over de vrouw en de vlieg en de kamer begon loofhut morelle. Dat is Zwaals derde bundel. Dat wil zeggen dat ik in iets meer dan 24 uur toch drie bundels van één en de zelfde dichter had zitten uitlezen. Nu kan ik als verzachtende omstandigheid aanvoeren dat ik op vakantie was. Dat kon toen nog, een mens kon in die dagen nog gaan en staan waar hij wilde. Zelfs naar andere landen kon je reizen. Dat had ik niet gedaan, ik was in mijn eigen land gewoon eindsweegs oostwaarts gereden. Ik denk dat het december geweest moet zijn. Ja, ik zei toch al dat ik niet ’s werelds rapste bespreker ben. De mensen gingen toen nog eens ergens heen. Vakantie, ik zeg. Of. Naja, eigenlijk gewoon een midweek in ergens een kot. Maar als ge peinst dat ik ginderdaar uren achtereen op de sofa heb zitten lezen, peinst ge ernaast. Mijn zoon is zes, mijn dochter was toen nog vier. Er was een zwembad en er was een airhockeytafel die met name mijn zoon en mij erg beviel. Ik overdrijf niet als ik zeg dat mijn leestijd in dat vakantiekot daar feitelijk schaarser was dan op de schooldagen van mijn kinderen. Want ook dat gebeurde in die tijd gewoon nog: alle dagen naar school gaan. Niet de hele wereld bleef angstig binnen zitten omdat Lubach had gezeid dat we allemaal te moord zouden stikken als ook maar iemand het in zijn bolle hoofd kreeg een ander als nabij als 1,4 meter te naderen.

Is dit dan het waarom van zeesnede? Zegt het dwars tegenin mij en mijn ingewandgevoel, dwars tegenin ook wat Jan Kuijper in zijn nawoord bij deze bundelbundeling zegt, dat we de poëzie van Zwaal juist wél snel moeten lezen? Ik denk: Lees. Zwaal. Als. Een. Razende. Lees alles lees het nu. Lees al die bundels gelijktijdig en zie de tekens ontstaan. Zoiets, Wereldbibliotheek? Misschien niet zozeer het oeuvrebrede poëem waar ik reeds op alludeerde, maar wel een conceptuele continuïteit die zich eerst pas openbaart aan degene die leest, en leest, en leest. En blijft lezen. Een paar constanten. Zegt Marc Kregting: “Zwaal maakt de meest erotische Nederlandse poëzie van dit ogenblik.” Erotiek is zeker aanwezig in de gedichten van Zwaal. Soms direct, soms indirect. Daar waar het abstractieniveau toeneemt, is de erotiek misschien vooral in het brein van de lezer. E = mc² is ook erotiek. Niettemin is ook onmiskenbare erotiek moeiteloos aan te wijzen in het werk van Zwaal, ik deed dat ook al in deze bespreking. Toch verbaast het me een weinig dat nu juist dit aspect zo veelvuldig naar voren wordt gehaald door hen die iets zeggen komen over Zwaals poëzie. Erotiek is in zijn gedichten naar mijn mening vaker af- dan aanwezig. Tenzij misschien het taalplezier zelve. Woorden cohabiteren met andere woorden en doen daarbij nieuwe woorden ontstaan: men treft bij Zwaal, en zeker de latere Zwaal, een continue neologisme-explosie aan. Woordenwoekering. Zie daar een constante.

Zwaal creëert taal. Niet op een flauwzinnige Koot-en-Bie manier (o vloek ik nu in kerken? Zeg toch zeker zelf: “otofoto” is zelfs nog vervelender dan het al behoorlijk braakmakende “selfie”), maar meer zoals de zee overheen jaren en jaren patronen in rotsen slijt. Grillige taalbouwsels. Neologismen is daar eigenlijk niet het goede woord voor, want veel van zijn woorden wekken de indruk een oeroud verveleden te hebben; alsof het, eerder nog, om een taal gaat die vooraf gegaan is aan onze taal of voor die materie: elke taal. Taalalchemie. De verleiding is dan groot om er een hoogst idiosyncratisch soort van “symbolistisch” geladen cryptotaal in te zien, in de geest van Alfred Jarry, Jean Paul of voor mijn part James Joyce. Maar in Terras 17, over theater, las ik een stukje van de hand van Zwaal en het ging over zijn tijd bij bewegingstheater BEWTH (een gezelschap dat theater benaderde ongeveer zoals Francisco López muziek benadert). Zegt Zwaal: “[I]k [heb] bij BEWTH mijn debuut als dichter kunnen maken. […] [I]n de eerste jaren [werden] op de affiches […] kleine tekstjes geplaatst en in folders vreemde verhalen gezet die allemaal gemeen hadden dat zij beslist niet over de voorstelling gingen, ja vooral geen uitleg gaven.” En ja. Ik weet het wel. Dit gaat over de gedichten in relatie tot de voorstellingen van BEWTH. Het zegt niet dat Zwaals poëzie op zichzelf niets wil zeggen. Niettemin na bladzij na bladzij op zinnen van het type “het schip van de helling zweeft nat”; “de bultboeg verstoot het sierlijke water”; “teelaarde van bijbal heb ik ontschorst”; “tempelde steel / van woeste trans / sterk af”; “een barenswolk is zonder precedent”; “zijn zijhals neigt tot het huilende paard”; “ziltwier van gloed schond de schemer / woei kou in het doodsbot”; “breezand bleek een lang schuldje”; “krengen van barmhartigheid / leerden wij de moederheil af”; “ik mocht wel vernonnen”; “de vruchtbaren gaan open / voor de zeesnaaiende vissen”; “een bloem is vont”; “zout kuipt zij haar zoetsel”; “doorhangdressoir braakt trommels uit”; “uit het marsdiep reikt de kamer zijn waar aan” te zijn gestuit, zwakt de wil een weinig af Zwaal vooral symbolisch te willen duiden. Zegt Cornelis Verhoeven: “Het symbool is niet, zoals het begrip, de eindterm van een gedachte […] omdat die gedachte nooit een einde vindt”. Maar wie heeft de tijd van leven om eindeloos te blijven peinzen over meer dan vijfhonderd pagina’s? Temeer daar de meerzinnigheid bij Zwaal overheen de jaren flink is toegenomen. Op de lange duur krijgt het “symbolische” in de taal van Zwaal een meer hegeliaanse zin: de woorden zijn zelf hun eigen inhoud en lijken niet langer te verwijzen naar achterliggende wereld. Dus mijn volgend probeersel: tracht zeesnede ons een klassieke lectuur van Zwaal (of poëzie in het algemeen) af te leren? Probeer deze gedichten niet te ontsleutelen. Je moet ze ondergaan. Niks geen meerzinnigheid. Er is maar één zin, en die is gelegen in wat op u toekomt als u Zwaal leest. Dat het af en toe bijna geraaskal lijkt, heeft dan ook betekenis. Niet weten waar het over gaat is immers ook een ervaring, en Zwaal lijkt mij er eerder op uit te zijn ervaringen te willen meegeven dan boodschappen te prediken (al of niet als mysticus).

Wie Zwaal niet zozeer leest om hem te willen begrijpen, speurend naar woorden áchter zijn woorden – maar veeleer op die woorden meedeint, ziet iets muzikaals ontstaan. Melodie, ritmiek. Klanken die vooral beelden oproepen. Opvallend hoe vaak dit min of meer “eeuwige” dingen zijn. De zon, de regen, de aarde. Bomen. Natuur. “Zilver boven takken” heet het ergens, en ik dacht aan takken molenwater. Ik dacht aan F. van Dixhoorn. Ook zo’n dichter die naast het onmiddellijke lijkt te staan. Al vind ik, en dit spijt me oprecht Zwaal, Van Dixhoorn wel een betere dichter. Misschien minder molenwater bij Zwaal, misschien meer zee. Ja zee. Vooral zee. Zee maakt taal hier, met gedichten die zilt en rokerig zijn als een goeje single malt. Zoveel zee zien. “Het onzedelijk scherpe dichtersoog” zoals Lawrence Ferlinghetti dat noemt. Naar zee kun je blijven kijken (misschien is dit het erotische: dat kijken, dat onzedelijke en onbeschaamde kijken van Zwaal).

Zwaals zee moet een noordelijke zijn. Omdat ik af en toe een vluchtige associatie had met Carl Norac, ging ik me afvragen hoe Nederlands Zwaal feitelijk is. De op de binnenflap geciteerde Albert Hagenaars haalt vanwege het door hemzelf geconstateerde “anti-traditionele” karakter van Zwaals gedichten maar weer eens de wat sleetse term “onhollands” van stal. Volgens mij valt het met dat anti-traditionele nog wel mee. Ik heb niet de indruk dat zeesnede pro- of anti-watdanook is, omdat ik niet de indruk heb dat men Zwaal positioneren moet tegenover poëtische hoofd- of nevenstromingen. Wel lijkt zijn talige acrobatiek mij te wortelen in een eerder klassieke dan moderne benadering van poëzie.

Zijn (relatieve) literaire “opzichzelfheid” wil echter nog niet zeggen dat deze poëzie ook in geografisch opzicht niet af te bakenen valt. “Onhollands”, zegt hij. Bestaan hier eigenlijk equivalenten voor in andere talen? Zijn er ook dingen onrussisch, onitaliaans, onaustralisch, onchinees? En betekent dat voorvoegsel “on” daar dan ook vooral dat het goed is? Onhollands, dat wil toch meestal zeggen dat het niet benepen, niet kleingeestig, niet volks, niet beperkt is, niet suf is. Maar moest “onhollands” zeggen willen dat je nooit zou verwachten dat deze gedichten door ‘ne ‘Ollander geschreven zijn dan zeg ik nee. Want gesproken van Carl Norac (want daar had ik het over): in Wallonië kon dit nog wel geconcipiëerd zijn maar veel zuidelijker dan Picardië zou ik deze gedichten niet verpotten. Ze zouden zeker en vast verschrompelen in streken waar de zon meestal onbarmhartig, en de zee altijd blauw is. zeesnede put uit de ziel van een land waar we niets zoeken met teveel kleur in. De zeeën in deze gedichten kunnen beuken misschien en dat zou voor mijn part op rotskusten kunnen zijn, maar wel altijd onder een (donker)grijze lucht. En die zee, en die wind, en die lucht, en alles in die thematiek dat Zwaal naar de eeuwigheid moest tillen, blijkt geen al te verre grensoverschrijdingen toe te staan. Een nogal efemeer soort van eeuwigheid dus.

Ook de bundelbundeling als fenomeen keert zich tegen de eeuwigheid. Eén losse bundel kan zich nog wel uitzingen boven de tijd. Voor één bundel, het liefst een beetje een beduimeld exemplaar, kun je nog wel maximaal de tijd nemen. Je leest één gedicht en je kunt erin blijven hangen, al bestaat het uit maar een paar woorden. Je drinkt je het beeld in, of je laat je moeë hoofd rusten op een prachtig brokje taal. Je kon denken dat je in Ierland was en dan zou je misschien beter kijken. Je denkt aan een lange wandeling op een herfstige avond en links van je, in het duister, ruik en hoor je de zee. Straks in een pub gaat er whisky zijn. Misschien zal daar iemand zijn die een gitaar heeft en wiegelende folkliedjes zingt in een onverstaanbaar dialect. Zo kun je meanderen bij één gedicht, ultrakort of langer, en meer dan een dag in zijn sfeer blijven (tenzij het gedicht vrouwelijk is). En morgen weer één. Dit tempo, deze zo geliefde traagheid, dat past nog bij één bundel. Die je dan ook herlezen kunt. Maanden of jaren later. En dan denken Hee dit woord of deze zinsnede (ha!) was me bij eerste lezing volgens mij ontgaan, of was het toen ook al nacht in dat gedicht dat ik toen zo mooi vond ik zou gezworen hebben dat er iets over de zon in voor kwam. Een vijfde of zesde leesbeurt. Kan zelfs ook nog wel. Maar we plauderen hier van twaalf bundels man. Twaalf bundels! In één band. En alle twaalf van dezelfde dichter. Een dichter die in de 35 jaar die hier verzameld zijn wel enige ontwikkeling doormaakt heeft maar nu ook weer niet zo sterk dat je op eindeloos veel manieren bij zijn gedichten kunt blijven verwijlen. Het verwijlen wordt kuieren en het kuieren wordt lopen en het lopen wordt… ach, u begrijpt wel waar ik heen wil. En ik wil niet zeggen dat ik tegen averij grosse (de laatste bundel van de bundelbundeling) inmiddels aan het rennen was (sowieso al niet mijn favoriete manier van voortbewegen) maar de rust was wel goed uit mijn benen ja.

Ontwikkeling. Wie zei daar “ontwikkeling”? Doet ook dat niet de bundelbundeling: de ontwikkeling des dichters tonen? Ontwikkeling en eeuwigheid gaan ook al niet samen. De eeuwigheid “verloopt” immers niet; de eeuwigheid is. Toen het tussen Zwaal en mij nog bij toevallige ontmoetingen bleef, kon zijn poëzie me nog wel toeschijnen als een poëzie die “er altijd al geweest was en er altijd zou zijn”. Een beetje zoals de man wiens naam je niet kent, maar die je altijd tegenkomt als je naar de winkel gaat, of een ommetje maakt, of je ronde loopt, of je kinderen naar school brengt, of hoe ook, die man, waarmee je altijd een praatje maakt, je weet niet hoe hij heet of waar hij woont of wat hij doet – hij is gewoon die man die altijd op straat is net als jij daar bent.

zeesnede, echter, toont me een vroegere Zwaal en een latere Zwaal. Dus daar gaan je toevallige ontmoetingen waarbij de tijd leek stil te staan. De man nooit echt ouder, de praatjes altijd hetzelfde. De veranderingen springen niet direct in het oog maar toch kan ik me niet gans en geheel losmaken van het gevoel dat de vroegere Zwaal me meer ligt dan de latere Zwaal. Dat zou op zichzelf nog niet alarmerend hoeven te zijn: er is vrijwel geen band, geen artist, geen kunstenmaker, geen dichter, geen schrijver van wie het latere werk beter is dan het vroegere werk (waarom worden we eigenlijk met z’n allen steeds vervelender?) maar bij toevallige-ontmoetingen-Zwaal stelt het iets van de mythe koud.

Hoe het zit. De vroegere bundels waren muzikaler. Niet de taal. Maar de opzet. Daarin. Waren de vroege bundels postrock. Het klassieke postrockliedje, lieve mensen, begint haast altijd met een klein, enigszins triest, stil, eenvoudig, tokkelend gitaarlijntje. Na verloop van minuten wordt dat gitaarlijntje een weinig nadrukkelijker, en later intenser nog. Tegen het einde (maar dan zijn we minstens een stief kwartiertje verder) zitten we met violijnen op onze handen, en cello’s, en beukende drums, en de gitaren stampen tegen dan, en alles heel erg luid, en alles crescendo, tot het uiteenspat. Zo was ook de vroege Zwaal. Eerst die kleine gedichten. Die paar woorden. Bijna lieflijk. Prikkelend. Zoveel paginawit. Zoveel stilte. Misschien nog een lezer die zich afvroeg of hij het wit naar eigen inzicht mocht invullen gaan of liever de stilte de stilte latend. Dat kon nog. Zulke vragen. Bij de eerste gedichten. Van de eerste bundels. Van de vroege Zwaal. Maar dan. Dan kwamen. Dan kwamen de golven. Dan kwam het epische. De grote gedichten die hele bladzijden vulden, woeste woordenstromen die voor wit of stilte geen ruimte meer lieten en nooit genoeg bladzijde leken te hebben. Vanaf ongeveer dat vat, uit 1996, komt daar verandering in. Echt overvol en paginabreed wordt het bij de latere Zwaal niet meer. En verdomd, net alsof hij zijn zeggingskracht niet langer over een hele bundel kon uitsmeren, worden de gedichten bij die “latere Zwaal” wat samengebalder; een paar ponden abstracter misschien. Ongetwijfeld meer melodie. Maar minder direct spreken. Bij de latere Zwaal treffen mij niet langer hele gedichten, zoals dat van die vlieg en die vrouw en die kamer en – bij de latere Zwaal treffen mij flarden. De latere Zwaal is me meer een zinnendichter dan een helegedichtendichter.

Een zin als “de herfst valt over de wijn”, of “de wind waait tepelstrak”, of “schep de vrede maar eens van mijn gebitten”, of “ik verneem een zweem van zee”, of “het geniep is grandioos open en aan alle kanten blaast hier de wind appels”, of “gelicht uit de lange reeks jaren vol dagelijkse dagen is deze nacht mij herkenbaar door de smalle steeg licht”, of welaan eentje nog dan: “de bijbelbedekte kerkhoven lopen uit”- prachtzinnen lijk dezulken liggen bij de latere Zwaal voor het oprapen. Maar het zijn de steentjes die ik uit mijn zolen peuter na vrijwel onbewogen doorheen het landschap gelopen te hebben.

zeesnede mystificeert en demystificeert. Je leert de gedichten kennen in het vage vermoeden dat er misschien niet zoveel te weten valt. Je probeert de poëzie de traagheid te schenken die ze naar je aanneemt verdient alleen maar om tot de ontdekking te komen dat er met wat meer haast niet eens bijster veel verloren gaat. Je wil de gedichten een plaats geven in de eeuwigheid maar dan weer staat die eeuwigheid niet eens behoorlijk stil. En o. Je maakt je open en stil en wit en leeg maar dan bedelft zeesnede je genadeloos onder de veelheid van zijn 523 pagina’s. Nu nogmaals mijn waarom.

Misschien is het waarom eenvoudig dit:

De schoonheid van de uitgave? Dat mooie dikke papier, dat fantastische omslag, en god wat ruikt dit boek lekker!

De compleetheid van de uitgave? Het hebben compleet, van Zwaal, het hebben van Zwaal compleet – dat je van nu alles hebt, en je jezelf mag kennen in de allesheid?  (wat zeggen wil: de alleZwaalbezittenden zijn anderen, toch, dan die die van Zwaal maar één of twee bundeltjes bezitten)

Of misschien een afscheid? Sluit Zwaal hiermee een periode af? Wordt hij romancier, allicht, of gaat hij in een eventuele volgende bundel uit heel andere vaten tappen? Gaat dit de laatste kans zijn om in handen te houden wat snel niet meer zal zijn?

Of.

Ja.

Misschien. Misschien gewoon in je kast te hebben: deze woorden, deze zinnen, deze gedichten. Het te kunnen pakken. Nu, morgen, en over vijf jaar misschien. Wat lezen, even drijven op de woorden. Het boek weer terug in de kast zetten als je merkt dat je aandacht verslapt. Want ontmoetingen met Zwaal moeten plots zijn, en kort, en hevig. En ongrijpbaar bovendien.

Recensie:  Tim Donker

Zeesnede

gedichten 1984-2019

  • Schrijver: B. Zwaal (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Wereldbibliotheek
  • Verschenen: 14 februari 2019
  • Omvang: 536 pagina’s
  • Uitgave: Paperback

Bijpassende boeken en informatie

Joris-Karl Huysmans – Aan de vrouw Recensie

Joris-Karl Huysmans Aan de vrouw recensie en informatie over de inhoud van de roman. Op 2 september 2019 verschijnt bij Uitgeverij Lebowski de roman van de Franse schrijver Joris-Karl Huysmans. De originele Franse roman En ménage verscheen voor het eerst in 1881.

Joris-Karl Huysmans Aan de vrouw Recensie en Informatie

Recensie van: Tim Donker

En allee komaan weer een decennium gedaan. Maar hoeveel moet er gaan om te weten dat iets nooit echt gedaan is? Ooit heette het millenniumbug, of fin de siècle. Is het decadentisme een typische fin du siècle stroming? Is misogynie het monopolie van negentiende-eeuwse schrijvers? Ik denk ik schrijf Nietzsche, cultuurpessimise, ik schrijf Schopenhauer, ik denk ik schrijf de eeuwige wederkeer ook.

Lebowski, Lebowski. Lebowski hier. Komt af met Aan de vrouw. Een boek dat Joris-Karl Huysmans in 1881 voltooide en dat eerst nu pas in het Nederlands werd vertaald. Vertaald ja. Wat? O. Wist je dat niet? Ondanks dat zijn naam anders doet vermoeden was Joris-Karl Huysmans geen Nederlander nee. Hij was een Fransoos. In zijn –overigens niet al te briljante-  voorwoord merkt Sander Brink dan ook op dat je zijn naam best uitspreekt als “Zjie Ka Wiesmans” als je op hoogstaande feestjes niet door de mand wil vallen. Misschien zou die eind-s zelfs een stille s moeten zijn maar ik nie weet nie, ik ben niet zo’n liefhebber van de Franse taal. Eigenlijk vind ik Frans wel ongeveer de lelijkste taal ter wereld zelfs. Maar ja die WIesmans die had geen keus, die was Frans. Dan wel afkomstig uit een artistieke Zuid-Nederlandse familie en aan die afkomst hechtte hij klaarblijkelijk genoeg om zijn voornamen Charles-Marie-Georges te “vernederlandsen” tot Joris-Karl. Dat vervolgens dan wel weer akelig vaak werd afgekort tot J.-K. Vandaar die Zjie Ka begrijpt u wel. Nu zijn we er weer.

Lebowski dus. Afkomen met Aan de vrouw. Zo’n acht jaar nadat De Bezige Bij Tegen de keer opnieuw uitgaf (want in tegenstelling tot Aan de vrouw was Tegen de keer al wél eens in het Nederlands vertaald), dat, zo men zegt, “de bijbel” is van het decadentisme. Of Aan de vrouw ergens de bijbel van is, weet ik niet. Je zou nog vrij gemakkelijk het pleit kunnen winnen als je betogen wilde dat dat boek in ieder geval eerder naturalistisch dan decadent van aard is. Maar dan weer: misschien is het naturalisme in zichzelf alreeds een decadente stroming.

Bij decadentisme denkt men al vrij snel aan iemand als Baron de Lascano Tegui (tenminste altijd mijn eerste associatie bij het decadentisme), aan fin du siècle, aan Frankrijk, aan edelmannen, aan een dan dat daar was en nu voorbij is. Doch zo tijd- en plaatsgebonden hoeft het niet te zijn. Zo’n Lautréamont bijvoorbeeld (en hoeveel decadenter dan De zangen van Maldoror wil je het nu helemaal hebben?) was toch maar wel geboren in Montevideo. Of gedenk de Nederlandse achtergrond van Huysmans. Of de Italianen, altijd weer de Italianen. Giovanni Pascoli bijvoorbeeld. Of Gabriele d’Annunzio die Tegen de keer vermoedelijk niet ongelezen gelaten had en die zo klaar de schoonheid van de nacht wist te bezingen. O geef me even en ik ga je vertellen dat Carlo Emilio Gadda een nazaat van het decadentisme is en dat Die gore klerezooi in de Via Merulana een laat-decadente roman is maar dan sla ik waarschijnlijk door.

Of misschien ook niet.

Wanneer begint het einde?

En het is zaterdagavond, en je vindt dat je moet. Iedereen in dit huis hier is naar bed maar jij vindt dat je moet. Je bent alleen in de huiskamer. Je vindt dat je moet. Niet dat je wil. O. Nee. Je wilt niet, je wil gewoon zitten daar en luisteren naar een rustig muziekje. En dus zet je omdat het zaterdagavond is JJ Cale op en het liefst van al wil je zitten daar en op een niet-nadrukkelijke manier luisteren naar de muziek. Maar er waren al te veel avonden dat je zat en niets deed en dus vind je dat moet. Want je moet wel. En mopperend op jezelf sta je op en je sloft naar je schrijftafel en je pakt een knisperend vel papier en je schrijft Wanneer begint het einde?

En je schenkt jezelf een cognac in (deze cognac is gerijpt op bourbon-vaten lees je op het etiket en je denkt aan je vader) en je leest die zin. De zin die je zojuist zelf schreef.

Wanneer begint het einde?

En oja, het einde denk je en dan gaat het denken loos. Het einde. Eindetijdsbewegingen. Fin du. Enzo. Is eind negentiende eeuw eindeëeuws genoeg voor u, of is 1785 dat ook best wel een fin van weeral een ander siècle misschien? Ja ik denk nu aan de 120 dagen van Sodom ja, ik denk aan Markies de Sade, ik denk is het decadentisme niet reeds dan en daar begonnen of was het zelfs toen al een eind op streek.

Misschien is het decadentisme wel uitgevonden in de dertiende eeuw in China. Alles is uitgevonden in de dertiende eeuw in China, wist u dat? Of misschien is de bijbel wel de bijbel van het decadentisme. Misschien, ojee, is het decadentisme gelijkoorspronkelijk met het antropoceen, wat dacht je daarvan? En zulke gedachten, op zaterdagavond, met cognac en met JJ Cale die kweelt en kweelt en kweelt. Misschien, denk ik verder en voort en vuts, is alle contemporaine literatuur tot op zekere hoogte wel decadent te noemen. Misschien heeft het decadentisme nooit bestaan, heeft niks ooit echt bestaan, zijn wij nooit modern geweest (Bruno Latour zei het al). Misschien zijn dat maar gewoon die mensen weer, die mensen altijd, die het onbijeenharkbare bijeen harken en dan zeggen dit was Dit en dat was Dat en het was toen en toen en toen om zodus het onverstaanbare een heel klein beetje verstaanbaar te maken.

En dat alles vraag ik me af. En dat alles gaat doorheen mijn kop. Om die Lebowski, Lebowski. Die afkomt met Aan de vrouw, zo’n acht jaar nadat De Bezige Bij Tegen de keer een tweede Nederlandstalige editie gunde. Aan de vrouw dat als En ménage voor het eerst in 1881 uitkwam en Frans is, en een zwaar naar het decadentisme overhellend naturalisme is, en eindeëeuws vooral: want de sfeer is die van Nietzsche, Schopenhauer, (cultuur)pessimisme, grotestadsneurose, degeneratie en misogynie.

Aan de vrouw vertelt het verhaal van de twee vrienden André Jayant en Cyprien Tabaille. Het zijn twee would-be kunstenaars: Cyprien doet iets met schilderijen en André tracht te schrijven maar een écht hoge vlucht neemt het bij geen van beiden. Cyprien is de eeuwige vrijgezel en altijd aan het sakkeren op vrouwen en op het huwelijksleven; André mag dan wel getrouwd zijn maar als hij zijn vrouw Berthe betrapt met een andere man besluit hij voortaan alleen te willen leven.

Er is veel waarin Aan de vrouw op het eerste gezicht misschien wat gedateerd aandoet. Waarmee ik bedoel: te dateren, te plaatsen in de tijd. Niet het ontijdige, dat zich onttrekt aan iedere poging tot datering. De vele nu haast “exotisch” aandoende beroepen bijvoorbeeld. Scheerder, scharensliep, glazenmaker, waterfitter, secreetruimer. De beschrijvingen van de interieurs en de inmiddels in onbruik geraakte huishoudelijke attributen. De eetgewoontes en de gerechten. De bij André bestaande noodzaak om nu hij weer alleen is om te zien naar een “huismeid”. De onderlinge verhoudingen. De misogynie.

Wat? De misogynie zegt u? Ja, want vrouwvijandigheid is typisch van de negentiende eeuw, toch?

Ik las, toen, Tegen de keer. Ik las, nu, Aan de vrouw. En wat ik nu las vond ik toch een pak of wat “gestroomlijnder” dan wat ik toen las, het mijns inziens bij vlagen toch wel een beetje dorre Tegen de keer. En dus, ik zat. Ik zat en ik peinsde. Twee keer Zjie Ka Wiesmans. Twee keer een ongeveer even dik boek. Op één ervan heb ik soms mijn kiezen moeten stukkauwen, de ander gleed naar binnen als een harinkje in een Volendammer. Waar dat dan in zit. Waar zoiets in zit. Hoe komt dat? Zo vroeg ik mij, en zo joeg ik mijn gedachten verschillende kanten op.

Als eerste, ik peinsde Misschien is het de vertaling. A Rebours verscheen in 2011 in de vertaling van Jan Siebelink (van wie de 1977-vertaling is weet ik niet). Geen onbegaafd schrijver, allicht. Niet helemaal mijn stijl, toegegeven, en Knielen op een bed violen is een mooie titel voor een of ander romantisch kwijlliedje van Bon Jovi maar voor een boek toch echt wel behoorlijk luizig. Niettemin: geen onbegaafd schrijver moet hij zijn, ik vond het nawoord dat hij bij Tegen de keer schreef best heel lezenswaard. Maar dan. En toch. Maar dan & en toch. En ménage (Aan de vrouw) werd vertaald door Rokus Hofstede en Martin de Haan en neem het daar maar eens tegen op. Twee reuzen (soms is er ook een derde bij, dan zij ze een vrouw, hoe heet die vrouw ook alweer?). De mannen zijn heer en meester in mijn zeer zeker niet eens bijzonder Frans georieënteerde boekenkast; vertaald door Rokus Hofstede heb ik al gauw: Pan Pan voor de Poeper van Neger Naakt en Apologie van de luiheid van Clément Pansaers (twee boeken waarvoor ik heel wat boekwinkeltjes heb moeten afstruinen vooraleer ik ze de mijne mocht noemen); De boer van Parijs van Louis Aragon (en nu we het toch over boekwinkels hebben: toen ik dit boek had gevonden, ontspon zich tussen de boekverkoper en mij het navolgende absurde gesprek: Hij: “O, dit zou een goed boek zijn voor mijn broer!”, Ik: “O is dat zo’n Aragon-fan dan?”, Hij: “Nee, hij is boer” & geen woord hiervan is gelogen); Mijn zelfmoord van Henri Roorda; de naam van Martin de Haan komt als vertaler in mijn bibliotheek voor in het fantastische In de slee van Arthur Schopenhauer van Yasmine Reza en Jacques de fatalist en zijn meester van Denis Diderot en dan zijn ze ook nog eens als duo vertegenwoordigd in het geweldige, in het Frans geschreven De toespraken van de bekkenknijper van Julio Cortázar. Hiermee doe ik nog maar een uiterste luie greep, zowel uit mijn boekenkasten (ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ik meer moet hebben van Hofstede en/of De Haan, ik heb om te beginnen al bijna de hele Perlouses-reeks van Voetnoot compleet) als uit hun beider portfolio. Ik weet dat De Haan 14 van Jean Echenoz deed, dat Hofstede een Michaux deed en een Roland Barthes (u weet wel, de man die in 1964 eigenhandig de semiotiek heruitvond); dat ze samen een tweetal boeken van Régis Jauffret deden en ook al die boeken zou ik graag bijzetten in mijn boekenkast maar hee, ik ben maar een eenvoudige postbode en mijn kinderen te eten geven is ook iets dat ik belangrijk vind. Zodus. Ik zeg u. Vertaal zulke eigenzinnige en soms zelfs weerspannige werken keer na keer schijnbaar moeiteloos in prachtig Nederlands en dan. Dan mag het ook geen verwondering meer wekken dat Aan de vrouw bruist, in weerwil van de bijna 150 jaar die gingen tussen het Franse origineel en de Nederlandse vertaling.

Is wat ik dacht. Maar ook dacht ik nog een ding of twee over Jean Floressas des Esseintes, de hoofdpersoon van Tegen de keer. O god, wat begreep ik zijn misantropie goed. O god, hoe sterk kon ik hem navoelen in zijn wil zich terug te trekken uit de wereld (dat terugtrek-thema komt trouwens in zekere zin weer terug aan het eind van Aan de vrouw) (of naja, “keert terug”; dat is te zeggen natuurlijk – Tegen de keer werd later geschreven dan Aan de vrouw dus feitelijk is het veeleer een voorafschaduwing). En toch. Was diene mens niet een weinig té idiosyncratisch om er driehonderd pagina’s lang mee te sympathiseren? Dat huis van hem, en de dingen daarin. De preoccupaties van Des Esseintes (dat gezeur over die vervloekte stenen, dat vond ik bij Roger Caillois ook al zo stomververvelend). En dan misschien. Een man alleen. Die moet een boek dragen. Weinig of geen dialoog. Hoe hij dragen kan, dat boek, als hij ergens in uitblinkt. Voor mijn part in saai zijn. De Esseintes echter glibberde er een beetje tussendoor. Tussen hoog en laag, interessant en saai, verwant en onbegrijpelijk. Excentriek? Hum. Ook excentriciteit kan gaan vervelen. Of misschien wel juist.

Is wat ik ook dacht. Maar bovenal dacht ik dit. De misschien sprankelendere vertaling van Aan de vrouw, het bij Tegen de keer lastige gegeven van de eenpersoonsroman droegen er mogelijkerwijs allebei aan bij dat ik eerstgenoemde verkoos boven die tweede, maar meer dan dat nog lijkt Aan de vrouw mij een wereldser en tijdlozer verhaal te vertellen dan Tegen de keer deed. Ondanks eindeëeuws, decadentisme en misogynie. Of misschien zijn we altijd nog eindeëeuws, decadent en misogyn.

Want ja. Bijzonder vleiend voor vrouwen is Aan de vrouw veelal niet. Het boek moet een ware schat zijn voor wie een dissertatie schijft over mannelijk chauvinisme bij negentiende-eeuwse schrijvers. Alle vrouwen zijn vals, geslepen en inhalig:

“[D]aar kwam het Eeuwig Vrouwelijke bovendrijven; daar had je, op en top, de vrouw, eerlijk of niet, die het natuurlijk vindt om de man van wie ze afhankelijk is, of het nu haar vader is of degene die haar onderhoudt, zo veel geld af te troggelen als ze maar pakken kan.”

Of:

“De afkeer van alles wat dom was aan vrouwen had André genezen van de vrouw”

Of:

“[A]ls je de vrouwen grondig hebt bestudeerd en een flinke portie minachting voor ze hebt gekregen […]”

Passages als deze doen vermoeden dat de allerfanatiekste Huysmans-fans niet meteen gezocht moeten worden in feministische kringen. Maar er is iets. Er is dat ik me afvraag hoe “negentiende-eeuws” dit gevit op de vrouw werkelijk is of anders: is de man van de éénentwintigste eeuw, die in zwakverlichte kroegen zijn maten op de schouders petst en bier drinkt en hol lacht om de praat over “rokjesdag”, blondines, borsten, de pappot die altijd van moeder is en spreekt van “mokkels”, “trienen”, “grieten”, “wieven”, “deernen”, “dozen” (zijn er in onze taal sowieso al niet veel meer denigrerende woorden voor “vrouw” dan voor “man”?), nu werkelijk zoveel “verlichter”, geëmancipeerder en ruimdenkender dan Huysmans al of niet was? En wat is dat überhaupt altijd voor een rare neiging om de eigen tijd steeds weer te willen zien als beschaafder, toleranter en vooruitstrevender dan alle voorgaande tijden? Maar meer nog is er dat de misogynie, “typisch negentiende-eeuws” of niet, mij in Aan de vrouw alleen maar symptomatisch lijkt voor een onderliggend psychologisch probleem dat over alle tijden heen rijkt.

Joris-Karl Huysmans Aan de vrouw Recensie en Informatie

Als André weg is bij Berthe en zijn eenpersoonshuishouden naar zijn zin heeft ingericht, hervindt hij in eerste instantie een rustig soort “pre-huwelijks” geluk. Maar naar verloop van tijd valt hij steeds vaker ten prooi aan wat hij “onderrokkencrises” noemt, want mij lijkt te gaan over een hang naar seks of in ieder geval naar iets lichamelijks met een vrouw. Het alleen zijn wordt eenzaamheid, en André neurotischer. Hij probeert rust te vinden bij de prostituee Blanche en later bij zijn jeugdvriendin Jeanne maar niets houdt stand. Klaarblijkelijk past alleen de grauwzaamheid van het zo grondig vervloekte huwelijkse leven bij hem – dat leven dat hij juist de rug toe had willen keren. Maar ook vrouwenhater Cyprien woont inmiddels samen met Mélie, en wat meer is: de mannen kieperen ook hun artistieke ambities overboord. Zogenaamd onder het mom dat een kunstzinnig leven onverenigbaar is met het burgerlijke bestaan maar in werkelijkheid wilde het al nooit zo vlotten met die boeken en die schilderijen van ze. Doch nu hebben ze in ieder geval iemand die er de schuld van kan krijgen dat ze opgehouden zijn hun dromen na te jagen. De vrouw als redding uit onwaarmaakbare ambities.

Zegt Mélie, ergens aan het einde van Aan de vrouw: “Zolang ik met een man niet doodga van ellende en zolang hij me niet slaat, vind ik dat ik gelukkig ben.”

Wel. Ja. Dat is het dus. Toegespitst op man/vrouw-verhoudingen, huishoudelijk (on)geluk, vrouwenhaat en onbegrip, gaat het hier dus om. Het allerminiemste beetje geluk dat we deelachtig kunnen worden, hier. Waar we zijn, waar we gaan.

Wij allen hebben het leven meegekregen, zoals Kurt Vonnegut stelt. Niemand van ons heeft erom gevraagd maar we zitten er wel mooi mee in onze maag. Met dit leven, waarin we van alles moeten. Naar school gaan & een Hele Interessante Baan krijgen & een lief vinden & een huis & een auto & op vakanties gaan, vakanties om over op te scheppen bij onze Hele Leuke Vrienden, en kinderen zullen er komen, kinderen die natuurlijk heel goed mee kunnen komen op school en sociaal zijn, en lief, en mooi, en gelukkig en dat allemaal dankzij ons. Of anders maar alleen zijn, met al eens een onderrokkencrisis om in te zwelgen. Want dat kan ook. In armoede leven kan ook, op kamertjes, met nikserige baantjes, geen uitzichten, geen perspectief maar wel een goeie kroeg op loopafstand. Echt leuk wordt het echter nooit.

Aan de vrouw schildert op prachtige wijze deze levenszoektocht, waarin we in essentie te kiezen hebben tussen treurnis of er niet heel erg beroerd aan toe zijn; tussen onderrokkencrises of niet doodgaan van ellende. Dat klinkt alles naturalistisch genoeg natuurlijk, maar evengoed kun je in Aan de vrouw een Generatie Nix-roman avant le lettre zien, of een soort pre-postmodernisme. Waarmee het dan misschien toch juist weer decadenter is dan Tegen de keer.

In 1903, vier jaar voor zijn dood & hij had zich allang tot het katholicisme bekeerd, schreef Huysmans dit: “[E]r [ligt] maar één stap […] tussen Schopenhauer, die ik mateloos bewonderde en de Prediker van Salomo en het Boek Job. De premissen van het pessimisme zijn dezelfde, alleen weigert de filosoof er consequenties aan te verbinden. Ik hield van zijn ideeën over de afschuw van het leven, over de domheid van de mensen en de onbarmhartigheid van het lot; ik houd van dezelfde gedachten in de Heilige Schrift […]”. Dit zegt mij dat ik het juist had de geest van Schopenhauer te zien rondwaren in het werk van Huysmans maar het zegt ook dat Huysmans zelve de geest van Prediker zag rondwaren in het werk van Schopenhauer – en dat de gedachte dat er iets decadents schuilt in de bijbel misschien dus wel minder ver gezocht is dan op eerste gezicht lijkt. Alles is altijd al van alle tijden. De troost, de liefde, de ellende en de drek. Maar wie er zo schoon over schrijven kan als Huysmans in Aan de vrouw doet, heeft in ieder geval niet voor niets geleefd.

Aan de vrouw

    • Schrijver: Joris-Karl Huysmans (Frankrijk)
    • Soort boek: Franse roman, psychologische roman
    • Origineel: En ménage (1881)
    • Nederlandse vertaling: Rokus Hofstede
    • Uitgever: Lebowski
    • Verschijnt: 2 september 2019
    • Omvang: 192 pagina’s
    • Uitgave: Paperback / Ebook

 

Flaptekst van de roman van Joris-Karl Huysmans

Aan de vrouw vertelt het verhaal van de schrijver André en zijn vriend Cyprien, die schilder is. André verlaat zijn vrouw Berthe nadat hij haar betrapt heeft op overspel en valt ten prooi aan verdriet en woede. Na een affaire met de dure prostituee Blanche, loopt ook zijn relatie met Jeanne op de klippen en keert hij terug naar Berthe. Gaandeweg verkiezen André en Cyprien het burgerlijk bestaan boven hun artistieke ambities, waarna ook hun vriendschap en hun dromen verwateren.

Joris-Karl Huysmans Informatie

  • Echte naam: Charles Marie Georges Huysmans
  • Geboren op 5 februari 1848
  • Geboorteplaats: Parijs, Frankrijk
  • Nationaliteit: Frankrijk
  • Overleden op 12 mei 1907
  • Sterfplaats: rue Saint-Placide 31, Parijs, Frankrijk
  • Leeftijd: 59 jaar
  • Discipline: schrijver, kunstcriticus
  • Joris-Karl Huysmans Boeken >

Bijpassende Boeken en Informatie

A.H.J. Dautzenberg – Geestman

A.H.J. Dautzenberg Geestman recensie en informatie over de nieuwe roman. Op 15 november 2019 verscheen bij Uitgeverij Atlas Contact de nieuwe roman van A.H.J. Dautzenberg. Op deze pagina kun je de recensie van Tim Donker lezen.

A.H.J. Dautzenberg Geestman Recensie van Tim Donker

Ja, van diene mens had ik nog nooit wat gelezen. Ik had al wel wat over hem gelezen. Her en der. Elders en hier. Ik weet het niet meer precies. Misschien op het vermaledijde Facebook, misschien ergens een recensie, misschien een terloopse opmerking van een essayist in een artikel over dit of over dat. De man, het is A.H.J. Dautzenberg die ik hier bedoel, schreef toch een niet heel mis oeuvre bij elkaar, waarin, naar het schijnt, menige literaire grens beslecht wordt, en ik lees veel, en ik lees voornamelijk daar waar de literaire grenzen beslecht worden, maar Dautzenberg, dus, die las ik vooralsnog nooit.

Maar wel over. Ja. Dat wel. Dat is altijd raar, niet? Als je een schrijver alleen maar van horen zeggen kent. Als je een vaag idee hebt van een reputatie. Als je weet dat iemand zo en zo zou moeten zijn, maar je kent hem nog niet van nabij. Als je alleen maar tweede hand hebt en dat je dan eindelijk zit, klaar voor de eerste hand. Met het boek. In je eerste hand. De rechter.

Van wat ik dacht te weten Dautzenberg vóór ik hem ooit las, maakte ik op dat hij lezers graag in verwarring brengt. Provacatief? Ja, doe maar provacatief dan. Binnen de literatuur de dingen overhoop schoppen. Zodat er niets meer recht staat. Zodat er niets meer van klopt, om te spreken met de titel van één van de allerbeste boeken ooit door een Rotterdammer geschreven.

Dit speelde me danig parten toen ik Geestman begon te lezen; al vanaf de allereerste pagina die ik las, speelde het me parten. Daar is een literator aan het woord. Maar hij bedient zich van een heel lelijk, vluchtig soort televisietaaltje elke literator onwaardig. Hij zegt dingen als “Laat ik deze vraag voorlopig parkeren”, “plan de campagne”, “Ik moet in mijn hoofd op zoek naar de knoppen waarmee ik…” of, het allervreselijkst misschien, “een confetti van lachend licht”. Dat past heel goed bij een presentator van Astro-TV maar niet bij iemand die de taal lief heeft – en dat laatste mag verwacht worden van een literator. Maar ja, Dautzenberg was een provacateur, toch? Ik moet hier iets achter vermoeden. Iets wordt hier belachelijk gemaakt, dat is zeker. Ah, de literatuur wordt “ontmaskerd” als borrelpraat? Of: de taal als manipulator? Hoe wij allen verworden zijn tot gerobotiseerde gebruikers van bol van de clichés staande prefab-taal? Alles is ijdelheid? Alles is gezwets? In een egalitaire samenleving bestaat alles naast elkaar en daarom bestaat niets meer echt? Wat Wil Dautzenberg Hier Zeggen? O, ik word hier voor een of andere lap gehouden, en de lap stinkt, en ik weet niet of ik ermee lachen moet of het anders gewoon maar ondergaan.

En als het dan echt begint, begint het met een afspraakje. Zo begint immers alles. Een man en een vrouw ontmoeten elkaar voor het eerst. De sociaal onhandige man had bedacht dat hij het liefste bij hem thuis zou afspreken, tussen zijn vertrouwde boeken, maar van zodra de vrouw binnenkomt weet hij dat het een slecht idee was. Alles gaat ongemakkelijk. De dingen die de vrouw zegt, ergeren hem. En zelf weet hij niks te zeggen. Onder het mom koffie te maken of koekjes te pakken, verdwijnt hij keer na keer in zijn keuken waar hij veel langer blijft dan strikt noodzakelijk is. De scéne is niet gespeend van humor, zij het een tamelijk cabaretesk soort humor. Of u dat als aanbeveling ziet of niet, is aan u. Ik ga u vertellen dat het niet perse als aanbeveling bedoeld is, want eigenlijk heb ik zeer weinig op met cabaret (en dan druk ik me zwak uit). Maar het staat elke cabaretliefhebber vrij om nu reeds geënthousiasmeerd te zijn. Bovendien meen ik door de humor te herkennen op zijn minst dat Geestman geen ongrappig boek is.

Als de man hopeloos verstrikt geraakt is in het onzalige afspraakje met de vrouw, weet hij niks beters te doen dan uit het raam te springen. Hij beland op het dak van de onderburen waar hij door een vogeltje wordt meegenomen op een fabuleuze, grotendeels ondergrondse tocht. De dieren spreken er in raadsels en de omgeving lijkt er nog het meest op een schilderij van Salvador Dali. Maar ook in dit surrealistische deel van Geestman blijven –storende- platitudes opduiken, zoals “Laat ik er maar het beste van maken” of “Het moet niet veel gekker worden” (nu heb ik altijd al een gezonde hekel gehad aan “het moet niet veel gekker worden” maar in een fantasievolle, droomachtige context is de zin al helemaal potsierlijk. Het benoemen van de ongewoonheid van de gebeurtenissen werkt als de filmmuziek in hollywoodfilms, die dicteert wat we moeten voelen: dreigend in spannende scénes, somber bij verdrietige en hoempa als het allemaal maar om te lachen is).

Onder de grond is er, Iegor Gran indachtig, bizarre seks, er zijn filosofische uiteenzettingen over subject/object en over taal, er is quasi-diepzinnig, “spiritueel” geneuzel en er is een door een dichtervogel geschreven dichtbundel vol geometrische figuren (is dat een pastiche op of bespotting van visuele poëzie? Of moet de ontaligheid van een uitgesproken talig medium bijdragen aan de mysterieuze sfeer daar onder de grond?). Deze dichtbundel leest de lezer integraal mee met de hoofdpersoon.

Een tocht (ik probeer hier uit alle macht het afgesleten “odyssee” te vermijden, ziet u) onder de  konden we kennen van Hugo Raes (was dat niet dat boek met die blote mensen op de voorkant, weet jij dat nog?), Tom Waits, reyoung, Kamiel Vanhole en een miljoen anderen maar dan, de reis is bijna aan haar, euh, “apotheose” toe, komt, heel Louis Paul Boon, de schrijver tussenbeide. De schrijver, of een lyrisch ik, of wie weet wel de “echte” A.H.J. Dautzenberg (de schrijver in het boek heeft in ieder geval de titel Ik bestaat uit twee letters op zijn naam, net als, ja, Dautzenberg). Vanaf dat moment is Geestman dagboekproza, of, zo je wilt, confessieliteratuur. De dagboeknotities zijn op het gênante af larmoyant. Iets over kromme tenen kwam in mij op. Weeral vraag ik me af of dit de bedoeling is, en zo ja waarom dan wel. Hangt hier weer die lap te hangen, of is het zelfmedelijden even oprecht als het schaamteloos is? En wat voor “lyrisch ik” wil je dan neerzetten, kennelijk niet één die onmiddellijk de sympathie van de lezer verdient?

Helemaal op het einde, de lezers is echt aan de allerlaatste bladzijdes toe, wordt het verhaal van de man met zijn mislukte afspraakje en zijn ondergrondse avonturen alsnog even afgeraffeld. Ja, “afgeraffeld” zei ik, en “even”,  want zo voelt het. Het einde van zijn wederwaardigheden is ronduit lomp. Weerzinwekkend lomp zelfs. Het lijkt niet te passen bij de rest van de boek, en niet bij de karakters van de personages. Misschien wilde Dautzenberg koste wat het kost niet dat Geestman als “modern sprookjes” geklasseerd zou worden en moest het einde daarom ontnuchterend gruwelijk zijn. Maar ik blijf met een vieze smaak in mijn mond achter en het gevoel dat Geestman sterker was geweest als de man onder de grond was gebleven en het aan de lezer was geweest om te bedenken of en hoe hij ooit nog bovengronds geraken zou. Deze anticlimax is op minstens drie manieren onbevredigend.

Het laatste flardje dagboekproza, het echte einde van Geestman, neemt mijn verwarring niet weg. Wat heb ik nu eigenlijk gelezen? Cabaret, poëzie, surrealisme, openbaringen, filosofie, psychologie?

Een geniale bespotting van diverse literaire genres? Schaamteloos jatwerk? Doorheen het hele boek wordt verwezen naar de schrijvers van de boeken die de man in zijn kast heeft staan, maar ook los daarvan geeft Geestman (o zelfs de titel doet gejat aan) me steeds het gevoel dat ik iets zit te lezen dat ik al eens eerder gelezen heb. Dat springen uit het raam aan het begin bijvoorbeeld, ken ik dat niet uit een boek van Polet? En dat dak van de onderburen, met dat plasje water erop geeft me ook al een déjà vu. Al kan ik er de vinger niet op leggen. Natuurlijk komt Ik zat op het dak in me op, ja natuurlijk Daniil Charms ja, maar was dat niet het dak van de staatsuitgeverij? Dat naamloos laten van alle personages, zelfs de hoofdpersoon, het werkt altijd vervreemdend, en het lijkt me dat je met boeken waarin dit gebeurt ook alweer een boekenkast mee kan vullen. Opdat je in de winkel vragen kunt: De boeken met naamloze (hoofd)figuren, waar heeft u die? Meest recentelijk kwam ik het nog tegen in het magistrale Milkman van Anna Burns maar de manier waarop zij het toepaste vond ik eigenlijk nog wel een slagje indringender. En die ondergrondse tocht, en die sprekende dieren, en dat zeikerige dagboek, en die grote ogen en die wimpers als speren, god, waar ken ik het toch allemaal van? Of moet ik Geestman verstaan als een “sampleroman”; een boek bestaande uit allerlei stukjes van andere boeken zonder dat er een woord van Dautzenberg zelve bij is (om te variëren op een adagium van Bert Schierbeek)? Of is dit boek gewoon maar wat het is: het verslag van een schrijver die om allerlei redenen worstelt om tot schrijven te komen, te rade gaat bij de boeken uit zijn boekenkast, en soms door zijn eigen problemen weer gestremd wordt in zijn schrijven? Of: een boek waarin alles kan, alles mag, alles gebeurt, bijna een vorm van “automatisch” schrijven. Gewoon zitten, en schrijven, en kijken wat er gebeurt, en de regie zoveel mogelijk aan de woorden laten. Het boek schrijft zichzelf.

A.H.J. Dautzenberg Geestman Recensie

Goed. Andere vraag. Wat vónd ik eigenlijk van Geestman? Hum. Sja. God. Ik weet het niet. Ik weet het echt niet. De verwarring, niet te weten wat je aan een boek of de schrijver ervan hebt, steeds de bodem onder je weggeslagen weten, nooit goed houvast te krijgen: normaal hou ik ervan. Normaal vind ik het prachtig nooit goed te weten wat het nu eigenlijk is. Maar in dit geval stoorde het me een beetje.

Geestman is een polyfoon boek, jazeker. Maar het had nog veel polyfoner kunnen zijn als het twee, drie keer zo dik was geweest. Nog meer genres verkend had. Waarom niet, bijvoorbeeld, een twintig- of dertigtal pagina’s toneel? Waarom niet nog meer filosofie? Essayisme? Poëzie? Nog meer flarden, nog meer aantekeningen, nog meer fragmenten? Het verhaal van de naamloze man had vijf of zes eindes kunnen hebben, als probeersel, als schets, als proef. Dan had één ervan best lomp en wreed mogen zijn, waarom niet. Zolang ik maar niet met het lelijkste het boek word uitgegooid. Nu zit er wel heel veel gepropt in die 195 luttele pagina’s waardoor de veelvuldigheid van het boek zichzelf soms een beetje in de weg zit. Als een bezoekje aan iemand die je al heel lang niet meer gezien hebt, en je hebt zoveel te vertellen maar de tijd is maar zo kort. Je gaat altijd weg met het gevoel dat het langer had moeten duren. Ik sla Geestman ook dicht met het gevoel dat het langer had moeten duren. Ook daarin kun je een aanbeveling zien. Het is immers beter een lezer achter te laten met honger naar meer dan met de opluchting dat het eindelijk gedaan is. Maar net als bij de cabaret-vergelijking bedoel ik het niet positief omdat het boek sterker had kunnen zijn, veel sterker, als het vijfhonderd pagina’s dik was geweest. Nu lijkt het toch wat gezocht eclectisch.

Hetzelfde kan gezegd worden over het taalgebruik. Als gezegd lijkt Dautzenberg niet vies van een cliché of twee. Soms verliest Geestman zich in een al te populair allemanstaaltje, maar even verderop duiken er dan weer woorden op die de gemiddelde mens waarschijnlijk in zijn woordenboek zal moeten opzoeken. Mogelijkerwijs ligt daaraan een idee ten grondslag over taal, over literatuur, of over (vervaagde) grenzen tussen “hogere” en “lagere” cultuur. Maar het lijkt ook wat pocherig. De schrijver toont zijn spierballen. Hee meisje, kijk mij eens vele taalregisters bespelen met groot gemak!

Maar toch. En dan weer. En van de andere kant. Geestman leest moeiteloos (ai, daar had ik bijna gezegd “als een trein”). Je kunt het in een achternamiddag uit hebben, en dat komt niet alleen doordat het nog geen tweehonderd pagina’s dik is. Er zijn immers ook genoeg dunne boekjes waar geen doorkomen aan is. Geestman kent humor, de ondergrondse tocht is fascinerend en op een wat gedrogeerd soort manier bij vlagen loeispannend, het boek geeft hier en daar stof tot nadenken en polyfonie valt sowieso altijd te prijzen – al komt het hier misschien niet helemaal uit de verf. Als één ding – dan heeft deze eerste kennismaking met het werk van Dautzenberg me op zijn minst nieuwsgierig gemaakt naar andere titels van deze schrijver.

Ja, ik moet nog een boek van Dautzenberg lezen. Al was het maar om antwoord te krijgen op al mijn vragen. Die zullen na dat andere boek waarschijnlijk ook niet beantwoord zijn, sterker nog: de kans is groot dat ik dan alleen maar nóg meer vragen heb over wat voor schrijver Dautzenberg nu helemaal is. Zodat ik nog een boek van hem zal moeten lezen. En nog een. Ook een manier om dat niet misse oeuvre van je in iemands boekenkast te doen belanden.

Recensie van Tim Donker

Geestman

  • Schrijver: A.H.J. Dautzenberg (Nederland)
  • Soort boek: psychologische roman
  • Uitgever: Atlas Contact
  • Verschijnt: 15 november 2019
  • Omvang: 176 pagina’s
  • Uitgave: Paperback / Ebook
  • Recensie van Tim Donker

Bijpassende Boeken en Informatie

Chris Ceustermans – J.M.H. Berckmans Biografie

Chris Ceustermans J.M.H. Berckmans Biografie Schrijven in de grauwzone recensie en informatie over de inhoud van het boek. In 2018 verscheen bij Uitgeverij Vrijdag de biografie van J.M.H. Berckmans, geschreven door Chris Ceustermans.

Chris Ceustermans J.M.H. Berckmans Biografie Schrijven in de grauwzone Recensie

Chris Ceustermans J.M.H. Berckmans Biografie Schrijven in de grauwzone Recensie

Geschreven door: Tim Donker

Daar, in mijn boekenkast, staan ze zich te verdringen. Mijn literaire helden. Jacq Vogelaar. Sybren Polet. Mark Insingel. Bert Schierbeek. Pjeroo Robjee. David Markson. Samuel Beckett. C.C. Krijgelmans. Raymond Queneau. Ivo Michiels. Nathalie Sarraute. Daniël Robberechts. Daniil Charms. Louis Paul Boon. Gerrit Krol. Marcel van Maele. Wouter Godijn. Gust Gils. Arno Schmidt. J.M.H. Berckmans. Literaire helden zijn er in allerlei vormen en in allerlei formaten, maar er is geen literaire held te bekenken voor wiens werk mijn voorliefde zo totaal en compleet is als het geval is bij J.M.H. Berckmans.

Berckmans. Jean-Marie. De enige schrijver wiens werk ik compleet heb, of liever gezegd had: enkele van zijn boeken deed ik ooit cadeau aan iemand die ik zo innig lief had, dat ik geen betere manier wist om mijn liefde voor haar uit te drukken dan de schenking van het mooiste uit mijn boekenkast – de beste boeken die Berckmans geschreven heeft. En ik mis een biotoop, maar één naar het schijnt al dacht ik dat ik er meerdere miste. Maar daarover later meer. Ik heb zelfs die Perverted by Desire-cd waar hij op te horen is. En zijn verslag van de dag dat The Mekons naar Antwerpen kwamen al heb ik dat dan ook weer niet compleet want ik heb slechts één van de twee (of drie? vier?) Gonzo’s waar het in staat.

In 2018 verschenen maar pas vrij onlangs door mij opgemerkt: Schrijven in de Grauwzone, een biografie van J.M.H. Berckmans door Chris Ceustermans. Bij Uitgeverij Vrijdag. Die met iemand als Louis van Dievel ook al veel schoons in handen hebben, en misschien wel met meer ook, ik weet het niet; er gaan dagen voorbij dat ik de prospecta van Uitgeverij Vrijdag niet bestudeer – vandaag ook dat ik deze biografie pas dit jaar opmerkte en niet eerder. Ik lees eigenlijk zelden biografieën. Van mijn kinderen kreeg ik voor vaderdag de biografie van Luc de Vos en die heb ik met smaak gelezen. Ik moest wel wat overwinnen toen ik zag dat die geschreven was Leon Verdonschot want dat was toch die man met dat gezellige accent en die gezellige glimlach die net iets te vaak in net iets te gezellige televisieprogramma’s net iets te gezellig kwam praten over net iets te gezellige muziek? Maar ik moet toegeven: Verdonschot weet daar in die biografie een straf staaltje schrijfstijl neer te zetten.

Maar op gespannen voet blijf ik staan met het medium biografie. Als iemand me niet interesseert, hoef ik ook niets te weten over zijn leven. En als iemand met wel interesseert, weet ik beter zo weinig mogelijk over zijn leven. Wat je over iemand denkt te weten is immers altijd beter dan te weten wat je helemaal niet weten wil. Laat de werken spreken. De rest moet zwijgen.

Maar Schrijven in de Grauwzone – ja, dat moest ik lezen. Dan dienen zich twee vragen aan. Waarom? En: wanneer is het begonnen? De waarom-vraag beantwoordt Ceustermans zelf reeds op bladzijde tien van de biografie. “De wisselwerking tussen leven en schrijven in kaart brengen, lijkt mij de enige bestaansreden van een schrijversbiografie.”, schrijft hij en dat is het hem nu net. Het is ook de reden waarom ik normaal dus nóóit iemand biografie wil lezen. Dat dat bij Berckmans wel zo is, wortelt in het wanneer.

En eigenlijk is er twee keer een wanneer in mijn verhouding ten opzichte van J.M.H. Berckmans. Het eerste wanneer kan ergens op het eind van de jaren negentig van de vorige eeuw gevonden worden. Ik studeerde nog in die jaren. In ergens een De Slegte had ik een boekje gevonden. Een bloemlezing. Met proza en poëzie van –ik geloof-  voornamelijk Vlaamse schrijvers. Ik heb het boekje niet meer, ik moet mijn geheugen in dezen laten spreken. Als ik mij niet vergis was de titel van dat boekje Aan iedere spijker een regel. Er stonden twee stukken van Berckmans in. Ze werden gepresenteerd als prozagedichten, maar daarover is discussie mogelijk. Nogmaals, vanuit het geheugen: het waren, denk ik, Twee mannen bij een raam uit Bericht uit Klein Konstantinopel en Als ze je zullen komen vragen hoe het gesteld en gelegen is met onze liefde uit Taxi naar de Boerhaavestraat. Ik las het in de trein van mijn huis naar daar waar ik geacht werd college te volgen. Het maakte diepe, zeer diepe indruk op mij. Er was iets gezaaid dat nooit meer uit mij weg zou gaan.

Een rabiate zoektocht naar alles wat Berckmans ooit geschreven had, begon

Een rabiate zoektocht naar alles wat Berckmans ooit geschreven had, begon. Taxi naar de Boerhaavestraat was het eerste dat ik vond. In een boekwinkel in Eindhoven. Mijn vader stond erbij, hij zag me verwoed bladeren en hele passages lezen. Hij kocht het boek voor mij. Dat was opmerkelijk. Mijn vader was niet echt een gulle man. Ik kreeg bijna nooit iets van hem. Het was zo opmerkelijk dat ik zelfs in het boek schreef dat ik het van hem gekregen had. Taxi naar de Boerhaavestraat is zeker niet het beste dat Berckmans geschreven heeft. Dat weet ik nu, nu ik van een voltooid oeuvre kan terugkijken. Maar ook toen was er een licht gevoel van teleurstelling. Een tekst begon met de zin “Harry zat net heel intiem te schijten op zijn schijthuis toen er plots gebeld werd.”, en dat vond ik pure Bukowksi. Hoewel ik me in die tijd nog positief verhield tot het werk van Bukowski, sloeg ik Berckmans toch hoger aan dan dat. Niettemin bleef de zoektocht gaande. Daarbij vooral winkels in tweedehands boeken afschuimend. In die jaren was er in elke (middel)grote stad gelukkig nog een De Slegte. Ook geraakte ik tijdens een Vers voor de Pers dag in gesprek met Vic van der Reijt. Toen ik de naam Berckmans noemde, ontstond er een lang, geanimeerd gesprek dat nog enkele mailtjes en telefoontjes tot gevolg had. Van Der Reijt (zonder enige twijfel één van de sympathiekste mensen die ik ooit ontmoet heb) liet Harold Polis me alles toe sturen wat die nog van Berckmans had liggen maar daar kwam om één of andere rare reden alleen Vergeet niet wat de zevenslaper zei uit naar voren. Toch had ik vrij snel het meeste van wat Berckmans tot dan toe geschreven had compleet. Vooral Het zomert in Barakstad, Bericht uit Klein Konstantinopel, Ontbijt in het vilbeluik en Slecht nieuws voor Doctor Paf de Pierennaaier, Pandemonium in de Grauwzone maakten waarlijk onuitwisbare indruk (die laatste drie titels zijn ook nu nog wat mij betreft zijn drie allerbeste werken). Het maakte dat ik ook schrijven wilde, of liever: dat ik met wat ik al schreef naar buiten wilde treden omdat ik alles wat ik zag, voelde, dacht, las, luisterde van daken wilde gaan schreeuwen. Met een voormalig huisgenoot richtte ik een blad op dat we zelf vol schreven. Kraakpen noemden we het, naar een gedicht dat ik in die tijd schreef. Het stond voor zoveel willen schrijven dat je pen je gedachten niet kan bijhouden, begint te kraken en uiteindelijk breekt. Veel mensen plaatsen Kraakpen later in de krakershoek, of vatten het op als “de pen waarmee dingen afgekraakt worden”, en beide associaties bevielen mij totaal niet. Vooral afkraken was geen doel op zich bij Kraakpen. Het ging over passie en dat er daarbij dan al eens een onvertogen woord viel was alleen maar de keerzijde van die medaille.

Hoe ook: met Kraakpen was het tweede wanneer geboren. Voor Kraakpen 2 schreef ik een artikel over Berckmans. Ook stond er een lijstje in: “De 25 gaafste boeken ter wereld”; het eerste en laatste lijstje dat ik ooit gemaakt heb. Op één stond: “alles van Berckmans”. Hoe we zijn adres achterhaalden weet ik niet meer (misschien was Vic van der Reijt zo vriendelijk geweest?) maar in ieder geval stuurden we Berckmans een exemplaar van Kraakpen 2. Het jaar weet ik niet meer, maar het was aan het begin van de zomer. Niet veel later ging ik op vakantie. Toen ik terugkwam, stond er een lang bericht van Berckmans op mijn voicemail. Hij had Kraakpen 2 gelezen en hij vond het heel erg goed. Hij vond het ook een beetje raar, zei hij, maar vooral heel erg goed. Ik was extatisch. De schrijver die ik het hoogst had zitten van alle schrijvers in de hele wereld vond iets dat ik gemaakt had mooi! Mijn leven was voltooid, ik kon sterven. Dat hij zei dat hij het een beetje raar had gevonden verbaasde me wel een beetje omdat ik hem er niet de man naar vond om dingen snel raar te vinden of om überhaupt te denken in categorieën als normaal – raar, maar het nam de extase niet weg.

Ten huize van de Kraakpen-kompaan werd Berckmans teruggebeld, en dat was de eerste van een reeks telefoontjes tussen Utrecht en Antwerpen. Eén zo’n telefoontje herinner ik me nog goed. Het apparaat rinkelde, en ik nam op, en het was Geert Breës (in die dagen zo’n beetje de woordvoerder en secretaris van Berckmans) die me zei dat hij belde namens Jean-Marie Berckmans en dat die zo aan het toestel zou komen. Dat duurde even, en al die tijd praatte ik wat met Geert Breës. Toen nam Jean-Marie de hoorn van hem over. Hij was dronken, had zijn gebit niet in en praatte in een Vlaamse tongval (Limburgs? Antwerps?) waarmee ik misschien ook al moeite had gehad als het gesproken werd door nuchtere personen met tanden in hun mond. Ik begreep dat ze op het punt stonden om naar een concert van The Walkabouts te gaan, en dat hij daar erg opgewonden over was. Hoewel die man twintig jaar ouder was dan ik, had ik op dat moment vaderlijke gevoelens voor hem. Wat ik toen voelde, was niet zo heel erg ver vandaan bij de gevoelens die ik nu heb als ik mijn kinderen heel erg opgetogen zie zijn over een uitje of een vakantie. Vervolgens zei hij iets over Carla (Torgerson; zangeres / gitariste / celliste in The Walkabouts). Daarna raakte hij pas goed op dreef: er volgde een ellenlang verhaal waar ik niets van verstond. Het enige woord uit de schier eindeloze woordenbrei dat ik op had weten te pikken was “viool”. Toen hield hij op met praten en liet een onbedaarlijke lach horen. Daarna was het stil. Omdat ik helemaal  niets van het verhaal verstaan, laat staan begrepen, had, wist ik werkelijk niet wat te zeggen. Aarzelend hakkelde ik: “Dat is nog eens een bijzondere viool man!” Berckmans schoot opnieuw in een bulderende lach dus klaarblijkelijk was het raak geweest wat ik gezegd had. Of was het zo faliekant mis dat hij alleen maar lachte om de absurdheid van mijn antwoord.

De Kraakpen-tijd is zonder enige twijfel een van de meest creatieve, stimulerende en interessantste periodes van mijn leven geweest. De telefoon kon gaan, en dan kon het zomaar Berckmans zijn. Een e-mail kon binnen komen en dan kon het maar zo een meisje zijn dat een Kraakpen had gevonden bij één van onze verkooppunten, en dan schrijven dat ze het zo mooi vond, en dan schrijven dat ze het ’s avonds las in bed, en ik dan zo ontroerd zijn bij dat beeld van dat meisje dat ’s avonds in haar bed mijn blad lag te lezen. Of: de telefoon kon gaan en dan kon het maar zo Starik zijn.

Want ook F. Starik had in mijn “De 25 gaafste boeken ter wereld”-lijstje gestaan, en ook hij had een exemplaar thuisgestuurd gekregen. En ook hij had gereageerd. Hij nodigde ons, Kraakpen, uit om een optreden komen te verzorgen op een schrijvers/dichters-avondje dat hij organiseerde. Een uitnodiging waarmee we enerzijds erg blij waren. Maar anderzijds wisten we niet zo goed wat we ermee aan moesten. Gewoon teksten uit het blad gaan voorlezen, dat wilden we niet. We maakten in die tijd ook geluidstapes. Geen van ons tweeën kon een instrument bespelen. Maar de kompaan had een accordeon waaraan hij mooie brommende geluiden kon ontlokken, en ik had een akoestische gitaar waaruit ik iets kon krijgen dat in een hele verre verte aan een zware Swans-achtige riff deed denken. Of ik sloeg minimalistisch steeds opnieuw de drie zelfde snaren aan. De kompaan had bovendien een viersporen recorder en als we diverse sporen over elkaar heen legden: aan instrumenten ontlokte geluiden, aan in huis toevallig aanwezige objecten ontlokte geluiden, spraak – dan was het eindresultaat iets heel redelijks. Maar dat we dat niet konden reproduceren in een live-setting was duidelijk.

We tokkelden. We lieten de accordeon gonzen, brommen, brullen. Ik sloeg met een oude vork ritmisch op de snaren van een ukelele. Ik droeg mijn teksten voor. De kompaan droeg mijn teksten voor. Zulke dingen deden we die avond, in amper tien minuten. Maar het was goed genoeg voor enkele vervolgoptredens.

Voor twee van die optredens had Starik ook Berckmans uitgenodigd. De kompaan en ik waren in alle staten: we zouden onze grote held in levende lijve gaan zien. Beide keren, echter, belde Berckmans op het allerlaatste moment af. We zouden hem nooit in het echt ontmoeten.

Contact bleef er evenwel. Hij stelde me op de hoogte van zijn verhuizing naar de Lange Batterijstraat, en ik stelde hem op de hoogte van de mijne naar de Argusvlinder. Daar brak een zware tijd voor mij aan. Ik haatte het huis waarin ik woonde, ik haatte de buurt waarin dat huis stond. Mijn eigen grauwzone. Ik had met hangen en wurgen na acht jaar een vierjarige opleiding afgerond waarvan het me na twee weken al duidelijk geworden was dat mijn toekomst daar niet lag. Ik mocht nu het soort teksten gaan schrijven dat ik helemaal niet schrijven wilde. Reclameteksten. Teksten voor informatieve folders. Slogans. Dat soort dingen. Ik besloot freelancer te worden, om nog een heel klein beetje controle te hebben over wat ik wel en wat ik vooral niet zou schrijven. Er kwamen wel een paar opdrachten binnen maar lang niet genoeg om van te leven.

Op de koop toe explodeerde Kraakpen. Om een futiliteit kregen de kompaan en ik gigantische ruzie. Dat kwam nooit meer goed. Ik ging op mijn eentje verder met het blad dat ik voor de gelegenheid omdoopte tot Leve Kraakpen!. Maar ik miste de kompaan deerlijk. Hij was goed geweest in al die dingen die ik niet kon. Hij was punctueel: Kraakpen was een kwartaalblad, en dra er drie maanden om waren kwam hij ermee dat het tijd was om weer een nieuw nummer te maken. Hij had ideeën over omslag, over de volgorde van de teksten, over afwerking. Hij zei me in welke teksten ik over de schreef was gegaan, waar ik bepaalde zinnen beter kon weglaten of omgooien. Hij hoedde voor al te erge schrijffouten. Hij schreef zelf ook teksten, die mij dan weer inspireerden tot andere teksten. Kraakpen had maar een paar verkooppunten maar die waren wel verspreid over het hele land: Maastricht, Amsterdam, Nijmegen, Den Haag… Om één of andere reden stuurden we het blad nooit naar onze verkooppunten op, maar gingen we ze persoonlijk afleveren. Samen met hem waren dat hele fijne uitjes maar in mijn ééntje was het een rotklus. Nog steeds stuurde ik de bladen niet naar de verkooppunten, ik bood het blad eenvoudigweg niet meer in winkels aan. Stuurde het eenvoudigweg naar een handjevol geïnteresseerden. Waar dus niemand meer bij kwam (tenzij ik bij toeval iemand leerde kennen die in zoiets geïnteresseerd kon zijn).

Ik bleef nog wel rabiaat teksten schrijven maar wegens mijn gigantische aversie tegen het hele gedoe rondom de afwerking van het blad, ging de verschijningsfrequentie danig omlaag. Van een kwartaalblad werd het een halfjaarblad, toen een jaarblad, toen een tweejaarblad. Ook optreden deed ik niet meer. Starik nodigde me nog één keer uit. Ik besloot dit keer te doen wat we de eerste keer per se niet gewild hadden: eenvoudigweg een tekst voordragen. Dat vond Starik kennelijk wat te mager, en dus koppelde hij mij vlak voor mijn optreden aan een gitarist en een drummer. Zal ik dit riffje spelen? vroeg de gitarist, en hij speelde een riffje. Goed, zei ik. Zal ik dat dit ritme spelen? vroeg de drummer en hij roffelde wat. Goed, zei ik.

Toen het mijn beurt was, voelde ik me belachelijk. Met de kompaan had ik de idiootste dingen gedaan op het podium en ik had me nooit belachelijk gevoeld. Maar nu, met deze twee onbekenden, voelde ik me totaal voor aap staan. Al die mensen in de zaal bleven ook maar kijken. Konden die niet even lekker naar hun voeten gaan staren, of naar de persoon die naast hun zat ofzo. Ik verstopte me achter mijn lange haar, en raffelde in geen tijd mijn tekst af. Daarna draaide ik me om naar de gitarist en drummer, zogenaamd om oogcontact met hun te kunnen houden en hen zo te kunnen beduiden wanneer ze konden stoppen met hun riffje en hun ritme. Toen het klaar was, haastte ik me van het podium. Starik was niet onder de indruk. Maak het goed met je kompaan want je kunt het niet alleen, was zijn vernietigende oordeel. De ervaring zelve en de harde woorden van Starik erover waren de doodsteek voor mijn korte loopbaan als dichter/performer. Ik heb nooit meer opgetreden.

In mijn eigen grauwzone werd het altijd maar grauwzamer. Er belden geen Amsterdamse dichters meer. Er kwamen geen mails meer van meisjes die mijn blad in hun bed lazen. Er waren geen optredens meer waar ik me tussen schrijvers, dichters en muzikanten kon bevinden. Of na de hand in de bar met iemand uit het publiek praten over literatuur in het algemeen en mijn eigen teksten in het bijzonder. Er kwamen ook nauwelijks opdrachten voor de freelancerij binnen. Ik besloot dan maar een soort huisman te zijn. Al waren schoonmaken en opruimen niet precies hobby’s van me. Koken wel, daar besteedde ik dan ook de meeste tijd van de dag aan. Naast lezen, schrijven en muziek luisteren.

Van Berckmans hoorde ik nog één keer wat. Ik kreeg een mail van Kamiel Vanhole. Of ik Berckmans even kon bellen, en gauw. Ik wist niks in die dagen. Ik wist niet eens wie Kamiel Vanhole was. Oja, nu weet ik dat wel. Ja jullie komen altijd aan met die demon in Brussel en toegegeven: de eerste twee zinnen van het eerste verhaal zijn briljant. “Verval is een dankbaar model. Goedkoop ook.” Maar de derde zin vind ik dan alweer een stukje minder en die zal ik hier dan ook niet citeren. Maar Bea. Wat een prachtboek is dat zeg! Bea koester ik, Bea heb ik lief. Maar dat wist ik toen nog niet. En ik was op mijn hoede. Waarom was ik op mijn hoede, welke reden had ik om op mijn hoede te zijn? Weet ik niet, ik was altijd op mijn hoede in die dagen denk ik. Ik vroeg hem waarom ik Berckmans moest bellen. Ook vroeg ik hem wie voor de duivel hij nu weer was (ik schrijf het nu wat vriendelijker op dan ik destijds deed).

Misschien was ik mede hierom op mijn hoede: niet lang daarvoor had Berckmans me Frederik Lucien De Laere op mijn dak gestuurd. Zijn gedichten waren volgens Berckmans typisch iets voor Kraakpen geweest. Ik vond de gedichten niks. Ik drukte ze uit respect voor Berckmans wel af, maar ik vond ze niks. Ook hierin blijkt hoezeer mijn omstandigheden mijn blik zwart kleurden: achteraf bezien vind ik die gedichten best heel aardig. Ik zou nooit gezegd hebben dat ze typisch wat voor Kraakpen zijn, maar slecht zijn ze geenszins.

Als je hem belde, leek je nogal eens op net het verkeerde moment te bellen

Kamiel Vanhole mailde me terug dat het Berckmans gewoon goed zou doen iets van me te horen. Op de vraag wie hij (voor de duivel nu weer) was, ging hij (terecht) niet in. Maar nog belde ik Berckmans niet direct. Gebeld worden door Berckmans, dat was één ding. Dan was hij misschien dronken en tandeloos en onverstaanbaar maar in ieder geval vrolijk en joviaal. Als je hem belde, leek je nogal eens op net het verkeerde moment te bellen. Starik vertelde me in de dagen ooit dat Berckmans een telefoontje om één van de optredens voortijdig had afgekapt met de mededeling: “Nu moet ik televisie kijken. Dag!”

Ergens in de volgende dagen overwon ik mezelf. Ik belde. Berckmans was monter en vriendelijk. En verstaanbaar! Hij ging er lang op door dat hij Kraakpen zo goed vond. En dat hij een keer samen met mij een optreden wilde doen in Antwerpen. “Slapen is geen probleem, dat kan bij mij.” zei hij. Ook wilde hij een nog ongepubliceerd verhaal schenken aan Kraakpen.

Op de uitnodiging ben ik nooit ingegaan. Ik was bang, denk ik. Bang dat zijn woning aan de Lange Batterijstraat een grote puinhoop zou zijn en ik op een vervuilde matras tussen afval zou moeten slapen. Bang dat Berckmans apestoned zou zijn of stomdronken. Of allebei. Bang dat er de hele tijd waanzinnige figuren zouden aankomen; sommigen wier waanzin nog wel leuk zou zijn maar anderen van wie de waanzin alleen maar verontrustend zou zijn. Bang dat Berckmans optredens zou regelen op de onmogelijkste plekken. In het thuishonk van de Hell’s Angels ofzo, of in een basisschool, of in een bordeel. Bang dat Berckmans bij mijn aankomst helemaal niet thuis zou zijn en ook niet kwam opdagen ook, zodat ik daar zou staan in een Antwerpen dat ik nu niet precies als mijn broekzak kende, zonder rijbewijs, zonder vervoer en met maar dat hele kleine beetje geld dat in die dagen op mijn rekening stond. Ik was bang dat hij mij zijn wereld zou inzuigen, en ik nooit meer thuis geraakte. Ik was bang dat ik een gangster van de grauwzone zou worden. Ik was bang. Dus ik ging niet. En het verhaal. Ja, het verhaal.

Inderdaad stuurde Geert Breës me enkele dagen laten een e-mail met in de attachment een verhaal. Heimwee naar het hospitaal heette het, en het was prachtig. Het bevatte brieven aan zijn dode ouders, aan Kamiel Vanhole, aan ene Kristien (van wie ik toen nog niet wist wie ze was). Maar ik was koppig. Ik had twee nummers van Kraakpen in mijn hoofd die absoluut eerst moesten verschijnen voor er een Berckmans-nummer kon komen (een heel nummer met alleen zijn verhaal in? Ja, dat ging mooi zijn! En het verhaal was er lang genoeg voor). Doch met de immer dalende verschijningsfrequentie en al mijn persoonlijke problemen op dat moment duurde het vier jaar vooraleer ik het Berckmans-nummer kon laten verschijnen. In die tussentijd was het verhaal allang verschenen. In Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel, onder de licht gewijzigde (en mijns inziens betere) titel Heimwee naar het krankenhuis.

Ik voorzag problemen als ook ik het hele verhaal afdrukte. Dus drukte ik enkel de paar brieven af die de eindversie niet gehaald hadden. Het was nu echter veel te kort voor een hele Kraakpen, dus ik vulde het aan met een lang, associatief geschreven prozagedicht van mijzelf en een korte tekst van een vriend van me. Zo stuurde ik het naar Antwerpen. Berckmans reageerde niet. En ik was te beschaamd omdat ik zo ondankbaar was omgesprongen met zijn genereuze gift (een op dat moment nog ongepubliceerd verhaal van de meester zelf!) dat ik hem ook niet meer bellen durfde. Twee jaar later las ik op teletekst dat hij was overleden.

Daarom dus. Dat is het waarom, dat is het wanneer. Om een leven te kunnen aanraken waar mijn eigen leven vluchtigjes langs zeilen mocht. Daarom wilde, nee moest ik Schrijven in de Grauwzone lezen.

Aanvankelijk lukte dat slecht. Dat lezen bedoel ik. Ik moest erg wennen aan Ceustermans’ taalgebruik. Ceustermans. Chris. Journalist, ooit, voor De Morgen. Schrijver ook. De boekhandelaar uit 2014 is zijn debuut. Ik heb het niet gelezen, sorry. Maar de taal die hij in Schrijven in de Grauwzone aanslaat is eerder de taal van een journalist dan de taal van een schrijver. Ik hou niet zo heel erg veel van “emotionele rollercoaster” of “soulmate”. Ook de mij voorheen onbekende term “kop-staartbotsing” waarmee niet naar een daadwerkelijke botsing verwezen lijkt te worden maar naar seks of op zijn minst naar een in erotische handelingen uitgelopen ontmoeting, vind ik bijzonder onfraai. En waarom moet hij schrijven over een muze die door Berckmans op een “pedestal” gezet gaat kunnen worden? Je zult mij niet snel horen beweren dat “voetstuk” nu zo’n prachtwoord is. Maar “pedestal”? Doch wanneer het me echt rood voor de ogen wordt, wanneer ik echt wil gaan brullen, en smijten met dingen, en slaan met deuren, en heel hoog gillend door de straten wil gaan rennen, is als dat vreselijke, dat afschuwelijke, dat o zo afgrijselijke woord “vechtscheiding” valt. Het allerlelijkse neologisme allertijden.

Ook woorden waaraan ik niet perse een hekel heb –zoals “bestaan” of “imploderen”- gingen me naar verloop van tijd tegenstaan, omdat Ceustermans ze veel te vaak gebruikt. Een ander zwaktepunt wordt gevormd door de “anecdotiekjes” in Schrijven in de Grauwzone. Er moet een zekere verstandhouding geweest zijn tussen Luc de Vos en Jean-Marie Berckmans en dat moet meer geweest zijn dan alleen maar het loutere feit waar Ceustermans mee op de proppen komt, namelijk dat Berckmans eens backstage is geweest bij Gorki terwijl Luc de Vos een boek van Louis Paul Boon zat te lezen. Had Ceustermans het ook genoemd als het een boek van Dostojewski was geweest? Langs de andere kant: Ceustermans schrijft wel over Luc de Vos; Verdonschot noemde Berckmans nergens.

Daarnaast, en daar is Ceustermans allicht in iets mindere mate verantwoordelijk voor, lijken de scholieren- en studentenjaren van Berckmans wat stuurloos. Het is een komen en gaan van mensen, vooral meisjes aan wie hij brieven schrijft; brieven waaruit vrij schaamteloos geciteerd wordt in Schrijven in de Grauwzone. Van haast alle mensen die passeren, licht Ceustermans toe hoe en onder welke namen ze later zijn teruggekomen in Berckmans verhalen. Daardoor lijken de eerste hoofdstukken eerder een soort omgevallen kaartenbak te zijn dan een goed leesbaar verhaal. Ook is er uiteraard veel aandacht voor Geschiedenis van de Revolutie, Berckmans’ debuut uit 1977. Het is in 1994 heruitgegeven door Vic van der Reijt, en herdoopt in Brief aan een meisje in Hoboken. Het is die versie die ik ken en ik weet dat ik sta te vloeken in de kerk nu maar ik vind het niet zo’n heel sterk boek. Ik vind het vrees ik zelfs vrij saai. Het is het enige boek van Berckmans dat ik tegen mijn zin in heb gelezen. Ik vond dat ik het moest lezen, ik moest weten waarmee hij gedebuteerd was. Maar ik was er al vrij snel klaar mee. En toen moest ik nog vele, vele tientallen bladzijden.

Vanaf het huwelijk met Lut van Dijck wordt Schrijven in de Grauwzone beduidend interessanter. Het krijgt meer vet aan de botten, en alles wordt werkelijker. Vooral over de jaren in het Zuid-Italiaanse Bari heb ik ademloos gelezen. Het is een periode uit het leven van Berckmans die voor buitenstaanders veel meer aan suggestie onderhevig is dan zijn latere jaren (waarin hij veel meer leeft waarover hij schrijft). De naam Berckmans was in de tijd dat mijn voorliefde voor zijn werk een aanvang nam in Nederland niet meteen bij iedereen bekend. Zelfs mensen die geacht werden veel te weten over boeken en schrijvers –recensenten, boekverkopers, uitgevers- vielen nog wel eens stil als ik zijn naam liet vallen, om daarna schoorvoetend te moeten toegeven dat ze daar nog nooit van gehoord hadden. En mede-boekenliefhebbers lazen (en lezen nog altijd) al helemaal andere boeken dat ik deed (en doe). Maar áls ik dan eens op iemand stuitte die óók van Berckmans wist, dan zei die er altijd bij “Wist je dat hij een tijdje schoenverkoper in Italië is geweest?”. Ja dat wist ik, maar meer wist ik niet en degene die de Italië-jaren te berde bracht kennelijk ook niet. Je kon er je fantasie nog heerlijk op loslaten. Schoenverkoper in Italië, dat kon ook een gesjeesde student zijn die alles zat was en op een dag gewoon wat was gaan reizen, zonder plannen, zonder doel, en in Italië terecht gekomen was om daar enige tijd om in het levensonderhoud te kunnen voorzien illegaal in een onooglijk schoenwinkeltje te werken.

Maar zo waren de Bari-jaren alvast niet. Berckmans was er een heuse vertegenwoordiger, een “schoenenmakelaar”. Hij was succesvol, alom geliefd, en rijk. Lut en hij woonden in een grote villa vol met design meubelen. Als hij niet met zijn werk bezig was, flipperde Berckmans. Ook daar was hij goed in. Hij was de “pinball wizzard” van Bari, god betere het! Het is mooi en vervreemdend om hierover te lezen. Mooi omdat Lut en Jean-Marie het in het begin erg goed hadden in Bari, vervreemdend omdat het leven dat hij daar leidde zo slecht te rijmen valt met hoe het leven in Antwerpen later zou zijn.

Huiveringwekkend wordt het later. Berckmans begint het geluk in Bari te saboteren. Hij verwaarloost zijn huwelijk en begint de trekken aan te nemen van een gangsterbaas uit een Italiaanse b-film. Huiveringwekkend, nogmaals. Ook hoe autobiografisch Ray & Cecilia, Hoogzomer 1985 blijkt te zijn. Je ziet twee mensen en twee levens naar de filistijnen  gaan. Dat is al niet grappig maar als je weet dat je een vrij getrouw verslag zit te lezen over hoe het de latere jaren in Bari is gegaan, doet Ray & Cecilia, Hoogzomer 1985 al helemaal je nekharen overeind zetten.

Eenmaal terug in Antwerpen, legt Berckmans zich weer toe op het schrijven. Afgezien van enkele bijbaantjes (zoals taxichauffeur en folderbezorger) zou dat vanaf dan zijn enige werk zijn. Beginnend met Vergeet niet wat de zevenslaper zei uit 1989 zou er ongeveer elk jaar wel een boek van hem uitkomen, al gaat de stroom vanaf 2000 iets minder gestaag.

De honger naar erkenning

Zijn schrijfhonger is groot. Ook zo zijn honger om op dat vlak erkend te worden. In verscheidene kortfilms is te zien hoe Berckmans toegroeit naar een “gemediazeerde” versie van hemzelf. Maar evenzeer valt er uit af te lezen wat een ongekend intelligente man hij eigenlijk was. Eén filmpje (terug te zien op Youtube) in het bijzonder valt op. Hij vertelt hoe hij ooit eens heeft willen bellen met Peter Handke (ik wist niet dat hij geïnteresseerd was in Peter Handke eigenlijk, een schrijver die ook ik hoog aansla – en weer is er die spijt, die spijt dat ik toen nooit ben ingegaan op Berckmans’ uitnodiging; we hadden met gemak een hele nacht kunnen doorpraten over schrijvers, boeken, en muziek). Hij praat daar als een razende, zijn vlammend betoog doorspekkend met “Zegt u dat iets?”. Het gaf bij mij grond aan het vermoeden dat mijn moeite hem soms te verstaan aan de telefoon misschien niet eens zozeer samenhing met gebit, dronkenschap of tongval maar veeleer met de snelheid van zijn gedachten!

Niet alleen het schrijven is rusteloos in Antwerpen. Ook de psychische problemen spelen weer op. Berckmans wordt verscheidene malen opgenomen in inrichtingen. Alcohol, sigaretten, ondervoeding en eenzaamheid eisen meer en meer hun tol. Als hij in 2008 sterft is dat alleen en onder erbarmelijke omstandigheden. Hij is dan slechts 54.

Ondanks mijn opstartproblemen ermee (en mijn ergernisjes gedurende het boek), is Schrijven in de Grauwzone een warmbloedig, met eerbied, compassie, liefde en kennis geschreven boek. Vooral die kennis, die gaat tot in de kleinste hoekjes, trof me. Ceustermans weet van gesprekken tussen Berckmans en zijn ouders, opmerkingen die zijn vader gemaakt heeft (en die Berckmans kwetsten), waar verder niemand anders bij was. Alle betrokkenen zijn overleden. De gesprekken die Ceustermans met nabestaanden heeft gehad, moeten wel heel erg lang geweest zijn. Ik vraag me af wanneer hij is beginnen researchen. Zo trof het me te weten te komen dat de vrouw die in zijn boeken opgevoerd wordt als Baba Malade, Nadine W., nog leeft. In de eerste Berckmans’ biotoop, met de welluidende titel Alles wel in Kromksy’s hel, drukt hij haar brieven af. En haar foto, waaronder hij op een vrij lompe manier suggereert (ik zal de woorden hier niet herhalen) dat ze zou zijn overleden. Maar ze leeft nog, teruggetrokken en mensenschuw, en is erg beschadigd geraakt door haar episode met Berckmans.

Ook wist ik niet dat Jef Meert (bij wie de biotopen van Berckmans uitkwamen) helemaal niet de “piraatuitgever” was die Vic van der Reijt suggereerde dat hij was. “Eigenlijk is hij een piraatuitgever” zei Van Der Reijt tegen mij toen ik vertelde dat ik contact met Jef Meert wilde opnemen om Berckmans’ biotoop compleet te krijgen, “maar u mag hem mijn hartelijke groeten doen.” Maar het blijkt dus Berckmans zelve te zijn geweest die teksten bij meerdere uitgevers aanbood!

En gesproken over Berckmans’ Biotoop: ik wist ook niet dat er maar drie verschenen zijn. Dat zou betekenen dat ik er maar eentje mis. Ik dacht dat er veel meer biotopen waren, eigenlijk. Of ligt de omissie in dit geval bij Ceustermans? Over de in 2015 door Akim A.J. Willems verzorgde heruitgave van Tranen voor Coltrane vind ik immers ook niks terug – niet in Schrijven in de Grauwzone zelf en niet in de bibliografie achterin

Over zijn zussen is Berckmans in zijn boeken vaak niet al te positief maar met zijn (veel) jongere zus Veerle moet hij toch een goede band gehad hebben. Ze woonde een tijdje bij hem in, en heeft ook achter de bar gestaan bij Café de Raaf! Maar dingen als dit zijn details, en dat is niet waarom je een biografie leest. Wel omdat in een goede biografie alles tot leven komt. Ik heb het 326 pagina’s lange Schrijven in de Grauwzone in één week uit gelezen. Iemand zei me laatst dat als hij er even voor ging zitten, hij een boek van duizend pagina’s wel in twee dagen uit kon hebben. Dan lijkt een week voor 326 pagina’s lang. Maar als je zoals ik kinderen hebt die je naar school moet brengen, en dan weer moet halen, en moet verzorgen, en vermaken, en voeden, en naar de zwemmen brengen, en als je een huis hebt dat misschien af en toe eens schoon moet, en boodschappen die gehaald moeten worden, en een avondmaal dat gekookt moet worden, en als je misschien eens slapen moet, en als je alle tijd die naast al deze activiteit overblijft misschien niet alleen maar aan lezen in Schrijven in de Grauwzone wil besteden, maar ook aan muziek, of schrijven, of lezen in andere boeken – dan wil die week zeggen dat je het heel intens hebt zitten lezen. Gedurende die week was het me of Berckmans weer even leefde, en dat vond ik fijn. Hij stond me echter voor ogen dan in de periode dat ik hem (of hij mij) nog wel eens belde. Ik was na die week zelfs een beetje verdrietig dat het boek uit was, en Berckmans terug dood. Dit kan alleen maar betekenen dat Chris Ceustermans met Schrijven in de Grauwzone een bijzonder knappe prestatie heeft geleverd.

Ook al een jaar uit maar eveneens door mij over het hoofd gezien: Verhalen uit de Grauwzone. J.M.H. Berckmans’ beste. Een selectie uit elf van zijn achttien boeken. In de verantwoording wordt boudweg gesteld dat Verhalen uit de Grauwzone de eerste heruitgave is sinds het postume Vier laatste verhalen maar dan wordt voor het gemak toch weer eventjes die heruitgave van Tranen voor Coltrane vergeten. Maar een bloemlezing uit Berckmans’ werk hebben we niet meer gezien sinds Berckmans’ beste uit 1997; een bundel waarmee Verhalen uit de Grauwzone in ieder geval tot dat jaar nogal wat overlap heeft. Maar dat maakt niet uit, want een verhaal als het bloedmooie Met Jan in de metropool of De Ballade van Wasted Youth kan niet vaak genoeg herlezen worden. Berckmans is sowieso de enige schrijver die ik wel eens herlees. Er is (en wordt nog steeds) zoveel moois geschreven dat ik doorgaans liever iets nieuws lees dan iets dat ik al eens gelezen heb. Maar Berckmans herlees ik geregeld. Toen mijn zoon een baby was, las ik hem wel eens voor uit de boeken van Berckmans. Het ritme en de melodie van de Berckmans’ taal beviel hem volgens mij wel (afgaande op de grijns die hij altijd op zijn gezicht had als ik weer eens Berckmans aan hem voorlas) en ik denk dat hij er niets aan overgehouden heeft. Maar zo wel, dan is dat misschien de reden dat hij nu op zijn zesde zo’n bizar grote woordenschat heeft.

Klagen! Vrolijk en woedend fulmineren

Verhalen uit de Grauwzone is een best of, en een best of betekent: klagen! Vrolijk en woedend fulmineren. Want. Waarom niet De zoon van de Molengraaff of Dromen van Francavilla aan de Po uit Café de Raaf nog steeds gesloten opgenomen? En De Killer van Kaggevinne heb ik nooit zo’n best verhaal gevonden (ik heb überhaupt minder met de verhalen van Berckmans waarin het geweld explicieter wordt); in plaats daarvan had ik uit Rock & Roll met Frieda Vindevogel gekozen voor In de kelder speelt de rotfanfare of De blauwe parade of waarom niet gewoon één van de “kaderteksten” zoals dat geniale loflied op de Aldi (ook zo’n tekst die ik geregeld aan mijn zoon voorlas). Dat hele raamvertelling-idee had Berckmans er toch maar een beetje met de haren bijgesleept. Er is weinig reden om Rock & Roll met Frieda Vindevogel niet óók als verhalenbundel te benaderen of, omgekeerd, al Berckmans boeken als romans te zien – zij het zeer fragmentarische en meerstemmige romans. En waarom waarom waarom is die fantastische zin uit Hoe het is (Het zomert in Barakstad): “in heel europa schrijven verbruikers naar ariel vloeibaar” veranderd in “in heel europa schrijven verbruikers naar adel vloeibaar” en wat is “adel vloeibaar” eigenlijk? De mogelijkheid dat het om een zetfout gaat, sluit ik uit want met zo weinig aandacht kan Verhalen uit de Grauwzone niet gemaakt zijn. En nu we het toch over Het zomert in Barakstad hebben want daar hebben we het over, waarom, waarom niet uit dat boek, uit Het zomert in Barakstad (want daar hebben het over), waarom niet het prachtige nee fantastische nee magistrale Uit ogen die huilen van misprijzen opgenomen? Of Dringend? Of Polonaise voor het voetvolk? Of waarom ja eigenlijk niet gelijk half die bundel? Waarom niks uit Slecht nieuws voor Doctor Paf de Pierennaaier, Pandemonium in de Grauwzone, waarom niks uit As op Jazzwoensdag? Schrijft Ceustermans: “Deze twee literaire jazzopera’s bevatten geen aparte verhalen, wel repetitieve, muzikale motieven die pas in hun geheel tot hun recht komen”. Maar vanaf Bericht uit Klein Konstantinopel (dat in de inhoudsopgave van Schrijven in de Grauwzone nog Bericht uit Klein Konstaninopel genoemd wordt, waar is die twede t gebleven de tweede t is weggelopen) zijn ál Berckmans boeken “literaire jazzopera’s” met “repetitieve, muzikale motieven die pas in hun geheel tot hun recht komen”; het is zoals ik hoger stelde echt niet heel ver gezocht om in Berckmans bundels gewoon romans te zien. Fragmenten kiezen kan altijd in een bloemlezing – een bloemlezing is een selectie fragmenten.

Maar dat alles is blij geklaag (oké ik vind serieus dat Verhalen in de Grauwzone twee keer zo dik had mogen zijn – minstens) want het was me sowieso aangenaam weer werk van Berckmans te herlezen. Of aangenaam, dat is misschien niet het juiste woord. Berckmans’ werk wordt vaak met (free) jazz vergeleken, en het is zeker waar dat zijn schrijven onder invloed van jazz (die hij vooral in Bari heeft leren kennen) alleen maar beter geworden is. Maar als aan iets muzikaals, dan zou ik Berckmans boeken liëren aan black metal. Dat is niet meteen de meest salonfähige muziek dus niet iedereen zal erg ingenomen zijn met deze vergelijking. En toch. Bands als Wehmut & Nae’blis (o god ja Nae’blis)  (wat haalt het bij de grootsheid van Nae’blis?) & Gris (o god ja Gris) (wat haalt het bij de grootsheid van Gris?) & Lost Inside & Xathrites & Unjoy & Einsamtod & Sombres Forêts of voor mijn part Nocturnal Depression. Hoe het schroeit. Hoe het zwart galt. Hoe het bijna niets te ademen overlaat. En geen licht. Vooral de latere verhalen. Het mokerde toen, en het mokert nog steeds.

Wie alles van Berckmans in de kast heeft, hoeft Verhalen uit de Grauwzone niet perse aan te schaffen (of nee, wel: al was het alleen maar voor die fantastische omslag; een schilderij van Jean-Marie Berckmans, getiteld “Mijn vrienden de deurwaarders”), maar wiens collectie gaten kent (omdat hij achter netten viste, of omdat hij ze schonk aan een vrouw die hij hoopte de zijne te maken, voor altijd de zijne, totaan Llanera en terug, totaan Obaba en terug, totaan Bari en terug, of naar Slovenië misschien), kan die mooi ten dele opvullen met deze mooie bloemlezing.

Kende je Berckmans’ werk überhaupt niet? Koop dan vandaag nog Verhalen uit de Grauwzone. Nu. Waar wacht je nog op?

J.M.H. Breckmans Verhalen uit de grauwzone Recensie

Verhalen uit de grauwzone

J.M.H. Berckmans’ beste

  • Schrijver: J.M.H. Berckmans (België)
  • Soort boek: verhalen
  • Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag
  • Verschenen: 2018
  • Omvang: 225 pagina’s
  • Uitgave: Paperback / Ebook

Schrijven in de grauwzone

J.M.H. Berckmans, de biografie

  • Schrijver: Chris Ceulemans (België)
  • Soort boek: biografie
  • Uitgever: Uitgeverij Vrijdag
  • Verschenen: augustus 2018
  • Omvang: 326 pagina’s
  • Uitgave: Paperback / Ebook

Bijpassende Boeken en Informatie