Tag archieven: Rinske Bouwman

Rinske Bouwman – Korstmos

Rinske Bouwman Korstmos recensie en informatie over de inhoud van de tweede roman van de Nederlandse schrijfster en theatermaker. Op 23 september 2025 verschijnt bij Uitgeverij Orlando de nieuwe roman van Rinske Bouwman, de uit Nederland afkomstige schrijfster.

Rinske Bouwman Korstmos recensie van Tim Donker

Je dacht dat wij het waren. Maar we waren het allemaal.

Want als ze je met het mes op je keel komen vragen waar het over gaat, dan zou je misschien zeggen dat het gaat over een buschauffeur die zorgt zijn aan kanker stervende vrouw.

Maar neen. Daar gaat het niet over. Niet echt.

Of wel echt. Maar toch niet.

In ieder geval is Marius, de hoofdpersoon van Korstmos, buschauffeur. Thuis, in de huiskamer, ligt Philo als uitbehandelde kankerpatiënt dood te gaan. Steeds is de verwachting dat ze het volgende jaar niet meer zal halen. Maar steeds weer haalt ze de volgende jaren, en ook de daarop volgende. Ooit was ze niet ziek, toen waren Philo en Marius gewoon man en vrouw in plaats van zieke en verzorger, en in die dagen ontwikkelde Philo computerspellen. Hoe heet dat. Ze weet veel van computers en internet, en om haar man zich meer te laten voelen dan buschauffeur en verpleger tipt ze hem The Otherworld. Een spel op internet, waarin je een alternatief leven kan leiden. Het spel bevalt Marius. Het bevalt hem zeer. Hij organiseert er feesten op een eiland, feitelijk besloten feesten al wordt die beslotenheid steeds opener. Daarnaast fokt hij tijgers. Die kunnen andere bezoekers van The Otherworld dan houden als afgerichte huisdieren. Hij leert mensen kennen. Liv bijvoorbeeld, die in het werkelijke leven ergens in Leeds woont en waarmee Marius in The Otherworld trouwt. En andere mensen. Vrienden van Liv, bezoekers van zijn feesten. Gaandeweg wordt The Otherworld meer en meer een parallelle wereld, een bestaan naast zijn andere bestaan.

Zoals in haar debuutroman, Een soort eelt, laveert Bouwman ergens tussen alledaags en uniek. Kanker bestaat. Buschauffeurs bestaan. Doodgaan bestaat. Internet bestaat. En ik ken er niet zoveel van, maar spellen als The Otherworld zullen ook wel bestaan.

Al heeft niet iedereen een stervende vrouw in huis, of een spel waarin hij tijgers fokt.

Maar in handen van Bouwman wordt het alledaagse surreëel. En het surreële juist weer heel, euh, alledaags.

Want Marius praat telepathisch met dieren. In ieder geval voert hij in gedachten hele gesprekken met een merel, een mier, een schaap, een egel, of met Ruud, hun kat. Tegen dat er een tijger opduikt in het huis waar Marius en Philo wonen kijkt de lezer daar eigenlijk al niet echt meer van op. Het dier gaat ook mee op de bus, zit in een kuipstoeltje, ach, eigenlijk heel normaal. Niemand ziet de tijger behalve Marius. Of. Nee. Misschien. Toch.

Eerst dacht ik dat Marius de tijger had meegenomen uit The Otherworld. Dat het iets zei over virtuele werelden en echte werelden, en dat die niet zo makkelijk te scheiden zijn als wel aangenomen wordt. Dat je iets meeneemt uit wat (of wie) je “slechts” “online” kent, en dat uiteindelijk ook je gewone (je “offline”) (?) bestaan beïnvloedt. Maar later wordt in het boek zelf gesuggereerd dat de tijger staat voor rouw. Dat Marius eigenlijk al jaren afscheid aan het nemen is van Philo. Maar Philo blijft hier, jaar na jaar, waardoor zijn rouw ergens blijft steken (en materialiseert als tijger) (ook dat is doodnormaal in een boek van Bouwman) (veranderde er in Een soort eelt niet iemand stukje bij beetje in een yak?). En dan volgt er ten aanzien van de tijger vrijwel op het einde nog een onthulling die de “gematerialiseerde rouw”-lezing weer enigszins op losse schroeven zet.

Want hoe zeg je dat? Ja, ik weet hoe ik het zou kunnen zeggen. Ik zou hier en nu een achterlijkheid als “Niets is wat het lijkt bij Rinske Bouwman” uit het klavier van mijn kompjoetur kunnen rammen. Maar dat is zo’n afgrijselijke dooddoener dat niemand dat nog serieus neemt. Soms is taal stuk gebruikt. Dan is de betekenis ervan versleten. Maar je kunt in dit boek diverse malen peinzen dat je wel zo’n beetje weet hoe het zit, en dan blijkt het bladzijden later toch vooral niet zo te zitten.

Zelfs het achterplat is wat mij betreft abuis (of “zelfs”, een achterplat slaat wel vaker de plank mis). Er ontstaan niet per se “barstjes in de evenwichtige symbiose tussen Marius en Philo”. Maar ze zijn al tijden niet meer op dezelfde bladzijde. Marius verzorgt iemand met een terminale ziekte. Hij is de sterke, de gevende, de geduldige, degene die nooit iets voor zichzelf mag vragen, die in geen jaren meer een gelijkwaardige partner kan zien in zijn vrouw. Philo is degene die doodgaat, opgegeven is, steeds minder zelfstandig kan, alle hulp in grote dankbaarheid dient te aanvaarden, voor haar verjaardagen alleen nog maar doe-dingen krijgt als een saunabon of een ui (dan staat dan voor “een uitje”) (ja) want waarom zou je een stervende nog iets blijvends geven? Dat zijn zulke verschillende posities dat het evenwicht vanzelf een beetje zoek raakt. Maar wie er “eigenlijk” de overlever is, en wie de vegeterende is nog niet eens zo zeker.

Dat is Bouwmans kracht.

Eerst verdacht ik haar nog wel van mooischrijverij. Aan het begin van het boek zit een scene waarin de “kamera”, als ik dat zou mag noemen, of, zeg, haar pen, zich langzaamaan terugtrekt uit het huis van Philo en Marius en op straat belandt waar een klein meisje met chocomel in haar rugzak huilt bij het zien van een dode duif in de goot. Waarom dat meisje, waarom die chocomel, waarom die duif, hier begint het larmoyant te worden dacht ik, moeten er nou zoveel mogelijk tere beelden bij elkaar gepropt worden, is dat er niet een beetje over, is dat niet een beetje als ingetogen pianomuziek bij een verdrietige scene in een film, voor wie nog niet begrepen had dat het allemaal heel erg droevig is: hier is de muziek (in dit geval in de vorm van een dode duif). Maar het meisje krijgt een rolletje in het boek, weliswaar een verwaarloosbaar bijrolletje dat met een heel dun flintertje aan de verhaallijn van Philo en Marius vastgeplakt zit maar dat maakt niet uit, fragementarisme is alleen maar mooi, brokstukken van verschillende levens overal.

Verschillende levens ja.
Want nu heb ik u waar ik u hebben wil.
Ik dacht dat wij het waren maar we waren het allemaal.

Hoe bijzonder het leven van Philo en Marius ook is, het is ook het uwe.
Waarheen het gaat enzo. Allemaal richting de dood toch? Het lijkt een beetje flauw om mee af te komen maar de stervende Philo die maar niet sterft deed me denken aan de woorden die Frank Zappa sprak tegen een journalist die hem opbelde om te vragen of zijn ziekte terminaal was: “Alles is terminaal!”. Of dan Marius. Die niet echt op de bus wilde werken, het is maar tijdelijk, het is maar voor nu, hij kan anders, hij kan meer, niet dat hij het niet prettig vind op de bus, nee, integendeel zelfs, maar het is toch maar voor even. Bekend? Misschien wel, toch? Je dacht dat het alleen maar voor erbij was, een tijdje, je was zzp’er, je was een eigen bedrijfje aan het oprichten, het ging nog niet zo florissant alleen en je had er even een tijdelijke vaste inkomstenstroom bij nodig om te kunnen opstarten, jajaja, en voor je het weet werk je ineens 22 jaar bij de post en is dat hele eigen bedrijfje nergens meer. Of buschauffeur dus. Je dacht dat jullie het waren maar jullie waren het allemaal. In de gesprekken die Marius met de dieren voert, gaat het ook nogal eens over hoe je je leven moet inrichten. Er is een schaap dat een pleidooi houdt voor radikaal kollektivisme; een egel houdt een pleidooi voor radikaal individualisme. Een mier zit daar een beetje tussenin. Hij vertelt Marius een moje legende die onder mieren leeft: de eeuwige cirkel. Mieren die mieren achterna lopen, niemand weet alleen dat er geen voorste meer is en dat ze elkaar in een gigantische cirkel achterna blijven lopen. Dat verwoordt wel vrij kernachtig mijn angst voor elk kollektivisme: niemand denkt nog zelf na wanneer volgzaamheid het grootste goed is geworden. Daar kunt u Claude Lefort nog wel op na lezen. Of René ten Bos. Of Giorgio Agamben. Of Mattias Desmet. Of denk terug aan de van de gele hond gescheten coronajaren: de mensen die toen zeiden dat het totalitarisme niet was geïnstalleerd: dat zijn die mieren (de overheid zei u wanneer u uit werken mocht gaan, de overheid zei u dat uw kinderen niet naar school mochten gaan, de overheid zei u dat ongevaccineerden niet welkom waren in de horeca, de overheid zei u dat u zonder beflap voor uw bakkes geen boodschappen mocht gaan doen – als dat geen totalitarisme is, wat dan wel?).

En zo.
Ja zo inkt Bouwman haar woorden rechtstreeks op, en ook nog wel dwars door uw huid. Ik ging kapot bij de scene waarin Ruud dood ging. Huilen. Maar echt keihard, mijn dochter schrok ervan, wat is er met jou. Was er de hele verdere dag ook nog verdrietig van (zelfs nu ik deze woorden schrijf wellen de tranen wederom in me op). Dat is starkschrijven (wat iets anders is dan mooischrijverij). Of misschien is dat alleen maar mijn hele grote hart voor katten dat opspeelde.

Goed ook dat Bouwman losse eindjes laat. Waar ze zelf staat in de keuzes die de dieren Marius voorleggen, blijft onuitgesproken: Korstmos wordt nergens prekerig. Of uitleggerig. Het meisje met de duiven duikt een paar keer op, en verdwijnt dan weer. Net zoals mensen op The Otherworld, Marius’ virtuele wederhelft Liv voorop. Waar iedereen heen gaat, waar iedereen blijft? Uw gok is zo goed als de mijne. Of “de gedaante”, die ook nog in het boek voorkomt. Een gedaante die door afvalcontainers struint, doorheen straten stombelt. Eerst dacht ik dat het een zwerver was. Toen dacht ik dat het De Dood was die wacht op zijn kans met Philo. Daarna dacht ik dat het misschien stond voor het monsterlijke mombakkes dat Het Leven Zelve niet zelden opzet. Nog weer later dacht ik er niks meer van, en ook dat doet Bouwman goed: de lezer laten meedeinen op de golven van het verhaal. Niet van alles hoef je iets te denken. Niet alles behoeft een of andere verklaring. Niet alles moet logisch zijn. De dingen zijn. Rare dingen, ongrijpbare dingen, of juist het allertriviaalste der dingen. Het is er. Alles is er nog. En zolang het er nog is, is er nog leven.

Korstmos is een bloedmooie roman die mogelijkerwijs sommige petten te boven zal gaan. Maar daar is het goed toeven voor romans: vlak boven sommige petten. Precies daar moet je zien te geraken als schrijver.

Rinske Bouwman Korstmos

Korstmos

  • Auteur: Rinske Bouwman (Nederland)
  • Soort boek: Nederlandse roman
  • Uitgever: Uitgeverij Orlando
  • Verschijnt: 23 september 2025
  • Omvang: 224 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 22,99 / € 14,99
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de tweede roman van Rinske Bouwman

Marius is buschauffeur, beginnend vogelaar en mantelzorger van zijn vrouw Philo, die al jaren langer leeft dan verwacht. Als game developer tipt ze hem The Otherworld, een online virtuele wereld, waar mensen van over de hele wereld samenkomen en zichzelf kunnen zijn, of juist helemaal niet.

In The Otherworld koopt Marius een eiland van pixels en hij begint een diervriendelijke tijgerfokkerij, waar hij elke vrijdagavond een steeds drukker bezocht online feest geeft. Door nieuwe mensen te ontmoeten en een eigen sociaal leven op te bouwen bereidt hij zich zo goed mogelijk voor op een leven na Philo’s dood.

Hoewel ze al jaren samen zijn ontstaan er barstjes in de evenwichtige symbiose tussen Marius en Philo. Marius haalt inspiratie uit de natuur om hem heen. Hij krijgt tips van schapen, mieren en zijn eigen kat Ruud. Ook een zwaan probeert hem te troosten. Toch wordt de kloof tussen Marius en Philo groter, tot er een tijger in zijn huiskamer staat. Een echte, niet een van pixels.

​Rinske Bouwman is geboren in 1988. Ze is een Utrechtse theatermaker en schrijver. Haar voorstellingen speelden op verschillende festivals en in theaters in Nederland. Haar teksten zijn macaber en humorvol. Vaak is rouw een hoofdthema in haar werk, dat ze met een lichte toon en absurde inslag hoopvol maakt. Een soort eelt, haar debuutroman, verscheen in 2024.

Rinske Bouwman Een soort eelt recensieRinske Bouwman (Nederland) – Een soort eelt
Nederlandse debuutroman
Uitgever: Uitgeverij Orlando
Verschijnt: 11 januari 2024
Tim Donker recensie
Een cadeau voor de bespreker: het beste boek om alle voorgaande boeken mee te vergeten. Dit is een mooi boek. Dit is een poëties boek. Dit is ondanks dat hele grote verdriet een hartverwarmend boek…lees verder >

Bijpassende boeken

Rinske Bouwman – Een soort eelt

Rinske Bouwman Een soort eelt recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe Nederlandse roman. Op 11 januari 2024 verschijnt bij uitgeverij Orlando de debuutroman van de Nederlandse schrijfster Rinske Bouwman.

Rinske Bouwman Een soort eelt informatie

Rinske Bouwman is geboren in 1988. Ze is is een Utrechtse theatermaker en schrijver. Haar voorstellingen speelden op verschillende festivals en in theaters in Nederland. Rouw is een thema dat in veel van haar werk te vinden is maar meestal op een lichte toon en met een absurde inslag zodat het niet te zwaar wordt.

Met Een soort eelt waarover je op deze pagina uitgebreide informatie kunt lezen, debuteert Rinske Bouwman als romanschrijfster.

Recensie en waardering van Een soort eelt van Rinske Bouwman

  • “Bouwman is een scherpe observator, die complexe emoties secuur en met mededogen en lichtheid ontleedt. Haar zinnen zijn prachtig, haar beelden verrassend, en vaak is ze ook nog eens ontzettend grappig, ook (juist!) wanneer ze over pijnlijke zaken schrijft. Een soort eelt is half Kafka, half Bervoets, maar bovenal helemaal Bouwman.” (Koen Caris, auteur van Stenen eten)
  • “Knap hoe Bouwman steeds genoeg spanning oproept om door te willen lezen, zowel door haar afgewogen informatiedosering als door haar beeldende zintuiglijke stijl.” (Trouw)
  • “Bouwman heeft haar originele vertelling kundig opgebouwd […] Een soort eelt maakt door het verregaand vervlechten van realiteit en fantasie indruk.” (NRC, ∗∗∗∗)

Recensie van Tim Donker

O maar dat is altijd weer een raar moment. Een raar moment hier in het huis. De bespreker leest een boek. Het boek is uit. De bespreker staat op, en loopt met het boek in zijn hand naar de secretaire. Daar legt hij alle boeken neer die gelezen zijn, uit, maar nog niet besproken. Het  boek ligt daar dan, op de hoek, een stapeltje inmiddels, want er is nog wel wat werk aan de winkel voor de bespreker. Dan staat hij, de bespreker, nog even, nog even vlakbij het boek. Dat uit is, maar nog niet besproken. De bespreker slingert zijn beide armen langs zijn lichaam heen en weer, misschien in een poging het boek dat hij zojuist uit las van zich af te schudden. Dan is het weer terug naar de leesstoel, dan is het weer zitten daar, dan is het weer grajen naar het volgende boek op de stapel.

Dat is altijd weer een raar moment. Een raar moment hier in het huis. Het vorige boek is uit, zindert nog na in het lijf van de bespreker, de personages lopen nog door zijn kop. Maar nu moet hij zich gaan inleven in het volgende boek, in nieuwe personages, in een andere schrijver, met andere woorden, andere zinnen, andere dingen te vertellen.

De buitengewoon geslaagde opvoeding van Frida Wolf was het boek dat ik zojuist neerlegde op de hoek van mijn teergeliefde maar tamelik rotzooierige secretaire. De laatste zin gelezen, en mijn koffie is nog niet eens koud als ik aan Een soort eelt ga beginnen. Het debuut van Maria Kager had me geraakt, goed geraakt, diep geraakt. Het zal niet eenvoudig zijn om kieren te maken in wat Kager in me achter liet zodat het licht van Rinske Bouwman kan binnendringen. Of. Naja. Woorden zijn licht. Toch?

Dat is te zeggen. Ik weet nog wat teejoo zei. Hij zei Ze maakt beelden van vlees op de koelvriesafdeling van een supermarkt, dat leek me wel wat voor jou. En nu ben ik wrevelig. Ik weet niet waarom hij schijnt te denken dat ik zo een siekegheest ben, die alles dat riekt naar dood en ellende en bloed en drek almeteens prachtig zou vinden. Vleesskulpturen, waarom zou ik me vergeilen aan vleesskulpturen? Ik weet niet hoe ik aan dat stigma kom. Wat erger is: ik weet niet hoe er weer af te geraken. Dus ik zit. En ik zucht. En ik monkel.

Maar komaan. De koffie is nog niet eens koud, en Bouwman kan er niks aan doen. Bouwman kan er vermoedelijk niet eens wat aan doen wat er over haar boek op het achterplat (in dit geval zijflap) terecht komt, en minder nog aan wat teejoo daaruit pikt om het boek bij mij aan te prijzen. Dus lezen nu. Lezen nu de koffie nog warm is.

Sarlag is geboren in Nederland en opgegroeid in Mongolië. Nu is ze weer terug in Nederland, om er te studeren. Haar minor ofzo, ik nie weet nie. Hoe heet dat allemaal, toen ik studeerde waren al die amerikaans-achtige termen nog niet zo in zwang. Je studeerde gewoon tot je studie af was en dan was je afgestudeerd en de echte studiebollen konden dan nog promoveren. Maar goed, studeren dus. In Nederland. En dan moet je in je levensonderhoud kunnen voorzien, en daartoe nemen studenten een bijbaantje.

Sarlag op die koelvriesafdeling van een supermarkt. Meer bepaald: de koelvriesafdeling van de Dirk van de Broek. Als u het mij vraagt, u vraagt het mij niet maar daarom zeg ik het toch maar, is de Dirk van de Broek met afstand de meest hollandse, de meest deprimerende, de meest troosteloze supermarkt van Nederland en misschien zelfs wel van Europa en daaraan draagt die achterlijke koelvriesafdeling die ze daar hebben (waar je als klant midden in de zomer in je tiesjurtje nog kans loopt een dubbele longontsteking op te lopen) niet weinig bij. Allicht dat Bouwman net daarom ook voor deze supermarkt gekozen heeft, maar misschien ook niet. Misschien ben ik wel de enige Nederlander die zo intens droevig wordt van de Dirk van de Broek. Van het feit dat iedereen het altijd maar over “De Dirk” heeft, van dat sjeuloze assortiment, van die stomme reclame, van de oerlelijke  bedrijfskleding, van dat algehele gebrek aan sfeer in hun winkels (natuurlijk gaat niemand voor de sfeer naar een supermarkt maar als je er geen stap over de drempel kunt zetten zonder eerst een gezinsverpakking Prozac geslikt te hebben, is het toch wel biezonder erg gesteld).

In de Van de Broek (ja ik weiger “De Dirk” te zeggen) en in haar studentenhuis, maar vooral niet in de kolleezjebanken leeft Sarlag haar studentenleven. Er is een vriend die Kalle heet en die net iets te vaak aardappelsoep maakt. Er zijn huisgenoten die aan yoga doen. Er zijn feestjes. Er is een onmisbare onesie. Er zijn gedachten aan thuis, aan Mongolië, aan haar ouders en een broertje genaamd Yul.

Volgens het achterplat moet het ook duidelijk zijn dat er een groot verdriet is maar eigenlijk is dat zeker aan het begin (maar totaal welke bladzijde kun je in een boek nog van “het begin” spreken?) helemaal niet zo duidelijk. Sarlag is misschien geen doorsnee studente, maar dat kun je ook aan temperament wijten. Aan haar hoogst eigen, zomwijlen enigszins kinderlijke blik op de wereld.

Zo vind Sarlag dat je in Kalles ogen als je wilt mars zou kunnen zien; als hij straalt dansen er marsmannetjes op zijn irissen. Over die in zijn ogen wonende marsmannetjes denkt ze als volgt na: “Ze zullen wel altijd dorst hebben van het zoute traanvocht waarin ze wonen. Ze zijn drenkeling op zee en zijn irissen zijn zinkgaten waar waarschijnlijk zeemonsters wonen.” – dat is tiepies het soort gedachte dat begint in een kinderbrein om afgemaakt te worden in het hoofd van een volwassene (of andersom misschien). Zo stombelt Een soort eelt steeds op en overheen grenzen: tussen kind en volwassene, droom en realiteit, een (on)mogelijk hier en een (on)bereikbaar daar.

Tussen humor en ernst, tussen dagdagelijksheid en hemel, tussen poëzie en banaliteit. Neem de prachtige gedichten die af en toe de verhaallijn onderbreken en rare opsommingen vormen waarvan de zin pas later duidelijk wordt.

Of neem de levendige gedachten van Sarlag; al die beelden waarvan het de lezer niet steeds aanstonds duidelijk is dat het allemaal alleen maar in haar hoofd bestaat: kokend heet water en slappe broccoli over haar buik gieten als ze op de kruimeltafel in de kantine ligt, een meisje bevriezen op haar koelvriesafdeling of samen met alle klanten de hele Vandebroekvloer volgieten met zuivel (en ik dacht aan de pindakaasvloer) (en daardoor dacht ik aan Ernie) (en elk boek dat me doet denken aan Ernie is een goed boek).

Of ook. Een klant vraagt om kreukelfriet maar dat is er niet, en Sarlag raadt hem ribbelfriet aan. Waarna ze peinst aan alle producten die geribbeld kunnen zijn: een grappige, en weeral enigszins kinderlijke opsomming. Totdat condooms zich in de opsomming wringen.

Ik dacht eerst: dit is hoe de banaliteit van Nederland, een banaliteit zo banaal dat wij beter spreken van Holland (Holland is waar Nederland te laag wordt om nog neder te mogen zijn en al haar holheid onverbloemd prijs geeft); dit is hoe de fantasieloze werkelijkheid; dit is hoe de aldag Sarlag langzaamaan opeet maar neen, naar het einde toe wordt het boek zelfs een slagje surrealistieser (en krijgt ook de proloog, gefocaliseerd vanuit een tussen laaglandse koeien levende jak, die proloog die mij in beginsel zo vergezocht leek, alle betekenis).

Het gaat niet om gekonsumeerd worden door een verpletterende roetiene in een sowieso weinig tot frivoliteiten geneigd land (wat ik, lezend, nog wel even dacht); het gaat, wel degelijk, om een verdriet dat zijn oorsprong vindt in Mongolië en door Sarlag nergens ontlopen kan worden. Het Mongolië waar haar vader wolkenjager was, haar broer Yul zo gek was op zijn playstation, de ger verplaatsbaar was, en de zomer helemaal zomer was met de rendiermensen van de taiga, met het meer van Hövsgöl waar ze woonde en het Ulanbataar waar ze studeerde (wat door mij nooit los gezien kan worden van de rockband Ulan Bator & hoe ik hou van hun En France wat volgens mij niet eens hun beste seedee is) (de Mongolië-passages -ja om en om komt het verleden beslag nemen van Sarlag, de lezer en Een soort eelt– –om en om wat– —om en om de hoofdstukken natuurlijk let dan ook op truttemie—; welaan dus, de Mongolië-passages zijn erg mooi, erg beeldend, erg sprekend beschreven, dit leer je niet uit films of boeken of gesprekken, een mens zou haast gaan denken dat Bouwman langstwijlen in Mongolië woonde). Verdriet vloert. Plat op de vloer. Er is geen verder neer mogelijk.

Misschien zegt Bouwman iets te vaak “zich ergens toe verhouden”, misschien gaat het iets te vaak over (tong)kussen met jongens, misschien is het iets te vaak gewild poëties (zoals in een hap sneeuw nemen die “naar oplossingen [smaakt]”) maar alles bij alles is Een soort eelt een cadeau voor de bespreker: het beste boek om alle voorgaande boeken mee te vergeten.

Dit is een mooi boek.
Dit is een poëties boek.
Dit is ondanks dat hele grote verdriet een hartwarmend boek.

Ik zou haast zeggen: dit is een leuk boek. Ware het niet dat dat een beetje een lullig en besmuikt woord is. Wat is leuk een schaap is leuk zeggen de mensen dan. Of een jak. Is ook leuk. Ja. Een jak is ook leuk.


Rinske Bouwman Een soort eelt recensie

Een soort eelt

  • Auteur: Rinske Bouwman (Nederland)
  • Soort boek: Nederlandse roman
  • Uitgever: Uitgeverij Orlando
  • Verschijnt: 11 januari 2024
  • Omvang: 192 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 22,99 / € 16,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de debuutroman van Rinske Bouwman

Tragikomische debuutroman over verdriet, familie en de kracht van verhalen.

De Nederlandse Sarlag is grotendeels in Mongolië opgegroeid en keert als studente terug naar Utrecht. Ze draagt een groot verdriet met zich mee, maar heeft veel talent om dat uit de weg te gaan. Tijdens de lange dagen die ze maakt op haar werk op de koel-vriesafdeling van de supermarkt, boetseert ze half gesmolten vriesproducten tot vleesbeeldjes en kalmeert ze zichzelf door haar favoriete feiten op te noemen.

Gaandeweg wordt duidelijk wat er gebeurd is in haar gezin, maar ondertussen heeft het onverwerkte verdriet zich al vastgezet in Sarlags lichaam en vindt er een absurde metamorfose plaats.

​Rinske Bouwman is geboren in 1988. Ze is een Utrechtse theatermaker en schrijver. Haar voorstellingen speelden op verschillende festivals en in theaters in Nederland. Haar teksten zijn macaber en humorvol. Vaak is rouw een hoofdthema in haar werk, dat ze met een lichte toon en absurde inslag hoopvol maakt. Een soort eelt is haar debuutroman. Haar tweede roman Korstmos verschijnt in september 2025.

Bijpassende boeken en informatie