Tagarchief: Uitgeverij Voetnoot

Chris Reinewald – Hard zijn

Chris Reinewald Hard zijn recensie en informatie over de inhoud van  deze roman. Op 23 september 2019 verschijnt bij Uitgeverij Voetnoot de familieroman over een NSB-gezin van Chris Reinewald.

Chris Reinewald Hard zijn Recensie en Informatie

Zodra de redactie het boek gelezen heeft, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van Hard zijn, de roman over een NSB-gezin van Chris Reinewald. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van deze roman van Chris Reinewald.

Chris Reinewald Hard zijn Recensie

Hard zijn

  • Schrijver: Chris Reinewald (Nederland)
  • Soort boek: familieroman, oorlogsroman
  • Uitgever: Uitgeverij Voetnoot
  • Verschijnt: 23 september 2019
  • Omvang: 320 pagina’s
  • Uitgave: Paperback

Flaptekst van de roman

In zijn zwarte, op historische feiten gebaseerde roman Hard zijn vertelt auteur Chris Reinewald in 51 korte hoofdstukken het relaas van het Amsterdamse NSB-gezin Waldeneck. Geïntrigeerd door zijn eigen incomplete familiegeschiedenis gaat de schrijver op onderzoek uit en reconstrueert in fictievorm wat gebeurd zou kunnen zijn.

Het is begin juli 1940. De 51-jarige, naïeve hoofdpersoon Leen Waldeneck schikt zich willig naar haar man Frits, een postbode,
uniformgek en gehard NSB’er in de Amsterdamse wijk De Pijp. Vanwege zijn woedeuitbarstingen en politiek fanatisme noemt de buurt hem ‘de Hitler van de Rustenburgerstraat’. Zoon Frits junior droomt van een loopbaan als NSB-burgemeester. Als op 5 september 1944, Dolle Dinsdag, het gerucht gaat dat de geallieerden op het punt staan Nederland te bevrijden en alle NSB’ers als collaborateurs zullen worden opgepakt, vluchten Leen en andere NSB-vrouwen en kinderen in speciale treinen naar nazi-Duitsland. In een opvangcentrum in Lüneburg verblijft ze tussen lotgenoten: fanatiekelingen, misleide idealisten, apolitieke meelopers, sukkelaars, avonturiers.

Ondertussen misdraagt Frits zich in Nederland als landwachter. Leens smeekbede haar in Duitsland te komen bezoeken in het pension op de Lüneburger Heide waarheen ze inmiddels is overgebracht, wimpelt hij resoluut af: ‘Ze moet niet huilen maar hard zijn. Net als hijzelf.’ Na een inval van de nazi’s worden Leen en de overige pensiongasten in KdF-Stadt (het huidige Wolfsburg) te werk gesteld in de oorlogsindustrie. In april 1945 wordt ze teruggevoerd naar het bevrijde Nederland en als landverraadster geïnterneerd in een gevangenkamp bij Bakkum. Kort na de Bevrijding pakken de Canadezen Frits en Frits junior op in Amsterdam: zij moeten een lange gevangenisstraf uitzitten. Leen, beschouwd als meeloopster, komt als eerste vrij. Thuis in De Pijp wacht ze op de terugkeer van man en zoon. Pas in 1948 is het gezin Waldeneck herenigd. Tot hun dood zal hun verzwegen ‘foute’ verleden hen parten blijven spelen. De roman eindigt in 1978.

Bijpassende Boeken en Informatie

Karel Čapek – Dasja

Karel Čapek Dasja recensie en informatie over de inhoud van dit kinderboek. Op 13 mei 2019 verscheen bij Uitgeverij Voetnoot de Nederlandse vertaling van het enige kinderboek van de bekende Tsjeische schrijver Karel Čapek.

Karel Čapek Dasja Recensie

Op hoeveel manieren kun je een kinderboek lezen? Ik zou zeggen minstens drie. Er zijn kinderboeken die heel genietbaar zijn voor volwassenen. Die, in sommige gevallen, zelfs leuker, rijker, intenser zijn voor volwassenen. Omdat de humor pas met de jaren echt op smaak komt, of omdat het verwijzingen bevat die alleen begrepen kunnen worden door iemand met een wat ruimer referentiekader.

Op hoeveel manieren kun je een kinderboek lezen?

Ik ben niet het soort volwassene dat graag voor zichzelf kinderliteratuur leest, maar ik heb wel veel van zulke volwassenen gekend. Hun argumenten om kinderliteratuur te prefereren boven volwassenenliteratuur waren altijd sterk. Dat in kinderliteratuur de verbeelding sterker aan de macht is, dat de taal er doorgaans soepeler is, dat de conventies binnen kinderliteratuur net een fractie minder stootvast zijn: allemaal waar en allemaal uiterst aantrekkelijk en toch ben ik na mijn lagereschooltijd nooit meer écht in de ban geweest van een kinderboek. Misschien de licht absurdistische, bij vlagen surrealistische & somwijlen sterk poëtische dierenverhalen van Toon Tellegen die ik mijn zoon alle avonden voorlas toen hij een jaar of vier was. Maar ook hier is de vraag of die verhalen me zelfs maar half zo goed gesmaakt hadden zonder het heerlijke geluid van de lach van mijn zoon, of de filosofische gesprekjes die we vaak naar aanleiding ervan hadden.

Wat me brengt bij de tweede manier om een kinderboek te lezen: voorlezen. Aan je partner, zoals dat in de jaren negentig hip was onder altostellen. Of aan je kinderen, zoals ik het nu alle avonden doe bij die van mij (en menig maal overdag ook trouwens). Voorlezen is een totaal ander soort lezen dan stillezen. Omdat je de woorden verklankt, is het lijflijker. Bij het stillezen wil een mens de woorden nog wel eens invullen. Je “raadt” woorden soms meer dan je ze leest. Bij het voorlezen is er geen smokkelen mogelijk: waarlijk ieder woord moet het brein passeren. Daarenboven heb je een toehoorder. Die stelt je vragen. Dingen die je jezelf niet afgevraagd zou hebben. Of komt met opmerkingen. Dingen die je zelf niet opgemerkt zou hebben. Er is beweging in het lezen, een beweging die er anders niet is (ook letterlijk: ik maak altijd veel armgebaren als ik mijn kinderen voorlees).

Tot slot is er nog het kinderboek dat gelezen wordt door een kind. Verwoed, hardop misschien. Spellend. Kinderen lezen vaak nog heel fysiek. Met hun vinger betasten ze de regels. Ze liggen in de mafste posities als ze lezen. En je kunt het verhaal al bijna meelezen door alleen maar naar hun onophoudelijk veranderende gezicht te kijken.

Dasja van Karel Čapek heeft op elk van deze drie niveaus iets te bieden maar zeker niet alles. Het is me ook wel duidelijk waar de schoen hier wringt. De Tsjechische Čapek (1890 – 1938) heeft een gigantisch oeuvre bijeen weten te pennen, in de meest uiteenlopende genres. Van alles wat hij geschreven heeft, is mij eigenlijk alleen het charmante reisverslagje Prenten van Holland bekend dat eerder bij uitgeverij Voetnoot verscheen maar er is nog meer werk van hem in het Nederlands vertaald. Ik weet ook, dat hij in veel van zijn romans een surrealistischere / dromigere toon niet schuwt, en net daarom is het eigenlijk jammer dat hij in zijn –bij mijn weten enige- kinderboek kiest voor droog realisme: Dasja beschrijft de eerste paar weken van één van de pups van Čapeks hond Iris. Het is niet meer dan dat, en het is niet minder dan dat: de werkelijke lotgevallen van een werkelijke pup en diens werkelijke moederhond.

Daarmee ontneemt Čapek zichzelf een van de voordelen van kinderliteratuur: fantasie! De verteltrant is grappig genoeg maar als je zoals ik niets met honden hebt, blijft het toch een beetje steken in anecdotiek. Anecdotisme; is dat al een stroming binnen de literatuur? Čapek als de grappige oom die vol zit met leuke verhalen over zijn hond (nu ben ik een rabiaat kattenliefhebber, maar ik vraag me hard af of ik er niet gewoon hetzelfde over had gedacht als Dasja een kat was geweest). Hoofdstuk 6, met daarin de verhalen die Čapek aan Dasja vertelde om haar stil te laten zitten zodat hij een foto van haar kon nemen, is om die reden nog het sprankelendst. Eindelijk kunnen de ijzeren ketenen met “echt gebeurd” verbroken worden en kan het brein van de schrijver vrijelijk rondrennen.

Voor de volwassene is –naast dat hoofdstuk 6- het meeste te halen uit Čapeks zotte terzijdes. Zinnen van het type: “Als Dasja eens echt de stoute schoenen aantrok (dat wil zeggen: ze trok geen schoenen aan, maar stroopte haar mouwen op) (om precies te zijn: ze stroopte ook haar mouwen niet op, maar ze spuugde zogezegd in haar handen) (begrijp me goed, ze kon natuurlijk niet in haar handen spugen, want ze kon nog niet spugen en haar handen waren zo klein dat ze ernaast zou mikken), kortom, als Dasja er flink tegenaan ging […]” las ik dan ook lichtjes gniffelend voor (en mijn vierjarige dochter vroeg Pap, waarom zit je te lachen?). Maar ook hieraan was een limiet: na een tijdje ging dat “grappige schrijven” me wat gezocht aandoen. Dan wordt het minder grappig, en zelfs enigszins vermoeiend. Iedereen heeft wel zo’n buurman of zo’n collega die altijd grappiger moet zijn dan een ander. Die altijd woordspelingen moet maken, of dubbelzinnige opmerkingen. Die nooit direct en neutraal kan antwoorden op een vraag of een opmerkingen maar eerst een kwartier lang leuk moet gaan zitten doen. En dat je daar dan staat met je neplach en je engelengeduld. Ga ik vandaag nog antwoord krijgen of moet ik mijn vrouw bellen dat het later wordt? Tegen dit soort “leuk doen om het leuk doen” schurkt Čapeks schrijven in Dasja best een beetje aan en de ene keer is dat al wat minder geslaagd dan de andere.

Ook maken zinnen als de hogergeciteerde (vol bijzinnen en bijzinnen binnen bijzinnen) dat het niet “lekker” voorleest, een “gebrek” dat echter weer ruimschoots wordt gecompenseerd door de vele tekeningetjes en foto’s die je samen met je kind(eren) kunt bekijken (en die in ieder geval door mijn dochter stuk voor stuk allemaal “heel lief” werden bevonden). Doordat de hoofdstukjes kort zijn, kan je er ook gemakkelijk elke avond één doen en omdat het boekje niet al te dik is, is het uit voor de verveling kan toeslaan. Mijn dochter en ik hebben er ongeveer een week over gedaan en ze bleef geboeid (maar ze vroeg niet, zoals ze wel bij andere boeken soms doet, aan het eind of we ‘m nog eens konden doen).

Karel Čapek Dasja Recensie

Aan mijn zoon van zes vroeg ik, omdat hij al kan lezen, of hij een stukje hardop wilde lezen. Hij las probleemloos de bepaald niet korte eerste zin en gaf het boek daarna aan mij terug. Klaarblijkelijk niet genoeg gegrepen om ook de rest te willen lezen. Dat zegt echter niks over de geschiktheid van Dasja als zelfleesboek voor oudere kinderen.

Plezierig kinderboek dat niet helemaal beklijft

Dasja is niet de interessantste titel uit Čapeks oeuvre. En het is ook niet een ongekend fantastisch kinderboek. Maar ik heb er plezier aan gehad, en mijn dochter ook. Waarschijnlijk zullen gezinnen met een hond, of kinderen die gek zijn op honden zonder er zelf één te hebben, hier meer uithalen.

En wat kun je verder nog zeggen over een kinderboek? Niets, behalve dan dat het nu uit is. En einde zeggen, en het boek dichtslaan, en het licht uitknippen, en slaap lekker zeggen, en een kusje. Maar in het geval van mijn dochter kom ik echt niet weg zonder Famous blue raincoat gezongen te hebben.

Recensie van Tim Donker

Dasja

Oftewel het leven van een pup

  • Schrijver: Karel Čapek (Tsjechië)
  • Soort boek: kinderboek
  • Origineel: Dášeňka čili Život štěněte (1933)
  • Nederlandse vertaling: Edgar de Bruin
  • Uitgever: Uitgeverij Voetnoot
  • Verschenen: 16 mei 2019
  • Omvang: 122 pagina’s (met tekeningen)
  • Uitgave: Paperback

Bijpassende Boeken en Informatie

Janine Jongsma – Gewoon logisch Recensie

Janine Jongsma Gewoon logisch recensie en informatie over de inhoud van deze debuutbundel met poëzie. Op 31 januari 2019 is bij Uitgeverij Voetnoot de eerste bundel met gedichten verschenen van Janine Jongsma.

Janine Jongsma Gewoon logisch Recensie

Daar zat ik. Op de bank, in mijn huis. De kinderen waren naar school, de koffie was zwart, de zon viel doorheen de ramen op mijn gezicht. Er stond een muziekje op. The No-neck Blues Band geloof ik, maar het kon even goed The Black Hawk Ladies & Tambourins van El Boy Die geweest zijn (of was het niet Demdike Stare die keer, of Muslimgauze nee het was zeer zeker Meredith Monk – of misschien ook niet). Hoe ook, ik zat en ik las Bokman van Dean Bowen – en ineens realiseerde ik me dat er kleine slijtplekjes waren ontstaan op mijn voorliefde voor de experimentelere poëzie.

Of nee, wacht. Eerst wil ik iets anders vertellen. De grootste winst van 2019, nu al, in mei al, is dat Gewoon Logisch van Janine Jongsma me geleerd heeft dat ik niet gek ben. Want vele jaren geleden zat ik ook al, maar toen in het deprimerendste wokrestaurant (is er een ander soort van wokrestaurant dan?) dat Utrecht rijk is. Personeelsuitje. Ik zat aan tafel met mijn meest ruimdenkende collega, en met nog wat andere. Hoe het kwam weet ik niet maar ik begon een gedicht van Gust Gils voor te dragen, iets met een pan pijn op de kachel en neem gerust want er is genoeg voor iedereen. Ik weet het niet, ik deed het uit het hoofd, het zat vast vol fouten. Het deed wenkbrauwen fronsen, dat gedicht, ook, zeer tegen mijn verwachting in, bij die ruimdenkende collega (die een denker was, en zelf ook las, en zelfs een boek vertaald had, en in zijn leven meer dan eens tegen de stroom ingeroeid was zo had hij me verteld). Toen ik thuis kwam, en ik de gefronste wenkbrauwen van me afgeborsteld had, wilde ik controleren hoe goed of hoe fout ik het gedicht eigenlijk geciteerd had. Gust Gils. Ik wist vrijwel zeker dat het in Afschuwelijke roze yogurtman stond, ik bladerde door, ik vond niet. Ik begon te twijfelen.

Was het misschien geen zelfstandig gedicht maar een stuk uit een groter gedicht? Ik las heel Afschuwelijke roze yogurtman door (wat een fantastisch goede dichter toch, Gils, keer op keer weer), geen pan met pijn en geen kachel. Misschien stond het in Een plaats onder de maan. Niks. Later kwam, op verschillende tijden en door verschillende oorzaken, het gedicht nog een aantal keer mijn brein binnengewandeld. Ik wist zeker dat het in Zanger met zuurstofmasker moest staan, nee in Een handvol ingewanden (natuurlijk! met die titel!), in Drie partituren misschien? Niks, niks, niks. Ik begon te twijfelen. Was het misschien van een heel andere dichter? Nu bladerde ik als een razende alle dichtbundels in mijn kast door maar niets, en onbegonnen werk bovendien. Ik begon te denken dat ik gek was. Kon ik dat gedicht verzonnen hebben? Kan een mens een heel gedicht bij elkaar hallucineren, en dan ook nog aan een bepaalde dichter toeschrijven? Dat dat eerste kan, daar hebben vele poëten -vooral in de zestiger jaren van de vorige eeuw- wel getuigenis van afgelegd. Maar dat tweede?

Maar! Een gedicht in Janine Jongsma’s Gewoon logisch deed me weer, voor de zoveelste keer maar weer, aan dat gedicht van Gust Gils denken en voor de honderdste keer ging op speurtocht doorheen al mijn Gils-bundels. Maar dit keer vond ik het! Het staat in Uniek onkruid, een dun bundeltje dat op één of andere manier tussen zijn paraproza verzeild was geraakt (vandaar dat ik het niet vond, want wie zoekt er nu gedichten bij het proza, zelfs al is het paraproza en zelfs al is het Gust Gils). Ik kom hier later allemaal uitgebreid op terug, jongens en meisjes, maar eerst even dat andere.

Welja, Dean Bowen dus. Die bundel waarover ik in de winkel nog zo enthousiast was geweest. Ik sta niet meer zo vaak in winkels waar je poëzie kan kopen, maar die keer stond ik er wel. Gewoon lukraak dichtbundeltjes uit de kast grissen en doorbladeren, wat een heerlijk tijdverdrijf eigenlijk toch. Waarom doe ik dat niet wat vaker? De meeste zet je binnen de minuut alweer terug op de plank, er blijven er altijd een paar over waarin je wat langer blijft hangen. Zo ook Bokman. Waarmee ik uiteindelijk naar de kassa ging, mijn best doend niet te juichen. Want dit ging goed zijn. Maar toen ik daar zat, daar, op die bank, in die zon, op die dag, met die koffie, toen bleef het zweven. Op plekken waar ik niet (meer) kom. De woorden zweefden ergens buiten mij en ze weigerden naar binnen te gaan.

Uiteraard was nu net dat ooit de grootste aantrekkingskracht voor mij als het om abstracte poëzie ging. De verwarring. Het gevoel verloren gelopen te zijn. Ergens nooit helemaal bij te kunnen. Maar nu zag ik voornamelijk de afstand, het gapende niets tussen de woorden en mij. Continue ontregeling kan ook best saai zijn. En eerst toen pas begon het me op te vallen dat dat de laatste tijd wel vaker aan het gebeuren was als ik experimentele poëzie las. Het (radicaal) andere leek zijn zeggingskracht voor me te verliezen, minstens in de poëzie dan toch (experimenten binnen proza zijn al dunner gezaaid dus daarvan in de slagkracht nog altijd wat groter). Mogelijkerwijs was het tijd om mijn poëzie in een andere hoek te gaan zoeken dan ik gewend was te doen. Maar welke hoek dan?

Die van de vuilbekkende dichter? Die nog klaarder spreekt, misschien, dan ik willen zou? De klassieke dichter? Die op elk woord een laatste rijmwoord wil hebben? De geëngageerde dichter? Die me vertellen komt dat oorlog slecht is, de mens de aarde vernielt, het grootkapitaal de oorzaak is van alle ellende, bedrijven geen geweten hebben, regeringen corrupt zijn en verder alle mensen wat liever voor elkaar zouden moeten zijn? De grapjesdichter? Die vooral wil dat ik lachen moet als ik gedichten lees? De sentimentele dichter? Die de hele dag door ontroerd zit te wezen met alles wat hij ziet?

De dichters die alleen voor wie ze liefhebben willen heten? De muziekdichters, de sportdichters, de filosofisch geschoolde dichters, de puntdichters, de religieuze dichters, de boze dichters, de observerende dichters, de alwetende dichters?

Hmm.

Micropoëzie? De dichter die me één korrel op zijn tafelkleed toont en me laat zien hoe bloedmooi die korrel is? Of macropoëzie: de dichter die de hele wereld in zijn gedichten wil laten meezingen? Welke literatuur welke poëzie welk poëtica welke stem uit welk koor? Ja, wat is het eigenlijk dat een gedicht met me gedaan moet hebben opdat ik na het gelezen te hebben opspring en vol overtuiging uitroep Ja! Dit was een mooi gedicht! Ik moet niet gelachen hebben, ik moet ook niet perse gehuild hebben geloof ik. De lach en de traan zijn het gemakkelijkst te manipuleren, dat bewijst Hollywood keer na keer met alles wat het uitbrengt. Wil ik dan ontredderd zijn? Bevreemd beangst ontheemd euforisch extatisch dronken verstild strijdbaar verbijsterd, wil ik mijzelf buiten mijzelf gesmeten terugvinden, of wil ik alleen een warm en zacht geluk? Wil ik eindelijk weten wat ik helemaal nooit weten wou, wil ik dat het ergens over gáát, wil ik enkel maar dansen met de woorden?

Ik verloor mijn gevoel voor richting in de poëzie, hoe lang al? En wie laat het me weer hervinden?

Maar! Dan! Als een engel! Als een engel uit de hemel! Zendt die goede Anneke Pijnappel van uitgeverij Voetnoot mij iets. Iets dat normaliter niet snel zou lezen. O, dat zou een subcategorie moeten zijn in elke poëziekast in elke boekhandel: Poëzie die Tim normaliter niet snel zou lezen.

Janine Jongsma. Gewoon logisch. Dat ik nog nooit van die dichteres gehoord had kan kloppen want dit is haar debuut. Dat de titel en die net iets te geposeerde foto op de achterkant weinig enthousiasmerend zijn, negeer ik. Ik. Ga. Gewoon. Lezen. Nu. Daar. Op die bank, die ene. Waar ik toen ook Bokman zat te lezen. Je weet wel. Of niet, je kent mijn huis misschien niet.

Vanaf gedicht één is het almeteens raak want ik lees me daar het bijna perfecte Sommige dingen zijn gewoon logisch:

Sommige dingen zijn gewoon logisch
in ons huis kun je overal je voeten vegen
het tegeltapijt heet je honderd keer welkom
maar als de bel gaat doe je niet open

We zijn erop getraind om ter plekke neer te vallen
ons achter de bank te verstoppen
of desnoods in het gordijn te wikkelen
niemand maakt een enkele beweging

We zijn erop getraind dat de indringer niet opgeeft
roerloos seinen we met onze ogen richting voordeur
want er volgt steevast nog een tweede poging
die van het langdurig de vinger op de bel houden

Wij blijven in de houding zonder een krimp te geven
want we willen niet onbeleefd overkomen
op mensen die weten dat we thuis zijn
en door het venster staan te gluren

Bijna perfect zei ik, ja dat las je goed. De tragiek van het mensdom ligt vervat in dit gedicht. Hoe graag zouden we de straat op gaan en de hele wereld met open hart tegemoet treden. Maar na de eerste confrontatie moeten we zulk een voornemen vaak alweer opgeven. Hoe graag zouden we iedereen dubbel welkom heten in ons huis, hoe schoon is in theorie de interactie, hoe verrijkend een ander inzicht dan het eigen. We zouden graag degene zijn die de deur altijd los heeft staan.

Maar dan weer, ze willen altijd net langs komen als we nog in pyjama zijn, of hoofdpijn hebben, of van plan waren eens een lang en lekker heet bad te nemen, of de kinderen uit school moeten halen, of verstilde muziek aan het luisteren zijn waar geen praat bij past. De “je” is de radicaal andere die welkom geheten wordt maar niet binnen mag komen. De “je” is degen die geen actor in het spel is – het spel is altijd binnen zodat het ook buitenstaanders kent.

Door het veralgemenizerende “je” in regel vier te plaatsen krijgt het niet open doen iets van een voorschrift of een gewoonte: zoiets doe je gewoon niet. Daardoor gaat er iets van de hogergeschetste gelaagdheid verloren. Er is nu geen verscheurdheid tussen de wil en de praktijk meer; het staat immers vast dat er niet opengedaan zal worden. Dat de ongewenste bezoeker niet voor het hoofd gestoten mag worden door hem al te openlijk buiten te sluiten, is mooi en heeft nog iets van de worsteling in zich tussen wat het tegeltapijt belooft en wat de werkelijkheid leveren kan. Maar toch blijft Sommige dingen zijn gewoon logisch bijna perfect. Totaal perfect was het geweest als er had gestaan “doen we niet open”.

Niettemin een prettige kennismaking met Jongsma, en ik lees door. Dat, alvast, is al niet elke dichtbundel gegeven: dat ik door wil lezen na de eerste kennismaking. En prettig blijft het bladzijden lang. Misschien juist wel doordat Jongsma nergens nadrukkelijk haar positie als poëet opeist – wat haar gedichten zo’n heerlijke onnadrukkelijke poëzie verschaft. Ik had mijn vinger niet op de bel gelegd, en toch heeft Jongsma me welkom geheten en me laten zien waar de poëzie huist. Onder in het gootsteenkastje misschien:

Gewoontes zijn er om je aan vast te klampen

Er staat een pan soep onder in het aanrecht
eerst achter de Vim, nu achter de Jif
maar wij noemen het gewoon Vim

Het is altijd dezelfde groentesoep
van een onbestemde kleur grijs
er drijft een dikke laag vet op

Dan blijft hij een week houdbaar
is het excuus van mijn moeder
die geen soep kan koken

Waarom wij een pan soep hebben
terwijl geen mens ervan eet
is geen vraag die je stelt

Het went om te leven in een huis
waar alles overbodig is
Alleen mijn vader drinkt de soep gulzig
tussen de middag uit zijn bierglas

Mogelijkerwijs is het alleen maar mijn zieke brein, maar dit is dus het gedicht dat me aan een gedicht van Gust Gils deed denken. Ik zal dat gedicht hierbij in zijn geheel citeren (weest niet bevreesd, het is maar kort):

De pijnfuif

vrienden ik heb de pijn
maar op de kachel gezet
om ze warm te houden

als iemand pijn wil
ze is lekker vers
neem gerust

en neem wat meer
er is pijn genoeg
voor iedereen

-Gust Gils

Uit: “Uniek onkruid”

(hee, ik heb het in dat achterlijke wokrestaurant nog redelijk vlekkeloos geciteerd ook!)

Wat ik in beide gedichten herken, is wanneer het absurde, of bizarre, of zelfs pijnlijke gedeeld wordt het iets schoons krijgt dat ontroeren kan en troostrijk is. Dit proces kan alleen ontstaan onder hele goede vrienden, en meer nog in gezinnen. Ouders zijn altijd de mensen die bizarre gewoontes hebben waar ze zich aan vast klampen, en die hele huizen vullen met hun overbodigheid. Binnen het gezin is volstrekt normaal wat bij een buitenstaander wenkbrauwen doet fronsen – vandaar ook dat we niet opendoen als je belt. Natuurlijk bewaren we de pijn op de kachel, natuurlijk drinkt vader grijze soep uit een bierglas. Het zou pas gek zijn als de soep op een dag weg zou zijn of de Jif ophoudt Vim te heten.

Nu we het toch over Gils hebben: hij was het die ooit zei “poëzie schrijven is schaduwen bevriezen”, en verdomd: Jongsma is een zeer kundig schaduwenbevriezer. De ontroering en de absurditeit van het gezinsleven wordt nergens becommentariëerd; de schaduwen ervan worden bevroren en getoond. Misschien zien we niet eens het werkelijke beeld (want de schaduw is het negatief van het werkelijke beeld – onder het aanrecht zijn alle soepjes even grauw), maar dat is inherent aan het leven in een huis waar alles overbodig is.

De absurditeit van het ouderlijk huis (de vader drinkt grijze soep uit bierglazen; in de keel van de moeder leven merels), wordt in de volgende delen verruild voor de warmere en organischere blik op het eigen gezin. Ook dat is “gewoon logisch” want het zijn immers de ouders die ontroeren in hun bizarriteiten maar het zijn alleen de kinderogen die dat kunnen zien. Deze ontwikkeling voelt goed aan en maakt dat je de dichtbundel (die je wegens deze narrativiteit misschien evengoed een “poëtische novelle” zou kunnen noemen) blijft lezen.

Janine Jongsma Gewoon logisch Recensie

De ouders zijn inmiddels overleden, de verloren dagen weggegooid, de ik-figuur inmiddels zelf een ouder van twee. Dat ben ik zelf ook, en daar is het dan ook waar de gedichten aan mijn huid blijven kleven. Dat ik dan tranen in mijn ogen krijg bij Op de fiets vind ik voor één keer niet in het nadeel van het gedicht spreken. “We zijn een drie-eenheid op de fiets”, schrijft Jongsma, en “jullie zijn mijn kleinste deeltjes / één voorop en één achterop”, en: “Komt er een wolk voor dan bel ik / hard en dringend dat wij het zijn // Komt er een vrachtwagen ons tegemoet / dan blaast ons wereldgebouw die omver // Niemand kan ons stoppen in onze / race tegen alles wat ons bedreigt / dat laat ik niet toe.”

Het is nog niet al te lang geleden dat ik de drie-eenheid vormde met mijn kinderen op de fiets. Altijd hard zingend (wel vaak alle drie iets anders, dat dan weer wel), altijd iedereen voorbij suizend. De drie-eenheid kwam ten einde toen ik een bedreiging niet meer stoppen kon: mijn dochter en ik werden, toen we mijn zoon naar school hadden gebracht (en mijn dochter daar nog niet naartoe hoefde) aangereden door een busje dat ineens heel hard achteruit reed. Het voorstoeltje was hierna naar de wuppe; mijn dochter schoof door naar het achterzitje en mijn zoon moest noodgedwongen op zijn eigen fiets naar school gaan rijden. Nu zit er één achter me, en één rijdt naast me (als hij het tenminste niet in zijn hoofd krijgt om er een wedstrijdje van te maken en ik hem tussen alle andere ouders en kinderen nog maar nauwelijks bij houden / in het oog houden kan). Jongsma schrijft zo trefzeker over de schoonheid van het fietsen met twee kinderen dat de schaduwen spontaan ontvriezen en, inderdaad, het traanvocht lopen gaat.

En dat het dan bladzijden later wat bergafwaarts dreigt te gaan met Die andere vrouw, waar er inmiddels over net iets te platgetreden paden wordt gefietst (“Hoe gelukkig had zij jou kunnen maken?” en: “Kan iemand sterker zijn dan ik? / Zo zwijgend van jou houden als ik?”; al maakt de ingebeelde ruzie aan het eind wel weer wat goed: “En jij zou dan hebben teruggeschreeuwd / dat je ook liever een andere vrouw had gewild / En zij zou dan hysterisch zijn gaan krijsen // Zo’n type lijkt het me wel”- is die laatste zin toch weer goed voor een wat waterig glimlachje bij mij), en de rijmelarij en overromantische poëzie van Namen op de wand één bladzijde verder (“Ik ga roerloos liggen in je hart”, wie zo’n zin durft op te schrijven is straalbezopen, compleet schaamteloos of een meisje van veertien. Of waarschijnlijker nog: alle drie) is niet heel alarmerend en neemt nog niet het gevoel bij me weg dat ik met Gewoon logisch een hele fijne bundel in handen heb.

Ja nog niet, zei ik. Het viel me zelf ook op. Want in het laatste deel, het elf gedichten tellende Plaatsbepaling, gaat het echt mis. In weerwil van de titel is het juist losgezongen van elke plaats: we zijn hier, we zijn daar, we zijn overal. In Salzburg, in het centrum van Eindhoven, in Brugge, in Rome, aan oma’s keukentafel, aan de kade, overheen kinderkopjes, op een net iets te perfect feestje (want de dood knippen we hoogstens uit een boeket & de kanker wacht ons pas in ons bed) (o nou kom ik zelf af met lullig rijm). Overal is onbegrensd, en daardoor mist deze epiloog van Gewoon logisch kaders: het licht absurdistische kader van het ouderlijk huis bijvoorbeeld, of het ontroerende en bloedwarme kader van het eigen gezin verderop.

En er was een herhaling van Bokman. Weeral die bank, weeral diezelfde bank. Die laatste elf gedichten. Het was zaterdag. Mijn kinderen hadden spelletjesavond gehouden zoals we wel vaker doen op zaterdag. We hadden het fijn gehad, we hadden vaak gelachen. Ze hielden het vol, ze zijn zes en vier, ik dacht hoe houden ze dit vol? Toen ze om half elf even pauze wilden nemen en op de bank gingen liggen, zette ik met opzet Hallway of mirrors van Alexander Turnquist op. Ik wist wat daarvan zou komen. Inderdaad, ze vielen in slaap. Ik zat even, dronk me een whisky, luisterde naar de prachtmuziek, keek naar mijn prachtkinderen die daar lagen: verstrengeld. Ik voelde me goed. Later tilde ik ze één voor één hun bedden in. Ging zelf op de bank zitten. Las het laatste deel van Gewoon logisch. Daar waar, kaderloos, Jongsma’s poëzie zwalpen gaat en het daardoor paradoxaal genoeg juist wél steeds nadrukkelijker poëzie wil zijn wat de bundel de grote kracht ontneemt: de bevroren schaduwen, de poëzie die gewoon ís en alleen door de dichter getoond hoeft te worden (het gedicht hangt al in de kamer, je hoeft alleen de rest eromheen weg te kappen). Dan “draagt [iemand] de wind in haar lange haren”, kan er geluisterd worden “hoe hard de stilte klinkt” of “blaast hij de glans van haar lach”, ja: waar poëzie nadrukkelijk poëzie wil zijn, wordt het cliché inderdaad.

Dan komt met het voorlaatste gedicht de nekslag. Het valt al niet mee met alle gesprekken die de wij-figuren voeren met obers en schoonmakers in Slovenië, Duitsland, Zwitserland en Italië. Ken je die toeristen? Meestal zijn het zestigers, meestal hebben ze sjofele korte broeken aan, meestal blijven ze de hele zomer lang spierwit, meestal hebben ze dikke buiken, meestal hebben ze suffe hoedjes op hun hoofd. Die toeristen moeten altijd met de ober op de foto, maken altijd praatjes met de schoonmakers en dan hebben ze zo’n empathie voor hun situatie. Die toeristen, je kent ze wel. Meestal zijn het je schoonouders trouwens. Niemand wil iemands schoonouders zijn en dat Jongsma hier met zoveel woorden toegeeft het wél te zijn is wederom schaamteloos. Maar net toen ik dacht dat het gedicht echt niet slechter kon, komen de laatste regels:

Maar het allermeeste mis ik jou
als jij ooit niet meer bij mij bent onderweg
ik terug moet om al die mensen te zoeken
om te vragen hoe wij waren samen

Dit is wel zó ongekend larmoyant dat zelfs Marco Borsato voor een dergelijke tekst zou terugdeinzen. Ik heb het in het radioprogramma Candlelight al minder plat gehoord dan dit. En ik zit, en mijn kinderen slapen, en ik staar het blauwe niets heenin. En ik vind het jammer. Ik vind het jammer van de bundel die me bijna een nieuwe weg in de poëzie had gewezen. De bundel die me geleerd had dat ik niet gek was. De bundel die als geen ander schaduwen bevriezen wist.

Niets bestaat zonder afval, Gennadi Ajgi zei het al.

En spelletjesavond is over, de plaat is afgelopen, regen slaat tegen de ruit, en alles is jammer nu.

Recensie van Tim Donker

Gewoon logisch

  • Schrijfster: Janine Jongsma (Nederland)
  • Soort boek: gedichten
  • Uitgever: Voetnoot
  • Verschenen: 31 januari 2019
  • Omvang: 76 pagina’s
  • Uitgave: Paperback

Bijpassende Boeken en Informatie