Bob Vanden Broeck Je zit op een stoel recensie en informatie eerste roman van de Vlaamse schrijver en dichter. Op 9 april 2026 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de debuutroman van Bob Vanden Broeck, de uit Vlaanderen afkomstige dichter en schrijver. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.
Bob Vanden Broeck Je zit op een stoel recensies en reviews
Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Je zit op een stoel, het prozadebuut van Bob Vanden Broeck, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.
Tim Donker recensie
Natuurlijk gaan ze hier dan weer meningen over hebben, altijd hebben ze meningen, zulke boeken kennen ze wel, gaan ze dan zeggen, en zulke boeken vinden ze een beetje geforceerd, zeggen ze dan ook. Want was is het geval? Bob Vanden Broeck, die u kunt kennen als dichter, u kunt hem kennen van zijn poëziedebuut de richting is richting omleiding dat in 2023 uitkwam, daarvan dus, kunt u hem kennen, ik kende hem daar niet van, het vloog klaarblijkelijk onderdoor mijn radar, ik miste, ik las niet, ik keek net de andere kant uit denk ik, welaan, Bob dus, Vanden Broeck dus, heeft een roman geschreven met als titel Je zit op een stoel en die titel is tevens een goede samenvatting van het boek: er is een je, en die zit op een stoel. En inderdaad: gans het boek entlang blijft die tiep op een stoel zitten. Dat roept misschien Reis door mijn kamer van Biesheuvel in herinnering, ik weet het niet, ik las dat nooit, of het roept Jean-Philippe Toussaints De badkamer in herinnering, of, zeg, Siamesisk van Stig Sæterbakken, welk boek me op zich ook alweer aan De badkamer had doen peinzen. Maar Sæterbakken en Toussaint konden het niet stellen zonder andere personages; personages die niet alleen maar heeldurtijd maar zaten te zitten maar liepen, en zich naar andere locaties begaven, en die vent in die badkamer van Toussaint kwam sowieso ook al vrij snel weer de badkamer uit, ik herinner me dat nog zeggend tegen mijn ooitmalige buurman, de goede Sergio, ook een literatuurliefhebber, ik vertelde hem over De badkamer en toen wilde hij het lezen, en ik zei weest wel gewaarschuwd: hij komt teleurstellend snel zijn badkamer weer uit. Bob Vanden Broeck heeft echter maar één personage. En dat is je. Ik las ergens dat je nergens te weten komt wat het geslacht van die “je” is, en ik dacht Wat maakt dat in Godsnaam uit? Je zit. Op een stoel. Honderdzeventien pagina’s lang. Dus allicht gaan daar meningen over gevormd worden. Dat dat niet kan, dat dat aanstellerij is, dat dat geforceerd is, of weet ik veel wat voor meningen ze doorgaans vormen, ik ben er meestal niet bij als ze hun meningen aan het vormen zijn. Mijn eigen mening vormde ik alleen. Toen ik, ja, in een stoel zat. In mijn leesstoel. Daar bij de deur. Hoe het licht dan op mijn boeken valt, dat zou je eigenlijk moeten zien. Met de muziek van Saddar Bazaar erbij, toen, The Conference of The Birds toen, toen ik zat, en las, en mijn mening vormde. Mijn mening zijnde, dat zeg ik nu alvast, kunt u eventueel meteen stoppen met lezen, mijn mening dus, over Je zit op een stoel is: dit is briljant. Dit is prachtig. Dit is geniaal. Zo. Dat is eruit. Nu verder. Het begon al met een bam. De eerste paar regels al. “Je zit op een stoel, nee, je zit op een stoel.”, zo luidt de eerste zin en dat is met gemak de allermooiste beginzin allertijden, als u het mij vraagt (u vraagt het mij niet en daarom zeg ik het toch maar). Ik had gewild dat die zin er al was toen ik dertig jaar geleden studeerde en er een keer een les was over beginzinnen, iedereen moest zijn allermooiste beginzin meenemen, ik kwam aangestiefeld met iets van Brusselmans ofzo, of Bukowski, ik weet het niet meer, ik las niet zoveel in die dagen, ik was in de bibliotheek klaarblijkelijk niet veel verder gekomen dan de B, god was er toen maar, dertig jaar geleden “Je zit op een stoel, nee, je zit op een stoel.” geweest, en wat hadden ze daarvan gevonden, de docent en mijn medestudenten, waarschijnlijk waren ze me dan mijn nog schevere gezichten gaan aanzien dan ze toch al deden. En dan, enkele regels later, komt Kant de kamer in. “Het [is] nu onmogelijk om wat er is, de feiten, en wat je ervaart, de gevoelens, van elkaar te onderscheiden”, schrijft Vanden Broeck dat Je denkt, en dan zet hij mij ook denkend, aan Kritiek van de zuivere rede dacht ik, en daardoor weer aan de hyperkritiek aan de xenofobe rede, en zo, door schijn bewogen, uiteindelijk ook aan het positivistisch idealisme van Hans Vaihinger, en ik ben nog geen tien regels ver in het boek maar het duizelt me een beetje, en ik moest even stoppen met lezen. Dat is trouwens iets dat kleeft aan dit boek, dat intense, maar daarover kom ik nog te spreken.
(witregel wegens even moeten stoppen met lezen)
Want dat is het. “Je” zit wel op een stoel, en hij doet niet zoveel (hij opent een tabblad, of zijn mail, hij sluit weer een tabblad, of zijn mail, hij roert in zijn kopje koffie, hij laat de zitting van zijn burostoel omhoog gaan, en weer omlaag, hij kijkt naar buiten) maar denken doet hij des te meer. Hij denkt aan wat hij zou willen doen of zou willen zijn, hij denkt aan wat was, hij overpeinst de grenzen van het kenbare. Soms is het zeer filosofisch, soms is het onzinnig, absurd, komisch (ik neem tenminste aan, nee, ik hoop dat niet alles in Je zit op een stoel even serieus genomen dient te worden). Al hebben zulke oordelen ook weer met het voorstellingsvermogen van de lezer te maken. Zo zat ik te gniffelen om een stukje waarin Je naar buiten kijkt en iemand ziet gaan op een deelstep, ik nam dat als grap, het leek me zoiets idioots namelijk, een deelstep, ik dacht nog, wat een grappenmaker toch die Vanden Broeck met zijn deelstep, maar een paar dagen nadat ik dat stukje gelezen en begniffeld had werd mijn oog getroffen door een nieuwsbericht dat zei dat deelsteps in Brussel verboden gaan worden, en ik dacht, verrek, die dingen bestaan dus echt!, het was niet om mee te lachen, waardoor ik, alweer, in gepeins verzonk en me wijltjenslang afvroeg of je gevoel voor humor te maken zou kunnen hebben met je kennis; zou het misschien zo kunnen zijn dat hoe meer je weet hoe minder je grappig vindt, of andersom misschien, kun je een toespeling missen omdat je dingen niet weet, langer geleden, niet heel lang geleden maar wel nog voor ik Je zit op een stoel las, zaten we met z’n allen in de auto, wij vieren, we zagen een auto rijden waarvan het nummerbord de lettercombinatie KGB bevatte, en mijn dochter zei Het is een deelauto!, ik zei Natuurlijk is het deelauto, het zijn communisten!, en alleen mijn zoon moest lachen, maar dat kwam misschien eerder omdat het een redelijk flauw grapje was.
Maar dit is nog niet eens het meest intense aan Je zit op een stoel. Dat het het brein steeds opnieuw uit wandelen stuurt. Dat is intens, maar nog niet het meest intense. Want dat zit hem namelijk in de schrijfstijl van Vanden Broeck. Hij maakt lange zinnen, vol komma’s, die pagina’s en pagina’s lang door kunnen gaan. Er zijn geen witregels, geen inspringingen, geen alinea’s, geen paragrafen. Bijna honderdtwintig bladzijden aan massieve, haast ondoordringbare tekstblokken. Ik dacht aan Pierre Guyotat. Of aan László Krasznahorkai. Of, maar dan meer inhoudelijk misschien, aan David Foster Wallace. Schrijvers die hun lezers niet sparen. Want zo goed als Vanden Broeck zijn Je alle kanten op kan jagen, zo goed ook kan hij hem tot op het obsessieve af laten doorgaan over één ding. Dan denkt Je bijvoorbeeld ettelijke pagina’s na over alle objecten waarmee een mens een vlieg zou kunnen doodslaan. Of objecten die daar niet zo geschikt voor zijn. Prachtig vind ik een stuk van goed een halve pagina waarin elke mogelijke woordvolgorde van “Je zit op een stoel” uitgeprobeerd wordt: “op je stoel zit een”; “je een op stoel zit”, et cetera. Dit doordenderen in alle richtingen, of in juist één richting geeft Je zit op een stoel een sterke, hypnotische kracht. Eigenlijk zou je dit boek in één adem uit moeten lezen, maar wie heeft daar tijd voor, de boodschappen moeten nog gedaan worden, en de was opgehangen, en de aardappels geschild, en bovendien ervoer ik het lezen van dit boek als een daad, het kostte me tamelijk wat inspanning. Wat geen slecht ding is. Zeker niet. Maar er zijn momenten waarop ik het lezen liever niet als inspanning voel. Op die momenten greep ik niet naar Je zit op een stoel maar naar andere boeken, ik las zelfs een heel ganzelijk ander boek tussendoor, terwijl ik dus ook al in Je zit op een stoel aan het lezen was.
Vanwege die inspanning.
Vanwege de duizelingen ook.
Vanwege de zeggingskracht.
Want niet alleen zegt Je zit op een stoel van alles over filosofische of psychologische aangelegenheden; het boek als geheel zegt ook wat. Over literatuur. Want ook daarover vinden ze altijd weer van alles. Wat het moet en wat het niet mag. Enzo. Wat literatuurcritici, -historici, -theoretici maar in een enkel geval ook schrijvers zelf daarover allemaal al niet gevonden hebben, en hoe ik ermee doodgegooid werd tijdens de diverse studies die ik dertig jaar geleden deed. Iets over willen, personages moeten altijd iets willen, het erge is nog dat Vonnegut dat volgens mij gezegd heeft, toch niet meteen de allerkloterigste schrijver die er is. Het moet dit soort idiote regels geweest zijn waardoor David Markson boeken wilde schijven zonder ontwikkeling, gebeurtenissen en personages (al had hij dan wel nog altijd Reader, die soms Writer heette (“Writer is weary unto death of making up stories”), of Novelist, of Author), en ook Je zit op een stoel komt, lijkt mij, in opstand tegen alle geboden en verboden die sommigen literatuur wensen op te dringen. Dat is goed. Laat er immers één vrijplaats over blijven waar alles mag, en alles kan. Er is maar één verhaalfiguur in deze roman, en die krijgt geen naam (en ook geen geslacht dus, hee), en nauwelijks een verleden. Hij is aan het eind niks verder dan aan het begin, hij zit altijd maar op die stoel en verder niks. Oké Vonnegut: hij wil wel dingen, dansen, of rennen, of langs haveloze kroegen gaan en slempen met allerhande leeglopers (deze gedachte gaat gepaard met een schier eindeloze opsomming van al het soort figuren dat zich aan de zelfkant bevinden), maar hij doet uiteindelijk niks. Wat weer geboorte geeft aan een andere gedachte: of juist in het niks doen niet de bestemming ligt: al dat reizen, al dat gaan, al dat doen geeft mogelijkerwijs alleen maar ellende (het is daarom, denk ik, dat iemand, overigens dezelfde die opmerkte dat Je geen geslacht krijgt), zei dat het verleidelijk is om in Je zit op een stoel een oproep tot “onthaasting” te lezen (dat woord gebruikte hij geloof ik gelukkig niet), en daar zit misschien iets in: notoire reizigers krijgen, tot mijn allergrootste vermaak, er flink van langs in Je zit op een stoel, maar voor mij is de grootste kracht gelegen in het experiment, het overhoop gojen van alle regels, en in de hypnose).
Je zit op een stoel, en ik zat op een stoel. Maar, afgemat, ben ik er al lezend uitgegleden. Ik zat op een stoel, ik lig op de vloer. Ik snak. Naar adem. Wat een geniaal boek. Ik ga niet zeggen dat het het beste boek is van dit jaar, want dat heb ik dit jaar al over veel te veel boeken gezegd. Daarom zeg ik dat het in ieder geval het bijzonderste boek van dit jaar is. En dat zal niemand kunnen ontkennen. Ook de criticasters niet. Juist zij niet.


Je zit op een stoel
- Auteur: Bob Vanden Broeck (België)
- Soort boek: Vlaamse roman, debuutroman
- Uitgever: Koppernik
- Verschijnt: 9 april 2026
- Omvang: 128 pagina’s
- Uitgave: paperback / ebook
- Prijs: € 22,50 / € 11,50
- Roman bestellen >
Flaptekst van de eerste roman van Bob Vanden Broeck
Op een willekeurige dag staat in een ongedefinieerde kamer een tafel, met daarop een kop koffie, en een stoel, en daarop zit jij, dat ben jij, je roert in je koffie, je doet een raam dicht, je doet een venster open. Je weet niet wat, je weet niet hoe. Je verveelt je, je verlangt. Je zit vast, je wil bewegen. Langzaam komt het besef dat slechts één ding je lijkt te kunnen redden: de verbeelding.
Je zit op een stoel is een caleidoscopisch portret van die, opgesloten in de monomane sleur van het dagelijks leven, wanhopig probeert op te staan. Bob Vanden Broeck onderzoekt en ondergraaft alle zekerheden waarop de moderne tijd is gestoeld en houdt de lezer een ontroerende lachspiegel voor. Net als in zijn bejubelde dichtbundel De richting is richting omleiding toont hij zich een meester in het observeren van de tastbare en minder tastbare werkelijkheid, met duizelingwekkend proza tot gevolg.
Bob Vanden Broeck is geboren in 1988. Hij schrijft en knutselt, houdt van vogels en is docent Kunst- en Cultuurgeschiedenis aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen. In 2023 verscheen zijn dichtbundel en literaire debuut De richting is richting omleiding, die genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond werd met de Poëziedebuutprijs 2024 en de Debutantenprijs 2025.
Bijpassende boeken en informatie