Tagarchief: Koppernik

Cees Nooteboom – Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen

Cees Nooteboom Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen recensie en informatie reisverhaal uit Japan. Op 21 mei 2021 verschijnt bij uitgeverij Koppernik dit Japanse reisverhaal van Cees Nooteboom.

Cees Nooteboom Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van het reisverhaal Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen. Het boek is geschreven door Cees Nooteboom. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van het boek met het reisverhaal Cees Nooteboom.

Cees Nooteboom Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen Recensie

Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen

  • Schrijver: Cees Nooteboom (Nederland)
  • Soort boek: Japans reisverhaal
  • Foto’s:  Simone Sassen
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 21 mei 2021
  • Omvang: 88 pagina’s
  • Uitgave: gebonden boek
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol
  • Waardering redactie: ∗∗∗∗ (uitstekend)

Recensie en waardering voor het boek

  • “Uitgeverij Koppernik heeft één verhaal van een bezoek aan het klooster Kozan-ji van Cees Nooteboom. Op zijn bekende erudiete wijze verhaalt hij over het klooster dat hij meermaals heeft bezocht en over de schatten die er te vinden zijn zoals de unieke dierentekeningen die inmiddels al zo’n 800 jaar oud zijn. Het boekje bevat alle afbeeldingen van één rol tekeningen die in werkelijkheid zo’n elf meter lang is. Bovendien is het boek verrijkt met mooi foto’s van fotografe Simone Sassen. Complimenten aan uitgeverij Koppernik die er een prachtig uitgegeven boek van heeft gemaakt. Alle kwaliteiten die de liefhebbers van Nooteboom zo kunnen waarderen, zijn ook in dit verhaal volop aanwezig.” (Allesoverboekenenschrijvers.nl. ∗∗∗∗)

Flaptekst van het boek met het verhaal over klooster Kozan-ji van Cees Nooteboom

Zijn talloze reizen hebben Cees Nooteboom altijd weer naar Japan geleid, een land dat hem met zijn tegenstelling tussen de opzichtige en hectische moderne consumptiewereld en de stille afzondering van de boeddhistische tempelwereld blijft fascineren. De tempel Kozan-ji, zijn huidige reisdoel, ligt in het noorden van Kyoto, herbergt onder andere de daar ontstane rollen met tekeningen van speelse dieren uit de vroege dertiende eeuw. De afbeeldingen van padden, kikkers, apen en andere dieren, die met menselijke kenmerken zijn uitgebeeld, zijn door verschillende kunstenaars gemaakt. Ze laten op tot elf meter lange, van rechts naar links te lezen beeldverhalen de dieren zien bij het baden, bij het aanbidden van Boeddha, bij een begrafenis of bij een gevecht en gelden als de eerste stripfiguren in de geschiedenis van de literatuur.

Bijpassende boeken en informatie

Marian Engel – Beer

Marian Engel Beer recensie en informatie over de inhoud van deze Canadese roman uit 1976. Op 8 april 2021 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van de roman Bear van de Canadese schrijfster Marian Engel.

Marian Engel Beer recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden de roman Beer. Het boek is geschreven door Marian Engel. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van deze bijzondere roman uit 1976 van de Canadese schrijfster Marian Engel.

Recensie van Mieke Koster

Lou, een zich stoffig voelende bibliothecaresse krijgt de kans haar mollenbestaan te ontvluchten. Al een tijd lang zat het leven haar tegen. Het leek erop alsof het leven in het algemeen de pik op haar had. Haar erudiete baan bij de archieven van Het Historisch Instituut verandert voor haar langzaam in een opslagruimte van vergeelde documenten. Zij onderzocht niet het verleden, zij werd het verleden. Dan is het zover. Het Instituut heeft het beheer gekregen over een erfenis van kolonel John William vernoemd naar zijn bezit Cary’s Island. Een onbewoond en ver afgelegen eiland ergens hoog in de Canadese wateren. Het blijkt dat hij een interessante bibliotheek heeft nagelaten. Een zonderlinge man met een brede interesse. En nu gaat Lou zijn bezit in kaart brengen en uitvinden of deze plek en geschikt zou zijn als bijvoorbeeld dependance van het Instituut.

Een achthoekig huis, een kamer vol boeken en een beer

Dan gaat ze op reis, op weg naar het hoge noorden. Haar verouderde wandelspullen en slaapzak ingepakt. Ze is er klaar voor en ze schrijft naar haar directeur dat zij zich als herboren voelt. Laat in de middag komt zij aan bij Homer Campbell, de winkelier aan de overkant van “haar” eiland. En ja, hij kan haar nog brengen en haar rondleiden door het prachtige landhuis , haar tijdelijk onderkomen. Wanneer hij op het punt staat het eiland te verlaten vraagt hij: ”Heeft iemand ook iets gezegd over de beer?” Dit werd haar koninkrijk: een achthoekig huis, een kamer vol boeken en een beer. Haar eerste confrontatie met de beer is meer onderzoekend dan dat er sprake is van een kennismaking. Haar analyse is; ongevaarlijk, onaantrekkelijk, geen bedreiging, meer een verslagen oude vrouw, die nachtenlang op haar echtgenoot ligt te wachten. Ik kan hem wel aan.

Marian Engel Beer Recensie

ze gaat aan het werk. Ze komt erachter dat er altijd al een beer is geweest op dit eiland, bij dit huis, en vind in veel boekwerken die zij catalogiseert briefjes met aantekeningen over de beer, over beren in zijn algemeenheid. Lou is niet echt een dierenliefhebber, en ontmoet bij Homer de oude vrouw die bevriend is met beer. “Praat met hem”, vertelt zij Lou, “en vooral poep met hem, dan vindt hij je aardig”. En zo, beetje bij beetje leert Lou met beer omgaan, geniet ze van hem, schiet in de lach wanneer ze met hem gaat wandelen. Zij krijgt vertrouwen in zichzelf en in beer. En ja, beer ook in haar. En beer hoeft niet meer de hele tijd aan de ketting en zo kan het gebeuren dat terwijl Lou boven hard aan het werk is, beer naar boven komt en zich voor de haard uitrekt en gaat liggen.

Over angst en eenzaamheid en over de troost die boeken kunnen geven. Prachtig!

Kom beer, naar buiten”, zegt Lou wanneer het bedtijd is. En dan loopt hij voor haar uit de trap af en gaat naar buiten. De volgende warme ochtend gaan zij samen zwemmen in het ijskoude water en wanneer zij uit het water stappen begint beer met zijn lange ribbelige tong haar rug te likken. Wat een sensatie. Oh hemel!” Boek, boek. Wanneer zulke dingen gebeuren, pak dan altijd een boek”blz 63. En zo vergeet zij bijna haar opdracht. Wat is zij hier aan het doen? Een romantische en/of seksuele relatie met beer aan het opbouwen of, wat was de opdracht ook al weer? En, is er in al die  boeken van John Cary en de Beer niet ergens een verband te vinden? Een ondefinieerbare intimiteit tussen hen, een schakel tussen verlangen en begeerte wat bereikbaar was? Blz. 92 En beer, hij likte , die roze tong raspte een beetje, warm en prettig en vreemd.” Oh Beer, beer, ik hou van je”

Marian Engel en Beer. Een prachtige roman over een onmogelijkheid en toch oh zo helder en geloofwaardig. Over het grote, bijna dierlijke verlangen, naar geborgenheid, veiligheid, en wellicht niet te dichten kloof tussen dat verlangen en het echte leven. De kloof tussen mannelijke en vrouwelijke seksualiteit, intimiteit. Over angst en eenzaamheid en over de troost die boeken kunnen geven. Prachtig, gewaardeerd met de maximale ∗∗∗∗∗ (uitmuntend).

Beer

  • Schrijfster: Marian Engel (Canada)
  • Soort boek: Canadese roman
  • Origineel: Bear (1976)
  • Nederlandse vertaling: Barbara de Lange
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 8 april 2021
  • Omvang: 136 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol
  • Waardering redactie: ∗∗∗∗∗ (uitmuntend)

Waardering voor de roman Beer

  • “Een verdomd goed boek; het is zelfs de beste Canadese roman allertijden.” National Post
  • “Beer werkt even eenvoudig als mysterieus als een sprookje. Het is een opmerkelijke tour de force.” New York Times
  • “Een overdonderend levendig verhaal over het verbodene, het ondenkbare, het nauwelijks voorstelbare.” Washington Post
  • “Een meeslepend verhaal … briljant en aangrijpend.” Publishers Weekly

Flaptekst van de roman van de Canadese schrijfster Marian Engel

Lou is een eenzame bibliothecaris die haar dagen doorbrengt in de stoffige archieven van het Historisch Instituut. Wanneer zich de mogelijkheid voordoet, grijpt ze haar kans om naar een afgelegen eiland in Noord-Ontario te reizen, waar ze de zomer zal doorbrengen met het catalogiseren van een bibliotheek die toebehoorde aan een excentrieke negentiende-eeuwse kolonel. In haar ijver om de eigenaardige geschiedenis van het landgoed te onderzoeken, ontdekt ze tot haar schrik dat het eiland één andere bewoner heeft: een beer.

Lou’s verbeelding wordt al snel in beslag genomen door vroegere bewoners van het eiland, wier diepe fascinatie met beren ze geleidelijk overneemt. Lou wordt onweerstaanbaar langs een pad van emotionele en seksuele zelfontplooiing geleid, terwijl ze de grenzen van haar dierlijke natuur opzoekt. Wat ze ontdekt zal haar leven voorgoed veranderen. Beer is nog even provocatief en krachtig als toen het voor het eerst werd gepubliceerd.

Bijpassende boeken en informatie

Karin Boye – Kallocaïne

Karin Boye Kallocaïne recensie en informatie over de inhoud van deze dystopische roman. Op 7 april 2021 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van de roman Kallocaïn van de Zweedse schrijfster Karin Boye.

Karin Boye Kallocaïne recensie en informatie

Als de redactie het boek gelezen heeft, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden de roman Kallocaïne. Het boek is geschreven door Karin Boye. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van de beroemde dystopische roman uit 1940 van de Zweedse schrijfster Karin Boye.

Recensie van Tim Donker

Er is het boek. En er is de tijd. Soms neemt de tijd iets van het boek weg. En soms geeft de tijd iets aan het boek mee. Daar zal ik zo meer over vertellen. Maar eerst wil ik u vermoeien met een anekdote.

Dat het op een donderdag was doet niet ter zake maar misschien wel dat het in een depot was waar ik normaal nooit kom. In ieder geval dat het ging om een collega die ik nog nooit gezien had. Ik zag hem en ik noemde zijn naam (want ik had op het rooster gezien wie de enige wijken die nu nog op de schappen stonden weg moest lopen). We raakten aan de praat. We spraken over politiek. Over communisten. Over liberalen. Over absolutisme. Over een eeuwig gelijk. Over het collectief. En over de dystopie. Ik kende diene mens niet eens. Soms heb je bizarre gesprekken met mensen die je niet kent. Ik zei dat ik een dystopische roman uit 1940 had gelezen waarin een personage zijn afschuw uitsprak over zoiets volstrekt onhygiënisch als handen schudden. Het was eigenlijk de opmaat naar een ruimere verhandeling, die over steriele samenlevingen had zullen gaan, maar de collega onderbrak me: “Ja dat is dan typisch zo’n zinnetje dat alleen door deze tijd dan een toevallige meerwaarde krijgt.” Ik meende zelfs een gnuif te horen in zijn stem. Ik zweeg even. Mompelde: “Sja, als je zoiets in de jaren tachtig had gelezen had je er natuurlijk glad overheen gelezen. En nu staat het zelfs op het achterplat!”. We spraken nog even door maar de vaart was merkbaar uit het gesprek. Niet veel later ging hij zijn ronde lopen, en ik de mijne. En ik dacht. Ik dacht na.

“Dat moet je in die tijd zien.” zei mijn vader altijd. Mijn vader en ik waren beide muziekliefhebber. Of liever. Ik heb muziek altijd nog lief met hart en ziel maar mijn vader is dood. Ik weet niet of je na je dood nog muziekliefhebber bent, of dat de dood maakt dat je alles was je was voorgoed geweest bent. Het lijkt mij logisch dat er na de dood nog bitter weinig te liefhebben valt maar wat weet ik er nou van. Ik ben nog nooit dood geweest. Wat er ook van zij, mijn vader en ik wisselden dingen uit. Tapes. Cd’s. Platen. Dan zaten we op zijn werkkamer en dan luisterden we. Dingen die ik mooi vond, dingen die hij mooi vond. We commentaarden ook op elkaars dingen. Als ik hem bijvoorbeeld iets van meer elektronische aard liet horen, zei hij meestal: “Hier komt denk ik geen instrument meer aan te pas, is het wel? Niet dat dat erg is maar…” Na die maar bleef het stil. Veelzeggend stil, want natuurlijk vond hij het wel erg dat daar geen instrument meer aan te pas kwam. Muziek, dat hoorde je met instrumenten te maken. Op die instrumenten mocht je zo waanzinnig te keer gaan als je maar wilde, maar instrumenten moesten het zijn! Als ik weer eens iets bij me had “waar geen instrument meer aan te pas kwam”, bereidde ik in mijn kop meestal een lange verhandeling voor over wat een instrument precies is, en hoe je moet bepalen of iets al of niet een instrument is, welke criteria je daarvoor kunt hanteren. Ik kwam er nooit toe wat in mijn kop zat daadwerkelijk uit te spreken.

Het kwam ook voor dat mijn vader met iets kwam dat mij niet meteen als muziek in de oren klonk. De liefde voor jazz, die deelden we maar als hij met één van zijn jaren zestig bandjes aan kwam zetten, raakte het negen keer op tien mijn kouwe kleren niet. “Dat moet je in die tijd zien,” was zijn eeuwige verweer op mijn bedenkingen. “Toen was dit revolutionair!”. Ik zakte verder onderuit in mijn zetel. Dronk mijn whisky. Zei “Goede muziek veroudert nooit”. Of: “Klassiek is wat levenskrachtig is.” Of misschien zei ik niets.

Dat is waar ik over na liep te denken toen ik links en rechts brieven in brievenbussen stopte. Over die “toevallige meerwaarde” waar mijn collega van gesproken had. En het “je moet het in de tijd zien” van mijn vader. Er is de kunst (want blijkbaar gaat dit verder dan boeken alleen). En er is de tijd. Er is geen eeuwige kunstbeleving. Iets kan revolutionair zijn in de ene tijd en tientallen jaren later slechts nog flauwe drab. Een passage over handen schudden kan in elke gegeven tijd niets te betekenen hebben. Totdat 2020 komt en alles anders wordt.

Laten we wel wezen. Ja laten we dat vooral wezen: wel. Karin Boye kon onmogelijk hebben voorzien dat er een tijd zou komen waarin iedereen met graagte al hun rechten en alle normale omgangsvormen aan de kapstok zou hangen om te voorkomen dat iemand verderop in de straat een snotvalling zou krijgen die zijn oude omaatje fataal kon zijn (stel je voor dat je het aan een ander doorgeeft die daar minder goed tegen kan, zei iemand tegen me die zonder enige bedenkingen zijn prik had gehaald) (want we doen het niet voor onszelf, we doen het voor de ander) (de eeuwige ander) (we doen het voor elkaar) (want de prik is heilig en het collectief is heilig) (maar over prikken en over het collectief straks meer) (veel meer). De schrijfster haalde de inspiratie voor Kallocaïne uit het stalinisme en het nationaalsocialisme. Kallocaïne is geen visionaire roman, en beoogde dat ook niet te zijn. Maar er is het boek, en er is de tijd. En de tijd heeft met 2020 iets gegeven aan Kallocaïne. Een beklemming bovenop de beklemming die het al had. Het zal wel geen toeval zijn dat Koppernik het dit jaar weer onder het stof vandaan heeft gehaald: dit is slechts de tweede vertaling in het Nederlands sinds 1949. En het zal ook wel geen toeval zijn dat Koppernik uitgerekend de passage over dat handen schudden op het achterplat geciteerd heeft. Je zou bijna gaan denken dat Koppernik aan de goede kant van de streep staat.

Maar eerst wat het is. Wat het eigenlijk is. Wat is het eigenlijk, dat Kallocaïne. Het is een roman, mensen. Jawel. Een roman van een Zweedse schrijfster. Geschreven in 1940. Klassiek ja. En dystopisch. Een klassieke dystopische roman. Ik hoor u al Orwell denken. U denkt er niet naast. U had ook Opstaan op zaterdag van Jan Gerhard Toonder kunnen denken (inderdaad, de broer van) en dan had u er evenmin ver naast gedacht. De ene dystopie wil nog wel eens lijken op de andere dystopie. Misschien is er voorbij de ultieme nachtmerrie niet veel anders meer.

In deze dystopie gaat het om die tiep die Leo Kall heet. En het gaat er meteen goed op met Leo Kall want op de eerste bladzij zit die tiep al in het kasjot. “Mijn levensomstandigheden verschillen slechts marginaal van die waarin ik als vrij man leefde.”, zegt hij. De lezer komt al snel te weten dat dat niet is om dat het gevangenisbeleid zo libertair is. Gans de roman is feitelijk een terugblik op het leven van Leo Kall van voor zijn gevangenschap. Wat er voor de gevangenschap was, was gevangenschap.

Buiten de gevangenismuren is er in de tijd waarin Kallocaïne speelt een wereldstaat. Een wereldstaat met “schoensteden”, “chemiesteden”, “molensteden”, “textielsteden”. Burgers bestaan niet meer, iedereen is medesoldaat en wordt op grond van zijn capaciteiten te werk gesteld in één van de steden. Kall diende als chemicus in een chemiestad. Medesoldaten dragen werkkleren tijdens de werkuren en vrijetijdsuniformen na het werk. Ook zijn er kleren voor de verplichte leger- en politiediensten.

Iedereen woont in gelijkvormige woningen

Iedereen woont in gelijkvormige woningen, dat zijn eenkamerwoningen voor ongehuwden en tweekamerwoningen voor gehuwden en gezinnen. Het eten en de huishoudelijke taken worden verzorgd door een hulp in de huishouding die ook een controlerende functie heeft en aan het eind van de week verslag uitbrengt over alles wat er in huis gebeurd is, en dan met name over eventuele ongeregeldheden. Daarnaast zijn overal “politieogen” en “politieoren” aangebracht in de huizen en daarbuiten; lees: camera’s en microfoontjes.

Kinderen zijn overdag in het kinderverblijf waar ze in een nogal bizarre speelbak mogen spelen: “een reusachtige kuip van email, vier vierkante meter groot en een meter diep, waarin je niet alleen kleine speelbommen kon laten vallen en bossen en huizen met licht ontvlambaar materiaal in brand kon steken, maar als de kuip met water werd gevuld ook complete miniatuurzeeslagen kon uitvechten, waarbij de kanonnen van de scheepjes met dezelfde lichte springstof werden geladen als in de speelgoedbommen werd gebruikt, er waren zelfs torpedoboten bij. Hierdoor kregen kinderen spelenderwijs zoveel strategisch inzicht dat het hun tweede natuur werd, bijna een instinct, en tegelijkertijd was het natuurlijk eersteklasvermaak.” Op hun zevende gaan ze naar een kinderkamp, waar ze ook ’s nachts verblijven; dan komen ze nog maar twee dagen per week thuis. Als in hun volwassenheid het moment daar is dat ze te werk gesteld zullen worden in één van de steden, wordt er een groot, publiek, streng gereguleerd afscheid gevierd onder het toeziend oog van medesoldaten op politiedienst. Dan wordt er gegeten en naar een kunstmatig opgewekte “groepsextase” toegewerkt. Het is niet toegestaan verdrietig te zijn, of te praten over of zelfs maar te denken aan toekomstig gemis. Eenmaal aan het werk in een andere stad zien mensen hun ouders nooit meer terug. De opdracht is dan om elkaar zo snel mogelijk te vergeten.

Zwakkere emoties, zoals melankolie, verlangen en zoals gezegd verdriet of gemis zijn niet toegestaan: slechts een kontinue opgewektheid en de op de afscheidsfeesten georganiseerde groepsextase. Medesoldaten spreken elkaar in deze panoptische samenleving meteen aan op zulke zwaktes. Het zal weinig verwondering wekken dat in deze wereldstaat liefde op sterven na dood is: “Ik denk dat het woord liefde op zijn plaats is wanneer je je in alle troosteloosheid toch aan elkaar vastklampt,” laat Boye Kall peinzen, “alsof er ondanks alles een wonder zou kunnen gebeuren, wanneer de pijn zelf een soort waarde heeft gekregen en getuigenis aflegt van het feit dat je tenminste één ding gemeen hebt: het wachten op iets dat niet bestaat.” (misschien niet eens zo’n onrake definitie van liefde; op zijn minst heel toepasbaar voor “huwelijk”).

In het verlengde hiervan is ook lichamelijk contact tot een minimum beperkt. Uiteraard wordt het aangemoedigd als man en vrouw voor nieuwe medesoldaten zorgen, maar lichamelijk contact buiten deze pure functionaliteit wordt als afkeurenswaardig en verwerpelijk beschouwt (want dat zou maar zo een uiting kunnen zijn van affectie, of, erger nog, pure lust). In dit licht moet ook de passage waarover ik met mijn collega sprak (en die op het achterplat geciteerd staat) gelezen worden. Een zekere groep vrijdenkers gedraagt zich volgens een ooggetuige wel zeer staatsgevaarlijk: “En trouwens, alleen al hoe ze elkaar begroetten! Ze pakten elkaars handen vast. Is dat normaal? Het moet onhygiënisch zijn en bovendien is het zo intiem dat het beschamend is. Elkaars lichamen zo aan te raken, opzettelijk! Ze beweerden dat het een heel oude begroeting was die ze nieuw leven hadden ingeblazen, maar je hoefde het niet te doen als je niet wilde, je werd nergens toe gedwongen.”

(ja stel je een staat voor waarin je tot niets gedwongen wordt, dat zou pas echt verwerpelijk zijn) (nicht wahr, Hugo de Jonge?)

En daar raken we aan het allerbelangrijkste: het ik mag niet meer zijn in de wereldstaat. Niemand mag nog individuele gevoelens, gedachten, twijfels, ideeën, opvattingen koesteren: alles moet in dienst staan van het collectief. De grootste schande die een mens over zichzelf kan afroepen, is iets gezegd, gedacht of gedaan te hebben dat niet volledig aan het collectief was toegewijd. Er is zelfs een “excuusuurtje” op de radio. Op vrijdagavond lezen mensen tussen acht en negen hun excuses voor als ze zich een keer wat al te “staatsgevaarlijk” hebben geuit in een publieke ruimte (iedereen die zich in een publieke binnenruimte beweegt draagt een mondkap, zegt Maffe Mark).

Tegen deze achtergrond vindt Leo Kall een waarheidsserum uit. Wie ingespoten wordt met “kallocaïne”, zoals het spul al snel komt te heten, vertelt in iets dat een beetje lijkt op een alcoholroes alles wat hij in normale omstandigheden nooit kwijt had gewild. Kalls uitvinding leidt ertoe dat gedachten strafbaar worden. Iedereen die in zijn gedachten maar de miniemste twijfels heeft bij de wereldstaat kan veroordeeld worden, als het moet tot de dood. In eerste instantie is Leo Kall erg fier op zijn uitvinding en de wettelijke consequenties ervan. Maar gedurende Kallocaïne begint hij steeds meer te twijfelen. Aan de wereldstaat, aan kallocaïne, aan de nieuwe wet. Het valt hem alsmaar moeilijker een onberispelijk medesoldaat te zijn.

Het grootste gedeelte van Kallocaïne vreesde ik dat het einde zeer voorspelbaar ging zijn. Dat je dat wel kilometers van te voren ging kunnen komen aanzien waar dat heen ging met die Leo Kall, en zijn twijfels, en zijn uitvinding. Maar zo voorspelbaar als ik dacht dat het zou zijn, was Kallocaïne niet. Daarmee is het boek van de eerste tot de laatste bladzijde spannend, beklemmend, koortsig en hallucinerend. Dat is het boek. En dan is er nog de tijd.

De tijd geeft ons allen gelijk op het eind

Neen. De tijd is gewoon maar de tijd. De tijd tikt. De minuten brengen uren, de uren brengen de dagen. De dagen weken, maanden, jaren. De jaren brengen tijdperken. Hebben dit tijdperk gebracht. Dit tijdperk dat Boye niet kon voorzien hebben maar dat wel hier is, nu. In het nu waarin ik Kallocaïne las. Het nu dat zoveel raakvlakken vertoont met Kallocaïne.

De injecties, ja. De injecties, gans het land, gans de wereld. Alles en iedereen geïnjecteerd. Weten de geïnjecteerden waarmee ze worden geïnjecteerd worden en wat voor gevolgen de injecties voor hen hebben? Nee, dat weten ze niet. Maar het zal De Staat; “het collectief” ten goede komen. “Want stel je voor dat je iemand anders aansteekt die daar minder goed tegen kan. Zo sta ik er toevallig nog eens een keer in.” of woorden van dien strekking sprak dus iemand tot mij. (maar wacht we konden elkaar toch al niet meer aansteken? want we moesten toch al anderhalve meter uit elkaars buurt blijven en we droegen toch al allemaal die maffe lappen voor ons bakkes). En lap, daar heb je het dan. De onbereidwilligen zijn staatsgevaarlijke gekken. Nee moordenaars. Vuile schoften die het niets kan schelen dat door hun toedoen iemand dood zou kunnen gaan. Moet je je maar laten inspuiten met eender welke zooi, moet je maar vertrouwen dat dat helpt, dat dat goed is. Want je slikt toch ook paracetamol? (ja, das een goeje vergelijking! een geneesmiddel dat bijna honderdvijftig jaar geleden werd uitgevonden enerzijds en een veel te snel ontwikkeld en totaal nieuw vaccin anderzijds. een in de supermarkt verkrijgbare pil die iedereen geheel vrijwillig en individueel kan slikken enerzijds en een spuit die de hele wereld wordt opgedrongen anderzijds). De mensen in Kallocaïne weten ook niet waarmee ze geïnjecteerd worden en wat voor (zeer nadelige) gevolgen die zal hebben. Het lijkt bijna een allegorie!

Het collectief! Hoe gans de wereld (gerealiseerde wereldstaat!) in de ban van een fascistoïde soort van pseudo-communisme het collectief tot de absolute norm heeft verheven waaraan alles opgeofferd moet worden. (want stel je fucking voor dat je fucking iemand anders fucking aansteekt die daar fucking minder goed tegen kan) (wees niet die eigenwijze Nederlander) (doe niet zo vervelend, doe nou eens mee) (dus laat je kop hangen en neem die spuit!) (ik heb geen seconde getwijfeld). Maar ook de paradox: wanneer het collectief boven alles en iedereen moet gaan, leidt alles en iedereen daar aan. Maar wat is het collectief meer dan “alles en iedereen”? Dus feitelijk wordt het collectief opgeofferd aan het collectief. Dat zie je goed in Kallocaïne. Het leven in de wereldstaat in onleefbaar, iedereen wantrouwt iedereen; wantrouwen is zelfs een groot goed geworden (niet alleen in de wereldstaat, dit, ook in de coronamaatregelenstaat in wantrouwen alom: kom de ander niet te nabij want de ander kan ziek zijn, de ander kan je dood worden, weest angstig mensen, wees toch zo doods- en doodsbang voor elkaar!) (nicht wahr, Van Ranst?). Geluk, liefde, warmte, spontaniteit en vrijheid zijn verdwenen; niet voor niks merkte Kall op dat zijn leven in gevangenschap niet zo gek veel verschilde van zijn leven daarvoor. In de wereldstaat kan elke gedachte die ook maar het miniemste beetje afwijkt van het allerbraafste braaf je de doodstraf opleveren. Iedereen, ook de allerbraafste braverik, heeft op zijn minst één keer in zijn leven een gedachte gehad die een miniem beetje afweek van het allerbraafste braaf. De conclusie moge duidelijk zijn. Wanneer het collectief belangrijker wordt dan de hele verzameling individuen bij elkaar, moet uiteindelijk iedereen dood.

Medesoldaten die elkaar aanspreken op “staatsgevaarlijke” uitlatingen en gedragingen, ow dat kennen we nu ook hè? Het lijkt wel alsof dat coronabeleid ruim baan gegeven heeft aan de allerlaagste karaktertrekken in de mens. Ik zat voor het zwembad van mijn kinderen te praten met de moeder van een ander kind. De vrouw had het erover dat ze het zo zielig vond voor de kinderen dat ouders nu niet meer mochten kijken, de vorderingen die ze maakten niet meer van nabij konden zien. Dat het afzwemmen met maar weinig publiek mocht, en niet groots en uitbundig gevierd kon worden. Ik zei (en ik dacht dat ik het zeggen kon tegen deze vrouw, die me heel redelijk leek: “Op de lange termijn zullen alle coronamaatregelen vele malen schadelijker blijven dat corona zelve ooit kon zijn.” De vrouw stoof op. “Nee! Totdat je het krijgt. WE moeten zeker blijven oppassen!”. Ik vond dat “we” opvallend. Waarom waren we ineens een “we” geworden? Zij kon anders denken over zaken, andere media raadplegen dan ik, dat is goed, dan vindt ze misschien dat zij moet blijven oppassen. Maar waarom waren wij ineens de WE die moesten blijven oppassen? Of toen ik in een winkel was waar ik normaal nooit kom, in een stad waar ik niet woon, en geen idee waarom ik daar was nee. Ik had mijn zoon in de winkelwagen. Mijn lieve moje wijze grappige gekke zoon van acht. Die sjipjes wilde, van die hoorntjes, waar je spuitkaas in kan spuiten. Ik kende het daar niet, ik kom daar nooit. Ik zocht me ongans naar het sjipjespad, vond het, schoot het in, liet hem kiezen, en wilde toen weer teruggaan. Maar er liep een man achter ons die hologig en met een halve pruillip een paar passen achteruit deinsde, en toen nog een paar. Het hologig en pruillipig persoon ving ineens te spreken aan. Nogal lomp, als je het mij vraagt: “Hee. Je gaat de verkeerde kant op, jij!” Ik denk dat je de verbazing met kruiwagens tegelijk van mijn gezicht kon afscheppen (een verkeerde kant? hebben supermarkten tegenwoordig verkeerde en goede kanten dan?) want de man verduidelijkte: “Er staan pijlen op de grond.” Inderdaad had een of andere zwakbegaafde met tape pijlen op de supermarktvloer gemaakt. Het was me niet opgevallen, welke gek gaat immers kijken of er geen pijlen op de vloer staan. Wat mij verbaasde was de onbeleefdheid die de man zich meende te mogen permitteren. Dat kan toch alleen in een wereldstaat waar brave medesoldaten geacht worden te weten hoe de pijlen staan?

Kallocaïne. De collega. Mijn vader. De muziek die hij me liet horen. Dat wat een “toevallige meerwaarde” heette te zijn.

Een boek dat mooi is, maar ook ongemakkelijk maakt. Dat is het boek, en dat is de tijd

Dat iets dat sterk is door onvoorziene ontwikkelingen nog sterker kan worden, is te mooi om een toevalligheid te kunnen zijn. Net zo goed als de revolutionaire muziek van mijn vader die luttele decennia later al niets revolutionairs meer heeft. Wanneer de revolutie zó efemeer is, had ze om te beginnen al niet veel kracht. Stel je voor: ik ken iemand die Le Sacre du Printemps nog steeds onbeluisterbare chaos vindt. Ik bedoel maar. Verbrijzeling kan hoorbaar blijven.

Boye schrijft niet over deze tijd, maar veel uit Kallocaïne is wel toepasbaar op deze tijd. Ik snap hoe voor de collega de verleiding groot is om in toevalligheden te denken. Maar het is wel degelijk een kwaliteit van Kallocaïne en van de schrijfkunst van Karin Boye. Iedereen kan een nachtmerrie verzinnen. Maar een mogelijke nachtmerrie is nog iets anders. De schrijfster van Kallocaïne had goed gekeken naar de spoken van haar tijd; spoken die klaarblijkelijk zo onuitroeibaar zijn dat ze ook in andere tijden -in een andere gedaante- weer op konden duiken. Ze maakte er een goed geschreven roman van, de tijd kwam en gaf er iets aan dat het nog huiveringwekkender maakte. Een boek dat mooi is, maar ook ongemakkelijk maakt. Dat is het boek, en dat is de tijd.

Recensie van Tim Donker

Karin Boye Kallocaïne Recensie

Kallocaïne

  • Schrijfster: Karin Boye (Zweden)
  • Soort boek: dystopische roman, Zweedse roman
  • Origineel: Kallocain (1940)
  • Nederlandse vertaling: Bart Kraamer
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 7 april 2021
  • Omvang: 196 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol
  • Recensie Tim Donker

Waardering voor Kallocaïne

  • “Een fascinerende roman in het genre van 1984 en Brave New World.” Literary Journal
  • “Ze schetst met een ontstellend combinatievermogen het beeld van een toekomstige wereld.” Tagesanzeiger Zürich
  • “Wat in Kallocaïne de strijd zo aangrijpend maakt, is het feit dat de held Kall zich er aanvankelijk in het geheel niet van bewust is, en pas gaandeweg tot het besef van zijn afwijkend en daarmee zijn verzet en staatsgevaarlijkheid komt.” Maatstaf

Flaptekst van de roman van Karin Boye

Karin Boye’s ‘roman uit de eenentwintigste eeuw’ is een spookachtig visioen van een door politie bestuurde en gemilitariseerde samenleving. Met zijn uitvinding kallocaïne heeft de scheikundige Leo Kall de Wereldstaat voorzien van een middel om totale controle uit te oefenen. Maar terwijl zijn waarheidsdrug de weg opent naar de zielen van zijn medeburgers komen de wildste dromen over opstand naar boven en verlangens naar vrijheid, liefde en vertrouwen – waardoor Leo Kall begint te twijfelen aan de voortreffelijkheid van de Staat en zijn rol erin als loyale soldaat.

Kallocaïne heeft na tachtig jaar nog niets van zijn actualiteit verloren en behoort samen met Jevgeni Zamjatins Wij, George Orwells 1984 en Aldous Huxleys Brave New World tot de grote dystopische klassiekers van de twintigste eeuw.

Bijpassende boeken en informatie

Jan Lauwereyns – Gehuwde rotsen

Jan Lauwereyns Gehuwde rotsen recensie en informatie nieuwe Vlaamse roman. Op 18 maart 2021 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver Jan Lauwereyns. 

Jan Lauwereyns Gehuwde rotsen recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van de roman Gehuwde rotsenr. Het boek is geschreven door Jan Lauwereyns. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver Jan Lauwereyns.

Recensie van Tim Donker

Hier zit ik dan. Of daar, ten opzichte van waar u zit. Hier zit ik, laptop opengeklapt. Kijkend, zittend, peinzend. Naast me ligt een boek dat ik met smaak -veel smaak, zeer, zeer veel smaak- gelezen heb. Gehuwde rotsen, zo heet dat boek. En ik zit achter mijn laptop en ik wil schrijven:

Geniaal!

en dan gedaan. Of:

Iedereen moet dit lezen! Iedereen moet dit lezen! Iedereen moet dit lezen!

en dan gedaan. Of:

Dit is het allermooiste boek dat ik ooit gelezen heb.

en dan gedaan.

Ja. Waarom niet eigenlijk? Waarom altijd afgekomen met die ellenlange recensies waarin ik het gelezene, en hoe ik het gelezene verstaan heb, tracht te spiegelen aan mijn eigen leven – mijn leven van nu, mijn leven van gisteren, mijn leven van dertig jaar geleden. Hoe door en door egosentries eigenlijk dit begrijpen als be-grijpen: pas als het gegrepen en ontvoerd is, en ingelijfd bij het ons bekende is het “begrepen”.  Pas als het helemaal van ons is en niet meer van die stomme schrijver die de tekst alleen maar een beetje heeft zitten oprochelen, is het begrepen. Pas als we lezende voornamelijk onszelf zien verschijnen, is het begrepen. Misschien doen zeeën van wit een boek meer eer aan. Hum. Ja. Zou kunnen. Misschien. Maar toch. Nuance. De kieren. De details. De lagen. De plooien. En dat alles willen benoemen. Of minstens een poging wagen.

Want in een boek is er inhoud. En er is hoe die inhoud vorm krijgt. Ik zei dat eerder. Ik zei dat zopas. In een andere ruimte, en het ging over een ander boek. Er is inhoud, en er is hoe die inhoud tot u komt. Afhankelijk van wie u bent, zult u meer op het ene of juist meer op het andere letten. Ook in een andere ruimte gesproken: verhalen.

We zaten in zijn huis aan de Lessinglaan. Willem en ik. Willem was echt wel een soort van vriend van mij in die dagen. Hij kende mijn voorliefde voor het experimentele proza, en hij liet nooit af die in een kwade reuk te zetten.

“Die experimenten die ken ik nu wel,” zei hij dan, “Vertel me eerst maar eens een boeiend verhaal.”

“Die verhalen die ken ik nu wel,” replikeerde ik, “Vertel me het eerst maar eens op een boeiende manier. Sowieso zijn maar twee verhalen: dat van de liefde en dat van de dood.”

Zei ik, en zweeg ik, en toen dronk ik mijn koffie. Die koffie, dat was een verhaal apart. Ik weet niet welk apparaat die tiep gebruikte maar de koffie was altijd fantastisch bij Willem. Die rook ik al van dat ik voet over de drempel zette en dan kon ik niet wachten tot hij zeggen zou: “Wil je een kopje koffie?”. En dan wilde ik een kopje ja, en een tweede en het liefst nog een derde. Ik weet niet wat voor apparaat die tiep gebruikte maar een vierde kopje zat er klaarblijkelijk nooit in.

Dat Gehuwde rotsen uitblinkt in verhalen op een boeiende manier vertellen, zal bij eerste doorbladeren meteen duidelijk zijn. Ik bedoel: de vorm. Ik bedoel: het afwijken. Ik bedoel: het experiment. Ander proza, of mag je dat niet meer zeggen? Ik zou het Cyrille Offermans eens moeten vragen.

Er zijn hoofdstukken, hier op zijn Antwerps “sjappitters” geheten. Daar kennen de zinnen geen punt. En geen hoofdletter ook. Er zijn er, zo heb ik mij laten vertellen, die menen dat het “voorbij” is om zinnen niet met een hoofdletter te laten beginnen. Alsof dat een “fase” was die de literatuur in de hoogtijdagen van het “andere proza” (ow) doormaken moest, in plaats van een prachtig mooi stijlmiddel. Veel witregels ook. Zinnen, woorden, flarden in het Antwerps.

En er zijn teksten tussendoor deze “sjappitters”. Teksten die op het eerste gezicht gedichten lijken, of ultrakort proza. Teksten die wel aan hoofdletters en punten doen.

En er zijn foto’s. Familiefoto’s zo te zien. Ook al niet heel erg gebruikelijk in de gemiddelde roman. Maar Gehuwde rotsen is wel een roman. Het staat op het omslag. Dus is het zo. Het is een roman, maar wat een maffe roman lijkt het.

Misschien moet dat geen verbazing wekken. We praten immers over Jan Lauwereyns. O, ik ken nog geen fraksie van wat deze veelschrijver allemaal op zijn naam heeft staan. Boventalig, overtalig, hij schreef ook nog in het Engels en in het Frans en in het Japans. Ik ken maar drie titels. Of eigenlijk twee. Anophelia! De mug leeft en Stemvork (dat laatste schreef hij samen met Arnoud van Adrichem). Monkey Business vond ik ooit bij, mind you, de drogisterij hier in het dorp. Het lag in een bak met afgeprijsde boeken. De bak stond voor de winkel, ik liep daar maar wat te lopen, ik keek alleen uit verveling in die bak en niet in de verwachting er iets moois in te vinden. Maar iets moois lag er in, verdomd, een boek van die Lauwereyns die ik wel kende van dat prachtige Stemvork van weleer (ja wanneer was het weer?). Monkey Business – zowel de naam als het omslag spraken me niet direkt aan en doorbladeren kon niet want het zat in plastiek. Maar van Jan Lauwereyns dus ik kocht het, maar ik kwam er nooit toe het te lezen. Ik weet niet waarom. Iets in het boek zette me niet tot lezen aan, denk ik. Zoveel in Gehuwde rotsen zette me wel tot lezen aan.

Het vormexperiment is in dit geval maar één. De inhoud is twee. Ik las niet veel vaker een boek dat me op beide vlakken in de ban hield. Maar Lauwereyns doet dat dus: schone dingen op een boeiende manier vertellen. In de sjappitters ontvouwt zich een autobiografie. Of een deel ervan. Voor zover een autobiografie überhaupt mogelijk is. Woorden vallen nooit geheel samen met waar ze naar verwijzen, en dan zit dat falende geheugen van de mens er ook nog eens tussen. Je kunt het ook een ode noemen. Een ode aan zijn moeder. Yolande. Een ode aan het leven ook, maar daar kom ik later nog over te spreken.

Het gezin van de jonge Jan Lauwereyns. Zijn vader, zijn moeder, zijn broer. Uiteraard gaat veel aandacht uit naar de scheiding van vader en moeder en de zelfmoord van moeder later. Harde, schrijnende verhalen. Pijnlijk, en diepe duisternis. Maar zo leest het niet. Het afzien van de gebruikelijke interpunctie ontneemt de tekst een deel van zijn zwaarte. Het geeft het boek een bedachtzame, zoekende toon. Er mag getwijfeld worden. Want het geheugen stottert. Er is “wie es eigentlich gewesen war” en er is de afdruk daarvan in ons hoofd. En wat in Lauwereyns’ hoofd zit laat hij eruit stromen waar de lezer bij is. En dat is een waar genoegen. De sjappitters hebben een melankolieke ondertoon. In weerwil van wat hij vertelt is het niet tragisch of dramatisch of larmoyant. Slechts de bitterzoetheid van wat niet meer is. Dat wat vergaan is. De dingen. Het is één uur ’s nachts en ik sta af te wassen. Zegt iemand, zegt Femke Ik spreek jou nog wel als je kinderen hebt dan moet er orde zijn dan kun je niet meer om één uur ’s nachts staan af te wassen en nu zijn mijn kinderen zes en zeven en het is één uur ’s nachts en ik sta af te wassen met Simeon ten Holt op de steerjoo en ik mis Femke en ik denk aan toen mijn zoon één jaar oud was en mijn dochter nog niet eens geboren en mijn zoon kon ‘s middags de slaap niet vatten en ik zat daar met hem, op de bank, en Simeon ten Holt op de steerjoo en ik wiegde mijn zoon zachtjes tot hij sliep, en ik mis dat mijn zoon één jaar is en ik mis zijn middagdutjes en ik mis Femke en het is geen verdrietig missen, het is zoet missen en dat is melankolie. En het heeft geen zak met Gehuwde Rotsen te maken maar daar staand, afwassend, de zoete mis, dacht ik wel ineens heel sterk aan dat boek.

De melankolieke toon geeft Gehuwde Rotsen vlees. Het boek is een mens. Een mens om mee op kaffee te gaan. Peinzend in whiskyglazen kijkend verhalen vertellen. Gesprekken met veel witruimtes. Er zijn niet veel mensen bij wie je goed kunt zwijgen. Mooi zwijgen. Bedachtzaam zwijgen. O dit boek zwijgt zo mooi. Dat vele wit. Je kunt de ruimte nemen op te kijken, naar de muur staren en te peinzen over wat je gelezen hebt. Want Lauwereyns kan mooi zwijgen maar ook heel mooi spreken. Zijn Nederlands is poëties, het Antwerps is zangerig. Ergens heet het dat Antwerps het lelijkste dialect is dat er bestaat, en dat is net de reden waarom Lauwereyns het inzet. Hij wil het ontdoen van die lelijkheid en van het xenofobe waarmee het veelal lijkt samen te hangen. Maar stiekem vind ik dat Antwerps gewoon heel erg mooi.

Jan Lauwereyns Gehuwde rotsen Recensie

Doch Gehuwde Rotsen is meer dan vlees alleen. Het is ook geest. Lauwereyns slentert niet allenig maar door het herinneringslaantje – hij reageert duidelijk vanuit zijn huidige leven op het vroegere. Dat huidige leven daar in dat verre Japan van hem waar hij nu woont. Waar hij boeken leest. En ook over die boeken weer dingen denkt die hij – hee, ik ken dat – terugwerpt op zijn eigen bestaan. Veel van die gedachten gaan over The Human Predicament, een zwartgallig boek van anti-natalist David Benatar. Hierin krijgt Gehuwde Rotsen ook een ongemeen filosofisch karakter.

Dat wordt nog sterker in de tekstjes die zich tussen de sjappitters in staan. Wanneer je het boek daadwerkelijk gaat lezen (het is al zo mooi om het alleen maar te bekijken maar het wordt echtwaar nog veel mojer als je het gaat lezen), blijkt het niet louter poëzie te zijn wat in de “tussentekstjes” opblinkt. Het kan ook proza zijn. Een navertelde film misschien. Eveneens aantekeningen over vroeger maar wat uitgepuurder, wat stelliger dan in de sjappitters. Vestzakessays soms. Ik vind niet alle tussentekstjes even sterk, de gedachten van Lauwereyns lijken er wat meer tot stolling gekomen te zijn en de referenties zijn er ook alweer een pakje meer doorsnee. Descartes en Kant en Wittgenstein komen langs bijvoorbeeld, en die hebben we vaker langs zien komen in onze boekenkasten niet?

(van Wittgenstein kun je denken wat je denken kunt -in de Tractatus maar vooral in Filosofische onderzoekingen wordt er voorzekers niet nevens gepeinsd- maar dat g’uw bakkes moet toedoen over de dingen waar je niet over spreken kunt vind ik nog altijd één van de allerslechtste adviezen allertijden en het is als je het mij vraagt dan ook nooit beter beantwoord dan door Dirk von Lowtzow die samen met zijn bandje Tocotronic Wittgenstein op navolgende wijze replikeerde: “doch ich muss reden auch wenn ich schweigen muss”)

(als je het mij vraagt zei ik maar je vraagt het mij niet en daarom zeg ik het toch maar)

Ik vind het echter wel een moje vorm: eerst de sjappitters en dan die andere teksten. Het is alsof de sjappitters het geleefde leven weergeven, en de tussenteksten hoe dat leven tot woord gestold is. Zo legde ik ook het omslag uit: de grote rots het leven, het kleine rotsje de weergave ervan in tekst (of zou het andersom zijn?). Wat niet is zoals het omslag uitgelegd dient te worden. Maar vooruit, de lezer krijgt voldoende speelruimte in Gehuwde rotsen.

Met, of liever tegenin, The Human Predicament en de zelfmoord van zijn moeder, komt Lauwereyns tot moje analyses over het leven en hoe dat lief te hebben. Dat is dan die ode. Een ode, een autobiografie, een filosofie, een roman; recensie, essay, poëzie – dat alles, en meer nog is Gehuwde Rotsen: één van de zachtaardigste, mooiste, wijsgerigste, weerbarstigste, troostrijkste, innemendste, ontroerendste en rijkste boeken die ik ooit gelezen heb. En dat is dan die nuance.

En nu dan echt gedaan.

Gehuwde rotsen

    • Schrijver: Jan Lauwereyns (België)
    • Soort boek: Vlaamse roman
    • Uitgever: Koppernik
    • Verschijnt: 18 maart 2021
    • Omvang: 336 pagina’s
    • Uitgave: paperback
    • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol

 

Flaptekst van de nieuwe roman van Jan Lauwereyns

Ontroerend poëtisch onderzoek naar Antwerpse wortels.

De gedachte aan de twee leeft in de rotsen,
verbonden met een dik strooien koord.

Zo luiden de slotregels van een kleine Japanse parabel, over de archetypische Moeder en Vader. Moeder heeft een razende doodsdrift. Vader hunkert minstens zo hard naar meer geboortes. En wat heeft dat koord te betekenen? 

Seg Jan, zoagt tegen oe weurmkes. (Te vertalen als: ‘Zeg Jan, zeur tegen je wormpjes.’) Op dit aangeven van zijn dode moeder gaat de genoemde zoon tien dagen lang wroeten in zijn geheugen, dat misschien ook wel een geweten is. Overigens spookt niet alleen de moeder nog. Ook de dode vader wil niet vergeten worden. 

Alles bij elkaar blijkt de materie door en door menselijk, met gebrekkige liefde, aanlokkelijke zwartgalligheid en tot mislukken gedoemde huwelijken. 

In Gehuwde rotsen laat Jan Lauwereyns het verhaal maar stromen zoals het zich aandient, in de vorm van een nieuwe (en tegelijk superklassieke) kruisbestuiving: Augustinus met Boccaccio. Bekentenissen, met veel aandacht voor vader en moeder, in tien dagen, tien hoofdstukken, geschreven in de moedertaal. Met flarden van een soort Antwerps dat zich liever met het oor dan met het oog laat lezen. 

Tsjak, zoê, en voorts, en verder, wordt er getokkeld. Terwijl er buiten een pandemie woedt, bidt het binnenste tevergeefs om troost. 

Jan Lauwereyns informatie

Jan Lauwereyns (1969) is schrijver, dichter en neurowetenschapper. Zijn dichtbundel Hemelsblauw werd in 2012 bekroond met de VSB Poëzieprijs. In 2003 verscheen zijn roman Monkey business, die binnenkort opnieuw verschijnt. Iets in ons boog diep stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2016. Hij woont en werkt in Fukuoka, Japan.

Bijpassende boeken en informatie

Wolfgang Hilbig – Oude afdekkerij

Wolfgang Hilbig Oude afdekkerij recensie en informatie Duitse novelle uit 1991. Op 4 februari 2021 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van Alte Abdeckerei van de uit de DDR afkomstige Duitse schrijver Wolfgang Hilbig.

Wolfgang Hilbig Oude afdekkerij recensie en informatie

Zodra de roman gelezen is door de redactie, kun je op deze pagina recensie en waardering vinden van de novelle Oude afdekkerij. Het boek is geschreven door Wolfgang Hilbig. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden te vinden. Bovendien bevat deze pagina informatie over de inhoud van de novelle uit 1991 van de Oost-Duitse schrijver Wolfgang Hilbig.

Wolfgang Hilbig Oude afdekkerij Recensie

Oude afdekkerij

  • Schrijver: Wolfgang Hilbig (Duitsland)
  • Soort boek: Duitse novelle
  • Origineel: Alte Abdeckerei (1991)
  • Nederlandse vertaling: Ard Posthuma
  • Uitgeverij: Koppernik
  • Verschijnt: 4 februari 2021
  • Omvang: 120 pagina’s
  • Uitgave: Paperback

Waardering voor de novelle van Wolfgang Holbig

  • “Een fascinerende tekst om meer dan eens te lezen.” (Emilia Menkveld, de Volkskrant)
  • “Wolfgang Hilbig is een kunstenaar van enorm formaat. Hij vond een  wonderbaarlijke taal uit om een afschrikwekkende wereld mee te beschrijven.” (László Krasznahorkai)
  • “Roept het lumineuze proza van W.G. Sebald in herinnering.” (The New York Times)
  • “Oude afdekkerij barst van de gelaagde taal en elke zin van Wolfgang Hilbig is op zich een essay waard.” (Roderik Six, Knack)

Flaptekst van de novelle van Wolfgang Hilbig

In Oude afdekkerij richt Wolfgang Hilbig zijn hypnotische proza op het punt waar identiteit, taal en de donkerste hoofdstukken van de geschiedenis samenkomen. Het begint met een jongen die geobsedeerd wordt door een lege en vervallen kolencentrale omdat hij vermoedt dat die iets te maken heeft met de mysterieuze verdwijningen die in de streek plaatsvinden. Maar wanneer hij als jongeman terugkeert naar de plek en zijn herinneringen – het gebouw is inmiddels veranderd in een abattoir dat dode dieren verwerkt – realiseert hij zich hoeveel hij gemist heeft.

Met een toon die veel te danken heeft aan Poe en een syntaxis die van Joyce afstamt roept dit suggestieve, dreigende verhaal de verloren onschuld van de jeugd op.

Wolfgang Hilbig Informatie

Wolfgang Hilbig (1941-2007) is een van de belangrijkste Duitse schrijvers van na de Tweede Wereldoorlog. Hoewel hij is opgegroeid in Oost-Duitsland bezorgde hij de autoriteiten zoveel problemen dat hij in 1985 toestemming kreeg om naar het Westen te emigreren. Hij schreef meer dan twintig boeken en ontving vrijwel alle belangrijke prijzen van Duitsland, met als bekroning in 2002 de Georg-Büchner-Prijs, de hoogste literaire onderscheiding van Duitsland

Bijpassende boeken en informatie

Caro Van Thuyne – Lijn van wee en wens

Caro Van Thuyne Lijn van wee en wens Caro Van Thuyne Lijn van wee en wensinhoud van de nieuwe roman van de Vlaamse schrijfster. Op 15 januari 2021 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de nieuwe roman van Caro Van Thuyne.

Caro Van Thuyne Lijn van wee en wens recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden de roman Lijn van wee en wens. Het boek is geschreven door Caro Van Thuyne. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud de nieuwe roman van de Belgische schrijfster Caro Van Thuyne.

Mari, zij is met Felix, haar partner, maar zij is in diepe rouw. Haar kleine zusje Lully die acht jaar geleden overleden is. Het zusje met het Warfarine syndroom. Zij kon niet lopen, haar hersenen minimaal ontwikkeld, blind en doof. Het zusje waar zij voogd over werd, haar verzorgde, waarvoor zij haar taal leerde, en waarmee communicatie alleen mogelijk was op basis van een  geestelijke en vooral fysiek een symbiose. De rouw, die haar onttakelt, waarin zij is ondergedompeld, maar het lukt haar niet die dood de accepteren, zich aan over te geven en dan, hoe onmogelijk ook, door te gaan met leven. Prachtig beschrijft Thuyne de mogelijkheid , de fantasie, die dood ongedaan te maken. Dit probeert Mari als zij onderweg is, weg bij Felix, geen idee of zij ooit weer terug kan, maar voor nu, op pad. De grote olifant, die haar verstikt, die haar uitzicht beperkt, haar in de weg zit en staat, haar betast met zijn zoekende, zachte slurf, elke ruimte vult met verdriet. Wil zij hem kwijt of niet? Dat gaat zij uitvinden onderweg.

Lopen, lopen, lopen, door een adembenemend landschap

De olifantspaadjes volgend langs de rivier de Rin. Lopen, lopen, lopen, door een adembenemend landschap, tergend koud, hagel, regen , maar natuurlijk ook de zon. Voorbij het eigen kunnen lopen, zoeken naar cadans, zodat het lopen wordt overgenomen samensmelt met de omgeving, versmelt met de vrije geest?Onderweg zich lavend aan teksten van Richard Skelton, zanger, dichter, ook in rouw. En natuurlijk haar berichten aan Felix. Ja zij mist hem,maar moet door, is nog lang niet daar waar de Rin bij de zee aankomt. Nee, gelukkig is zij niet alleen. Een gewonde kauw kruist haar pad. Zij verzorgt hem en Jakke, zoals zij de kauw noemt, trekt met haar op. Slaapt naast haar in een lekker warm nest, vliegt met haar mee. En Mari moet door. Zolang de strijd tussen rouw om haar dode zusje en de liefde voor haar Felix haar weg bepaalt is Mari aan zichzelf overgeleverd.

Caro Van Thuyne Lijn van wee en wens Recensie

Zolang ze de taal van deze allesomvattende emoties niet kan ontleden, niet precies bij de goede woorden kan komen blijft zij ondergedompeld in een krachtenveld waar de uitgang niet te vinden is.

Misschien is de taal van doof-blinden de uitkomst. De taal met weinig of geen woorden. De taal van aanraking, gebaren, rituelen, geuren, herhalingen, voorspelbaarheid, gebaseerd op zintuiglijkheid. Is dat de weg? Hoort zo’n taal onvoorwaardelijk verbonden te zijn met de grote menselijke emoties? Kan zo’n taal de eenzaamheid doorbreken die nu een maal onlosmakelijk gekoppeld is aan en emotie die hoort bij rouw? En…is dat het medicijn tegen rouw?

Bijzondere roman over de fysieke en geestelijke oerpijn die hoort bij rouw

Caro van Thuyn zegt over taal; “taal, die secuur neerlegt alsof ze alles definieert, ze bestaat niet.” En even verder; “er huist een stilte in de dood die zo absoluut is dat de levenden moeten zwijgen, en, woorden zijn water.”  Thuyn heeft het antwoord niet, geeft het antwoord niet.  Zij verweeft haar omzwervingen langs en door de emoties, met prachtige taal over de natuur, haar ongereptheid, haar verleidelijkheid, haar onverwachte krachten en gevaren. Maar zorgt voor troost voor haar hoofdpersonage Mari, en voor de lezer, met teksten van Richard Skelton.

Caro van Thuyn schreef deze roman over de fysieke en geestelijke oerpijn die hoort bij rouw, waarbij overgave aan deze pijn een lijn kan zijn deze krachten, vergelijkbaar met de oerkrachten van de natuur te ondergaan, te aanvaarden. De roman is gewaardeerd met ∗∗∗∗∗ (zeer goed).

Recensie van Mieke Koster

Lijn van wee en wens

  • Schrijfster: Caro Van Thuyne (België)
  • Soort boek: Vlaamse roman
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 15 januari 2021
  • Omvang: 160 pagina’s
  • Uitgave: Paperback / Ebook
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol
  • Waardering redactie: ∗∗∗∗∗ (zeer goed)

Flaptekst van de nieuwe roman van Caro Van Thuyne

In het achtste jaar van de rouw laat haar man thuis achter om een rivier te volgen naar zee. Terwijl ze probeert zich los te wandelen van de pijn en een nieuwe lijn te vinden voor haar leven, bouwt Felix aan een plekje waar zijn vrouw zich misschien ooit thuis zal voelen.

Lijn van wee en wens is een roman over de onttakeling door rouw en de liefde die niet opgeeft. Caro Van Thuyne heeft een meanderend portret geschreven van een vrouw die olifantenpaadjes trekt tussen deze twee oerkrachten, geschreven in een rauwe, weerbarstige stijl. De roman is een zoektocht naar wat verlies betekent.

Bijpassende boeken en informatie

Claudio Morandini – Sneeuw, hond, voet

Claudio Morandini Sneeuw, hond, voet recensie en informatie over de inhoud van deze Italiaanse roman. Op 15 februari 2021 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van Neve, cane, piede, de roman van de Italiaanse schrijver Claudio Morandini.

Claudio Morandini Sneeuw, hond, voet recensie en informatie

Als de redactie het boek leest, kun je op deze pagina de recensie en waardering vinden van de roman Sneeuw, hond, voet. Het boek is geschreven door Claudio Morandini. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden te vinden. Bovendien kun je op deze pagina informatie over de inhoud van de roman van de Italiaanse schrijver Claudio Morandini.

Claudio Morandini Sneeuw hond voet Recensie

Sneeuw, hond, voet

  • Schrijver: Claudio Morandini (Italië)
  • Soort boek: Italiaanse roman
  • Origineel: Neve, cane, piede (2017)
  • Nederlandse vertaling: Hilda Schraa, Manon Smits
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 15 februari 2021
  • Omvang: 129 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman van Claudio Morandini

Adelmo Farandola houdt niet van mensen. In de zomer zwerft hij door de valleien met als enig gezelschap een praatgrage, chagrijnige oude hond en een jonge bergwachter die hem, vermoedt Adelmo Farandola, bespioneert. Wanneer de winter komt zijn de man en de hond ingesneeuwd. Terwijl de voorraden wijn en brood ernstig worden teruggebracht, brengen ze de tijd door met kibbelen over restjes en discussiëren over wie de ander als eerste zal opeten.

De lente brengt een nog sinisterdere ontdekking dit Adelmo Farandola’s toch al wankele greep op de werkelijkheid helemaal dreigt te verbreken: de voet van een man die uit de zich terugtrekkende sneeuw steekt.

Bijpassende boeken en informatie

Wessel te Gussinklo – Op weg naar De Hartz

Wessel te Gussinklo Op weg naar De Hartz recensie en informatie over de inhoud van deze nieuwe Ewout Meyster roman. Op 24 september 2020 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de nieuwe roman van de Nederlandse schrijver Wessel te Gussnklo.

Wessel te Gussinklo Op weg naar De Hartz Recensie en Informatie

Ewout Meyster, de opschepper, snoever, wijslip uit de Hoogstapelaar, niets is er van hem over, zo nu op weg naar de Hartz, het landgoed, op weg naar de Grote Man, Babinsky, nog groter dan Somsen, Ewouts gids, leermeester. Daar gaat het gebeuren, dit heeft hij nodig, daar in dat indrukwekkende landhuis zal hij de weg vinden die hij bewandelen moet, nee, dat is te zuinig uitgedrukt, die hij moet afleggen, moet doorgronden, om te worden wie hij moet zijn.

Bijna een omgekeerde houding van Ewout als in de Hoogstapelaar. Daar zeker van zichzelf, boven iedereen uitrijzend, zijn vrienden de maat nemen. En nu, sinds hij Somsen kent, zijn “ meester”, die hij leert kennen wanneer hij zijn roman door hem weer laten lezen. Is zijn schrijverij goed genoeg  om uit te geven? En daar gebeurt het, daar worden Ewouts poten systematisch onder hem vandaan gezaagd want zijn schrijverij is niets meer dan zelfbevrediging. Zijn zelfbeeld berust op zelfbedrog, Niets weet hij, niets van het leven, niets wat nodig is om een echte schrijver te worden. Gevormd moest hij worden, en Somsen, de grote Somsen, hij die regelmatig op de Hartz lezingen gaf, colleges gaf, daar docent was, door heel Europa reisde, Brussel, Straatsburg, de grote denker, die zoveel wist van filosofie, theorieën weerlegde, citaten uit zijn mouw schudde. Ja, die. Die wilde Ewout wel begeleiden op weg naar het zekere, het grote, het echte weten. Een echte man worden, want wat was hij nu?” Allemaal show, buitenkant, Narcistische aanstellerij eigenlijk, omdat je je zwakte, je weerloosheid moet verbergen. Het is eigenlijk alleen maar overcompensatie” ( ja, hij kende het woord)” overcompensatie, omdat je eigenlijk een minderwaardigheidscomplex hebt”.

Ja, hoe erg wil je het hebben. Hij Ewout! Dat dacht hij toch niet. Ja andere jongens, maar hij?

Maar er is redding onderweg. Ewout mag Somsens assistent worden. Zij geweldige lezingen uittypen, mee op reis naar Brussel en Straatsburg, en samen zullen zij naar zijn roman kijken, er meer diepere lagen in aanbrengen, een meesterwerk van maken, Ja, dat kan Ewout nu nog niet alleen, maar Somsen gaat hem begeleiden. En Ewout, ja, hij hangt aan zijn lippen, hij heeft dit nodig Somsen immers wist dit allemaal, doorzag alles. Want ja, Ewout was dan wel een super slimme jongen, Somsen had hem getest, maar kennis of inzicht of begrip? Ja, wat heb je daaraan wanneer je persoonlijkheid nog niet gevormd was. Er nog gesleuteld dient te worden aan je karakter zodat je een glanzende vorm aanneemt tussen de anderen, meer dan zij wordt.

Wessel te Gussinklo Op weg naar de Hartz Recensie

Er is nog veel werk aan de winkel. Ewout heeft nog zoveel sturing nodig. Hij heeft immers been vader, dus hij moet bij de hand genomen worden. Ja, ook in de liefde, hij heeft een vrouw nodig, de ware hoofse liefde, daar moet hij naar streven, als een echte man, een man die weet wat een vrouw nodig heeft, wat zij verlangt en verwacht van een man. Dus voorlopig geen seks met het meisje, de jonge vrouw Sylvia die hij ontmoet in de bibliotheek.

Bijna schreeuwen wil je tegen Ewout. Ja, ga jij maar gewoon schrijver worden en wellicht lukt het je om vertrouwen in jezelf te vinden.

Afwachtend, dienend moet hij zich opstellen. En Ewout stuurt erop aan dat Sylvia kennis maakt met Somsen, zij zal daar veel aan hebben, net als hij, hij weet zoveel die Somsen, hij weet alles, hij is ook een therapeut. En ja, dat heeft Sylvia nodig na die keer dat zij samen iets verder gaan dan kussen en strelen en Sylvia helemaal verkrampt en Ewout naar huis stuurt. Alleen wil zij zijn, maar Somsen kan ook haar redden. En ja…daarin gaat hij ver, veel te ver. En hij maar Ewout de pin op zijn neus met betrekking tot zijn grote Liefde. Immers beschadigd is dit meisje, ernstig beschadigd en Somsen zal helpen, want veel geduld moet Ewout hebben.. Ja hij heeft nu wel tijd, hoeft even niet naar Brussel, Straatsburg. En ja, dit kan niet anders eindigen dan in een grote ramp.

Wat een sublieme roman: een adembenemende reis!

Zo eindigt Ewout, alleen huilend op zijn kamer. Geen liefde meer, geen vrienden, geen plannen of zekerheden. Wat een roman deze weg naar de Hartz. Te Gussinklo pakt je bij de kladde. Meteen verdwijn je als lezer in het hoofd van Ewout. Elke seconde, elke gedachtegang, elke aarzeling, elke overweging, elke (on)zekerheid? Elke twijfel. Bovenop zit je er als lezer, ben je soms als Ewout. Je houdt je hart vast. Ruikt als snel dat er niet veel goeds kan komen van deze reis van Ewout aan de hand van Somsen.  En Ewout zo eenzaam, zo onzeker, zo zijn stinkende best willen doen en Somsen wijst hem keer op keer af, gooit hem keer op keer terug, het diepe in, nee nog steeds niet goed, nog steeds geen echt karakter. Te Gussinklo vraagt veel van mij als lezer. Geen makkelijke weg, niet voor al zijn personages, maar ook niet voor mij als lezer. Soms het boek even weg, te kwaad worden. Somsen al doorzien, maar Ewout nog niet. Bijna schreeuwen wil je dan tegen Ewout. Ja, ga jij maar gewoon schrijver worden en wellicht lukt het je om vertrouwen in jezelf te vinden. Dat is wat je Ewout gunt aan het eind van deze adembenemende reis op weg naar de Hartz. De roman is gewaardeerd met de maximale ∗∗∗∗∗ (uitmuntend).

Recensie van Mieke Koster

Op weg naar De Hartz

Ewout Meyster, deel 4

  • Schrijver: Wessel te Gussinklo (Nederland)
  • Soort boek: Nederlandse roman
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 24 september 2020
  • Omvang: 472 pagina’s
  • Uitgave: Paperback / Ebook
  • Waardering redactie: ∗∗∗∗∗ (uitmuntend)

Recensies en waardering voor Op weg naar de Hartz

‘Een sublimering van Te Gussinklo’s dramatische ironie: de personages en hun gedragingen zijn nooit eenduidig te beoordelen. Nooit zijn ze zwart óf wit, geheel betrouwbaar óf geheel bedenkelijk.’ Thomas de Veen (NRC, ●●●●)

‘Maar wat een ongekend genot biedt dit kunststuk. Wessel te Gussinklo lezen is een zoete kluisterende kwelling.’ Jeroen Vullings (Elseviers Weekblad, ∗∗∗∗∗)

Flaptekst van de nieuwe Ewout Meyster roman van Wessel te Gussinklo

In dit vierde deel van de Ewout Meyster-cyclus bevindt de drieëntwintigjarige Ewout zich op het landgoed De Hartz. Daar, in het landhuis van de Grote Man, volgt hij colleges en lezingen, gegeven door een internationaal gezelschap van hoogleraren en wetenschappers. Maar vooral is dit deel een terugblik op de periode dat hij als achttien-, negentienjarige bij de door hem hooglijk bewonderde Somsen in de leer was.

Ewout volgt een privéopleiding bij hem – zijn kennismaking met filosofie en psychologie. In die tijd leert hij ook Sylvia kennen, de eerste grote liefde in zijn leven. Van de branie en bluf uit De hoogstapelaar is niets meer terug te vinden. Nee, Ewout oefent zich in discipline, opoffering en totale toewijding aan zowel zijn grote liefde Sylvia als aan zijn leermeester Somsen, die bij hem de vensters opent naar kennis, zelfkennis en geestelijke volwassenheid. Wetenschap en pseudowetenschap, maar ook ontluistering, verraad en bedrog spelen een grote rol in dit verhaal, met dramatische gevolgen.

Bijpassende boeken en informatie

Fernando Pessoa – De ontraadselaar

Fernando Pessoa De ontraadselaar recensie en informatie over de inhoud van deze Portugese detectiveverhalen. Op 17 november 2020 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van de detectiveverhalen van Fernando Pessoa.

Fernando Pessoa De ontraadselaar recensie en informatie

Zodra de roman gelezen is door de redactie, kun je op deze pagina recensie en waardering vinden van de detectiveverhalen De ontraadselaar. Het boek is geschreven door Fernando Pessoa. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden te vinden. Bovendien bevat deze pagina informatie over de inhoud van het boek met verhalen van de Portugese schrijver Fernando Pessoa.

Fernando Pessoa De ontraadselaar Recensie detectiveverhalen

De ontraadselaar

  • Schrijver: Fernando Pessoa (Portugal)
  • Soort boek: detectiveverhalen
  • Nederlandse vertaling: Harrie Lemmens
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 17 november 2020
  • Omvang: 224 pagina’s
  • Uitgave: Paperback

Flaptekst van de detectiveverhalen van Fernando Pessoa

Fernando Pessoa was niet alleen de grootste dichter van Portugal, hij schreef ook korte verhalen, essays, toneelstukken en pamfletten, richtte kranten en tijdschriften op en ‘verdeed’ zijn tijd met het maken van plannen in cafés. Dat hij ook goed om zich heen keek in ‘zijn’ stad Lissabon, blijkt niet alleen uit het magistrale Boek der rusteloosheid, maar ook uit de detectiveverhalen die hij schreef.

Zoals Agatha Christie de Belg Hercule Poirot had, en Arthur Conan Doyle moorden liet oplossen door Sherlock Holmes, zo liet Pessoa zijn ‘gevallen’ ontraadselen door de arts in ruste Abílio Quaresma, ‘gespecialiseerd in de algemeenheid’, zoals iemand hem karakteriseert in een van de verhalen. In De ontraadselaar worden voor het eerst vier van de detectiveverhalen over Abílio Quaresma in het Nederlands vertaald.

Bijpassende boeken en informatie

César Aira – Een episode uit het leven van een landschapsschilder

César Aira Een episode uit het leven van een landschapsschilder recensie en informatie over de inhoud van de Argentijnse historische roman. Op 15 oktober 2020 verschijnt bij Uitgever Koppernik de Nederlandse vertaling van de roman Un episodio en la vida del pintor viajero, geschreven door de Argentijnse schrijver César Aira.

César Aira Een episode uit het leven van een landschapsschilder Recensie en Informatie

Als de redactie het boek gelezen heeft, kun je op de pagina de recensie en waardering vinden van Een episode uit het leven van een landschapsschilder. Het boek is geschreven door César Aira. Daarnaast zijn hier gegevens van de uitgave en bestelmogelijkheden opgenomen. Bovendien kun je op deze pagina informatie lezen over de inhoud van deze kunstenaarsroman van de Argentijnse schrijver César Aira.

César Aira Een episode uit het leven van een landschapsschilder Recensie

Een episode uit het leven van een landschapsschilder

  • Schrijver: César Aira (Argentinië)
  • Soort boek: Argentijnse roman, historische roman
  • Origineel: Un episodio en la vida del pintor viajero (2000)
  • Nederlandse vertaling: Adri Boon
  • Uitgever: Koppenik
  • Verschijnt: 15 oktober 2020
  • Omvang: 104 pagina’s
  • Uitgave: Paperback

Flaptekst van de roman van César Aira

De hoofdpersoon van Een episode uit het  leven van een landschapsschilder is de Duitse kunstenaar Johann Moritz Rugendas (1802-1858). Omdat hij algemeen bewonderd werd als meesterlandschapsschilder adviseerde Alexander von Humboldt hem Europa te verlaten en de spectaculaire landschappen van Chili, Argentinië en Mexico vast te leggen. Rugendas werd inderdaad een van de beste negentiende-eeuwse Europese schilders die Latijns-Amerika in trokken. 

Dit is evenwel geen biografie van Rugendas. Deze roman weeft een bijna surreëel verhaal rond het geheime doel achter de reizen naar Latijns-Amerika: Rugendas is ervan overtuigd dat hij alleen in de mysterieuze uitgestrektheid van de vlakten ware inspiratie zal vinden. Een kort en dramatisch bezoek aan Mendoza geeft hem de kans zijn droom waar te maken. Hij reist rechtstreeks de pampa’s in, hopend op dat onmogelijke moment dat hem zou dwingen een nieuwe vorm van kunst te creëren. De reis wordt echter onderbroken door een vreemde episode die hem onomkeerbaar en voor de rest van zijn leven tekent.

Bijpassende boeken en informatie