Philip Goff Waarom? recensie, review en informatie boek van de Britse hoogleraar filosofie over het doel van het universum. Op 2 september 2026 verschijnt bij Uitgeverij Querido Facto, de Nederlandse vertaling van Why?, het boek geschreven door Philip Goff, de filosoof uit Engeland. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.
Philip Goff Waarom? recensies en reviews
Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Waarom?, Het doel van het universum, geschreven door Philip Goff, de Engelse filosoof, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.
- “Waarom? is een spannend en uitdagend boek. Het is niet alleen geschreven voor filosofen en natuurkundigen, maar ook voor een breed publiek.” (Times Literary Supplement)
- “Een ingenieuze en toegankelijke bespreking van een grote vraag waarop we nooit een antwoord zullen vinden: de reden van ons bestaan… een rijk boek… Het zal ongetwijfeld de aandacht trekken.” (Galen Strawson, The Guardian)
- “Wat is de zin van het leven? De wetenschap vertelt ons dat we in een onverschillig universum leven, verstoken van een doel en ongevoelig voor de wensen en behoeften van de mens. Of is dat wel zo? In dit nieuwe boek onderzoekt Goff de vraag naar een doel in de kosmos – niet een doel dat geworteld is in religie, maar in de bewuste structuur van het universum zelf. Hoewel Goff en ik van mening verschilden over de implicaties van kosmologische fijninstelling en de statistiek van typende apen, zal de inhoud je ongetwijfeld aan het denken zetten over het leven en de zin ervan.” (Geraint Lewis, Professor of Astrophysics, University of Sydney)
- “Waarom? is een geweldig boek. Voor een filosofisch werk leest het opvallend prettig. Goff heeft duidelijk talent om diepgaande filosofie toegankelijk te maken voor een breed publiek. Een deel van zijn genialiteit schuilt in de manier waarop hij zijn kernargumenten verweeft met het verhaal van zijn eigen intellectuele zoektocht.” (Paul Draper, Professor of Philosophy, Purdue University)
Recensie van Tim Donker
In de plancktijd kon het nog alle kanten op. Maar het ging niet alle kanten op. Het ging alleen maar deze kant op.
En er was niets, en toen was er iets. Er was een universum, en toen was er een aarde. En op die aarde was er water, was er gas, was er metaal, was er gesteente. En toen was er leven. En toen was er evolutie. En toen kwamen er mensen. En die mensen maakten muziek en schreven boeken en was het alles zo bijzonder. De mensen werden verliefd en ze maakten reizen, en het was alles zo bijzonder. Ze lagen in het lange gras en ze zagen de wolken, en het was alles zo bijzonder. Dat dit dat was, dit alles, ook niet had kunnen zijn – dat kon geen gedachte zijn. Dat het allemaal maar een bizar toeval geweest was, een, wie zei dat ook alweer, “schitterend ongeluk” – dat was geen gedachte. Zo kon het toch niet zijn.
Iemand staat in de keuken en bakt een appeltaart. Maar om een appeltaart te bakken moet je eerst het universum uitvinden. Zei wie, zei iemand, zei Carl Sagan. Die appeltaart daar, dat is er niet zomaar één, dat is de beste van alle mogelijke appeltaarten. Die kan niet zomaar zijn, iemand of iets moet dat universum hebben uitgevonden opdat dit iemand en geen enkel ander iemand op deze en geen enkele andere dag deze en geen enkele andere appeltaart zou bakken.
Dus droomden ze een God op. Of een Onbewogen Beweger. Een Eerste Oorzaak. Iets dat was zodat de appeltaart zou kunnen zijn. Maarja. Die vreselijke verlichting he. God ging dood, en een Onbewogen Beweger riep meer vragen op dan enig wetenschapper zou kunnen beantwoorden. Misschien was het een tijdje goed. Misschien aten de mensen gewoon hun appeltaart en dachten ze aan Charles Darwin of aan niets. En was alles goed. Maar vragen blijven wel sluimeren. Gevoel blijft wel kriebelen. Verwondering blijft wel schimmeren. Ergens achter de wolken misschien. Want het moet toch allemaal ergens goed voor zijn?
Waarom, zo vraagt ook Philip Goff zich af. En hij heeft het antwoord gevonden. Er is een doel. Het universum heeft een doel. Hoe wat, hoe kan het universum een doel hebben. Wel, het universum heeft ook bewustzijn.
Nu denk je misschien dat Waarom? een louter spiritueel boek is, of esoterisch (als dat geloof ik heet). Of dat Goff de dienaar is van een nieuwe religie. Maar hier is het ding: Waarom? is een wetenschappelijk gefundeerde overpeinzing. Zeer wetenschappelijk, ja, bij vlagen zelfs welhaast onleesbaar wetenschappelijk. Bovendien zou zowel het panpsychisme als het panagentialisme -twee beweging die Goff in dit boek propageert en waar ik straks, hou je paarden, nog over te spreken kom- binnen de hedendaagse filosofie vrij ruim aangehangen worden. Zegt in ieder geval Goff zelve, en wie heb ik verder om in te geloven? Voor ik dit boek las, had ik van het panpsychisme nog nooit gehoord. En van het panagentialisme zelfs nog minder.
(dat religieuze krijgt trouwens aan het eind van Waarom? nog wel een klein staartje. maar ook daar kom ik nog over te spreken. hou dus nog steeds je paarden)
Hoe zat het aan het begin? In de plancktijd, vlak na de oerknal, waren er even, heel even, geen natuurwetten van kracht. Dat kwam ietsjes later. Alsook de aarde. Alsook: het leven op aarde. Deze causaliteiten waren goed op elkaar afgestemd. Een beetje te goed, meent Goff. En menen ook anderen. U kent de redenering vast wel. Als ook maar één van de natuurwetten die wij nu kennen ook maar een fractie anders was geweest, was er geen leven op aarde mogelijk geweest. Zwaartekracht een iets meer of minder, materie iets dichter of juist niet. Natuurkundigen hangen daar wiskundige formules en getallen aan, en als je een nul hebt en dan een komma en dan nog heel erg veel andere nullen en dan ergens na een hele lange rij van die nullen een keer een getal dat geen nul is: over zulke fractietjes spreken we nu. Zo fijn moet alles op elkaar afgestemd zijn om de voorwaarden voor leven te hebben. De kans dat alles precies zo zou zijn als het nu is, is dus nihil. Kleiner nog dan klein. Dat hele idee van je gooit een letterbak op de grond en de over de vloer verspreide letters vormen toevallig een prachtig gedicht (als u ook wel eens mijn poëzierecensies heeft gelezen, kunt u misschien vermoeden dat ik ook van dada, nonsenspoëzie en klankdichten hou, dus in mijn geval zou dat “prachtige gedicht” nogal snel op de vloer te ontwaren zijn; om deze vergelijking wat meer gewicht te geven zeg ik dan maar: de letters op de vloer vormen samen de eerste bladzijde van Genesis) (het Bijbelboek natuurlijk, niet de band, truttemie!). Een toeval zo klein, dat het rationeel gezien eigenlijk niet zou kunnen bestaan. Maar het bestaat wel. Mijn laptop bestaat, mijn koffie bestaat (inmiddels wel koud nu), deze tafel bestaat, en Philip Goff bestaat. De appeltaart bestaat, en dus moet het universum alvast uitgevonden zijn. Dat dit alles bestaat hoewel het logisch gezien niet zou kunnen bestaan, doet bij velen een vorm van opzet vermoeden. Geen God, geen onbewogen beweger, geen (on)intelligente ontwerper. Maar er moet wel een bewuste oorzaak zijn die tot de appeltaart heeft geleid.
Of tot bewustzijn. Nog zoiets dat volgens Goff eigenlijk niet zou moeten bestaan. Evolutionair valt, zo redeneert Goff, bewustzijn niet te verklaren. Er is geen enkele “toevallige mutatie” waarvan bewustzijn het resultaat kan zijn. Het leidt ook niet tot betere overlevingskansen, dus als het al het gevolg geweest was wat een toevallige mutatie in het brein, had het na verloop van tijd ook weer moeten verdwijnen. Om dit te staven, komt Goff af met het mijns inziens niet geheel overtuigende gedachte-experiment van “betekeniszombies”. Mensachtige wezens, die, AI gelijk, prima in staat zijn om te leren. Ze hebben echter niet wat Goff “ervaringsbegrip” noemt (ik neem aan dat dat zoveel is als begrijpen wat je ervaart, iets wat inderdaad samenhangt met bewustzijn). Betekeniszombies zijn leerbaar: het kan ze bijgebracht worden wat wel of niet eetbaar is, wat gevaar is, dat je moet wachten tot de auto´s voorbij zijn vooraleer je de straat oversteekt, hoe de ene dag aan de andere dag geregen kan worden tot je van zoiets als een leven spreekt. Maar bij hen zal alles nooit meer dan een automatisme zijn; ze “ervaren” de wereld niet zoals een bewust wezen zou doen. Een betekeniszombie zou makkelijk kunnen overleven. Dus waarom zijn wij allen niet tot betekeniszombies geëvolueerd? Waarom is dat bewustzijn ertussen gekomen? U weet het misschien niet maar Goff weet het wel: bewustzijn is iets dat er altijd al was.
Ho.
Wacht.
Hoe?
Ja, weetikveel. Als energie. Als “velden”, zoals de morfogenetische velden op de manier waarop Rupert Sheldrake die opvat (daarmee kan Philip Goff natuurlijk slechts hartelijk lachen: weer zo´n besprekerken dat er geen jota van begrepen heeft). Als aanwezigheid. Misschien. In ieder geval is bewustzijn iets dat leven overstijgen zou, en daar is. In het universum. Nee. Wacht. Het universum hééft bewustzijn. Je kan dit opvatten als: het universum bevat iets dat je bewustzijn zou kunnen noemen. Maar volgens Goff gaat het verder, en is het universum zelf bewust. Dit is niet iets dat Philip Goff zelf verzonnen heeft. Als stroming bestaat het langer, en wordt het panpsychisme genoemd. Ik zeg u andermaal dat ik hier nog nooit van gehoord had. Ik kende animisme. Ja. Maar panpsychisme lijkt een stapje verder te gaan.
Voorwaar. Ik zeg u. De idee van een bewust universum, zou ik niet onmiddellijk verwerpen. Al hangt het al af van hoe je bewustzijn verstaat. Een abstract, of toch niet duidelijk begrensbaar begrip.
Als de regen een lintje was en ik ben hier met jou samen aan het wachten bij de nachtbar barbecue, zou ik dat lintje nemen en het helemaal om je heen wikkelen.
Of.
Als bewustzijn de geest in de fles was, of de mens in de masjiene.
Want.
Wat is bewustzijn? Bewusstsein is een liedje van Trist. Dat liedje is, of het lijkt niet meer te zijn dan, een ruisend geluid dat lijkt op dat van de zee. Is zee bewustzijn? Is bewustzijn een zee? Iets dat golft, stroomt, aankomt en zich terugtrekt? Bewusstsein staat op Willenskraft. Wil. Ook dit lijkt bij Goff samen te hangen.
Sja.
Is bewustzijn misschien niet meer dan een “ik ben”-gevoel, en is weten, naja: voelen, dat je bent niet handig als je overleven wil? Is je eigen existentie tot in je beenmerg ervaren niet een voorwaarde om ervoor te willen vechten? Een computer maakt het weinig uit als je hem uitschakelt, maar bij een mens speelt er toch wel iets op als hij voorzien kan dat een bepaalde keuze zijn dood naderbij zou kunnen brengen. Als bewustzijn zoveel inhoudt als emotionele betrokkenheid op de eigen existentie, biedt het zeker een evolutionair voordeel. De betekeniszombies van Goff zouden kunnen leren wat ze moeten doen om te overleven. Maar het zou ze misschien niet werkelijk kunnen schelen of ze zouden leven of niet.
Ook kan je beargumenteren dat bewustzijn een illusie is, of iets dat net zo vaag is als “de ziel”, en dan zou je misschien niet per se preken voor een verloren zaak. Of nog: zijn we zelf immers niet de helft van de tijd betekeniszombies? Wakker worden en opstaan en gaan en de baan en de dingen en alles, en wat weet je er ’s avonds of aan eind van de week nog van. Op hoeveel momenten van de dag ben je eigenlijk überhaupt volledig bewust van wat je doet? Misschien is bewustzijn wel net dat van Trist. De zee. Iets dan aan komt rollen. En zich terugtrekt. Iets dat nu hier is, en dan daar.
En dan wilde ik deze nog proberen: is bewustzijn allicht slechts een bijproduct van taal. Ons exponentieel toegenomen taalgevoel biedt zeker evolutionaire voordelen, zoals Iris Sommer zeer juist naar voren brengt. Is het “ik ben”-gevoel niet gewoon een louter resultaat van het vermogen “ik ben” onder woorden te kunnen brengen, als, “ik denk dus ik ben”? Aangezien de meeste levende wezens over enige vorm van taal beschikken, zouden de meeste levende wezens dus ook een zekere mate van bewustzijn hebben. Misschien niet steeds als een gevoel van “ik ben” maar wel een zekere mate van zelfverstaan: als een aanwezigheid in de ruimte, een aanwezigheid die afgescheiden is van andere aanwezigheden in de ruimte.
Maar stop me als je deze al gehoord hebt.
Philip Goff koppelt bewustzijn sterk aan vrije wil. Ook zoiets.
Ik heb nooit geloofd in vrije wil.
Ik meen dat we voor het allergrootste deel bepaald worden door factoren die geheel buiten ons om tot stand gekomen zijn. Aanleg, biologie, opvoeding, (sociale) omgeving, vroege ervaringen: op alles dat ons gemaakt heeft tot wat we nu zijn, hebben we zo goed als geen enkele invloed gehad. Maar ook later in ons leven bepalen volstrekte toevalligheden ons meer dan we zouden willen. Misschien. Als we toen niet links waren gegaan maar rechts. Als een verhuizing één dag eerder was gekomen, of één dag later. Als we niet met de bus waren gegaan, maar met de trein. Als dat ene gesprek dat ons op andere ideeën had gebracht er nooit geweest was. Ik geloof er niet zo aan dat we zelf vormgeven aan onszelf. Ik geloof dat we worden bepaald door opvoeding, jeugd, karakter, capaciteiten, toevalligheden. Allemaal dingen waaraan we zelf niet het kleinste beetje hadden kunnen veranderen. En zelf het hele kleine beetje dat overblijft dat je wel vrije wil zou kunnen noemen.
Philip Goff noemt als voorbeeld dat hij kan kiezen om televisie te kijken, of vakliteratuur te lezen.
O.
Ja.
Dat kan.
Vele dagen vind ik mezelf terug als ik de plees aan het reinigen ben, of de bedden verschoon, of de badkamer kuis. Terwijl ik eigenlijk had willen lezen. Of naar een seedee luisteren. Of. Misschien. Gewoon. Niks doen. Dan kies ik dus voor een huishoudelijke klus op een moment dat ik ook voor iets had kunnen kiezen dan meer aansluit bij mijn onmiddellijke behoeften. Volgens Goff is dat “vrije wil”. Maarja. Hoe vrij is dat? Als ik alleen zou wonen, zou ik zeer waarschijnlijk helemaal niet kiezen voor plee, bed of badkamer. Dan zou ik lezen, muziek luisteren, of niks doen waar ik de mogelijk maar had. Als ik alleen zou wonen, zou ik heel goed kunnen leven met een bepaalde mate van wanorde en viezigheid. Als ik alleen zou wonen, zou ik misschien om één uur ’s nachts in bad gaan terwijl ik dat nu asociaal vind als ik denk aan de rest van mijn gezin. Hoe vrij is mijn wil dan? Mijn wil is direkt verbonden aan de wil van drie andere mensen. Goff zou misschien beargumenteren dat dat de uitkomst is van een eerdere wilsact van mij. Dat is de vraag, want het zijn vooral toevalligheden die mij hier hebben gebracht. En het is misschien de “maatschappij” die mij zegt dat ik niet egocentrisch mag zijn, of mijn opvoeding die maakt dat ik de wil van anderen in haast alle gevallen belangrijker vind dan mijn eigen wil. Maar zelfs als ik daarvoor kies, dan nog lijkt vrije wil een ander soort vrije wil in de weg te staan.
Goff noemt vrije wil ergens het vermogen om te kiezen voor het goede. Het goede te doen.
En dat is het volgende. Handelingsvermogen.
Vermogend tot handelen. Weeral iets dat aan vragen onderhevig is. Want wat is vermogend? En wat is handelen? Als ik die plees sta te reinigen terwijl ik eigenlijk in bed of bad wil liggen, of, wel, misschien met een biertje naar Weedeater zou willen luisteren, of in doodse stilte een dichtbundel lezen, of. Naja. De straat op. Gewoon wat lopen. In één of andere totaal onverwachte eettent mijn lunch nuttigen. Kortom: zo ongeveer alles doen behalve datgene wat ik aan het doen ben – is dat handelingsvermogen of juist het gebrek eraan? Word ik niet veeleer door handelen overvallen, een handelen dat ik liever niet wil. Doen we wat we doen omdat we teveel opties hebben, of omdat we er juist te weinig hebben? Als we door externe factoren worden bepaald tot onze handelingen, zegt handelingsvermogen denk ik niet zoveel. Maar bij Philip Goff is het een twede stap tot zijn filosofie: panagentialisme. Ofwel. De wortels tot het vermogen tot handelen schuilen ten diepste in elke uithoek van het universum.
Dit heet. Dit zegt:
het universum is bewust, en het kan handelen om in dat bewustzijn te voorzien. Of nog. Het universum wilde dat er leven kwam, en schiep bewust de condities die nodig waren om dat mogelijk te maken.
Vooraleer ik verder ga, moet ik u zeggen dat ik geen sciëntist ben. Als in: het sciëntisme aanhangend, niet het Engelse woord voor wetenschapper. Ooit was ik een sciëntist. Dat wel. Ik was twintig ofzo, en de persoon van wie ik het allermeeste had gehouden tot dan toe, had me verlaten. Ze moest een man gaan zien over een hond ofzo, in ieder geval was ze vertrokken naar Mallorca. Dat deze hele grote liefde nu aan diggelen lag, de gruzelementen daar zichtbaar voor me, op de vloer, deed iets met me. Ik naam me heilig voor om nooit meer lief te hebben (is niet helemaal gelukt, dat). Mijn ratio, en die ratio alleen, ging me voortaan leiden. Alles dat maar enigszins betrekking zou hebben op welk gevoel dan ook, zou ik kapot redeneren. Liefde voorop. Gewoon maar wat stofjes in het brein, fijne gevoelens als beloning omdat je je met deze persoon wellicht uiteindelijk zou toeleggen op instandhouding van de soort. Paren, voortplanten en sterven. Gewoon de allerlaagste instincten dus, dat kon je liefde noemen als je wilde. Maar dat wilde ik niet. Niet meer. Ik las alleen nog maar wetenschappelijke tijdschriften, want poëzie was ook al discutabel. Overwoog zelfs even nog natuurkunde te gaan studeren. Het vermoeden dat ik daar de ballen van zou snappen, hield me tegen. Maar tijdenlang probeerde ik zo wetenschappelijk mogelijk te leven.
Dat is niet meer. Verschillende maatschappelijke ontwikkelen deden bij mij het vermoeden rijzen dat altijd maar het laatste woord aan wetenschap, cijfers en statistieken geven net zo blikvernauwend kan werken als Goda woord voor zoete koek slikken en als enig geldig uitgangspunt nemen. Wetenschappers zijn ook maar mensen. Feilbaar. Op elke mogelijke manier. Ook wetenschap is niet vrij van fraude, eerzucht, winstbejag. Er is geen “de” wetenschap, zo min als er een “de” God is.
Dus inmiddels geen sciëntist meer zijnde, sta ik wagenwijd open voor panagentialisme, panpsychisme en andere wetenschappelijk bezien twijfelachtige theorieën. Sterker nog, als iets mij aannemelijk lijkt, zou het me een rattenreet kunnen schelen of het wetenschappelijk waterdicht te onderbouwen valt. Deze aantoonbare werkelijkheid is niet de enige werkelijkheid. Zo peins ik. Het is dus niet dat Goffs ideeën wat vergezocht lijken, waardoor ik een beetje moeite heb met dit boek. Het is, uiteindelijk, vrees ik vooral Goff zelve.
Zoals eerder genoemd, onderneemt Goff bewonderenswaardige pogingen om zijn ideeën wetenschappelijk te staven. Het maakt hoofdstuk 2, “Waarom de wetenschap wijst op een doel”, zelfs bijna onleesbaar droog. Daar gaat het over de fijnafstemming in het heelal; alle natuurwetten die zo prachtig op elkaar ingespeeld zijn dat er leven op aarde kon ontstaan hoewel het dus waarschijnlijker was geweest als dat nooit gebeurd was. Ook het navolgende hoofdstuk, Waarom bewustzijn wijst op een doel, wordt geteisterd door een aantal zeer taaie beschouwingen. Ik ben geen wetenschapper. Ik ging nooit natuurkunde studeren. Ik heb een oom die neuroloog is, maar zelf heb ik niet meer dan een heel klein beetje lekenkennis over de menselijke hersenen. Ik moet het dus allemaal maar aannemen. Ik moet maar aannemen van Goff dat natuurkundig bezien het leven eigenlijk niet tot stand had moeten komen, ik moet maar geloven dat bewustzijn niet goed te verklaren valt. Ik heb maar te slikken dat toeval niet het antwoord kan zijn. En dat is het punt. Goff laat het de lezer niet toe om met hem in discussie te gaan. Elk hoofdstuk eindigt met een gedeelte dat Goff “Verdieping” heeft genoemd. Daarin bespreekt hij enkele bezwaren die men zou kunnen hebben op de ideeën die hij in dat hoofdstuk heeft opgeworpen. Die bezwaren probeert hij dan vervolgens te ontzenuwen. Maar het zijn bezwaren die hij zelf bedacht heeft (en die, als u het mij vraagt, geregeld wat arbitrair aandoen en veelal slechts de periferie van zijn eerdere betoog raken) en die -hoewel het toch vrij gemakkelijk zou moeten zijn om zelfgekozen bezwaren te weerleggen- ook niet altijd honderd procent ontzenuwd worden. Zijn “verdieping” blijft dus vaak steken in oppervlakkigheden, zodat ook daardoor een dialoog niet echt tot stand komt.
Waarom? is een beetje een boek dat als een keihard blok op de lezer gestort wordt. Olivia Judson is onlangs afgekomen met een boek dat erg raakt aan de thematiek waarmee Goff zich in Waarom? bezighoudt. Maar Judson beschrijft haar ideeën als een ontdekkingsreis. Noemt boeken die haar op haar huidige spoor hebben gezet. Weet zichzelf schatplichtig aan andermans theorieën. Als je in de noten kijkt, put Goff echter verbijsterend vaak uit zijn eigen werk. Boeken, artikels, zelfs de discussies die hij met anderen voert op Twitter (ja ik ga dat vervelende medium echt niet met een willekeurige letter uit het alfabet aanduiden jongens, Twitter is als naam al achterlijk genoeg). Dat soort man is hij. Hij reisde niet. Achteraf stippelt hij een route uit. Maar gelijk had hij altijd al.
Philip Goff heeft het rationele, het filosofische, en, als we zullen zien, het ethische gelijk aan zijn zijde. Dat is wel een beetje erg veel gelijk. En het maakte Philip Goff een beetje een – ja hoe zal ik dat noemen? Ik wil zeggen “kwal” maar zoiets kan je als besprekerken natuurlijk niet zeggen. Een dominee misschien. Ja. Philip Goff is een beetje een dominee.
Dat was al te merken aan zijn idee over vrije wil als het vermogen om te kiezen voor het goede. Mensen willen een doel, ze worden ongelukkig als ze er geen hebben. Zegt hij. Ergens al aan het begin van Waarom?. Ook dit wordt onderbouwt met een gedachte-experiment. Goff voert ene Susan op. Susan heeft maar één bezigheid in haar leven: grassprietjes tellen. Iets anders doet zij niet, de hele dag niet. Haar hele leven draait om grassprietjes tellen. Om zijn gelijk nog ietsjes makkelijker te kunnen halen, specificeert Goff ook nog dat zij niet veel voldoening haalt uit het tellen van grassprietjes. En oja. Het is ook geen dwangneurose. Ze doet het omdat ze het doet. Zeg maar. Volgens Goff is Susans leven zinloos geweest. Ze heeft niks bijgedragen aan de maatschappij. Ze heeft nog niet het allerkleinste beetje van het leed in de wereld weggenomen. En dat is wel Goffs idee van zin. Leed wegnemen. En allicht kun je ook slecht met hem in discussie over de idee dat het zin heeft om iemands pijn (emotioneel, lichamelijk, psychisch) enigszins te verlichten (langs de andere kant: dood moet je toch, ook met pijnverlichting). Maar het is niet gezegd dat Susan nooit eens een kind dat viel in het gras waarvan zij op dat eigenste ogenblik de sprietjes lag te tellen overeind geholpen heeft. Of nog. Misschien was er iemand met een kutdag, want hij had een kutleven en een kuthuis en een kutbaan en ruzie met zijn kutvrouw, en hij liep briesend en fulminerend door het park en daar zag hij iemand in het gras liggen. De sprietjes tellen. En hij dacht: naja. Het kan altijd nog kutter. Misschien is Susan wel een icoon in de plaats waar zij woont. Krijgt iedereen iedere keer weer goede zin van die vrouw die daar in het gras ligt, altijd maar tellen en tellen en tellen. Wie weet. Maar nog. Hoeveel van de “bullshit jobs” waar David Graeber het over heeft, komen niet neer op grassprietjes tellen (het zou zelfs maar zo de taak van een of andere gemeenteambtenaar kúnnen zijn)? Leiden alle mensen met op het eerste gezicht zinloze banen een verloren bestaan? Wil Goff zich echt die arrogantie aanmeten? En wanneer is een bestaan dan wel zinvol? Waarschijnlijk dit bestaan: als je precies zo geleefd hebt als Goff doet.
Dat is: het goede doen. Weeral een gedachte-experiment, weeral Susan. Misschien een andere Susan, want deze moet voor haar werk naar een congres. Maar misschien bestaat dat: een grassprietjestellerscongres. Hoe ook, Susan is getrouwd, gelukkig getrouwd, met een vrouw, want zo woke is Goff klaarblijkelijk wel om in een gedachte-experiment af te komen met een lesbische vrouw, maar daar, in na het congres, in de lobby van het hotel waar ze verblijft, komt ze in gesprek met een andere vrouw. Een leuk vrouw. Een hele leuke vrouw. En het gesprek wordt langzaamaan wat flirterig, en tegen dat Susan na haar kamer gaat, vindt ze in haar zak een briefje met een kamernummer en de hartenkreet “Kom bij me vannacht”. En Susan twijfelt, want Susan is gelukkig getrouwd, en Susan houdt veel van haar vrouw, maar Susan heeft ook wel zin in een avontuurtje. Maar doordat zij vrije wil heeft, kan ze kiezen voor het goede. En Goff zegt het niet met zoveel woorden, maar hij suggereert zeker wel dat het goede doen voor Susan inhoudt: haar vrouw trouw blijven.
Wel.
Hum.
Ja.
Je kan ook redeneren dat als twee mensen heel veel van elkaar houden, ze het elkaar gunnen om al eens een scheve schaats te rijden. Je kan ook redeneren dat daar in een goed huwelijk ruimte voor mag zijn. Je kan ook redeneren dat je omdat je ooit eens ja tegen een ander hebt gezegd, dat nog niet wil zeggen dat die persoon eigenaar is van jouw lichaam. Je kan ook redeneren dat monogamie maar een verzinsel is, en misschien niet eens zo’n geweldig verzinsel. En waarom komt dat “trouw blijven” trouwens toch altijd neer op het lichamelijke? Bepaalde muziek of sommige gedichten delen met een ander kan vele malen intiemer zijn dan seks. Maar met een ander poëzie lezen, komt voor velen niet neer op “vreemd gaan” (wat ik overigens een zeer ergerlijke term vind). Van je ziel mag je vrijelijk stukjes weggeven, maar voor je lichaam ligt het alleenrecht bij je partner. Dat is een mening die misschien heel erg veel mensen hebben, maar het is wel een beetje een bekrompen mening.
Daar hebben we het dan. Philip Goff, de bekrompen dominee.
Want in het laatste hoofdstuk komt er een aap uit Goffs mouw. Een wat viezige aap. Of misschien eerder: een frischgewasschen aap. Hij lijkt een beetje op Calvijn.
W zaten immers nog met dat doel. Het universum is bewust, en tot een bepaalde mate van handelen in staat. Goed. Maar dat zegt nog niet dat alles een doel heeft. Of toch? Ja, volgens Goff moet het van het universum allemaal gaan van a naar beter.
Kan.
Ik wil geloven aan de “nisus” van Samuel Alexander. Dat het universum ertoe neigt naar hogere bestaansvormen te evolueren. Materie kwam voort uit ruimtetijd, en leven uit materie. Het begon met eencelligen, later waren er mensen. Dat iets dat complex is, simpel begonnen is, behoeft misschien geen betoog. En ik wil ook nog wel geloven dat dat proces altijd nog gaande is; dat de mens, zoals sommigen geloof ik geloven, niet het eindproduct van de evolutie is. Denkbaar is dat er nog andere, nóg complexere bestaansvormen zullen ontstaan, ooit. Zelfs de noösfeer van Teilhardt de Chardin sluit ik daarbij niet geheel uit. Maar dan niet als iets dat nastrevenswaard is, eerder een dystopisch gegeven waarvan de wortels reeds zichtbaar zijn. Alle neuzen dezelfde kant op, iedereen begeesterd door dezelfde ideeën. Het is je nu al niet geraden andere ideeën dan de massa te hebben over Gaza, Oekraïne, klimaatverandering of corona.
Maar dat het hele universum een doel heeft, een streven? En dat wij nietige menswezentjes daar dan ook nog een helpend handje bij zouden kunnen bieden? Dat is wel ongekend antropocentrisch. Erger is echter nog hoe die hulp er volgens Goff uit zou moeten zien. Niet gewoon zomaar naar je beste vermogen je leven leiden. Niet goed doen aan je naasten. Want je familie helpen, dat is iets voor de maffiabaas. Stelt Goff. En de best mogelijke samenleving willen voor je landgenoten is voor nationalisten (opmerkelijk hoe die man in een paar zinnen familieliefde gelijk kan stellen aan xenofobie). Nee, dan dat kerkgenootschap waarvan Goff deel uit maakt en waarmee hij lief en leed deelt. Dát is goed doen aan anderen, en als nu maar de hele wereld zo doet, komt dat doel waar het universum klaarblijkelijk naar aan het streven is wel dichterbij.
Jammer.
Ja.
Het is jammer dat Goff deze toon aanslaat. Waarom? biedt heel veel stof tot nadenken. Niet alleen waarom je het niet met hem eens zou zijn (het is “intellectueel” gezien altijd uitdagender iets te lezen waar je het niet mee eens bent, dan een boek te lezen waarbij je alleen maar “ja! ja!” & “zo is het!” & “helemaal waar!”) maar omdat hij überhaupt heel veel aanroert dat te denken geeft. Bovendien kun je er niet veel op tegen hebben dat iemand tot naastenliefde oproept. En de appendix, waarin hij een lans breekt voor hogere belastingen voor de rijken, is bijzonder sympathiek. Zijn ideeën over eerlijke bezitsverdeling, hellen wellicht een beetje gevaarlijk over naar het communisme maar het is zeker waar dat sommige mensen weerzinwekkend rijk zijn, en dat dat in een beschaafd land moeilijk te verenigen is met de idee dat er anderen zijn die op straat leven. Op meer plekken in zijn boek maant Goff de lezer even stil te staan, en het voordehandliggende nog eens te overpeinzen. Als hij zich nu ook wat bescheidener had opgesteld, had Waarom? één van de interessantste filosofieboeken van dit jaar kunnen zijn. Een boek dat je beslist zou moeten lezen. Nu is het een boek dat je altijd nog zou moeten lezen. Maar wel met enige reserves.


Waarom?
Het doel van het universum
- Auteur: Philip Goff (Engeland)
- Soort boek: filosofieboek
- Origineel: Why? (2023)
- Nederlandse vertaling: Albert Witteveen
- Uitgever: Querido Facto
- Verschijnt: 2 september 2026
- Omvang: 224 pagina’s
- Afmetingen: 13,5 x 22,5 cm
- Uitgave: paperback
- Prijs: € 23,99
- Boek bestellen >
Flaptekst boek van filosoof Philip Goff over het doel van het universum
Waarom zijn we hier? Wat is het doel van ons bestaan? Voor wie niet tevreden is met de antwoorden van de traditionele religie en evenmin met het gebrek aan antwoorden van het atheïsme, biedt Philip Goff een onverwachte en intrigerende uitweg. In Waarom? stelt hij dat het tijd is om zowel God als het atheïsme achter ons te laten. Aan de hand van hedendaagse kosmologie en grensverleggend filosofisch onderzoek naar het bewustzijn verdedigt hij het idee dat het universum een doel heeft, een gerichtheid, zoals het ontstaan van intelligent leven.
Anders dan religieuze denkers is Goff ervan overtuigd dat de traditionele God geen goede verklaring biedt voor zo’n kosmisch doel. In plaats daarvan onderzoekt hij een reeks alternatieve mogelijkheden om het te verklaren, variërend van de veronderstelling dat wij in een computersimulatie leven tot de hypothese dat het universum zelf een bewustzijn is. Zo legt hij de basis voor een nieuwe manier van denken over het middengebied tussen God en atheïsme. Uiteindelijk schetst hij ook hoe wij betekenisvol kunnen leven als onderdeel van een bewust kosmisch geheel.
Philip Goff is geboren in 1978. Hij is hoogleraar filosofie aan Durham University. Zijn onderzoek richt zich op bewustzijn en de aard van de werkelijkheid. Hij schreef er diverse boeken over en publiceert daarnaast regelmatig in kranten en tijdschriften als Scientific American, The Guardian en The Times Literary Supplement.
Bijpassende boeken