Tag archieven: Broken Sleep Books

Matthew Kosinski – Year of the Invented Star

Matthew Kosinski Year of the Invented Star recensie, review en informatie boek met socialistisch-occulte lyrische poëzie. Op 28 februari 2026 verschijnt bij Broken Sleep Books het boek van de Amerikaanse dichter Matthew Kosinski. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Matthew Kosinski Year of the Invented Star recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Yeat of the Invented Star, het boek met gedichten en poëzie van de Amerikaanse dichter Matthew Kosinski, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

zegt iemand zegt wie zegt Rosmarie Waldrop: Middle English gramarye, grammar, or book-learning, came to mean occult or magic lore, and through one Scottish dialect form has emerged in our present English as ‘glamour’. […] Grammar girls with words that spell power to cast spells.“

& dit

zal bij Matthew Kosinski niet op dove oren zijn gevallen (kent Kosinski Waldrop? ja natuurlijk kent Kosinski Waldrop); hij: poëet, socialist, occultist, onderzoekt in Year of the Inverted Star de transformatieve kwaliteiten van taal, wat resulteert in een bezwerende en, zomwijlen, visuele poëzie die in hoge mate bedwelmend is; de lezer gaat gaandeweg vermoeden dat hij na dit boek nooit meer helemaal de oude zal zijn.

Ik dacht aan de grammargirls van Uljana Wolf. grammargirls spellen macht met woorden en maken magie, schrijft zij, met een vingerwijzing naar Waldrop (ja van wie denken jullie dat ik het had dan?), en: grammargirls schrijven woorden tot tekens om te toveren (en ook: grammar girls willen lettersoep maken maar haten maggi) (wat ik wel grappig vond) (en vanwaar ineens die spatie tussen grammar en girls dat weet ik ook niet maar dat is net de tover van taal peinst mij); zinnen die goed als omschrijving zouden kunnen dienen voor het projekt dat Kosinski hier onderneemt (kent Kosinski Uljana Wolf? lijkt me niet waarschijnlijk).

De bundel bevat feitelijk maar vier gedichten: Conception Dream; Three Years (onderverdeeld in My Christ Year, My Katsuragi Year en Year of the Inverted Star); Some of Them Barked Like Dogs en Consobrinus Universalis en met elk gedicht gaat de lezer een fractie dieper de duisternis in, tot we eindigen bij een “universal cousin” – het zou een neef kunnen zijn het zou een nicht kunnen zijn het zou het kozijn van het wereldvenster kunnen zijn, al lijkt het consobrinus uit de titel wel te wijzen op het kind van de zus van de moeder – die langzaamaan de pagina zwart kleurt. Bij oppervlakkige beschouwing leek het gedicht me afkomstig te kunnen zijn uit het tekstboekje van een seedee van The Secret (ook best gek op latijn, die gasten) (bij oppervlakkige beschouwing, ik zeg, want ik geloof nooit dat Marco Coslovich een marxist is). Het alles komt uit drek tevoorschijn, en verdwijnt uiteindelijk weerom in een teerzwarte zee die elk onderscheid uitwist.

Zo maakt Kosinksi lezen tot een zeer fysieke ervaring.

De buik.
De maag.
De darmen.

Trepanatie.

Licht penetreert het donker.

Een eeuwigdurend hoog.

En overal armen.

Oerdriften worden aangesproken. Soms is dat grappig: twee verliefde heterosexuelen doen het saaiste ding dat je je maar voor kunt stellen, schrijft Kosinksi. En: er zijn zoveel interessante dingen om aan te denken, waarom zou ik dan ooit aan sex denken? (welke letter uit dat halve alfabet om andersgeaarden mee aan te duiden is dat ookalweer?) (ik had het er laatst nog over met een collega op depot) (jij hebt het altijd over van alles gehad, laatst, met een collega op depot) (ja sorry verder spreek ik alleen nog maar met de slager en met de vrouw van de bakker).

Alles borrelt in deze bundel. Taal, beelden, gewaarwordingen. Alles borrelt, stroomt over, is vloeistof, komt langzaamaan tot materie. Een voortdurend ontstaan en vergaan en opnieuw ontstaan. Tot het de lezer duizelt (soms vrij letterlijk – meer dan eens moet het boek gedraaid worden om alles te kunnen lezen).

Dat is die lijfelijkheid waarover ik het had.

Het heen en weer. Een reeks x’en. Dezelfde of een andere reeks x’en in spiegelbeeld. Het vele paginawit. Soms paginazwart. Symbolen. Taal als magie. In de geest van Rosmarie Waldrop of Uljana Wolf. De infante spuugt. Meng de zeedruif met de wijn en geef de dichter wat. We vliegen in een twaalfzitskano. De nacht stroomt het lied uit. Een dier zet zichzelf in elkaar volgens de instructies. En overal groeit de taal welig.

Hier is de dichter eerder magiër.
Wat zal Maria van Daalen dit mooi vinden zeg. Maria van Daalen moet dit lezen.

Hier is de taal gemaakt uit het stof der dromen. Hier is vergaan altijd ontstaan. En andersom.

Hier schijnt elk licht duister. Lees dit met Demdike Stare op de steerjoo & lees dit & lees dit & lees dit.

Dronken van poëzie moet je nog aan je dag beginnen. Je dacht altijd al dat literatuur en de nacht beste kompanen waren.

Matthew Kosinski Year of the Invented Star

Year of the Invented Star

  • Auteur: Matthew Kosinski (Verenigde Staten)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels
  • Uitgever: Broken Sleep Books
  • Verschijnt: 28 februari 2026
  • Omvang: 82 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: £ 10.99
  • Boek bestellen >

Flaptekst van het boek van Matthew Kosinski de Amerikaanse dichter

Matthew Kosinski’s Year of the Inverted Star is a visionary work of socialist occult lyric, beginning in the body and spilling out into theology, politics and magic. In ‘Conception Dream’ life emerges as contamination and contact, cells admitting viruses, ash accepting breath, two strangers becoming Don Giovanni to one another while consciousness wells up like a tear at the rim of its vessel.

Across the triptych of ‘Three Years’ Matthew Kosinski moves from Christ year through Katsuragi year to the inverted star itself, weighing anomie, archetype, and hospital corridors, searching for a thought of love that never doubles back on itself. In ‘Some of Them Barked Like Dogs’ the possessed nuns of Loudun gain a strange political agency, crawling on a thousand palms through the Forest of Things, while ‘Consobrinus Universalis’ chants the universal cousin into a cracked Marxist gospel of kinship and injury. The result is viscous, exact, darkly funny writing that insists we are all entangled in each other’s flesh and fate.

Matthew Kosinski is een Amerikaanse dichter, socialist en occultist uit Philadelphi.

Bijpassende boeken en informatie

Laurie Eaves – Metal Gear Sonnets

Laurie Eaves Metal Gear Sonnets recensie, review en informatie over de inhoud van de dichtbundel van de Engelse dichter. Op 28 februari 2026 verschijnt bij Broken Sleep Books, het boek met gedichten van de Laurie Eaves, de schrijfster uit Engeland. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Laurie Eaves Metal Gear Sonnets

Metal Gear Sonnets

  • Auteur: Laurie Eaves (Engeland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels
  • Uitgever: Broken Sleep Books
  • Verschijnt: 28 februari 2026
  • Omvang: 132 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 17,99
  • Boek bestellen >

Laurie Eaves Metal Gear Sonnets recensie van Tim Donker

Aanvankelijk begreep ik alleen “sonnets”. Sonnetten. Metal gear liet zich pas later ontsleutelen. Dat dit dus gaat over een computerspel, Metal Gear Solid geheten, dat in zijn klassiekste vorm teruggaat als ver als 1987, maar vanaf 1998 vorm kreeg als een blijkbaar veelgespeelde reeks voor Playstationgebruikers. Hum. Ja. Sonnetten en computerspellen, daar heb je in één adem twee zaken waar ik weinig tot niets mee heb.

Maar.

Eerst de sonnetten dan misschien. In zijn nawoord (de “endcredits”, maar daar kom ik nog over te spreken) (hou je paarden) heeft Eaves het over “lettergrepen tellen” dus allicht zijn het technisch gezien allemaal sonnetten (wat een soms wat merkwaardige zinsbouw of woordkeuze zou verklaren) maar de gedichten in Metal Gear Sonnets zien er zeker niet uit als traditionele sonnetten. De vorm wijkt zelfs zodanig af van welke traditie dan ook dat je af en toe kunt spreken van visuele poëzie. Wervelend overheen twee pagina’s, dwars op de bladzij geplaatst, kolommen, spiraalvormig, een omgekeerde driehoek, gedichten die voornamelijk uit leestekens lijken te bestaan; bij een eerste doorbladeren alleen al laat Metal Gear Sonnets mijn bloed sneller stromen. Iemand die zoiets mufs als de sonnetvorm zozeer naar zijn hand kan zetten dat er iets geheel nieuws ontstaat, verdient mijn volledige aandacht.

Zelfs al gaat het dan om een computerspel.

Mijn zoon, toch een “gamer”, zoals dat geloof ik heet, is daar trouwens niet een goed Nederlands ekwievalent voor, computerspelletjesspeler lijkt niet eenzelfde lading te dekken, kende Metal Gear Solid niet, misschien niet verbazingwekkend want hij heeft geen Playstation, maar toch, hij kijkt ook vaak youtubevideo’s over computerspellen, dus, dacht ik, misschien heeft hij er ooit van gehoord, maar dat had hij niet, ik zei het is een reeks het bestaat al vanaf 1998, dan is het alweer ouderwets zei hij, ik zei dat het recentste deel vorig jaar nog is uitgekomen maar dat maakte niets uit: Metal Gear Solid was al ouderwets verklaard, vreemd hoe oud ik me voel op zulke momenten want computerspellen zijn voor mij per definitie al hypermodern (en dan een flits van inzicht: zou het daarom zijn dat Eaves voor zo’n oeroude dichtvorm gekozen heeft?), toen Nuclear Assault in 1986 kwam met hun Game Over-elpee had ik slechts de vage associatie dat het iets was wat in beeld verscheen als je af was bij een computerspelletje (maar Nuclear Assault gebruikte het op een veel apocalyptischere manier)(en hoe raak mijn lijntje naar Nuclear Assault is, zal later nog blijken), misschien kan iets op een hypermoderne manier ouderwets zijn, en misschien dat Eaves daarom, en misschien zegt dit iets, en misschien gaat het wel, of misschien gaat het niet.

Kun je uiteindelijk niets anders doen dan toch maar beginnen met lezen.

(een lichte huiver wel, dat die schone vormgeving misschien door de inhoud toch nog om zeep geholpen zou worden) (soms maakt meer informatie dingen alleen maar kapot) (en misschien dat Eaves daarom, en misschien zegt dit iets, en misschien gaat het wel, en misschien gaat het niet)

Het verhaal is waarlijk hollywoodiaans. Een kerncentrale in Alaska wordt bezet door terroristen, er zijn gijzelaars, er wordt gedreigd een atoombom af te schieten op Amerika, een speciale eenheid, FOXHOUND geheten, moet dat voorkomen, de terroristen onschadelijk maken, de gijzelaars bevrijden. Maar zoals dat gaat, er zijn verborgen agenda’s, er is een mol met een extra opdracht, misschien komend van de president zelve, misschien zou het beter zijn als FOXHOUND dit ook niet overleeft. Zoiets, denk ik, ik heb niet zo’n goed brein voor diergelijke plots, ze vervelen me, en interessanter is dan ook wat Eaves met die gegevens doet.

Hij brengt de personages uit het spel tot leven met persoonlijke geschiedenissen, herinneringen, overwegingen, gedachtegangen, angsten, twijfels. Die haalt Eaves niet allemaal uit Metal Gear Solid; hij sampelt er ook de nodige boeken doorheen – fictie zo goed als beschouwelijk. En meer nog. Een flard uit het BBC-nieuws over Tsjernobyl. Een lemma uit de Encyclopedia Brittanica over de waarschijnlijk door Amerika ontworpen en waarschijnlijk tegen Iran gerichte computerworm Stuxnet. Liedteksten. Andere computerspellen. Nieuwsfeiten. Het is duidelijk dat hier meer op het spel staat dan een computerspel alleen (niet grappig bedoeld). Eaves noemt Metal Gear Sonnets in zijn eerder genoemde “end credits” wel (een beetje al te) bescheiden “fanfictie”, maar Metal Gear Sonnets is duidelijk niet zonder politieke, sociologische en misschien zelfs wel (kunst)filosofische implicaties, aangezien het zich onophoudelijk wendt naar “de echte wereld” zoals het achterplat dat noemt. Uw echte wereld evenzeer: “boss Psycho Mantis” spreekt op enig moment de lezer als poëzieliefhebber toe, noemt daarbij een heel scala aan interessante poëzieuitgeverijen (een opsomming waarin Broken Sleep uiteraard niet ontbreekt). Pagina’s later is er een vraag naar wat werkelijker is: een volledig zelfgemaakte hamburger (je verbouwde zelf het graan, je maalde zelf het meel, je bakte zelf het broodje, het vlees kwam van een koe die je zelf met de hand gevoerd hebt vanaf dat ze een kalfje was) of een kleffe, slappe, lauwe Big Mac van “Maccy D’s” (zoals de “Master Miller” die deze vraag voorlegt aan een “jij” (de lezer of iemand buiten beeld?) de welbekende fastfoodketen noemt) – een vraag die verder gaat dan vlees alleen, en ook nog wel verder dan de dierenrechten die er door de in de “endcredits” genoemde People for the Ethical Treatment of Animals (PETA) aan verbonden worden.

Natuurlijk gaat dit ook om oorlog, macht, nucleaire dreiging (niet voor niets wordt het nawoord gevolgd door een opsomming van enkele ontwikkelingen op nucleair gebied sedert Otto Hahn, Lisa Meitner en Fritz Strassman in 1938 kernsplijting ontdekten). Mij viel echter nog een andere laag op.

Laat ons trager stappen nu.

Metal Gear Sonnets is een fictioneel werk. Geïnspireerd op een computerspel. Een ander fictioneel werk. Daarnaast put het rijkelijk uit andere bronnen. Veelal eveneens fictie. Maar er zijn continu lijnen naar de werkelijkheid. Is het denkbaar dat Eaves ook vragen wil stellen over de wederzijdse beïnvloeding van fictie en werkelijkheid? Wat geeft wat vorm? Makers van fictie putten hun inspiratie doorgaans uit dingen die werkelijk bestaan, hoe surrealistisch of absurdistisch het eindresultaat vervolgens ook mag zijn. Maar druipt fictie op haar beurt niet weer door naar de ons omringende werkelijkheid?

Trager nog.

Deze vraag kwam voor het eerst in mijn hoofd op toen in 1999 stage liep bij het blad Roodkoper. Tijdens zomaar een redactievergadering zat hoofdredacteur Huub O. zich op te winden over mensen die het milieu verpestten door voor hele kleine stukjes de auto te pakken. “En weet je waardoor dat komt?” vroeg hij. Het leek ons, toehoorders, een retorische vraag dus wij, we zwegen. “Door Goede Tijden Slechte Tijden. Daar zien ze personages de auto pakken om alleen maar even naar de bakker te gaan en zo krijgen ze het idee dat dat allemaal maar normaal is!”

Ik voelde dat ik ging lachen dus ik beet op mijn lip.

Het leek me een beetje veel eer voor een soapserie. Die ik bovendien vrij goed kende want ik heb, het is inmiddels lang geleden dus ik durf het nu wel toe te geven, die serie tamelijk lang, misschien wel twintig jaar, gevolgd. Toen ik op de HAVO zat begon het als camp. We keken het allemaal, staken er de draak mee, deden des anderendaags, overacterend, hele stukken na. Daarna werd het gewoonte. God ik ben een zuiger voor gewoontes. Als iets bij mij een gewoonte wordt, ben ik eraan. Dan kan ik er nog maar heel moeilijk mee stoppen. Dat deed ik uiteindelijk wel, een jaar of vijftien geleden, maar in die tijd keek ik nog en ik kon me niet herinneren dat één personage ooit in de auto naar de bakker was gegaan (er ging sowieso nooit iemand naar de bakker) (autoscenes kwamen trouwens ook bijna niet voor). Omdat ik het zo’n simplistische zienswijze vond, vertelde ik het, lachend, die avond aan mijn nicht, met wie ik toevallig uit eten ging. Zij moest ook lachen, en zo zaten we even, beide lachend, aan tafel. Toen zei mijn nicht: “Het is juist precies andersom. Zulke series zijn volledig gemodelleerd naar de werkelijkheid van de massa.” Mij verging het lachen toen, ik zweeg, ik wist ook nog zo net niet of dat wel waar was namelijk.

Vormen werken van fictie onze werkelijkheid of is het andersom?Allicht is het wederzijds.

Hoewel Eaves in zijn endcredits nergens een film noemt (een musical, Chicago, en een televisieserie, Dad’s Army, komen er nog het dichtst bij), geeft de hele plot van Metal Gear Solid (en dus Metal Gear Sonnets) (ja je kunt dit ook als een roman-in-verzen beschouwen) een sterk hollywoodiaans gevoel. Je kunt de ferme stoere personages, waarachtige Rambo’s, zo voor je zien. Helikoptercrashes. Een bom. Soldaten met raketwerpers. Metal Gear (Solid/Sonnets) heeft het allemaal. Film.

Film is pure manipulatie.

Dit boek bevat ook stukken over genetische manipulatie.

Misschien is een gemiddelde overheid tegenwoordig ook niet vies van wat hollywoodiaanse manipulatie?

Wacht, vooraleer u een complotdenker in mij gaat zien. Of erger nog: een wappie (maar een iegelijk die die laatste uitdrukking louter pejoratief gebruikt, verzoek ik nu onmiddellijk te stoppen met lezen). Beer met mij.

Trager stappen nu.

Film is pure manipulatie, ik zei het al, meer nog dan welke kunstvorm dan ook. Heeft u nooit een traantje gelaten bij de Ontroerende Scene in, pak m beet, een disneyfilm? (en om mijn punt te maken noem ik nu maar meteen het ergste van het ergste). Werd u nooit boos, heel erg uit-uw-stoel-opverend boos om het onrecht dat de held in het begin van de film werd aangedaan door de schurken? En gesproken van die schurken, de zogeheten bad guys, die zijn altijd ook zo volkomen slecht in hollywoodfilm, die zouden nog wel zonder een traan te laten een baby kunnen vertrappen. En de anderen, de good guys, ja die zijn zoals we allemaal zouden willen zijn, niet? Die zijn sterk en moedig en vindingrijk en als het erop aan komt nog grappig en sympathiek ook. Die hebben het hart op de juiste plaats (mijn hart staat links, zongen die gasten van Rammstein ooit). En misschien werd u dan ook ooit wel overvallen door zo’n viezig NetGoed-gevoel als de stoere sterke moedige held er, één keer zijn niet te stelpen verdriet overwonnen (kinderen dood, vrouw dood, huis platgebrand, een eventueel aanwezige hond in de vlammen om zien komen), frisch gewassen aan zijn langverwachte wraakneming toekomt. Werd u dan niet door de makers verleid tot affecten die u in politiek of ethisch opzicht feitelijk verwerpelijk zou vinden? Dan kwam dat doordat de wereld door de filmmakers te simpel en overzichtelijk wordt voorgesteld: wat goed is, is alleen maar goed en wat slecht is, is alleen maar slecht. En het slechte is ook werkelijk zo kwaadaardig dat het alleen maar uitgeroeid kan worden, nooit gerehabiliteerd.

Misschien zijn we langs gelijkaardige wegen allang ongemerkt een “genetisch gemanipuleerde mens” geworden – is niet het discours zoals overheden ons het voorschotelen altijd overzichtelijk, simpel en duidelijk? Wat slecht is, wat goed, wat er moet gebeuren, welke veer wie gaat moeten laten, welk gedrag acceptabel is en welk gedrag volkomen onacceptabel?

De kans is groot dat het nooit Eaves’ bedoeling is geweest om dit soort vragen aan te zwengelen maar is dat niet het kenmerk van alle waarlijk goede kunst – het gaat altijd kanten op die de maker nooit heeft kunnen voorzien.

Ondanks de sonnetvorm en ondanks het computerspel is Metal Gear Sonnets me een prachtboek gebleken dat vermoedelijk nog lang in me zal blijven nawerken. Zoiets krijgt denk ik alleen een geniaal dichter voor elkaar: op achterstand beginnen om ver vooraan te eindigen.

Flaptekst van de dichtbundel van Laurie Eaves

On Shadow Moses Island, a black-ops mission unfolds again, but this time in fourteen-line bursts. Metal Gear Sonnets replays the iconic 1998 game as a formally inventive sequence that moves through codec calls, boss battles, hostage scenes and end credits, letting lyric tenderness and brutal comedy share the same frame. Laurie Eaves writes with the precision of a speedrunner and the ear of a poet, turning stealth mechanics into meditation, nuclear threat into contemporary dread, and pixel snow into something that can still cut skin.

These poems break and remake the sonnet again and again: concrete text, glitch-speech, footnotes, and sudden turns into the real world (Chornobyl, Stuxnet, Hiroshima) as the book asks what we save, what we repeat, and what we call heroism when the controller is in our hands.

Laurie Eaves is a writer & editor from the village of Yapton. His work has been published by Bad Betty Press, fourteen poems, Fawn Press & Shooter amongst others. He co-hosts the Dead Darlings podcast & hosts / produces Genesis Poetry Slam, Genesis Poetry Workshop, Homebrew Poetry & the Vogon Slam.

Bijpassende boeken en informatie

Rhian Elizabeth – maybe i’ll call gillian anderson

Rhian Elizabeth maybe i’ll call gillian anderson review, recensie en informatie boek met gedichten van de dichteres uit Wales. Op 31 mei 2025 verschijnt bij Broken Sleep Books de dichtbundel van Rhian Elizabeth. Er is geen Nederlandse vertaling van het boek verkrijgbaar.

Rhian Elizabeth maybe i’ll call gillian anderson review en recensie van Tim Donker

Dit is de eerste scene. Een moeder staat op de drempel van het huis en ziet hoe de dochter in haar auto stapt en wegrijdt. Ze trapt het gaspedaal in, kijkt niet meer om, gaat. En daar staat moeder dan, in haar lege nest. Niet langer het hele tapijt vol vuile was, niet meer iemand die steeds met de deuren slaat, niet langer de posters van haar helden aan de muren van wat van nu af aan een extra kamer is. En nu? Wat te doen met al die leegte? Haar vrienden zeggen de moeder dat ze bezig moet blijven. Dingen moet vinden om te doen, en dan het liefste dingen die niets van doen hebben met heeldurdagen naar The Carpenters luisteren en huilen. Misschien, zo denkt ze, kan ze online dingen gaan bestellen. Niet omdat ze ze nodig heeft of zelfs maar hebben wil maar omdat ze zich dan kan verheugen op de komst van die spullen en dat verheugen zou je een bezigheid kunnen noemen. Of misschien kan ze op Google zoeken naar leuke hobby’s voor veertig jaar oude, verdrietige vrouwen. Of misschien kan ze gewoon een beetje in doodste stilte door het huis lopen tot ze zichzelf terugvindt in die ontstellend lege kamer, schreeuwend Wat word ik nu godverdomme geacht te doen, Alexa? Of misschien kan ze Gillian Anderson bellen en haar uitnodigen voor een logeerpartijtje, de lakens van het bed van haar dochter afhalen en er schone opleggen, in de hoop dat Gillian Anderson met een knipoog zal zeggen ik slaap liever in jouw bed.

Dit is de situatie van het titelgedicht, en dat is het allereerste gedicht in de bundel. Ik hoefde geen badwater te testen, deze regels las ik ademloos. Alles, bijna elk woord uit dit gedicht kan ik me zo levendig voorstellen dat het is alsof ik daar op die drempel sta, kijkend naar een veel te snel verdwijnende auto. Mijn kinderen zijn tien en twaalf en toch kan ik het me zo goed indenken hoe ze op een dag zullen gaan; als mijn oudste op zijn achttiende het huis uit gaat (wat daar geen ongebruikelijke leeftijd voor is), zal mijn nest over een luttele zes jaar reeds halfleeg zijn. Ga ik dan allicht enkele dingen die ik nu ook al doe alleen maar frekwenter doen? Want ik herken net iets te goed hoe het wachten op -in mijn geval- boeken en cd’s eigenlijk mojer is dan het ontvangen ervan. Vanaf het moment dat ik een bestelling plaats, kan ik dagen leven in het glorieuze vooruitzicht dat dat geniale boek of die wonderschone cd eraan komt – een fijn gevoel, dat kundig om zeep geholpen wordt wanneer de postbode ze daadwerkelijk aflevert. Zo mooi als het gedurende die paar dagen in mijn hoofd geworden is, zijn boeken en cd’s trouwens toch nooit. Niets is ooit zo mooi als het in je hoofd is. Dat is wat het betekent om in leven te zijn. Lekker zwelgen in je verdriet? Ken ik ook. Nog fijner met muziek erbij ja, al is dat in mijn geval nooit The Carpenters (maar misschien moet ik dat eens proberen?). Ook: onzinnige dingen opzoeken via Google. Goed, meestal voor de lol samen met mijn dochter. Maar de keren dat ik het doe als ik alleen ben, is onversneden verveling doorgaans de drijfveer erachter. Alleen Gillian Anderson ken ik niet. Zou dat iemand zijn natuurlijk is dat iemand ik ken wel meer beroemdheden niet vast een goeroe of een televisiepsycholoog of iemand van youtube of gewoon maar een moje vrouw die zingt of acteert of schrijft, in de danklijst wordt Anderson nog bedankt omdat ze Elizabeth vooralsnog niet heeft aangeklaagd. Het is makkelijk op te zoeken wie dat is, misschien iets voor als de verveling weer toeslaat. Maar liever laat ik me het raden, net als in de tijd dat er geen Google was en je zulke dingen niet kon opzoeken, nooit, omdat niet iedereen het schopte tot lemma in de encyclopedieën die je in de bibliotheek kon gaan inzien (maar mijn vader was in die dagen een soort Google, en die prikte menig een zeepbel door, gevraagd of ongevraagd).

Eén gedicht, het is niet veel meer dan anderhalve bladzijde, het is droevig het is grappig en het is springlevend. Dat is goed binnenkomen. Er zijn dichtbundels waarin je even moet rondstommelen, waarin je tot soms wel halfweg geen idee hebt wat je er van vindt, wat je aan het lezen bent, wat voor bundel het is, waarin je flarden krijgt toegeworpen: een intrigerend beeld, een moje zin; elk meer laat zich voorlopig alleen maar vermoeden. Maar Rhian Elizabeth trekt je zonder pardon tot over je oren de schittering in. Waar in het twede gedicht, drowning on a stranger’s couch, het perspectief maar enkele centimeters verschoven lijkt te zijn: een vrouw die haar dode vader erg mist, brengt ergens in Zweden een dag en een nacht door bij een vrouw die ze totaal niet kent. Deze vrouw mist op haar beurt haar (klein)kinderen die haar nooit komen bezoeken. Weeral eenzaamheid, weeral wringende familiebanden. Maar anders dan bij maybe i’ll call gillian anderson, zit de schoonheid van dit gedicht niet perse in de dwingende manier waarop Elizabeth beelden oproept. Nee, drowning on a stranger’s couch heeft veeleer de allure van een performancegedicht. Wat een genot moet het zijn om dit te horen voordragen, liefst door de dichter zelve (geen totale onmogelijkheid: Rhian Elizabeth woont in Wales). Het muzikale, de herhaling, het ritme, de klankkleur, hoe de zinnen als vanzelf gaan zingen (bijvoorbeeld: you will sit in het conservatory with the windows pushed wide open, the night will be hot, you will close your eyes, you will think about the pool outside, you will think of yourself weightless on the bottom, you will listen to the crickets singing, they live on the lake in the distance, the great lake is vättern or sommen, you aren’t sure which, this she told you on the drive across sweden in her car but you had your head out of the window like a dog, you will wonder if this is a mistake, you make bad decisions, she will bring you lemon ice tea, you will feel tired, she will convince you to stay the night on the massive old couch, you will dream about your father there, you will give him a new face, you will give him a new voice, you will no longer remember the actual ones he had, you will dream about swimming in vättern of sommen, you will dream about drowning), en dan is het overal om je heen, als, inderdaad, muziek en wat een verschil maakt een verschuiving van slechts enkele centimeters dan.

Wel. Goed. Dus. Dit is het gedeelte dat je aan voelt komen. Want uiteraard: zo overweldigend als de eerste twee gedichten is niet elk gedicht in deze bundel. En misschien gaat het inderdaad wel iets te vaak over dochter, en over dochter missen, en over (in mindere mate) moeder zijn. Maar in dit kleine boek (niet meer dan 45 pagina’s) levert haast elk gedicht wel iets op. Een zin, een gedachte, een flits.

Zoiets als in een relatie zijn en altijd het gevoel hebben dat je een kreeft bent in een aquarium in een restaurant en doorheen het glas ziet hoe de ander sjampanje drinkt en het fantasties naar de zin heeft terwijl jij daar zit in afwachting van je dood.

Of dat a new and precarious thing een rap is, een heerlijk ritmiese rap, een rap die stroomt en vloeit en loopt als een razende (iemand moet deze bundel op cd zetten, er moet een cd komen van deze bundel, de gedichten dikteren hun eigen muzikale omlijsting wel, er zal freakfolk zijn en hiphop en blues en snoeiharde rock en verstilde fado en het zal misschien wel de allermooiste cd allertijden zijn) maar tegelijkertijd ook een ontroerend gedicht over hoe een dronken dochter op haar achttiende verjaardag weer heel even een kind is, een baby die alle verzorging nodig heeft, zodat ook de dichter, eindelijk, weer even moeder mag zijn.

Of de wreedheid van het geheugen dat dingen die je liever vergeten wil je keer na keer in je gezicht blijft wrijven terwijl je dingen die je zo dolgraag onthouden wil -de stemmen van je ouders- onherroepelijk verliest.

Of de spinnen in je huis die blijven leven nu er niemand meer is die er bang voor is zodat je geen reden meer hebt ze te doden.

Of de Mona Lisa onder de Mona Lisa

Of dat een Londonse straatpuber (in wie ik Rhian Elizabeth zelf meen te herkennen) op haar weg neerwaarts een brief schrijft aan wiedanook en vertelt hoe zij en haar vrienden op weg zijn naar een optreden van Rachel Stamp. Zou dat echt een band zijn, vroeg ik me af, en dit keer zocht ik het wel op. Het was een echte band. Wat aanstellerige, net iets te theatrale rock, aanschurkend tegen glam, maar dan zo vet aangezet dat je er geen hekel aan kunt hebben. Toen ik me later iets afvroeg over Rachel Stamp en de band nog eens opzoeken wilde op Discogs kwam ik door een typefout in de bandnaam terecht bij Moljebkla Pvlse en sjee wat bleek hun debuutalbum Koan prachtig te zijn. Als ik me die ooit aanschaf -wat wel weer onvermijdelijk zal blijken te zijn- heb ik ook dat overgehouden aan maybe i’ll call gillian anderson. Het moet niet altijd rechtstreeks zijn.

maybe i’ll call gillian anderson is een briljant boek. Het is vanwege boeken als deze dat ik zoveel hou van poëzie. Omdat de woorden leven in de splinters, in de kieren, en midden in het leven.

The English translation of the review you can find further down down.

Rhian Elizabeth maybe i'll call gillian anderson

maybe i’ll call gillian anderson

  • Auteur: Rhian Elizabeth (Wales)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels
  • Uitgever: Broken Sleep Books
  • Verschijnt: 31 mei 2025
  • Omvang: 44 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: £ 9.99
  • Boek bestellen bij: Amazon

Flaptekst van de bundel van Rhian Elizabeth de Wels dichteres

Rhian Elizabeth’s maybe i’ll call gillian anderson is a raw, darkly funny, and deeply affecting collection that navigates the liminal spaces of love, loss, and reinvention. With a voice that is both unguarded and sharply observant, Elizabeth crafts poems that move through heartbreak, motherhood, memory, and self-destruction with biting wit and aching tenderness. Whether tracing the ghosts of past selves, confronting absence, or yearning for connection, these poems refuse sentimentality, instead offering something braver—an intimacy that is as unsparing as it is humane.

English translation of the review

This is the first scene. A mother’s state op de drempel van het huis and hoe de daughter in hair car stapt en wegrijdt. Ze trapt het accelerator pedal in, you can’t hear anything, gaat. In the state mother then, in hair laying nest. It’s never long before you can see anything, no one has the steeds with your slaat, it’s never long before the posters of hair heroes are in the wall of what you’re looking for and there’s an extra camera. En now? What did you do with the lying ones? The mother’s hair can be seen as soon as possible. Things can be seen from the doen, and in the last things the niets van doen hebben met heeldurdagen naar The Carpenters luisteren en huilen. Misschien, if you think so, you can order things online. You can’t get the heeft of the zelfs to be able to get to the point where you can get rid of the spools and get rid of them. Of course you can search on Google for a few hobby’s for every year or two. Of the misschien kan ze gewoon a beetje in doodste stilte door het huis lopen tot ze zichzelf terugvindt in the ontstellend lege kamer, schreeuwend What word ik nu godverdomme geacht te doen, Alexa? Of course, Gillian Anderson can bark and have her hair ready for a lounge party, the sheets of the bed with her hair are afhalen and he has a beautiful bed, in the hoop that Gillian Anderson has a knipoog zal zeggen and sleeps in the bed.

This is the situation of the title poem, and this is the very first poem in the bundle. I had to go to bad water to test it, and it was fine. Everything, like the word from the poem, can be easily imagined by me, which is also written on the jam, which can be seen in a very small car. My children have two children and I can think of them as soon as possible; as my oudste op zijn mindful het huis uit gaat (wat daar geen ongebruikelijke leeftijd voor is), zal my nest over a luttele zes jaar reeds halfleeg zijn. Is there anything that you can do with your grandchildren? I don’t want to hear anything that is good enough to wake up in my book and CD’s own version is in the ontvangen. Vanaf het moment that ik aen ordering plaats, kan ik dagen leven in the glorieuze vooruitzicht that the brilliant book of the wonderful cd eraan komt – a fijn gevoel, that knowledgeable om zeep geholpen wordt wanneer de postbode ze daadwerkelijk aflevert. As soon as he endured the few days in my house, his books and CDs were still there. Niets is ooit zo mooi than het in je hoofd is. That’s what he says in life. Lekkers are in jeopardy? Ken ik ok. There is still music here, yes, it is in my life no more than The Carpenters (maybe I missed it if I tried it again?). Ook: onzinnige things opzoeken via Google. Good, everything for the lol seeds with my daughter. This is what I do when I see it, it is on the other side of the door from the driver’s eye. Alleen Gillian Anderson knows nothing. This person is of course a person who can be seen in a vast amount of time from a television psychologist of someone from YouTube of gewoon maar a little bit of writing, in which Anderson has thanked her for Elizabeth never files a complaint. It’s a good idea to see how it is, but it’s not possible to see how it works. You can read more about it, but not in the encyclopedias that are in the library that can be found in Google, which in my opinion is not available in any way. en the prikte menig a zeepbel door, gevraagd of ongevraagd).

A poem, it’s never seen in other words, it’s dreary, it’s grappy and it’s spring-loaded. That’s good to come within. He zijn dense bundles was even moet rondstommelen, waarin je dead soms which halfway geen idea raises what je van vindt, wat je aan het lezen bent, wat voor bundel het is, waarin je flarden krijgt toegeworpen: an intriguing beeld, a moje zin; Elk sea let us do it quickly and easily. Maar Rhian Elizabeth treks je zonder pardon tot over je oren de schittering in. Waar in the two poems, drowning on a stranger’s couch, the perspective of her enkele centimeters lost lijkt te zijn: a vrouw the hair dode vader erg mist, brengt ergens in Zweden een dag en een night door in a woman who is completely out of her mind. Every day you don’t have enough hair for your (small) children’s hair. Weeral eenzaamheid, weeral wrestling family ties. It’s different in maybe I’ll call Gillian Anderson, to quote the beautiful poem from the poem in the compelling manner that Elizabeth has written. No, drowning on a stranger’s couch is a great performance poem. What you can do with it is this.

Bijpassende boeken en informatie

Geoff Gilbert & Alex Houen – See You Through

Geoff Gilbert & Alex Houen See You Through recensie, review en informatie boek met poëzie en fictie. Op 31 augustus 2025 verschijnt bij Broken Sleep Books het Engelstalige boek van Geoff Gilbert en Alex Houen. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteurs en over de uitgave.

Geoff Gilbert & Alex Houen See You Through recensie en review

En dan ben je student in het derde jaar en dan ga je stage lopen en dan moet je alle dagen met de trein van Utrecht naar Amsterdam en dan is daar het kantoor de redactie op één of andere gracht en dan ben je daar een dag en dan ga je weer naar buiten en dan loop je weer terug naar het station en dan heb je net je trein gemist en dan hang je om de tijd te doden maar een beetje rond in de kiosk en dan lees je dat Stanley Kubrick is overleden en dan vraag je de volgende dag aan Huub de hoofdredacteur of je een in memoriam mag schrijven over Stanley Kubrick. En je weet niet waarom je dat vroeg je hebt niet veel op met film eigenlijk en het enige wat je weet van Stanley Kubrick is dat hij The Shining verfilmd heeft maar dat vond je wel een verdomd goede film of liever in die tijd vond je het de enige Stephen King-verfilming die beter was dan het boek. Want je hele puberteit lang was je weg geweest van Stephen King en elke verfilming van zijn werk moest je zien. Maar alleen The Shining kon je echt geslaagd vinden veel beter dan het boek eigenlijk een beetje een slechtgeschreven rotboek maar dat kon misschien ook aan de vertaling liggen. Maar Huub had gezegd dat het goed was dus nu moest je wel en dus las je in boeken in tijdschriften in krantenartikels om genoeg te weten te komen over Stanley Kubrick om er een goed stuk over te schrijven een stuk waarmee je aan kon komen bij de Huub een stuk waarvan de Huub zou zeggen dat heb je goed gedaan jongen. En even dacht je misschien interessante figuur wel die Kubrick en het was vooral één ding één ding dat hij gezegd had en wel dat een roman wordt geschreven door één persoon en een symfonie wordt gecomponeerd door één persoon en dat het dus niet meer dan logisch is dat een film wordt gemaakt door één persoon en dat bleef in je hoofd en daar zit het nu al meer dan dertig jaar.

Dan neemt de eerste persoon het over.

Het was iets. Dacht ik. Die man had iets bij het nekvel. Dacht ik. Mijn liefde voor klassieke muziek, die toch al nooit goed wortel had geschoten, was tanende in die dagen en naar ik zei had film me ook nooit echt gegrepen. Kon dat iets te maken hebben met Kubricks éénpersoonsregel? Waren er, in weerwil van diens eigen voorbeeld, bij een symfonie teveel mensen betrokken? Zoals ook bij een film? Een te grote afstand tussen de oorspronkelijke idee en het uiteindelijke werk. Maakte dat de genoemde kunstvormen te rationeel te cognitief te cerebraal te democraties teveel water bij iets wat ooit wijn was geweest maar inmiddels getransformeerd in een slap en smakeloos drankje, geen water en al helemaal geen wijn. Maar hoeveel is teveel. Een kunstcollectief, kan werken. Een band, kan werken. Een roman schrijven met twee personen, kan werken.

Dat See you through door twee mensen is geschreven, merk je eigenlijk nergens. Ik weet niet of dat als compliment kan gelden, of zelfs maar als zodanig bedoeld is. De roman is toonvast, de klankkleur blijft 183 pagina’s lang minder of meer in hetzelfde spectrum.

Dat See you through door twee mensen is geschreven, is goed te merken. Polyfoner en geflipter dan dit wordt het niet. Dit jaar niet, toch.

Misschien zou je kunnen zeggen dat het gaat over Mimo, die misschien tot taak heeft om beelden te bekijken van beveiligingscamera’s in winkelcentra, nachtclubs, kerken, boerderijen, op straat (vanwaar komen de beelden, vraagt hij zich ergens af, uit Memphis? Kish? Esztergorm?). Misschien moet hij software trainen om gezichten te herkennen en wapens te detecteren, misschien moet hij de beelden alleen maar bekijken. Misschien is er een persoon die de Regisseur genoemd wordt en misschien is dat zijn baas of misschien is het een stem in zijn hoofd (Mimo’s innerlijke stem liegt nooit maar hij weet niet wanneer hij een grapje maakt) of misschien is het de schrijver van het boek (hij bemoeit zich wel opvallend vaak met de ontwikkeling van de roman) (opheffing vierde wand) (derde kaft) (tikveel) of misschien is het wel echt een regisseur en is See you through geen roman maar een film, een tot boek gestolde film. Misschien is er een broer die Emael heet en zonder uitzondering in derde persoon meervoud gezet wordt en zij werken misschien in een restaurant in Parijs waar het hun taak is om levende inktvissen met hun hoofd herhaaldelijk op de badrand te slaan want dat maakt het vlees lekker mals maar Emael vat (vatten?) warme gevoelens op voor één van de inktvissen waar zij misschien een band mee opbouwen. Misschien zijn de ouders van Emael en Mimo omgekomen bij een auto-ongeluk en waarom lees ik de laatste tijd zoveel boeken waarin ouders omkomen bij een auto-ongeluk en waarom t schrijverken nu en waarom denkt hij aan Dregke. Misschien neemt Mimo ontslag, misschien wordt Emael ontslagen, misschien leven ze allebei een tijdje in een tentje in het bos maar niet in dezelfde tent en niet hetzelfde bos en zelfs niet hetzelfde land. Misschien is dat het verhaal of misschien is er nog veel meer, een liefde tussen Emael en een andere keukenhulp allicht, misschien is er iets met Mimo en het meisje Nin, geen liefde denk ik maar een warme vriendschap, misschien helpt hij haar ergens mee, misschien gaat iets niet helemaal goed.

Zo’n soort boek is het. Een boek waarin je het nooit zeker weet, waarin de lezer onophoudelijk zijn greep verliest, waarin je zo vaak valt dat er builen op je builen staan en je geniet er elke pagina weer van.

Alle stemmen die er zijn, en wie er wat vertelt.
We zien doorheen Mimo’s ogen. We zien doorheen Emaels ogen. Soms is het de regisseur die stuurt. Soms zijn er lange voicemails van Emael. Mijn vermoeden is dat er een stukje is waarin een stad de focalisator is, maar dat weet ik niet zeker. En op het einde duikt er ook nog een ikverteller op, geen idee wie dat is of waar hij vandaan komt.

Alle beelden die we voorgeschoteld krijgen. Dansvloeren. Veel dansvloeren. Vuur ook. Veel vuur. En soms op de dansvloer. Paringsdansen van kraanvogels. Een mesopotamische fles die gevonden is in een graf in Ur. Smeltende plafonds. De pro-vrijheidsrellen tijdens corona. Verbrijzelende voorruiten. Een vertrapte jongen. Een andere jongen die een “wheelie” doet. Of misschien is dat dezelfde jongen.

De toon die hermetisch is of poëtisch of analytisch.

Of wat het eigenlijk is, nu helemaal, dat ik hier lees.
Het zou een roman kunnen zijn. Of een boeklang poëem. Of een film, zei ik al dat ik hier mogelijk een film heb zitten lezen? Of een thematische dichtbundel. Of stadsklaagzangen (dat is een goede titel voor een dichtbundel). Maar evengoed een filosofisch geschrift, of zelfs een pseudo-wetenschappelijk traktaat. Vanwege de gedachten, u weet.

De gedachten, dat is iets anders. Van Mimo of Emael of de Regisseur of de ikverteller of die stad (als het al een stad was). Over ogen die sneller helen als ze beschadigd worden door plexiglas dan wanneer ze beschadigd worden door echt glas. Veel gaat over plexiglas. Glas als filosofie, het waarnemen doorheen glas, glas als doorzichtige barrière tussen jou en de wereld, tussen jou en de anderen, tussen jou en je leven. Maar ook gemis. De lichaamloze dood. Afstand als deel van het ouderschap. Hoe niemand ooit je anus zal stelen. Hoe schaamte is als zwanger worden van je denkbeeldig vriendje. Stilte die wordt gesproken vanuit de barst tussen wat is en wat gebeurt (het verschil tussen wat is en wat gebeurt is iets van een motief in dit boek, dat vond ik aardig heideggeriaans, jij?). En verkopen ze dragon bij Aldi?

See you through deed me geregeld denken aan het al even bizarre Aannex. Maar waar ik bij dat laatste boek minimaal de zekerheid had dat ik een dystopie zat te lezen over een geheel “getechnificeerde” samenleving, kan ik bij See you through de toon minder goed duiden. Gilbert en Houen schreven het tijdens een “lockdown” in de van de gele hond gescheten coronajaren, en het boek bevat genoeg allusies op de covidmaatregelen om er zeker van te zijn dat dit in ieder geval géén toekomstroman is. Sommige stukken ademen wel een zekere beklemming. Waar andere juist weer lichter zijn, teder, liefdevol, of zelfs humoristisch. Of. Naja. Ook daarover kan een mens diskuteren. Is het grappig dat Barry Gibb, Una Stubbs, Sting en Morrissey Cliff Richard ten grave dragen in een plexiglas doodskist (zoals Mimo op één van de schermen die hij de hele dag door in de gaten moet houden kan zien)? Is het grappig dat Mimo van de Regisseur de opdracht krijgt uit te vinden waarom één specifiek varken niet herkend kan worden door de gezichtsherkenningscamera’s (& aan het eind van de dag tegen de Regisseur zegt: Weet ik veel. Het is een gewoon varken)? Is het grappig dat Emael en zijn geliefde Khaled een berber haggis maken voor de rouwende restauranteigenaar na het verlies van diens vrouw (en Emael naar de halalslagerij moet om schapenmaag en al die andere zooi die er in haggis gaat) (en de restauranteigenaar in wie ik maar Gorden Ramsey bleef zien het weigert te proeven, zeggend Dit kan ik niet eten). Grappig of alleen maar bizar?

Als alles in See you through alleen maar als misschien gezegd kan worden zal ik zeggen dat dit boek misschien wel het mafste boek is dat ik dit jaar las. Maar misschien ook wel het intrigerendste.

Recensie van Tim Donker

Geoff Gilbert & Alex Houen See You Through

See You Through

  • Auteurs: Geoff Gilbert, Alex Houen (Verenigd Koninkrijk)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels
  • Uitgever: Broken Sleep Books
  • Verschijnt: 31 augustus 2025
  • Omvang: 186 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: £ 10.99
  • Boek bestellen bij: Amazon

Flaptekst van het boek van Geoff Gilbert & Alex Houen

Geoff Gilbert and Alex Houen’s See You Through: A Novel is a formally restless, genre-collapsing hybrid that inhabits the threshold between poetry and fiction. Structured around a shifting dialogue of voices and modes, the book navigates illness, intimacy, war, bureaucracy, and facial recognition technology with a syntax that veers between the lyrical and the analytic, the fragmentary and the fluid. Language becomes a site of both fracture and connection, as the text resists linear narration in favour of a porous, polyphonic architecture. What emerges is a work that holds complexity with conviction: self-aware, searching, and structurally bold.

Geoff Gilbert was born in Dunfermline in West Fife and now lives in France, where he works at the American University of Paris. He teaches, writes, and translates, and is currently completing a book on relations between writing and economics, called For Real.

Alex Houen was born in Oxford, England, grew up in Sydney, Australia, and teaches in Pembroke College and the Faculty of English, University of Cambridge. He co-edits with Adam Piette the poetry journal Blackbox Manifold. His research and writing interests include sacrifice, war literature, affects, and poets’ novels.

Bijpassende boeken en informatie

Jay Farley – A Cupboard Full of Tomboys

Jay Farley A Cupboard Full of Tomboys review, recensie en informatie boek met gedichten van de non-binaire Engelse filmmaker. Op 28 februari 2025 verschijnt bij Broken Sleep Books de dichtbundel van Jay Farley. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave. Een Nederlandse vertaling van het boek is niet verkrijgbaar.

Jay Farley A Cupboard Full of Tomboys recensie van Tim Donker

  is natuurlijk voorschrift, dacht ik. Is wat voorschrijft. Of beslist. Soeverein is hij die over de noodtoestand beslist. Uitnametoestand. De mens komt voor. Dat kan zomaar het geval zijn. Zij is de velen. De vogel vloog weg, en toen kwam de zon op. Het lied van een ik-persoon die hier aanwezig is. De toekomst is rauw, dan wordt die gekookt in het heden, daarna gebakken op een zacht vuurtje, en mettertijd zullen kaantjes overblijven. Man en vrouw en iets voerden de dingen het woord. Vuilnisbelten meubelboulevards silo’s silo’s zendmasten schapenboeren op wolvenjacht sportclubs autosloperijen postsorteercentra bladblazers pizzabezorgers een aan flarden gescheurde bonusfolder, en voor alles een plek. Voor alles een plek.

Plek is voorschrift. Plek is opbergkast. Opbergkast is staties. Is wat vast ligt. Is wat voorgeschreven is. Voorgeschreven rijrichting. Het gekende. De man. De vrouw. Dominerend. Patriarchaal, zeg je. Wit, zeg je. Binair, zeg je. Dat is hoe de opbergkasten getimmerd zijn. Uit hout zo krom. Zet mensen wezens levenden samen in groepen en dat is hoe dingen zullen groeien. De norm normeert. Dat wat de meesten zijn. Dat waaraan het leeuwendeel zich conformeert. De beugel bedacht door de hardst schreeuwenden. Wat past zullen we tolereren. De rest niet. En toen kwam de zon op. Toen klonk het lied van het wij hier aanwezig. En dan juist uitbreken.

Uitbreken. Daarover gaat deze bundel. De opbergkast te krap en sowieso al niet je plek en daar dan weg willen. Dat gaat niet zonder sporen van braak. Farley legt niet alleen de kast of de samenleving, maar gans de taal open. Waardoor deze gedichten geregeld al eens van de bladzijde springen. Op eerste doorbladeren valt al direkt de woekering aan leestekens op. Dus. Je bladert. Je ziet schuine strepen sneeën maken in zinnen, je ziet vierkante haken zich opblazen, je ziet groterdantekentjes hun pijlen richten op wat erna komt. En je denkt. Hier buldert een woedende taal. Maar de leestekens zijn niet zonder betekenis, al is het niet hun gebruikelijke. Een uitleg aan het begin zegt dat [ ] voor onderdrukking staat, < voor slechter wordend, / voor een klein beetje hoopvol. Bijvoorbeeld. Zegt het, om daarna te zeggen dat je die uitleg beter meteen maar weer vergeet en dat zou ik nog willen beklemtonen: vergeet het maar meteen! Het is mojer zonder deze uitleg, het is mojer om de leestekens je eigen gedachten te laten aanjagen, gedichten zijn geen landkaarten, ze kunnen zonder legenda, ze kunnen op zichzelf staan, ze kunnen vrijelijk verkeren met iedere lezer afzonderlijk, ik prefereer een esthetiese duiding, u prefereert iets anders, Jay Farley neigt naar reis, naar progressieve beweging.

En gesproken van reizen. Een nota bene in Nebraska. Het gedicht somt op: paren van twee woorden, het eerste woord begint met een n en het twede met een b. Neutrale biologie. Neurodivers brein. Nucleaire bom. Nieuw bloed. Nagel bijten. Nihilisties bravoure. Non-binair. Misschien het non-binair als een nota bene, een postscriptum, iets wat met de opbergkast niet vanzelf is gegeven, wat niet domineert, wat niet datgene is waaraan de meesten zich wensen te conformeren. Wat pas goed vorm kan krijgen buiten de kast, wat steeds opnieuw bevochten of afgebakend moet worden, als een achterop komend zijnde in het lijf gezet; schrijvend; herrijzen door woorden.

Misschien ook daarom zien deze gedichten er zelden uit zoals gedichten en doorgaans uitzien. Er is een gedicht in de vorm van het twittervogeltje. Mag je nog twitter zeggen? Ik vond twitter altijd een achterlijke naam, maar ik vind x nog grotesker, en die Elon Musk is een van de engste mensen van onze tijd, en twitter was dan nog wel toepasselijk omdat het refereerde aan gekwetter, aan de geluiden die vogels maken, en vogels maken geluid om hun terrein af te bakenen of om wijfjes mee te lokken of om te waarschuwen voor gevaar en is dat niet waar twitter precies over gaat, over territoriale pisserijen, over hee kijk mij eens even, en over alles wat we niet vertrouwen, hier is mijn stukje wereld en daar mag jij niet komen, hier is mijn vrouwtje en daar mag jij niet aan zitten, en daar is alles wat anders is en dat moet wegblijven, geen wonder dat dat medium de aandacht trok van zoon Elon Musk, bureaucratie waarom Nederland wel wat Elon Musk kan gebruiken brallen die rechtse ballen van Elsevier jajaja, in een dictatuur is geen bureaucratie want bureaucratie is tiepies iets van die halfzachte democratiese tijd waarin er allemaal van die stomme regeltjes bestaan om de mensen te beschermen tegen de totale willekeur van wie het toevallig voor het zeggen heeft gelukkig kunnen we soms nog de noodtoestand uitroepen die minstens voor eventjes een eind kan maken aan al die overbodige mensenrechtenonzin zaai angst en heers daar kan Mark van Ranst van meepraten en die laat medisch contact nog koppen iedereen die zegt dat de maatregelen niet nodig waren moet je tegenspreken jajaja laat de angst regeren laat altijd de angst voorop laat nooit iemand de angst ombuigen dat is nodig dat is twitter dus vandaar dat ik liever twitter zeg en niet x. Farley schrijft zijn twittervogeltje vol met messcherpe oordelen over het non-binaire zijn. Het valt aan. Het wijst af. Het gaat door korte bochten. Het heeft geen ogen. Het heft de vinger. Het zegt. Het weet. Het stelt geen vragen. Het poneert. Het sluit uit. En het sluit op. In opbergkasten. Of ontsnappen aan de opbergkasten betekent dat je andere opbergkasten moet bouwen weet ik niet. Maar dat was de vraag niet. Er waren geen vragen.

Of.

Een gedicht in de vorm van een kruiswoordraadsel. Heel onnokosteriaans. Denk ik. Kon je iets zeggen, over. Op een feestje.

Of.

Gedicht in de vorm van een oneindige loop. Heel anselmberriganiaans. Denk ik. Kom in alleen.

Of.

In de vorm van een Roos. Is meisje. Ik had die Pier Paolo Pasolini beter gemogen als die nooit films had gemaakt.

Of. Treurarbeid of. De slinger van foucault of. Het hoofd van vitus bering of. Het leven van quintus fixlein of. Iedereen moet ergens zijn of. De mandril op de slagboom of. De mens een machine of. Ook de nacht is een zon.

Of.

De woorden de namen als haken als ankers het fixeren vasthouden op plek houden en eruit willen een wereld bouwen en daarom dichter zijn (want alleen in je gedichten kan je wonen?).

Of gewoon de gedichten in de vorm van een antwoord. Een zoektocht. Een leven buiten de opbergkast. Het uitbreken, en wat daarna komt.

Gedichten die je bijna hoort.
Gedichten die je bijna aanraken.
Gedichten waarin je kunt wonen als je niet in een opbergkast wil wonen.

Jay Farley A [Cupboard] Full of Tomboys review by Tim Donker

– is of course prescription, I thought. Is what prescribes. Or decides. Sovereign is he who decides on the state of emergency. State of exception. The human appears. That can just happen to be the case. She is the many. The bird flew away, and then the sun rose. The song of an I-person who is present here. The future is raw, then it gets cooked in the present, then baked on a slow fire, and in time, cracklings will remain. Man and woman and something gave voice to things. Garbage dumps, furniture boulevards, silos, silos, transmission towers, sheep farmers hunting wolves, sports clubs, car wrecking yards, mail sorting centers, leaf blowers, pizza deliverers, a bonus flyer torn to shreds, and for everything a place. For everything a place.

Place is prescription. Place is storage cabinet. Storage cabinet is static. Is what lies fixed. Is what is prescribed. Prescribed direction of travel. The known. The man. The woman. Dominating. Patriarchal, you say. White, you say. Binary, you say. That’s how the storage cabinets are built. From wood so crooked. Put people beings living things together in groups and that is how things will grow. The norm normalizes. That which most are. That to which the lion’s share conforms. The bracket conceived by the loudest shouters. What fits we will tolerate. The rest not. And then the sun rose. Then sounded the song of the we present here. And then precisely break out.

Breaking out. That’s what this collection is about. The storage cabinet too cramped and anyway not your place and wanting to get away from there. That doesn’t happen without traces of breaking and entering. Farley not only opens the cabinet or society, but the entire language. Which is why these poems regularly leap off the page. On first flipping through, the proliferation of punctuation marks is immediately noticeable. So. You browse. You see slashes making cuts in sentences, you see square brackets inflating themselves, you see greater-than signs aiming their arrows at what comes after. And you think. Here roars an angry language. But the punctuation marks are not without meaning, though not their usual one. An explanation at the beginning says that [ ] stands for oppression, < for worsening, / for a little bit hopeful. For example. It says, only to say afterward that you’d better forget that explanation right away and I would like to emphasize: forget it right away! It’s more beautiful without this explanation, it’s more beautiful to let the punctuation marks drive your own thoughts, poems are not maps, they can do without a legend, they can stand on their own, they can freely associate with each reader individually, I prefer an aesthetic interpretation, you prefer something else, Jay Farley tends towards journey, towards progressive movement.

And speaking of journeys. A nota bene in Nebraska. The poem enumerates: pairs of two words, the first word begins with an n and the second with a b. Neutral biology. Neurodiverse brain. Nuclear bomb. New blood. Nail biting. Nihilistic bravado. Non-binary. Perhaps the non-binary as a nota bene, a postscript, something that is not automatically given with the storage cabinet, what doesn’t dominate, what is not that to which most wish to conform. What can only take proper form outside the cabinet, what must be fought for or demarcated again and again, as a latecomer placed in the body; writing; resurrecting through words.

Perhaps that’s also why these poems rarely look like poems typically look. There is a poem in the shape of the Twitter bird. Can you still say Twitter? I always thought Twitter was a silly name, but I find x even more grotesque, and that Elon Musk is one of the scariest people of our time, and Twitter was at least appropriate because it referred to chirping, to the sounds birds make, and birds make sound to mark their territory or to attract females or to warn of danger and isn’t that exactly what Twitter is about, about territorial pissing contests, about hey look at me, and about everything we don’t trust, here is my piece of world and you may not come there, here is my female and you may not touch her, and there is everything that is different and that must stay away, no wonder that medium attracted the attention of son Elon Musk, bureaucracy why the Netherlands could use some Elon Musk those right-wing balls from Elsevier bellow yesyesyes, in a dictatorship there is no bureaucracy because bureaucracy is typically something from that soft-handed democratic time when all those stupid rules exist to protect people against the total arbitrariness of whoever happens to be in charge fortunately we can sometimes still declare a state of emergency which at least for a moment can put an end to all that superfluous human rights nonsense sow fear and rule there Marc van Ranst can talk about that and medical contact still headlines everyone who says the measures weren’t necessary must be contradicted yesyesyes let fear rule let fear always lead never let anyone bend fear that is necessary that is Twitter so that’s why I prefer to say Twitter and not x. Farley fills his Twitter bird with razor-sharp judgments about being non-binary. It attacks. It rejects. It takes sharp turns. It has no eyes. It raises its finger. It says. It knows. It asks no questions. It posits. It excludes. And it locks up. In storage cabinets. Whether escaping the storage cabinets means you have to build other storage cabinets I don’t know. But that wasn’t the question. There were no questions.

Or.

A poem in the form of a crossword puzzle. Very un-Okosterian. I think. You could say something, about it. At a party.

Or.

Poem in the form of an infinite loop. Very Anselm Berriganian. I think. Come in alone.

Or.

In the form of a Rose. Is girl. I would have liked that Pier Paolo Pasolini better if he had never made films.

Or. Grief work or. Foucault’s pendulum or. The head of Vitus Bering or. The life of Quintus Fixlein or. Everyone must be somewhere or. The mandrill on the barrier or. Man a machine or. The night too is a sun.

Or.

The words the names as hooks as anchors the fixing holding keeping in place and wanting to get out build a world and therefore be a poet (because you can only live in your poems?).

Or simply the poems in the form of an answer. A search. A life outside the storage cabinet. The breaking out, and what comes after.

Poems you almost hear. Poems that almost touch you. Poems in which you can live if you don’t want to live in a storage cabinet.

Jay Farley A Cupboard Full of Tomboys

A [Cupboard] Full of Tomboys

  • Auteur: Jay Farley (Engeland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal; Engels
  • Uitgever: Broken Sleep Books
  • Verschijnt: 28 februari 2025
  • Omvang: 56 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: £ 8,99 
  • Boek bestellen bij: Amazon / Bol

Flaptekst van de dichtbundel van John Farley

Through the poetic and raw lens of a neurodiverse filmmaker, A [Cupboard] Full of Tomboys by Jay Farley navigates the intricate intersections of identity, gender, and class. This collection unfolds the journey of an older, working-class non-binary individual. With a cinematic and surreal texture, the poet uses words not only to validate their existence but also to unlock the transformative power of language itself. From the confines of the metaphorical cupboard to the expansive, defiant explorations of a new, queer world, Farley’s poetry challenges binaries, embraces fluidity, and crafts an unflinching celebration of lived authenticity.

Jay Farley is a non-binary, neurodivergent award winning filmmaker and digital artist. Discovering their Non-binary identity in 2022 aged 48 was profound and they found their voice as a performer and poet. Farley subsequently became award winning with ‘I Wish I’d Won the Miners’ Strike’, published in How it Started, Creative Futures Writers’ Award 2022 anthology. They are published in the Queer Icons anthology, SparksHot Poets anthology and illustrated in Woop Woop magazine. Their debut book of poetry A [Cupboard] Full of Tomboys was created under the mentorship of TS.Elliot Award winning Joelle Taylor and published by Broken Sleep Books.

Bijpassende boeken en informatie

Kat Dixon – eat the glitter

Kat Dixon eat the glitter review, recensie en informatie dichtbundel van de Engelse dichteres. Op 31 mei 2024 verschijnt bij Broken Sleep Books de bundel met nieuwe gedichten van de uit Engeland afkomstige Kat Dixon. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de schrijfster en over de uitgave. Een Nederlandse vertaling van het boek is niet verkrijgbaar.

Kat Dixon eat the glitter review en recensie van Tim Donker

Komma komma komma. Allemaal (gewoon maar) mensen. De mensen in de straten, de mensen wier slaap gebroken is, de mensen die een instrument spelen, de mensen bij de bakker, de mensen die van de hoed en de rand weten, de mensen die laat moeten werken, de mensen met een tweedehands auto. De mensen die gesieteerd worden.

De mensen die dingen zeggen.

De mensen die eat the glitter het debuut van Kat Dixon noemen.

Is wat ze zeggen. Ja. Debuut zeggen de mensen. Goed. Het kan. Maar ik heb hier in mijn kast een boek dat Here / Other heet. Het werd in 2014 uitgegeven door Artistically Declined Press. Een roman, proza misschien, maar een met veel paginawit omgeven proza & poëties tot op het bot. De schrijfster? Een zekere Kat Dixon.

Het is tien jaar geleden dat ik Here / Other las en ik kan me er eerlijk gezegd niet heel veel meer van herinneren, behalve dat de personages vreemde namen hadden als Wednesday, Zanzibar en Pigeon, dat de woorden een zeer poëtiese muzikaliteit (vooral ritme) hadden, dat het vervreemdend was, dat alles zwom in paginawit (soms niet meer dan vier regels op een bladzijde) & dat het bloedmooi was.

Is het mogelijk dat er twee Kat Dixons zijn?
Ja. Dat is mogelijk.
Is het mogelijk dat ze allebei schrijver zijn?
Ja. Dat is mogelijk.
Is het mogelijk dat beide schrijvende Kat Dixons een hang hebben naar het experimentele?
Ja. Dat is mogelijk.
Is het mogelijk dat beide schrijvende en experimenterende Kat Dixons zich geïnspireerd weten door een denkrichting die een mens als “postmodern” zou kunnen klassifiseren, met de nodige mitsen en maren, aangezien wij, als Bruno Latour niet onjuist zegt, nooit modern geweest zijn en ons daartoe dus ook niet “post” kunnen verhouden jajaja maar toch dat deconstructivisme jajaja en toch de geesten van Foucault en Deleuze en Derrida jajaja & de ironizeringen jajaja en de tijden die vol geworden zijn – is dát mogelijk?
Ja. Dat is mogelijk.

Maar weet je wat ook mogelijk is? Dat de mensen maar wat uit hun nek lullen, dat is ook mogelijk. Het zijn immers de mensen maar. Het zijn Clare en Emma en Glyn maar. En die zeggen zoveel. Die noemen dit boek ook een pamflet. Dat zegt zelfs Kat Dixon zelf. “Dit pamflet zou niet bestaan zonder Gladstone’s Library” zegt ze in het dankwoord. Maar ik ben nooit van mening geweest dat een maker van een werk goed in staat zou zijn om te kunnen zeggen wat het is. Integendeel, misschien zelfs wel.

“Pamphlet” verwijst wel naar iets meer dan “pamflet” alleen, en in sommige opzichten kan eat the glitter zeker pamflettisties genoemd worden (een manifest! een verklaring! iets dat roept en zegt wat de dichtkunst vermag!) maar toch hecht ik eraan dit boek gewoon een poëziebundel te noemen. Een bundel vol poëzie. En wat voor een!

Ieder gedicht schreeuwt het uit. Met schuine strepen als zweepslagen.
Ieder gedicht schreeuwt. Ieder gedicht roept op om de poëzie te zien. De poëzie, die overal is.

In gesprekken en herinneringen in een biertuin op zwartpaardweg; in een aanvraag gericht aan de Kunstraad betreffende geld om mescaline te kunnen kopen; in de tabbladen die je om half drie ’s nachts open hebt staan op je laptop (voornamelijk de pagina’s van Rachel Stone op verscheidene sociale media); in iets dat een regelement zou kunnen zijn voor virtuele en/of echte relaties (“unflattering photo’s are banned”, “listen while not listening”, “each party may attend a party without the other Party should the aforementioned Party be moody, badly dressed or hate their friends”); in een lijstje met de voors en tegens van een potensjeel lief (tegen: heeft een portemonnee met klittenband, gelooft in vrijemarkteconomie; benadert haar vulva als een gameboy); in gedachten over sex, porno en het verwijderen van ongewenst haar; in een fiksjonele bijsluiter van hygiëniese handgel; in hoe je in Noorwegen zit in een boot met een vrouw die je geacht wordt lief te hebben; in een prachtige zin als “for the sake of two teas and a coffee on a Sunday morning / for the sake of three croissants and happier than I’d felt in years”; in polygrammaticale turnoefeningen; in de verdwijningen; in een prachtige zin als “say you in Russian / say they in Croatian / say us and say / almost nothing, an almost unnoticeable something”; in getto Van Gogh; in de halfgod van regenval; in een prachtige zin als “my ignorance spread on morning toast”; in alles wat je lichaam verlaat en alles wat je lichaam binnenkomt; in huid als een beschermlaag; in een uiterst verwarrende zin als “a woman hands out sunflower seeds and wishes / the man standing in front of her would die”; in trachten niet te willen willen,

in hoe de gedichten soms dwars liggen op de pagina
in de doorhalingen
in de realiteit & haar (lichte) verschuivingen
in de schuine strepen als zweepslagen –
in alles wat eat the glitter zo godvergeten prachtig maakt.

(waar ist werk van)

eat the glitter een pamflet?
eat the glitter is muziek
eat the glitter is kunst

eat the glitter is een afdruk van alle plaatsen waar geleefd werd

(ik las het boek op een zondagmiddag in mijn achtertuin, terwijl mijn dochter, mijn moje lieve wijze grappige negenjarige dochter naast me zat & ook las: en zie, die achtertuin zit nu in het boek, en gans mijn achtertuin staat nu vol eat the glitter en poëzie en Kat Dixon en mijn dochter)

Kat Dixon laat ons eens temeer zien hoe poëzie voor wie het zien wil werkelijk overal vanaf druipt. Sjee. In eat the glitter druipt de poëzie nog wel van de poëzie.

Kat Dixon eat the glitter

eat the glitter

  • Auteur: Kat Dixon (Engeland)
  • Soort boek: gedichten, poezie
  • Taal: Engels
  • Uitgever: Broken Sleep Books
  • Verschijnt: 31 mei 2024
  • Omvang: 42 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: £ 7,99
  • Boek bestellen bij: Amazon / Bol

Flaptekst van de dichtbundel van Kat Dixon

eat the glitter is an irreverent, lyrical exploration of queer love, modern culture, and a post-pandemic world. Tender yet cynical, this pamphlet nudges at the discomfort of art, capitalism, social contracts and the disconcerting remnants of lockdown in our lives. Amidst Kat Dixon’s poetry lies an undercurrent of vulnerability, an acute and sensitive awareness of the world’s complexities and contradictions.

Bijpassende boeken

Raymond de Borja – Facture

Raymond de Borja Facture review, recensie en informatie boek met gedichten van de Filipijnse dichter. Op 29 februari 2024 verschijnt bij Broken Sleep Books de dichtbundel van de uit de Filipijnen afkomstige schrijver Raymond de Borja. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de schrijver en over de uitgave. Een Nederlandse vertaling van het boek is nieuw verkrijgbaar.

Raymond de Borja Facture review en recensie van Tim Donker

& facture & facture & wat is nu weer “facture”? Facture is hoe iets geconstrueerd is, facture is de schriftuur of zeg de penseelstreek van de feitelijkheden. Wel. Ofzo. De Borja gaat onder anderen te rade bij Guy Debord en Agnes Martin, die laatste kende ik eerlijk gezegd niet. Ik vroeg me af. Ik zocht. Ik vond. Agnes Martin is een minimalistiese kunstschilder, inmiddels dood, als schilders vaak zijn en minimalistiese al helemaal. Ik stuitte op een serie schilderijen, getiteld On a clear day, in zijn totaliteit mooi, erg mooi, de hele serie zou ik wel in mijn huis willen hebben, in elke kamer een paar schilderijen, al moet je dat geloof ik geen schilderijen noemen, is On a clear day, welaan, de penseelstreek der feitelijkheden zoals die zichtbaar wordt op een heldere dag? (en even overweeg ik een boek met reproducties van haar werk aan te schaffen maar waarom zijn die kunstboeken altijd zo achterlijk duur en wat doe je er verder mee behalve een paar keer per jaar zo’n beetje doorbladeren?). Of dan Debord. Ja. Zijn De spektakelmaatschappij is zo’n boek. Dat soort boek. Als Van theemutscultuur naar walkmanego. Van die boeken die je al heel lang wil hebben, maar die je om een of andere reden toch nooit gekocht hebt, een fase verder nog, dus, dan de boeken die ik allang een keer gekocht heb maar waarin ik om een of andere reden nog nooit een letter gelezen heb, mijn bovenboekenkast puilt uit van de boeken van die laatste soort, ik kan niet wachten tot Van theemutscultuur naar walkmanego en De spektakelmaatschappij daar ook zullen staan zodat ik, af en toe, hun ruggen ajen kan. Maar hoe ook. Kombineer de marxistiese grondlegger van het situationisme met een minimalistiese schilder die haar stijl als abstract expressionisme beschouwde en wat krijg je dan? De voelbaarheid van de realiteit. Vreugde. Ervaringen die schaars zijn, en zeldzaam. Nadenken over wat het verschil is tussen schaars en zeldzaam, wat is de nuance. Een radicaal wachten op blauw dat valt. Het roest op de hekjes in de brandgang. Aandacht. Keuze. Risico. En dan ben ik dus nog maar één gedicht ver, en nu al verder van huis dan ooit. Want hoewel Raymond de Borja met facture een onderzoek lijkt te ondernemen naar de struktuur, de “factualiteit” (is dat een woord?) van aldagsleven, levert dat bij hem geen schipperiaanse huiskamerpoëzie op die het nabije nabijer maakt; nee, De Borja vervreemdt de lezer juist zozeer van het hem omringende dat al het zijn een nergens zijn wordt. Door filosofie te paren aan sociologie en sociologie te paren aan psychologie en psychologie te paren aan literatuur en literatuur te paren aan beeldende kunst (minimalistiese misschien, of levensgrote installaties in verlaten fabriekshallen), laat de dichter voor de ogen van zijn lezers verschijnen: “een laadboom gegraveerd in een fabriek gegraveerd in een hoeveelheid water gegraveerd in een brief”. En dat vorige week maandag, in het magazijn van missende onderdelen. De illusies liggen op tafel, en de tafel zelf is een illusie. O. Ja. Lees ik de anatomie van een nachtmerrie? Het verslag van een reis door de boekenkast van Raymond de Borja? Een essay in de meest letterlijke betekenis van het woord: een probeersel? Een ordinair doeboek misschien, aangezien De Borja de lezer onophoudelijk denkend zet, opzoekend zet, schrijvend zet, uitvoerend zet? Zo komt hij met: “grijp het dichtstbijzijnde boek, de derde zin van het vierde hoofdstuk beschrijft je leven”, die kende ik nog niet maar ik doe, ik grijp het dichtstbijzijnde boek, ik zoek op en krijg: “Maar als dat zo was, hoe kon het dan dat ik haar niet had gezien op het station?”, en ja dat zou best eens een rake beschrijving kunnen zijn van mijn leven en dit lijkt me een prima gezelschapsspel voor de feestdagen: met zun allen in een kring op de grond, stapels boeken overal, boeken grijpen, de derde zin van het vierde hoofdstuk opzoeken en iedereen pas naar huis als ze allemaal een goed doortimmerde analyse hebben gegeven hoezo de gevonden zin over hun leven gaat. En zo door je eigen boeken gaan, en De Borja door de zijne. Altijd weer dat kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid jajaja, we kennen dat wel, maar oké, niemand zegt dat De Borja geen boeken mag lezen die de hele wereld leest. Deze verbazing is niet het begin van kennis. Of wel misschien. Zoals. Het zitten. Hier. Op een droge donderdag en voor het eerst sinds jaren weer eens miljoenen nu levend zullen nooit doodgaan om de kamer mee op te vullen, en lezen over barbarismen. Grieks: buitenlands. Sanskriet: stotteren. Over de telefoon plauderen over een ander boek, een veel ouder boek, en ook: denkend over kunst en alles wat gedacht is als totem. Dit. Totem. Dat. Totem één. Mensen van de zwervende huizen. Ook dat vult de ruimte. Komt er ergens nog eens ballet bij, welja. Trisha Brown in ieder geval. Ook zij nu dood. En een droom van dode kamers. Een grote scheur in de namiddag. Waarschijnlijk een hart. En geheel momenteelderlijk vraag ik me af wat totale stilte met je hersens doet. Het moment spreekt daar. Met muziek een tuin komponeren. De zon, Dorian. Acht harmoniese toonhoogtes met negen echo’s. Dan de vele jaren van voorspoed. Of Breton. Die Nadja laat vragen: wie ben ik? Of Agamben. Die zegt dat het gelaat is waar een zijnde verschijnt, en wegzinkt in die verschijning, en een manier moet vinden om eruit te komen (leuk dat je Agamben erbij haalt, De Borja, maar ik heb hem wel eens zinniger gehoord) (en Levinas trouwens, en Levinas dan?) (en Julio Iglesias dan?) (en De Borja: ik wil dat ons gedicht een gelaat heeft. Het moet een manier vinden om eruit te komen) (niets komt ooit nog ergens uit) (een idee legt beslag op een beeld van de wereld). Dan de vele jaren van voorspoed. Of. Hoe het steeds gaat, hoe het steeds jaagt in facture, zelfs als het stil staat, zelfs als het soms alleen maar 26 juli 1972 kan zijn, want tijd is dun rondom de oorzaak en dik rondom het gevolg. Zegt On Kawara dat Nikolai Kozyren zei (volgens Raymond de Borja dan). De Kawara van de dataschilderijen. Dagen vinden plaats. Vandaag vindt plaats. Het loutere leven. De blinde tijd. Wat past beter bij facture dan On Kawara? Misschien Kurt Schwitters misschien, misschien het merzbau misschien, en De Borja opzettelijk de data door elkaar gojen (de blinde tijd) (de lege tijd) (de alleen door de mens gevulde tijd), De Borja opzettelijk de kronologie op zijn kop zetten. De limieten in tijdruimte. In sommige paradoxen is de limiet waar vriendschap ontstaat. Zodanig dat vriendschap ruimte radiëert. De fragmenten die misschien wel of misschien niet ons leven zijn.

Maar wat ik nog steeds niet weet: wie is toch die Jean?

En wat ik nog steeds niet weet: wat moet ik er eigenlijk van vinden?

facture vraagt om herlezen. facture vraagt om denken. facture vraagt om doen. Als iemand me zou vragen waar ist werk van, zou ik misschien kunnen zeggen daar ist werk van. En grijnzen. Laat op de avond. Vroeg in de nacht misschien. De tijdruimte ligt toch al aan diggelen.

Raymond de Borja Facture

Facture

  • Auteur: Raymond de Borja (Filipijnen)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels
  • Uitgever: Broken Sleep Books
  • Verschijnt: 29 februari 2024
  • Omvang: 84 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Boek bestellen bij: Amazon / Bol

Flaptekst van het boek van de Filipijnse dichter Raymond de Borja

Raymond de Borja’s facture is an inventive book, both literary and wondrously attuned to the most minute subtleties. The poems in facture are uncannily cohesive, each a small sculpture, a little engine. De Borja’s poems speak through the history of the art world, the history of art theory, and an acute sense of the material world as well. De Borja’s work feels in service of a larger project which we could call the making of art, art which emerges through the work of one’s hands and mind. There is a kind of tenderness toward the poet’s and reader’s body in these poems, a kind of care and compassion in relation to craft, and in the relation of writing to the world.

Bijpassende boeken en informatie