Mehdi Belhaj Kacem God, techniek en alwetendheid recensie, review en informatie boek met een essay over het kwaad. Op 12 maart 2026 verschijnt bij Uitgeverij Ten Have de Nederlandse vertaling van het essay van de Frans-Tunisische filosoof Mehdi Belhaj Kacem. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.
Mehdi Belhaj Kacem God, techniek en alwetendheid recensie van Tim Donker
Kan een filosofie een muziekstuk zijn?, ja kan, is, wordt gedaan, hier.
Of.
Misschien zit het achterplat, als altijd, daar ook wel voor iets tussen.
“[G]oddelijke eigenschappen [worden] in ons tijdperk belichaamd [..] door de technowetenschap.”, staat daar, op dat achterplat, en: “[T]echnologie, […] ooit begonnen als hulpmiddel, [heeft] de rol van God [..] overgenomen.” Wel. De idee dat wetenschap tegenwoordig een religieuze status heeft, en dat de verlichting dus met een zekere verblinding gepaard is gegaan, kwam ik eerder al tegen bij figuren als Mattias Desmet en René ten Bos en ik vind het een prikkelende gedachte. Er niet ganzelijk nevens ook. Dus ik verheugde me al. Op een flinke portie feyerabendiaanse relativering de kritiekloze wijze waarop de geseculariseerde mens “het laatste woord” altoos weer in de mond van de wetenschap wenst te leggen. Kacem trekt wel een parallel tussen religie en wetenschap en opteert ook voor een radicaal en algeheel atheïsme (dus ook een “ontgoddelijkte” wetenschap), maar niet helemaal op de manier die ik in gedachten had toen ik me lezend zette. En hij komt ook via omtrekkende bewegingen daar waar ik niet dacht dat hij heen zou gaan.
Misschien omdat dit “essay” (een kleine 160 pagina’s vind ik een nogal behoorlijk essay) gebaseerd is op een lezing die Kacem in 2016 hield; een lezing die naar de wens van organisator Bertrand Schefer moest gaan over “de subjectiviteit en de ervaring van ieder van ons die beelden bekijkt, maakt of interpreteert” (welja), komt Kacems betoog als een trage dans tot de kern: verschuiving, herhaling, verschuiving, herhaling, verschil (of is het een knipoog naar Deleuze, Kacem?). De woorden ontvouwen zich als de noten van een minimalistisch muziekstuk, met een maximalistisch orgelpunt.
Hij begint met een kantelpunt.
Er moet altijd een kantelpunt zijn. Waarom moet er altijd een kantelpunt zijn? (de idee dat er ooit een kantelpunt geweest zou zijn, staat trouwens wat haaks op wat hij verderop in het boek beweert)
Hij begint met beelden, inderdaad. De Franse revolutie bracht de val van het monarchale christendom. Kunstenaars haalden vanaf dat moment hun inspiratie niet langer uit het goddelijke, maar daarentegen uit het kwaad. Postrevolutionaire kunst wordt, aldus Kacem, gedomineerd door wat hij “traumatiserende” beelden noemt. Dat woord komt nogal eens terug in zijn filosofie en ik moet u zeggen dat ik met Gerbrand Bakker een diep wantrouwen deel tegen dit overmatige gebruik. Trauma. Alles is maar een trauma tegenwoordig. Iedereen is getraumatiseerd. In de filosofie van Mehdi Belhaj Kacem zeker, en dit maakte me aanvankelijk wat sceptisch. Daar kwam bij dat ik er niet geheel zeker van ben dat het kwaad pas na de bestorming van de Bastille in de kunst gekomen is. Ik ben geen kunsthistoricus en ik kan er best naast zitten. Maar toch. Alsof de bijbel ook al niet vol staat van, laat ik het dan ook maar zeggen, “traumatiserende” beelden. Nota bene het oerbeeld van het Christendom. De Mens aan het kruis, dat is toch ook al niet zo’n heel prettig beeld, wel? Maar het zal niet geheel onwaar zijn dat “moderne” kunst wat onbeschaamder is in het tonen van weerzinwekkende beelden. Kacem verbindt dit aan het aristotelische begrip katharsis (Aristoteles! Gaat toch ook alweer wat verder terug dan de Franse revolutie), en stelt en passant dat technologie een democratisering van de katharsis bracht: waren De Goya en De Sade nog enigszins voor de elite; Game of Thrones is voor iedereen. Het kwaad alledaags gemaakt, genormaliseerd zo je wil.
Makenschap. Het bestel.
Misschien is het nu goed om te weten dat Kacem alles dat niet natuurlijk is, technologisch noemt. Dat wat uit de zichzelf voortkomt, is natuurlijk; dat wat door de hand van de mens wordt gemaakt, is technologisch. De mens is dus van meet af aan een technologisch wezen, en hier komt het langzamerhand het cruciale punt. De mens is namelijk het enige dier dat zijn geheugen buiten zichzelf bewaart (schrift, computer), en er is ontzettend veel meer buiten de mens dan in hem. Hier komt ook de idee van “ontologische alzheimer” kijken, al had dit van mij iets steviger in de verf gezet mogen worden. De optelsom van al het weten is God (Spinoza?), lichtelijk gelijk aan de noösfeer die u van Teilhard de Chardin kunt kennen (en anders wel van Llorenç Villalonga). In de onmetelijke hoeveelheid van dit “opgetelde weten”, en alle daaruit voortkomende informatiestromen, ligt de oorzaak van alle pathologieën. Zo bezien maken wetenschap en technologie de mens dus misschien wel eerder zieker dan gezonder. Maar er is meer. En daar komt de verwantschap met religie kijken. Monotheïstische religies hebben een hiernamaals gepostuleerd en dit heeft wetenschappers, uitvinders; zeg voorvechters van de zogeheten “vooruitgang” (ja, progressieven!) verzoend met het vernietigen van het milieu. Misschien niet zozeer omdat er toch een hemel is, en heel die aarde wel verkloot mag worden maar wel omdat er een “daar” is waarnaar gestreefd moet worden, een “anders en beter” dat wel een offer waard is. De Jezus van de wetenschap is dan de cyborg, de menswording van het de gehele mensheid overstijgend superwezen dat techniek heet. Internet van dingen. Internet van lichamen. Biotechnologie. Transhumanisme: waar wetenschappers, net als gelovigen, streven naar onsterfelijkheid. Zo is wetenschap volgens Kacem feitelijk ten diepste religieus. En communistisch bovendien: planetaire communicatie; de planeet getransformeerd tot één gigantisch brein waar iedereen deel aan heeft. De huidige staat der techniek als de verwezenlijking van de communistische droom? Hoe ongerijmd. Hoe geniaal ook. Een alternatieve titel had dan ook God, techniek en onsterfelijkheid kunnen zijn.
In zijn visie op de technoïde mens brengt Kacem uiteindelijk ook zijn meest diepzinnige filosofie in stelling. Die heeft alles te maken met pleonectiek. Hij zegt toe deze filosofie in een komend werk verder uit te werken, maar het voorschot dat hij hier geeft is alvast veelbelovend. In deze analyse verschijnt de mens als een pleonectisch wezen. Dit gaat verder dan hebberigheid alleen; pleonectiek wijst op een buitensporige toe-eigening. Een steen eigent zich niks toe, en “leeft” tweehonderd miljoen jaar. Dieren eigen zich alleen datgene toe dat nodig is om te overleven. De meeste dieren leven individueel bezien dan wel korter dan mensen, maar ze doen ook niks om het voortbestaan van de soort in gevaar te brengen. Mensen eigen zich alles toe. Niet alleen in materiële zin, maar ook in ruimtelijke. De hele aarde is nog niet genoeg, ook het heelal moet gekoloniseerd. Ook het willen weten, het willen kennen is eindeloos. Wetenschap dient dus ook deze pleonectiek (die mij overigens uiterst heideggeriaans aandeed, het deed mij onmiddellijk denken aan Heideggers idee van de mens als “ontverringsmachine”): alles moet in het bezit van de mens komen, verkend zijn door hem, geweten, gemeten, geannexeerd door hem. Dit zal ook zijn ondergang zijn. In de woorden van Kacem: “De meest gigantische […] toe-eigening die ooit op aarde is waargenomen […] resulteert in de meest catastrofale onteigening die ooit is waargenomen”. En dat wordt nog toegejuicht ook! Kacem citeert Stephen Hawking: “Zelfs als de mens zou verdwijnen, zou het feit dat hij zich de meest wetten van het universum heeft toegeëigend een ongekende prestatie blijven. In reactie hierop zegt Kacem, toewerkend naar zijn slotpleidooi: “Ik vind geen troost voor de miljarden wreedheden die sinds we hier verschenen op aarde zijn begaan om tot al deze kennis te komen; kennis die tot overmaat van ramp misschien wel tot niets heeft gediend. Ik kan mezelf er niet toe brengen te denken, zoals de meeste traditionele filosofen, dat dit de ‘prijs was die we moesten betalen’ om op een dag tot iets beters te komen.”, en: “Misschien rest ons […], net zoals aan het einde van een andere magnifieke film over dit onderwerp, Spielbergs A.I. Artificial Intelligence, niets anders dan het downloaden van de beste cognitieve gegevens waarover de mensheid heeft kunnen beschikken, zodat we over een paar miljoen jaar, wanneer de meeste levensvormen van deze planeet zijn verdwenen, een ras van buitenaardse wezens al deze prachtige gegevens kan terugwinnen, om er hopelijk beter gebruik van te maken. Deze tekst, en al mijn werk, zou slechts een kleine bijdrage zijn, een waarschuwend getuigenis voor de fouten die niet herhaald mogen worden – als een soort met een beter geheugen dan wij er ooit toegang toe krijgt.” Een soort met een beter geheugen? Een soort met een beter geheugen? Echt? En gij meent dat, Kacem? Maar als ik de finesse van uw filosofie juist gevat heb, lijkt het mij veeleer toch juist om een minder te gaan? Minder ruimte innemen, minder pleonectiek, minder willen weten, het geheugen minder belasten. Het woord beter wijst namelijk weeral op de jacht voorwaarts, naar dat daar waar alles glanzender, onovertrefbaarder, geweldiger is. En dit daar is toch juist het kwaad van de mens, het kwaad van de techniek, het kwaad van de wetenschap? (het kwaad heeft het kwade gevat, zegt Małgorzata Lebda).
Met God, techniek en alwetendheid weeft Mehdi Belhaj Kacem een belangwekkende filosofie. Draad voor draad. Sommige draden leiden rechtstreeks naar de kern, andere, zoals die over de “traumatiserende beelden” die kunstenaars vanaf de Franse revolutie over de mensheid zijn blijven uitstorten, lijken wat losser van aard. Hopelijk wordt zijn nog te verschijnen hoofdwerk over de pleonectiek ook vertaald.
Ik kende Kacem eerlijk gezegd niet maar hij heeft nog veel meer geschreven. Ook enkele fictiewerken, die blijkens de inleiding van de vertaler, Pieter Lemmens, eveneens zeer lezenswaard zouden moeten zijn. Helaas der helazen lees ik geen Frans. Aan het werk dus, Pieter Lemmens. Na dit essay wil ik meer lezen van Mehdi Belhaj Kacem. Veel meer.


God, techniek en alwetendheid
Een essay over het kwaad
- Auteur: Mehdi Belhaj Kacem (Tunesië)
- Soort boek: filosofisch essay
- Uitgever: Ten Have
- Verschijnt: 12 maart 2026
- Omvang: 160 pagina’s
- Afmetingen: 13,5 x 21,5 x 1,4 cm
- Gewicht: 202 gram
- Uitgave: paperback / ebook
- Prijs: € 23,99 / € 11,99
- Boek bestellen >
Flaptekst filosofisch boek over het kwaad van Mehdi Belhaj Kacem
De Frans-Tunesische filosoof Mehdi Belhaj Kacem beschikt over een zeldzaam origineel tegengeluid. In dit boek schrijft hij over de rol van technologie in ons leven en in onze maatschappij, met een scherpte en radicaliteit die hem in Frankrijk al tot cultfilosoof maakte.
Deze Nederlandse vertaling introduceert een denker die de erfenis van Derrida en Badiou weet te verbinden met de urgentie van het heden – een onderscheidend werk voor de lezers van Byung-Chul Han en Markus Gabriel.
Mehdi Belhaj Kacem is geboren op 17 april 1973 in Parijs. Hij is een Frans-Tunesische schrijver, filosoof en acteur en is bekend om zijn provocerende, vaak nihilistische essays en zijn breuk met Alain Badiou. Naast fictie publiceerde het meerdere filosofische teksten.
Bijpassende boeken