Tag archieven: boekrecensie

Musih Tedji Xaviere – Deze brieven eindigen in tranen

Musih Tedji Xaviere Deze brieven eindigen in tranen recensie en informatie roman van de in Kameroen geboren schrijfster. Op 15 november 2024 verschijnt bij Uitgeverij Orlando in samenwerking met Oxfam Novib de Nederlandse vertaling van de eerste roman These Letters End in Tears van Musih Tedji Xaviere. Hier lees je informatie over de inhoud van de roman, de schrijfster, de vertaalster en over de uitgave.

Musih Tedji Xaviere Deze brieven eindigen in tranen recensie en informatie

  • “Xavieres debuut schildert een portret van verdriet – in het bijzonder de pijn van het queer-zijn in een niet-tolerante samenleving. Een diep-tragische roman, een getuigenis van onrecht, corruptie en geweld.” (Booklist)
  • “Een intelligent, geraffineerd boek dat niet alleen over seksualiteit, homofobie en traditionele genderrollen gaat, maar ook over de erfenis van het kolonialisme in West-Afrika.” (Kirkus Reviews)

Recensie van Tim Donker

De jaren. De kamers. De boeken. De stapels. En het ineens.

Want ineens ben je een besprekerken, of een professioneel lezer, of welke omschrijving kun je er ook aan geven? Ineens zijn de boekenstapels vanzelf gaan groeien. Ooit groeide alleen wat je zelf plaatste. Toen je antiquariaten afschuimde, selecteerde op wat je kende, wat je dacht te weten, vaak slechts ruwweg, aan de hand van uitgeverijen, perioden, landen, of je liet je leiden door een kaft, een titel, iets dat je ertoe prikkelde een boek op te pakken, in te kijken, hier en daar wat te lezen, en dan ja te zeggen misschien, met boeken in je handen naar de kassa te lopen, weer meer om mee naar huis te nemen, weer meer voor op de stapels. Later raakten antiquariaten uitgedund. Was het geen zekerheid meer dat je in elk stadje maar een fractie groter dan een dorp wel een winkel kon treffen waar twedehands boeken werden verkocht. Toen moest je gerichter zoeken, via websites gespecialiseerd in antiquariatiese boeken, ongezochte vondsten waren er toen niet meer bij, nog later bestelde je je boeken uit Amerika via obskure uitgeverijen, en toen. Toen was je ineens een besprekerken of een professioneel lezer of welke omschrijving er ook aan gegeven kan worden. Toen belandden de boeken als vanzelf op je besprekerstafel. Daar moest je niks meer voor doen. Je kon gewoon maar lezen wat er binnen kwam.

Iemand zei dat de stapels niet op je leken. Dat kan kloppen. Jij bent een mens. De stapels zijn geen mensen. De stapels zijn gewoon maar de stapels, en vaker nog hoger dan menshoog. Maar je moet toegeven dat je houdt van de stapels. Je houdt van ze omdat ze je literaire horizon aanzienlijk hebben verruimd. Ooit dacht je dat boeken moesten zingen. Dat alleen het razen, het kolken, het bulderen telde. Hoe kon er geraasd en gekolkt en gebulderd en gezongen worden? Dat kon alleen maar via taal. Dat is het instrument van een schrijver en het was aan elke schrijver omdat instrument zo scherp mogelijk te stemmen. Elk proza moest poëties zijn, en het liefst op een beetje een duistere manier. Wat vormexperimenten erbij om het af te maken – dat was kunst, kunst was altijd vorm, en alleen maar vorm, en wat kletste die gast die je zo’n beetje van ver of nabij kende en die een uitgeverij had in de stad waar je woonde, wat kletste hij toch enorm uit zijn randdebiele nekharen toen hij zei Die experimenten ken ik nu wel, vertel me liever een goed verhaal! Verhaal psss, psss, wat is nou verhaal, verhalen vertellen doe je in de kroeg, je keek die gast wat meewarig aan en zei toen Die verhalen die ken ik nu wel, vertel het me liever op een opzienbarende manier!

Want er zijn maar twee verhalen: dat van de liefde en dat van de dood. Zei je. Zei je altijd maar. Zei je steeds maar weer opnieuw.

Maar wat nu je huis binnenkomt, lees je, of het experimenteel is of niet, of het poëties is of niet, of het raast en kolkt en buldert of niet. En wat peinst ge? Ja, je schaamt je misschien zelfs het toe te moeten geven (terwijl je schoort met je voeten), maar sjee, wat kan je soms onder de indruk zijn van een mooi verhaal.

Een mooi verhaal. Hoor jou nou toch weer.

En toch.

Neem dit hier Deze brieven eindigen in tranen. Als er één plotgedragen boek is, dan is dit het. Musih Tedji Xaviere zet niet vol in op taal, en evenmin op stijl. Het minieme beetje experiment dat in dit boek gezocht wordt, is dat sommige hoofdstukken verhalend zijn waar andere de vorm hebben van een brief. Van de ene hoofdpersoon aan de andere hoofdpersoon, de lezer zit daar niet tussen, die moet alleen maar aanschouwen. Maar er valt dan ook wel heel veel te zien! Een verhaal dus ja, en van de liefde dan nog, en evenzeer van de dood, al wordt met die toevoeging misschien al teveel verraden.

Bessem en Fatima zijn twee tienermeisjes. Fatima is moslim; Bessem christen. Ze wonen in Kameroen. En ze houden van elkaar. Meer dan dat, ze zijn tot over hun oren verliefd op elkaar. Het is een hartverwarmende, mooie, prachtvolle en soms wat aandoenlijke liefde – voor Bessem is het haar eerste, echte grote liefde. Het is een lieve liefde. Ja. Behalve dan dat liefde tussen twee personen van hetzelfde geslacht verboden is in Kameroen. Tijdens een romanties samenzijn in een homobar, worden de meisjes door de broer van Fatima en zijn vrienden naar buiten gesleurd, ongenadig in elkaar geslagen, en vervolgens aan de politie uitgeleverd. Bessem wordt vrijgekocht maar Fatima blijft in de cel. Later is ze onvindbaar. Dertien jaar lang is ze onvindbaar. Bessem is inmiddels hoofddocent in de economische wetenschappen maar ze is Fatima nooit vergeten. Elke nieuwe liefde die zich aandient, wordt met Fatima vergeleken en moet het onherroepelijk afleggen tegen de grote, intense, zo dramaties afgelopen liefde. Wanneer ze op straat een toenmalige vriendin van Fatima ziet lopen, intensiveert Bessem het zoeken naar Fatima. Het eindigt in een schokkende ontdekking waarin Fatima’s broer -de hypocriete lul is inmiddels wijd en zijn gerespecteerd als imam wil je wel geloven- een weerzinwekkende rol speelt.

Wel. Hier heb je dus. Hier heb je het. Hier heb je een boek dat voornamelijk bezig is een verhaal te vertellen. Is het een goed verhaal? Wel. Het is in ieder geval een verhaal dat naar de strot grijpt. Een verhaal over de haat waar liefde mee te maken kan krijgen. Een verhaal over onverdraagzaamheid, intolerantie, over mensen verbieden te zijn wie ze willen zijn. Peins niet te snel dat zulke verhalen zich altijd elders bevinden. Zo vreselijk als het Bessem en Fatima verging zal het er in, pak m beet, Veghel misschien aan toe gaan. Maar idiote wetten heb je overal, sadistiese politieagenten heb je overal, en homohaat heb je overal (ik ken iemand die bijna gewurgd werd door zijn vader toen hij bekende dat hij op jongens viel). Maar het thema van een liefde waaraan niet toegegeven mag worden is bovenal universeel. Daarmee is wat dit boek vertelt zeker niet exclusief aan Kameroen voorbehouden.

Deze brieven eindigen in tranen is het soort boek waarop ik altijd heb neergekeken: het soort boek dat je voornamelijk blijft lezen omdat je wil weten hoe het afloopt. Dat vond ik altijd zo’n goedkope reden om door te lezen! Dat is waarom mensen soaps kijken. Je kijkt morgen weer omdat je hoopt meer duidelijkheid te krijgen omtrent de dingen die gisteren gebeurden. De stompzinnigste manier om zwakbegaafden geboeid te houden. Maar als het zo verpletterend, zo onthutsend, zo adembenemend gebeurd als in dit debuut van Musih Tedji Xaviere, gooi ik met liefde mijn voormalige principes overboord.

Dit is niet het soort boek dat me nog twintig jaar zal bijblijven, het boek waarnaar ik in mijn stervensuur ga willen teruggrijpen (ik vooronderstel dat grijpen naar boeken sowieso niet iets is dat meteen in je opkomt op enig stervensuur). Maar een mijlpaal niettemin; een boek om mijn opnieuw verruimde literaire horizon af te palen. Ja. Oké. U had gelijk, mijnheer de uitgever, waar u nu ook bent: ook experimentloze boeken die in eerste instansie allenig maar een verhaal willen vertellen, kunnen zeer de moeite waard zijn. Toch, het mooist was dit boek op de momenten dat de taal zich eventjes boven het verhaal uit wilde zingen; als Bessem per brief het woord richt tot haar verdwenen lief Fatima. De dingen die ze dan zegt. “Mijn leven is weer geworden zoals het was voordat ik jou ontmoette alleen weet ik nu precies wat ik mis.” bijvoorbeeld: “Er is geen morgen voor mij, alleen het verleden en dit oneindige wachten.” – om een levensgroot verdriet te comprimeren tot luttele woorden; dat is toch echt de kracht van taal en daar kan nog altijd geen verhaal tegenop. Maar het verhaal dat je erbij krijgt maakt wel dat je je in dit boek begraaft tot de laatste letter gelezen is. En dan eindigt het in tranen. Uw tranen.

Musih Tedji Xaviere Deze brieven eindigen in tranen

Deze brieven eindigen in tranen

  • Auteur: Musih Tedji Xaviere (Kameroen)
  • Soort boek: Kameroense roman
  • Origineel: These Letters End in Tears (2024)
  • Nederlandse vertaling: Lara Visser
  • Uitgever: Uitgeverij Orlando, Oxfam Novib
  • Verschijnt: 15 november 2024
  • Omvang: 256 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Winnaar Pontas Prize
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman Musih Tedji Xaviere Deze brieven eindigen in tranen

Ontroerend verhaal over een onmogelijke liefde in Kameroen.

Bessem ziet Fatima voor het eerst op het voetbalveld en het is liefde op het eerste gezicht. Eén speelse knipoog van Fatima en Bessem weet dat haar leven nooit meer hetzelfde zal zijn. In Kameroen, een land waar relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht strafbaar zijn, is een gezamenlijke toekomst voor hen uitgesloten. Wanneer Fatima wordt opgepakt bij een politie-inval in de enige homobar in de stad, verdwijnt ze vervolgens spoorloos. Bessem blijft ontredderd achter.

Dertien jaar later is Bessem hoogleraar aan de universiteit. Wanneer ze een oude vriendin tegenkomt – de laatste persoon die Fatima misschien heeft gezien – begint Bessem aan een zoektocht naar haar verloren liefde.

Deze brieven eindigen in tranen is het liefdesverhaal van een christelijk meisje met een rebels hart en een moslimmeisje dat een dubbelleven leidt.

Musih Tedji Xaviere is geboren in Njinikom in Kameroen, en woont nu in Groot-Brittannië. Haar debuutroman, Deze brieven eindigen in tranen, won de Pontas Prize en de JJ Bola Emerging Writers Prize.

Bijpassende boeken en informatie

Caroline Wahl – 22 banen

Caroline Wahl 22 banen recensie en informatie over de inhoud van de Duitse debuutroman. Op 14 november 2024 verschijnt bij Uitgeverij Cossee de Nederlandse vertaling van 22 Bahnen, de eerste roman van de uit Duitsland afkomstige schrijfster Caroline Wahl. Hier lees je informatie over de inhoud van de Duitse roman, de schrijfster, de vertaalster en over de uitgave.

Caroline Wahl 22 banen recensie

  • “Wahl vindt het bijzondere in het alledaagse en het troostende in het pijnlijke. Ontroerend en subtiel.” (Benedict Wells)
  • “Een opwindende nieuwe stem in de Duitse fictie.Wahl zet een scherp beeld neer van het sociale leven in een kleine stad. Van een jonge vrouw en van het gewicht van verantwoordelijkheid die zij al op de drempel van volwassenheid moet dragen.” (New Books in German)

22 banen recensie van onze redactie

Caroline Wahl beschrijft het alledaagse van een vrouw in Duitsland die een  zeer leven lijdt zonder hoogte- en dieptepunten en daarmee worstelt. Het gezin waarin ze leeft met haar moeder en zus is doordrenkt van treurigheid, wat alles er niet beter op maakt. Zwemmen is haar enige passie dat haar helpt om haar leven enigszins dragelijk te houden. En als er een kans om haar leven te ontvluchten, worstelt ze met het nemen van een beslissing.

Alhoewel de roman van triestheid aan elkaar hangt, weet Caroline Wahl er toch een soort van lichtvoetigheid in te brengen. Zeker de subtiele compassie die ze toont voor haar hoofdpersoon is goed gelukt. Dat maakt de roman die door onze redactie gewaardeerd is met ∗∗∗∗∗ (zeer goed) lezenswaardig.

Caroline Wahl 22 banen

22 banen

  • Auteur: Caroline Wahl (Duitsland)
  • Soort boek: Duitse roman
  • Origineel: 22 Bahnen (2023)
  • Nederlandse vertaling: Ymke van der Staay
  • Uitgever: Cossee
  • Verschijnt: 14 november 2024
  • Omvang: 224 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Waardering redactie: ∗∗∗∗∗ (zeer goed)
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman van Caroline Wahl

Tilda is wiskundestudent en haar dagen zijn strikt gepland: studeren, werken achter de kassa van de supermarkt, voor haar zusje Ida zorgen, en op slechte dagen ook voor haar moeder. Met z’n drieën wonen ze in het treurigste huis aan de Fröhlichstraße, in een klein stadje waar Tilda een hekel aan heeft. Haar vrienden wonen al lang in Amsterdam of Berlijn, alleen Tilda is gebleven. Want iemand moet er voor Ida zijn, geld verdienen, de verantwoordelijkheid nemen. Er is geen vader die het vermelden waard is, en haar moeder is alcoholist.

Op een dag begint alles te veranderen: Tilda krijgt het vooruitzicht op een promotie plek in Berlijn, en daarmee op een toekomst die vrijheid belooft. En Viktor verschijnt, de grote broer van Ivan, een vriend van vroeger. Viktor zwemt net als zij elke dag 22 baantjes. Maar als Tilda denkt dat alles misschien toch goedkomt, loopt de situatie thuis volledig uit de hand.

Caroline Wahl is in 1995 geboren in Mainz, Duitsland. Ze studeerde Duitse taal en letterkunde en werkte daarna voor verschillende uitgeverijen. In 2023 verscheen haar debuutroman 22 Bahnen (22 banen). Ook haar nieuwste roman, Windstärke 17 (Windkracht 17), voet na verschijnen meteen de Duitse bestsellerlijsten aan en zal ook in Nederlandse vertaling verschijnen bij Uitgeverij Cossee.

Caroline Wahl Windkracht 17 recensieCaroline Wahl (Duitsland) – Windkracht 17
Duitse roman
Uitgever: Cossee
Verschijnt: 4 september 2025

Bijpassende informatie

Tove Ditlevsen – Vilhelms kamer

Tove Ditlevsen Vilhelms kamer recensie en informatie over de inhoud van de Deense roman. Op 13 november 2024 verschijnt bij uitgeverij Das Mag de Nederlandse vertaling van Vilhelms værelse de laatste roman uit 1975 van de uit Denemarken afkomstige schrijfster Tove Ditlevsen. Hier lees je informatie over de inhoud van de roman, de schrijfster, de vertaler en over de uitgave.

Tove Ditlevsen Vilhelms kamer recensie

  • “Niemand kan zo luchtig over zulke vreselijke ellende schrijven als Tove Ditlevsen.” (Connie Palmen)
  • “Misschien wel de meest spectaculaire herontdekking van de afgelopen jaren.” (Der Spiegel)

Begin jaren tachtig van de vorige eeuw maakte ik kennis met het werk van de Deense schrijfster Tove Ditlevsen. Haar werk verscheen in Duitse vertaling in de sobere pockets die Suhrkamp Verlag op de markt bracht. Als lezer geïnteresseerd in Scandinavische literatuur was je in die jaren aanwezen op  vertaling in Duits want Nederlandse uitgevers hadden op een enkele uitzondering na nauwelijks interesse in.

Dat is inmiddels heel anders geworden. Op de golf van de populaire Scandithrillers is er ook veel meer aandacht gekomen voor literatuur uit Scandinavië. Elke zichzelf serieus nemende uitgeverij brengt jaarlijks één of meerdere boeken uit van auteurs uit Scandinavië. En op die golf wordt er ook meer en meer werk dat jarenlang over het hoofd is gezien in vertaling uitgebracht.

De romans van de Deense schrijfster Tove Ditlevsen zijn hiervan misschien wel het meest duidelijke voorbeeld. Wereldwijd zijn haar boeken inmiddels bestsellers en dat terwijl ze zelf in al op 17 maart 1976 overleed nadat ze voor de vijfde keer een zelfmoordpoging ondernam.

Ditlevesen ging nogal gebukt onder de zwaarte van het leven en daarmee is haar werk dan ook grotendeels doordrenkt. In Vilhelms værelse dat een jaar voor haar dood verscheen doet ze op literaire en indringende wijze verslag van haar zeer moeizame huwelijk met Victor Andreasen.

Het bijzondere van de roman is dat deze bol staat van relationele gruwelijkheden maar dat Ditlevsen hierover bijna lichtvoetig schrijft. Maar ondanks al de ze perikelen blijf je geboeid doorlezen. Vilhelms kamer wordt naast de driedelige Kopenhagen trilogie gezien als haar beste werk en dat is volkomen terecht. De roman is inmiddels vijftig jaar oud maar heeft in die halve eeuw niets aan actualiteit en intensiteit verloren. De roman is gewaardeerd met ∗∗∗∗ (uitstekend).

Vilhelms kamer

  • Auteur: Tove Ditlevsen (Denemarken)
  • Soort boek: Deense roman
  • Origineel: Vilhelms værelse (1975)
  • Nederlandse vertaling: Lammie Post-Oostenbrink
  • Uitgever: Das Mag
  • Verschijnt: 13 november 2024
  • Omvang: 220 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 23,50 / € 12,99
  • Waardering redactie: ∗∗∗∗ (uitstekend)
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol

Flaptekst van de laatste roman van Tove Ditlevsen

Lise en Vilhelm – zij een instabiele kinderboekenauteur, hij een opvliegende krantenman – hebben oprechte strijd en minstens zo oprechte verzoeningen. Maar na twintig jaar van aantrekken en afstoten lijkt hun huwelijk finaal te knappen wanneer Vilhelm daadwerkelijk zijn biezen pakt om er met zijn zoveelste minnares vandoor te gaan en zijn kamer leeg komt te staan.

In Vilhelms kamer ontmaskert Tove Ditlevsen het huwelijk als een loopgravenoorlog waar zelfs de liefde niet kan overwinnen. Wie vernietig je eerst: jezelf of de ander? Het is Ditlevsens meest gewaagde roman en wordt, samen met de Kopenhagen-trilogie gezien als haar meesterwerk.

Tove Ditlevsen (14 december 1917, Kopenhagen – 7 maart 1976, Kopenhagen) werd jarenlang gezien als een schrijver die niet in de literaire kringen van haar tijd paste: ze was een huisvrouw uit de arbeidersklasse, met vier gestrande huwelijken en een sluimerende drugsverslaving, die zichzelf en haar naasten genadeloos gebruikte in haar schrijven. In haar tijd werd ze zowel omarmd als neergesabeld, en tegenwoordig is haar rauwe en springlevende oeuvre wereldwijd herontdekt: haar vermaarde, autobiografische Kopenhagen-trilogie wordt in 36 landen uitgegeven.

Bijpassende boeken en informatie

Karin Smirnoff – Mijn moeder

Karin Smirnoff Mijn moeder recensie en informatie over de inhoud van de Zweedse roman, Op 12 november 2024 verschijnt bij uitgeverij Querido de roman van de Zweedse schrijfster Karin Smirnoff. Hier lees je informatie over de inhoud van de roman, de schrijfster, de vertaler en over de uitgave.

Karin Smirnoff Mijn moeder recensie van Tim Donker

Dat niets is wat het lijkt, is even afgezaagd als onwaar. Al te vaak blijken de dingen precies zo te zijn als je op grond van hun voorkomen al verwacht had – net dat is wat de dingen zo vervelend maakt. Maar Karin Smirnoff hier, had me toch even flink op het verkeerde been. Dit was het been, en het was verkeerd: het was, dacht ik, dat het met Mijn moeder wel helemaal niks zou gaan worden. Omdat. Vanwege. En wel hierom. Dat de titel bijvoorbeeld. Zeg zelf. Wat kun je verwachten van een boek dat Mijn moeder heet? Wie schrijft er nu een boek met zo’n domme titel. Of. Smirnoff schreef deel 7 van de Millennium-reeks. Wat kun je verwachten van een schrijfster die meewerkt aan de Millennium-reeks? Of dat. Op de eerste bladzijde zijn de hoofdpersonen aan het vertrekken, ik hou niet zo van boeken die beginnen met weggaan, en dan is er bij dat weggaan ook nog veel aandacht voor een hond, wat kun je verwachten van een boek dat geschreven is door een hondenliefhebber, ik hou van katten en niet van honden, je moet al aardig geweldig zijn wil je als hondenbezitter mijn aandacht krijgen.

En.

Ik weet het wel. De originele titel was Vi for upp med mor, google translate maakt daar “We zijn met moeder naar boven gegaan” van, wat nog steeds geen fantastiese titel is maar toch al werelden beter dan Mijn moeder.

En ik weet wel. Dat ik inderdaad geen letter gelezen heb in de Millennium-reeks, het zijn allemaal vooroordelen, ik vind dat daar niks verkeerd aan is, ik hou van mijn vooroordelen, ik koester mijn vooroordelen, mijn vooroordelen helpen mij te navigeren doorheen mijn leven, dankzij mijn vooroordelen hoef ik niet elk steentje op te rapen en drie keer om te drajen om zeker te weten dat dit niet het prachtigste steentje is dat je ooit gezien hebt maar sta ik mezelf toe te denken dat wie één steentje gezien heeft, ze allemaal wel kent.

Maar het mooiste met mijn vooroordelen vind ik nog wel dat ze op harde realiteiten kapot kunnen vallen. Of op een boek. Op een heel hard boek, hoe hard is een boek, dit was een heel hard boek.

Jana heeft een broer (die door iedereen, niet alleen Jana zelf maar ook alle andere verhaalfiguren simpelweg “Broer” genoemd wordt), en een moeder. En nu is de moeder dood. Het was haar wens begraven te worden in haar geboortedorp in het noorden van Zweden. Kukkojärvi, zo heet het naar waar Jana en Broer gaan moeten. De dorpsbewoners zijn achterdochtig, intolerant, licht agressief, benepen, seksistisch, bekrompen, xenofoob, hypocriet, misogyn, incestueus, achterbaks, een klein beetje gluiperig, vroom en zo religieus als de sodemieter. Jana moet niks van ze hebben, en wil het liefst zo snel mogelijk, direct na de begrafenis bijvoorbeeld, weer weg. Maar Broer valt voor de “saamhorigheid”, en de hechtheid van de gemeenschap, geraakt al snel ingesponnen in het kleverige web van de dorpsbewoners, past zich helemaal aan, kleurt mee, neemt zich zelfs al vrij snel een huwelijk voor. Jana krijgt Broer niet meer mee terug naar hun oude, stadse leven, maar kan, als tweelingzus ook niet zonder hem. Ze blijft dus ook maar zo’n beetje rondhangen in het dorp, inwonend bij Jussi, nog de meest vrijgevochten ziel in het dorp, wachtend tot Broer zijn verstand weer terug vindt. Ze heeft wat baantjes, als juf op een school, als alleskunner in een hotel, wordt om de meest kleinzielige redenen ontslagen, geraakt nogal eens in bizarre situaties verzeild, en kampt ondertussen met demonen uit het verleden. Haar horkerige, gewelddadige ex van wie ze toch maar niet goed los kan komen, en haar ouders. De jeugd van Jana en Broer was hard en liefdeloos. Mishandeling. Een vieze, donkere kelder waar ze nachtenlang in werden opgesloten. Een halfzus die als een geest bleef rondwaren. Moeder had op jonge leeftijd een meisje gekregen, het was direct na de geboorte bij haar weggehaald omdat men er -overigens abusievelijk- vanuit ging dat het verwekt zou zijn door haar eigen vader; de moeder hield meer van dit afwezige kind dan van Jana en Broer en maakte daar ook geen geheimen van.

Het verhaal is sterk. De beelden zijn sterk. De sfeer is sterk. De beklemming in het Noord-Zweedse dorp, de dreiging. Overal ontspoorde dronkaards. Kille, afwijzende mensen. Vieze dominees. Vuile huizen. De onbehaaglijkheid. Smirnoff weet het allemaal zo sterk op te roepen. Hoe sinister de meeste dorpelingen zich gedragen, wat al in het kortste gesprekje tot uiting komt. Overheen alles hangt een duister, een angstaanjagend sluier. Broer te verliezen aan zulke mafkezen; een gemeenschap waar niks mag, geen boeken, geen muziek, de man boven alles, de vrouw alleen goed om zoveel mogelijk kinderen te baren, en alleen wie zich helemaal aan die regels overgeeft mag erbij horen. De frustratie. Je voelt het als lezer allemaal. Ook in Jana woekert het. De herinneringen, die in flitsen onophoudelijk boven blijven komen. Haar geschifte ouders. Maar ook nu nog, haar volwassen leven. Twijfels, verdeeldheid, onvermogen. Een wil, en tevens een grote angst om zich over te geven aan de liefde die ze stilaan voor Jussi begint te voelen. Er is sprake van een inmiddels volwassen dochter die Jana niet zelf opgevoed heeft en die nu contact met haar wil, en Jana wil dat zo graag, en Jana wil dat ook helemaal niet. Niet weten wat aan te moeten met zichzelf. Ook dat maakt Smirnoff zeer voelbaar. Een boek om in enkele grote rukken uit te lezen, welhaast in een roes (maar wat wil je als de schrijver zo’n achternaam heeft).

Het is die pen die het boek uiteindelijk briljant maakt. Smirnoff gebruikt vrijwel geen interpunksie, zodat niet altijd meteen duidelijk is of iets een herinnering is of een gedachte of directe rede, of wie er wat zegt. Voornamen en achternamen worden aan elkaar geschreven, als één woord, zonder hoofdletter. Net zoals boek- en filmtitels. Het boek ademt, de woorden pulzeren, de tekst leeft. Het kapselt in, het drukt op de borst. Je beleeft dit boek als een nachtmerrie. Een wonderschone nachtmerrie, dat wel. In haar ademende woorden laat Smirnoff de lugubere, broeierige scènes over elkaar heen buitelen wat even hallucinant als verwarrend werkt. Al weet ik niet goed of het feit dat ik niet alles even goed kon plaatsen (wat ik heerlijk vind als ik een boek lees, dat niet alles me almeteens helder is) er misschien ook niet mee te maken kon hebben dat Mijn moeder het twede deel uit een trilogie is, begonnen met Mijn broer en dat eerste deel heb ik dus even gemist (en na het einde van Mijn moeder vraag ik me af hoe het in Godsnaam verder moet want beide hoofdrolspelers lijken – ofnee wacht lees dat zelf maar).

Prachtige verontrusting. Bloedmoje ontzetting. Wonderschone angstaanjagendheid. Ik heb dit boek gelezen met huivers op mijn lijf en met niets dat bewondering in mijn kop voor deze schrijfkunst. Je komt niet vaak een boek tegen dat zowel beeldend is, alsook op een overweldigende manier talig. Ik neig. Ademloos. Aangedaan. Op de vloer liggen de scherven van mijn vooroordelen.

Karin Smirnoff Mijn moeder

Mijn moeder

  • Auteur: Karin Smirnoff (Zweden)
  • Soort boek: Zweedse roman
  • Origineel: Vi for upp med mor (2019)
  • Nederlandse vertaling: Bart Kraamer
  • Uitgever: Querido
  • Verschijnt: 12 november 2024
  • Omvang: 368 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 24,99 / € 13,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman van Karin Smirnoff

De moeder van Jana en Broer is dood en zal worden begraven in haar geboortedorp in Noord-Zweden. De tweeling ontdekt al snel dat het leven in Kukkojärvi anders is dan ze hadden verwacht als ze haar huis erven. Het huis wordt bewoond door huurders die niet willen verhuizen, en die leven volgens strikte religieuze regels. Jana is vanaf het begin wantrouwend, maar Broer voelt zich aangetrokken tot de hechte dorpsgemeenschap, waar de nadruk ligt op gezinswaarden en mannelijke overheersing. Jana moet de strijd aangaan om niet alleen het huis maar ook haar broer terug te winnen, terwijl ze tegelijkertijd probeert haar destructieve relatie te beëindigen.

Mijn moeder (het vervolg op Karin Smirnoffs veelgeprezen debuut Mijn broer) is een weergaloos geschreven rauw en warm verhaal over Jana Kippo en het leven in een Zweeds dorp met duistere geheimen.

Karin Smirnoff Mijn broer RecensieKarin Smirnoff (Zweden) – Mijn broer
Zweedse psychologische roman
Uitgever: Querido
Verschijnt: 24 augustus 2021

Bijpassende boeken en informatie

Berber van der Veer – De schilders van Giethoorn

Berber van der Veer De schilders van Giethoorn recensie en informatie nieuw boek in de reeks Kunstenaarskolonies en kunststromingen in Nederland. Op 7 november 2024 verschijnt bij uitgeverij WBOOKS het kunstboek over Giethoorn en nieuwe deel in de reeks Kunstenaarskolonies en kunststromingen in Nederland, geschreven door Berber van der Veer. Hier lees je informatie over de inhoud van het kunstboek, de schrijfster en over de uitgave.

Berber van der Veer De schilders van Giethoorn recensies en informatie

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van De schilders van Giethoorn, het boek van de Nederlandse kunsthistoricus Berber van der Veer, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van onze redactie

De reeks boeken die Uitgeverij WBOOKS in de afgelopen jaren heeft uitgegeven in de reeks Kunstenaarskolonies en kunststromingen in Nederland kun je alleen maar meer en meer waarderen. Inmiddels zijn er al ruim vijfentwintig delen verschenen. Elk boek is mooi uitgegeven en bevat een grote hoeveelheid afbeeldingen van schilderijen en andere kunst over het dorp, stad of streek die centraal staat.

Het boek dat kunsthistoricus Berber van der Veer doet wat dat betreft niet onder voor de andere boeken in de reeks. En toch wijkt het enigszins af. Het is anders in die zin dat de auteur meer ruimte en tijd neemt om de individuele kunstenaars die Giethoorn en omgeving vereeuwigden meer ruimte en tijd geeft. Als geboren Giethoornse heeft al eerder proefschrift gepubliceerd over dit onderwerp waaruit ze zonder twijfel voor dit boek geput heeft.

Wat het boek rijk maakt is dat ze niet alleen ruimschoots aandacht besteed een aantal kunstenaars die onlosmakelijk verbonden zijn aan Giethoorn, ze heeft ook oog voor de ontwikkeling van het bijzondere dorp dat in de negentiende eeuw moeilijk bereikbaar was tot de toeristische trekpleister die het tegenwoordig is. Bovendien schrijft Berber van der Veer goed en toegankelijk. Het boek is gewaardeerd met ∗∗∗∗ (uitstekend).

Berber van der Veer De schilders van Giethoorn

De schilders van Giethoorn

Kunstenaarskolonies en kunststromingen in Nederland deel 24

  • Auteur: Berber van der Veer (Nederland)
  • Soort boek: kunstboek
  • Uitgever: WBOOKS
  • Verschijnt: 7 november 2024
  • Omvang: 200 pagina’s
  • Uitgave: gebonden boek
  • Prijs: € 27,95
  • Waardering redactie: ∗∗∗∗ (uitstekend)
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van het boek over de schilders van Giethoorn

Kunsthistoricus Berber van der Veer schreef De schilders van Giethoorn, het eerste complete overzicht van de schilderkunst in het Noordwest-Overijsselse waterdorp.

Jaarlijks bezoeken honderdduizenden toeristen het waterdorp Giethoorn. De bruggetjes over de grachten en de boerderijen met fraai aangelegde tuinen worden massaal bewonderd en gefotografeerd. Tot een eeuw geleden was het dorp alleen bekend bij zijn bewoners. Giethoorn was slechts over water bereikbaar en verder nagenoeg van de buitenwereld afgesloten. Gietersen – zo worden inwoners uit Giethoorn genoemd – werkten hard om te voorzien in hun meest basale behoeften. Groot was de verbazing toen er zich aan het eind van de negentiende eeuw een nieuw slag mensen aandiende.

Een groep schilders en etsers trok naar Giethoorn om er inspiratie op te doen. Verleid door de schoonheid van het dorp maakten zij, met een schilderkist onder de arm, de tocht door het veengebied. Zij zagen in elke brug een compositie en in de kleuren van het landschap hun palet. Deze eerste kunstenaars behoorden tot de kunststroming van de Haagse School en vertegenwoordigden de laatste opleving van het impressionisme. Willem Bastiaan Tholen (1860-1931) en zijn vrienden probeerden het dorp voor zichzelf te houden. ‘Je moet maar niet aan schilders zeggen dat ’t hier zoo is.’ Tot hun spijt resulteerden exposities, waar hun Gieterse werk was vertegenwoordigd, in een stroom van schilders die het dorp wilden bezoeken. Zij plaatsten Giethoorn in een moderner, expressionistischer licht. Ook hebben zij Gietersen geleerd de schoonheid van het dorp te herkennen en vast te leggen.

In De schilders van Giethoorn wordt een overzicht gegeven van de ‘Gieterse’ schilderkunst van 1885 tot 1958, de periode die begint met het eerste bezoek van Tholen aan het dorp en die eindigt waar het toerisme begint.

Berber van der Veer is in 1996 in Giethoorn heeft kunstgeschiedenis en filosofie gestudeerd in Groningen. Haar masterscriptie de opkomst en de ondergang van de Gieterse schilderkunst is cum laude ontvangen.

Bijpassende boeken en informatie

Alma Delia Murillo – Het hoofd van mijn vader

Alma Delia Murillo Het hoofd van mijn vader recensie en informatie boek over een zoektocht door Mexico van de Mexicaanse schrijfster. Op 16 januari 2025 verschijnt bij Uitgeverij Atlas Contact het boek van de Mexicaanse schrijfster Alma Delia Murillo. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de schrijfster, de vertaler en over de uitgave.

Alma Delia Murillo Het hoofd van mijn vader recensie van Tim Donker

Maar wat het was weet ik nu niet meer. Een tijd lang las ik rabiaat nee fervent nee razend in Het hoofd van mijn vader. En toen, ineens, had ik er even genoeg van. Was het de woede, was het de pijn, was het de wanhoop? Kwam het door de soms grimmige, soms verbeten sfeer? Of waren het de referenties? Teveel filosofie, teveel psychologie, teveel literatuur (ja Alma Delia Murillo, ik begrijp het, je bent niet van de straat, je bent belezen, je hebt gestudeerd, ik merk het, ik zie het, ik lees het). Teveel Shakespeare. Ja. Vooral teveel Shakespeare. Zeikspier, zoals mijn voormalig kompaan en ik hem noemde. Delia Murillo “verliteraturiseert” alles zo erg dat ik zelfs tijdlang peinsde dat het meisje met de brandwonden een verwijzing was naar Stig Dagerman. Maar in Het hoofd van mijn vader is niet alles fictie, er zal werkelijk een zus geweest zijn, de oudste zus, die toen ze een jaar of zes was dacht wel even wat tortilla’s te kunnen opwarmen op een oud primusbrandertje. Wat was het? Het was iets aan dat alles waar ik niet zo goed meer tegen kon na enkele tientallen bladzijden en Het hoofd van mijn vader belandde op de stapel. Alles wat op de stapel komt, geraakt op enig moment onderaan de stapel. Dat zal wel een of andere wet zijn, weetikveel, ik heb natuurkunde laten vallen nog voor ik het goed en wel had.

Toen ging ik op vakantie. Spanje. Mijn zus zien. Maar dat doet voor deze bespreking niet ter zake. Hoewel. Onder andere vanwege dit boek (maar ook vanwege Terras 26: Magia / No magia) had ik het met haar nog even, overheen een elegant wit wijntje, over de verstandhouding tussen Spanjaarden en Mexicanen. Wie op vakantie gaat, gaat zijn huis uit. Wie zijn huis uit gaat, laat dingen achter. In mijn geval: vooral boeken. Twee tassen, zo had ik bedacht. Twee tassen vol boeken mochten mee. Extra grote tassen. Maar toch. Twee. De rest moest blijven in het huis dat ik achter me ging laten. De keuze was wat willekeurig, er was niet veel tijd, het was avond, de volgende dag zouden we vertrekken, mijn zoon zat daar nog, achter laptop, de anderen waren naar bed, en ik, ik vulde tassen. Tassen met boeken. Boeken die het maar moesten zijn, daar, in Spanje, in Valencia, daar, waar mijn zus woont (en hoeveel lezen ga je doen als je ook met die moje lieve intelligente grappige fantastiese zus van mij kunt babbelen). Waarom ging Het hoofd van mijn vader een van die tassen in, waarom niet een ander boek. Ik weet het niet, het was laat, mijn zoon en ik, we moesten eigenlijk allang op bed liggen, morgen zou de wekker vroeg gaan, er was geen tijd om lang over dingen na te denken. En dus. Daar ging het. Mee. Mexico naar Spanje. Kon je zeggen. Ging.

Dan zijn er ineens een wagonlading boeken minder.
Dan is het lezen beperkter.
Dan lees je.

Dan lees je opnieuw.

Van een vader, die er ooit was. De moeder, de broers, de zussen, de vader. Maar die laatste ging. Op een dag ging hij. Hij liet de moeder, de broers, de zussen, en hij ging. Niet uit liefdeloosheid. Nee. De zus met de brandwonden, hij legde haar op een paard, hij reisde tot hij bij een ziekenhuis kwam, hij waakte, dag en nacht, aan het bed van het meisje met de brandwonden. De vader was geen liefdeloze man. Maar toch ging hij. Omdat het leven elders. Omdat het gras groener. Of misschien. De meest liefdevolle daad. De kinderen de ruimte geven niet beperkt door zijn ballast. Wie weet.

Alma Delia Murillo laat het er niet bij. Het hoofd van mijn vader beschrijft een zoektocht. Een zoektocht naar een vader die ging, ooit, lang geleden, toen zij nog een klein kind was. Een vader nauwelijks gekend door haar. Veel heeft ze niet. Een verscheurde foto, Koos Alberts is er niks bij. Maar ze zoekt. Gans doorheen Mexico. De zoektocht is er één  van steeds te laat of net niet op tijd. Op grond van het minimale wat ze van haar vader weet komen Alma en haar broers en zussen samen met hun moeder steeds aan bij een huis waar de vader een paar maanden geleden nog woonde, of bij de winkel waar de vader enkele uren geleden nog gewerkt heeft. Hoe vergeefs deze odyssee is, moet je zelf maar weten.

Delia Murillo lardeert nee doorspekt nee dat is hetzelfde Delia Murillo verlevendigt ach nauwelijks beter maar toch de zoektocht met de soms bizarre episodes uit haar verleden, met referenties aan klassiekers ut de wereldliteratuur, met psychologische of sociologische of politieke exposés. Bestaat er zoiets als spiegelsynesthesie? Een extreme ontvankelijkheid voor de gevoelens van anderen. Je weet het. Je weet het niet (die gast uit the green mile had een vorm van spiegelsynesthesie maar ja dat was film dat was literatuur). Kun je een vader reconstrueren uit alle uiteenlopende verhalen die ook zo hun eigen leven leiden? Je weet het. Je weet het niet. Zijn familierituelen innemend of idioot. Je weet het. Je weet het niet. De zussen in dit boek praten of zingen of informeren elkaar via liedjes van Juan Gabriel, ik maakte de fout hem op te zoeken en het bleek een wat theatrale n tamelik oninteressante figuur maar zijn de figuren aan wie wij vroeger onze gestandaardiseerde replieken onttrokken feitelijk zoveel beter? (koot. bie. wim schippers). In ieder geval voel je de liefde. De warmte. De onverbrekelijkheid van de band,

En de woorden.

De kracht van de woorden.

Bij Delia Murillo soms samengebald in aforismen van het type “Familie is het favoriete organisme van de stilte”, of “voldaan zijn is een degeneratieve en dodelijke ziekte”, of in gewoon maar een zin, de laatste zin, die ik natuurlijk weer las met tranen in mijn ogen.

Je kunt Het hoofd van mijn vader lezen als avonturenroman. Als sociologische analyse. Als de psychologie van dochterliefde. Als literair essay. Of gewoon. Als een onderhoudende, ontroerende, uitdagende en te denken gevende roman.

Alma Delia Murillo Het hoofd van mijn vader

Het hoofd van mijn vader

Een zoektocht door Mexico

  • Auteur: Alma Delia Murillo (Mexico)
  • Soort boek: memoir
  • Origineel: La cabeza de mi padre (2022)
  • Nederlandse vertaling; Arieke Kroes
  • Uitgever: Atlas Contact
  • Verschijnt: 18 januari 2025
  • Omvang: 224 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Boek bestellen bij: Boekhandel / Bol

Flaptekst van het boek over Mexico van Alma Delia Murillo

Als Alma Delia Murillo negen jaar oud is, verlaat haar vader hun gezin. Dertig jaar lang hoort ze enkel over hem in tegenstrijdige berichten: je vader was een nietsnut, je vader werkte hard, je vader was een knappe man, je vader was een dronkaard. Op de enige foto die ze van hem heeft, is het hoofd van haar vader van het beeld afgescheurd. Murillo schrijft met een even scherpe als poëtische blik, openhartig en met rauwe humor. Haar situatie is niet uniek; afwezige vaders komen in het door armoede geteisterde Mexico veel voor. De zware last om het gezin draaiende te houden belandt doorgaans op de schouders van de moeders.

Het hoofd van mijn vader is tegelijkertijd een aangrijpende poging om grote vragen te beantwoorden. Hoe vormen gebeurtenissen in onze jeugd ons karakter? Wanneer Murillo, inmiddels veertig, droomt dat haar vader stervende is, besluit ze hem te gaan zoeken. Met haar moeder, broers en zussen stapt ze in een rood bestelbusje en rijdt van Mexico-Stad naar de provincie Michoacán, op zoek naar de man die in zijn afwezigheid al haar hele leven lang zon grote aanwezigheid heeft.

Alma Delia Murillo (1979, Mexico) is schrijver en journalist. Ze studeerde Literatuur en Theater aan unam, schreef meerdere romans en heeft een wekelijkse column in SinEmbargomx. Het hoofd van mijn vaderis haar eerste boek dat in het Nederlands vertaald is.

Bijpassende boeken en informatie

Malachy Tallack – Die mooie Atlantische wals

Malachy Tallack Die mooie Atlantische wals recensie, review en informatie over de inhoud van de roman over de Shetlandeilanden. Op 1 oktober 2024 verschijnt bij uitgeverij De Arbeiderspers de Nederlandse vertaling van That Beautiful Atlantic Waltz de roman over Shetland van de Schotse schrijver Malachy Tallack. Hier lees je informatie over de inhoud van de roman, de schrijver, de vertaler en over de uitgave.

Malachy Tallack Die mooie Atlantische wals recensie

Soms kruipt een roman waarin een leven wordt beschreven waarin niet al te veel lijkt te gebeuren toch onder de huid. De roman van de Schotse schrijver Malachy Tallack is een prachtig voorbeeld hiervan. Jack de hoofdpersoon van het boek leeft een teruggetrokken leven op de kleine boerderij op het rauwe Shetland. Zijn verlegenheid is spreekwoordelijk en zijn enige passie is de muziek en countrymuziek in het bijzonder. Als er door een onbekende een kitten voor zijn deur wordt achtergelaten verandert zijn leven. Of hij het nu wil of niet, hij krijgt de zorg voor het dier en dat verandert zijn leven.

In het kort is dat het verhaal van de roman. Maar Malachy Tallack weet er veel meer in te verstoppen. Liefdevol en met compassie beschrijft hij het leven en de geschiedenis van Jack die meer blijkt te hebben meegemaakt dan op het eerste gezicht lijkt. In een mooie, poëtische stijl maar zonder opsmuk en superlatieven wordt de lezer geraakt door dit boeiende, soms schrijnende maar toch ook hoopvolle levensverhaal van een teruggetrokken levende zestiger op Shetland. Gewaardeerd met ∗∗∗∗ (uitstekend).

Malachy Tallack Die mooie Atlantische wals

Die mooie Atlantische wals

  • Auteur: Malachy Tallack (Schotland)
  • Soort boek: roman over de Shetlandeilanden
  • Origineel: That Beautiful Atlantic Waltz (2024)
  • Nederlandse vertaling: Jeske van der Velden
  • Uitgever: De Arbeiderspers
  • Verschijnt: 29 oktober 2024
  • Omvang: 256 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 22,99 / € 12,99
  • Waardering redactie: ∗∗∗∗ (uitstekend)
  • Boek bestellen bij: Bol Libris

Flaptekst van de roman over Shetland van Malachy Tallack

De Atlantische Oceaan, 1957. Na jaren in de walvisvaart keert Sonny terug naar de Shetlandeilanden. Hij bouwt een bestaan op met zijn vrouw en zoon, maar het leven op zee is niet eenvoudig achter te laten.

In het heden woont Jack, een muzikale, introverte man, in zijn geboortehuis vol herinneringen op de Shetlandeilanden. Op een avond als alle andere wordt er bij hem iets bezorgd, wat het ritme en de routine van zijn eenzame bestaan op onverwachte wijze verstoort.

Door deze verhaallijnen te verweven toont Malachy Tallack op ontroerende wijze de troostende kracht van muziek en wat verlangen en vriendschap vermogen.

Jen Hadfield Storm Pegs recensie en reviewJen Hadfield – Storm Pegs
A Life Made in Shetland
memoir
Uitgever: Picador
Verschijnt: 11 juli 2024

Bijpassende boeken en informatie

Annika Norlin – De Kolonie

Annika Norlin De Kolonie recensie en informatie over de inhoud van de roman van de Zweedse schrijfster. Op 15 oktober 2024 verschijnt bij Uitgeverij Mozaïek de Nederlandse vertaling van de roman van de uit Zweden afkomstige schrijfster Anninka Norlin. Hier lees je informatie over de inhoud van de roman, de schrijfster en over de uitgave.

Annika Norlin De Kolonie recensie  van Tim Donker

En de weg, de eindeloze lege weg, en het sjokken. En nergens zijwegen te zien, o heer waar zijn uw zijstraten, en nergens een voertuig, en dus blijf je maar sjokken, voortsjokken, sjokken om het sjokken, sjokken omdat dit de weg is waarop je sjokt, omdat de weg er ligt, en jij er bent, en er geen zijweg of voertuig te zien is, en je vraag je af of er alternatieven voorhanden zijn, of die er ooit waren.

Of het ook anders kan.

Of het ooit anders gekund heeft.

Of de doem misschien. Nooit het eigenlijke heel-kunnen-zijn daar, wel het zijn-ten-dode. En de weg. En het sjokken.

Naar alternatieve levensstijlen zoeken we allemaal, naar alternatieve levensstijlen zoekt Annika Norlin in dit hier De Kolonie. Het begint in Zweden, alles begint in Zweden misschien, maar in de stad, het urbane leven, grotestadsneurose, de herrie, de mensen, de dampen en daar dan middenin: Emelie. Journaliste, carrièrevrouw, geslaagd in het leven, toch?, degene die dingen gedaan krijgt, degene die er middenin staat, waarin, middenin het leven, er zijn vrienden om mee naar plaatsen te gaan, je kunt uit, je kunt gaan eten ergens, misschien treedt daar of daar wel een band op, theatervoorstelling, feesten, de sportschool. Er is altijd wel een cocktail te drinken, er is altijd wel iemand om je in te verliezen, er is de volgende keer kans op een vaste aanstelling, soms is er geen volgende keer, je kunt gaan joggen, je kunt je onderdompelen in verbondenheid, je bent in de stad, je woont daar, het is nu, het is altijd nu, overal is het altijd nu, je kunt naar je appartement gaan, je eigen appartement dat je zelf gekocht hebt, zelf geverfd hebt, je appartement waarvan elke sentimeter je vertelt hoe autonoom je bent, je kunt trots zijn op appartement, op je leven, op je wie je bent, op heel je emelieheid, en ongemerkt groeit er iets.

Irritatie, in eerste. Het snauwen, het boos worden, het schuldgevoel. En dan. Hartkloppingen. Een vervelend gevoel in haar borst. Is het fysiek, is het psychisch, wat gebeurt er?

Een burn-out, is wat er gebeurt. Emelie ziet zich op een dag geconfronteerd met een burn-out. Ze kan haar bed niet meer uit. Raisonneren met haar lichaam helpt niets, ze zegt haar lichaam dat ze op moeten schieten, bed uit, er is een bus te halen, er zijn mensen te zien, haar lichaam zegt wel ja maar doet vervolgens niets. Dagen lang ligt Emelie in bed. Er is een buurvrouw die zich om haar bekommert, voor haar zorgt, eten maakt, van haar eigen burn-out vertelt, zegt dat ze een toen een tijdje gekampeerd heeft, ergens in de ruwe natuur, vuur maakte, en zich daarna veel beter voelde.

En Emelie. Ze ligt en zit. En Emelie. Ze peinst. Ze peinst dit: “Het punt is dit. Ik hou niet eens van de natuur. Ik hou niet van buiten zijn. Een van de beste dingen van volwassen worden, was ontkomen aan dat eeuwige, opgedrongen Buiten. ‘Je hebt nu lang genoeg gelezen, ga maar even naar buiten.’ ‘De les is afgelopen, alle kinderen moeten naar buiten.’ Stilletjes trok je je jas aan en je benen voelden zwaar als je de schooltrap afliep. Ik stelde me altijd de parallelle ervaring van diezelfde pauze van de leraren voor, hoe ze in de warme lerarenkamer koffie zaten te drinken. Misschien had iemand wel donuts mee.”, en ik vond dat grappig, omdat het zo gaat, ik betrap me er zelf soms op, dan jaag ik mijn kinderen naar buiten, omdat dat gezond is, omdat het echte leven buiten plaats vindt, het echte leven is altijd elders, buiten is het goed, er wachten zoveel avonturen op je om beleefd te worden, allemaal buiten, binnen is voor bleekneusjes, binnen is er niks want alles is buiten, zo denkt een opvoeder te werk te moeten gaan, terwijl ik nog goed weet hoe het was, midden in de winter, verdomme ijskoud, maar wij moesten naar buiten, het schoolplein op, iemand ging naar de weesee en had de deur open laten staan, kwam er ook nog zo’n stomme weke verwende zich in warmte wentelende leraar klagen ook, of we de deur asjeblieft dicht wilden houden want alle kou kwam naar buiten, ja die stomme kou waar wij van jullie per se in moeten stelletje kloothannesen dat jullie er hangen, zei ik: kan iemand die buitendeur weer open zetten dan komt er misschien iets van de warmte van binnen naar buiten, en daarom lach ik, omdat ik dat ken, dat verdomde buiten dat ik nu ik zelf een ouwe lul ben niettemin aanprijs als het geweldigste dat het leven te bieden heeft, ja daarom lach ik.

Maarja. Emelie gaat toch overstag. Kun je net denken. Anders had Norlin geen boek gehad, en wij ook niet. Of toch maar een heel kort. Ze gaat die stomme natuur in, met een tentje, kampeert wat, slentert wat rond, verveelt zich misschien een beetje. En af en toe ziet ze een groepje mensen. Mensen in een groep. Jij en drie anderen naderen een meer. Zeven mensen, mannen en vrouwen, van middelbare leeftijd of ouder, één is nog erg jong misschien. Ze doen rare dingen. Ze zingen. Ze dansen. Ze roosteren een dode vogel en zeggen dank dank dank tegen de geroosterde vogel. Ze lummelen, ze hangen rond, ze zwijgen, ze zwemmen. Ze zien er een onmogelijke combinatie uit. Een vrouw in een jurk ziet er sterk uit. Een onwaarschijnlijk moje, rijzige man lijkt Grieks. Een kleine man van middelbare leeftijd heeft iets bedroefds over zich. Een jonge mankepoot doet denken aan een trieste hond van vroeger die Arme Sloeber genoemd werd, dus ja.

Dus ja wie zijn het? Dat groepje totaal willekeurige mensen? Wordt er ergens een film opgenomen? Is het een sekte? Zijn het dwazen? Hippies? Druggebruikers? Mensen die op aanraden van hun therapeut een of ander trauma proberen te verwerken? Emelie raakt geïntrigeerd en begluurt het groepje steeds vaker.

En dat is waar het kantelt.
Het kantelt.
Het kantelt.

Het eerste deel is geschreven vanuit Emelie, en heeft vaart, is grappig, met een onderkoeld sienisme maar evenzo buitengemeen rake observaties: “Ik had mijn iPhone meegenomen, maar merkte dat ik er bang voor geworden was. Bang voor de e-mails, dat er een vraag zou komen die beantwoord moest worden. Bang voor de berichtjes. Bang voor alle sociale media, alle ‘LEES DIT! Wanneer doet iemand iets? Tijd om in actie te komen!’ En als je niet precies hetzelfde voelde en niet onmiddellijk in actie kwam zonder er eerst over na te denken, was je slecht.”

En ja, denk ik, ja ja ja Norlin, dat is het, dat is precies wat het is. Als deze tijd ergens aan kapot gaat dan is het wel die bijna fascistoïde neiging om het de hele tijd zo ontzettend met elkaar eens te zijn over alles. De eerste eensgezindheid is al dat het allemaal verschrikkelijk erg is. Alles is heel erg erg, Alles is in krisis. Alles loopt op zijn eind. Het is al sedert het begin der tijden twee voor twaalf. Ons doodsuur heeft geslagen, slaat nu al zo lang. Iedere keer dat de regen wat heftiger valt dan doorgaans kan het begin van een nieuwe zondvloed inluiden. Elk zelfs maar enigszins ongewoon natuurfenomeen komt door klimaatverandering. Wanneer een griepvirus rondwaart moet onmiddellijk de democratie worden afgeschaft om de totalitaire staat te installeren want het zou wel eens een nieuwe pestepidemie kunnen zijn en De Regering Moet Ingrijpen. Elk conflict, iedere spanning tussen landen zou wel eens op een derde wereldoorlog kunnen uitlopen. Alles steeds een mogelijk begin van veel, en altijd is dat erg.

En zo lees je dat, met die vaart, met die instemming, met die grote lach op je gezicht. Maar als het kantelt, wordt De Kolonie meerstemmig. Emelie verdwijnt naar de achtergrond, of er allang overheen. Nu zijn het de leden van De Kolonie die spreken. Norlin presenteert uitvoerig hun voorgeschiedenis. En tapt daarbij ook uit andere vaten. Met precisie, met verfijning, maar vooral: met bijzonder veel medegevoel beschrijft ze de jeugd, de levens van onder andere Sara, József en Sagne, de wegen die hen naar De Kolonie hebben geleid. Die stukken zijn prachtvol. Poëties. Breekbaar. En vol liefde, zo propvol liefde. Deze schrijfster houdt overduidelijk van haar personages. Zoveel dat je als lezer ook van ze gaat houden. Hoe zou je niet houden van de melancholieke József, zoon van holocaustoverlevenden, die als enig kind altijd gepoogd heeft de nooit uitgesproken maar onmiskenbaar aanwezige wonden van zijn Hongaars-Joodse te doen genezen en van een tragisch, eenzaam jongetje is uitgegroeid tot een warmhartige volwassene die zich altijd aanpast, altijd probeert het een ander naar de zin te maken, altijd de harmonie zoekt, altijd alles van twee kanten wil bekijken, altijd troost wil bieden. Hoe zou je niet houden van Sara, die zo’n enorm charisma heeft dat ze altijd en overal het middelpunt wordt, soms tegen wil en dank. Hoe zou je niet houden van de sociaal onhandige entomologe Sagny die het waarnemen van een mogelijkerwijs zeldzame libel verkiest boven een kinderfeestje en dierhalve nooit echt begrepen werd. Hoe zou je niet houden van Aagny die haar man Ove vermoord heeft en daarom niet zonder begrip is voor anderen die eventueel iemand vermoord zouden hebben want “soms moet je gewoon van iemand af”, die bizarre Aagny die niettemin zeer moederlijk, verzorgend, innemend is. Hoe zou je niet houden van Låke, die nergens om gevraagd heeft, er ook maar is, alles in zich opzuigt, open is, en zacht, en beschadigd, en lief. Zoals Norlin ze schildert, hoe ze gepenseeld voor je ogen verschijnen. Hoe mooi dat is, en hoe schrijnend, hoe pijnlijk, de taal zo dichterlijk met zinnen die soms midderregel afbreken om op een inspringende volgende regel verder te gaan – om te laten zien hoe er soms een breuk in gedachten zit, hoe dingen kunnen stokken, of hoe raar, onbevattelijk en heftig het leven af en toe is.

Je denkt dat dit te mooi is.
En je denkt dat mooi niet kan.
Omdat wat mooi is klaarblijkelijk zelden mojer maar geregeld wel minder mooi worden kan.

Zoals. Ik zeg nu maar wat. Het is een zonnige dag en je ligt op ergens een heuvel op je rug in het gras. Naast je ligt iemand anders, en het zou iemand van de andere sexe kunnen zijn, en jullie zouden beiden hetrosexueel kunnen zijn, maar dat is niet per se noodzakelijk, in het voorbeeld is het niet per se sexueel bedoeld. Je ligt daar op je rug, het weer is aangenaam, het gesprek vloeit als honing: traag en zoet. Er mogen stiltes vallen, er mag gezwegen worden, er mag gedacht worden vooraleer iemand iets zegt. Het gesprek hoeft helemaal niet diepgaand te zijn, maar gaat zeer waarschijnlijk wel over wezenlijke dingen. En alles is mooi totdat je je bedenkt hoe breekbaar deze schoonheid feitelijk is. Het zou bewolkt kunnen worden, gaan wajen, regen misschien zelfs. Er kan een bekende langskomen, die een praatje wil maken, en natuurlijk altijd een of andere onnozelaar. Degene met wie je bent zou iets stoms kunnen zeggen, of iets kwetsends, of gewoon maar iets waar uit blijken zal dat jouw gevoel voor de schoonheid van deze situatie niet gedeeld wordt.

Zo peinsde ik toen ik De Kolonie las. Nog niet eens halverwege. Dit is zo mooi, dit kan alleen maar lelijker worden nu. Waar zal dit heen gaan, bijna vierhonderd bladzijden dik is dit boek, dat zijn erg veel pagina’s om te vullen en op elke pagina kan me een teleurstelling wachten, ik durfde al bijna niet verder lezen. Waar zal dit heen gaan?

Ik weet dat de mensen die hier aan mijn lezersoog voorbijtrekken uiteindelijk zullen terechtkomen in een commune, of noem het hoe je wil. En je hoeft maar naar ze te kijken om het te weten. Hoe slecht ze functioneren, als “individualisten” in zoiets als “de maatschappij” (de maatschappij dat ben jij heette dat ooit in een televisiespotje in de jaren negentig, wat hebben Antonio en ik daar vaak mee gelachen). Dit gaat toch niet, Norlin? Of wel? Dit gaat toch geen pleidooi worden voor collectivisme, iets met eendracht, opgaan in een groep, een groter geheel, jezelf ondergeschikt maken aan de noden van een, in dit geval nog relatief kleine, veelvoudigheid? En achterop komt meteen deze vraag in mijn brein. Is dat zo slecht dan, Donker? Het eigen egootje kleiner, of helemaal weg misschien, dingen niet per se alleen maar voor jezelf willen, bescheidenheid, er oog voor hebben dat er naast jouzelf ook nog anderen zijn? Hum. Tsja. Nee. Ja. Misschien. Maar toch. Toch. Alle macht aan het kollektief kan tot zoveel lelijks leiden. Niet? Geweld, uitsluiting, een totale ontkenning van het zelf, de algehele veroordeling van iedere hang naar eigenheid? Dat is toch waar het kollektief als ideaal afschuwwekkend wordt? Denk ik. Denk ik allemaal. Nog voor ik weet waar naar het gaat, het zijn nog maar de voorgeschiedenissen, ze zijn nog niet eens in wat ze dan waarschijnlijk De Kolonie zullen dopen.

Toch. Ja. Dit. Die voorgeschiedenissen. Die Hele Uitgebreide Voorgeschiedenissen. Zijn die niet een beetje té uitgebreid? Of zoek ik nu? Naar zout voor op de slakken, of naar spijkers op laag water? Want soms gaan die dingen zo. Bij iets dat zo mooi is dat je weet dat het eigenlijk alleen maar lelijker kan worden (want lelijkheid bestaat in de wereld, en moje liedjes duren nooit lang, en aan schoonheid is altijd een grens), dat je gaat zoeken, omdat je weet dat het kapot zal, en dan moet het maar nu, dan zoek je het maar zelf op, dan hebben we dat vast gehad. Is het zoeken, of stokt De Kolonie echt daar waar de lezer iets te ver Sara’s pad op moet stombelen, zo ver dat Sara er alvast wat minder mooi door wordt, net nu je van haar hield (net nu je van iedereen hield). Misschien is jaloezie hier ook ten dele de raadgever, kun je jaloers zijn op een boekpersonage?, ja net zo zeker als je van haar kunt houden, omdat Sara degene is die verzeild raakt, op alle momenten van haar leven steeds maar weer verzeild raakt. Want ik ben die gast. Die sjokker op de weg. Ik weet niet wat de beste weg is om op voort te sjokken, daarom sjok ik maar voort op de weg die toevallig voor mijn voeten is gekomen, nooit een zijweg te zien en ook nooit een passant die stopt en me een lift aanbiedt, een lift naar waar, weet ik veel waar, als het maar even weg is van deze weg, om ook eens langs andere wegen gereisd te hebben, maar neen, maar nooit, en dus maar dat voortsjokken, graag was ik ook verzeild, misschien niet precies daar waar Sara verzeild geraakte, liever niet zelfs, maar toch, verzeild raken op zichzelf, in plaats van dit zinneloze zeilen langs deze eindeloze lange lege weg die ik nu wel ken, een heel klein beetje jaloersmakend is dat wel. Aan de andere kant wordt Sara hier echt wel minder mooi: werken in een bar in London, dat gaat misschien nog wel, spelen in een jazzband – oké (afhankelijk, misschien, een beetje, van wat voor jazz) (vokale jazz is meestal redelijk verschrikkelijk), maar dat hele afgezaagde Indiareisverhaal, goeroeïsme, yoga, sex, kon Sara niet, kon Norlin niet, kon dit niet een beetje minder kliesjee?

Sjee.

Je kent dit. Je hebt het al zo vaak. Je hebt het al zo vaak gelezen. Al die hippies, alle beatniks, al die gasten die “zichzelf” gingen “zoeken” in India, want jezelf is India, je kent dit, je kent dit al zo lang. En dit is waar het saai wordt, denk je. Een boek dat je humoristies en ontroerend en poëties en mooi vond, denk je. Dit is dan waar het saai wordt, dit is waar het kantelt, dit is waar de lelijkheid erin komt. En je overweegt De Kolonie op de stapel te leggen, de linkerstapel, maar je weet niet wanneer je het dan weer tegenkomt, de linkerstapel is zo groot en de rechterstapel nog veel groter (er zijn momenteel zelfs drie rechterstapels), als dit boek in die stapel gaat zie je het waarschijnlijk pas weken, misschien zelfs maanden later terug, je weet niet of je zo lang van dit boek gescheiden wilt zijn dus je leest dus je leest dus je blijft lezen.

Ik blijf lezen.

En het nadert.

Het nadert de hedenlijn steeds meer. Gezegd moet worden, gezegd moet dit: langzaamaan komt de vaart terug in Norlins schrijven, als ze schrijft hoe, de een na de ander, terecht komt in wat ze “De Kolonie” zijn gaan heten. Sagne bijvoorbeeld. Die er terecht komt na een verkrachting. Die scene. De verkrachting. Hoe Norlin dat beschrijft. Hoe overrompelend. Hoe verbijsterend. Hoe onbeschrijflijk, uiteindelijk. Hoe het komt uit een hoek vanwaaruit je het niet verwacht want alle tekens wijzen naar een andere hoek, en je denkt al dat alles veilig is, en ineens komt het dan, en hoe Norlins schrijven dan wordt, en alles wat je leest, en alles wat je ziet, en alles wat je hoort. Ik weet niet hoe ze het doet, maar Annika Norlin weet de lezer regelrecht in Sagnes schoenen te schrijven, je bent Sagne, alles wat haar overkomt overkomt jou, deze passage lees je niet maar wordt over je uitgestort. Dit is schrijven dit is lezen dit is literatuur, hier gebeurt iets.

En alles weder daar.

En langzaamaan ook iedereen daar.

De mensen. De groep. De Kolonie.

Hoe hun leven groeit. Want het groeit gewoon. De een na de ander is gekomen naar het huis van Ersmo’s moeder (waar is Ersmo’s moeder?) (niemand weet waar Ersmo’s moeder is) (ik denk dat Aagny en Ersmo weten waar Ersmo’s moeder is), en daar groeit het dan. Eerst waren ze personen, individuen in de buitenwereld, laten we het de maatschappij noemen, en dan daar, in het landelijke, dat boerderij-achtige huis, langzaamaan, groeit De Kolonie. Waar iedereen doet wat hij kan, zijn bijdrage levert, stukje bij beetje een deeleigenschap van het grotere geheel wordt.

Precies dat.

Kollektivisme, je zegt?

Hmm.

Het simpele leven. Wakker worden, klussen doen, misschien dansen, misschien zingen, misschien gaan slapen onder een spar. Misschien geen persoonlijke doelen hebben, geen streven, geen bezit, in de lange ren ook geen eigenschappen wellicht, of toch niet heel erg veel. Het kan werken, waarom zou het niet kunnen werken, in het smurfendorp werkte het toch ook, de een degene die zegt wat er gedaan moet worden, de ander verzorgt het eten, de volgende maakt iedereen aan het lachen, nog iemand om de harmonie te bewaken. Ieder zijn fractie. Het kan werken.

Het werkt, tot het kantelt.

Bij József knaagt het soms. Nog één dag in dit huis, nog eventjes, en dan elders, want elders is er nog een elders, en moet dat ook niet gezien worden.
Bij Ersmo knaagt het ook. Hij woonde in dat huis, hij woonde er al voor de anderen kwamen. Hij woonde er met zijn moeder maar die werd oud en ging malen en er werd gezocht naar een hulp in de huishouding en dat werd Aagny, die de baan met beide handen aangreep want ze kwam uit de bajes en had niet veel te eisen. Toen was Ersmo nog een scholier, op aanraden van Aagny maakte hij zijn school niet af, maar nu knaagt het. Is er niet een leven buiten dit huis, zijn er geen mensen van mijn leeftijd elders, zijn meisjes er niet, is er niet nog veel te ontdekken.

En bij Aagny knaagt het soms ook. Ze weet dat ze geen schoonheid is, Ove bleef ook maar bij haar toen hij nog de lelijkste en vervelendste man van heel Zweden was, en toen kreeg hij last van spit en zei de dokter dat hij een wellicht wat aktiever leven moest gaan leiden, en toen ging hij, die automonteur, joggen, met tegenzin eerst maar later nogal fanatiek, en viel hij af, en werd gespierd en goed gevormd, en in zijn “dynamische” nieuwe leven was geen plaats meer voor Aagny, die hij verzocht te vertrekken, en Aagny vertrok, maar niet zonder explosie, en is nu het moederfiguur in het huis van Ersmo’s moeder, maar een moederfiguur met sexuele behoeftes, verlangens, misschien wil ze uiteindelijk wel een kind?, en in hoeverre stokt het leven in De Kolonie haar niet in haar verlangens naar meer?
En Låke. Ja Låke. Dat is nog zo wat.

Sagne. Die verkracht werd. En zwanger. Van haar verkrachter. Een kind kreeg. In De Kolonie. Aagny als verloskundige (wat een rare term is eigenlijk, alsof een mens “verlost” moet worden uit de baarmoeder; moet een mens niet veeleer “verlost” worden van alles wat er buiten de baarmoeder staat te gebeuren?), omdat ze in De Kolonie graag de buitenwereld op afstand houden, die rare onbetrouwbare maatschappij die alleen maar oorlog en kapitalisme en haat en ellende faciliteert, en daarenboven, in De Kolonie is misschien ook wel het nodige gebeurd dat in diezelfde maatschappij wenkbrauwen zou doen fronsen of erger nog zelfs, dus beter dat ze allemaal maar niks weten, die “Buitenaffers”, en dus komt Låke ter wereld, en groeit op, zonder dat iemand behalve de mensen in De Kolonie er weet van heeft.

Docht Sagne trekt zich terug als moeder. Låkes uiterlijk doet haar teveel denken aan dat van haar verkrachter en ze kan bijna niet in één ruimte zijn met haar eigen kind. Hum. Ja. Ik vraag me af of dat echt zo zou werken. Of je eigenlijk niet altijd onvoorwaardelijk en zielsveel van je kind zou houden, ongeacht het uiterlijk, de omstandigheden van de konsepsie, of later nog: de keuzes die het maakt. Maar goed, die maffe entomologe zonk altijd al een beetje weg in haar eigen wereld, mogelijkerwijs dat iemand die in emotioneel opzicht een weinig kreupel is zich van meet af aan zou kunnen distantiëren van haar eigen vlees en bloed. Låke komt als zuigeling in hun gekke smurfendorp terecht, wordt babysmurf, de enige echte ouder is niet beschikbaar en niemand anders voelt zich geroepen een voltijdse ouderrol op zich te nemen; Aagny een beetje, József een beetje, Ersmo een beetje, alles een beetje, en dus ook Låke een beetje. Het komt erop neer dat hij gewoon maar de volgende ingezetene van De Kolonie wordt, behalve dan dat hij kind is. En als hij uit schuwheid, angst, onvermogen, wat op afstand van alle anderen blijft, wordt dat weggeredeneerd als een van Låkes eigenschappen, ach hij is graag alleen, niemand die zich ten volle om hem bekommerd, niemand die hem de aandacht, liefde en sturing schenkt die een echte ouder zou doen.

En daar kantelt het.
Want daar worden me de leden van De Kolonie een weinig minder sympathiek. Wie verkrijgt het over zijn hart om zich zo te verhouden ten opzichte van een baby, een dreumes, een peuter, een kleuter, een kind? Sagne heeft nog een heel klein beetje een niet echt volledig opgaand excuus, de anderen hebben toch ook een hart en een ziel en ogen en armen om een kleine in vast te houden?

En dan kantelt het, en kantelt het nog.
Het kantelt.

Sagne en Sara gaan samen naar het dorp, inkopen doen, en daar, op de parkeerplaats van de supermarkt, ziet Sagne haar verkrachter terug, ze volgen de man, achterhalen op die manier zijn woonst, plegen overleg in De Kolonie. Enfin. En. Naja. Je snapt het wel. Er volgt een wraaknemingsscene. Die is lelijk. Meer iets voor hollywood. Meer iets voor film. De Kolonie gaat naar het huis van de verkrachter, steken zijn auto in brand, breken zijn been, overgieten hem met siroop en laten een mierenkolonie op hem los. Zulke dingen. Het maakt de leden van De Kolonie een weinig minder sympathiek. Je hield van deze mensen en nu doen ze dit. Hoe kan een geweldsdaad een andere geweldsdaad goed maken, of zelfs maar neutraliseren? Hoe is wraak, wat is wraak, de beste wraak is een succesvol leven, dat gaat niet gebeuren, wraak is een gerecht dat het best koud gegeten kan worden, voel je je beter als degene die jou pijn heeft gedaan zelf pijn heeft, ik weet niet, het ergste is nog dat de verkrachter niet eens weet wie die mensen zijn die hem mishandeld hebben dus hoe heb je dan je wraak?, de dader nu het slachtoffer maar hij denkt slachtoffer te zijn van een heel andere dader, heb je dan je punt gemaakt?, “JEZUS WAT LEUK” roept Sara ook nog, en er wordt gedronken en geklonken, en het was allemaal een bijzonder leuk uitje om iemands leven gesloopt te hebben.

En daar zit ik, andermaal is het boek me in de schoot gezonken, dat boek vol mensen die ik ineens helemaal niet meer zo aardig vind, dat boek waaraan ik, andermaal, hevig twijfel, en dan, pas dan besef ik me hoe geraffineerd Norlins schrijven is. Het kollektief, het simpele leven, de eenvoud, de sjarme van dat alles, hoe ze me langzaamaan begon te winnen voor de romantiek van dat leven in De Kolonie, TERWIJL HET ALTIJD AL DAAR WAS. Al mijn bezwaren, mijn hele moeite. Wanneer mensen hun individualiteit moeten prijs geven vanwege een groter geheel. De uitsluiting (van Låke), het geweld. Het was daar de hele tijd al, het sudderde onder de schoonheid, het was al aanwezig toen ik begon denken dat het misschien toch zo slecht niet was, die leven in een kommune waar iedereen een duidelijke, afgebakende plaats heeft, er weinig tot niets nog te verlangen of te wensen is. Het zat er de hele tijd al in. Terwijl ik misschien al dacht. Waarom zwijgen, alles laten gebeuren, iedereen op zijn eigen kleine stukje blijven. Maar dat is wat er gebeurt als mensen samenleven in vaste constellaties, zelfs in gezinnen gebeurt het al: ieder zijn eigen rol, alles wat je misschien echt zou willen zijn prijs gevend om maar te blijven passen in de rol die je gegeven is, die je ingenomen hebt en altijd zult blijven innemen, dat is de mens, zo werkt groepspsyche, Norlin zag het al, Norlin ziet het allemaal, dit fenomenale psychologiese inzicht laat het haar allemaal zien.

Veel tijd om naar adem te happen krijg ik niet. Want het kantelt.
Het kantelt.
Het kantelt.

Alle dingen kantelen. Het bos waar De Kolonie zo graag is wordt gekapt, er is iemand die percelen op aan het kopen is, voorlopig weet alleen Ersmo ervan maar de buitenwereld nadert. Een verstuikte voet van Låke had beter behandeld moeten worden, nu loopt hij voor altijd mank. Er is een ongeluk met een motorzaag, iemand moet misschien naar het ziekenhuis, Sara houdt het tegen. Twijfel knaagt en twijfel knaagt harder. En dan komt Emelie. Ja. Die was alweer een beetje overheen mijn horizon getuimeld, maar ze is er nog, ze is misschien niet zo heel erg het hoofdpersonage van het boek maar ze is er nog, ze kampeert nabij, ze heeft de groep al een paar keer gezien, met name ziet ze Låke, hij komt ook wel eens naar haar tent, via haar leert hij voorverpakt voedsel kennen, sjips, koekjes, via hem leert zij vraagtekens te zetten bij die dansende zingende slapende zwemmende mensen in het bos. Vraagtekens zetten is stappen zetten. Tijdens een kort wandelingetje samen komen Låke en Emelie Sara tegen en het eindigt ermee dat Emelie uitgenodigd wordt in hun huis, het huis van Ersmo’s moeder, waar is Ersmo’s moeder, iedereen daar, men eet en drinkt en onderhoudt zich. Ah. Men drinkt allicht een glazeken teveel, Emelie wordt dronken en stipt onbeschaamd de punten aan waar ze moeite mee heeft met betrekking tot De Kolonie, die veelal neerkomen op de manier waarop Låke het soort opvoeding onthouden wordt waar een kind recht op heeft, misschien wel misschien niet beter van wordt.

En het kantelt.
Het kantelt.
Het kantelt tot het uiteen spat.

Wie was het weer die zei dat ontknopingen het zwakke punt van de meeste schrijvers vormen? Ik dacht aan die worden, toen het kantelen ging. Het kantelt steeds. Een boek heeft zomwijlen vele kantelmomenten. Maar er zijn kantelmomenten waarvan je kunt aanvoelen dat ze het einde gaan inluiden. Je leest De Kolonie, en je denkt Misschien zit er wel iets in het leven in zo’n commune, en dan lees je verder en dan stuit je op al die gebeurtenissen en je denkt Nee de uiterste houdbaarheidsdatum van De Kolonie begint te naderen, dit kan geen stand houden, dit gaat rappekens voorbij zijn, maar je kijkt en je ziet dat je nog wel zo’n honderd pagina’s te gaan hebt, of meer, wie weet, je telt niet zo precies want je zit te lezen, en je denkt Waarheen gaat Norlin dit voeren, je denkt Waarmee gaat Norlin al die pagina’s nog vol maken, gaat dit niet te ver uitgerekt worden, zo ver dat het breekt, moest dit niet eerder afgelopen zijn, zoveel muziek is allang afgelopen voordat het voorbij is, wie zei dat ook alweer, jawel dat weet ik nog, Stravinsky zei dat, ontknopingen – het zwakke punt van veel schrijvers. Maar De Kolonie blijft straf tot de laatste pagina. Sommige dingen ga je zien aankomen. Sommige dingen ga je helemaal niet zien aankomen. Je blijft zitten, lezen, Norlins woorden indrinkend tot de laatste punt is gezet.

De Kolonie is als een drug waarnaar je steeds weer terugkeren wil. Het is een ongemeen gelaagd, en bijzonder rijk boek. De taal is fantasties. Annika Norlin is niet alleen schrijver maar ook muzikant en zangerliedjesschrijver; ze weet als geen ander de taal als muziekinstrument te gebruiken. Deze roman zingt, neuriet, zoemt, brult, buldert, meandert en huilt. De poëzie, in woord en vormgeving, gaat door elke huidlaag heen. Maar het kan ook razen, versteld doen staan, onthutsen, vaste grond onder voeten wegslaan, en ontroeren, god ja ontroeren ook. Meermaals gaf dit boek me kippenvel. De eerste keer dat het gebeurde, wist ik niet wat me overkwam. Kippenvel? Van muziek ken ik dat. Hoe meedogenloos muziek daarin zijn kan is me bekend. Talloos vele malen, op de mafste momenten, vanuit de onverwachtste hoeken, heeft een violijnstrijk, een zangstem, een tekstflard, een droefgeestig trompetje, of gewoon gans de mjoeziek geheelderlijk mijn hele lijf vol kippenvel gezet. Maar literatuur? Boeken geven me een traan, een lach, een huiver, een lichte buikpijn, weetikveelwat, maar kippenvel nog nooit. De Kolonie wel. En niet één keer.

Maar er is taal, en hoe ze het gebruikt, en hoe ze het klinken laat als niet vaak tevoren, en er is wat ze ermee zegt. Annika Norlin slingert lezers. Van hot naar her, van de ene emotie naar de andere, tussen zienswijzen, van de ene overtuiging naar de andere. Tot aan het eind toe bleef ik twijfelen. Er is gewoonstleven, misschien in een stad, misschien in een dorp, met baan en huis en partner en kind en alle verplichtingen die dat met zich meeneemt. Niet moeilijk daar bezwaren tegenin te brengen. Norlin brengt dat overtuigend. Ze laat haar verhaalfiguren denken, diskuteren en theoretiseren op een manier die nauwelijks een speld toelaat er tussen te komen. Dat klachten gelijkend op die van burn-out pas begonnen zijn met de uitvinding van de gloeilamp omdat voordien het donker de mens zei dat het tijd was te stoppen met werken, te gaan zitten, en rusten, en slapen. Maar kunstlicht stelde ons pas goed in staat ons dood te werken; misschien is het hoogverheven puriteins arbeidsethos helemaal niet zo natuurlijk, is het een bedenksel van de moderne mens om altijd meer en meer en nog meer te doen dan je eigenlijk zou hoeven doen. En dat de uitvinding van de trein pas echt behoefte aan klokken creëerde omdat er ineens een dwingende reden was om ergens op een bepaalde tijd te zijn. Zijn het jachten en het razen, zijn de stress en de tijdsdruk niet het afwijkende, het bizarre, is het leven zoals dat in De Kolonie vorm krijgt niet eerder “het ware”, “het juiste”? Of zoals Norlin Sagne laat peinzen:

“Misschien was Sagne altijd wel zo geweest, als ze erover nadacht, misschien had ze altijd wel het verlangen gehad buiten de maatschappij te leven, weg van hoe het hoorde, weg van getrouwd moeten zijn en een baan moeten hebben, en naar vergaderingen moeten en kennissen hebben met wie je moest keuvelen.”

Maar is er in De Kolonie dan geen “moeten”? En je beziet het alles, bijvoorbeeld doorheen Józsefs ogen, of doorheen Emelies ogen en je ziet hoe daar, in hun kommune, feitelijk een mini-maatschappij is ontstaan, waarin evenzeer dingen moeten, evenzeer dingen niet mogen, wegen afsloten worden, mensen delen van zichzelf moeten wegcijferen, goede delen, hun beste delen, zich getransformeerd zien in iets wat ze nooit hadden willen zijn. Maar dan nog. Als Emelie, bijna op het einde van het boek, met haar dronken tirade komt, die, vermoed je, wel alles zal openbreken, pareert Sara: “’Wat jij vergeet […] is dat het “normale” leven ook totaal niet logisch is. Waarom eet je met mes en vork, en niet met je handen? Waarom praat je niet met mensen in de bus of de metro? Waarom doe je net alsof die niet bestaan? Waarom vier je kerst als je niet in Jezus gelooft? Waarom hebben we bepaald dat opa één keer per jaar met rode kleren en een muts op zijn hoofd aanklopt? Waarom dansen we niet in Zweden, behalve op sommige plaatsen dan, ’s avonds, als we gedronken hebben? Waarom spreken we in plaats van te zingen? Waarom doen we alsof ons hoofd volledig losgekoppeld is van ons lichaam? Waarom moet iedereen de hele tijd doen alsof? Doen alsof ze normaal zijn, zich ontdoen van die kanten van zichzelf die eruit springen? […] Waarom werkt iedereen zich kapot om geld te verdienen zodat je rijk wordt en vrij kunt zijn? […] We zijn mensen […] Dat geldt voor ons hier en voor jullie daar. We leven maar door. We gebruiken de dingen die ons iets opleveren, en daar gaan we mee door. Het kan de kerstman zijn, of stilzijn. Er zit geen logica in. We hebben geen idee. We steken onze handen in de lucht en zodra er iets langs vliegt wat goed voelt, pakken we het. Zo is de mens.’” en dat is er niet naast, zoveel hout als dat snijdt en zoveel steek als dat houdt, en je begint alweer bijna peinzen dat het leven in De Kolonie het misschien toch nog op punten wint, in ieder geval waar het vrijheid betreft.

Tot ook dat weer kantelt.

Want deze roman is een zoektocht naar een vrijheid die misschien nergens bestaat.
Deze roman stelt zich vragen.
Deze roman slingert.

De lezer. Tussen hier en daar. Dit en dat. Zus of zo.

Hoe de verhaalfiguren te interpreteren, ook dat bleef bij mij zwabberen tot het eind. Zijn alle leden van De Kolonie samen één superorganisme, dan kun je ze haast freudiaans lezen. Aagny zou het Id kunnen zijn, József misschien het superego? Sara het ego? Ik denk, ik zie, ik twijfel. Of: de meeste anderen de stemmetjes van de twijfel die soms knaagt, Sara de grote bek die alles overklast, de anderen tot stilte maant, waarop het superorganisme maar weer een paar stapjes verder kan kruipen.

Ofnee. Komma. Komma. Kom maar. Allemaal gewoon maar mensen.

Wat voor mensen? József de menselijkste mens, zo menselijk dat het haast pijn doet. Aagny is een halve psychopaat, of toch niet, gewoon een altijd misbegrepen vrouw wier ziel onophoudelijk bloedt. Sagne is geen slecht mens, toch?, maar wel een slechte moeder. Kan dat eigenlijk wel? Kan iemand een slechte moeder zijn en toch een goed mens, terwijl degene van wie je de moeder bent van meet af aan in alles volledig afhankelijk is van jou; kan een goed mens wel zo onzorgvuldig omspringen met die hele grote verantwoordelijkheid? Sara leek me door en door manipulatief (en daar kwam dan ook dat obligate indiaverhaal zelfs nog te pas; haar manupilatietechnieken werden ontwikkeld, of toch minstens aangeslepen met hulp van haar goeroe aldaar), alleen maar uit op haar eigen geluk, en dan, toch, weer, later, soms, in gesprekken, bijvoorbeeld met Emelie, vroeg ik me af in hoeverre zij niet ook gewoon maar een mens was dat altijd maar voort en voort sjokt op welke weg er toevallig voor haar voeten kan, kan zijn haar uitstraling helpen, kan zij het helpen dat mensen de neiging hebben naar haar te luisteren, kan zij het helpen dat al die idioten maar achter haar aan blijven lopen waarheen zij ook gaat, en kunnen die andere idioten het helpen dat ze gevangen zijn in haar magnetisme zodat ze wel moeten meebewegen met Sara? En Emelie? Komt die daar de boel een beetje opruien, of veegt ze alleen maar een heel klein beetje zand weg om te laten zien wat daaronder ligt? Is ze alleen maar eerlijk, of is ze de slang die een einde maakt aan het paradijs?

Owja. Dat was ook zoiets. Dat ik in De Kolonie ineens een modern bijbelverhaal dacht te lezen. Over mensen die niet alleen maar in stompzinnige gelukzaligheid willen leven, maar zoeken haar het vermogen zelf te denken. Te weten. Wat er buiten het paradijs is, bijvoorbeeld. Of misschien. Heeft er nooit een paradijs van voor de zondeval bestaan, en de zondeval zelve dierhalve ook niet, geen modern bijbelverhaal maar een herschrijving van de bijbel?

Al deze dingen.

Theologie, sociologie, filosofie. Een studie naar groepsgedrag, een zoektocht naar de menselijke conditie, een traktaat over moderniteit, een vraag naar de (on)mogelijkheid van alternatieve levensstijlen, een bezinning op vrijheid en onvrijheid. Dat alles is De Kolonie. Maar het is ook gewoon een roman. Een roman die me verstomd, ontregeld en ten diepste bewogen achterliet.

Annika Norlin De Kolonie

De Kolonie

  • Auteur: Annika Norlin (Zweden)
  • Soort boek: Zweedse roman
  • Origineel: Stacken (2023)
  • Nederlandse vertaling: Marika Otten
  • Uitgever: Uitgeverij Mozaïek
  • Verschijnt: 15 oktober 2024
  • Omvang: 384 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 23,99 / € 16,95
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de roman van Annika Norlin

Emelie is de stad ontvlucht en trekt naar de Noord-Zweedse bossen. Daar stuit ze op een bijzondere groep van zeven mensen. Eén is de spil van de groep, een ander het kind dat door de groep grootgebracht wordt en een derde is betoverend knap. Allemaal dragen ze hun eigen geschiedenis mee.

Emelie voelt zich aangetrokken tot de Kolonie en begint haar eigen keuzes te heroverwegen. Zou het niet fijn zijn om los van de maatschappij en alle verwachtingen te leven? Maar wat gebeurt er als haar komst alle onderlinge passies en spanningen doet oplaaien?

De Kolonie is een verleidelijke en diep ontroerende roman over liefde, machtsspelletjes en de complexe dynamiek van menselijke relaties.

Annika Norlin is geboren op 22 november 1979 in Östersund, Zweden. Ze is muzikant songwriter en romanschrijfster. Haar debuutroman De Kolonie werd met meerdere prestigieuze prijzen bekroond.

Bijpassende boeken en informatie

Slobodan Snajder – De engel van het verdwijnen

Slobodan Snajder De engel van het verdwijnen recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe roman van de Kroatische schrijver. Op 22 oktober 2024 verschijnt bij uitgeverij Wereldbibliotheek de Nederlandse vertaling van de roman Anđeo nestajanja van de uit Kroatie afkomstige schrijver Slobodan Snajder. Hier lees je informatie over de inhoud van de roman, de schrijver, de vertaler en over de uitgave.

Slobodan Snajder De engel van het verdwijnen recensie van Tim Donker

De Grote Europese Roman, bestaat dat? Ik bedoel het soort boek dat men “episch” of “monumentaal” pleegt te noemen; het soort boek dat de tijd of de wereld of het volk of de mensen bij het nekvel wil nemen; politiek-historisch; een “ideeënroman” (ideeënroman!, hoor mij bezig); veellagig en ontzagwekkend en existentialistisch en groots en een mijlpaal in de literatuurgeschiedenis? Vuistdik, klein lettertiep, meestal, om één of andere reden, gesitueerd op ergens een platteland in ergens een onherbergzaam gebied en zich uitstrekkend over vele generaties? Ja. Dat bestaat. En almeteens ga ik dit van mijn hart moeten krijgen: ik moet daar niet zoveel van weten. Mijn bewondering voor schrijvers die altijd maar weer over het Al willen schrijven, of toch over zoveel mogelijk valt in het niet bij mijn bewondering voor schrijvers die me met Niets, of toch met zo weinig mogelijk, honderden pagina’s lang geboeid weten te houden. Er moet een boek zitten in elk klein steentje dat voor uw voordeur ligt (echt waar, open uw deur, ga kijken) en er zit zeker weten een fantastisch boek in het kraken van de meubels ’s nachts zoals António Lobo Antunes nog maar pas geleden op prachtvolle wijze bewezen heeft. Er zit iets megalomaans in de ambitie je woorden een universele geldigheid mee te willen geven, een megalomanie die mij vaker afstoot dat aantrekt.

Er zijn wel uitzonderingen mogelijk op deze regel. Natuurlijk. Op elke regel zijn uitzonderingen mogelijk, altijd weer. Net daarom dat ze zo sterk is: bitter weinig heeft immers universele geldigheid. Ik bedoel, stel dat je in Zagreb woont. Helemaal in dat gekke Kroatië. Waar je niet eens stokoud hoeft te zijn om al drie grote omwentelingen meegemaakt te hebben. Waar staatsvormen continu in beweging lijken te zijn. Was het Joegoslavië, was het de socialistische heilstaat, was het onafhankelijke Kroatië, moest je alles veil hebben voor het een of even later toch weer voor het andere? Wat Rick Zaal een Echt Land noemt; vergeven van “echte gebeurtenissen”; waar het sociale en het politieke doorwerkt tot in de ziel van elke burger, waar ook de steentjes voor uw voordeur niet langer neutraal zijn. De gekte van een diergelijke omgeving kan misschien alleen vorm krijgen in een Grote Europese Roman. En met De engel van het verdwijnen heeft Slobodan Šnajder die allicht geschreven.

Misschien gaat het -naast over Zagreb- nog wel het meest over Anđa Berilo. Als baby werd ze gevonden in een koffiebonenzak, al wees groeide ze op, als vrouw maakte ze genoeg mee om drie mensenlevens mee te vullen. Ze vocht aan de zijde van de Partizanen, ze vond liefde, ze verloor verschillende mensen die haar na waren, misschien was ze zieneres, misschien heilig, misschien een heks, ze werd op haar beurt moeder van een wees, en misschien stierf ze meerdere keren.

Misschien een ander misschien.

Misschien gaat het nog of ook of meer -want wie is te zeg waar de nadruk op gelegd dient te worden- over het kind Magus. De magiër. Het kleine grote mens. En de beelden die hem doorstromen, de visioenen. Die eeuwen leefde. Voor het eerst sprekend in 1563. De pest in Zagreb. Toen de mensen op karren werden gegooid en afgevoerd. Eeuwen later is Magus er nog steeds, of weer, en altijd maar dingen ziend, hij sterft als hij van het balkon wordt gegooid door een agent die joden kwam halen, niet ongelijk de scene met de pestepidemie, mensen worden afgevoerd in een vervoermiddel, zo gaat dat in tijden van ontmenselijking, maar zijn er ooit andere tijden, al deze ellende is nog niet genoeg, want Magus wordt ook de gaskamer niet bespaard, de ijslijkste en huiveringwekkendste gaskamerscéne die ik ooit las, al moet ik daarbij onmiddellijk aantekenen dat ik niet bijzonder veel gaskamerscénes gelezen heb in mijn leven, want oorlogsromans hebben mijn aandacht niet meteen, misschien vanwege mijn afkeer van wat ik monumentalisme noem, een gemakzuchtig monumentalisme ook nog eens want in oorlogen is het vaak iets te helder wie de goeden en wie de slechten zijn.

Of misschien ook misschien.

Er is nog een focalisator in dit boek. Een huis wordt sprekend, denkend, ervarend opgevoerd. Het huis met zijn bewoners. Het kind Magus, Anđa Berilo, professor Gravanić, de komende mensen, de gaande mensen, hoe het huis meeleeft met al zijn bewoners, houdt van al zijn bewoners, kijkt en luistert naar al zijn bewoners. Het kan zijn dat het kan zijn maar het kan ook zijn dat het niet kan zijn dat dit huis de feitelijke hoofdrolspeler is in dit boek, wie is te zeggen waar de nadruk op gelegd dient te worden, wat haal je uit een roman die golft, hort, en stoot?

Huizen die tot u spreken, onsterfelijke kinderen, zieners, heilige heksen – als u nu echter peinst dat De engel van het verdwijnen een surrealistische roman is, een modern sprookje, of -erger nog- esoterisch gekwezel, raad ik u aan vlug iets anders te peinzen. Šnajder splijt ons luie brein met een historische vertelling die plaats biedt aan vele -elkaar eventueel uitsluitende- werkelijkheden. Hoe dat mogelijk is, moet je maar eens aan Markus Gabriels vragen.

Mensen die echt waren in tijden, dingen die echt waren in tijden, gebeurtenissen die echt waren in tijden, tijden die echt waren in tijden. Pest en katholieken en Duitsers en Serviërs en oorlog en Russen en treinen en Josip Broz, de maarschalk, Tito. Dingen die bestonden en bestaan in tijden.

De viool van Paganini. De mannen in het sanetorium. Welkom thuis, sanetorium. Hoe het alles paste bij een vroege ochtend met koffie en met The way I’m sick van Dakota Suite. Hoe ziek het land. Hoe ziek de oorlog. Hoe ziek de wereld. Hoe ziek de mens. Mort & tod & dood & smrt, volgens Fransen een vrouw volgens Duitsers een man, grundlich je denkt (& even een lach), een klein tractaat over zelfmoord van een artilleriekapitein die nog een kennis van Breton was (Breton bestond), of ook een overzicht van een fenomenologie van het irrationele, dingen die je wel zou willen lezen je denkt (& even een knik).

Wat is wat ik bedoelde met dat horten en stoten. De geschiedenis zelf, ze hort. De geschiedenis zelf, ze stoot. De geschiedenis is een spiegel waarin je de geschiedenis kunt zien, zulke wagens als die de pestlijders kwamen halen waren zulke wagens als die de Joden kwamen halen, zulke wagens bestonden, zulke wagens bestaan, zulke wagens zullen bestaan, Šnajder laat dit spiegelen straf zien, hij is niet de eerste en hij is ook niet de indringendste maar hij doet het niettemin op overtuigende wijze in een boek dat fragmentarisch genoeg is om interessant te blijven – de opeenvolgende paragrafen staan eerder in associatief dan in oorzakelijk verband met elkaar.

In een altijd overal Zagreb.

In een altijd overal.

In de trein van ergens naar ergens, van Belgrado naar Ljubljana, de Blauwe Trein, zit verzameld gans Tito’s naoorlogste kabinet. Het is de luxetrein van de Joegoslavische regering. Vervoerd wordt een doodskist met daarin de aan leukemie overleden Boris Kidrič (Boris Kidrič bestond). Revolutionair, aanvoerder van de partizanen, strijder tegen nazistisch Duitsland en fascistisch Italië, minister van industrie, bedenker van een vijfjarenplan om Joegoslavië te industrialiseren (Italië bestaat, fascisme bestaat, industrialisatie bestaat). Het kabinet zit rond de kist in het salonrijtuig. Men zit men gebaart men onderhoudt zich men rookt (asbakjes op de kist) men praat over dood, over deze wereld als enige wereld, over (het niet-bestaan van) geesten, over religie als hypnose (massapsychose) (en metempsychose denk je) (en met een pik hozen denk je), over wat er is na dit leven, en Niets!, zegt Eduard Kardelj, alias Bevc, alias Sperans, maar dat is toch niet geheel naar de zin van de maarschalk, die zich ineens ontpopt als een Ietser (mier bleek een Ietser, wat me een beetje van hem tegenviel) (iets moet er zijn omdat er iets moet zijn) (want niets is verschrikkelijk) (nee niets is niets) (het niets nietst).

De mensheid als abstactie?

Christus als zelfmoordenaar?

Toch maar een ideeënroman dan?

Proef ik toch ergens in de verte wel een ongetwijfeld nietzscheaans geïnspireerd nihilisme. Want socialisme, christendom, democratie en wat dat uitmaakt? Niets. Het is alles een aaneenschakeling van dogma’s. En als het dogma wil dat we radiatoren zien waar er geen zijn, dan zien we radiatoren. Ook als ze er niet zijn. Wat bedoelt dat besprekerken daar nou weer mee? Ach ga dit boek toch lekker zelf lezen man. Elke staatsvorm, elk allesoverkoepelend Idee presenteert zichzelf als de Grote Verlossing uit het Kwade (lees er Ten Bos anders maar eens op na) (ja, doe) (Ten Bos er op na lezen bedoel ik). Maar om er in mee te gaan zul je altijd radiatoren moeten zien waar ze niet zijn (wie zou bijvoorbeeld het fascisme al uit de achterhoek hebben zien komen?) (maar toch: als ze ergens radiatoren zagen waar die niet waren dan was het klaarblijkelijk daar wel).

Šnajder weet de afgrijselijkste waarheden steeds opnieuw te koppelen aan mythologie en religie (de socialistische heilstaat als het nieuwe christendom, waarin God werd ontheven van de vermoeiende taak de wereld te scheppen – dat was voortaan een taak van de Arbeider), want “de verbeelding gaat vaak aan iedere logica voorbij, maar die mist dan weer elke fantasie”, verweeft dit zo sterk dat metafysica niet meer van fysica te onderscheiden valt, of, misschien, van meet af aan hetzelfde is (hoe dat kan moet je maar aan Markus Gabriels vragen). Als Anđa sterft (op de begraafplaats) (zelfmoord mislukt) (de haak had haar nochtans sterk vermagerde lichaam niet gehouden) verschijnen aan de hemel de ruiters van de Apocalyps. Met Tito als vijfde ruiter! Maar een man op een paard aan de hemel, dat kan ook een centaur zijn, toch? Maar een centaur aan de hemel, dat kan ook gewoon maar Alpha Centauri zijn, de hoofdster van het sterrenbeeld Centaur.

Šnajder zingt, preekt, vertelt, toont, doceert, legt uit en verontrust. Ja. De engel van het verdwijnen is een veelkantige roman. Een uiterst gelaagd epos. Een monument en een dingens. Alles wat een boek een Grote Europese Roman kan laten zijn. Een onderhoudende leeservaring, die misschien net een weinig te lang doorkwakkelt: wordt het orgelpunt gezet, zijnde de grote zwarte bol, voorstellende de sloopkogel waarmee het huis aan de Ilica -een van de hoofdrolspelers in dit boek- gesloopt wordt, wat meteen ook als punt achter de vertelling kan fungeren (wat nog vrij expliciet benoemd wordt door Šnajder) (en dat is een beetje zwak, toch, dat is een beetje zoals een mop uitleggen, toch) (o hoe erg om zoiets te vergelijken aan een mop) (hoe plat) (enfin), gaat het daarna toch nog weer even door met de Oligarch die tien keer op een dag dineert want hij eet voor de armen en baadt in een met smaragden ingelegde badkuip want hij baadt voor de daklozen dus iedereen dient deze man te eren. Wat wel grappig was, op een wrange manier dan, maar hier, waar het als een soort postscriptum fungeert wat misplaatst lijkt. De schrijver als het soort gast dat maar niet van het podium te slaan is, iedere keer weer terug komt met een nieuw verhaal, een volgende observatie, of nog een klein vertellinkje om het af te leren.

Hoe groots De engel van het verdwijnen ook is, verpletteren deed het me niet. Daar vond ik het allemaal toch net een beetje te bedacht voor. Bijzonder goed bedacht, dat wel. Maar bedachtheid is vaak statisch. Het blijft in het boek. De hand die uit de pagina’s omhoog kan komen om de lezer bij de strot te grijpen, blijft dan uit. Voor wie niet gewurgd wenst te worden tijdens het lezen echter een meer dan prima boek.

Slobodan Snajder De engel van het verdwijnen

De engel van het verdwijnen

  • Auteur: Slobodan Snajder (Kroatië)
  • Soort boek: Kroatische historische roman
  • Origineel: Anđeo nestajanja (2023)
  • Nederlandse vertaling: Roel Schuyt
  • Uitgever: Wereldbibliotheek
  • Verschijnt: 22 oktober 2024
  • Omvang: 416 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 27,99 / € 14,99
  • Boek bestellen bij:  Bol / Libris

Flaptekst van de nieuwe roman van de Kroatische schrijver Slobodan Snajder

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog komt in een huis in Zagreb, een mooi, intelligent meisje als dienstbode werken. Anda komt uit de bergen en zal gedurende de moeilijke oorlogsjaren alles ontdekken over haar werkgevers – de een eindigt in een concentratiekamp, de ander zal zich aansluiten bij de Kroatische nationalisten, en weer een ander zal genezing zoeken in een sanatorium.

De engel van het verdwijnen van Slobodan Šnajder is een groots en meeslepend historisch epos, door de schrijver opgedragen aan de stad Zagreb en haar bescheiden helden. De lotgevallen van Anda Berilo zijn die van een volk en van een stad; ze vormen het verhaal over al degenen die in idealen blijven geloven, ook als ze daarin diep worden teleurgesteld.

Slobodan Snajder (8 juli 1948, Zagreb, Kroatië) studeerde Engels en filosofie voordat hij zich toelegde op het schrijven. Hij geldt als een van de grootste moderne Kroatische schrijvers, en wordt nu eindelijk ontdekt in het buitenland.

Slobodan Snajder De reparatie van de wereld RecensieSlobodan Snajder (Kroatië) – De reparatie van de wereld
Kroatische historische roman
De reparatie van de wereld is een grote historische roman en een tragische liefdessaga. Hij beschrijft het lot van een vrouw en een man die voor elkaar bestemd leken te zijn. Maar op de na-oorlogse puinhopen van Midden-Europa ontkomt niemand aan de last van het verleden…lees verder >

Bijpassende boeken en informatie

Mats Strandberg – Pestbloemen

Mats Strandberg Pestbloemen recensie en informatie over de inhoud van de gothic young adult roman die zich afspeelt in de zeventiende eeuw. Op 23 oktober 2024 verschijnt bij Uitgeverij Blauw Gras de 11+ gothic roman van de uit Zweden afkomstige schrijver Mats Strandberg met illustraties van Elin Sandström. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de schrijver, de vertaalster en over de uitgave.

Mats Strandberg Pestbloemen recensie van Jolien Dalenberg

Magdalena en haar zusje Ebba worden door hun vader naar tante Katharina gestuurd, als hun moeder door de pest komt te overlijden. Het kasteel van hun tante is een sombere plek, en ze worden bepaald niet warm ontvangen. Tante Katharina is een kille vrouw, die het geloof gebruikt om angst te verspreiden. De meisjes worden wreed behandeld. Er lijken geheimen in het kasteel rond te waren. Waarom hebben ze de stiefzoon van hun tante nooit ontmoet? Wat is er gebeurd tussen hun moeder en hun tante?

Duister, donker en magisch. Dat is de korte samenvatting van Pestbloemen. Verteld vanuit het perspectief van Magdalena, die daarvoor het geknipte personage is. Als oudste zus probeert ze haar kleine zusje te beschermen. Ze is sterk en weet de geheimen van haar familie te ontrafelen. Haar gedachten nemen je mee alsof je naast haar door het kasteel dwaalt. Strandberg weet zo levendig te schrijven, dat je haar wanhoop, angst en pijn voelt. Maar ook haar kracht, haar drang om te leven.

Het verhaal blijft je verrassen, Strandberg heeft meerdere wendingen voor je in petto die het meer dan interessant maken om verder te lezen. Hoewel de toon van het verhaal vrij donker is, zijn er Gelukkig genoeg lichtpuntjes. Vriendelijke mensen en bijzondere vriendschappen geven het verhaal de nodige lucht. Hierdoor wordt het nog sterker en wil je het helemaal niet meer wegleggen. Gewaardeerd met ∗∗∗∗ (uitstekend).

Mats Strandberg Pestbloemen

Pestbloemen

  • Auteur: Mats Strandberg (Zweden)
  • Illustraties: Elin Sandström
  • Soort boek: young adult, gothic (11+ jaar)
  • Nederlandse vertaling: Femke Muller
  • Uitgever: Uitgeverij Blauw Gras
  • Verschijnt: 23 oktober 2024
  • Omvang: 208 pagina’s
  • Uitgave: gebonden boek / ebook
  • Prijs: € 16,99 / € 9,99
  • Waardering redactie: ∗∗∗∗ (uitstekend)
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman van de Zweedse schrijver Mats Strandberg

Een gothic novel waarin je niet kunt stoppen. Mats Strandberg doet twee dingen tegelijk: hij geeft zijn personages diepte, én hij bezorgt ons een pageturner.

Het is 1710. In Stockholm heerst de pest, en Magdalena (15) en haar zusje verliezen hun moeder. Ze worden naar het platteland gestuurd. Daar leert  Magdalena Axel kennen. Maar leeft hij wel? Waarom ziet niemand anders deze raadselachtige jongen Magdalena ontdekt familiegeheimen die haar leven op zijn kop zetten. Maar dan wordt ze zelf ziek.

Mats Strandberg (23 oktober 1976, Västanfors, Zweden) schrijft voor jong en oud, vaak in het horrorgenre. Hij wordt gelezen en geprezen vanwege zijn plotbeheersing en zijn geloofwaardige personages – zoals  bijvoorbeeld in zijn overweldigende  young-adultroman Het einde, die ook bij Blauw Gras zal uitkomen.

Elin Sandström (1988) maakte spannende zwart-wittekeningen voor dit boek. Ze woont net buiten Stockholm, werkt sinds 2012 als illustratrice en debuteerde in 2023 ook als auteur met een eigen titel.

Bijpassende boeken en informatie