Categorie archieven: Recensie

Elvin Post – Een aardig meisje

Elvin Post Een aardig meisje recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe Nederlandse thriller. Op 8 oktober 2024 verschijnt bij Uitgeverij Ambo | Anthos het nieuwe boek van de Nederlandse thrillerschrijver Elvin Post. Hier lees je informatie over de inhoud van de thriller, de schrijver en over de uitgave.

Elvin Post Een aardig meisje recensie en informatie

Dat Elvin Post inmiddels behoort tot een de selecte groep van uit stekende Nederlandse thrillerschrijvers zal bij de liefhebber van het genre ongetwijfeld bekend zijn. Maar het het niveau vasthouden dat is een uitdaging en lang niet altijd vanzelfsprekend. Toch lijkt Post er elke keer opnieuw in te slagen.

Ook zijn nieuwste thriller is zeer geslaagd. Het verhaal is klein en speelt zich af in een klein complex met zes in Rotterdam. Achter de voordeur spelen zich de levens af die met elkaar verweven raken. Bovendien spelen zaken als huiselijk geweld, pesten, overspel en sterfelijkheid een noodlottige rol.

Elvin Post bouwt zijn verhaal en plot op zeer kundige wijze door de bewoners elk hun verhaal te laten doen. Perspectiefwisselingen en plotwendingen krijgen op natuurlijke wijze de ruimte. Hierdoor ontspint zich een een spannend en uitstekend geschreven verhaal dat boeit, kwaad maakt en zelfs ontroert. De thriller is gewaardeerd met ∗∗∗∗ (uitstekend).

Elvin Post Een aardig meisje

Een aardig meisje

  • Auteur: Elvin Post (Nederland)
  • Soort boek: Nederlandse thriller
  • Uitgever: Ambo | Anthos
  • Verschijnt: 8 oktober 2024
  • Omvang: 344 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook / luisterboek
  • Prijs: € 23,99 / € 12,99 / € 14,99
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris
  • Waardering redactie: ∗∗∗∗ (uitstekend)

Flaptekst van de nieuwe thriller van Elvin Post

Een aardig meisje van Elvin Post is een spannende whodunit waarin je continu op het verkeerde been wordt gezet. Megan Smit is een aardig meisje. Helaas is het leven tot nu toe niet zo aardig voor háár. Op jonge leeftijd verloor ze haar vader, ze liep haar gedroomde carrière als filmactrice mis en haar moeder wil maar niet begrijpen waarom ze een einde maakte aan de disfunctionele relatie met haar ex-vriend Rex. Wanneer Megan een nieuw appartement betrekt in Rotterdam, lijkt het leven haar eindelijk toe te lachen. Lijkt. Want nog geen vijf maanden later ligt haar buurman dood in het trappenhuis en wordt ze beschuldigd van moord.

Is Megan onschuldig, zoals ze beweert, of liegt ze en is ze opgehouden een aardig meisje te zijn?

Elvin Post (25 november 1973, Rotterdam) won met zijn debuut Groene vrijdag (2004) direct de Gouden Strop. Het was het veelbelovende begin van een rijk oeuvre, met als recentste thrillers De cursus en Breek punt. Hij oogstte de afgelopen jaren ook succes met zijn youngadultboeken. Het werk van Post is uitgegeven in het Duits, Frans, Spaans, Turks, Hebreeuws, Arabisch en Indonesisch.

Bijpassende boeken

Eveline Baar – De Gouden IJscoupe

Eveline Baar De Gouden IJscoupe recensie en informatie over de inhoud van het kinderboek over Italië voor lezers van 10+ jaar met illustraties van Karin van der Vegt. Op 11 juni 2024 verschijnt bij Uitgeverij Volt het nieuwe zomerse kinderboek over Italiaans ijs van schrijfster Eveline Baar. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de schrijfster en over de uitgave.

Eveline Baar De Gouden IJscoupe recensie van Jolien Dalenberg

Vito zijn vader is ijsmaker. Het is de bedoeling dat Vito later de zaak zaak overnemen en zijn vader op zal volgen als ijsmaker. Alleen… dat ziet hij eigenlijk niet zo zitten! Ja, hij houdt van ijs, en hij helpt ook echt wel mee als hij vrij is. Maar hij wil liever andere dingen doen. Nieuwe smaken bedenken bijvoorbeeld. Als zijn vader weigert mee te doen aan de jaarlijkse wedstrijd om de Gouden IJscoupe, bedenkt Vito een plan. Geholpen door snippers uit het verleden van zijn plotseling verdwenen opa en zijn beste vriendin Aiko, gaat hij in Italië op zoek naar het oudste ijsrecept. Alleen, er zijn kapers op de kust. Een andere familie ijsbereiders probeert ze te slim af te zijn en het recept vinden. Of te stelen.

Het verhaal is duidelijk met ontzettend veel liefde geschreven. Dat blijkt ook uit het nawoord, waarin Eveline Baar vertelt over haar tijd als zaterdag hulp bij een ijssalon in Amersfoort, en hoe ze daar onderdeel werd van de familie. Dat gevoel van één grote familie komt in het verhaal sterk naar voren. De saamhorigheid, het kopje koffie of de pan pasta die altijd klaar staat, maken dat extra voelbaar. Vito, zijn oma en zijn beste vriendin Aiko worden overal met open armen ontvangen.

De Gouden IJscoupe brengt ook het nodige avontuur met zich mee. De sporen die ze terugvinden van opa, een andere familie die ze telkens dwars zit, geven het verhaal een spannend tintje. Er is een prettige balans tussen de zoektocht naar het recept, en de innerlijke reis van Vito – die liever niet in de voetsporen van zijn vader wil treden. Maar wel graag gezien wil worden voor wie hij is.

Een mooi verhaal, dat je ook nog eens meeneemt op ontdekking door Italië, gewaardeerd met ∗∗∗∗ (uitstekend).

Eveline Baar De Gouden IJscoupe

De Gouden IJscoupe

  • Schrijfster: Eveline Baar  (Nederland)
  • Soort boek: kinderboek 10+ jaar)
  • Uitgever: Uitgeverij Volt
  • Verschijnt: 11 juni 2024
  • Omvang: 212 pagina’s
  • Uitgave: gebonden boek
  • Waardering redactie: ∗∗∗∗ (uitstekend)
  • Boek bestellen bij: BoekenwereldBol

Flaptekst van het kinderboek over Italië van Eveline Baar

Een zomerse zoektocht naar het oudste recept voor Italiaans ijs.

Vito woont met zijn familie boven hun ijssalon. Als de uitnodiging voor de belangrijkste ijswedstrijd van het jaar wordt bezorgd, verandert alles. Om de vijftigste Gouden IJscoupe te winnen, moet Vito’s vader het oudste recept voor Italiaans ijs ooit maken.

Vito verzamelt al zijn moed en gaat op zoek naar het recept, samen met zijn beste vriendin en zijn oma. Wint zijn familie na al die jaren dan eindelijk De Gouden IJscoupe? En wat heeft opa’s verdwijning lang geleden met de wedstrijd te maken?

Ga mee op reis door Italië in dit warme verhaal over vriendschap, familie en mogen zijn wie je bent.

Bijpassende boeken en informatie

Laura Broeckhuysen – Magnetisch middernacht

Laura Broeckhuysen Magnetisch middernacht recensie en informatie over de inhoud van de Nederlandse IJslandse roman. Op 1 oktober 2024 verschijnt bij uitgeverij Querido de nieuwe roman van Laura Broeckhuysen.

Laura Broeckhuysen Magnetisch middernacht recensie van Tim Donker

Stel je voor. Je bent een kind, bijna puber misschien. Je hebt nooit geweten wie je vader is want je moeder voedt je op, en je moeder is ziekelijk, en je moeder kan het niet alleen, en je moeder zoekt een man, altijd zoekt je moeder een man, altijd gaat je moeder samenwonen met een man, steeds een andere man, voor jou een ander misschien in de vaderrol, en al snel maakt je moeder ruzie met de man, maakt je moeder ruzie met iets als een vader, dan gaat ze weer, dan gaat ze verder, neemt jou mee, en zo ga je, heel je jeugdige leven entlang, samen met je moeder van man naar man, en nooit blijf je ergens, en nooit woon je ergens lang genoeg om er gewend te kunnen raken, nooit is het iets als thuis, en nooit iets als een echte vader.

Stel dat het op een dag weer zo ver is. Er is een man met een baard en hij heet Snorri en waarschijnlijk is dat alleen in het Nederlands grappig. Snorri komt jullie halen. Je moeder en jou. Je weet niet waarheen het dit keer gaat maar dat weet je nooit. De toch is lang en gaat door onherbergzame streken. Bergen. IJs. Wind. Het sneeuwt. Het sneeuwt hard. Het sneeuwt zo hard dat heel dat IJslandse landschap zijn diepte verliest en tweedimensionaal lijkt te worden. Je waarschijnlijk wederom maar tijdelijk vader bromzingt aan het stuur: bijna bijna bijna thuis, maar jij weet niet wat bijna is en je kunt je eigenlijk al niks meer voorstellen bij het woordje “thuis”. En als je er dan uiteindelijk inderdaad zijn, blijken jullie helemaal nergens te zijn.

Kan je deze nieuwe woning wel een huis noemen? Het is misschien eerder een bouwseltje. Het ruikt er raar. Alles is oud, en wrak, en niet erg schoon. Het onderkomen is gebouwd op een beek, die stroomt gewoon dwars door de kelder. Dus overal vocht. Overal rotting. Overal schimmels. De nieuwe tijdelijke vader heeft al een kind. Loke. Is het een meisje met een jongensnaam? Of een jongen in een jurk? Vader Snorri verwijst naar Loke met “hij”; moeder, Herdís, die pas later op zal duiken, houdt het op het genderneutrale “hen”. Zelf denk je maar aan Loke als je “sibbeling”.

Dat zijn je nieuwe verwanten.
Dat is je nieuwe thuis.
En dit is je nieuwe omgeving:

“Dorp” is misschien al teveel gezet. Veel meer dan een nederzetting is het niet. Alles is stijf bevroren in de winter, er is nauwelijks iets te eten, en vrijwel niks te doen. Er is een buurman die graag drink, Þor heet hij. Týr is schipper, voor hem moet je oppassen, hij lijkt niet te vertrouwen. Er is een groepje dat vriendelijk lijkt maar het misschien niet is – iedereen noemt ze Niemands vrienden. Er is een meisje dat werd dood gewaand door sommigen maar nog verrassend levend lijkt in de ogen van anderen: een modderstroom zou Iđounn met en huis en familie en al in zee hebben doen belanden maar toch wordt ze steeds gezien op de helling, waar ze schildert, waar ze loopt, waar ze leeft.

Ja stel je dat eens voor.
Kun je?
Pippa kan het. Het is haar leven.

Met Magnetisch middernacht heeft Laura Broekhuysen een vervreemdende roman geschreven waarvan de sfeer lastig te typeren is. “Surrealistisch” of “sprookjesachtig” dekken de lading niet ganzelijk al had ik zulks wel gepeinsd na lezing van het achterplat. Dat had me wat huiverig gemaakt. IJsland, dode meisjes, sneeuw, miks het met hersenschimmen en gekte, maak het af met wat plaatselijke mythologie – het leek me een wat gemakzuchtige manier om sfeer te maken. Het clausterfobiese van continue sneeuwval, dingen zien die er misschien niet zijn, de volksverhalen, de mystificatie jajaja. Het soort roman waarin je nooit volledig kan geloven in wat je net gelezen hebt jajaja. Ik denk dat wij die film ook gezien hebben. Naar het mysterie is niet zozeer of Iđounn een al half verwilderde wees is die tegen alle waarschijnlijkheid in als enige in haar familie de modderstroom heeft overleefd of toch louter een fantoom – een groepshallucinatie?-; nee het mysterie is het leven zelve. Mensen. Volwassenen. De geheimen die ze voor elkaar en voor hun kinderen hebben. Hoe ze omgaan met elkaar. Hoe liefde werkt. Wat ouderschap is. Hiërarchieën. Hoe onderlinge verstandhoudingen groeien in een (kleine) dorpsgemeenschap. De pscyhologie van de van de buitenwereld afgesnedenen.

Psychologie.
Daar zeg je het.

Dit lijkt me voor alles een psychologische roman.

Het Goede Ding, het Heel Erg Goede Ding, is, om te beginnen, dat Broekhuysen de geniale ingeving heeft gehad om het verhaal te vertellen vanuit het standpunt van Pippa. Hoe gemakkelijk was het geweest om Loke als verteller aan te wijzen? Of Herdís, ja? Of voor mijn part Iđounn. Dan had je drie andere romans gehad. Drie mindere romans, als u het mij vraagt.

Via Pippa wordt de lezer een medereiziger: hij weet net zoveel als zij, en deelt in haar af en toe tegen verbijstering aan schurkende verwondering. Is Loke een jongen of een meisje. Wanneer ze Lokes naakte lichaam een keer te zien krijgt, brengt dat geen duidelijkheid en de voornaamwoorden die beide ouders voor Loke reserveren, zeggen ook niks. Waarom komt Lokes moeder alleen in de lente? Waar is zij de rest van het jaar? Wat voor machtsspelletjes worden er gespeeld tussen Herdís, Snorri en Oddný (de moeder van Pippa)? Kan Snorri een vader zijn, hoe vul je het vaderschap op, wat is daar voor nodig? Is Loke als “sibbeling” iemand om gehecht aan te raken? Is het goed, of slecht om aan iemand gehecht te zijn? Hoe lang heeft Oddný nog te leven? Waarom davert de grond in de dorp steeds en waarom doet iedereen daar zo nonchalant over? Wat voor types zijn die dorpelingen nu eigenlijk? Wat is dat met die wolf waar iedereen het over heeft? Waarom zitten er alleen maar vrouwen op alle (belangrijke) posten in het dorp en waarom komen de mannen die tot voor kort op die posten zaten steeds samen in de sporthal, een beetje murmelend alsof ze nog steeds belangrijke kwesties met elkaar bespreken, nog immer forse knopen door dienen te hakken? Wie is er te vertrouwen en wie niet? Wat is er aan de hand met dat meisje op de helling en waarom moet ze uit het zicht van Herdís gehouden worden?

Magnetisch middernacht snijdt veel aardsere -en aktuelere!- thema’s aan dan je in eerste instantie verwachten zou: gender, ecologie, feminisme, ouderschap, verantwoordelijkheid, arbeid, scholing, zorg, alternatieve leefwijzen. Maar doordag Pippa -en dus de lezer!- op al haar vragen slechts langzaamaan antwoorden krijgt, behoudt het heel het boek doorheen dat heerlijk vervreemdende sfeertje. Noem het dromerig. Of, kan ook: poëtisch. Als je je bedenkt dat een zin als “Niemands vrienden staan in de sauna elkaars oogbollen te betasten” in de kontekst van deze roman volstrekt logisch is, weet je meteen hoe het met het dichterlijk gehalte van Magnetisch middernacht gesteld is. Bovengenoemde kwesties worden dan ook eerder bezongen dan aan de kaak gesteld – de vrees dat het om een aktivisties boekwerk zou gaan, kan ik hiermee meteen wegnemen. Mogelijkerwijs dat alleen het gekonkel tussen Oddný en Herdís een beetje detoneert met Broekhuysen bijna hallucinante schrijfstijl. Je kunt dat jammer vinden: ontwaken je warmige slaap en zoals elke ochtend helaas moeten vaststellen dat de wakende werkelijkheid toch altijd net weet een paar graadjes kloteriger is dan de droomwerkelijkheid. Maar anderzijds is het niet veel schrijvers gegeven om op tamelijk natuurlijke wijze twee tegengestelde registers tegelijk open te zetten.

Wanneer het op het eind zegt dat ook de sneeuwvlokken waar geen naam voor gevonden is gewoon vallen, denk ik: oké taal is misschien niet de regisseur van elk fenomeen. Maar in Magnetisch middernacht is het juist wel de taal die mijn bloed sneller doet stromen.

Laura Broeckhuysen Magnetisch middernacht recensie

Magnetisch middernacht

  • Auteur: Laura Broeckhuysen (Nederland)
  • Soort boek: Nederlandse IJsland roman
  • Uitgever: Querido
  • Verschijnt: 1 oktober 2024
  • Omvang: 192 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 22,99 / € 13,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de IJsland roman van Laura Broeckhuysen

Nog lang na de lawine blijft Loki’s moeder hun buurmeisje Iðunn zien. Iðunns huis is met bewoners en al in zee geschoven, haar naam staat op de gedenksteen. Als Loki’s moeder blijft geloven dat Iðunn nog leeft, haar blijft zoeken en niet opgeeft, wordt zij door haar man naar een psychiatrische kliniek gebracht.

De androgyne Loki krijgt een nieuwe moeder; samen met haar dochter Pippa vormen ze een nieuw gezin. Tot de kinderen op een dag een meisje zien, op de helling, even beige als het gras, met haren als takken en de oogopslag van een dier.

Zoals IJslandse familiegeschiedenissen verstrengeld zijn met mythen en sagen, zo fungeert de Edda in deze roman als een magnetisch veld, waarmee niet alleen het verhaal maar ook de taal aan zwaartekracht wint.

Laura Broekhuysen (23 april 1983) is schrijver en violist, en studeerde viool aan het Conservatorium van Amsterdam. Over haar emigratie naar IJsland schreef zij de veelgeprezen boeken Winter-IJsland en Flessenpost uit Reykjavik. Haar proza werd genomineerd voor de Confituur Boekhandelsprijs en de Bob den Uyl Prijs. Wij capabelen, haar poëziedebuut, staat op de shortlist van de C. Buddingh’-prijs.

Bijpassende boeken en informatie

Edouard Leve – Zelfportret

Edouard Leve Zelfportret recensie en informatie over de inhoud van de roman van de Franse schrijver, fotograaf en kunstenaar. Op 26 september 2024 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van de roman Autoportrait van de uit Frankrijk afkomstige schrijver, kunstenaar en fotograaf Édouard Levé. Hier lees je informatie over de inhoud van de roman, de auteur, de vertaalster en over de uitgave.

Édouard Levé Zelfportret recensie en informatie

  • “Een zeer uitzonderlijk werk in het Franse literaire landschap, het behoort evenwel tot de zeer gesloten clan van belangrijke boeken.” (Le Midi Libre)
  • “Met zijn Zelfportret vindt Éduoard Levé een nieuwe vorm van het ik-verhaal uit. Levé schrijft banale dingen met gewone woorden, en toch is het buitengewoon.” (Libération)

Zelfportret recensie van Tim Donker

Zie. Daar. Bijna had ik iets gehaats gezegd. Levé komt af met een egodocument, misschien zoiets als een autobiografie maar dan wel een hele rare, misschien zoiets als een zelfportret maar dan wel geschreven en niet getekend. En bijna had ik het gezegd, bijna had ik er zelfs de bespreking mee geopend: Levé moet het weer eens anders doen hoor. Maar toen dacht ik aan mijn tante, mijn lievelingstante dan nog, ook zij nu dood, die over mijn moeder, haar zus, na haar dood altijd maar zei Se mos altijd allus andus doen as un anduh, En dat haatte ik. Dan mocht het nog honderd keer mijn lievelingstante zijn, ik haatte die uitspraak. Omdat mijn moeder dood was en met rust gelaten moest worden, omdat ik helemaal niet zo zeker weet of iemand zo nodig “andus” “mot” zijn “as een anduh”; is iedereen niet gewoon is zoals die is, en dat kan toevallig ook niet-gemiddeld zijn (terwijl het juist veel gemakkelijk is gemiddeld te zijn omdat de hele wereld is ingesteld op gemiddelde smaken, gemiddelde karakters, gemiddelde voorkeuren, gemiddelde neigingen en gemiddelde behoeften), omdat ik dat wantrouwen ten opzichte van alles dat afwijkt van de norm ernstig wantrouw, omdat het mogelijk moet zijn om er andere ideeën op na te houden (en bijvoorbeeld te weigeren je te laten inspuiten met een of ander experimenteel serum waarvan niemand de effecten op langere termijn kan voorspellen) zonder direct als een paria, een aansteller, een clown, een asociaal of een opruier gezien te worden. En toch. Ondanks mijn diepe haat tegen die uitspraak had ik m bijna zelf gebezigd. Bijna gezegd. Bijna geschreven. Édouard Levé moet het weer eens anders doen hoor.

Wat doet Levé eigenlijk? Hij maakt een zelfportret. Hij schrijft over zichzelf. Levé over Levé, honderdtien bladzijden lang, sommigen zouden dat een autobiografie noemen. Maar hij begint niet bij een begin. Vertellend over zijn jeugd, belangrijke gebeurtenissen, verhalend over de wegen die hem hebben geleid tot waar hij nu is. Zelfportret kent geen chronologie, geen narratief en geen verloop. Zelfportret is een opsomming. Een honderdtien bladzijden lange opsomming. Door Levé. Van karaktereigenschappen, eigenaardigheden, hebbelijkheden, ideeën, overtuigingen, waarnemingen, herinneringen. Van Levé.

Ik dacht aan David Markson. Ook bij hem regende het immers feiten. Geen actie, geen personages, slechts de gestage opeenvolging van feiten. Maar Markson plunderde encyclopedieën, of liet zijn, in dat geval ontzagwekkende, parate kennis langzaam over de pagina’s leegstromen, om het ik juist te laten verdwijnen onder een berg trivia over componisten, schrijvers, kunstenaars, filosofen, wetenschappers en andere publieke figuren; het weinige “ik” dat nog zichtbaar bleef, maskeerde hij met neutrale aliassen als “Reader”, “Writer” of “Novelist”. Levé laat de hele opsomming over hemzelf gaan. Er bevinden zich ook wel enkele opmerkingen tussen die gaan over familieleden of vrienden, maar dan is het uiteraard veelzeggend dat Levé juist dit of dat zegt over juist die-en-die, net zoals “se mos altijd allus andus doen as un anduh” uiteindelijk meer zegt over die tante dan over mijn moeder.

Een project als dit kent zijn gelijke niet. Misschien Seth Abramson, de enige andere literator waaraan ik moest denken. “Iets als dit” ondernam Abramson ooit. Maar dan als gedicht, en ook nog in de derde persoon (bij hem ging het geloof ik om uitspraken die anderen over hem gedaan hadden). Op boeklengte is dit echter nog vervreemdender. Nou is het wel niet zo’n heel erg dik boek, maar toch, het zijn toch heel erg veel losse, niet-chronologische en onsamenhangende uitspraken die allemaal over Édouard Levé gaan – een mens waarvan ik eigenlijk slechts één ander, ook al niet al te dik, boek ken.

Wat moet je hier over zeggen?
Hoe moet je dit bespreken?
Wat moet je doen om niet te vervallen in “Édouard Levé moet het weer eens anders doen hoor”?

Je kunt er niet eens een behoorlijke psychoanalyse op los laten, als je zoiets debiels al zou willen, want slechts een enkele keer wordt er iets gemeld dat als min of meer veelzeggend valt aan te merken. In “Ik verveel me liever alleen dan met zijn tweeën” of “Als voorbereiding op het koffers pakken maak ik een uitputtende lijst van wat ik meeneem, aangezien ik altijd hetzelfde meeneem sla ik die op in een map op mijn pc” tekent zich een man af; je kunt wijzen en zeggen Ja, dat tiepeert iemand. Maar veel vaker regeert de willekeur. “Ik hoop dat ik nooit een oor vind in een weiland” zal hij wel opgeschreven hebben toen hij Blue Velvet zat te kijken; aan “Ik zal maar één keer zonder te liegen ‘Ik sterf’ kunnen zeggen” is weinig particuliers te ontdekken en “Ik eet driemaal daags” gaat ook al voor heel veel mensen op.

Wat moet je hier over zeggen?
Hoe moet je dit bespreken?

Vooral kun je er veel niet over zeggen. Zelfportret is niet meteen heel ritmies: sommige zinnen zijn erg kort, andere juist weer ellenlang. Het kent ook geen uitgedachte opbouw in sfeer of kleuring: na een tragiese, zware, bedachtzame of dramatiese uitspraak volgt met hetzelfde gemak een luchtige, een onzinnige, een triviale, een absurde, of, meer dan eens, een extreem grappige. En hoewel het dus met nadruk niets gecomponeerds heeft, is Zelfportret toch in hoge mate muzikaal: het dwingt, het vangt, het golft en na verloop van maar een paar pagina’s hypnotiseert het zelfs, zodat je blijft lezen en lezen en lezen en lezen en lezen en lezen en lezen en lezen en lezen en lezen en lezen en lezen en lezen en lezen en lezen en lezen.

Wat moet je hier over zeggen?
Hoe moet je dit bespreken?

Dat je niet weet met welk idee Zelfportret geschreven zou kunnen zijn? Daar zijn momenten waarop je je kunt herkennen in wat Levé schrijft. Of. Ik in ieder geval. Heftig knikkend lees ik “Ik heb zelden spijt van handelen en steevast spijt van niet handelen. Ik denk terug aan de pijn van geschiedenissen die niet plaatsvonden”; Ja denkend, Zo is het denkend, aan alles denkend wat wellicht had kunnen zijn als ik niet te angstig te beschroomd te gekwetst te bescheten te klein te onbeholpen was geweest of om welke reden dan ook maar niet stappen wist over welke lullige emotie dan ook. Maar dat “o dat heb ik ook” kan niet, zal niet de reden zijn geweest waarom Levé Zelfportret schreef. En. Daar zijn ook momenten waarop ik me van dit boek, dit projekt, van Levé wens af te keren. “Ik denk niet dat ik nieuwe pareltjes in de klassieke muziek zal ontdekken,” schrijft hij, “maar ik weet zeker dat ik tot mijn dood zal genieten van deze die ik al ken”; en: “Ik weet niet of er nog iets te verbeteren valt aan de muziek van Bach” en zucht denk ik dan en o denk ik dan en daar gaan we weer denk ik dan, altijd weer die klassieke muziek, het zou eens fijn zijn een schrijver te lezen met een bredere muzieksmaak dan dat, gelukkig zegt hij verderop ook moje dingen die niet over rock of over Portishead niet meteen de allerbeste band die ik ken maar toch, of dat hij honden verkiest boven katten, ja, ook al zoiets, die hondenliefhebbers, mijn ganse schoonfamielje bestaat uit hondenliefhebbers en hoe zij zijn is precies hoe ik de hondenliefhebber zie: braaf, saai, doorsnee, burgerlijk, normatief, fantasieloos, volgzaam, klootloos. Maar ik denk ook niet dat Levé Zelfportret geschreven heeft met het doel zijn lezers te ergeren. De momenten dat je als lezer “Nee, echt?” denkt, “Meen je dat nou?” denkt, zijn gewoon maar inherent aan een projekt als dit: als wie dan ook in één gulp alles zou openbaren wat hij meent, denkt, vindt, voelt, doet, wil, haat, verlangt, afwijst, droomt, heeft en kan, zal daar altijd wel iets tussen zitten wat (lichte) weerzin wekt.

Dus.

Wat moet je hier over zeggen?
Hoe moet je dit bespreken?

Dit is het boek dat je zelf geschreven wou hebben. Maarja. Nu is het er al. Waarom zou je een boek als dit dan nog schrijven. Is dat niet het geniale aan dat wat waarlijk uniek is: op het moment dat het verschijnt, laat het zich met niets vergelijken, en al het gelijkende wat erna nog verschijnt zal gezien worden al na-aperij. Ondertussen, echter, vraag ik me wel af wat ik erin gezet zou hebben als ik een boek als Zelfportret had geschreven. Want dat is nog iets anders dat zo geweldig is aan dit boek. Ik vermoed maar zo dat Édouard Levé een tumultueuzer leven gehad heeft dan ik, en toch zijn de confidenties in Zelfportret zelden spectaculair te noemen. Het is vrijwel alles tamelik dagdagelijks, wat je hier leest kon ook slaan op de buurman of op je collega of op jouzelf. Dat is er ook de kracht van. Misschien dat alleen Levé’s sexuele escapades een slag pikanter zijn dan bij de meeste mensen het geval is (de momenten dat hij zulks ter sprake brengt zijn ook de enige momenten waarop je de schrijver voor een snoever zou houden); vooral, hier, ik-mededelingen van een zeer gangbaar tiepe, dingen die je zelf misschien als terzijde hebt gebezigd in gesprek met een van die vage bekenden die je op straat tegenkomt; de landen die je hebt bezocht, het eten dat je graag eet, dingen die je wel eens doet als je je verveelt (doelloos door het telefoonboek bladeren bijvoorbeeld). Waarin Zelfportret zo overweldigend, onthutsend, betoverend is, is dat er zo ontzettend veel van dit soort “nikserige” ik-mededelingen achter elkaar zijn gezet. Terwijl je steeds het gevoel blijft houden dat jij ook, ook jij, honderdtien bladzijden had kunnen vullen met zulke informatie over jezelf.

Wat moet je hier over zeggen?
Hoe moet je dit bespreken?

Of. Ja. Iets anders nog. Na-aperij ten spijt. Waarom zou dit niet een nieuw zjanrûh kunnen worden, komaan, er is vast ook iemand geweest die als allereerste een autobiografie schreef, die voor het eerst memoires te boek stelde. En dat was nog iets dat door mijn hoofd spookte toen ik Zelfportret las. Niet alleen hoe het kan dan zoveel banaals bij elkaar zo fascinerend kan zijn; en ook, niet alleen bleven als zeepbellen zinnen in mijn hoofd opkomen van het soort dat ik geschreven had in mijn hoogsteigen Zelfportret; ook dacht ik na over navolging. Stel dat Levé school maakt. Stel dat dit een nieuwe vorm van autobiografies schrijven wordt. Van welke schrijvers zou ik graag een boek als Zelfportret lezen? Van welke schrijvers vooral niet? De brutale eerlijkheid van Levé schrikt hier en daar af, maar hij maakt zich er zelf als figuur niet mee kapot. Ook dat is ongelooflijk. De meeste mensen zijn me al onherstelbaar antipathiek als ze maar twee of drie bekentenissen over zichzelf doen; Levé gaat ermee door en door zonder noemenswaardige imagoschade op te lopen. Wie doet hem dat na? Wie doet hem dit na? Wie doet er ooit nog iets na dit?

Wat met je hier over zeggen?
Hoe moet je dit bespreken?

Dit is één van de allermafste boeken die ik ooit gelezen heb, en ik heb ongelooflijk veel maffe boeken gelezen, echt waar, kom zelf eens een blik in mijn boekenkast werpen, en tegelijkertijd ook één van de meest intrigerende, misschien ook wel in een top zoveel of zoveel van de mooiste (ik noem geen nummers, daarvoor zijn het er teveel).

Dus.
Wat moet je hier verder nog over zeggen?
Hoe moet je een bespreking als dit afronden?

Niet. Je zegt gewoon “fantastisch”. En daarna doe je er het zwijgen toe.

Edouard Leve Zelfportret

Zelfportret

  • Auteur: Édouard Levé (Frankrijk)
  • Soort boek: Franse roman
  • Origineel: Autoportrait (2005)
  • Nederlandse vertaling: Karien Vandenberghe
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 26 september 2024
  • Omvang: 112 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman van de Franse schrijver Édouard Levé

In dit briljante en ontnuchterende zelfportret verbergt Édouard Levé niets voor zijn lezers en schetst hij, min of meer willekeurig, zijn hele leven. Zelfportret is een fysieke, psychologische, seksuele, politieke en filosofische triomf. Naast ‘oprechtheid’ streeft Levé naar een objectiviteit die zo radicaal is dat deze zou kunnen doorgaan voor grofheid, trivialiteit en zelfs banaliteit – de auteur heeft zichzelf blootgelegd. Levés boek lijkt in eerste instantie een autobiografie zonder sentiment, alsof het door een machine is geschreven, totdat we door de opeenstapeling van details en de droge, spottende toon merken dat we ontwapend zijn, geboeid en verrukt door niets minder dan perfecte fictie… die geheel uit feiten is opgebouwd.

Édouard Levé (1 januari 1965, Neuilly-sur-Seine – 15 oktober 2007, Parijs) was een veelzijdige kunstenaar in de traditie van het conceptualisme. Hij debuteerde met Œuvres (2002), dat minutieuze beschrijvingen bevat van 533 niet-verwezenlijkte installatie- en performanceprojecten. Zelfportret verscheen oorspronkelijk in 2005. Zelfmoord, zijn laatste boek, kwam in 2021 uit bij Koppernik.

Bijpassende boeken en informatie

Leonieke Baerwaldt – Dagen als vreemde symptomen

Leonieke Baerwaldt Dagen als vreemde symptomen recensie en informatie over de inhoud van de tweede roman van de Nederlandse schrijfster. Op 26 september 2024 verschijnt bij uitgeverij Querido de nieuwe roman van Leonieke Baerwaldt. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de schrijfster en over de uitgave.

Leonieke Baerwaldt Dagen als vreemde symptomen recensie van Tim Donker

Dat het begint bij III. Dat het eindigt met I en II. Dat het begin na het einde komt. Dat. En meer nog.

Deze mijmer: “Ze kiest voor de caleidoscopische benadering. Veelvlakkigheid, al zou je het ook fragmentarisch kunnen noemen. Uit elk fragment poetst ze zichzelf tevoorschijn.” Zichzelf, ja, en Mia. Het gaat over dit. Het gaat hierover. Je leest over wat je aan het lezen bent. Dat vind je mooi. Dat. Ook dat. En meer nog.

De hoofdpersoon is gekend onder de naam Sisyphus. Wie was ookalweer Sisyphus? Was hij dat met die steen? Gedurende twee studies had ik een module over Griekse mythen en sagen. Eerst de ene studie, maar dat was niet wat ik er in meende te zoeken en toen wisselde ik van studie, en toen ging het toch weer een heel semester lang over die Griekse mythen en sagen. En nog is er ontstellend weinig van blijven hangen. Ik was er ook slecht in. Haalde altijd al die namen door elkaar. Het boeide me te weinig om het echt mijn volle aandacht te geven, onthield alleen de grote lijnen. En de grote lijnen waren altijd dat er een sterveling was die de goden vertoornd had. Vaak was er van verre of nabij een koning bij betrokken. Doorgaans had het iets met hoogmoed te maken. Of het lot, je lot, dat niet te ontkomen is. Wat het spreekt, wat het zegt dat de protagonist Sisyphus heten wil. Iets met ondraaglijke lasten misschien. Of was hij dat niet met die steen?

Of.

Neem het gekoer van duiven. Transponeer het naar morse. Dat kan een pagina zijn. Dat. Dat ook. En meer nog.

Of.

Alle dingen die hoop zijn. Een windvlaag. Een konkreet voornemen. Een leeglopende ballon. Een trage vierkwartsmaat. Een reflex. Een vangnet voor de ongelovige. Een zorgindicatie. Een vals gevoel van veiligheid. Een roestvrijstalen geluid. Een mantra. Iets wat alle ellende van mensen voortbrengt. Iets wat dope is. (hoop is een ding met veren).

Wel. Goed. Sisyphus dan. Hier is Sisyphus moeder geworden. Er is iets aan de hand met de baby. Er zijn meerdere dingen aan de hand met de baby. Vele onderzoeken later blijkt dat Mia, Sisyphus’ dochter, levenslang zorg nodig zal hebben. Meervoudig gehandicapt. Rolstoelafhankelijk. Noem het. Geef het een naam. Het betekent in ieder geval dat je als ouder altijd zal moeten blijven zorgen, een zorg zonder bestemming, een zorg die nooit zelfstandigheid als eindresultaat zal kennen. Misschien een vloek en tegelijkertijd misschien van welbepaalde schoonheid. De verzorger en de verzorgde staan in een complementaire relatie tot elkaar. Mijn kinderen zijn nu negen en elf, maar ik herinner me uit de tijd dat ze baby, dreumes, peuter, kleuter waren, en mij eerst bij alles en later bij heel erg veel nog nodig hadden, dat dat konkrete nodig zijn heel erg mooi was. Het aankleden, in bad doen, haren wassen, tanden poetsen, de hand vast houden, samen stappen zetten, leren fietsen, het bijna wiegende ritme van de dagen; hoe je hierbij, de ouder en het kind, bijna samenviel, hoe je samen een graad van intimiteit en vertrouwen bereikte die je met geen enkele volwassene in wat voor relatie dan ook ooit bereiken zal; hoe dat je dagen tot aan de rand vult en hoe dat langzaamaan weer leegloopt wanneer je bij minder, minder en minder, steeds minder een belangrijke rol hebt te spelen (of zelfs nog maar gewenst bent), en hoe je, of jij misschien niet maar ik wel, die kleuter-, peuter-, dreumes- en babydagen soms nog mist – ik was in elk geval nooit het soort vader dat het zorgen ooit moe werd, dat altijd maar riep “niet te kunnen wachten” tot ze zichzelf konden aankleden, ik zie de schoonheid in de zorgrol maar een veertienjarige moeten verschonen is allicht anders dan je baby een nieuwe luier omdoen. En de kinderwagen is niet de rolstoel. En de peuterspeelzaal niet het dagcentrum. Die tocht. Die dingen. De steen. Wat maakt dat je uiteindelijk moet verhuizen naar een drempelloos, gelijkvloers appartement in een deprimerende woontoren. Waar er nog andere dingen zijn. Andere dingen zijn de mensen. Die goedbedoelde maar schrijnende dingen zeggen. En Louis. Die ook tot de andere dingen behoort. Sisyphus’ man. Nogal een lul. Maar dat zijn de mensen die tot de andere dingen behoren wel vaker. De lul, dat zijn de andere dingen.

Dan daar dus. In de woontoren. Beter dan een huis zonder drempels gaat het niet meer worden. Het leven is een reeks verkeerde beslissingen.

Of. Bodemdrift. Daar stuit ik ineens op het woord bodemdrift. Zoiets kan mijn dag maken. Maandagochtend, een herfstzonnetje doorheen mijn raam, goede koffie, Mikaîl Aslan op de steerjoo en stuiten op het woord “bodemdrift”. Dan dus ook dat. En zoveel meer nog.

Het typografies wit. De leegte die ademt. De woorden als druppels. De druppels als water. Het water als overstromingen. “Regenzucht heeft ze,” staat daar (ja regenzucht ook al zoon woord), “behoefte aan overstromingen. Een koufront, onweer, clusterbuien. Dikke druppels die op stoffige stenen plenzen. Sneeuw, hagel, iets, iets, iets.//Kikkers voor mijn part, denkt Sisyphus. Of wat dan ook. Sprinkhanen, vissen. Ja! Laat het alsjeblieft vissen regenen. Flappende staarten, ontelbare ogen die hun glans verliezen. //Ze fantaseert over een straat die glinstert van gebroken schubben.”, en dan ben ik stil, dan ben ik prachtgeslagen stil, en dan komt even later ook nog de rode kruiwagen van William Carlos Williams voorbij!, (hoorden daar geen witte kippen bij? het was geloof ik niet gisteren dat ik dat gedicht nog las), en bij alles is Mia, niemand gaat verloren.

In een volgend deel is er misschien niemand meer. Behalve Dee, de huismeester en hospita van de deprimerende woontoren met het drempelloze en gelijkvloerse appartement; – Dee, die daarnaast ook nog vriendin is, en waarzegster of zigeunerheks of magiër of circe of priesteres of de mooiste engel die je ooit zag. Met haar heeft Sisyphus in eerste instantie alleen maar gesprekken, fantastiese gesprekken, de allermooiste gesprekken die je nooit voerde: “Er zijn altijd nieuwe idioten, zegt Sisyphus. Ha! Zo is het, zegt de hospita. Om te laten zien dat de oude idioten minder idioot waren dan je dacht. Onophoudelijke verplaatsing van de lat der idioterie, dat is wat de wereld naar de ondergang helpt. Ze zijn met zoveel ook. Vroeger was het al dringen, maar nu zit het hier echt tjokvol.”; hoe verder ik in deze roman kom hoe beter ik hem vind.

Daarna. Weeral een volgend deel, of is het het daarop volgende? Met Dee op een surrealistiese voettocht door de zeven sirkels van de hel, of is het toch de Hades? Was Sisyphus dan diegene die doolde door de Hades, die van dat omkijken, hoe zat dat ookalweer, ik herinner me op restaurant zijn met een vrouw, toen ik een jaar of vijfentwintig was en bezig met mijn nooit eindige afstudeerproject, in een of andere verre verte had zij iets met dat afstudeerproject te maken, maar ik weet niet meer wat, of wie ze was, alleen maar dat we op restaurant waren en de hele maaltijd lang bezig waren om manieren te bedenken hoe je uit de Hades naar de bovenwereld terug kon lopen en je je er heeldurtijd van kon vergewissen dat je lief nog achter je liep zonder één keer om te hoeven kijken, wat een geweldige avond was dat, we wisten niet dat er zoveel manier waren om zonder te kijken te weten wat er achter je gaande was, wie was die vrouw toch en waar is zij gebleven?

Dus ook: wat het wakker roept. Maar ook: zoveel, zo ontzettend veel meer nog.

De herinneringen aan een vakantie met Mia die er geen was, aan geluk dat nooit bestaan heeft – een vluchtig idee dat geluk verzinbaarder is dan ongeluk, en dan, wat je 222 bladzijden lang ziet aankomen en dan toch weer net even anders blijkt te zitten dan je vermoedde, zoals altijd alles net even anders blijkt te zitten dan je vermoedde, zoals de dingen steeds minimaal een sentimeter anders gaan dan je dacht dat ze zouden gaan.

Dat. En al het andere nog.

Dagen als vreemde symptomen is een ongrijpbare, poëtiese, filosofiese, ontroerende en magiese schittering van een roman. Andermaal flikt Leonie Baerwaldt het om af te komen met een boek dat me ontredderd, verbijsterd en naar adem snakkend achterlaat.

Dus dat. En zo eindeloos veel meer nog.

Leonieke Baerwaldt Dagen als vreemde symptomen

Dagen als vreemde symptomen

  • Auteur: Leonieke Baerwaldt (Nederland)
  • Soort boek: Nederlandse roman
  • Uitgever: Querido
  • Verschijnt: 26 september 2024
  • Omvang: 224 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de nieuwe roman van Leonieke Baerwaldt

Op 26 september verschijnt de nieuwe roman van Leonieke Baerwaldt, een onthutsende, filosofische en ontroerende roman van de auteur van Hier komen wij vandaan.

Sisyphus doolt door de hel met een lege rolstoel en weet niet precies wat ze daar te zoeken heeft, behalve dat ze haar dochter, die meervoudig beperkt is, moet ophalen uit het dagcentrum. Een missie die telkens mislukt, waarna ze teleurgesteld terugkeert naar de aftandse benedenwoning van haar zonderlinge appartementencomplex. Wanneer haar hospita schijnbaar uit het niets na een eeuwigheid een praatje met haar aanknoopt, begint ze zich plotseling dingen te herinneren.

Dagen als vreemde symptomenis een gevecht tegen de verveling, een zoektocht naar de grenzen van het moederschap, van hoop en radeloosheid, van leven en dood. Deze roman is een ode aan het absurde.

Leonieke Baerwaldt (1985) studeerde filosofie en literatuurwetenschap. Korte verhalen van haar verschenen onder meer op Hard//hoofd en Papieren Helden en in Kluger HansDe Gids en De Revisor. In 2021 verscheen haar zeer lovend besproken roman Hier komen wij vandaan, die de longlists van de Libris Literatuur Prijs, de Boekenbon Literatuurprijs en de Hebban Debuutprijs haalde.

Leonieke Baerwaldt Hier komen wij vandaan RecensieLeonieke Baerwaldt (Nederland) – Hier komen wij vandaan
Nederlandse debuutroman
Recensie van Tim Donker
In haar debuutroman verenigt Leonieke Baerwaldt het onverenigbare tot iets geloofwaardigs…lees verder >

Bijpassende boeken

Flora Pennartz – De Stad der Wolken

Flora Pennartz De Stad der Wolken recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe fantasyroman en deel 1 in de serie De kleuren van de ziel. Op 24 september 2024 verschijnt bij uitgeverij Prometheus de eerste fantasyroman van de Nederlandse schrijfster Flora Pennartz. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de schrijfster en over de uitgave.

Flora Pennartz De Stad der Wolken recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van De stad der wolken, De kleuren van de ziel deel 1, geschreven door Flora Pannartz, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “De Stad der Wolken is een nieuwe fantasy vol met magie, vriendschap en avontuur. Het verhaal van Dana sleept je mee in dit boek dat je zeker snel uit zal willen lezen. Door de duidelijke en vlotte schrijfstijl is het boek ook een echte aanrader voor beginnende fantasylezers!” (Sanne Bijleveld, boekhandel Westerhof)
  • “Begin er niet aan, dit is origineel, actueel én leest als een trein; voor je het weet heb je de cliffhanger gelezen en moet je wachten tot de volgende uitkomt!” (Eveline Schilt, boekhandel Scheltema)

Recensie van de redactie

Wat een heerlijk boek is De stad der wolken – kleuren van de ziel deel 1 geschreven door Flora Pennartz – een geweldige debuut fantasy roman. De stad der wolken is het eerste deel in wat een trilogie wordt in de serie Kleuren van de Ziel.

Zodra ik begin te lezen word ik in het verhaal gezogen – dat is altijd een heel goed teken! – en wil ik niet meer stoppen met lezen. De introverte Dana is de hoofdpersoon van deze fantasyroman. Dana groeit – na de moord op haar beide ouders (waar Dana niet van af weet) op bij haar oma in Bretagne. Dana gaat naar een nogal saaie school en ze heeft een sterk gevoel voor rechtvaardigheid, zo is ze bijvoorbeeld lid van een milieubeweging. Verder heeft Dana een liefdevolle band met oma. Ze lijkt eigenlijk een “gewone tiener”.

Tot de dag dat een vreemde man haar op school komt vertellen dat haar oma is vermoord en dat zijzelf helemaal geen mens is, maar een Luminist. Luministen hebben als taak  om de mensen liefde, moed, vreugde, creativiteit, kennis, wijsheid en vrijheid te geven. Maar er is iets wat die belangrijke missie verstoort. Vanaf de dag dat Dana hoort dat zij een Luminist is, is niets meer normaal in Dana’s leven en komt ze terecht in een wereld waar ze zelfs niet van had kunnen dromen. Tegelijkertijd moet ze het verlies van haar oma een plekje geven en nieuwe vriendschappen sluiten. Stapje voor stapje begrijpt Dana meer over haar verleden. Om een echte Luminist te worden zal ze echter de drie Proeven moeten afleggen – de eerste proef is op eigen houtje de Stad der Wolken bereiken.

De Stad der Wolken is een prachtig en boeiend verhaal over afkomst, vriendschap en zielswaarden. Allemaal samengesmolten tot een prachtig en – in dit geval heel letterlijk – kleurrijk avontuur. Met de onvermijdelijke cliffhanger aan het einde… Mag deel 2 van de Kleuren van de Ziel alsjeblieft gauw uitkomen? Ik ga het zeker weten lezen. Het boek is gewaardeerd met ∗∗∗∗ (uitstekend).

Recensie van Monique van der Hoeven

Flora Pennartz De Stad der Wolken

De Stad der Wolken

De kleuren van de ziel 1

  • Auteur: Flora Pennartz (Nederland)
  • Soort boek: fantasyroman
  • Uitgever: Prometheus
  • Verschijnt: 24 september 2024
  • Omvang: 368 pagina’s
  • Uitgave: gebonden boek
  • Prijs: € 21,99 / € 12,99
  • Waardering redactie: ∗∗∗∗ (uitstekend)
  • Boek bestellen >

Flaptekst van de fantasyroman van Flora Pennartz

Het is de taak van de Luministen om de mensheid liefde, moed, vreugde, creativiteit, kennis, wijsheid en vrijheid te brengen. Maar wat als hun missie in gevaar komt?

Dana is een verlegen tiener die met haar oma in het westelijkste puntje van Frankrijk woont. Wanneer een mysterieuze man haar vertelt dat haar oma vermoord is door Achromanten – mensen zonder ziel – verandert alles. Dana ontdekt dat ze geen mens is, maar een Luminist, een wezen dat mensen een ziel geeft. Haar gave kan Dana echter pas uitoefenen als ze drie proeven heeft doorstaan; de gevaarlijke tocht naar de Stad der Wolken is daarvan de eerste. Samen met haar nieuwe vriendin Kali gaat ze op pad. Maar onderweg zal ze meer moeten trotseren dan de sneeuwstormen en de steile bergen. Iemand wil niet dat Dana de proeven voltooit en zal alles op alles zetten om haar te stoppen. Maar wie?

De Stad der Wolken is het indrukwekkende en meeslepende fantasydebuut van Flora Pennartz, het eerste deel van de trilogie De Kleuren van de Ziel.

Flora Pennartz (1997) studeerde natuurkunde en geschiedenis en werkt als docent wetenschapscommunicatie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. De Stad der Wolken is haar debuut.

Bijpassende boeken

Maartje Wortel – Camping

Maartje Wortel Camping recensie en informatie nieuwe roman van de Nederlandse schrijfster. Op 20 september 2024 verschijnt bij Uitgeverij Prometheus de nieuwe roman van de Nederlandse schrijfster Maartje Wortel. Hier lees je informatie over de inhoud van de roman, de schrijfster en over de uitgave.

Maartje Wortel Camping recensie van Tim Donker

En het lezen een stap. En een stap. En een stap. Nog. Het stappen overheen zoveel. Je moet stappen overheen Prometheus, hij stal het vuur van de goden maar welk vuur en welke goden?, je moet stappen overheen Griet Op de Beel en Arie Boomsma en Herman Brusselmans en Connie Palmen en Esther Verhoef en Gijs Groenteman en Dean Koontz en Cornald Maas en Bas Heijne en alles zo weinig lezenswaard wie bij zijn goeje harses wil in godsnaam die stal in?, de titaan bracht de mensen kunst of was het rotzooi, & je moet stappen overheen de camping want wat is treuriger dan een camping, je moet zelfs stappen overheen de beginzin: “Victorien had de kanker met haar blote handen gevoeld.”, zowat de minst aantrekkelijke openingszin die je ooit gelezen hebt wil ik dit wel lezen waarom in de leesstoel met iets in mijn handen wat ik eigenlijk helemaal niet in mijn handen wil & ineens denk ik aan die regel uit dat liedje van the microphones: i have been told that my skin is exceptionally smooth / but what good is that going to do / when to get to my heart / you have to crawl through tight tunnels of sharp rocks, en waar nog meer doorheen, en het lezen wordt stappen en het stappen wordt kruipen, en dan.

Dan een etentje.

Laten we beginnen met een etentje. Eten doe je meestal zittend. Het kruipen wordt zitten. Dat is ook een goede houding om in te lezen. Ode en Victorien zijn negen jaar samen en vieren dat op restaurant, en de sommelier, ja een heuse sommelier, komt met de wijn en, anders dan de ober die de gerechten met veel omhaal opdiende, schenkt dus, de sommelier, die wijn zwijgend in. “Gelukkig zegt hij niets, zei Victorien tegen Ode. Ik proef al die woorden toch niet. Dat geldt voor jou, zei Ode. Voor veel gasten verrijkt een beetje context hun ervaring. Dat is er juist zo aanstootgevend aan, zei Victorien”, en niet alleen is dat een heerlijke dialoog, die Victorien-tiep plaudeert nog recht ook en niet krom, en ik mag haar meteen, en zittend blijf ik lezen, en zittend blijft het lezen gewoon lezen. Victorien laat niet af me aan te spreken met haar ontnuchterende, enigszins sieniese en vaak grappige blik op de wereld: “Alles wat Victorien wist van makelaars was wat iedereen van ze wist: hoe hun haar zat, op welke partij ze stemden, dat ze tijdens hun vakantie fotogenieke eilanden bezochten waar de zon op hun schouders brandde, dat ze scooters hadden en helmen droegen die van geen enkele invloed waren op hun kapsel. Met andere woorden: Victorien had nog nooit met een makelaar te maken gehad.” – ja, mensen, Victorien heeft me lachend, luidop lachend in mijn leesstoel.

Het lezen wordt vliegen, en het vliegen wordt eten, zinnen eten, zinnen vreten, alsmaar meer zinnen willen verorberen.

Waaraan de schrijfstijl van Wortel ook danig debet is. Die rare, prozaïsche, maar niettemin zeer prikkelende tussenzinnetjes als “Wat er daarna gebeurde was dit:”; “Hoe het verder ging:”, “Wat ze erover zeiden:”; “Wat ze nooit te weten zouden komen:”, heel maf, ik geloof dat ik nooit zoiets heb gelezen als dit, ik hou ervan iets te lezen dat me doet geloven dat ik zoiets nog nooit gelezen heb.

Het lezen wordt zingen.

Oké. Goed. Dus Victorien en Ode zijn een stel, en Ode wordt ziek, en gaat allicht dood, en dan gaat Ode toch niet dood, maar is ze wel, ineens, weg, en Victorien boos achtergebleven. Wat is er gebeurd, misschien voelde Odes onverwachte herstel voor haar als een herrijzenis; hoe gaan die dingen met mensen die de dood in de ogen hebben gezien: die voelen dat wat na de ziekte komt als een twede leven niet?, en waarom zou  je in je twede leven je eerste leven herhalen?; Alles Moet Anders dus, zoiets ofzo, weet ik veel, ik heb nooit de dood in de ogen gezien noch heb ik ooit iemand gekend die de dood in de ogen zag – in ieder geval niet iemand die het nog na kon vertellen. Het goede is, het Hele Goede Ding is, mensen, dat Wortel nergens vertelt wat er met Ode is gebeurd, waar ze nu is, waarom Victorien boos is, ze geeft de lezer het raden, en de lezer, hij raadt, en elke banale manier waarop hij die witte plek probeert in te vullen komt voort uit zijn eigen beperkte brein, daar komt de schrijver goed mee weg dus.

Dat is het goede ding.

Victorien wil haar wraak op Ode halen en daarom koopt ze een camping. Het was Odes droom. Ooit je eigen camping hebben. En haha!, daar gaat Victorien eventjes Odes droom van haar afnemen, dat zal haar leren, zoet is de wraak, de beste wraak is een gelukkig leven (maar dat zit er niet in). Het is een nogal vergezochte en licht idiote manier om wraak te nemen (waarom zou Ode niet alsnog een camping kunnen beginnen ook al heeft Victorien er al één, en hoe zou Ode überhaupt moeten weten dat Victorien een camping aan het uitbaten is, en hoe neem je wraak door iets te gaan doen wat je eigenlijk helemaal niet wil doen?) maar binnen de naar absurdisties neigende sfeer die Camping in het begin lijkt aan te nemen, past het prima.

En dan dus de camping. Het zingen wordt eten het eten wordt vliegen het vliegen wordt zitten; het zitten kruipen misschien.

Niets is treuriger dan een camping, ik zei. Of toch. Eén ding is treuriger dan een camping en dat is deze camping. Die van twee zussen is, die alles best vinden, koop maar, zolang zij maar er maar mogen blijven wonen. Want de camping is van hun vader geweest, die droomde ook ooit, maar de zussen hebben er niet meer affiniteit mee dan dat het de plek is waar ze opgegroeid zijn, heel hun leven gewoond hebben. Ze hebben nooit iets anders gekend dan dit, en nu zijn ze oud, en de camping ook, en een weinig verlept is alles. Zo’n soort camping dus, vlak naast een militair oefenterrein, buiten het seizoen, ja komaan is dat niet een beetje erg veel treurigheid bij elkaar? Is dat niet een beetje een te gemakkelijke manier om de tenen te doen krommen? En ook daar, op die camping, begint ieder op zijn eigen wijze te spreken. Nu hou ik van veelstemmigheid in een boek, perspectiefwisselingen, steeds weer zien doorheen andere ogen, kan een schrijver iets mojers geven aan zijn lezers?, iets mojers dan hem te laten kijken uit vele ogen, de eindeloos wisselende blik. Ja maar goed, op zo’n verlopen camping, zomaar een willekeurige tijd in het jaar, daar zitten natuurlijk alleen maar schimmige tiepes en mafkezen, sjee, gaan we die kant op Wortel?, de treurcamping als ekskuus om een bonte stoet aan idiote figuren uit uw pen te mogen slaan?

Maar lees!, zegt Wortel. Lees met uw ogen en niet met uw vooroordelen.

En ik lees van die man die Waldorf heet en die naar de camping gekomen is in de hoop dat de storm rondom een opgedoken sexteep zal luwen (Waldorf en een net iets te jong meisje, sex in de tuin, buren die het filmen) als hij eventjes “onvindbaar” blijft. Hij is een bekende Nederlander, een schrijver van populaire psychologieboeken. Of heet dat levenskunst? Boeken met gemakkelijke metafoortjes in die je leren hoe je gelukkig of succesvol of geliefd kan zijn. Graag gelezen door heel veel mensen zodat Waldorf vaak gevraagd wordt in praatprogramma’s. Wortel heeft ongetwijfeld veel lol gehad met het bedenken van Waldorfs “trekzaktheorie”, die ik niet ga uitleggen hier, lees dat zelf maar voor wie het nog niet gedaan heeft. Waldorf is alvast niet schimmig, geen mafkees, geen idioot. Een Victorien-achtige sieniekus misschien; Wortel laat hem rake dingen denken als “Mensen schrikken steeds vaker ergens van en altijd van het verkeerde”, ja dat is goed, misschien dat Waldorf daar nog eens een boek over schrijven gaat, ho ja, een goeje analyse van deze wereldwijde paniekmaatschappij, dat zou ik wel willen lezen, voor alles een alarm afgeven, en geef elke burger een militaire training ja want we moeten altijd op alles voorbereid zijn ja, voer de dienstplicht weer in want als straks De Russen voor de deur staan (ineens hebben landen deuren, wist ik ook niet), dan, ja dan, en doe ook maar weer grenscontroles, wie weet welke migrant het nog in zijn hoofd gaat halen hier binnen te willen (gijlie hoort hier niet!) (ons land!) (onze banen!) (onze dochters!), een enthousiast opveren in mijn leesstoel, vooraleer het echt goed indaalt dat Waldorf een fiktief karakter is en dat dat paniekmaatschappijboek er helemaal nooit komen gaat, althans niet van hem & juist van hem had ik het zo graag gelezen.

Het kruipen wordt weer lezen vliegen eten zingen. Wie de wereld zodanig mijn huiskamer in schrijft dat ik het kleinstwijle voor werkelijk hou, die schrijft er niet nevens nee.

Niet elk figuur spreekt zo duidelijk tot mij als Waldorf doet, maar elk figuur is daar en elk figuur is mooi. Een overgevoelige militair, een timide vrouw met psychische problemen, een vader met een huilbaby, een toneelcritica die ongeziene theaterstukken bespreekt (wat geen enkele redacteur of lezer opvalt) (want mensen willen toch alleen maar zien wat ze al kennen), een aartsluiaard die steeds nieuwe onderneminkjes begint om met zo min mogelijk inspanning zoveel mogelijk geld te kunnen verdienen en daarom de onzinnigste dingen verzint (aangezien mensen een voorkeur hebben voor dingen die nergens voor nodig zijn) (wie was het ook alweer die zei dat de smartphone de beste oplossing is voor de problemen die je hebt als iedereen om je heen een smartphone heeft?, daar moest ik, dit boek lezende, even aan denken) (dit boek lezende moest ik steeds even aan heel veel dingen denken), een alleenstaande vrouw en haar minnaar, die – ofnee wacht even.

Nog een laatste keer stuitte donkerbruine vermoedens me in mijn leesvaart. Soms haken de bezigheden van één personage zich zo’n beetje in die van een ander. En dat deed mijn vermoeden zo donkerbruin ontluiken. O shit, dacht ik. O shit. Dit wordt toch geen situatie-komedie he?

Situatie-komedie is wanneer “de lach” niet eens meer door de idiotie van de personages gegenereerd wordt, en nog minder door de tragiek van het leven. Sterker nog: in situatie-komedie zijn de karakters tot op zekere hoogte uitwisselbaar. Misschien dat er één een beetje neurotieser aangezet moet worden, en de ander wat goedgeloviger om de handelingen en de daaruit voorkomende, vaak op misverstanden gebaseerde, toestanden wat geloofwaardiger te maken (want als we het maar geloven kunnen is het goed) maar de formule komt altijd neer op iets als dit: A en B hebben een conversatie, C vangt een paar woorden op en trekt daar verkeerde conclusies uit, van C’s navolgende gedragingen wordt D een onbedoeld slachtoffer, en A en B stellen al het verkeerde in werking om de rotzooi onder controle te krijgen maar die wordt daardoor alleen maar groter: START DE LACHBAND!

Maar weeral trekt Wortel me aan mijn haar. Lees en vlieg en vreet en zing en hou godsamme uw bakkes eens.

Ja. Bakkes houden en lezen.

Wortel laat de alleenstaande vrouw die met haar minnaar op de camping is zich op enig moment afvragen waarom ze op een punt in haar leven is gekomen waarop ze zich voornamelijk op plekken bevindt waar ze niet wil zijn. De gedachte sloeg niet per se op de camping of op de minnaar, maar het is naar mijn peins wel een sleutelgedachte in Camping.

Er was Ode en haar hernieuwde leven. Er was een droom die niet iedereens droom is. Er is een vader die er niet meer is, en twee vrouwen op een camping waar hun hart niet ten volste naar uitgaat. Is dit niet hoe levens gaan? Ooit was je jong, en je had al die potentiële levens in je, er waren al die wegen die je kon inslaan, en dan, opeens is befaamd veel later. Die positievelingen van Pink Floyd (hoorde John Peel het ooit “positieve muziek” noemen, zo had ik er tot dan toe nog niet naar geluisterd) hadden het over een dag waarop je “tien jaar” achter je vindt maar dat lijkt mij nog wat weinig: er is een dag waarop je het grootste gedeelte van je leven achter je vindt – en van al die potentiële levens heb je er maar één waargemaakt, en misschien niet eens het schoonste. Dus je bent niet met Dregke in Llanera gaan wonen om daar prakties van het land te leven, je bent geen maker van eksperimentele kortfilms geworden, je hebt niet samen met Antonio Kraakpen uitgebouwd tot een landelijk gekend fenomeen (het blijft, vind ik, een goed idee: een tijdschrift waarin alles kan en dat elke vorm aan kan nemen, het had maar zo een roemruchte serie cd’s, boeken, performances en dikke bladen vol kunst, literatuur, mjoeziek en filosofie kunnen worden), je bent, niet eens, een nu eens hier en dan weer daar en van de hand in de tand levende zwervende ziel geworden waar dat nog je hoogste ambisie was toen ge een kinderken waart; er is alleen maar dit wat er nu is en je ziet daar in de verte ook niet al teveel kruisende paden nog opdoemen.

Veel van de campinggasten in dit boek lijken zich op dat punt te bevinden. Dat dode punt van gepasseerde stations en bijna geen kruisende paden meer. En dat is maar één van de vele opbeurende gedachten die Wortel haar lezers te bieden heeft.

Want Camping is geen situatie-komedie, en geen aapjes kijken of lachen met idioten, en ook is het niet een gemakzuchtig effectbejag door met banale treurigheden te strojen.

Nee.

Ver van dat alles bevindt zich Camping.

Ver van heel veel boeken die je ooit las, bevindt zich Camping.

Het is een schrijnend drama over de wereld. En het drama is dat het een wereld is met mensen erop. Het is mooi hoe Wortel op een manier die tegelijk onderkoeld en poëties is, en evenzeer sienies als liefdevol tot een totaal overrompelend orgelpunt komt. Het is mooi hoe ze alle laagjes wegkrabt en overduidelijk toont hoe ziek we allemaal zijn. Het is mooi hoe ze bijna en passant over oorlog praat, en milieuproblematiek, armoede, geweld, bio-industrie, criminaliteit; alsof het niet de problemen zijn maar slechts de symptomen van iets dat veel dieper gaat. Het is mooi hoe ze wat je dacht dat blijspel ging zijn voor je ogen steeds meer naar een pamflettistiese, keelsnoerende en hartverscheurende protestroman weet toe te schrijven. Het is mooi hoe je na lezing van Camping het liefst van een brug wil springen.

Het zit in je kleren in je haar in je hoofd en in je lijf. En je weet: dit raak je nooit meer helemaal kwijt.

Maartje Wortel Camping

Camping

  • Auteur: Maartje Wortel (Nederland)
  • Soort boek: Nederlandse roman
  • Uitgever: Prometheus
  • Verschijnt: 20 september 2024
  • Omvang: 240 pagina’s
  • Uitgave: gebonden boek / ebook
  • Prijs: € 22,99 / € 13,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de nieuwe roman van Maartje Wortel

Na een onverwachte gebeurtenis koopt Victorien een camping midden in het bos, naast een militair oefenterrein. Voorwaarde van de eigenaars, twee zussen, is dat ze er zelf mogen blijven wonen.

Een keur aan gasten checkt in aan de lichtblauwe balie: van een militair met PTSS tot een drugscrimineel en een beroemdheid die de publiciteit wil ontvluchten. Wat voor de een vakantie is, is voor de ander bittere noodzaak. De gasten op de camping zijn tot elkaar veroordeeld maar hebben tegelijkertijd niets met elkaar van doen. Ze kunnen altijd weer weg, toch?

‘De essentie van de camping was voor haar om je te onttrekken aan je leven en tegelijkertijd was het haar leven. Altijd al geweest. Ze dacht: misschien heb ik mij nooit aan mijn leven kunnen onttrekken, ernaar kunnen kijken, en is het daarom nooit begonnen. Als ze de camping nu op zou blazen bleef er troep over. Voor haar was de essentie troep.’

Camping is een eigenzinnige, verontrustende roman van een van de meest originele schrijvers van Nederland.

Maartje Wortel (26 oktober 1982, Eemnes, Utrecht ) studeerde beeld en taal aan de Rietveld Academie. Inmiddels is ze als schrijver uitgegroeid tot een van de kenmerkendste van haar generatie. Voor haar debuut Dit is jouw huis ontving ze de Anton Wachterprijs. Haar roman IJstijd werd onderscheiden met de BNG Bank Literatuurprijs. Haar laatste boeken Dennie is een star en De groef werden met veel lof onthaald. Begin dit jaar debuteerde Wortel met een theatertekst voor Orkater.

Bijpassende boeken en informatie

Gertrud Jetten – Kijk, ik ben een pony!

Gertrud Jetten Kijk ik ben een pony recensie en informatie over de inhoud van het 7+ jaar kinderboek over paarden. Op 17 september 2024 verschijnt bij Uitgeverij Kluitman het nieuwe kinderboek van Gertrud Jetten over Saar en haar pony met tekeningen van Ina Hallemans. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de schrijfster en over de uitgave.

Gertrud Jetten Kijk ik ben een pony recensie van Jolien Dalenberg ∗∗∗∗

Saar heeft een heerlijk leven in het dijkhuisje waar ze woont met haar vader, oma en de paarden. Tot haar vader Idris een ongeluk krijgt, tijdens zijn werk als stuntman. Dat betekent: minder geld. De vraag is of de paarden wel kunnen blijven. Misschien moeten ze zelfs gaan verhuizen! Het lijkt Saar verschrikkelijk. En daarom bedenkt ze een plan: ze heeft gehoord van een meisje dat in een paard veranderde, door het eten van paardensnoepjes. Wat als zijn nu een pony wordt  en samen met haar vader gaat optreden? Een superslim paard, dat kan rekenen en schrijven,  daar zullen mensen vast geld voor willen betalen. Saar heeft gelijk! Het wordt inderdaad een groot succes. Maar dat brengt ook heel veel aandacht met zich mee. Ook van mensen, met minder goede bedoelingen, die haar per se zélf willen hebben….

Als je houdt van boeken met veel fantasie en humor, is “Kijk, ik ben een pony”, absoluut een aanrader! Mensen die in paarden veranderen, óf andersom, paarden die in mensen veranderen, dat is natuurlijk een beetje vreemd. Het grappige is, dat veel andere aspecten van het verhaal, juist best realistisch zijn. Die mix, maakt het verhaal juist leuk.

De gesprekken die Saar heeft met haar paarden, zijn ontzettend grappig, maar ook leerzaam. Haar Shetlander Adam, van wie Saar dacht, dat hij super dom was, blijkt juist enorm intelligent. Hij zag gewoon het nut niet in, om te doen wat mensen hem vertelden te doen. Je kunt je helemaal voorstellen, dat er echt paarden zijn, die zo’n gevoel hebben. Het geeft ook wat stof tot nadenken: hoe normaal.is het, dat een paard (of welk dier dan ook), blindelings doet wat mensen zeggen?

Het is ook elke keer leerzaam als Gertrud Jetten de dieren een stem geeft: wat vinden ze leuk, en wat niet? Willen ze echt naar binnen als het regent? Of is dat meer iets van mensen, die niet zo’n mooie regenjas hebben als paarden.

Verder zijn de “slechteriken” van het verhaal zo dom en arrogant, dat ze weer grappig worden. Hoewel het er echt wel even benauwd uit ziet voor Saar, als haar avontuur als pony een wending neemt, die ze niet had voorzien. De naam alleen al, de familie Engerling, geeft genoeg weg.

Hoewel sommige wendingen misschien wat erg ongeloofwaardig of absurdistisch zijn, komt het verhaal er mee weg. “Hoera, ik ben een pony,” leest als een sneltrein. Al vanaf de eerste bladzijde zit je erin, wil je doorlezen en ga je van de personages houden. Er staat geen letter te veel, je hebt nergens de neiging om een stuk over te slaan. Een aanrader voor mensen die graag een fantasievol, goed geschreven paarden avontuur lezen! Gewaardeerd met ∗∗∗∗ (uitstekend).

Gertrud Jetten Kijk ik ben een pony

Kijk, ik ben een pony!

  • Schrijfster: Gertrud Jetten (Nederland)
  • Tekeningen: Ina Hallemans
  • Soort boek: kinderboek, paardenboek (7+ jaar)
  • Uitgever: Kluitman
  • Verschijnt: 17 september 2024
  • Omvang: 212 pagina’s
  • Uitgave: gebonden boek
  • Waardering redactie∗∗∗∗ (uitstekend)
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van het nieuwe kinderboek over Saar en haar pony van Gertrud Jetten

Het rustige leventje van Saar en haar vier paarden komt op zijn kop te staan als haar vader moet stoppen met werken. Hij deed als stuntman mee aan spectaculaire paardenshows, maar kan door een ongeluk niet meer optreden. Saar laat het er niet bij zitten en komt in actie…

Ze heeft gelezen over Lottie, een meisje dat na het eten van een paardensnoepje in een pony is veranderd. Als Saar nou zelf eens in een pony verandert, dan kan ze optreden en geld verdienen! Het lukt en Saar trekt volle zalen als Lexi de wonderpony. Ze is zelfs zo populair dat sommige mensen haar per se willen hebben, ook al is ze niet te koop.

Gertrud Jetten (21 juli 1963) is opgegroeid in Reuver, een klein dorp in Limburg tussen de Maas en de Duitse grens. Ze wilde altijd al haar liefde voor paarden en schrijven combineren. Ze begon haar carrière bij tijdschrift De Hoefslag waar ze heel veel artikelen voor heeft geschreven. Deze artikelen zijn later gebonden en uitgegeven als boek: Het paard, het bit en de ruiter. Hierna maakte Gertrud een overstap naar een baan binnen een uitgeverij. Ze heeft hier paardenboeken vertaald en schrijvers van advies voorzien. Na hier een aantal jaren te hebben gewerkt, is Gertrud een eigen uitgeverij begonnen genaamd Forte Uitgevers. Nadat ze hiermee stopte, is ze zelfpaardenboeken gaan schrijven voor kinderen.

Bijpassende boeken

Didier Eribon – Een vrouw uit het volk

Didier Eribon Een vrouw uit het volk recensie en informatie over het nieuwe boek van de Franse filosoof en schrijver. Op 17 september 2024 verschijnt bij Uitgeverij Athenaeum de Nederlandse vertaling van het boek Vie, vieillesse et mort d’une femme du peuple, de filosofische memoir over de moeder van de uit Frankrijk afkomstige schrijver en filosoof Didier Erobon. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de schrijver, de vertaler en over de uitgave.

Didier Eribon Een vrouw uit het volk recensie van Tim Donker

Ouders hebben soms die hinderlijke neiging. Eerst verdwijnen ze in een tehuis, en dan gaan ze dood. Didier Eribon zag het gebeuren met zijn moeder. Ze leefde nog maar enkele weken na haar verhuizing naar een verpleeghuis. Eribon bleef achter, nu wees. Zijn vader overleed al eerder; daarover schreef hij in Terug naar Reims (een boek dat naar ik toegeven moet recht onder mijn radar doorgevlogen is) (eigenlijk kende ik die hele Didier Eribon niet eens). De veelal slecht gestelde situaties in verpleeghuizen, het mensonterende proces van aftakeling en sterven, het voltooide leven van een volksvrouw gaven hem de inspiratie voor Een vrouw uit het volk. Het is een warmhartig filosofisch werk geworden over politiek, armoede, ouderdom, ziekte, verval, identiteit en familiebanden. Eribon schrijft met heel veel compassie maar ook met heel veel eruditie, iets wat niet altijd goed samen gaat, maar hier werkt het.

Daar de dood vaak niet plotseling komt, maar met kleine beetjes tegelijk; de mens moet steeds iets inleveren of opgeven, kan je je afvragen hoeveel leven er moet zijn om nog van een leven te spreken. Volgens Eribon is leven het gevoel hebben dat de tijd verstrijkt; hoe groter de monotonie, hoe minder leven men ervaart. Ik weet niet zeker of dat helemaal waar is: “los” zijn van de tijd kan immers ook samenhangen met de idee van vrijheid – op vakantie zijn, niet “op de klok leven”, niet meer weten wat de datum is of zelfs maar welke dag. Maar zeker is het waar dat ouderen in tehuizen tijd en ruimte inleveren. Er is geen toekomst meer, en ook geen duidelijk vandaag (want vandaag kon net zo goed gisteren zijn, niet omdat het verstand gaat haperen maar omdat elke dag gelijk is aan de voorgaande dag). De oudere wordt langzaamaan gedepersonaliseerd, beschikt over minder en minder identiteitsbevestigend territorium (maar en zijn meer territoriumverkleinende, en niet zelden maatschappelijk zeer geaccepteerde instituties, zoals huwelijk en werk). Misschien is de door Eribon aangehaalde definitie van leven die Xavier Bichat geeft dan nog wat raker: “Het leven, dat is het geheel van de functies die weerstand bieden aan de dood” (zegt hij, zegt Xavier Bichat); ook daarvan moeten we er een steeds een beetje van inleveren.

Het mooie aan Een vrouw uit het volk is Eribons wijde blik. Hij kijkt naar zichzelf, vraagt zich af waarom hij zich door de dood van zijn moeder zo verweesd voelt terwijl hij zich vanaf zijn puberteit juist is gaan terugtrekken uit de familie. De idee geen zoon meer te zijn. Nooit meer iemands zoon zijn. Voor grote delen laten we onze identiteit rusten op anderen, en zo gaat het verlies van de ander ook samen met rolverlies. Het kan een (soms blijvende) verstoring veroorzaken in het identiteitsgevoel. Wanneer een mens ouder wordt, en meerdere mensen is kwijtgeraakt, zijn daardoor wellicht zoveel rollen verdwenen dat hij zichzelf grotendeels kwijt is. Het gemis betreft niet alleen de persoon zelf, maar ook de rol die we ten opzichte van hem of haar vervulde. Alleen werd Eribon dus al op jonge leeftijd minder en minder zoon; hij spreekt in dit verband van een “socio-familiale loskoppeling”, en noemt het “in schijn een paradox” (ik vermoed dat we dit taalkundige huzarenstukje op konto van vertaalster Jeanne Holierhoek mogen zetten) dat hij zich na de dood van zijn moeder (de langstlevende ouder) moest herbezinnen op de emotionele diepgang van zijn toch niet ten volle omarmde zoonschap. Dat lijkt mij echter geen tegenstelling, ook geen schijnbare. Mensen kunnen aktief breken met hun ouders, of zich langzaamaan van hen afkeren omdat ze hun identiteit liever bevestigd zien in andere, zelfgekozen rollen. Of misschien komt er wat sleet op de ouderliefde als het volwassen leven op andere manieren aandacht vraagt. Doch daarmee hou je niet op zoon of dochter te zijn. Het is geen rol die alleen maar kan bestaan door voortdurend zoon- of dochter-achtige dingen te doen; het eist geen onderhoud in strikte zin omdat het gewoon bestáát, het is gegeven met je geboorte. En het is een unieke rol. Het is een van de weinige verstandhoudingen, misschien zelfs wel de enige, waarin je een expliciet vragende, afwachtende, ontvangende houding kunt aannemen en juist door deze lijdzaamheid behoeft deze rol zo weinig directe actie. Het is niet raar dat het gemis aan deze rol een mens parten spelen kan, ook als er weinig kontakt was met de ouders. Een rol die er vanaf je allereerste uur geweest is en waarvoor je niks hoefde te doen kan er toch, ineens, helemáál niet meer zijn en pas dan op volle waarde geschat worden.

Maar Een vrouw uit het volk bestaat niet alleen maar uit navelstaarderij, Eribon kijkt ook naar het leven van zijn moeder. Een arbeidster met een kille en harde man. Het harde werk. De armoede. Wat er gedaan moest worden om de eindjes, en het knopen. “Arm zijn kost veel geld”, zegt hij ergens. Een milieu waaraan Eribon zich ontworsteld heeft, maar dat hem wel gevormd heeft. Met veel mededogen kijkt hij naar iedereen die door de maatschappij naar de marge wordt gedrukt. Wanneer hij aankomt bij de kern van zijn betoog, het denken over ouderdom, stelt hij vast hoe weinig beschouwelijk werk er bestaat over dit onderwerp. Hij noemt er zelf twee die van betekenis zijn: De ouderdom van Simone de Beauvoir en De eenzaamheid van stervenden in onze tijd van Norbert Elias. Een denker wiens universitaire carrière “altijd rommelig en marginaal gebleven” is, en Eribon weet wel waarom. “Het is een bekend feit: universiteiten zijn in het algemeen niet bijzonder gastvrij voor onafhankelijke en vernieuwende denkers; ze roemen hen na hun dood en vergeten dan dat ze niet bereid waren tot erkentelijkheid tijdens hun leven”. Sja, dat moge een bekend feit zijn, Eribon maar voor 2019 zou ik je nooit geloofd hebben. Er was een virus voor nodig om mij te doen inzien hoe normatief en bekrompen academici feitelijk zijn. Het zal dus best waren zijn dat universiteiten unificeren. Het onafhankelijke aan de mij onbekende Elias zal dan onder andere zijn dat hij één van de weinige denkers is die zich met de ouderdom heeft beziggehouden. Zoals Eribon opmerkt zijn er genoeg literaire werken die geheel of gedeeltelijk gaan over de laatste jaren en de dood van een ouder; romans waarin de ouderdom wordt “belichaamd door ouders, naasten, personages die onmisbaar zijn voor het verhaal” (maar iemand als Antonio Lobo Antunes kan ook prachtig over ouderdom en sterven schijven vanuit de eerste persoon) (zijn Voor wie in het donker op mij wacht zou verplichte kost moesten zijn voor iedereen met twee ogen in zijn kop) (één mag ook) (ik vond het zelfs nog wel een paar graadjes beter dan het toch ook al niet misse Agaat van Marlene van Niekerk, dat eenzelfde strekking heeft) maar theorievorming over ouderdom is er veel minder, misschien omdat de gemiddelde denker pas op de idee komt over ouderdom te gaan schrijven als hij zelf oud geworden is. “Theorie wordt meestal geschreven door mensen die in het volle bezit zijn van hun fysieke en mentale capaciteiten, en wat dat betreft dus aan de kant van de ‘heersers’, van de ‘bevoorrechten’ staan, in het goede ‘kamp’, om de term van Elias over te nemen, los uiteraard van hun eventuele achterstelling of kwetsbaarheid op andere gebieden – economisch, sociaal, politiek, cultureel, genderspecifiek, seksespecifiek, raciaal – en los van hun kritisch engagement in die sectoren.”, schrijft Eribon en daarin zou hij iets bij het nekvel kunnen hebben. Misschien is zoiets als “ouderdomsfilosofie” een nog te ontginnen terrein (al kun je je afvragen of een niet-oudere niet met een arrogantie distantie of op zijn minst niet zonder bevoogdende ondertoon over ouderdom zou schrijven). Aan de situatie in tehuizen valt veel te verbeteren, en ouderen hebben zelf veelal niet meer de mogelijkheid om dingen aan de kaak te stellen. In een vergrijzende maatschappij wordt ouderdom en alles wat het met zich meebrengt wel een steeds prangender onderwerp. Er zouden meer boeken als Een vrouw uit het volk moeten zijn.

Didier Eribon Een vrouw uit het volk

Een vrouw uit het volk

Leven, ouderdom en sterven

  • Auteur: Didier Eribon (Frankrijk)
  • Soort boek: filosofische memoir
  • Origineel: Vie, vieillesse et mort d’une femme du peuple (2023)
  • Nederlandse vertaling: Jeanne Holierhoek
  • Uitgever: Uitgeverij Athenaeum
  • Verschijnt: 17 september 2024
  • Omvang: 304 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 24,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van het nieuwe boek van de Franse filosoof Didier Eribon

Enkele weken nadat de moeder van Didier Eribon noodgedwongen naar een verpleeghuis moest, overleed ze. De schok van de overgang was te groot geweest.

Na haar dood hervatte Eribon de persoonlijke en sociologisch-filosofische verkenning die hij was begonnen in Terug naar Reims na de dood van zijn vader. Hij analyseert de aftakeling van zijn moeder, het schuldgevoel van haar kinderen en de belabberde situatie in verpleeghuizen. Maar ook blikt hij terug op haar leven als arbeidersvrouw met een liefdeloze, jaloerse man. En op de vrijheid waarover ze na diens dood eindelijk – te kort – kon beschikken. Zijn eigen visie ondersteunt hij met een brede greep uit literatuur over hetzelfde thema, van Beauvoir tot Brecht.

Didier Eribon (10 juli 1953, Reims) is schrijver, filosoof en socioloog. Hij werd geboren in Reims, in een arbeidersgezin, waar hij de eerste was die de middelbare school afmaakte. Zijn persoonlijke én sociologische boek Terug naar Reims was een grote internationale bestseller. Er werd een documentaire over gemaakt en het
werd bewerkt tot toneelstuk. Hij publiceerde veelvuldig over filosofie, gender, onderwijs, homoseksualiteit, nationalisme, racisme, armoede en politiek. Zijn invloed op het intellectuele debat in Frankrijk is groot.

Jeanne Holierhoek (1947) vertaalde eerder onder meer Het vonnis van de samenleving van Eribon en werk van Foucault, Sartre, Descartes, Voltaire en Montesquieu.

Bijpassende boeken en informatie

Jan Luiten van Zanden – Dochters van Lucy

Jan Luiten van Zanden Dochters van Lucy recensie en informatie boek over de geschiedenis van de man-vrouwverhouding vanaf de eerste vrouw. Op 11 september 2024 verschijnt bij Uitgeverij Prometheus het nieuwe boek van emeritus hoogleraar economische geschiedenis Jan Luiten van Zanen. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de schrijver en over de uitgave.

Jan Luiten van Zanen Dochters van Lucy recensie van Monique van der Hoeven

Jan Luiten van Zanden is emeritus hoogleraar economische geschiedenis aan de Utrechtse Universiteit, waar hij onderzoek doet naar grote maatschappelijke vraagstukken, zoals (gender)ongelijkheid. Dochters van Lucy gaat over de geschiedenis van de vrouw-manverhouding vanaf de eerste vrouw. Hij schreef het boek met medewerking van Sarah Carmichael, universitair docent aan de Universiteit Utrecht.

In 1974 werd het skelet van het oudste vrouwelijk mensachtige wezen gevonden dat wij op dit moment kennen. Ze kreeg de naam Lucy. Jan Luiten van Zanden beschrijft de maatschappelijk positie van vrouwen ten opzichte van mannen sindsdien – al gaat het natuurlijk voornamelijk over de afgelopen 10.000 jaar. Ook geeft hij mogelijke verklaringen voor regionale en religieuze verschillen voor deze ongelijkheid.

Hij begint het boek met een voorbeeld van een gearrangeerd kindhuwelijk in Afghanistan, een meisje van 11 met een man van in de 40. Aanleiding is een foto uit de New York Times uit 2006. Hoe kan het dat dit in Afghanistan mogelijk is en in Nederland bijvoorbeeld niet?

Hij neemt de lezer mee in 7 hoofdstukken waarin hij deze verschillen bespreekt en verklaart. Wat ik zelf heel interessant vindt, is het hoofdstuk over het verdwijnen van de moedergodinnen en de impact die dat heeft gehad.

Jan Luiten van Zanden is met zijn vlotte en toegankelijke schrijfstijl in staat om een complex onderwerp heel toegankelijk te maken. Het gebruik van moderne voorbeelden is een geslaagde manier om het onderwerp genderongelijkheid heel beeldend te maken. Een heel boeiend en goed leesbaar boek over een belangrijk onderwerp. Het boek is gewaardeerd met ∗∗∗∗ (uitstekend).

Jan Luiten van Zanden Dochters van Lucy

 

Dochters van Lucy

De geschiedenis van de man-vrouwverhouding vanaf de eerste vrouw

  • Auteur: Jan Luiten van Zanden (Nederland)
  • Soort boek: geschiedenisboek
  • Uitgever: Prometheus
  • Verschijnt: 11 september 2024
  • Omvang: 192 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 20,99 / € 12,99
  • Waardering redactie: ∗∗∗∗ (uitstekend)
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van het boek over de man-vrouwverhouding van Jan Luiten van Zanden

Dit boek vertelt het verhaal van de macht en de onmacht van vrouwen en mannen vanaf de eerste mens, Lucy, zo’n 3,2 miljoen jaar geleden, tot de emancipatie van de vrouw in de vorige eeuw. Centraal staan de vragen wanneer en waarom de ongelijkheid tussen vrouwen en mannen ontstond en in welke delen van Eurazië de genderongelijkheid het meest intens was. Het spoor gaat terug naar het ontstaan van steden en staten, meer dan vijfduizend jaar geleden. Daarna concentreert het verhaal zich op welke rol religie speelde. En hoe sterk waren Nederlandse vrouwen in de late Middeleeuwen en de Gouden Eeuw? Waarom werd de huiselijkheid zo dominant in de negentiende eeuw, waardoor de vrouw werd gemarginaliseerd op de arbeidsmarkt en in het maatschappelijk leven?

Aan de hand van verhalen over vrouwen en mannen en voorbeelden uit kunst, misdaad, godsdienst en sport worden mythes over de vrouw-manverhoudingen doorgeprikt. U zult versteld staan van alles wat u tot nu toe niet wist en zich nooit had afgevraagd over de relaties tussen de seksen in het verleden.

Jan Luiten van Zanden (15 november 1955, IJmuiden) is emeritus hoogleraar economische geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Zijn onderzoek richt zich op grote maatschappelijke vraagstukken zoals (gender)ongelijkheid en de transitie naar duurzaamheid. Recente boeken van zijn hand zijn De ontdekking van de natuur. De ontwikkeling van biodiversiteit in Nederland van IJstijd tot 21ste eeuw, en, met Maarten Prak, Pioneers of Capitalism. The Netherlands 1000-1800.

Dochters van Lucy schreef hij met medewerking van Sarah Carmichael, universitair docent van de Universiteit Utrecht.

Bijpassende boeken