Tag archieven: Tim Donker

Lászlo Krasznahorkai – Afscheid van Zsömle

Lászlo Krasznahorkai Afscheid van Zsömle recensie, review en informatie nieuwe roman van de Hongaarse Nobelprijswinnaar. Op 9 juni 2026 verschijnt bij Uitgeverij Wereldbibliotheek de Nederlandse vertaling van Zsömle odavan, de roman geschreven door Lászlo Krasznahorkai, de uit Hongarije afkomstige schrijver. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Lászlo Krasznahorkai Afscheid van Zsömle recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Afscheid van Zsömle, de roman van Lászlo Krasznahorkai, de Hongaarse winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur in 2025, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

En ja zeggen. En ja zeggen en knikken en op het boek tikken, dit boek, Afscheid van Zsömle van László Krasznahorkai, en dit is er weer zo één zeggen, en ja zeggen, en knikken, en tikken op dit boek. Want daar zit je, jij, t besprekerken, aan tafel, achter laptop, en hier heb je er weer zo één, weer dat soort boek, een boek met zoveel lagen, hoeveel, je weet het niet, je telt de lagen nooit, en je weet ook niet zo goed hoe je het nu moet aanpakken, wat je erover moet zeggen, hierover, over dit boek, over Afscheid van Zsömle van László Krasznahorkai, dat weer zo’n meerlagig boek is, en je wil recht doen aan iedere laag. Misschien kun je beginnen, denk je, met de meest elementaire laag. Want in de allerkaalste essentie is Afscheid van Zsömle misschien gewoon maar het verhaal van een alleenstaande oude man. József Kada, 91 jaar, gepensioneerd elektricien. Zijn vrouw is er niet meer, allang niet meer, zijn dochter heeft het contact verbroken, zijn kleinkinderen ziet hij nooit, hij heeft alleen maar zijn hond, Zsömle. En Zsömle is ook al erg oud, en Zsömle gaat dood, en wordt vervangen door een nieuwe hond die ook Zsömle als naam krijgt. Want Kada’s honden hebben altijd Zsömle geheten, en zo moet dat zijn want zo is het goed. Dit is het verhaal dat je tragisch kunt noemen, of treurig, of schrijnend misschien; het is het verhaal van alle mensen. Je hebt een dat leven, en dan, vanaf een bepaalde leeftijd gaan je dingen ontvallen. Je gaat met pensioen, en daar gaat dan je arbeidzame leven. Je was getrouwd, en degene met wie je je leven deelde gaat dood. Je had kinderen maar die verhuizen, of emigreren, of je spreekt ze om andere redenen nog maar zelden of misschien zelfs wel nooit meer. Dingen hadden nut, er was een bepaalde zin, en dan ineens is het er allemaal niet meer. Treurig misschien ja, maar hoe gaan dingen. Zoals ze gaan, hoor ik u antwoorden, en dan spreekt gij recht en niet krom.

En zitten, en denken, en ja zeggen, en mompelen dat een boek, elk boek, het meest eenvoudige zelfs nog wel, altijd meer is dan zijn allerkaalste essentie, anders zou het immers niet de allerkaalste essentie zijn (een boek heeft wel een kop en ook een staart maar een boek is nooit een paard), dan was het gewoon gans het boek. Misschien is het de leeftijd, misschien is het zijn wat teruggetrokken bestaan, misschien een bepaald gemis. Misschien is Jószef Kada gewoon wat wereldvreemd. Of misschien is er toch nog iets anders aan de hand. Maar hoe het ook zij, de man heeft zich in zijn hoofd gehaald dat hij in directe lijn afstamt van Bela IV en als zodanig ook een nazaat te zijn van Dzjengis Khan. Van koninklijke bloede dus, deze Kada, en gezien de deplorabele staat waarin Hongarije heden ten dage verkeert, is het misschien eens tijd dat het land terugkeert naar de monarchie. Met Jószef Kada op de troon. Hij zou in zijn rijke verleden al ooit eens, weliswaar min of meer symbolisch, gekroond zijn. In het diepste geheim. Maar geheimen zijn zo diep nog niet of ze komen uit. Er heeft zich rond Kada een groepje vertrouwelingen geschaard die weten van zijn geheime erfopvolging, en zijn droom delen. Avond aan avond komen ze samen in het huis van Kada. En Kada maar praten. Over alles dat was, eenmaal. Hij heeft “Sjimmie Karter” nog gesproken, hij heeft gezwommen in de Béga met Johnny Weismüller, toen ze nog jongens waren (en het water was nog proper en hun voeten stonden nog waterpas). Een stormachtige relatie met een actrice, ja dat was er ook nog. En hij is een oorlogsheld, hij heeft tallozen gered, het land verdedigd, hij heeft de dapperste daden verricht. Hij kreeg een medaille van de koningin (misschien in een droom, zijn laarzen waren erg schoon). In deze laag komt een flink stuk Hongaarse historie langs: Miklos Horty, de Habsburgers, de Árpád-dynastie, Stefanus I, en Bela IV natuurlijk, als gezegd, en Dzjengis Khan. En sprekend over geschiedenis, spreekt een mens over het heden. Je kunt het niet over Hongarije hebben zonder Viktor Orbán te noemen. Of Tamás Sulyok. Of. Orbán wordt genoemd ja (het moge duidelijk zijn dat dit boek geschreven is voor mei dit jaar). Er is ook sprake van een “voorzitter”, en een “walrussnor”. Machsthebber(s?) in hedendaags Hongarije. Of daarmee op Sulyok gedoeld wordt, is mij niet helemaal duidelijk. Hij heeft immers wel een snor maar toch nauwelijks een imposante. En Orbán heeft in het geheel geen snor. Maar een mens kan Afscheid van Zsömle misschien ook opvatten als een uitnodiging om zijn kennis over Hongarije een beetje bij te spijkeren. Wel is duidelijk dat de personages in dit boek, Kada en zijn “volgelingen” niet bijzonder tevreden zijn met hoe Hongarije er in deze tijd voor staat. Maatschappijkritiek ja, maar dit boek is meer dan een louter politieke roman.

Dit doet Krasznahorkai goed. Hij laat het oordeel over Kada’s afkomst open. Ik weet niet hoe dat met u gaat als u een boek leest, ik ben er nooit bij als u zit te lezen plus daarbij als ik er wel bij was, hoe zou ik kunnen weten wat er op dat moment in uw hoofd gebeurt?, maar ik, bij boeken als deze, weet me op een zwabberend pad gestuurd. Er zijn momenten waarop ik denk dat Jószef Kada een beetje gek is, in eenzaamheid en wereldvreemdheid bevangen door een fantasie die met hem op de loop is gegaan. En soms geven andere verhaalfiguren mij hierin gelijk. Er zijn ook momenten waarop ik denk dat het zo maar waar zou kunnen zijn, misschien niet alles wat hij beweert te hebben meegemaakt, maar een belangrijk deel ervan misschien toch wel. En soms lijken bepaalde gebeurtenissen, of uitlatingen van (andere of dezelfde) verhaalfiguren dit ook te steunen. Daarbij komt Kada voor het overige ook niet totaal waanzinnig over. Integendeel. Intelligent en belezen zijn predicaten die hem goed passen. Al heeft hij ook een beetje een melodramatische natuur. En vandaar ook. Steeds twijfel. Het zou kunnen zijn dat het kan zijn maar het zou ook kunnen zijn dat het niet kan zijn, en dat is prettig in een boek.

Twijfels ook over de mensen die voorgeven hem te geloven, en hem steunen in zijn droom in de nabije toekomst koning van Hongarije te worden. Onder hen bevinden zich allicht een paar revolutionairen. Misschien geloven zij Kada, misschien ook niet, en misschien maakt het hun niks uit. Is Kada gewoon maar een pion in de staatsgreep die hun doel is. Een mafkees als afleiding, of aanjager. Maar er zijn er duidelijk ook die geloven in de monarchie als beste staatsvorm. En drijfhout is er ook. Of. Hoe zeg je dat. Dolende zielen. Zoekenden. Figuren die behoefte hebben aan een patriarch, aan zin, richting, doel (een zo’n stuk drijfhout is een wat jongere man met de naam László Krasznahorkai) (een poging van de schrijver om zichzelf een bijrolletje te geven?) (misschien, en als zo dan ontbreekt het hem niet aan zelfspot wat de László Krasznahorkai is een wat sneue figuur (een “gezette” sneue figuur), een gemankeerde muzikant, docent op een school waar hij niet geliefd is, noch bij de leerlingen, noch bij de collega’s; en zelf haat hij deze baan ook) (er bestaat trouwens ook echt een musicus met de naam László Krasznahorkai maar het is nog onwaarschijnlijker dat deze daarmee bedoeld wordt, want die Krasznahorkai maakt, overigens niet onredelijke, darkwave) (misschien is László Krasznahorkai als naam in Hongarije zoiets als bij ons Jan Janssen ofzo). In deze laag is Afscheid van Zsömle erg intrigerend want het zegt iets over menselijke verhoudingen, en wel bijna op het niveau van een sociologische studie. Mensen kunnen elkaars reddingsboei zijn, of elkaars gebruiksvoorwerp (in zekere zin is een reddingsboei ook maar een gebruiksvoorwerp). En mensen hebben vrijwel altijd een ideaal nodig. Iets om voor te vechten, voor te leven, en desnoods voor te sterven. Iets dat hun eigen leven overstijgt, en naar een hoger plan tilt. Dat kan liefde zijn, of kunst, of een of andere religie. Een politiek ideaal. Iets dat meer is, in ieder geval, dan louter de mens zelf.

Maar.

Meer?

Ja, meer nog, altijd meer, hou uw paarden (wat is dat met paarden in deze bespreking?).

Ook hier regeert de taal. De taal regeert altijd. Het is het materiaal waarvan literatuur gemaakt is en Krasznahrokai beheerst zijn materiaal tot in de puntjes. De hoofdstukken, elk van een pagina of twintig gemiddeld, bestaan steeds uit één zin. Een lange, hele lange zin, vol met komma’s, zinnen die vloeien, woorden die blijven komen. Een bewustzijnsstroom, zou je haast zeggen, haha zegt men, dat is niet hoe een bewustzijnsstroom werkt, hoe werkt een bewustzijnsstroom dan, nou dat je over straat loopt en een idee hebt en dat inspreekt en dat later uitwerkt, o dank u wel men, dat heb ik nooit geweten, maar hoe ook, hier is het duidelijk meer dan dat. Het is niet alleen maar een aaneenschakeling van wat zich in het hoofd van Jószef Kada bevindt. Gedachten. Ideeën. Overtuigingen. Het zijn ook de gesprekken, het is ook de actie, en daarenboven – een enkele keer, niet bijzonder vaak maar ook niet helemaal nooit, wisselt het perspectief naar een ander verhaalfiguur. Het is dus een gedachten-, dialogen-, waarnemingen- en gebeurtenissenstroom, en dat gaat door en door, door niets gescheiden dan door de eerder genoemde komma’s, zodat het niet altijd volledig duidelijk is wat gedacht of gezegd wordt, wat er gebeurt, wat werkelijkheid is en wat fantasie. En tijd om er over na te denken krijg je niet, want de woorden denderen wel door. Weeral als, ge begrijpt het inmiddels, het leven zelve: dat dendert ook altijd maar door. En die parallel krijgt nog meer lading. Want Afscheid van Zsömle bevat, noodzakelijkerwijs, veel herhaling. Zeker gedurende de eerste hoofdstukken is het voornamelijk Kada in zijn keuken, met zijn vazallen. En Kada is iemand die graag zijn, al of niet sterke, verhalen meerdere keren vertelt, en ook de handelingen zijn veelal repetitief: de manier waarop hij koffie zet, of hoe er, later op de avond, overgeschakeld wordt op een mandfles wijn. Altijd diezelfde, bijna rituele, handelingen. De sleur en routine die het heden is; alle schoonheid, actie en liefde is altijd in het voorbije te vinden. Tot er ineens wel wat gebeurt. En dan gebeurt het zo snel, en schrijft Krasznahorkai het zo razend op, dat de lezer (deze lezer tenminste) niet zeker weet of het zo allemaal écht plaatsvindt, of dat het alleen maar een droom, of voor mijn part een delirium van Kada is (temeer daar de gebeurtenissen aanvangen met iets wat een aantal bladzijden daarvoor nog daadwerkelijk een droom leek, een droom (?) (of vooruitwijzing?) die later tot in detail herhaald wordt), maar ineens is alles anders. Ook in deze laag spreekt Afscheid van Zsömle met vele tongen. Naar mijn mening rekent Krasznahorkai hier toch wel definitief af met het vooroordeel dat “postmoderne” literatuur (zoals dat dan geloof ik zo onbeholpen genoemd wordt) louter vorm is: door de hoofdstukken steeds in één lange, golvende, borrelende, gulpende, bulderende zin op te schrijven, zit de schrijver het leven hier zeer dicht op de huid: nu eens de ritmiek van de -bijna verstikkende- herhaling, dan geschept worden door een trein en niet meer weten wat u nu overkomt. Daar komt bij dat het een zeer hallucinante leeservaring bewerkstelligt. Laat u meevoeren door de woordenstroom, drijf, golf, meander mee op de woorden en kom pas weer bij zinnen in een totaal andere hoek van de kamer als alle 253 bladzijden gelezen zijn.

Niet dat het daarna afgelopen is. Krasznahorkai geeft genoeg om eindeloos te herkauwen. Niemand zal ontkennen dat Orbán Hongarije naar de verdommenis hielp. Maar welke staatsvorm is beter? Wat Kada voor ogen stond was evengoed een dictatuur, ergens laat hij zich ontvallen niets te moeten weten van democratie; en in een monarchie moet een koning volgens hem meer zijn dan een louter symbolisch figuur. Het zet een mens denkend over staatsvormen en hun voor- en nadelen. En of er überhaupt veel verschil is. Is een democratie niet evenzeer een dictatuur? De macht aan de massa. Maar de massa is doorgaans niet al te intelligent. Is dan een dictatuur met aan het hoofd een intelligente, integere, goedwillende figuur niet veel beter? Maar ach. Intelligente, integere en goedwillende figuren verlangen niet naar zoveel macht. Om een hele natie onder de duim te willen houden, moet je per definitie al zwaar gestoord zijn. Door wat wil u geleid worden? Door domheid of door gekte? Bakoenin oordeelde staat als dictatuur, en niet zonder reden lijkt mij. Het verschil bestaat in een fictie. Misschien zou je zelfs zo ver kunnen gaan om in Afscheid van Zsömle een kritiek op de rechtsstaat te lezen. Ofwel: hoe krom is recht. Onder ander gesternte had Kada wel degelijk koning kunnen zijn, nu staat hij onder verdenking. In het ene vereert, in het andere beschimpt. Het juridische systeem is ook een fictie, al lees ik er bij Vaihinger niet veel over terug. Een fictie die tijdsafhankelijk is. Wat in de ene tijd goede en bewonderingswaardige eigenschappen zijn: eigenzinnigheid, zelfstandig na kunnen denken, een kritische geest hebben, maken u in andere (corona-)tijden tot een staatsgevaarlijke gek, een asociaal wezen, een achterlijke “wappie”. Maar dan legt uw besprekerken Krsznahorkai allicht bedoelingen op die hij nooit gehad heeft. Al is dat net het kenmerk van goede literatuur: dat heeft altijd veel meer bedoelingen dat het heeft.

Kun je er nog meer over zeggen dan dat? Dat het prachtig is. En dat u het lezen moet. Dat. En alles wat ik hierboven gezegd heb.

Lászlo Krasznahorkai Afscheid van Zsömle

Afscheid van Zsömle

  • Auteur: Lászlo Krasznahorkai (Hongarije)
  • Soort boek: Hongaarse roman
  • Origineel: Zsömle odavan (2024)
  • Nederlandse vertaling: Mari Alfoldy
  • Uitgever: Wereldbibliotheek
  • Verschijnt: 9 juni 2026
  • Omvang: 255 pagina’s
  • Afmetingen: 13,7 x 21,1 x 2 cm
  • Gewicht: 330 gram
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 26,99 / € 11,99
  • Roman bestellen >

Flaptekst van de Lászlo Krasznahorkai roman

De nieuwe roman van Nobelprijswinnaar László Krasznahorkai.

Over de onontkoombare krachten van verval, macht, totalitarisme, chaos en de zoektocht naar betekenis in een desolate wereld

In een afgelegen dorp in Noord-Hongarije leidt de 91-jarige gepensioneerde elektricien Józsi Kada een stil, schijnbaar betekenisloos bestaan, vergezeld door zijn hond Zsömle. In eindeloze brieven aan machthebbers ontvouwt hij een overtuiging die even verheven als wankel is: hij is, als directe afstammeling van Béla IV en Dzjengis Khan, de rechtmatige erfgenaam van de Hongaarse troon, en ziet het als zijn plicht een moreel uitgehold vaderland te redden.

Wanneer zijn geheim uitlekt, stroomt het dorp vol volgelingen, gedreven door nostalgie, wanhoop en nationalistische droombeelden. Józsi’s geest schommelt tussen verheffing en verval; zijn hond sterft en wordt vervangen, zoals ook ideologieën worden doorgegeven. Wat volgt is geen restauratie, maar ontwrichting.

László Krasznahorkai is geboren op 5 januari 1954 in Gyula, Hongarije. Hij is een van de belangrijkste Hongaarse schrijvers. In 2025 werd hem de Nobelprijs voor Literatuur toegekend voor‘een meeslepend en visionair oeuvre dat, te midden van apocalyptische terreur, de kracht van kunst bevestigt’, aldus de jury.

Bijpassende boeken en informatie

Malgorzata Lebda – Onstilbaar

Malgorzata Lebda Onstilbaar recensie, review en informatie over de inhoud van de roman van de schrijfster uit Polen. Op 7 mei 2026 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van Łakome, de eerste roman van de Poolse dichter en fotografe Małgorzata Lebda. Op deze pagina lees je informatie over de inhoud van de roman, de auteur en over de uitgave.

Malgorzata Lebda Onstilbaar recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Onstilbaar, de roman van Małgorzata Lebda, dan bestede we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

En dag weeral, maar nog vroeg, nog een beetje erg vroeg eigenlijk, maar je ligt daar maar, klaarwakker en peinzend, en om zes uur gaat toch die verdomde wekker, over een kleine drie kwartier dus, en dus ga je maar, bed uit, trap af, en je zit daar, in dat licht, dat allereerste licht van de dag, dat licht dat eruit ziet alsof je het zo zou kunnen verscheuren, in dat licht dus zit je, in je leesstoel, en daar zittend weet je niks anders te doen dan te lezen, anders was je wel in de praatstoel of in de luisterstoel gaan zitten maar daar zit je niet, je zit in de leesstoel, en dus lees je, en je pakt Onstilbaar van de stapel, van Małgorzata Lebds, weeral een Pool, was het onderlaatst ook niet al een Pool, je weet niet wat te denken, je kent deze schrijver niet, maar ze loopt klaarblijkelijk ultramarathons, zo zegt het achterplat, en wat in godesnaam zijn ultramarathons, en je hebt het niet zo op al dat geren, en dan is ze ook nog universitair docent en dat is nog minder, maar je zit, en je leest.

En dit is.

Dit past zo mooi. In dit vroege licht past het zo mooi.

Dit is het verhaal. Dit is het ding. Dit is wat is.

Twee vrouwen zijn naar het kleine, afgelegen dorpje Maj gekomen. Er is een oma die Róża heet, en zij is stervende. Ze willen zachtjes meedrijven naar haar levenseinde. Er is ook een opa, die voortdurend bezig is in en om het huis. Want: “Opa mijdt oma’s ziekte, de ceremonies rondom de ziekte zijn hem vreemd, hij wil niets van de ziekte weten, niets in de ziekte aanraken.”, zoals het, herhaaldelijk doorheen het boek, benoemd wordt. Deze vier mensen vervullen de hoofdrollen. Misschien is er ook nog een hoofdrol voor de ziekte van oma; een ziekte die bijna als een entiteit wordt voorgesteld en effect heeft op alles – uiteindelijk wordt alles ziek van de ziekte, het huis wordt ziek, de vrouwen worden ziek, opa wordt ziek. Maar misschien is de hele regio wel ziek. Misschien ligt alles lam, misschien verschuift alles naar een eind.

Want het rare is dat er niets lijkt te gebeuren. Terwijl er van alles gebeurt. Er is een oma die dood aan het gaan is, er is een aardverschuiving, iemands huis verdwijnt in een gat, er zijn mensen die vanaf de Oostzee naar Maj zijn gekomen, er zijn hele levens die daar de revue passeren. En toch voelt het aan als een aangename onbeweeglijkheid.

Allicht heeft het te maken met de taal. De taal van Lebda. Die is zo uitgepuurd, ofnee niet weer uitgepuurd, rot op met je uitgepuurd, maar wat dan. Gerijpt misschien. Taal die lang genoeg gelegen heeft om te rijpen, waarlijk te rijpen, niet rijpen zoals fruit dat doet want dan zo de taal allang verrot zijn, maar rijpen zoals een goede overjarige kaas, of zeg een aangenaam rokerige whiskey. Een taal zo verstild dat er maar weinig woorden nodig zijn om het maximale te kunnen zeggen (whiskey heeft ook maar een glasbodem nodig). Vandaar dat wit. Al dat paginawit. Dat een twede stem is: de stem van de stilte naast die van de taal. Vandaar dus ook dat Lebda kan volstaan met korte hoofdstukjes. In een enkel geval maar zes regels. Neem: “Oma brengt een prachtig woord mee uit Stary Sad. Ze herhaalt het meermaals. Het woord beweegt in haar mond, het is rond, maar er zitten spanningspunten in die op de juiste plekken verzachten. Algauw komen we erachter dat het woord niet alleen klinkt, maar ook iets doet – het laat licht de aders in. Veel licht.” (dit lijkt te gaan om het woord opioïde) (heel even dacht ik aan mijn vader en zijn laatste dagen aan een morfinepomp).

Uit deze wonderschone, organische taal komt een verstilling tevoorschijn die de lezer wiegt. En liefde ook. Er gaat veel liefde rond. Tederheid. Zachtheid. Voor de oma, tussen de twee vrouwen onderling, en ook voor de opa, al is dat misschien eerder een toegeeflijk soort liefde. Maar het geeft dit boek een onmiskenbare warmte.

Of een ander aspect. Het laat mysteries leven, het verlicht niet tot in elke hoek. Wat is precies de relatie tussen de twee vrouwen die naar het huis van de oma zijn gekomen? De langste tijd dacht ik dat het zussen waren, maar tegen het einde ging ik daaraan twijfelen. Vroeg ik me zelfs af of ze wel familie van elkaar waren. De onderlinge relatie is liefdevol genoeg om aan geliefden te denken, al geloof ik ook niet dat dat het geval is. En waar ze vandaan komen, en wat ze daar deden, in hun respectievelijke ginders, ze zijn zo te merken de langste tijd weggeweest uit Maj, het huis van de opa en oma waar in ieder geval de ikfiguur ook haar jeugd lijkt te hebben doorgebracht. De ikfiguur “werkt aan code”, en schrijft ook gedichten; de ander, die Ann heet, zou hoogleraar kunnen zijn en doet studie naar het licht (de opa bouwt haar, weer zo’n verbijsterende daad van liefde, een schuur vol spiegels, een spiegelschuur met glazen dak, zodat Ann onder alle hoeken de lichtval kan bestuderen). De ouders van de ikfiguur, die mogelijkerwijs niet ook de ouders van Ann zijn, zijn omgekomen, ooit, misschien bij een ongeluk, en misschien al lang geleden. Maar het verleden wordt wat in het vage gelaten, en het is prettig, als lezer, om een boek te verlaten met de wetenschap dat je de dingen aangeraakt hebt, maar nooit helemaal vast kon grijpen. Dat kun je opvatten als een uitnodiging tot herlezing, zoals je een seedee die zo mooi is dat het het bevattingsvermogen een weinig te boven gaat steeds weer opnieuw wilt horen.

Van dat soort zeldzame schoonheid is Onstilbaar. Een schoonheid te groot voor het verstand. Ja, dit gaat over dood, over ziekte, over allerlei onheil waardoor mensen getroffen kunnen worden. Maar om het eerder aangehaalde hoofdstuk op het boek zelf te betrekken: er zitten spanningspunten in die op de juiste plekken verzachten. Ja dat doet het. En het laat licht de aders in. Ja, dat doet Onstilbaar ook. Zo hoeft een boek over zware onderwerpen niet verdrietig te zijn. Onstilbaar is troostrijk. Onstilbaar is vol van dat vroege, lieflijke licht. Onstilbaar verstilt. Zodat je zit. Daar. Zwijgend, stokstijf en vol van alles wat je zojuist gelezen hebt.

Małgorzata Lebda Onstilbaar

Onstilbaar

  • Auteur: Małgorzata Lebda (Polen)
  • Soort boek: Poolse roman, debuutroman
  • Origineel: Łakome (2025)
  • Nederlandse vertaling: Charlotte Pothuizen
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 7 mei 2026
  • Omvang: 304 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 23,50
  • Roman bestellen >

Flaptekst van de roman van de Poolse schrijfster Małgorzata Lebda

Twee vrouwen arriveren in het afgelegen dorpje Maj om in te trekken bij de ernstig zieke grootmoeder Róża. De grootvader verricht verwoed reparaties aan het vervallen huis, Róża omringt zich wanhopig met alles wat leeft, en de vrouwen zorgen voor haar. Met op de achtergrond het reutelende geluid van een slachthuis en de dreiging van een verschuivende landmassa beleven ze samen een laatste keer de seizoenen.

In spaarzame, zintuiglijke taal schetst Małgorzata Lebda een gelaagd verhaal over zorg, de onvermijdelijke dood van alles wat leeft, en over de natuur, die idyllisch is en macaber tegelijk. Onstilbaar is een monument voor het leven dat iedereen zal aanspreken die ooit van iemand heeft gehouden of iemand heeft verloren.

Małgorzata Lebda is geboren op 23 augustus 1985 in Nowy Sącz, een stad in het zuiden van Polen. Ze is vooral bekend als dichter en fotograaf. Onstilbaar is haar debuutroman.

Bijpassende boeken en informatie

Stig Sæterbakken – Siamese

Stig Sæterbakken Siamese recensie, review en informatie over de inhoud van de roman van de schrijver uit Noorwegen. Bij Uitgeverij Dalkey Archive Press verschijnt de Engelse vertaling van Siamesisk de roman van de in 2012 overleden Noorse dichter Stig Sæterbakken. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Stig Sæterbakken Siamese recensie van Tim Donker

Een man. Een vrouw. Ouder echtpaar. Ooit moeten ze van elkaar gehouden hebben. Maar hoe gaan die dingen. Je bent jong, je ontmoet iemand, je gaat van elkaar houden, of je denkt van elkaar te houden, of je ziet hele andere dingen aan voor liefde, en je gaat trouwen, want dat is hoe het hoort te lopen in het leven. En voor je het weet is je leven alweer bijna voorbij en ben je vijftig jaar lang bij iemand geweest van wie je je nu hard afvraagt wat je ermee moet. In Siamese resteert voornamelijk afstand, afkeer, nijd en wat misschien nog het best als een vorm van stockholmsyndroom omschreven kan worden. De vrouw richt zich op het hier en nu, huishoudelijke taken, dingen die gedaan moeten worden, boodschappen, eten, klusjes. De man heeft zich teruggetrokken in de badkamer en doet niets meer dan zitten, denken en kauwgom kauwen. Dat is geen Samuel Beckett of Thomas Bernhardt, die er op het achterplat maar weer eens bijgehaald worden (want hee de situatie is absurd en vol van gal en animositeit dus met welke namen gaan we anders schermen?) maar, als je het mij vraagt, eerder Jean-Philippe Toussaint.

Dan flikkert de lamp in de badkamer, en gaat kapot. De vrouw haalt er de conciërge bij van het gebouw waar ze in wonen. Misschien is dat wat overdreven: de conciërge bellen om een lampje te vervangen. Maar allicht is dat in Noorwegen heel gebruikelijk. Wat heeft zo’n conciërge anders te doen in zo’n gebouw met, naar ik veronderstel, sociale huurappartementen.

In Siamese wisselt het vertelperspectief voortdurend tussen de man: Edwin Mortens en zijn vrouw: Erna Mortens. Maar Sæterbakken geeft blijk van zijn meesterschap door het eerste hoofdstuk door Erna te laten vertellen. Zo komt de ongemakkelijkheid van de situatie optimaal tot zijn recht. Erna loopt met de conciërge de badkamer in en daar zit haar man zwijgend in een stoel. Ze haalt er een opstapje bij zodat de conciërge de lamp eruit kan drajen. Edwin boert een paar keer luid, Erna staat er even bij, en kijkt erna, gaat weg, reddert wat in de keuken (“rommelen”, noemde mijn tante dat – heeldurdagen was zij in de keuken aan het “rommelen”, ieder kopje waaruit een van ons koffie had gedronken waste ze ogenblikkelijk af, en bovendien begon ze idioot vroeg met het avondeten, veelal reeds aan het eind van de ochtend – terwijl ze doodnormale oerhollandse gerechten op tafel zette: aardappels, vlees, groente. de aardappels waren bijna altijd gegratineerd dus allicht dienden die kort gekookt vooraleer ze in de oven gingen maar alsnog geen maaltijden waarmee een mens uren bezig moest zijn. haar groenten waren dan ook altijd volledig kapot gekookt omdat ze die meerdere keren op een dag opwarmde. maar haar jus was altijd goed op smaak, dat moet ik zeggen), totdat de conciërge terugkomt uit de badkamer. Ze biedt hem een kopje koffie aan, ze gaan zitten in de huiskamer, ze praten niet of nauwelijks, zitten daar maar, de conciërge steekt een sigaret op. Dat moet ook in het 1997 waarin Sæterbakken dit Siamesisk, zoals Siamese in de originele versie heette, het levenslicht liet zien, bijzonder onattent geweest zijn. Maar Erna zegt er niks van.

Hiermee zet Sæterbakken de lezer feitelijk op het verkeerde been. Of misschien. Op een half been. Bij nu kun je nog denken te maken hebben met een absurdistische komedie over menselijk onvermogen. Twee echtelieden die tot elkaar veroordeeld zijn, een man die verdrinkt in zijn walging en ervoor gekozen heeft de wereld de rug toe te keren; een vrouw die het liefst blijft doen alsof er niks aan de hand is. Niet raar, hij zit gewoon graag in die badkamer, moet kunnen. Zich ondertussen wel afvragend wat de conciërge ervan denken zal. Pijnlijk. Menselijk. Grappig.

Had Edwin als eerste het woord gekregen, dan had het eerste hoofdstuk er heel anders uitgezien. Woede en achterdocht hadden geprevaleerd. Bovendien had hij niet goed begrepen wat er precies aan de hand was. Niet alleen omdat de conciërge niet de hele tijd in de badkamer is, en Edwin weigert de badkamer uit te gaan. Maar ook, zo blijkt, is Edwin blind.

Pas in opvolgende hoofstukken wordt de achtergrond meer en meer ingekleurd. Edwin begon op een bepaald moment zijn zicht te verliezen, tot op het nivo waarop hij nu zit: volledige blindheid. Bovendien lijkt hij ziek te zijn. Terminaal wellicht? (alles is terminaal, zei Zappa ooit toen een journalist hem vroeg in welk stadium zijn ziekte was) Zit hij vast aan een of meerde apparaten? Het kan ook alleen maar een stoma zijn. Kleinswijltjens lang dacht ik dat hij daar in een rolstoel zat, maar het blijkt een schommelstoel te zijn. Is hij verlamd? Het lijkt erop dat hij niet eens kán opstaan. Eén of andere progressieve ziekte, kun je denken, die steeds meer van zijn lichaamsfuncties aantast. Of depriveert hij uit verkozen inactiviteit? Ook een mogelijkheid: Edwin heeft zich toegelegd op het voltijds vegeteren en omdat hij niets anders meer wil dan zitten, en denken, verzwakken al zijn andere spieren. Misschien toch niet ziek, afgezien van zijn blindheid. Erna denkt soms dat hij alles simuleert. Dat hij misschien helemaal gezond is, kan zien, haar en iedereen in de maling neemt. Sæterbakken laat de lezer heen en weer slingeren tussen beide veronderstellingen. De Edwin-hoofdstukken lezend zou je denken dat hij elk moment dood kan gaan. Wanneer je echter door Erna’s ogen kijkt is er misschien echt niet zoveel aan de hand. Gans het boek doorheen blijft het in het midden.

Misschien is Edwin onbetrouwbaar. Uiteindelijk is hij de gek. Een vent die in een schommelstoel zit in de badkamer, op de vloer een zee van kauwgompapiertjes. Hij eet niet, hij praat nauwelijks, hij schreeuwt en scheldt alleen maar. De hoofstukken waarin hij aan het woord is, zijn wel het langst en gaandeweg krijgt hij steeds meer diepte. Gedurende een groot deel van zijn leven was hij de directeur van een verzorgingstehuis, Kronsæter. Hoe hij daar weggegaan is, is niet geheel helder. Gewoon met pensioen misschien? Of moest hij weg toen hij zijn zicht begon te verliezen? Er is ook een incident geweest met een verpleegster; Edwin werd driftig om iets kleins en iedereen op Kronsæther koos de kant van de verpleegster.

Langzaamaan tekent zich het plaatje. Zijn hele leven lang al, was Edwin een temperamentvol man. Maar ook consciëntieus, toegewijd, precies, en zeer intelligent. Op het idiote af. Ja, in de Edwin-hoofdstukken neemt Siamese een beckettiaanse toon aan – het gaat over dood, verrotting, stront, vuiligheid, een enkele keer met een licht erotiese lading. Maar zijn herinneringen aan Kronsæther zijn net zo goed nietzscheaans: de wil tot macht, hoe wat de een vergaart altijd ten koste van de ander gaat. Een ex-collega over wie hij voornamelijk in deze termen nadenkt is De-Sarg; een man waarmee hij een soort haatliefde-verhouding lijkt te hebben gehad. Geen goed woord heeft Edwin over voor De-Sarg maar het lijkt wel een man geweest te zijn die hij met liefde heeft gehaat. Daarnaast denkt Edwin veel na over politieke, sociale, maatschappelijke en emotionele zaken. En komt daarbij vaak tot moje bevindingen. Bijvoorbeeld dat de wet er niet is om de burger te beschermen maar juist om hem te onderdrukken. Of neem dit idee over het huwelijk – of lange relaties tout court: “A liar, that’s what you turn into when you’re with a woman. You have to liet he whole time. Otherwise you’d never be able to keep her.” Kijk met Erna mee en je ziet een onhebbelijk monster vol chagrijn zitten daar in die stoel in de badkamer. Maar eens Edwin zelf aan het woord is, kun je niet anders dan sympathie voor hem opvatten.

Het monster, de volslagen gek in de badkamer. Erna kookt voor hem, brengt hem zijn cola – de enige drank die hij nog drinkt – en vult zijn kauwgom en zijn medicijnen steeds aan. Voorheen nam ze ook zijn persoonlijke verzorging op zich. Knipte zijn haren en zijn vinger- en teennagels. Duwde zijn nagelriemen terug. Schoor en waste hem. Daar is ze omdat ze niet echt veel dankbaarheid hierbij ontmoette mee opgehouden. Nu is Edwin vervuild, stinkend, lang haar, lange baard – om hem een nog iets sardonieser aanzien te geven allicht. Maar is Erna echt wel betrouwbaarder dan Edwin? Ze is onzeker, stil, naïef, beïnvloedbaar en een beetje karakterloos. Ze heeft zeer zeker niet per se een helderder zicht op de waarheid dat de blinde en “gestoorde” Edwin.

Misschien is het aan de lezer, of ligt het ergens in één of ander midden – misschien wat meer naar links, misschien wat meer naar rechts ervan. Geloof je Erna, dan is Edwin een vreselijke man. Bezie je het van de andere kant dan is Erna een emotieloze, ijskoude vrouw die een blinde hulpeloze man aan zijn lot over laat, hem alleen maar het hoogstnoodzakelijke brengt om hem in leven te houden en verder in huis de hele dag door met dingen bezig is waarop Edwin geen enkel zicht meer heeft. Letterlijk en figuurlijk.

Je hoeft niet heel veel fantasie te hebben om Siamese te lezen als emblematisch voor alle huwelijken. Hoe abnormaal de situatie van Erna en Edwin ook is, in essentie is het niet heel anders dan datgene waar veel mensen mee overblijven wanneer ze tientallen jaren bij elkaar zijn geweest. Ze hebben alles gegeven, de anders was ondankbaar. Ze waren en deden zoveel dat de ander nooit zag. Ten beste blijft er een kameraadschap over waarin de ander gedoogd kan worden. Maar pure weerzin is ook niet onmogelijk. Doorschoten met flitsen van genegenheid. Edwin noemt Erna Sweetie. Uit dodelijk cynisme. Maar soms ook met de compassie die de twee altijd nog voor elkaar hebben, ergens, diep verscholen onder de zwarte teer van alle andere lagen.

Iemand van de New York Times zegt: “Siamese is a difficult and brilliant book, like one of those skulls inscribed: ‘As I am now, so shall you be’ that a death besotted Romantic might have kept by his bedside.”; wel – Siamese is geen moeilijk boek. Een pijnlijk boek misschien, omdat het gaat over verval. Verval van liefde, verval van decorum, verval van aanzien. Verval van gezondheid ook. Dood gaan we allemaal, en de laatste stappen erheen zijn vaak niet de mooiste in een mensenleven. En briljant is Siamese ook niet echt. Het had briljant kunnen zijn, maar Sæterbakken laat na zijn geniale opening net iets teveel liggen. De ontwikkelingen met de conciërge, die, zo komen als we het boek al bijna uit hebben nog te weten, Olav Martiniussen blijkt te heten, zijn net iets te voorspelbaar. Al heeft Sæterbakken het einde dan wel weer zodanig open gelaten dat wat er op het allerlaatst aan de hand is een weinig in de lucht blijft hangen. En Erna is me toch iets te tweedimensionaal gelaten. Ik kon haar niet anders zien dan als Edith Bunker. De archetypische huisvrouw. Voornamelijk bezig met praktische zaken. Ondanks al het zuur dat haar ten deel valt, toch altijd loyaal aan haar man. Zelfs als ze boosaardige dingen over hem denkt, houdt ze een marge open waarin ze hem toch niet helemaal wil afvallen. Ook blijkt veel van wat ze in eerste instantie als gekheid terzijde schuift, later in het boek toch op waarheid te berusten (zoals een schuld die De-Sarg volgens Edwin nog bij hem heeft openstaan). Misschien had Edwin toch gelijk. Misschien zag Edwin het toch allemaal juist. Zulke gedachten. Zulke twijfels. Die Erna als personage in ieder geval niet krachtiger maken. Tot slot had er meer met de taal gedaan kunnen worden. De taal had gestoorder, kapotter gekund. Maar dat euvel ligt misschien eerder bij vertaler Stokes Schwartz. Die behalve literatuur ook -of misschien vooral- technisch en historisch werk heeft vertaald. Mogelijkerwijs heeft hij een te zakelijke benadering van het Noors gehad? Alleen diegenen die het Noors machtig zijn, kunnen die vraag beantwoorden.

(en hoe een boek kan zijn als een schedel met inscriptie zie ik al helemaal niet, maar voor New Yorkers zal dat allemaal wel duidelijk zijn)

Misschien had er meer in kunnen zitten, maar Siamese is al bij al een zeer fijn boek. Pijnlijk. Absurd. Grappig. En, zeker op het eind, af en toe ook regelrecht ontroerend. Een boek over liefde. Een boek over dood. Een boek over leven. Ik kende Sæterbakken eerlijk gezegd niet, ik weet niets van zijn oeuvre. Geboren in 1966, overleden in 2012 en in ieder geval dus niet bijster oud geworden. Maar dat zegt niets over een oeuvre; sommige schrijvers pennen boek na boek na boek na boek in slechts enkele jaren. Siamese verscheen in 2010 al een keer in Engelse vertaling; deze twede editie is meer dan verdiend. Een vertaling in het Nederlands zou ook mooi zijn. Misschien iets voor Koppernik?

Stig Sæterbakken Siamese

Siamese

  • Auteur: Stig Sæterbakken (Noorwegen)
  • Soort boek: Noorse roman
  • Origineel: Siamesisk (1997)
  • Engelse vertaling: Stokes Schwartz
  • Uitgever: Dalkey Archive Press
  • Omvang: 164 pagina’s
  • Afmetingen: 14 x 20,3 x 1,3 cm
  • Gewicht: 227 gram
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 13,50 / € 12,99
  • Boek bestellen >

Flaptekst van de Stig Sæterbakken dichtbundel

Edwin Mortens is almost blind, but has good hearing; his wife Erna is hard of hearing, but has excellent eyes. Paralyzed from the waist down, Edwin sits locked in his bathroom all day, every day, trying to liberate his mind from his body.

Edwin Mortens is almost blind, but has good hearing; his wife Erna is hard of hearing, but has excellent eyes. Paralyzed from the waist down, Edwin sits locked in his bathroom all day, every day, trying to liberate his mind from his body. The experiment is going relatively well: nearly all his bodily functions have ceased, his limbs are in a state of decay, and his digestive system is in the process of breaking down. “This body,” he says, “is a sewer.”

To pass the time, Edwin dedicates his days to chewing gum and screaming at his wife, on whom he is, nonetheless, entirely dependent; while Erna’s life, despite Edwin’s constant abuse, revolves around her hideous husband. Edwin and Erna live in a state of perfect equilibrium—fueled by habit, cruelty, humiliation, and quite possibly love—until a young maintenance man is called to replace a lightbulb in Edwin’s bathroom, and the “Siamese twins” find themselves embroiled in a new and vicious struggle for power.

Stig Sæterbakken is op 4 januari 1966 geboren in Lillehammer, Noorwegen. Hij was een romanschrijver, dichter en vertaler. Van zijn werk is tot nu toe nog geen Nederlandse vertaling verschenen. Op 24 januari 2012 overleed Stig Sæterbakken op 46-jarige leeftijd. Hij pleegde zelfmoord.

Bijpassende boeken en informatie

Gabriella Zalapi – Ilaria

Gabriella Zalapi Ilaria recensie, review en informatie over de inhoud van de roman van de schrijfster van Engels, Italiaans, Zwitserse afkomst. Op 21 april 2026 verschijnt bij Uitgeverij Tristan de Nederlandse vertaling van Ilaria, Ou la conquête de la désobéissance, geschreven door Gabriella Zalapi. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Gabriella Zalapi Ilaria recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Ilaria, Of de weg naar ongehoorzaamheid, geschreven door Gabriella Zalapi, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

Dat ik er een paar weken geleden nog iets over zei tegen een collega in het depot hoort hier nog niet.

Dat de tekst zwemt in een zee van wit ook nog niet. Of dat ik toen ik dat zag erachteraan dacht: als een foetus in vruchtwater (of: hoe die gedachte me deed afvragen waar gedachten vandaan komen, hoe komen ze in je kop, wie plaatst ze daar?).

Het moet beginnen met wat ik al uitentreuren heb verteld. Ooit was ik bevriend met een man die de eigenaar was van een uitgeverij, een wat kleinere uitgeverij. Eerst had de uitgeverij een tamelijk experimentele koers gevaren maar inmiddels richtte het zich meer en meer op wat traditionelere, of zeg: pretentieuzere, literatuur. Daar spraken we over. De uitgever zei: Die experimenten ken ik nu wel, vertel me eerst maar eens een boeiend verhaal. Ik zei: Die verhalen ken ik nu wel, vertel het me eerst maar eens op een boeiende (vernieuwende / afwijkende) manier.

(eigenlijk weet ik niet of ik dit zei. mogelijkerwijs dacht ik het alleen maar. ik ben slecht in discussies, mijn brein werkt er te traag voor. doorgaans ben ik zeer onder de indruk van mensen die met grote stelligheid iets te berde brengen, denk ik jajaja dat zal dan wel zo zijn, er zit wel iets in, je zult wel gelijk hebben, misschien weet ik er ook niet voldoende vanaf, misschien mis ik het overzicht, het grotere plaatje, wie weet. dan gaat het nog uren- en soms dagenlang rond en rond in mijn brein, en veel te laat ontdek ik dan de zwakte in de redenering die me in eerste instantie zo overdonderd had – ik ben zo iemand die pas op de terugweg het geschikte weerwoord bedenkt, en nog in staat is terug te fietsen om het te gaan zeggen ook)

(ooit, in een ander leven, was er een schrijverken die de hoger aangehaalde anecdote kondt deed aan zijn dregke, en dregke zei dat het waar was wat die uitgever gezeid haadt over boeiende verhalen, dat ze zich daar alles bij voor kon stellen, en het schrijverken voelde een steekchen toen, een steekchen van verraad, van ook gij dregke, gaat het bij het schrijven immers niet veeleer om de organisatie van je materiaal, anders haadt gij me toch net zo goed het vertellerken kunnen noemen?)

Ik denk vaak terug aan de woorden van die uitgever, en van mijn gedroomde weerwoord erop.

Ook nu weer.

Je zou kunnen zeggen dat Ilaria. Of de weg naar ongehoorzaamheid gaat over een gescheiden vader die zijn dochter ontvoert en over hoe ze samen door Italië reizen, waarbij de vader zijn dochter af en toe op plekken achterlaat en voor enige tijd verdwijnt. Dat zou je kunnen zeggen, en daarmee zou je het boek niet per se onrecht aandoen. Behalve dat ik zou denken: Ik geloof niet dat ik dat boek zou willen lezen.

En Gode weet hoe graag ik Ilaria gelezen heb. Hoe het mijn adem benam, hoe het me nagelde aan mijn leesstoel, hoe het me pagina na pagina na pagina liet vreten. Hoe het me ontroerde, begeesterde, verlamde. Geheel momenteelderlijk weeral eventjes het mooiste boek dat ik las dit jaar (sinds het vorige mooiste boek van het jaar, totaan het volgende mooiste boek van het jaar).

Want er is het verhaal. En er is hoe je het verhaal organiseert. En dat laatste doet de vertellers onderscheiden van de schrijvers. Vertellers onderhouden. Schrijvers overweldigen.

Al dat wit, om te beginnen. Het paginawit. Zalapì brengt het wit zo prachtig tot spreken. Het wit als zuurstof, het wit als het ademen van de pagina. Het brengt verstilling, rust en traagte.

En de taal. Die op het desolate af afgepast is. En poëtisch. Zo wondermooi poëtisch is. Impressionistisch, eerder dan op uitputtende wijs beschrijvend. Lees: “Nachtkastje. Lavendelgeur. Bureau. Stoel. Groot raam met uitzicht over de binnenplaats. Een gestreepte kat steekt het erf over.” God. Wie valt daar nu niet voor? Of: “Isabella is aan het breien. Ze doet me denken aan een kostbaar glas, lang, smal, recht, koel.” Ik had nooit kunnen denken hoe treffend de vergelijking van een persoon met een glas zou kunnen zijn. Jij? Of: “Het woord ‘Papa’ ligt onder onze voeten. Een glasscherf. Er niet in lopen.”

De schrijfstijl van Gabriella Zalapì deed me denken aan het einde van een hete zomerochtend. Hoe je in de tuin kunt staan, als het echt warm is buiten, rond een uur of elf, en je bijna geen geluiden hoort want iedereen is naar school, iedereen is naar werk, je bent vermoedelijk de enige in deze straat die nu in zijn achtertuin staat, en de hitte is al zo dik dat je er plakjes van zou kunnen snijden, heel de werkelijkheid lijkt iets dat stolling gekomen is, alsof je het vast zou kunnen pakken, en ook alsof het iets is dat alleen voor jou bestaat, je hebt de tuindeur open laten staan en vanbinnen komt zachtekens het geluid van Mi and L’Áu naar je toe gegleden, en alles lijkt bijna onwerkelijk.

Dat.

Door die taal.

Door dat wit.

En ook: door het perspectief. En hier komt langzamerhand in beeld wat ik een kleinstwijltjens voor ik dit boek las al eens tegen een collega zei. In het depot.

Zalapì vertelt het verhaal vanuit Ilaria. Een klein meisje. Zeven, acht jaar oud. Waardoor alle cynisme, alle haat, alle oordelen tot nader order opgeschort blijven. Ilaria is gewoon maar een meisje, ze houdt van turnen, ze hangt ondersteboven op het schoolplein in afwachting van haar zus, het is na schooltijd, Ana, de zus, heeft haar nog zo op het hart gedrukt om op tijd te zijn, anders gaat ze alleen naar huis, dus Ilaria wacht, Ilaria hangt, en dan hoort Ilaria een bekende stem.

Haar vader.

Haar ouders zijn gescheiden, ze ziet haar vader nu alleen nog maar samen met haar moeder en met Ana in publieke gelegenheden maar nu staat hij ineens aan het schoolplein. Hij zegt dat de plannen gewijzigd zijn, hij zal haar naar het restaurant brengen waar Ana samen met haar moeder naartoe zal komen, en natuurlijk heeft Ilaria geen reden om daaraan te twijfelen, waarom zou een kind twijfelen aan iets wat één van haar ouders zegt?, twijfel komt later pas. Dus ze stapt in. Bij haar vader. En ze rijden.

En ze blijven rijden, want de plannen blijven wijzigen. Een middagje op restaurant wordt een weekendje bij haar vader, wordt een week, een maand. Uiteindelijk zullen het jaren zijn.

En Ilaria is. Ilaria komt. Ilaria gehoorzaamt. Aan alles.

En de lezer leest.

Wat ik dus zei tegen die collega. Is dat ik bepaalde boeken ander lees sinds ik vader ben. Boeken over dysfunctionele ouders. Met name vader, het zijn altijd de vaders die er ongenadig van langs krijgen bij schrijvers. Vaders zijn lomp, dronken, zorgen niet, zijn op een verre achtergrond of helemaal weg. Ooit las ik dat en identificeerde me met het kind, voelde mee met een nijpend gebrek aan ouderliefde. Toen, op de kop af deze dag dertien jaar geleden, mijn oudste geboren werd, verschoof mijn perspectief. Vooral wanneer een boek weer eens een vader aan de schandpaal wenste te nagelen. Las ik en zag ik en dacht ik.

Dat valt wel mee. Dat soort gedachte weet u.
Die vader is maar een mens. Ook.
Iemand die zijn best doet, de opvoedstijl misschien een weinig onorthodox maar niet zonder liefde. Niet zonder goede intenties. Weet u. Omdat ik probeerde te zien, te snappen, te volgen hoe ouders, hoe vaders soms verkeerde keuzes maken en hoe dat hen niet tot slechte mensen maakt. Hooguit tot mensen die onhandige keuzes maken.

En dit doet Zalapì dus goed. Dit doet Zalapì fantastisch.

In de eerste helft van het boek kan ik nog meevoelen met de vader. Hoewel Ilaria de vertelller is, het slachtoffer van de onhandige keuzes van de vader. Snap ik die man ook nog wel.

Je leest alles uit de ogen van een meisje.
Je moet het maar met je volwassen cynisme reconstrueren.
En dan reconstrueer je dit:

dat Ilaria’s ouders naar alle waarschijnlijkheid niet op vriendelijke voet uit elkaar gegaan zijn. Misschien omdat Ilaria’s vader net iets teveel van een borrel hield. Of. Nah. Weet jij veel. In ieder geval is er een scheiding geweest, en klaarblijkelijk heeft Ilaira’s moeder, ongetwijfeld met de allerbeste bedoelingen bedongen dat vader zijn dochters alleen nog onder haar toezicht mag zien.

Dat zo’n man vader wil zijn. Gewoon een vader die altijd vader is, niet alleen onder toeziend oog tot vaderschap komen mag. Dat snap je. De ontvoering is één van die onhandige keuzes die je kunt snappen, gewoon een man die interactie met zijn dochter wil, die ook los van zijn ex-vrouw een vader wil zijn, dat kun je snappen, iedereen moet zoiets kunnen snappen toch?

Tot, halverwege, de vader zich laat zien als een vreselijke man. Een werkelijk vreselijke, vreselijke man. En mijn loyaliteit weer geheel bij Ilaria komt te liggen. Waarmee Zalapì iets voor elkaar krijgt wat geen schrijver in de voorbije dertien jaar gelukt is: even ben ik niet meer vader, even ben ik alleen nog maar kind.

Misschien niet het soort kind dat Ilaria is.

Want Ilaria is zo lief.
Jezus, hoe lief.
Ilaria is zo godverdomde lief en zacht.

Haar vader brengt haar naar een internaat. Naar zijn moeder. En dan weer naar een vriendin van zijn moeder. En steeds past Ilaria zich aan, voegt zich, schijnbaar moeiteloos, naar haar nieuwe omstandigheden. En ze gaat al jaren niet meer naar school. Ze ziet al jaren haar moeder niet meer. Ze ziet al jaren Ana niet meer. Maar overal waar ze komt laat ze haar ontwapenende licht schijnen, overal waar ze komt, probeert ze het moje te zien, overal waar ze komt, ontwaart ze lieve mensen. Ze opent haar hart voor de nonnen en de ingezetenen van het internaat, ze opent haar hart voor een manusje-van-alles bij haar oma, ze opent haar hart voor de vriendin en voor de bekenden rondom die vriendin van haar oma. Iemand die zoveel positiviteit, zoveel schoonheid in zich meedraagt, kan niet anders dan je gehele zijn beroeren.

Ook dat kan op Zalapì’s conto. Met Ilaria ontwierp zij het liefste, zachtste en innemendste personage allertijden.

Ilaria is een kind dat je wil omarmen.
En Ilaria is een roman die je wil lezen. Omdat het je plaatst in het midden van wat je leest. Je wil gaan liggen. Je wil gaan liggen in het boek. En erin verdwijnen. Er zijn weinig boeken die dat verlangen zo sterk oproepen als Ilaria. Wie zoekt onderdeel te worden van het boek dat hij leest, zal misschien geen sterkere uitnodiging tegenkomen dan deze roman van Gabrielle Zalapì. Het eerste boek van haar dat in het Nederlands vertaald zou zijn. Wel. Van mij mogen er nog veel meer boeken volgen.

Gabriella Zalapi Ilaria

Ilaria

Of de weg naar ongehoorzaamheid

  • Auteur: Gabriella Zalapi
  • Soort boek: roman
  • Origineel: Ilaria, Ou la conquête de la désobéissance (2024)
  • Nederlandse vertaling: Janine Cathala-Vette
  • Uitgever: Tristan
  • Verschijnt: 21 april 2026
  • Omvang: 165 pagina’s
  • Afmetingen: 15 x 22,4 x 2 cm
  • Gewicht: 343 gram
  • Uitgever: gebonden boek / ebook
  • Prijs: € 22,99 / € 14,99
  • Winnaar prix Femina des Lycéens 2024
  • Roman bestellen >

Flaptekst van de roman van Gabriella Zalapia

Op een lentedag in 1980 stapt de achtjarige Ilaria na school in de auto van haar vader. Een weekendje bij Papa verandert in een lange zwerftocht door Italië. Wanneer daar geen einde aan lijkt te komen, begint Ilaria zich vragen te stellen.

Waarom moet Papa zoveel bellen? Waarom verzint hij al die dingen? En waarom krijgt zij Mama niet aan de lijn? Terwijl ze met haar steeds meer drinkende vader Italië doorkruist, probeert Ilaria zich staande te houden in een onheilspellende aaneenschakeling van gebeurtenissen. Haar enige houvast is haar knuffelbeer Birillo.

In een sobere en beeldende taal vertelt deze aangrijpende roman het verhaal van een kind dat alleen staat in een nieuwe werkelijkheid die het niet begrijpt. Ilaria is het scherpzinnige relaas van een meisje dat balanceert tussen gehoorzaamheid en verzet.

Gabriella Zalapi is in 1972 geboren in Milaan, Italie. Ze is van Zwitsers, Italiaans, Engelse afkomst en schrijft in het Frans. Naast auteur is ze beeldend kunstenaar.

Bijpassende boeken en informatie

Bob Vanden Broeck – Je zit op een stoel

Bob Vanden Broeck Je zit op een stoel recensie en informatie eerste roman van de Vlaamse schrijver en dichter. Op 9 april 2026 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de debuutroman van Bob Vanden Broeck, de uit Vlaanderen afkomstige dichter en schrijver. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Bob Vanden Broeck Je zit op een stoel recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Je zit op een stoel, het prozadebuut van Bob Vanden Broeck, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Tim Donker recensie

Natuurlijk gaan ze hier dan weer meningen over hebben, altijd hebben ze meningen, zulke boeken kennen ze wel, gaan ze dan zeggen, en zulke boeken vinden ze een beetje geforceerd, zeggen ze dan ook. Want was is het geval? Bob Vanden Broeck, die u kunt kennen als dichter, u kunt hem kennen van zijn poëziedebuut de richting is richting omleiding dat in 2023 uitkwam, daarvan dus, kunt u hem kennen, ik kende hem daar niet van, het vloog klaarblijkelijk onderdoor mijn radar, ik miste, ik las niet, ik keek net de andere kant uit denk ik, welaan, Bob dus, Vanden Broeck dus, heeft een roman geschreven met als titel Je zit op een stoel en die titel is tevens een goede samenvatting van het boek: er is een je, en die zit op een stoel. En inderdaad: gans het boek entlang blijft die tiep op een stoel zitten. Dat roept misschien Reis door mijn kamer van Biesheuvel in herinnering, ik weet het niet, ik las dat nooit, of het roept Jean-Philippe Toussaints De badkamer in herinnering, of, zeg, Siamesisk van Stig Sæterbakken, welk boek me op zich ook alweer aan De badkamer had doen peinzen. Maar Sæterbakken en Toussaint konden het niet stellen zonder andere personages; personages die niet alleen maar heeldurtijd maar zaten te zitten maar liepen, en zich naar andere locaties begaven, en die vent in die badkamer van Toussaint kwam sowieso ook al vrij snel weer de badkamer uit, ik herinner me dat nog zeggend tegen mijn ooitmalige buurman, de goede Sergio, ook een literatuurliefhebber, ik vertelde hem over De badkamer en toen wilde hij het lezen, en ik zei weest wel gewaarschuwd: hij komt teleurstellend snel zijn badkamer weer uit. Bob Vanden Broeck heeft echter maar één personage. En dat is je. Ik las ergens dat je nergens te weten komt wat het geslacht van die “je” is, en ik dacht Wat maakt dat in Godsnaam uit? Je zit. Op een stoel. Honderdzeventien pagina’s lang. Dus allicht gaan daar meningen over gevormd worden. Dat dat niet kan, dat dat aanstellerij is, dat dat geforceerd is, of weet ik veel wat voor meningen ze doorgaans vormen, ik ben er meestal niet bij als ze hun meningen aan het vormen zijn. Mijn eigen mening vormde ik alleen. Toen ik, ja, in een stoel zat. In mijn leesstoel. Daar bij de deur. Hoe het licht dan op mijn boeken valt, dat zou je eigenlijk moeten zien. Met de muziek van Saddar Bazaar erbij, toen, The Conference of The Birds toen, toen ik zat, en las, en mijn mening vormde. Mijn mening zijnde, dat zeg ik nu alvast, kunt u eventueel meteen stoppen met lezen, mijn mening dus, over Je zit op een stoel is: dit is briljant. Dit is prachtig. Dit is geniaal. Zo. Dat is eruit. Nu verder. Het begon al met een bam. De eerste paar regels al. “Je zit op een stoel, nee, je zit op een stoel.”, zo luidt de eerste zin en dat is met gemak de allermooiste beginzin allertijden, als u het mij vraagt (u vraagt het mij niet en daarom zeg ik het toch maar). Ik had gewild dat die zin er al was toen ik dertig jaar geleden studeerde en er een keer een les was over beginzinnen, iedereen moest zijn allermooiste beginzin meenemen, ik kwam aangestiefeld met iets van Brusselmans ofzo, of Bukowski, ik weet het niet meer, ik las niet zoveel in die dagen, ik was in de bibliotheek klaarblijkelijk niet veel verder gekomen dan de B, god was er toen maar, dertig jaar geleden “Je zit op een stoel, nee, je zit op een stoel.” geweest, en wat hadden ze daarvan gevonden, de docent en mijn medestudenten, waarschijnlijk waren ze me dan mijn nog schevere gezichten gaan aanzien dan ze toch al deden. En dan, enkele regels later, komt Kant de kamer in. “Het [is] nu onmogelijk om wat er is, de feiten, en wat je ervaart, de gevoelens, van elkaar te onderscheiden”, schrijft Vanden Broeck dat Je denkt, en dan zet hij mij ook denkend, aan Kritiek van de zuivere rede dacht ik, en daardoor weer aan de hyperkritiek aan de xenofobe rede, en zo, door schijn bewogen, uiteindelijk ook aan het positivistisch idealisme van Hans Vaihinger, en ik ben nog geen tien regels ver in het boek maar het duizelt me een beetje, en ik moest even stoppen met lezen. Dat is trouwens iets dat kleeft aan dit boek, dat intense, maar daarover kom ik nog te spreken.

(witregel wegens even moeten stoppen met lezen)

Want dat is het. “Je” zit wel op een stoel, en hij doet niet zoveel (hij opent een tabblad, of zijn mail, hij sluit weer een tabblad, of zijn mail, hij roert in zijn kopje koffie, hij laat de zitting van zijn burostoel omhoog gaan, en weer omlaag, hij kijkt naar buiten) maar denken doet hij des te meer. Hij denkt aan wat hij zou willen doen of zou willen zijn, hij denkt aan wat was, hij overpeinst de grenzen van het kenbare. Soms is het zeer filosofisch, soms is het onzinnig, absurd, komisch (ik neem tenminste aan, nee, ik hoop dat niet alles in Je zit op een stoel even serieus genomen dient te worden). Al hebben zulke oordelen ook weer met het voorstellingsvermogen van de lezer te maken. Zo zat ik te gniffelen om een stukje waarin Je naar buiten kijkt en iemand ziet gaan op een deelstep, ik nam dat als grap, het leek me zoiets idioots namelijk, een deelstep, ik dacht nog, wat een grappenmaker toch die Vanden Broeck met zijn deelstep, maar een paar dagen nadat ik dat stukje gelezen en begniffeld had werd mijn oog getroffen door een nieuwsbericht dat zei dat deelsteps in Brussel verboden gaan worden, en ik dacht, verrek, die dingen bestaan dus echt!, het was niet om mee te lachen, waardoor ik, alweer, in gepeins verzonk en me wijltjenslang afvroeg of je gevoel voor humor te maken zou kunnen hebben met je kennis; zou het misschien zo kunnen zijn dat hoe meer je weet hoe minder je grappig vindt, of andersom misschien, kun je een toespeling missen omdat je dingen niet weet, langer geleden, niet heel lang geleden maar wel nog voor ik Je zit op een stoel las, zaten we met z’n allen in de auto, wij vieren, we zagen een auto rijden waarvan het nummerbord de lettercombinatie KGB bevatte, en mijn dochter zei Het is een deelauto!, ik zei Natuurlijk is het deelauto, het zijn communisten!, en alleen mijn zoon moest lachen, maar dat kwam misschien eerder omdat het een redelijk flauw grapje was.

Maar dit is nog niet eens het meest intense aan Je zit op een stoel. Dat het het brein steeds opnieuw uit wandelen stuurt. Dat is intens, maar nog niet het meest intense. Want dat zit hem namelijk in de schrijfstijl van Vanden Broeck. Hij maakt lange zinnen, vol komma’s, die pagina’s en pagina’s lang door kunnen gaan. Er zijn geen witregels, geen inspringingen, geen alinea’s, geen paragrafen. Bijna honderdtwintig bladzijden aan massieve, haast ondoordringbare tekstblokken. Ik dacht aan Pierre Guyotat. Of aan László Krasznahorkai. Of, maar dan meer inhoudelijk misschien, aan David Foster Wallace. Schrijvers die hun lezers niet sparen. Want zo goed als Vanden Broeck zijn Je alle kanten op kan jagen, zo goed ook kan hij hem tot op het obsessieve af laten doorgaan over één ding. Dan denkt Je bijvoorbeeld ettelijke pagina’s na over alle objecten waarmee een mens een vlieg zou kunnen doodslaan. Of objecten die daar niet zo geschikt voor zijn. Prachtig vind ik een stuk van goed een halve pagina waarin elke mogelijke woordvolgorde van “Je zit op een stoel” uitgeprobeerd wordt: “op je stoel zit een”; “je een op stoel zit”, et cetera. Dit doordenderen in alle richtingen, of in juist één richting geeft Je zit op een stoel een sterke, hypnotische kracht. Eigenlijk zou je dit boek in één adem uit moeten lezen, maar wie heeft daar tijd voor, de boodschappen moeten nog gedaan worden, en de was opgehangen, en de aardappels geschild, en bovendien ervoer ik het lezen van dit boek als een daad, het kostte me tamelijk wat inspanning. Wat geen slecht ding is. Zeker niet. Maar er zijn momenten waarop ik het lezen liever niet als inspanning voel. Op die momenten greep ik niet naar Je zit op een stoel maar naar andere boeken, ik las zelfs een heel ganzelijk ander boek tussendoor, terwijl ik dus ook al in Je zit op een stoel aan het lezen was.

Vanwege die inspanning.
Vanwege de duizelingen ook.
Vanwege de zeggingskracht.

Want niet alleen zegt Je zit op een stoel van alles over filosofische of psychologische aangelegenheden; het boek als geheel zegt ook wat. Over literatuur. Want ook daarover vinden ze altijd weer van alles. Wat het moet en wat het niet mag. Enzo. Wat literatuurcritici, -historici, -theoretici maar in een enkel geval ook schrijvers zelf daarover allemaal al niet gevonden hebben, en hoe ik ermee doodgegooid werd tijdens de diverse studies die ik dertig jaar geleden deed. Iets over willen, personages moeten altijd iets willen, het erge is nog dat Vonnegut dat volgens mij gezegd heeft, toch niet meteen de allerkloterigste schrijver die er is. Het moet dit soort idiote regels geweest zijn waardoor David Markson boeken wilde schijven zonder ontwikkeling, gebeurtenissen en personages (al had hij dan wel nog altijd Reader, die soms Writer heette (“Writer is weary unto death of making up stories”), of Novelist, of Author), en ook Je zit op een stoel komt, lijkt mij, in opstand tegen alle geboden en verboden die sommigen literatuur wensen op te dringen. Dat is goed. Laat er immers één vrijplaats over blijven waar alles mag, en alles kan. Er is maar één verhaalfiguur in deze roman, en die krijgt geen naam (en ook geen geslacht dus, hee), en nauwelijks een verleden. Hij is aan het eind niks verder dan aan het begin, hij zit altijd maar op die stoel en verder niks. Oké Vonnegut: hij wil wel dingen, dansen, of rennen, of langs haveloze kroegen gaan en slempen met allerhande leeglopers (deze gedachte gaat gepaard met een schier eindeloze opsomming van al het soort figuren dat zich aan de zelfkant bevinden), maar hij doet uiteindelijk niks. Wat weer geboorte geeft aan een andere gedachte: of juist in het niks doen niet de bestemming ligt: al dat reizen, al dat gaan, al dat doen geeft mogelijkerwijs alleen maar ellende (het is daarom, denk ik, dat iemand, overigens dezelfde die opmerkte dat Je geen geslacht krijgt), zei dat het verleidelijk is om in Je zit op een stoel een oproep tot “onthaasting” te lezen (dat woord gebruikte hij geloof ik gelukkig niet), en daar zit misschien iets in: notoire reizigers krijgen, tot mijn allergrootste vermaak, er flink van langs in Je zit op een stoel, maar voor mij is de grootste kracht gelegen in het experiment, het overhoop gojen van alle regels, en in de hypnose).

Je zit op een stoel, en ik zat op een stoel. Maar, afgemat, ben ik er al lezend uitgegleden. Ik zat op een stoel, ik lig op de vloer. Ik snak. Naar adem. Wat een geniaal boek. Ik ga niet zeggen dat het het beste boek is van dit jaar, want dat heb ik dit jaar al over veel te veel boeken gezegd. Daarom zeg ik dat het in ieder geval het bijzonderste boek van dit jaar is. En dat zal niemand kunnen ontkennen. Ook de criticasters niet. Juist zij niet.

Bob Vanden Broeck Je zit op een stoel

Je zit op een stoel

  • Auteur: Bob Vanden Broeck (België)
  • Soort boek: Vlaamse roman, debuutroman
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 9 april 2026
  • Omvang: 128 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 22,50 / € 11,50
  • Roman bestellen >

Flaptekst van de eerste roman van Bob Vanden Broeck

Op een willekeurige dag staat in een ongedefinieerde kamer een tafel, met daarop een kop koffie, en een stoel, en daarop zit jij, dat ben jij, je roert in je koffie, je doet een raam dicht, je doet een venster open. Je weet niet wat, je weet niet hoe. Je verveelt je, je verlangt. Je zit vast, je wil bewegen. Langzaam komt het besef dat slechts één ding je lijkt te kunnen redden: de verbeelding.

Je zit op een stoel is een caleidoscopisch portret van die, opgesloten in de monomane sleur van het dagelijks leven, wanhopig probeert op te staan. Bob Vanden Broeck onderzoekt en ondergraaft alle zekerheden waarop de moderne tijd is gestoeld en houdt de lezer een ontroerende lachspiegel voor. Net als in zijn bejubelde dichtbundel De richting is richting omleiding toont hij zich een meester in het observeren van de tastbare en minder tastbare werkelijkheid, met duizelingwekkend proza tot gevolg.

Bob Vanden Broeck is geboren in 1988. Hij schrijft en knutselt,  houdt van vogels en is docent Kunst- en Cultuurgeschiedenis aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen. In 2023 verscheen zijn dichtbundel en literaire debuut De richting is richting omleiding, die genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond werd met de Poëziedebuutprijs 2024 en de Debutantenprijs 2025.

Bijpassende boeken en informatie

Sytske Frederika van Koeveringe – Bewegingsmogelijkheden

Sytske Frederika van Koeveringe Bewegingsmogelijkheden recensie en informatie boek met gedichten en poëziedebuut van de Nederlandse schrijfster. Op 2 april 2026 verschijnt bij Uitgeverij Atlas Contact de dichtbundel van Sytske Frederika van Koeveringe. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Sytske Frederika van Koeveringe Bewegingsmogelijkheden recensie en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Bewegingsmogelijkheden, de dichtbundel van Sytske Frederika van Koeveringe, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

& zinnig zinnig we zijn allemaal waanzinnig & waar begint jouw lichaam & volledige vrijheid voor de wolven betekent de dood van de lammeren & en clarice zijn de lammeren gestopt met schreeuwen & deze plek is geen vangnet voor als je valt we heten niet voor niets sodom & een militair zegt miauw & er zal hier dus geen sprake zijn van wat een wereld is maar van wat ze voor het levende wezen dat erdoor omringd wordt betekent & een of andere oude god die galmde bij dageraad en avondschemer & de dingen gaan toch zoals ze gaan & en als ik opkijk neemt alles nieuwe kleuren aan & suikertje had hun aandacht & grondeleend ook jouw trend zal komen & die week was het koel in de tunnel en warm in het bos & in tijden van eenzaamheid troost niets meer dan een verhaal dat klopt als je het vooruit vertelt en achteruit ook & steeds als ik naar de klok kijk herhalen de nummers zich of is de tijd een palindroom & een boek over rouw is iets anders dan een elegisch gedicht & het maanpoeder dwarrelt over je neer & alles en niets zitten samen op de fiets & een bijl maakt stof van de mens & het is nog te vroeg om nu te zijn & de bakkers hoeven niet meer om vier uur uit hun nest & quid expectamus nunc abent omnes volucres nidos inceptos nisi ego et tu hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu & vlooien zullen nesten maken & het is er niet en het is er het doet zich voor en verdwijnt je ziet het (hoofd) en het draait (ont) & spierspanning smeltpunt ploegschaarzuigkracht zaaidichtheid roestbestendigheid hevelhoogte staarwind afvoerverval konkeling omgekeerde evenredigheid sphaeropsis malorum schimmel van het appelklokhuis & laten we de stilte niet beroeren & wat uit stilte kwam er ook weer naar terugging: & (…) & een poging tot reconstructie van zaken die eens voorvielen & is 133 een huisnummer een gezin een meisje een codewoord & in troebel water ronddrijvende ogen & ga die kop koffie eens in door de melkdeeltjes tot op atoomniveau dan tot op subatomair niveau en je komt in een wereld waar iets oproepen uit niets wel degelijk mogelijk is & wij zijn de soort die de zon heeft overwonnen & ga nu en slacht het is goed & de drumband en het majorettekorps met succes geïntroduceerd & een duur speeltje om serenades te componeren & kijk mij diep in de mond (ik zal verzen gapen) & als om een ruimte te schonen & tijd huist in een voorbije zomer zeelucht en herinnerd meisjeshaar & meneer bestaat uit vergeten dromen en nieuwsfeiten & geen zeep maar de grammatica & de vogels worden gezongen & omdat je geen heilige hebt kunnen zijn word je stomdronken op straat & woorden van warme mensenadem gemaakt ten hersens varend & een tweede wereld heeft zich afgescheiden van de eerste & wakker of wat zo heet levend en wel & wolf wolk welk wenk wens mens & de zon is een mooie opening een oog een o in de donkere omberen pruisisch-blauwe lucht en de maan een c & soms is er nauwelijks iets voor nodig of het is zo ver & wat uit stilte kwam en er ook weer naar terugging: & (…) & (wat breekt met het geluid van brekend glas) & (waarom ik mijn vrouw heb opgegeten) & bloedgeschoren en onleesbaar deze wereld & sneeuw bestaat helemaal niet maar hangmat is des te echter & een niet o.a. mijnheer van het spreken heeft hij alle taal bepraten en verzwegen het zingen het klinken springende stemmen die geen antwoord handhaven en hij definieert en divideert & de invasie van glorende ochtenden en de invasie van de groene kleuren & geen enkele toestand is metastabieler dan wachten & klonken de stemmen achter de tekst & wordt er in ochtendschemering een hoofd uit een auto gegooid & verbreding van de existentiële horizon & verliezen is een kunst & uiteenvallende letters als zelfherstellende baarmoeders & het leven der delen is meer dan het leven van het geheel & als een pad Italiaans sprak waarom zou hij op den duur dan geen Frans spreken & nemen volgen staan plaats de beweger de konstrukteur & jij café levenscentrale spirituele produktenhandel je booglampen geven richting aan de nacht & mannen ontploffen wanneer je het het minst verwacht & in dezelfde ademtocht een tong kussen en een keel sluiten & het etherische effect van verleiding door ogen volgelopen met kwik & dit uur is doorschijnend & vijftien minuten van belichaamde vergetelheid & de bloemen worden verstrooid de vruchten afgeworpen & bodem van het toekomstige woord & de straatstenen bonden de blikken & de cirkel het eindeloze geluk van de punt & een berg te bewegen als een mens die nabij komt en nooit nagenoeg & schapenvlees zout en een houweel & de waarheid ligt in het midden waar het ook lag & een cel van woorden heeft zich gedeeld in onze hersenen is aangegroeid tot een gezwel & de zenuwen zijn van geïnspireerde draden & wie is op de roltrap een appel ontglipt & een parkje waar eens een bom is gevallen en niet ontploft & hier zwelt de klank onbegrijpelijk aan & het dril der ziel te drogen & orkesten en koren zwijgen maar de muziek is aanwezig & nu laten de trefwoorden zich niet meer verder onderverdelen en preciseren & een gevallen en geprezen en zo hoge en overweldigende horizon & nachtvogel onzalig product van psychoanalyse & wat uit stilte kwam en er weer naar terugging was:

het liegend konijn, ik leerde het blad pas kennen krot voor het ermee ophield, of liever, ik ging het pas serieus nemen één nummer voor het laatste nummer, ik weet niet waarom ik het zo lang op afstand hield, was het misschien de naam die me stoorde, hoewel komend van paul van ostaijen, al wist ik dat niet voor ik het blad daadwerkelijk in handen hield en daarbij van ostaijen is ook weer niet zaligmakend, wegens net weer niet de allerbeste schrijver die ooit geleefd heeft, maar nummer 1 van 2025 bestelde ik, liet ik komen, waarom?, omdat bas kwakman erin stond of idwer de la parra of vincent van meenen of eva gerlach of robin block of weetikveel?, of neen, eerder, denk ik, omdat er vooral heel veel dichters in stonden die ik niet kende en ik wel weer eens behoefte had aan een nieuwe stem, een nieuw geluid, of hoe dan ook, ik bestelde, liet komen per post, en het beviel me, al kwam dat misschien ook wel omdat ik het op vakantie las, de laatste negentig pagina’s overigens alweer op de terugweg, in een of ander hotel in lyon, het beviel me zodanig goed dat ik me voornam het vaker te bestellen, of altijd, waarom niet een abonnement?, nummer twee van vijfentwintig liet ik ook komen maar dat bleek meteen de zwanenzang van jozef deleu en dat viel me dan weer heel erg tegen, goed ik las het thuis, en goed het weer, en goed ook al even geen echt keelsnoerend moje seedee meer gehoord, maar toch, nauwelijks een goed gedicht gelezen, al vond ik de poëzie van peter verhelst verrassend goed, ik las ooit een roman van hem en die vond ik niet zo best, ik weet niet meer hoe het heette, ik weet alleen nog dat er mannen in voorkwamen die half mens half motorfiets waren, en dat ik het niet goed vond en de naam peter verhelst in mijn hoofd kwam te staan als die van een te mijden schrijver, maar die gedichten van hem in het afscheidsnummer van het liegend konijn vond ik goed of minimaal best heel aardig toch, zeker in vergelijk met de rest, zoveel pretentieuze zever, is dat de stand van zaken in de nederlandstalige poëzie dezer dagen?, misschien moet ik emigreren naar een land met een beter poëzieklimaat ik heb amerika zelfs overwogen maar je gaat toch niet in trumpland wonen alleen vanwege broken sleep bijvoorbeeld, en dan, één dag, bewegingsmogelijkheden.

Sytske Frederika van Koeveringe. Die ik niet kende. En een dichtbundel pende die Bewegingsmogelijkheden heet. En het gaat over volwassen zijn, of mens, of vrouw, over de etiketjes die een mens kan opgeplakt krijgen door therapeuten of artsen of door je buren. En soms hadden de eieren hierin een tikje harder gekookt mogen worden, als u het mij vraagt, al kan ik u meteen al te kennen geven dat ik eigenlijk meer van zachte eieren hou, of liever nog gepocheerd, maar dan moet het wel goed gebeuren, dat pocheren bedoel ik. Maar ik hou van hoe ze haar woorden van de bladzijde laat aflopen, hoe de taal dans en springt en zingt in haar gedichten. Een gedicht heet Mogelijkheden. Het bestaat uit meerdere delen, genummerd. Rare nummering overigens. Het gaat van één naar twee naar drie naar vier maar dan naar twee punt één naar vijf naar één punt één. Het zou flauw zijn om die laatste het mooiste gedicht van de bundel te noemen en niet alleen omdat het geen afzonderlijk gedicht is maar een schakel in de keten. Het is maar één zin, ruim zwemmend in zijn paginawit: “Ik kijk nooit op buienradar, ik ga gewoon naar buiten”. Toen had de dichter mijn definitieve & onverdeelde aandacht.

Een volgend deel stelt alleen maar vraagtekenloze vragen. Vragen als Hoe ziet accepteren eruit, waar kan ik dit halen. Kost dit geld. Of als Kan ik heimwee krijgen naar een dier dat nooit van mij is geweest. Of Groeien oordelen net zo snel als mijn melktanden dat deden. Of er wordt een vraag gesteld over de geschiedenis van het woord geschiedenis. Maar waarlijk achterover sloeg ik van deel vijf punt twee. Het begint: “goed stamt af van god / van oudsher betekent goed god of goddelijk / dus ik kan mijn spullen wel pakken / god is overal / zelfs tijdens een weekendje weg weet hij me te vinden / zit ik op een terras aan de sangria waar niemand me kent staat god daar met z’n goede gedrag met lege bijvoegelijk-, zelfstandige naamwoorden te strooien” en zo gaat dat verder tweekwart pagina lang, volle blokken tekst, inclusief die schuine strepen, die zijn niet van mij, niet om de harde returns aan te geven, dit keer niet, die staan gewoon zo in de tekst, en ik vind het fantastisch. Of het deel een punt drie. Een mens jarenlang op de dool in de zorg, steeds weer andere diagnoses, sommige extreem hip trouwens (HSP bijvoorbeeld, daar kun je nog eens mee voor de dag komen in deze tijden die van nu & de onze heten te zijn).

Het twede gedicht, Beweging, is zelfs nog iets mojer. Hoe te bewegen in een wereld, welke wereld, deze wereld. De dingen die over je gezegd worden. Waar je staat ten opzichte van de ander. Of de ander ten opzichte van jou. Zulke dingen. In zinnen die kruipen en kronkelen en wervelen en fluisteren en schreeuwen. Deze bewegingen zijn allemaal mogelijk met taal, en Bewegingsmogelijkheden benut dat ten volle.

Het zou wat overdreven zijn te stellen dat Sytske Frederika van Koeveringe mijn vertrouwen in de Nederlandse poëzie hersteld heeft. Maar na lezing van Bewegingsmogelijkheden ben ik er zeker aanzienlijk minder somber over gesteld.

Sytske Frederika van Koeveringe Bewegingsmogelijkheden

Bewegingsmogelijkheden

  • Auteur: Sytske Frederika van Koeveringe (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Atlas Contact
  • Verschijnt: 2 april 2026
  • Omvang: 160 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 21,99
  • Bestelmogelijkheden boek >

Flaptekst poëziedebuut van Sytske Frederika van Koeveringe

Poeziëdebuut van multitalent en genomineerde Jan Hanlo essy prijs 2021.

In haar poëziedebuut onderzoekt Sytske Frederika van Koeveringe hoe het is om mens te zijn – en hoe je je als vrouw beweegt binnen de kaders die je worden opgelegd, mentaal én fysiek. Met een scherpe, onderzoekende blik legt zij de spanning bloot tussen goed willen doen en goed genoeg handelen. Wanneer is een keuze werkelijk juist – en voor wie?

Sytske Frederika van Koeveringe is geboren in 1988 in Heerenveen, Frisland. Ze is beeldend kunstenaar en schrijver. Ze debuteerde met de roman Het is maandag vandaag (2017), gevolgd door Dag nacht licht toch (2020), dat genomineerd werd voor de Jan Hanlo Essayprijs 2021. Vrouw doet dit, dat verscheen in november 2021. Haar toneel, essays, columns, poëzie en proza worden gepubliceerd in De Revisor, Tirade, De Groene Amsterdammer, Mister Motley en NRC. Haar roman Meeloper verscheen in januari 2024.

Bijpassende boeken

Mehdi Belhaj Kacem – God, techniek en alwetendheid

Mehdi Belhaj Kacem God, techniek en alwetendheid recensie, review en informatie boek met een essay over het kwaad. Op 12 maart 2026 verschijnt bij Uitgeverij Ten Have de Nederlandse vertaling van het essay van de Frans-Tunisische filosoof Mehdi Belhaj Kacem. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Mehdi Belhaj Kacem God, techniek en alwetendheid recensie van Tim Donker

Kan een filosofie een muziekstuk zijn?, ja kan, is, wordt gedaan, hier.

Of.

Misschien zit het achterplat, als altijd, daar ook wel voor iets tussen.

“[G]oddelijke eigenschappen [worden] in ons tijdperk belichaamd [..] door de technowetenschap.”, staat daar, op dat achterplat, en: “[T]echnologie, […] ooit begonnen als hulpmiddel, [heeft] de rol van God [..] overgenomen.” Wel. De idee dat wetenschap tegenwoordig een religieuze status heeft, en dat de verlichting dus met een zekere verblinding gepaard is gegaan, kwam ik eerder al tegen bij figuren als Mattias Desmet en René ten Bos en ik vind het een prikkelende gedachte. Er niet ganzelijk nevens ook. Dus ik verheugde me al. Op een flinke portie feyerabendiaanse relativering de kritiekloze wijze waarop de geseculariseerde mens “het laatste woord” altoos weer in de mond van de wetenschap wenst te leggen. Kacem trekt wel een parallel tussen religie en wetenschap en opteert ook voor een radicaal en algeheel atheïsme (dus ook een “ontgoddelijkte” wetenschap), maar niet helemaal op de manier die ik in gedachten had toen ik me lezend zette. En hij komt ook via omtrekkende bewegingen daar waar ik niet dacht dat hij heen zou gaan.

Misschien omdat dit “essay” (een kleine 160 pagina’s vind ik een nogal behoorlijk essay) gebaseerd is op een lezing die Kacem in 2016 hield; een lezing die naar de wens van organisator Bertrand Schefer moest gaan over “de subjectiviteit en de ervaring van ieder van ons die beelden bekijkt, maakt of interpreteert” (welja), komt Kacems betoog als een trage dans tot de kern: verschuiving, herhaling, verschuiving, herhaling, verschil (of is het een knipoog naar Deleuze, Kacem?). De woorden ontvouwen zich als de noten van een minimalistisch muziekstuk, met een maximalistisch orgelpunt.

Hij begint met een kantelpunt.

Er moet altijd een kantelpunt zijn. Waarom moet er altijd een kantelpunt zijn? (de idee dat er ooit een kantelpunt geweest zou zijn, staat trouwens wat haaks op wat hij verderop in het boek beweert)

Hij begint met beelden, inderdaad. De Franse revolutie bracht de val van het monarchale christendom. Kunstenaars haalden vanaf dat moment hun inspiratie niet langer uit het goddelijke, maar daarentegen uit het kwaad. Postrevolutionaire kunst wordt, aldus Kacem, gedomineerd door wat hij “traumatiserende” beelden noemt. Dat woord komt nogal eens terug in zijn filosofie en ik moet u zeggen dat ik met Gerbrand Bakker een diep wantrouwen deel tegen dit overmatige gebruik. Trauma. Alles is maar een trauma tegenwoordig. Iedereen is getraumatiseerd. In de filosofie van Mehdi Belhaj Kacem zeker, en dit maakte me aanvankelijk wat sceptisch. Daar kwam bij dat ik er niet geheel zeker van ben dat het kwaad pas na de bestorming van de Bastille in de kunst gekomen is. Ik ben geen kunsthistoricus en ik kan er best naast zitten. Maar toch. Alsof de bijbel ook al niet vol staat van, laat ik het dan ook maar zeggen, “traumatiserende” beelden. Nota bene het oerbeeld van het Christendom. De Mens aan het kruis, dat is toch ook al niet zo’n heel prettig beeld, wel? Maar het zal niet geheel onwaar zijn dat “moderne” kunst wat onbeschaamder is in het tonen van weerzinwekkende beelden. Kacem verbindt dit aan het aristotelische begrip katharsis (Aristoteles! Gaat toch ook alweer wat verder terug dan de Franse revolutie), en stelt en passant dat technologie een democratisering van de katharsis bracht: waren De Goya en De Sade nog enigszins voor de elite; Game of Thrones is voor iedereen. Het kwaad alledaags gemaakt, genormaliseerd zo je wil.

Makenschap. Het bestel.

Misschien is het nu goed om te weten dat Kacem alles dat niet natuurlijk is, technologisch noemt. Dat wat uit de zichzelf voortkomt, is natuurlijk; dat wat door de hand van de mens wordt gemaakt, is technologisch. De mens is dus van meet af aan een technologisch wezen, en hier komt het langzamerhand het cruciale punt. De mens is namelijk het enige dier dat zijn geheugen buiten zichzelf bewaart (schrift, computer), en er is ontzettend veel meer buiten de mens dan in hem. Hier komt ook de idee van “ontologische alzheimer” kijken, al had dit van mij iets steviger in de verf gezet mogen worden. De optelsom van al het weten is God (Spinoza?), lichtelijk gelijk aan de noösfeer die u van Teilhard de Chardin kunt kennen (en anders wel van Llorenç Villalonga). In de onmetelijke hoeveelheid van dit “opgetelde weten”, en alle daaruit voortkomende informatiestromen, ligt de oorzaak van alle pathologieën. Zo bezien maken wetenschap en technologie de mens dus misschien wel eerder zieker dan gezonder. Maar er is meer. En daar komt de verwantschap met religie kijken. Monotheïstische religies hebben een hiernamaals gepostuleerd en dit heeft wetenschappers, uitvinders; zeg voorvechters van de zogeheten “vooruitgang” (ja, progressieven!) verzoend met het vernietigen van het milieu. Misschien niet zozeer omdat er toch een hemel is, en heel die aarde wel verkloot mag worden maar wel omdat er een “daar” is waarnaar gestreefd moet worden, een “anders en beter” dat wel een offer waard is. De Jezus van de wetenschap is dan de cyborg, de menswording van het de gehele mensheid overstijgend superwezen dat techniek heet. Internet van dingen. Internet van lichamen. Biotechnologie. Transhumanisme: waar wetenschappers, net als gelovigen, streven naar onsterfelijkheid. Zo is wetenschap volgens Kacem feitelijk ten diepste religieus. En communistisch bovendien: planetaire communicatie; de planeet getransformeerd tot één gigantisch brein waar iedereen deel aan heeft. De huidige staat der techniek als de verwezenlijking van de communistische droom? Hoe ongerijmd. Hoe geniaal ook. Een alternatieve titel had dan ook God, techniek en onsterfelijkheid kunnen zijn.

In zijn visie op de technoïde mens brengt Kacem uiteindelijk ook zijn meest diepzinnige filosofie in stelling. Die heeft alles te maken met pleonectiek. Hij zegt toe deze filosofie in een komend werk verder uit te werken, maar het voorschot dat hij hier geeft is alvast veelbelovend. In deze analyse verschijnt de mens als een pleonectisch wezen. Dit gaat verder dan hebberigheid alleen; pleonectiek wijst op een buitensporige toe-eigening. Een steen eigent zich niks toe, en “leeft” tweehonderd miljoen jaar. Dieren eigen zich alleen datgene toe dat nodig is om te overleven. De meeste dieren leven individueel bezien dan wel korter dan mensen, maar ze doen ook niks om het voortbestaan van de soort in gevaar te brengen. Mensen eigen zich alles toe. Niet alleen in materiële zin, maar ook in ruimtelijke. De hele aarde is nog niet genoeg, ook het heelal moet gekoloniseerd. Ook het willen weten, het willen kennen is eindeloos. Wetenschap dient dus ook deze pleonectiek (die mij overigens uiterst heideggeriaans aandeed, het deed mij onmiddellijk denken aan Heideggers idee van de mens als “ontverringsmachine”): alles moet in het bezit van de mens komen, verkend zijn door hem, geweten, gemeten, geannexeerd door hem. Dit zal ook zijn ondergang zijn. In de woorden van Kacem: “De meest gigantische […] toe-eigening die ooit op aarde is waargenomen […] resulteert in de meest catastrofale onteigening die ooit is waargenomen”. En dat wordt nog toegejuicht ook! Kacem citeert Stephen Hawking: “Zelfs als de mens zou verdwijnen, zou het feit dat hij zich de meest wetten van het universum heeft toegeëigend een ongekende prestatie blijven. In reactie hierop zegt Kacem, toewerkend naar zijn slotpleidooi: “Ik vind geen troost voor de miljarden wreedheden die sinds we hier verschenen op aarde zijn begaan om tot al deze kennis te komen; kennis die tot overmaat van ramp misschien wel tot niets heeft gediend. Ik kan mezelf er niet toe brengen te denken, zoals de meeste traditionele filosofen, dat dit de ‘prijs was die we moesten betalen’ om op een dag tot iets beters te komen.”, en: “Misschien rest ons […], net zoals aan het einde van een andere magnifieke film over dit onderwerp, Spielbergs A.I. Artificial Intelligence, niets anders dan het downloaden van de beste cognitieve gegevens waarover de mensheid heeft kunnen beschikken, zodat we over een paar miljoen jaar, wanneer de meeste levensvormen van deze planeet zijn verdwenen, een ras van buitenaardse wezens al deze prachtige gegevens kan terugwinnen, om er hopelijk beter gebruik van te maken. Deze tekst, en al mijn werk, zou slechts een kleine bijdrage zijn, een waarschuwend getuigenis voor de fouten die niet herhaald mogen worden – als een soort met een beter geheugen dan wij er ooit toegang toe krijgt.” Een soort met een beter geheugen? Een soort met een beter geheugen? Echt? En gij meent dat, Kacem? Maar als ik de finesse van uw filosofie juist gevat heb, lijkt het mij veeleer toch juist om een minder te gaan? Minder ruimte innemen, minder pleonectiek, minder willen weten, het geheugen minder belasten. Het woord beter wijst namelijk weeral op de jacht voorwaarts, naar dat daar waar alles glanzender, onovertrefbaarder, geweldiger is. En dit daar is toch juist het kwaad van de mens, het kwaad van de techniek, het kwaad van de wetenschap? (het kwaad heeft het kwade gevat, zegt Małgorzata Lebda).

Met God, techniek en alwetendheid weeft Mehdi Belhaj Kacem een belangwekkende filosofie. Draad voor draad. Sommige draden leiden rechtstreeks naar de kern, andere, zoals die over de “traumatiserende beelden” die kunstenaars vanaf de Franse revolutie over de mensheid zijn blijven uitstorten, lijken wat losser van aard. Hopelijk wordt zijn nog te verschijnen hoofdwerk over de pleonectiek ook vertaald.

Ik kende Kacem eerlijk gezegd niet maar hij heeft nog veel meer geschreven. Ook enkele fictiewerken, die blijkens de inleiding van de vertaler, Pieter Lemmens, eveneens zeer lezenswaard zouden moeten zijn. Helaas der helazen lees ik geen Frans. Aan het werk dus, Pieter Lemmens. Na dit essay wil ik meer lezen van Mehdi Belhaj Kacem. Veel meer.

Mehdi Belhaj Kacem God, rechniek en alwetendheid

God, techniek en alwetendheid

Een essay over het kwaad

  • Auteur: Mehdi Belhaj Kacem (Tunesië)
  • Soort boek: filosofisch essay
  • Uitgever: Ten Have
  • Verschijnt: 12 maart 2026
  • Omvang: 160 pagina’s
  • Afmetingen: 13,5 x 21,5 x 1,4 cm
  • Gewicht: 202 gram
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 23,99 / € 11,99
  • Boek bestellen >

Flaptekst filosofisch boek over het kwaad van Mehdi Belhaj Kacem

De Frans-Tunesische filosoof Mehdi Belhaj Kacem beschikt over een zeldzaam origineel tegengeluid. In dit boek schrijft hij over de rol van technologie in ons leven en in onze maatschappij, met een scherpte en radicaliteit die hem in Frankrijk al tot cultfilosoof maakte.

Deze Nederlandse vertaling introduceert een denker die de erfenis van Derrida en Badiou weet te verbinden met de urgentie van het heden – een onderscheidend werk voor de lezers van Byung-Chul Han en Markus Gabriel.

Mehdi Belhaj Kacem is geboren op 17 april 1973 in Parijs. Hij is een Frans-Tunesische schrijver, filosoof en acteur en is bekend om zijn provocerende, vaak nihilistische essays en zijn breuk met Alain Badiou. Naast fictie publiceerde het meerdere filosofische teksten.

Bijpassende boeken

Wouter Godijn – Het offer

Wouter Godijn Het offer recensie en informatie over de inhoud van de roman van de Nederlandse schrijver. Op 5 maart 2026 verschijnt bij Uitgeverij Atlas Contact de nieuwe Wouter Godijn roman. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Wouter Godijn Het offer recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Het offer, de roman van Wouder Godijn, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “Het offer’ is een gelukzalige tuimeling in de wereld van freejazz en vrije liefde.” (Saskia Pieterze, Trouw)
  • “In wonderlijke taal dwaalt Wouter Godijn door een labyrint van popelende emoties.” (Thomas Verbogt, Het Parool)

Recensie van Tim Donker

Poëzie was mijn eerste liefde.

Ofnee. Dat is niet helemaal waar. Liefde voor poëzie was altijd al ergens, maar sluimerend, latent. Werd pas goed wakker toen ik ver in de twintig was, voor in de dertig misschien zelfs wel. Toen had ik echt al de nodige romans gelezen, en geapprecieerd. Maar voor het werk van Godijn gaat de uitspraak hierboven zeker op.

Wat zijn poëzie. O god, zijn poëzie. Soms vind ik hem de beste dichter van Nederland. (maar soms ook vind ik H.H. ter Balt de beste dichter van Nederland) (of Maarten van der Graaff) (of Micha Hamel) (of Radna Fabias) (of Richard Nobbe) (of Tsead Bruinja) (of Maria van Daalen) (of Kreek Daey Ouwens) (of F. van Dixhoorn) (of Gerrit Krol) (of Astrid Lampe) (of K. Michel) (of Tonnus Oosterhoff) (of K. Schippers) (of B. Zwaal) (of Marwin Vos) (of Martijn den Ouden) (of Hélène Gelens) (of Robin Block) (of Eva Gerlach) (of Bas Kwakman) (of Onno Kosters) (of Anneke Brassinga) (of Peter van Lier) (of Remco Ekkers)

maar zijn proza. Zijn romans. Sja. Wat is daarmee. Ik weet het niet. Ik probeer ze. Keer na keer. Juist omdat ik hem als dichter zo hoog heb zitten. Maar wat. Ja. Nee. Ik weet het niet. Ik kom er niet doorheen. Ik kom er nooit doorheen. Meestal kom ik er niet doorheen. Ik liep vast in De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt (ik herinner me niet eens meer waar dat over ging, kwam er niet een oorlog in voor?), ik liep vast in Meneer L en het meisje (het was geloof ik iets met iemand, en die stak een grens over waarachter hij in een soort alice in wonderland-achtige fantastiewereld terecht kwam, en het beloofde, ja, het beloofde veel, en toch kwam ik er niet doorheen) (ik vond het ook wel een beetje obligaat met zoon fantasiewereld waar dan alles kan en alles mogelijk is, klein beetje uitgekauwd, dat weer wel); ik liep geloof ik niet vast in De liefdesmachine, blauw boek toch?, met zo’n Lissabons trammetje op de voorkant, toch?, besprak ik het niet ooit, hier, of daar, of elders maar toch heb ik geen idee meer waar het over ging of wat ik ervan vond, dusja, hoe zit dat met zijn proza & waarom het me nooit zo grijpt zoals zijn poëzie me grijpt?

Maar dan, één dag, landt Het offer op mijn recenseertafel.

Ik begon er met de nodige scepsis aan, dat zal u bij nu begrijpen. Prozagodijn, ik dacht, het vervelende broertje van poëziegodijn. Diep zucht & het begin van een lichte hoofdpijn. Toch. Dit mensken is een besprekerken, en uit loyaliteit aan zijn briljante broer gunde ik prozagodijn maar weder eens een kans.

En.
Het.
Was.
Tegen.
Alle.
Verwachting.
In.
Heel.
Erg.
Goed.

Ja het was godzalmekraken fucking goed! (totdat -) (maar neen, daar kom ik later nog op). Reeds op de eerste bladzijde word ik om mijn oren geslagen met bizarheden (een verband tussen de smaak van gesmolten kaas en de verhalen die de ouders van de ikfiguur vertelden over de experimenten van de nazis op levende slachtoffers, met name op kinderen), en ik hou er wel van als een schrijver je al direct aan de haren trekt, onontkoombaar, geen mededogen, recht in je gezicht.

En eigenlijk gaat het dan niet eens over de tweede wereldoorlog, en kampen, en de holocaust. Of toch wel een beetje misschien. Maar zeker niet geheel.

Maarten is zeventig, en kijkt terug op zijn tijd met jeugdliefde Nicole. Als zulke liefdes zijn, was het groots, overweldigend, onvergetelijk; niets of niemand haalt het bij zo’n vroege liefde. Dat alles is bekend, Godijn is zeker niet de eerste die een boek schrijft over dit thema. Maar anders dan wat het achterplat suggereert, deed Het offer mij niet denken aan Turks fruit of Terug tot Ina Damman. Niet alleen omdat ik beide romans niet gelezen heb (ik zag de film Turks fruit wel, ooit, niet zo’n beste film als u het mij vraagt maar wat maakt het uit u vraagt het mij immers toch niet) (en dan weder, ook hier, een totdat) (totdat?) (todat, ja, al eventjes dan: het einde van Het offer is wel regelrechte Turks fruit) (als boek en film qua structuur een beetje gelijk op gaan dan tenminste). Vooral heeft Godijn zo’n totaal unieke stem dat elke vergelijking sowieso volledig mank gaat. Hij komt af met neologismen, hij onderbreekt zichzelf, levert commentaar op zijn eigen schrijven, aarzelt, stokt, heroverweegt zijn woordkeuze, en alles maakt dat zijn taal leeft, zingt, jubelt, ontstaat en tot wasdom komt waar de lezer bij is, je bent erbij als zijn taal leert lopen, je bent erbij als zijn taal leert fietsen, er is geen schrijver die zijn lezers er zo bij kan betrekken als Godijn. Het is zo totaal. Het is zo maximaal. Het is zo overal. En daardoor zo volledig navoelbaar. Je begrijpt Maarten. Je begrijpt hem helemaal. Want jij, lezer, ongeacht geslacht of geaardheid, jij wordt ook verliefd op Nicole. Tot over je oren. Todat (- maar daar kom ik nog op) (hou je paarden).

Nicole is afkomstig uit een gegoede familie. Maar daar kan zij niks aan doen. Wat meer is, ze is briljant. Humoristisch. Muzikaal (speelt viool!). Geïnteresseerd in filosofie, literatuur, psychologie. Voor alle vakken haalt ze alleen maar negens en achten. Zo slentert ze op haar gemakje door haar middelbare school heen. En daar, op die middelbare school, ontmoet ze Maarten. Er ontspint zich een bijzondere vriendschap tussen de twee; een vriendschap die vanzelf overgaat in een diepe, innige, onverbrekelijke liefde. Alles in die wervelende, bloedwarme taal van Godijn die de lezer ook laat baden in dat licht. Zelfs de sexscenes. O. Dat. Wacht.

Sex is altijd lastig in literatuur. En al helemaal in de Nederlandse literatuur. Het wordt lomp, het wordt ranzig, het wordt liefdeloos. Of het praat, om juist niet in diergelijke valkuilen terecht te komen, er zodanig omheen dat het van bijna lachwekkende truttigheid wordt. Opgewonden word je er in elk geval zelden van. Maar hier, in dit Het offer hier, hier is het van geheel andere abcdefghijk. De sexscenes, en dat zijn er zijn best nog veel of meer toch dan ik vermoed zou hebben bij Godijn (maar waarom vermoed ik niet veel sex bij Godijn?) (weet jij dat?), zijn, hoe tegenstrijdig dat ook mag klinken, haast kinderlijk. Of komisch, op een wat slapstick- dan wel theatervandelach-achtige wijze; het gevoel, bedoel ik, van een toneelstuk waarbij personages om de haverklap op hun billen vallen en dan even versuft en met kolderieke expressie op het gelaat blijven zitten zodat andere personages dan weer over hen struikelen; het soort toneelstuk waarvoor in het theaterboekje termen als “doldwaas” of “knotsgek” gereserveerd worden (maar wat weet ik er eigenlijk van, ik ben nog nooit in mijn leven naar het theater geweest); het soort toneelstuk dat eigenlijk kinderachtig of flauw zou moeten zijn maar alles is zo potsierlijk en zo sterk uitvergroot dat je jezelf niet kan helpen, je moet er toch om lachen. Ofwel zijn ze, nog steeds die sexscenes in Het offer, lichtelijk surrealistisch, alsof ze plaatshebben op een andere planeet of in één of andere verre toekomst. Sja, héét (sorry) word je er bij Godijn ook niet direct van, maar wel warmig, lichtend, zweverig, een klein beetje licht in het hoofd misschien, een heel klein beetje dronken denk ik – en is dat niet net zo goed verwant aan sex? En dat alles, dat – totdat (en. goed. u weet).

Dat kriebelige gevoel, één deur voor geluk, weet Godijn het grootste gedeelte van Het offer vast te houden. Je leest dit boek niet, je zweeft erdoorheen. Ik. Daar. Leviterend. Een paar sentimeter boven mijn leesstoel. Totdat.

Oké. Ja. Nu is er geen ontkomen meer aan.

De liefde tussen Maarten en Nicole begon op de middelbare school. Nicole staat op het punt van studeren, Maarten niet, hij sukkelt een beetje op school, ook daarin is Nicole zijn meerdere, en daar ergens, op dat scharnierpunt naar de volwassenheid, gaan ze voor het eerst alleen op vakantie. Naja, met z’n tweeën dan natuurlijk. Maar zonder ouders. Naar Engeland, naar Denemarken, door Maarten al snel samengetrokken tot het sprookjesland Engelmarken. Het is de zomer van 1974, misschien zegt sommige mensen dat al iets (en als dat zo zou zijn, is dat al erg genoeg waarde lezer!). Voetbal. Een EK of een WK, wat weet ik ervan, voor zover het het Nederlands elftal betreft klaarblijkelijk beheerst door (de gekte rondom) Johan Cruijff. Maarten is al een heel klein beetje verdrietig omdat hij vreest dat hij nu ze op vakantie zijn niet alle wedstrijden meer gaat kunnen zien. Maar dat maakt de lezer, of dat maakte deze lezer toch, nog niet zoveel uit, die Maarten vond je heel het boek doorheen al een beetje een onnozelaar, eigenlijk te suf en te onwetend voor zo’n fantastisch creatuur als Nicole. Echter, overal waar ze komen is het Cruijff voor en na, overal mogen ze binnen, overal moeten ze aanschuiven, overal moeten ze met de lokale bevolking meekijken naar weeral de volgende wedstrijd. En dan het allerergste. Daar. Op bladzijde 169. Ze zegt het. Verdomme, zegt ze dat nou echt? Ja, ze zegt het. Nicole zegt, over Johan Cruijff: “Die man is geniaal.” Zegt ze. Zegt zij. Nicole, dat fantastische creatuur. Verdomme. Ja, verdomme en bam. Want gelijk is mijn verliefdheid aan gruzelementen geslagen. Met nog een bladzijde of zestig, zeventig te gaan. Zit ik. Bam. Weer heel gewoon op de zitting van mijn leesstoel. Niet meer verliefd, niet meer badend in licht, niet meer halfdronken te leviteren. Maar gewoon. Zit ik daar. Een boek te lezen. Loop ik nou zo vlak voor het eind dan toch weer vast bij prozagodijn?

Nee. Niet. Ik blijf lezen. Maar er is wel duidelijk iets veranderd.

Voor mij was het niet waar wat het achterplat zei. Het haalde bij mij niet de herinneringen aan mijn eigen eerste liefde naar boven. Of niet werkelijk toch. Misschien als een geschreven leven – je kunt je een leven schrijven waarin een Dregke en een schrijverken sex hebben op een landgoed waar ze eigenlijk niet mogen komen, of dwalen door een betoverend Engelmarken of liever nog een ongerept Asturias, maar meer dan dat nog nam het me mee na een voor-tijd, een tijd van voor de tijd. Als ik maar even stopte met lezen zag ik mezelf als het peutertje dat ik ooit was. Ik zat in de zitkamer (ja het was een zitkamer dus wat ging ik er anders kunnen doen dan zitten?) van het huis aan de Oudartstraat in Stiphout. Ik speelde met mijn blokken, het licht viel door de ramen (want laat ze praten over klimaatverandering en hoe het vroeger altijd veel kouder was en het de hele winter door vroor, en altijd sneeuw, en altijd schaatsten, en altijd ijspret maar in mijn herinnering heeft mijn hele kindertijd door de zon geschenen, altijd, ook ’s nachts (want ook de nacht is een zon) (Albert Bontridder zei het al), en ik bouwde wegen met mijn blokken, en garages met mijn blokken, en benzinestations met mijn blokken (want die blokken waren eigenlijk alleen maar nodig om nog beter met mijn autootjes te kunnen spelen), en achter me mijn moeder, ik denk dat ze naar me keek, dat ik wist of voelde of dacht dat ze naar me keek. Het bijzondere van die tijd was dat er nog geen tijd was. Er was geen vroeger, en geen later. Er was alleen maar dat wat ik op dat moment aan het doen was. Doch op enig moment dringt zich het besef aan je op dat elk moment voortkomt uit een ander moment en leidt tot een volgend moment, en vanaf dan ben je nooit meer helemaal vrij. Vanaf dat moment weet je wat er onderweg verloren is gegaan (een eerste liefde bijvoorbeeld), en dat er altijd nog iets komen moet, nog iets gedaan moet worden; vanaf het moment dat de tijd zich laat kennen, kom je altijd tijd te kort. En precies dat is wat er gebeurd: ik viel van de on-tijd terug in de al-tijd (waar in dit boek zelfs nog sprake van is, al wordt het niet precies zo gebruikt als ik hier doe). Het gelul kwam binnen. En met het gelul de wereld. En met de wereld de tijd. En dus viel ik terug, want geen gelul is meer gelul dan gelul over voetbal.

Alles wat na pagina 169 kwam, was voor mij een toegift. Misschien ken je dat wel. Het konsert is over, het was een mooi optreden, hele fijne muziek, en het is goed geweest. Maar dat stomme publiek blijft maar we want more scanderen, jezus, straks komen ze echt terug, en je wil gewoon naar huis, nu dat fijne gevoel nog intact is.

En ja hoor ze komen terug.

En dus gaat Nicole naar Groningen, en even later Maarten ook, en Nicole ontwikkelt een bizarre fascinatie die niet echt charmant is maar het maakt me niets meer uit, ik ben niet meer verliefd op haar, en Het offer is gewoon maar een boek, een boek dat geen goed meer kan en dus ook geen kwaad meer, een boek dat niet in de vriezer hoeft (wat?) (nee laat maar dat snapt toch niemand). De sex lijkt vanaf dan ook harder, liefdelozer, ranziger. En dan komt er nog een ziekte bij ook, ja dat is allemaal op en top Turks fruit ja, daar had dat achterplat dan wel weer gelijk in (is het pastiesj, of ode, of doodordinair jatwerk?). En op de valreep ook nog eventjes iets idioots met Maartens ouders, iets wat niet goed past bij hoe je die mensen inmiddels dacht te kennen, misschien had Godijn dat allemaal nodig om een parallel te hebben met dat roddelblad-gelul over Cruijff en zijn huwelijk, misschien was er een offer nodig om het boek Het offer te kunnen noemen, had voor mij niet gehoeven, er hoeft niet altijd thema en ontwikkeling en motief en weetikveel, heel dat literatuurles-gezever meer. Maar het is er, het staat er, het boek gaat nog verder naar die vermaledijde bladzijde 169, zo gaat het wel vaker, er zijn wel meer bijna briljante boeken die vlak voor de eindstreep struikelen en zieltogend heen moeten, waarom eigenlijk, wat is er voor een schrijver toch zo verdomde moeilijk aan het einde van zijn boek, eindes zijn helemaal niet moeilijk, je hoeft alleen maar op te houden met schrijven.

Je kunt alles vanaf bladzijde 169 uit dit boek scheuren en dan hou je het beste boek van dit voorjaar over (al zullen er ook van die figuren zijn die vinden dan het wezen van dit boek zich na bladzijde 169 bevindt) (ik moet trouwens ineens denken aan die gasten die hadden opgeroepen om naar de boekhandel te gaan en het begin uit één of ander boek te scheuren, ik ben vergeten welk boek, je moest dat geloof ik ook nog in één bepaalde boekhandel doen, Paagman als ik me niet vergis, hoe zat dat ook alweer?) (weet jij dat?).

Of je kunt je erbij neerleggen dat Godijn met Het offer eindelijk een boek geschreven heeft waarmee hij het geniale van zijn poëzie benadert. Ja benadert, maar niet haalt. Maar toch. Iets schrijven dat bijna net zo goed is als de gedichten van Wouter Godijn, is er iets hogers haalbaar in de literatuur? Hum. Ja. Vast. Maar ik kan het op dit moment echt even niet bedenken.

Wouter Godijn Het offer

Het offer

  • Auteur: Wouter Godijn (Nederland)
  • Soort boek: Nederlandse roman
  • Uitgever: Atlas Contact
  • Verschijnt: 5 maart 2026
  • Omvang: 208 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 22,99 / € 14,99
  • Bestelmogelijkheden roman >

Flaptekst van de nieuwe Wouter Godijn roman

Een hartstochtelijk verhaal over een grote eerste liefde, ontdekkingstochten van lichaam en geest, verlangens en verlies.

Een oude man vertelt het verhaal van zijn grote liefde, een jeugdliefde zo hevig dat zijn hele leven erdoor werd overschaduwd. Wouter Godijn voert ons mee naar de beginjaren van Nicole en Maarten, twee jonge mensen die, belast door de trauma’s van hun ouders, een wereld ontdekken waarin begeerte en tederheid alles overheersen. Maar zullen ze daar kunnen blijven? In fonkelend proza vangt Godijn de fysieke en mentale gewaarwordingen van een eerste, allesverterende liefde, zo precies dat het de herinneringen van de lezer aan de eerste eigen liefde naar boven haalt.

Het offer is een roman die doet denken aan Terug tot Ina Damman en Turks Fruit: een hartstochtelijk verhaal over verlangen en verlies.

Wouter Godijn is op 31 juli 1955 in Amsterdam. Hij schrijft romans en poëzie. Zijn literaire universum is volstrekt uniek en keer op keer verrast hij de lezer. Zijn werk wordt zeer gewaardeerd door pers en lezers, en verschillende romans werden genomineerd voor de grote prijzen. Zijn poëzie werd bekroond met de Jan Campertprijs.

Bijpassende boeken

Lionel Shriver – Gelukszoekers

Lionel Shriver Gelukszoekers recensie, review en informatie over de inhoud van de nieuwe Amerikaanse roman. Op 5 maart 2026 verschijnt bij Uitgeverij Atlas Contact de Nederlandse vertaling van A Better Life, geschreven door Lionel Shriver, de schrijfster uit de Verenigde Staten. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Lionel Shriver Gelukszoekers recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Gelukszoekers, de roman van Lionel Shriver, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • Een schrijver die ons aanzet tot meer nadenken, dieper graven en meer uitdagen – en die er ook nog eens voor zorgt dat het leuk is.” (Sunday Times)

Recensie van Tim Donker

Die van Nieuwkerk hoorde je er nog wel eens over. Het schuldige pleziertje. Dat gaat dan geloof ik voornamelijk over muziek. Iets waarover je je schuldig voelt omdat je er plezier aan beleeft. Denk aan een liedje dat je mooi vindt ondanks dat het gemaakt is door een artiest die je haat. Een album dat kippenvel over gans je huid zendt terwijl het thuis hoort in een genre dat je niet geacht wordt te waarderen in kringen van muzieksnobs. Mjoeziek die lage instincten aanspreekt, instincten die je overwonnen dacht te hebben. Dat heet dat een schuldig pleziertje. Je vindt het mooi, stiekem, er is plezier in mooi vinden, en daarover voel je je dan schuldig. Ik moet dit niet mooi vinden maar toch.

Als het om literatuur gaat, hoor je al minder over schuldige pleziertjes. Ja, Kees ’t Hart schreef een essayistische ode aan wat men met een denigrerende term wel “damesromannetjes” heet, maar hier moet meer over te zeggen zijn. Natuurlijk kan een literatuurliefhebber zich verliezen in iets wat door mensen die er weet van hebben niet tot literatuur gerekend wordt. Maar zijn er nog andere schuldige pleziertjes?

Misschien.

Een schrijver die je helemaal niks vindt, en dan dat ene boek toch.
Een liefdesgedicht dat veel te erg voor de hand ligt maar dat je desondanks niet zonder tranen in je ogen lezen kunt.
Iets dat meevaart op de zoveelste hype die je verafschuwt en niettemin las je het in één adem uit.
Zulke dingen.

Of.

Gelukszoekers.

Ja.

Dit boek vertegenwoordigt alles waar ik mij verre van wens te houden zover als literatuur gaat.

Die titel alleen al. Gelukszoekers. Iemand zoekt zijn geluk, en dat is de mens inmiddels pejoratief aan het gebruiken. Alsof het iets vreselijks is om te denken dat je in een ander land meer kansen hebt op een goed leven. Alsof het iets vreselijks is om gelukkig te willen zijn. Alsof er niet genoeg mensen zijn geweest die in Canada, Australië, Zuid-Frankrijk, Spanje of, hee Margaret Ann, Portugal (zonder geldig verblijfsrecht, nee?) dachten te vinden wat ze elders vruchteloos gezocht hebben. Alsof je altijd maar achter dat lijntje moet blijven dat anderen voor jou getrokken hebben.

En ook. Een boek met politieke basis, goed, dat kan nog net. Maar boeken over actuele thema’s? Ja. Sorry. Ik weet niet. Maar ik persoonlijk kan geen klimaatroman meer zien, en boeken met zo’n Trump-achtige president mogen van mij ook wel het raam uit. Van die schrijvers die ons, onwetenden, menen te waarschuwen dat we aan de vooravond van een ecologische catastrofe staan of dat er een machthebber is, hier of daar, die bezig is de hele wereld in het verderf te storten, ja, dank u, monneer of mevrouw schrijver, dat hadden we nog niet gezien, dank u om dit onder onze aandacht te brengen, nu weten wat ons te doen staat – in een hoekje kruipen en bang zijn.

Vraagt u het mij? Ik weet het niet, maar als zo dan zou ik u zeggen dat het lichtelijk suspect is om te schrijven over die dingen waar iedereen al de mond van vol heeft. Elk kaffeegesprek loopt ervan over, en bij de koffieautomaat op het werk praten ze over niks anders. Schrijf daarover een boek en het zal gelezen worden. Ja goed. Maar dat kunstje is me toch wat al te koud.

Dus ik hoef nie te lees nie een boek nie over asielzoekers nie.

En dan.

Gooi meer in het mengsel.

Gooi.

Een weinig bijzondere schrijfstijl. Een opbouw die traditioneel heten mag: gewoon ab ovo, heel gewoon, en gewoon lineair, heel gewoon, en dan ook nog, heel gewoon, kleine gebeurtenisjes als eerste die culmineren in, ja hoor. De Gewelddadige Climax. Verhaalfiguren die zo onbeschaamd clichématig zijn dat het welhaast typetjes zijn, nogal plat in ieder geval; ze functioneren duidelijk als (maatschappelijke) archetypen en deze functionaliteit heeft Shriver klaarblijkelijk boven literaire zeggingskracht (of, zo u daar belang aan hecht, zoiets als “geloofwaardigheid”) gesteld.

Gooi het erin, en het mengsel zou ondrinkbaar moeten zijn.

(meng de zeedruif met de wijn. en geef de dichter ook wat. geef de dichter wat, geef de dichter wat)

Zou moeten. Maar is niet.

Nee, ondanks dat het boek minimaal op vijf-nul achterstand begint (ofzo, ik tel de punten nooit), heb ik het min of meer in één ruk uit gelezen (feitelijk moet het een ruk of zes geweest zijn, maar dat klinkt minder goed).

Hoe zit dat dan?, vraagt een mens zich af.

(het besprekerken zit, verslagen, met een boek op schoot, en het einde, oja het einde, weeral helemaal niks, maar dat komt nog, dat komt nog, hij zit daar, de laatste tonen van Der weg der toten sterven weg, hij heeft gelezen, hij heeft gezeten, hij was weeral geen parelduiker, hij wil Dregke niet weer teleurstellen, hij wil niet opnieuw een broer moordenaar, moet hij spreken, moet hij zwijgen, hij zit, hij is een klein en armzalig besprekerken, dus hij zal spreken, het zit immers al in het woord)

Hoe zit dat met boeken als dit. Boeken die zich bijna aan je opdringen. Boeken die je geboeid houden ondanks dat je al hun truukjes doorziet. Oja want dat gooide Shriver ook nog in het mengsel: een beetje sex (niet teveel uiteraard), een beetje liefde, wat intriges, een hollywoodiaanse spanningsopbouw; dit boek leest als een thriller (nog een genre dat doorgaans mijn aandacht hoegenaamd niet heeft).

Je wil er niet over nadenken.

Je wil erover nadenken.

Je denkt – één meesterzet van Shriver is alvast om het verhaal vanuit Nico te vertellen.

Wie is –

Nico?, u vraagt.

Misschien is dit het moment waarop ik wat meer informatie moet gaan geven. Goed. Gloria Bonaventura is een gescheiden moeder van drie volwassen kinderen: Palermo, Vanessa en Nico. De twee zussen Palermo en Vanessa zijn het huis al uit, hebben zoiets gedaan als een glansrijk eigen leven opbouwen. Daar valt misschien nog wel wat op af te dingen: Palermo was hard op weg een wereldberoemd turnster te worden tot een auto-ongeluk die droom definitief aan diggelen sloeg; nu verricht ze administratieve werkzaamheden in het niet overdreven succesvolle bouwbedrijfje van haar man en Vanessa heeft zo’n groot hart dat ze het nooit heel veel verder zal schoppen dan de kinderopvang waar ze werkzaam is – ze mist de zelfzuchtige component die nodig is om “de maatschappelijke ladder” tot de bovenste sport te bestijgen (ja sorry ik wist even geen andere woorden hiervoor). Nico, echter, woont nog bij zijn moeder in de ooit (in gelukkiger tijden, toen de ouders nog samen waren) goedkoop aangeschafte maar door vader geheel vertimmerde villa in hartje New York – een huis dat inmiddels miljoenen waard is. Hij heeft een studie gedaan die hem niet begeesterde: vlak voor hij zijn diploma behaalde wist hij het al: hij wil geen ingenieur worden (dan is u nog ver gekomen, Nico, ik dacht in het eerste halve jaar van mijn studie al Hier Wil Ik Nooit Iets Mee Gaan Doen, en toch, hangend, wurgend, in bijna twee keer de tijd die ervoor stond, naar het diploma toe, ik wilde mijn vader de schande besparen van een ongediplomeerde stamhouder); werkloos slijt hij zijn dagen als zelfbenoemd observator die de uiterste graad van neutraliteit wil bereiken. Daar zal hij het gezien de verdere ontwikkelingen nog moeilijk mee krijgen. Maar dat komt straks. Want neutraal is hij sowieso al niet, Nico is, ehm, nogal, sja, rechts.

Ja, rechts.

En we zitten de hele tijd in zijn hoofd, zijn rechtse hoofd, en dus kun je je verheugen op vermakelijke en niet zelden zeer rake tirades.

Als.

“De coronalockdowns waren al stom genoeg geweest, ze hadden kleine winkels en restaurants de kop gekost en de straten ontsierd met multiplex en met hangsloten afgesloten rolluiken. Maar boven op al die economische zelfbeschadiging was de stad waar hij geboren was in anderhalf jaar veranderd in een onbekende derdewereldhel.”

Of.

“Veel van de tegen het hotel leunende buitenlanders droegen mondkapjes, hoewel ze in de buitenlucht stonden en de mondkapjesplicht in New York zelfs voor openbare binnenruimtes al ruim anderhalf jaar niet meer gold. Waren de bijgelovige voorbehoedmiddelen een teken van oprechte angst voor ziekte, oprechte bezorgdheid over de verspreiding ervan, verwarring over de huidige voorschriften van het ministerie, of een kruiperig verlangen om te behagen?”

Of.

“Maart was ongewoon warm voor de tijd van het jaar, en daarin zagen onbekenden die bij de plaatselijke pinautomaat stonden te wachten aanleiding om te mopperen over de ‘klimaatcrisis’, aangezien je in de progressieve wereldvisie nu zelfs moedeloos kon worden van mooi weer.”

En meer zulks.

En het gaat er niet om of u dit ook vermakelijk vindt, of raak.

Nee.

Daar gaat het niet om.

Want ik varieer op woorden van Ilja Leonard Pfeiffer (en ja dat is een lul van jewelste ja, dat weet ik ook wel)(maar maakt dat uit?)(lullen snijden soms ook wel hout): “Literatuur moet gevaarlijk zijn of het is geen literatuur.”

En dus is dit Gelukszoekers al meer literatuur dan elke recente of minder recente deugroman. Als literatuur ergens om gaat, dan is het om grenzen op zoeken. Om durven zeggen wat elders niet gezegd kan of mag worden. Om de vrijplaats. Waar alles kan, en alles mogelijk is. Schrijvers, literatuurliefhebbers, academici, intellectuelen, kunstenaars, noem het, zij zijn vaak van linkse signatuur en wat je ter linkerzijde geacht wordt te denken en vooral ook geacht wordt verwerpelijk te vinden, is genoegzaam bekend. We weten wie de goedmensen zijn, we weten aan welke kant we moeten staan in welke oorlog dan ook, we weten waaruit solidariteit geacht wordt te bestaan. Hoe fijn is het daarom om eens al die dingen te lezen die je eigenlijk niet mag zeggen, niet mag denken, niet mag vinden. En Shriver voert het naar mijn gevoelen niet eens ironiserend op – al valt daar misschien ook wel wat op af te dingen. Maar ook dat komt later.

Want eerst.

Ja, waar was ik ookalweer. Oja. Gloria Bonaventura dus. Een activiste. Op een wat verbeten, en niet geheel oprecht overkomende manier. Als al die activisten zijn misschien. Het is niet bijzonder ver gezocht te denken dat Gloria’s activisme een reactie is op het rechtse denken van haar man; zoals de boodschap van de gemiddelde a12-bezetter eerst en vooral is Wij Zijn Beter Dan Zij. En dus neigt haar goedheidssyndroom soms tot in het bizarre (wil je daar iets mee zeggen, Shriver?). Als de burgemeester van New York zijn stadgenoten er op een dag toe oproept om een vluchteling in huis te nemen, aarzelt Gloria dan ook geen seconde. Zussen Vanessa en Palermo steunen hun moeder hier van harte in. Eerstgenoemde is misschien de enige in deze roman die vanuit haar ziel lijkt te spreken. Zij heeft de hele wereld lief, ze wil iedereen redden, ze ziet alleen maar het goede in elke mens. Je kunt van haar als lezer ook geen typetje maken, al lijkt ze ook nergens volledig van vlees en bloed te worden: iemand die zo lief is, heeft niet geleefd. Palermo daarentegen lijkt eerder het NIMBY-type. Iemand die het uit principe goedkeurt om minderheden bij te staan, en dat in dit geval ook makkelijk kan: ze woont niet meer thuis en ondervindt dan ook niet de nadelen van Gloria’s keuze. Niet op de manier van Nico.

Hij is al enige fel tegen het besluit van zijn moeder. Eerst en vooral omdat de vluchteling zijn ruimte in gaat nemen. Hij woont al een tijdje in het souterrain van hun New Yorkse miljoenenpand en moet daar nu uit – terug in zijn oude kinder-/jongenskamer omdat het souterrain vanaf heden het terrein is van de Hondurese Martine.

Die in alles wordt gekenschetst als het stereotype van de Midden-Amerikaanse vrouw. Vanaf dag één laat ze zich zien als vrolijk, extravert, gedienstig, warmbloedig, temperamentvol, sexy – al gelooft Nico van ganser harte dat ze vooral uit berekening in deze rol kruipt. Gloria, Vanessa en Palermo zijn weg van haar. Nico heeft zijn bedenkingen. Bedenkingen die niet minder worden als op enig moment Domingo opduikt. Zogezegd Martines broer, al hebben die twee voor broer en zus wel een aardig intieme verhouding. Domingo is in alles Martines tegendeel. Hij is een lompe, zwijgzame, sexistische, arrogante profiteur. Hij meent recht te hebben op alles wat de Bonaventura’s te bieden hebben. En hij gaat ook niet meer weg uit hun huis.

In het kielzog van “broer” Domingo komt Alonso, een “zakenpartner” van Domingo. Omdat hij spraakzamer en socialer is dan Domingo, en ruimbaan geeft aan een zeker cynisme mag Nico hem in eerste instantie wel – zeer in tegenstelling tot zijn moeder voor wie Alonso niet goed aansluit op haar zelfverkozen wokeïaanse aard. Enige hekken geraken echter pas echt van evenzovele dammen wanneer een verrassingsfeestje voor Gloria’s 63ste verjaardag ontaard in een Midden-Amerikaanse fiesta. Martine had Nico en zijn zussen op het hart gedrukt om Gloria zo lang mogelijk buitenshuis te houden opdat zij alle voorbereidingen voor het feest zou kunnen treffen maar wanneer de vier dan eindelijk thuis komen, treffen ze het huis aan in een complete ravage. Er weerklinkt slechts de vreselijke Punta-muziek die Nico juist verboden had, er wordt gedronken, geschreeuwd, vernield, gelachen en gedanst – maar niet door de genodigde vrienden van Gloria. Die staan angstig in een hoekje te kijken naar een stel gewelddadige, van kop tot teen getatoeëerde, volslagen ongemanierde Midden-Amerikanen die vanuit het niets opgedoken zijn. En ook zij weigeren het huis te verlaten. Sterker nog: wanneer Gloria na een paar dagen met deze overduidelijk criminele elementen geleefd te hebben (Nico en zijn moeder samengedromd in een verre kamer op het eerste verdiep terwijl de nieuwaangekomenen de rest van het huis hebben overgenomen, inklusief moeders auto, creditkaart en keuken, alsmede Nico’s laptop) er eindelijk toe bereid is de politie in te schakelen, blijkt dat het recht hier niets kan uitrichten. De mannen hebben zich immer niet wederrechtelijk toegang verschaft tot het huis. Op de dag dat de politie komt, zitten ze in hun beste pak en met een boek in hun hand aan de keukentafel. En Alonso heeft vervalste huurovereenkomsten voor ze geregeld. Ze weten niet waar Gloria het over heeft, ze zijn doodeerlijke huurders, ze hebben geen kwaad in de zin, ze veroorzaken geen overlast.

Het is niet moeilijk maatschappelijke parallellen te trekken. En daar wordt het zelfs mij een beetje suspect. Het huis van de Bonaventura’s als het land, om het even welk land, dat “overgenomen” wordt door “nieuwkomers”, om het even van welke signatuur. De politie in de rol van een te zwak rechtssysteem dat als het ware misbruik uitnodigt. Palermo als gemakzuchtige NIMBY, en Gloria als verblinde deuger die zo graag goed wil doen dan ze niet eens kan inzien welke kwalijke gevolgen haar goedwillendheid eventueel zou kunnen hebben. De Midden-Amerikanen, vol minachting en kwade intenties. Zelfs Nico, als hoofdfiguur is net iets te voordehandliggend getekend: de werkeloze luiaard die vanaf de zijlijn commentaar heeft op alles wat hij in feite zelf is. Het is dan ook veelzeggend dat in één van de weinige rechtstreekste confrontaties tussen Martine en hem, hij eigenlijk de zwakste argumenten in handen heeft. “’[G]oede landen’ [zijn] [..] het cumulatieve gevolg [..] van jarenlange ijver, sociale samenwerking en innovatie, terwijl ‘slechte landen’ het resultaat [zijn] van tirannie, gebrek aan sociale orde en corruptie, en het vormgeven van een aantrekkelijke plek om te wonen [heeft] intergenerationeel gezien daarom bijzonder weinig te maken [..] met geluk. Dus probe[ren] Martine en haar soortgenoten munt te slaan uit de verworvenheden van een beschaving die niet door hun voorouders [is] opgebouwd; hun poging om een kortere afslag naar welvaart te nemen [is] in feite een vorm van bedrog, bietsen of diefstal.” Is dat niet een al te simplistisch zoethoudertje om niet tegen de status quo in opstand te hoeven komen? Zelfs als dit waar is (en dat staat nog te bezien, wat is immers de kip, wat is het ei; komen tirannie en corruptie niet veeleer voort uit ellende, zijn sommige landen door hun ligging, bodem, klimaat, gebrek aan vruchtbare omstandigheden niet bij voorbaat al in het nadeel?), dan kun je je altijd nog afvragen wat voor gevolgen dit dan op individueel niveau heeft. Moet je maar passief blijven liggen in het bedje dat voorgaande generaties voor jou gespreid hebben? Is elke poging om te kijken of het gras elders allicht een tintje groener kunnen zijn, almeteens een vorm van bietsen? Hoeveel aandeel heeft het individu in de corruptie dan wel de verworvenheden van de beschaving waarin zij toevallig ook maar geworpen zijn? Is dit in een bewuste poging van Shriver om Nico lulkoek in de schoenen te schuiven, met het oog op wat volgen gaat? Nico draagt immers ook bitter weinig bij aan de “verworvenheden” van zijn samenleving, niet die van zijn land (hij heeft immers geen baan), en ook niet die van het huis waarin hij woont (want hij voert geen klap uit). Het lijkt erop dat Shriver gaandeweg het boek steeds meer voor een veilig geen rechts en geen links kiest (maar “recht door zee”,  zoals dat ene mens ooit zei, hoe heet ze ookalweer).

Hoe zwabber het boek ook in politiek of literair opzicht is, het houdt de lezer in de ban. Met doorzichtige technieken misschien. Maar de lezer leest.

De lezer leest tot het eind.

Actie, actie, en dan drama. Jaja. We weten het wel.

En dan het eind. Het godvergeten slappe eind. Het teleurstellende eind. Ik bleef lezen en lezen en lezen en lezen, bijna vierhonderd pagina’s lang in een boek dat ik eigenlijk helemaal niet wilde lezen om tot zo een afzichtelijk, slap, nietszeggend einde te komen.

Want alle ellende met de Midden-Amerikanen en het vreselijke dat het alles tot het gevolg heeft, is niet genoeg. Gloria heeft ook nog een keuze gemaakt die Nico’s hele leven op zijn kop zet. Die echter, alle enen opgeteld, voor Nico toch een positief gevolg zal hebben.

Dat is dus dat einde.

Shriver sleept je door heel dat boek heen.
Met al die hollywoodiaanse truukjes. Dit boek leest als een thriller, of zei ik dat al. Je ziet het allemaal voor je. Met al die typische typetjes: Gloria als verbeten activiste, Palermo als de NIMBY, Nico als de rechtse bal die boos is op alles wat hij zelf in essentie is, de Midden-Amerikanen die getatoeëerd en wel overduidelijk als agressief, ongemanierd en mogelijkerwijs crimineel moeten verschijnen, Nico’s vader en zijn vrienden als pre-Trump elementen (dit werd in de Biden-era geschreven); je ziet het allemaal voor je, je ziet het allemaal zo duidelijk voor je, dit kon een veel ween, of een serie op netniks, je ziet het wel; en ze betrekt jou, de lezer erbij, misschien voel je even wat de verhaalfiguren voelen, en dan komt dat slappe einde, dat laffe, gevaarloze einde, dat geen wit zoekt en geen zwart, zo’n laf compromisje inzet waarmee iedereen maar gelukkig moet zijn, wat in essentie zijn we allemaal gelukzoekers, jaja, dat is waar maar ik dacht toch ergens anders heen te gaan.

Niet om iets te lezen waar ik me in politiek opzicht achter zou kunnen scharen. Nee. Ik vind dat iedereen overal mag wonen, dat elk mens mag zoeken naar welk hoekje het dan ook is in deze wereld dat hem of haar het gelukkigst maakt. Martine zocht haar geluk en Nico vond het zijne. Het zal allemaal wel. Maar op het laatst staat hij daar en hij ziet de man die aanleiding heeft gegeven tot zijn moeders dood (oeps nou heb ik het verraden), hij ziet de vrouw die door een laatste opwelling van zijn moeder het huis heeft gekregen dat hij de langste tijd als het zijne heeft beschouwd en hij behoudt zijn flegma? Weinig geloofwaardig gezien het voorgaande, en een verrotte anticlimax voor de lezer bovendien.

Het doet mij afvragen voor wie dit boek is.

In politiek opzicht zal elke linksgeoriënteerde lezer zich alleen maar ergeren aan de beschouwingen van Nico, aan de iets te scherp gesneden archetypen als het om de Midden-Amerikaanse personages gaat, aan de tendentieuze toon die het grootste gedeelte van het boek uitmaakt. Wie wat rechtser van aard is en hoopt eindelijk eens wat te lezen dat meer in overeenstemming is met zijn eigen gedacht, zal zich verraden voelen door het slappe einde dat zonder gêne hengelt naar een middenpositie: geen vis, geen vlees, geen hier, geen daar, iedereen een beetje dit en een beetje dat, we zijn allemaal mensen, we zoeken allemaal naar iets, iedereen heeft wel iets waar een ander beter van kan worden, etcetera.

Wie het los van alles ziet, leest gewoon een spannend en meeslepend boek. Wat sex, wat humor, wat opwinding, wat ontroering. Voor mij een schuldig pleziertje. Voor heel veel andere mensen gewoon alles wat een boek nodig heeft.

Lionel Shriver Gelukszoekers

Gelukszoekers

  • Auteur: Lionel Shriver (Verenigde Staten)
  • Soort boek: Amerikaanse roman
  • Origineel: A Better Life (2026)
  • Nederlandse vertaling: Karina van Santen, Marian van der Ster
  • Uitgever: Atlas Contact
  • Verschijnt: 5 maart 2026
  • Omvang: 320 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 24,99 / € 14,99
  • Roman bestellen >

Flaptekst nieuwe Lionel Schriver roman

Scherpe satire over het thema migratie van de auteur van Waanzin.

Brooklyn, ca. 2022. Een welgestelde, gescheiden New Yorkse vrouw, moeder van drie volwassen kinderen, besluit om een vluchteling uit Honduras in huis te nemen. De lieve, behulpzame, bloedmooie Martine betrekt het souterrain en maakt zichzelf algauw onmisbaar. Maar de oudste zoon Nico, tevens de verteller (overigens een thuiswonende, werkloze twintiger met zijn eigen opvattingen over ‘de vluchtelingencrisis’), heeft zijn twijfels over Martines afkomst. Die alleen maar groter worden wanneer een vreemde, ietwat norse man bij Martine intrekt, gevolgd door nog een paar landgenoten. Het statige huis in de chique buurt wordt al snel te klein; moeder en zoon komen lijnrecht tegenover elkaar te staan. Een complicerende factor: Nico’s gevoelens voor Martine.

Lionel Shriver is geboren op 18 mei 1957 in Gastonia, North Carolina, Verenigde Staten. Ze schreef onder andere de internationale bestseller We moeten het over Kevin hebben, bekroond met de Orange Prize en in 2012 succesvol verfilmd. Eerder verschenen ook de romans De weg van de meeste weerstand, Tot de dood ons scheidt en de essaybundel Tegendraads. In 2024 verscheen de roman Waanzin.

Bijpassende boeken

David Huyghe – Olifantenvleugels

David Huyghe Olifantenvleugels recensie, review en informatie over de inhoud van de dichtbundel van de Vlaamse dichter. Op 21 januari 2026 verschijnt bij Pelckmans Uitgevers het nieuwe boek van David Huyghe. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

David Huyghe Olifantenvleugels recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Olifantenvluegels, het nieuwe boek van dichter David Huyghe, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

Het begint nog voor het nachtlampje, dat het begint nog voor het nachtlampje, alles begint voor het nachtlampje. Misschien is het een proloog, wie weet. Een spreken voor de beurt. Het gebeuren vooraleer er iets gebeurd is. Hoe ook. Huyghe spreekt en Huyghe zegt (over olifanten gaat het): “Ieder mens zit zonder het te weten op een olifant die hem van zijn geboorte naar zijn dood voert. De olifant kan over de maan springen. Zo groot is hij. Dat weet ik van Otto Blauw.”

En je denkt Is dit poëzie?
En je denkt is dit mystiek?
En je denkt is dit filosofie?
En je denkt wie is Otto Blauw?

Otto Blauw, mensen, is de man die dingen weet. Hij weet dingen die niemand weet. Bijvoorbeeld dat we altijd zwemmen in poëzie zoals vissen in water. We realiseren het ons alleen niet, zoals vissen zich het water niet realiseren. Maar eens je het ziet wil je het grijpen en daarom ontwerpen Otto Blauw en de ikfiguur (die misschien niet geheel toevallig David blijkt te heten) een hightech duikbril en een lichtgevoelig vlindernet om, gezeten op de rug van de olifant waarop zij hun leven hebben uit te zitten, op poëziejacht te kunnen gaan. Maarja. Kun je kijken. Poëzie is naar haar aard ongrijpbaar, daar hadden ze eerder aan moeten denken. Niettemin: ze kunnen nog altijd vliegtuigjes vouwen van hun ontwerpschetsen. Is het bedenksel niet altijd beter dan de uiteindelijk vorm?

Dat is de stand van zaken als het boek eigenlijk nog moet beginnen.

In Olifantenvleugels worden mystiek, poëzie, surrealisme, filosofie, bedachtzaamheid en koortsdromen verweven tot iets geheel nieuws. Je zou het een prozastrip kunnen noemen, ik weet niet, nergens in dit boek worden illustraties gebruikt en toch heeft het iets van een strip. Er is een woordelijke referentie aan Kuifje en de geheimzinnige ster; en er is iets over wassalon Soeki dat me deed denken aan Nero, de strip, die ik bijna volmaakt incompleet heb ergens op zolder, enkele jaren geleden nog veel gelezen met mijn zoon, was er niet ooit een wassalon Soeki, kwam dat niet ooit voor, is een strip zonder plaatjes mogelijk, is er iets aan het gevoel strip dat je zou kunnen transponeren naar literatuur, hier heb je je laagbrauw gepresenteerd als hoogbrauw & is dat mogelijk?

Mogelijk of niet, ik hecht eraan Olifantenvleugels te benaderen als roman. Want wat je anderzijds als Joost Oomen-achtige aanstelleritis zou kunnen zien, krijgt binnen de idee van een roman juist het karakter van een smaakmaker; een bindmiddel. Of zeg. Het verschil tussen Joost Oomen en Cabaret Voltaire. Wat, de band? Nee de literaire beweging natuurlijk truttemie.

Wat zeggen wil. Huyghens paart dadaïstische beelden aan filosofieën die niet eens zo heel bizar zijn als je er in de juiste gemoedstoestand over nadenkt. Dus er zijn olifanten die geen thee willen drinken in het kleine appartement van de ikfiguur (David?) op de Israëllei; ze willen ook geen rode wijn want ze drinken alleen maar koffie, zwart, en zonder suiker. En er is een park dat kan praten maar vooral erg goed is in luisteren. En je kunt de maan wassen in bad maar dan wel met een PH-neutrale zeep. En er is een vrouw die in een aquarium tussen de waterplanten doodgemoedereerd piano zit te spelen.

Is wat je zien kunt.

En.

Dat we slechts tandwieltjes van een regenwolk zijn. Dat we alles kunnen waarnemen maar niet onszelf. Dat ons bewustzijn een wondermiddel is. Dat dromerigheid de essentie van elk levend wezen is (pak aan Spinoza!). Dat tijd uit plakken bestaat. Dat een verwaarloosde tuin in betere staat verkeert dan een verzorgde. Dat alle verandering slechts illusoir is.

Is wat je denken kunt.

Zijn het de dingen die Otto Blauw zegt terwijl hij met zijn gele regenjas en zijn gele regenlaarzen en -om een of andere onduidelijke reden- een vishengel in één hand naar de drajende trommel van een wasmachine in -ja- wassalon Soeki staart? Wie weet. Hij, Blauw, neigt wel eens tot nihilisme. Allicht had hij Nietzsche op zijn nachtkastje liggen. De ikfiguur trekt uit de idee van Blauw over de totale leegte echter een opmerkelijk positieve konkluzie: als het niks alomtegenwoordig is, is elk moment dus allesomvattend. Ook dat moment van hem en Otto Blauw in wassalon Soeki.

Maar het kan ook zijn dat Otto Blauw is verzonnen als het mannetje in de maan door de moeder van de ikfiguur.

En juist dat heengaan, en dan weer terugkomen.
En juist die samenhang die er geen is.
En juist deze roman die allicht bedoelde een poëziebundel te zijn.
Juist daarom.

Juist omdat je gegooid wil worden. Niet van gedicht naar gedicht maar van sensatie naar sensatie. Dat het misschien juist daarom is dat dit beter werkt als je het in je hoofd een roman maakt.

Met als allerwonderschoonste stukje misschien wel: “Ik mag stil zijn. Ik mag onbereikbaar zijn. Ik mag mislukken. Ik mag onzeker zijn. Ik mag lang stil zijn. Ik mag lang onbereikbaar zijn. Ik mag vaak mislukken. Ik mag de hele tijd onzeker zijn. Mag ik een wolk willen zijn? Een wolk met een mening? Mag ik als wolk mij mening uiten? Moet het? Moet ik écht mijn mening uiten? Ik wil nooit meer moeten. Alleen nog mogen. En op je wachten. Ik wil lang op je wachten. Te lang? Veel te lang. Mag ik er nooit meer willen zijn? Ik mag het niet weten. Dus mag ik dromen. Als wolk mag, nee moet ik dromen. Toch?”; iets dat me deed denken aan die fameuze uitspraak van Beckett en aan Light Boxes van Shane Jones en aan Vladimir Majakovski en ja ook aan Joost Oomens.

Of. Weeral een ander allerwonderschoonste stukje. “Vraag me om samen te gaan, dat doet met altijd goed, alsof het echt is dat we samen door de tuin lopen, als bomen, dat we elkaar nog horen alsof het waait, alsof het waait dat je lacht als ik lach, dat je valt als ik val, in het lange gras door de ruimte naar de tuin op de maan, waar wij elkaar weer zo moeiteloos verliezen in elkaars donker, ik ben daar, ik heb daar in jouw donker getrapt, in een plas, ik herinner me alleen nog de details, als een hand, als een wimper, je teen in het water, dat je begrijpt dat ik je zie en dat jij opzijkijkt, dat het niet zo moeilijk, niet zo makkelijk hoort te zijn, het missen, de koffie, onze kopjes, dat we samen nog, dat we samen nog altijd door de tuin lppen, als bomen naar het bos”; iets dat me deed denken aan de bomen op hun knieën van Will Oldham en vooral aan de tuin in het huis waar ik opgegroeid ben, die achtertuin, het gras, dat kleine boompje in het midden van de tuin waarin altijd, elk jaar opnieuw, het grootste choco-ei verstopt zat met Pasen, en altijd, en elk jaar opnieuw, rende ik, op blote voeten, en dat gras dat kietelde, in niets meer dan een pyjama, want altijd was het warm in die dagen, naar dat boompje in het midden van de tuin om eerder dan mijn zussen bij het grootste choco-ei te zijn.

En zoiets is Olifantenvleugels dus.
Het is het rennen om eerder dan je zussen bij het grootste choco-ei te zijn.
Het is wat je je dacht te herinneren.
Het is melankolie.
Het leven dat kon, het leven dat is.
Of wat zweefde toen je bezig was andere plannen te maken.

David Huyghe Olifantenvleugels

Olifantenvleugels

  • Auteur: David Huyghe (België)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Pelckmans Uitgevers
  • Verschijnt: 21 januari 2026
  • Omvang: 128 pagina’s
  • Afmetingen: 17,2 x 20,6 x 1,4 cm
  • Gewicht: 232 gram
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: 22,00 / € 12,99
  • Bestelmogelijkheden boek >

Flaptekst boek met gedichten van David Huyghe

Zoals een kat naar een wolk klauwen.

Lichtblauw miauwen zoals een schaap.

Olifantenvleugels is een ode. Aan kleine dingen. Aan grote dingen. Aan tederheid, kapotte regenwolken en het slurfje van de maan.

Het is de slaapkamer van waaruit de schrijver naar de wereld piept. De tuin waarin hij poëzie als een kat probeert te lokken. De Grote Roze Oceaan waarin hij met plezier nog één keer verdrinkt.

In het universum dat zich ontvouwt, borrelen beelden, betekenissen en associaties op. Samen met geheimzinnige, kleurrijke personages duikt David Huyghe in deze bundel naar woorden die een trilling veroorzaken.

Olifantenvleugels sprankelt en mijmert, aait en ontbloot, ruist en blijft ruisen.

David Huyghe is een Vlaamse woordkunstenaar. Hij behaalde een master Vergelijkende Moderne Letterkunde aan de Universiteit Gent en een master Woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Zijn teksten verschenen onder andere in DW B en Kluger Hans. Tijdens zijn deelname aan het Slow Writing Lab legde hij de kiem voor zijn debuutbundel Olifantenvleugels.

Bijpassende boeken