Tag archieven: Tim Donker

JMH Berckmans – Barakstad

JMH Berckmans Barakstad recensie, review en informatie boek met het volledige gepubliceerde oeuvre van de Vlaamse schrijver. Op 26 augustus 2026 verschijnt bij Pelckmans Uitgevers het boek met het verzameld werk van JMH Berckmans de schrijver uit Vlaanderen die in 2008 is overleden. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

JMH Berckmans Barakstad recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Barakstad, het boek met het gebundeld werk van JMH Berckmans, de Vlaamse schrijver, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

Dode schrijvers schrijven niet meer. In sommige gevallen is dat misschien maar goed ook, of in elk geval toch geen al te groot verlies. Maar er zijn ook schrijvers die honderd hadden moeten worden, of honderdvijftig, om jou nog je hele leven van nieuwe boeken te blijven voorzien. Tot die laatste categorie behoort de Antwerpse schrijver Jean-Marie Henri Berckmans.

Hij overleed in 2008, slechts 54 jaar oud. In 1977 debuteerde hij en het laatste bij leven verschenen boek, Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel, kwam uit in 2006. Er heeft steeds een duidelijke opgaande lijn gezeten in zijn publicaties. Dat wil zeggen: de man werd -tot op zekere hoogte (o, maar daar wil ik zometeen nog wat over zeggen)- per boek beter. Met een oeuvre dat sowieso al hoogst origineel genoemd mocht worden. Een schrijver, ik zeg, als nooit tevoren. Een schrijver, ik zeg, als geen enkele andere.

Niettemin was hij tijdens zijn leven niet perse zeer beroemd. Oja. Nu staan ze daar wel. Nu staan ze daar allemaal. Op de binnenkaften van dit hier Barakstad. Moje dingen staan ze daar te zeggen over Berckmans. Herman Brusselmans en Saskia De Coster en Peter Verhelst en Arnon Grunberg en Guido Belcanto zelfs, van alle mensen waaraan je zou kunnen denken. Marcel Vanthilt zegt De échte Johnny Rotten: die van de Vlaamse literatuur, en ik denk wat heeft die Vanthilt met Johnny Rotten?, er was toen in de dagen van Arbeid Adelt ook al dat Johnniie Sexpistool, en tistezeggen hum maar als je het mij vraagt was Lydon veel meer punk (en veel interessanter ook) toen hij ophield rotten te zijn. En Delphine Lecompte zegt Ik ben soms bang om te eindigen zoals de wrakkkige morsige deerniswekkende ontredderde mens Berckmans. Ik kan alleen maar hopen om te worden zoals de geestige rauwe roekeloze ontroerende schrijver Berckmans, en ik denk, te vrezen of te hopen – klaarblijkelijk fungeert Berckmans als een soort eindfase ofzo? (ik weet niet zo goed wat te denken, eigenlijk, van die Lecompte. soms denk ik dat ze een aandachtszoekende aanstelster is. andere keren kan ik in haar ook wel de Patty Smith van de laaglandse letteren zien) (Patty Smith! laaglandse letteren! zie mij bezig!). En ik weet niet waar al die mensen waren toen Jean-Marie Henri Berckmans nog leefde, ik weet niet waar zij allen waren vóór de millenniumwende, ik ga hier niet beweren dat ik Brusselmans of Belcanto of Grunberg in die dagen nogal eens geregeld sprak, & laat staan over Berckmans, dus het kan goed zijn dat zij altijd al fervente lezers waren van zijn boeken. Maar “in die dagen” sprak ik toch wel geregeld mensen die werkzaam waren in het boekenvak. Uitgevers. Boekhandelaren. Letterkundigen. Of al eens een wat marginalere schrijver. En het is met toen meermaals overkomen dat glazige blikken mijn deel waren als ik over Pafke het meest komplete mafke begon. Wat zeg je? Berckmans? Nee sorry. Die ken ik niet. Nooit van gehoord. Het spijt ons.

Zelf leerde ik zijn werk misschien ook maar per toeval kennen. Ergens in de twede helft van het laatste decennium van een vorig millennium kocht ik een bloemlezing. Twedehands. Ik geloof dat dat boek Aan iedere spijker een regel heette, maar zeker weten doe ik dat inmiddels niet meer. Hoe ook. Een bloemlezing, toen, in de jaren die negentig heette; het was daarin dat ik las. Twee stukken van ene JMH Berckmans. Stukken die je prozagedichten kon noemen (o, maar daar wil ik zometeen nog wat over zeggen), of verhalen, of litanieën, of monologen, of theaterteksten. Het raakte me dwars, het raakte me volledig, het raakte me gans, het raakte me geheel. Dit was een schrijver. Ja. Dit was een schrijver. Van wie. Ik alles moest hebben. Die dagen. De dagen. Dat decennium. Berckmans leefde nog en schreef nog en zijn boeken waren voor wie goed zoeken wilde best heel vindbaar. Veel van zijn werk eindigde in de ramsj. Bij De Slegte. Andere titels doken nog wel op in het twedehanssirkwie, zij het niet zeer frekwent. Blijkbaar deden mensen die iets van hem in handen gekregen hadden het niet snel van de hand. Of kochten twedehandsboekverkopers het niet eens in. Dat raak ik niet kwijt. Jaja. Ik ken dat riedeltje wel. Ik heb daar ook wel eens gestaan met een stapeltje in een plastieken zakje. En het -enigszins beschaamd- weer mee terug moeten nemen dan. Harold Polis stuurde me Vergeet niet wat de zevenslaper zei toe. Berckmans’ “twede debuut” uit 1989. Mijn vader kocht me Taxi naar de Boerhaavestraat. Bij Van Pierre. In Eindhoven. Het was op dat moment al een paar jaar uit, drie vier jaar misschien, maar het lag daar gewoon, in een reguliere boekhandel, niet twedehands. Vaak als ik een weekendje bij mijn vader ging logeren moest hij naar Van Pierre. Voor “vakliteratuur”.  Dan stond hij op de afdeling Psychologie. Of bij één of andere afhaalbalie. Als hij wat besteld had. Ik slenterde dan zo’n beetje langs de literatuur heen en weer. Zag ik me daar een keer verdorie Taxi naar de Boerhaavestraat staan! Het was enkele maanden na mijn “ontdekking” via dat misschien wel misschien niet getitelde Aan iedere spijker een regel, mijn enthousiasme grensde nog aan hondsdolheid, en ik liep met het boek naar mijn vader. Moet je opletten, zei ik, dit moet je horen, dit is een hele bijzondere schrijver, en ik begon lukraak wat dingen voor te lezen, dwars doorheen zijn gesprek met de verkoper. Mijn vader kocht me het boek, misschien om me op te laten houden, misschien uit schaamte, misschien om zich ten opzichte van zijn vaste boekverkoper de gulle vader te tonen. Ik weet het niet. Maar ik had m. Mijn eerste Berckmans. Misschien niet het beste moment, nu, in dit betoog, om te zeggen dat het me een beetje tegenviel. Maar dat deed het wel. Het was me af en toe té bukowskiaans. In die tijd vond ik nog dat ik Bukowski goed moet vinden maar zelfs toen was ik al van mening dat Berckmans hem in de schaduw stelde. Hij zijn mosterd niet bij hem halen hoefde. Dacht ik ook: zou Berckmans voor het oog van de camera zijn vrouw gaan trappen? Hum. Ja. Misschien. Maar toch.

Waar ook vandaan, ze kwamen. Alle titels. Allemaal in mijn boekenkast terecht. Allemaal eerste drukken. Van wat na Slecht nieuws voor Doctor Paf de Pierennaaier, Pandemonium in de Grauwzone verscheen, werd minstens één titel, maar misschien ook twee of drie, me door Berckmans zelve toegestuurd (o, maar daar wil ik zometeen nog wat over zeggen); andere belandden niet geheel als vanzelf op mijn recenseertafel. Wat ik niet kreeg (van uitgevers, Berckmans of mijn vader), heb ik kunnen kopen aan spotprijzen. Maar nu. Nu is de man al bijna twintig jaar dood. Nu is hij een cultschrijver. Staat iemand stom gnuivend te lachen en houdt zijn wijsvinger een klein eindje van zijn duim vandaan om te suggereren dat Berckmans maar een “klein” cultschrijvertje is. Ik wist niet dat ze in verschillende formaten kwamen. Maar de prijzen van zijn boeken zijn nu antiquarisch -zo al vindbaar- zeker niet klein. Daarom zeg ik: val op uw knieën, literatuurliefhebbers dezer landen, want Pelckmans is gekomen, Pelckmans kwam. Pelckmans geeft uit: Barakstad. Berckmans gebundeld. Alle boeken van de goddelijke Antwerpenaar in één band.

Alle?

Ja. Hier misschien even een kleine waarschuwing voor aldiegenen wier liefde voor het werk van deze schrijver al wat langer loopt. Mensen zoals ik. Zeg maar. Mocht u een kleine hoop koesteren, ergens diep binnenin u, dat deze band misschien iets onverwachts bevat -een titel die u even over het hoofd had gezien, een vergeten verhaal, een nog in de nalatenschap opgedoken reeks brieven- dan kan ik die hoop almeteens de bodem in slaan. Barakstad bevat, heel gewoon:

Geschiedenis van de revolutie. Brief aan een meisje in Hoboken
Tranen voor Coltrane
Vergeet niet wat de zevenslaper zei
Café de Raaf nog steeds gesloten
Rock & Roll met Frieda Vindevogel
Het zomert in Barakstad
Taxi naar de Boerhaavestraat
Bericht uit Klein Konstantinopel
Ontbijt in het vilbeluik
Slecht nieuws voor Doctor Paf de Pierennaaier, Pandemonium in de Grauwzone
As op Jazzwoensdag
Na het baden bij Baxter en de ontluizing bij Miss Grace
Het onderzoek begint
Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel
4 laatste verhalen en enige nagelaten brieven

en de mensen aan wie deze kleine “waarschuwing” gericht is hebben deze boeken natuurlijk net als ik allemaal al in de kast staan (o, maar daar wil ik zometeen nog wat over zeggen). Voor hen biedt Barakstad geen kleine of grote verrassingen (het enige dat steeds & permanent aan mijn collectie ontbroken heeft is één van de “biotopen”, het eenmansblad dat JMH Berkcmans korte tijd maakte en dat weliswaar meestal slechts dat bevatte wat vroeger of later toch nog wel in boekvorm opdook maar waar toch ook wel eens wat in werd afgedrukt dat hij nooit nog ergens herhaalde; ik had het mooi gevonden als de drie biotopen ook opgenomen waren geweest in Barakstad, maar vermoedelijk vond Pelckmans dat dat voor teveel herhaling zou zorgen). Voor de oudere liefhebber is Barakstad dus eerder een wederzien. Een hernieuwde kennismaking.

En geen onprettige. Geschiedenis van de revolutie, dat ik las in de heruitgave van 1994 (maar daar dan wel de eerste druk van, eej), heb ik altijd als een van zijn zwakste boeken beschouwd. Ik heb een Berckmansliefhebber gekend bij wie het juist favoriet was, wat ik vreemd vind, gezien de kant die het oeuvre later opgegaan is (hoe kun je het hele oeuvre waarderen, en dit zijn beste vinden?). Ik vond het saai, en een beetje geforceerd nihilistisch. Maar nu, bij herlezing, vond ik het eigenlijk geeneens echt slecht. Het vertelt het verhaal van een alleen als JMH gekende ik-figuur die vanuit het om onduidelijke redenen leegstaande huis van “M.” brieven schrijft aan Marina over “de revolutie”, waar ene Zysmilch hem en zijn broer ooit voor geronseld heeft. De broer en JMH werden op een avond naar een kazerne gebracht waar hij onbepaalde tijd lang (hij meent dat in die tijd minimaal één keer alle seizoenen voorbij gekomen zijn) samen met andere revolutionairen samengeleefd heeft. Deze “Helden”, zoals hij de “revolutionairen” blijft noemen, zijn eigenlijk maar een zootje ongeregeld. Ze wassen zich niet, doen hun behoeften overal en nergens, doen niet veel meer dan greppels graven, gaan zich zeer geregeld te buiten aan drinkgelagen die dan meestal uitlopen op ware orgies. Het is JMH’s bedoeling een geschiedenis van deze revolutie te schrijven.  Maar gelukkig onderbreekt hij die geschiedenis continu om in plaats daarvan te mijmeren over muziek, over de driehoek van Pascal, over de relativiteitstheorie en over de exacte M. wiens huis hij nu gekraakt heeft – met deze M. heeft hij, naar het lijkt, een even kortstondige als dysfunctionele homosexuele relatie gehad. Ik snap wel wat me indertijd tegenstond aan het boek. Het is het meest verhalende boek van Berckmans, en het bevat best wel wat onnodige lompigheden (van lompigheden is Berckmans nooit vies geweest, maar er zijn altijd nog gradaties). Toch, zo slecht als ik het me herinnerde is Geschiedenis van de revolutie niet. Het heeft iets van Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon (JMH schopt die bende nog wel een geweten), of van een Beckett in, laten we zeggen, zijn Molly-periode. Ook deed het me denken aan Afscheid van Zsömle van Lászlo Krasznahorkai. Maar dat laatste is geheel toevallig natuurlijk want dat boek verscheen pas dit jaar. Wat ik er goed aan vind, nu, achteraf, vijfentwintig of dertig jaar na ik het voor het eerst las, is niet alleen het geneuzel dat JMH steeds vóór laat gaan op zijn “historiografie” van “de revolutie”; nee, wat me vooral beviel, nu, bij herlezing, was het feit dat er van alles in het vage gelaten wordt. Wie die Leentje was, bijvoorbeeld (oké, goed, een jeugdvriendin van Berckmans maar als lezer van de roman worden we geacht dat niet te weten). Wat die Zysmilch wil. Hoe het zit met de revolutie, en de oorlog waar JMH het in zijn brieven aan Marina over heeft. Het is niet zo vergezocht om Geschiedenis van de revolutie te lezen als dystopische toekomstroman die zich afspeelt in een totalitaire samenleving aan de vooravond van wie weet een derde of een vierde wereldoorlog. Maar met evenveel recht lees je er het verslag in van een psychotische figuur die van wat misschien gewoon maar militaire dienst was (of, zeg, een vorm van jeugddetentie) in zijn hoofd iets heel anders gemaakt heeft. Ik acht het zelfs niet volledig uitgesloten dat álles -M., Zysmilch, de revolutie- volledig als een waan beschouwd moet worden. Boeken met een onbetrouwbare verteller houden die spanning tot het eind, en daarna ook nog, vast. Moet de lezer JMH geloven of zal hij er toch maar het zijne van denken? Dat Geschiedenis van de revolutie dit een open vraag houdt, vind ik er nu aardig aan. Aardig ja. Van goed is in dit stadium nog geen sprake.

Tranen voor Coltrane verscheen ook in 1977. Het is een aantal jaar geleden opnieuw uitgegeven, misschien in 2015, in mijn herinnering zit ik de heruitgave te lezen in de trein enkele dagen nadat mijn vader overleden is. Ik moet het nog ergens hebben, heb het gelezen en geloof ik ook besproken. Maar zowel de bespreking als het boek kan ik nergens meer vinden. De bespreking kan verloren gaan, zulke dingen gebeuren op het internet. Van het boek kan ik me niet voorstellen dat ik het weggedaan heb. Hoe slecht ik het ook vond. Vind. Het is en blijft een boek van Berckmans. Maar waar zou het dan gebleven zijn? Waar is de bespreking gebleven? Zou ik alles dan maar gedroomd hebben? Ik weet het niet. Slecht is Tranen voor Coltrane in ieder geval wel, nog steeds, dat deel van de herinnering klopt. Het staat geloof ik te boek als dichtbundel. Maar het bevat ook aforismen en ZKV’s. (dat laatste mag zich tegenwoordig op hernieuwde belangstelling verheugen) (ziet u er de website van M10 Boeken anders maar eens op na) (of vraag het anders Perlefter maar) (ook die Lecompte heeft daar van verre of nabij weer mee te maken). Als ik u zeg dat “Ik zet mijn 45toerenplaatjes altijd op 78 toeren. Dan zijn ze rapper gedaan.” zo ongeveer het beste is wat ik uit die bundel op kan tekenen, dan kunt u de rest wel invullen.

En toen verscheen er even niks. Berckmans ging naar Italië. Was daar vertegenwoordiger van een schoenenfirma. Was succesvol, en rijk. Zoals hij tijdens zijn leven nooit meer succesvol en rijk zou zijn. Leefde een leven zoals maffiosi in films doen. Kwam berooid terug. Ging weer schrijven. Debuteerde een twede keer. Dit keer heette het Vergeet niet wat de zevenslaper zei. En daarmee begon het. Die opgaande lijn waar ik het over had. In Vergeet niet wat ze zevenslaper zei vind je nog wel sporen terug van de Geschiedenis van de Revolutie-Berckmans. Excessief geweld. Diverse niveaus van wansmaak. Maar. De verhalenbundel bevat ook. Met Jan in de metropool of De Ballade van Wasted Youth. Eén van de mooiste kortverhalen uit de geschiedenis van de laaglandse nee zeg gewoon de wereldliteratuur. Herinneringen aan Berckmans’ jeugd in Leopoldsburg, opgetekend in die stijl die zo kenmerkend voor hem zou worden. Keelsnoerend en grauw maar net zo goed poëtisch en muzikaal. Zinnen als “Tien miljoen ton zand bedekt de tijd. Tien miljoen herinneringen bedekt de comateuze Wasted Youth.” – herinneringen, voornamelijk, aan zijn oudoom Jan. Een socialist die in alles politieke propaganda ziet, zelfs in het verhaal van Christus aan het kruis!, en met wie hij, illegaal, slachtafval gaat halen om op de mesthoop te gooien. Het hele verhaal is doorspekt met korte interrupties bestaande uit regeltjes uit kinderliedjes. Wie zich door dat verhaal gebeten weet, weet zich gebeten door Berckmans’ gehele oeuvre. Het kan iconisch heten, misschien. Het werd opgenomen in Verhalen uit de Grauwzone, de bloemlezing die Chris Ceustermans in 2018 voor uitgeverij Vrijdag samenstelde. En het stond als ik het me goed herinner ook al in Berckmans’ Beste uit 1997. Als ik me het goed herinner, ja, want ik moet dat boek hebben. Maar evenals Tranen voor Coltrane blijkt het nu onvindbaar. Waar blijven die boeken van Berckmans, welk zwart gat zuigt ze naar binnen? Ik weet het niet, maar Met Jan in de metropool of De Ballade van Wasted Youth was in ieder geval het verhaal dat mij Berckmans’ universum binnen zoog, voorgoed, en volledig.

Want in het navolgende Café de Raaf nog steeds gesloten staan alweer drie verhalen van deze pracht: Binnendoor naar Beverlo (eigenlijk eerder een (proza)gedicht waarin de schrijver bij het ziekenfonds een aanvraag doet voor een fiets); De zoon van Molengraaff (een illusieloze beschrijving van de weinig verheffende dagdagelijksheden van een in chronische geldnood verkerende hoofdpersoon) en het titelverhaal dat alleen al onsterfelijk is vanwege de briljante dialoog tussen de ikpersoon en een medewerkster van het arbeidsbureau (maar dat moet je echt zelf lezen).

Rock & Roll met Frieda Vindevogel schroeft alles nog een paar tandjes op. Genredoorbrekend, of hoe noem je dat, het is alleszins niet goed bepaalbaar wat je met dat boek eigenlijk in handen hebt. Het kan een roman zijn. Maar dan wel één die af en toe onderbroken wordt door fragmenten die nergens iets mee te maken lijken te hebben. Of een verhalenbundel waarvan de meeste verhalen onderdeel lijken te zijn van dezelfde vertelling: die over Gerrit Matthijs en zijn psychiater, Frieda Vindevogel. In dit boek zien we Berckmans langzaamaan tot wasdom komen. De ommetjes door het Barakstad waarin we Antwerpen kunnen herkennen, de afstompende bezoekjes aan zijn ouders, de drank, de vriendschappen met de meest haveloze, zoniet regelrecht gestoorde figuren in die stad. Gerrit Matthijs werkt aan een boek dat Rock & Roll met Frieda Vindevogel moet gaan heten. Hij hoopt binnenkort mee te mogen doen met de Soundmixshow (als u dat niets zegt, zoek het dan maar op) op VTM en zoveel indruk te maken met zijn vertolking van Child in Time dat kijkers massaal niet alleen Rock & Roll met Frieda Vindevogel zullen kopen maar ook al zijn voorgaande boeken (die door vele uitgevers als “te experimenteel” en “onverkoopbaar” zijn geweigerd).

Wel.
Ja.
Dus.

Ik ga hier niet al die boeken één na één bespreken. Ik ga slechts zeggen dat Taxi naar de Boerhaavestraat een stap terug leek te zijn maar Bericht uit Klein Konstantinopel keihard terugslaat met prachtteksten (zijn het verhalen? zijn het prozagedichten? is dit een bundel of een roman?) als Wat is er met Pafke aan de hand?; Doem doem doem Dodeskaden en Als plots aan Ratata een eind zal zijn gekomen – alles dat me zo hard uit mijn sokken blies dat ik wist dat ik dacht dat ik voelde dit wil ik ook kunnen, een heel klein beetje van dit soort pracht op papier kunnen zetten, wil ik kunnen, wil ik doen (maar daar wil ik zometeen nog wat over zeggen) en dat Ontbijt in het vilbeluik en Slecht nieuws voor Doctor Paf de Pierennaaier, Pandemonium in de Grauwzone voor mij de hoogtepunten zijn van zijn gehele oeuvre; het waren toen, in de jaren dat ik het voor het eerst las, als eindtwintiger, de allermooiste boeken die ik ooit gelezen had. Alleen al de eerste alinea van Ontbijt in het vilbeluik: “In de beginne was de oerknal van Videozap. Prot zei z’n gat en z’n gat sprak Deutschland. Uit de oerknal van Videozap ontstonden de schetenfabrieken. Uit het afval van de schetenfabrieken ontstond hulpkas kwadraad, waarvan de Gangsters van de Grauwzone getuigenis hebben afgelegd, afleggen, afleggen zullen. Zij zijn de mannen van Nix, zij zijn de mannen van Rix Nix Petix, zij zijn de mannen van ga daar liggen, ga daar liggen.”: het duister, de schoonheid, de zeggingskracht, de overdondering, het zangerige (ik geloof dat Berckmans in die tijd zijn boeken niet schreef maar dicteerde aan Geert Breës, wat allicht de jazzy improvisatie ervan verklaart). Het lijkt ook de, ja, oerknal geweest te zijn waarmee het hyperexperimentele ontploffen moest; de navolgende boeken zijn weeral iets (ietsjes) “normaler”; hij keert er, ook, vaker terug naar het brievengenre, waarmee het in 1977 allemaal begon.

Sommige mensen spreken wel eens van een boek dat hun leven veranderd heeft. Ik heb dat altijd een beetje koket gevonden, er misschien ook wel eens neerbuigend over gedaan. Toch. Niettemin. En daarentegen. Dit oeuvre als geheel, het oeuvre van Jean-Marie Henri Berckmans heeft zeker enige invloed op mijn leven gehad. Zoiets ook doen. Zoiets ook papier kunnen zetten. Dat willen. Papier te willen, en inkt. Als drijfveer voor mij niet perse ganzelijk nieuw. Als kind wilde ik verscheidene dingen worden. Vrachtwagenchauffeur, motoragent, vuilnisman, psycholoog, zwerver. Ambities die ik voor langere of kortere tijd koesterde. Maar het meest consistent was: schrijver. Ik was die ene, de enige in de klas, die begon te juichen als we “opstel” als huiswerk kregen. Het enige soort van huiswerkopdrachten waar ik, anders dan al mijn overige drieën en vieren, nog wel eens een acht of een negen voor behalen wist. En ik schreef ook voor mijn plezier. Verhalen. Op de schrijfmachine van mijn vader. Een pistachegroene Remmington. Later, in mijn studententijd, kwamen daar ook gedichten bij, en langere prozastukken waarvan ik de pretentie had dat dat ooit “romans” zouden zijn. Maar de boeken van Berckmans maakten die schrijfhonger konkreter: tot iets dat gestild moest worden. Direkt. Nu. Met een toenmalige vriend, de goede Termeer, richtte ik een literair blad op. Kraakpen, zo noemden we het. We waren de redactie, we waren het voltallige schrijversteam, we waren de distributeurs, we waren de vertegenwoordigers. En omdat Kraakpen niet alleen maar van papier en van woorden was, waren we ook de tekenaars, de fotografen, de musici, de performers. Maar toch. Schrijven was voor mij de hoofdbezigheid als het om Kraakpen ging, en al in het twede nummer schreef ik uitgebreid over mijn liefde voor de boeken van Jean-Marie Henri Berckmans. Dat nummer stuurden we hem toe.

Niet dat we een reactie verwachtten, of zelfs maar verlangden. Het was meer ter kennisgeving dan als uitnodiging. Dat hij dat misschien leuk zou vinden. Om te weten. Dat twee hollanders zo zot waren van zijn woorden. Bezijden. We stuurden altijd een Kraakpen. Naar iedereen die we noemden in het blad. Zelfs als we niet eens lovende woorden spraken. Het was één manier om van die stapels Kraakpennen af te komen. Want goed verkopen deed het blad niet bepaald. Dozen vol stonden onder de trap. Onder de trap van de goede Termeer. Maar wat doet u weten. Berckmans reageerde wel (overigens als één van de weinigen die we bestookten met ons blad). Het moet zijn dat we Kraakpen 2 maakten of verstuurden niet lang voor ik op vakantie ging want ik herinner me dat ik terugkwam uit het verre Spanje, en een boodschap van Berckmans aantrof. Op mijn voicemail. Dat was nog in die dagen. Mogelijkerwijs bestond mobiele telefonie al, dat herinner ik me niet precies. Maar slechts weinigen hadden een gsm, de zogeheten “vaste” telefoonlijn was standaard, en als iemand je belde terwijl je niet thuis was, dan kreeg niemand iemand te spreken. Ik had dan nog voicemail. Maar zelfs dat was denk ik eerder uitzondering dan regel. Maar thuis, en gebruind, en wat vakantieherinneringen rijker, en daar was hij. Op mijn voicemail. Jean-Marie Henri Berckmans. Hij vond Kraakpen een goed blad. Een beetje vreemd. Maar erg goed. Dat was groots. Dat was alles. De schrijver die ik meer bewonderde dan welke andere schrijver dan ook vond iets dat ik gemaakt had goed. Beter dan dat kon het niet worden. Ik had dan en daar kunnen sterven, en het summum van schrijverschap zou ik behaald hebben.

Dat bellen bleef hij doen. Af en toe. Meestal als hij een paar glaasjes op had. Zo leek het toch. Dan bleef hij maar aan het woord, in dat zo goed als onverstaanbare Antwerps van hem. Of toch. Eén keer verstond ik hem maar al te goed. We moesten iets doen. Samen. Wij. Kraakpen. En hij. Berckmans. In Antwerpen. Iets met muziek, en poëzie, of wat dan ook, we zagen wel. Hij kende wel plekken waar dat kon. Slapen kon bij hem.

Het was in de dagen dat de goede Termeer en ik ruzie hadden gehad, of begonnen te krijgen, en Kraakpen heette Leve Kraakpen! en was niet langer een tweemansblad maar een eenmansblad en ik durfde niet. Nee. Onlangs nog las ik ergens dat één van Berckmans’ zussen zei dat haar kinderen bang waren van “nonkel Jean-Marie”. Iets in die sfeer hield mij tegen. Ik wist niet precies wat ik mocht geloven van zijn boeken, en wat niet. Maar hij leek me in ieder geval niet de man om een solide logeerbed paraat te hebben, met schone lakens en schone dekens. En dus, ja, was ik bang. Om te moeten logeren in een puinhoop. Om een nacht door te brengen met een Jean-Marie die straalbezopen zou geraken. Of stoned. Of psychotisch. Een Jean-Marie die om een kleinigheid, en misschien dan niet eens iets dat ik deed of zei, razend zou worden. Een Jean-Marie die naast mij nog allerlei andere mensen over de vloer zou krijgen. Havelozen. Zotten. Regelrechte mafkezen. Ik zei wel Ja dat moeten we zeker een keer doen!, maar ik kwam er nooit op terug. Zeker niet toen de ruzie tussen de kraakpenredactieleden zich voltrok, en ik alleen nog maar ik was, en ging verhuizen, ook nog, naar die vermaledijde woning aan de argusvlinder, waar ik afgestompt raakte, en eenzaam, en treurig, en saai, en verveeld. Misschien als de dingen anders waren gegaan, en de schrijfhonger die Berckmans in mij ontketend had zo groot was geweest dat ik een schrijverken was geworden, een heel klein schrijverken misschien maar een schrijverken niettemin, en ik een Dregke aan mijn zijde had gehad, en we samen hadden kunnen gaan, t schrijverken en Dregke, in die prachtige Mazda van haar helemaal naar Antwerpen opdat we ook weer hadden kunnen gaan als het daar niet naar ons zin was geweest, naar een hotel of gewoon maar het hele eind terug naar huis, maar voor de lul die ik inmiddels geworden was, was het allemaal te veel en te eng, en het kontakt tussen Berckmans en mij begon te verflauwen. Bellen kwam niet of nauwelijks nog voor. Hij stuurde me nog wel een keer een verhaal: Van sjoekhuus naar sjoekhuus. Om in zijn geheel af te drukken in wat inmiddels Leve Kraakpen! heette. Uit respect voor dat blad. Exclusief. Zo schreef hij erbij. Maar ik was niet alleen afgestompt geraakt, en eenzaam en treurig en saai en verveeld, en een lul geworden; ik was ook koppig. En ik had een nummer in mijn hoofd van Leve Kraakpen! dat heel beslist als eerste verschijnen moest. Doch wat met de goede Termeer alleen maar fantastisch geweest was: een blad maken, bleek in mijn eentje een loden last: een blad maken. Schrijven. Ja. Gemakkelijk genoeg. Maar er een papieren leesbaar iets van maken, dat vond ik vervelend. En ik stelde uit en stelde uit en stelde uit, en na maanden en maanden en maanden kwam dan dat nummer dat ik beslist maken moest vooraleer ik Van sjoekhuus naar sjoekhuus ging afdrukken. Ja. En toen moest ik dát nummer nog gaan maken, en ook daar had ik, in weerwil van die prachtige primeur die Berckmans me gegeven had, minder nog dan helemaal geen zin in. En intussen was het allang 2006 geworden, en verscheen bij Manteau Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel. En het eerste verhaal daarin? Ja. U raadt het al. Heimwee naar het krankenhuis (van sjoekhuus naar sjoekhuus). Het enige dat ik nu nog kon bedenken was dit: de fragmenten afdrukken die de eindversie in Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel niet gehaald hadden. Maar dat waren er niet zoveel. Dus vulde ik het aan met één of ander hyperexperimenteel verhaal van mijn eigen hand, en een mail die een bekende me ooit had gestuurd en die ik, hoewel niet zo bedoeld, opvatte als absurdistisch gedicht. Gewoontegetrouw stuurde ik hem het nummer toe. Maar ik hoorde er niks meer op. Zijn dood, twee jaar later, moest ik via teletext vernemen (ik vraag me hier en nu af of de goede Termeer wel tot zijn overlijden in contact met hem is blijven staan).

Maar er is meer. Er was ook een vrouw. Ooit. Er zijn altijd wel vrouwen maar dit was de mooiste vrouw die ik ooit had gezien, en de liefste, en de slimste. Ook zij was een lezeres, en ook zij kende Berckmans niet. Ik vertelde haar over Ontbijt in het vilbeluik en Slecht nieuws voor Doctor Paf de Pierennaaier, Pandemonium in de Grauwzone, en hoe ik dat ooit de allermooiste boeken had gevonden die ik kende. Ik stuurde ze haar toe. Mijn eigen exemplaren. Ik dacht dat dat de grootste gift was die een lezer aan een andere lezer kon geven: de mooiste boeken uit zijn collectie. Zoiets als je hart schenken. In een envelop. Maar dat zou ik niet overleefd hebben. En dus werd het Ontbijt in het vilbeluik en Slecht nieuws voor Doctor Paf de Pierennaaier, Pandemonium in de Grauwzone. Na het baden bij Baxter en de ontluizing bij Miss Grace deed ik er ook nog bij. Dat refereerde aan een privégrapje tussen haar en mij. Zoiets groots. Het kon niet anders dan dat dat onze liefde voor eeuwig zou bezegelen. Dat het niet heeft mogen baten, doet niks af aan het monumentale van deze uitgave. Want welke andere schrijver heeft iets geschreven dat de grenzeloosheid van uw liefde zou kunnen uitdrukken? Hoeveel boeken in uw boekenkast bezitten die kracht? Ook daarom blijft Berckmans voor mij een uniek schrijver.

Wat ik me wel afvraag, is voor wie Barakstad bedoeld is. De oude liefhebbers? Die hebben dit allemaal al in hun kast staan, zoals ik zei. Of. Naja. Misschien vertoont uw Berckmanscollectie toch nog wat gaten. Omdat er geen Harold Polis was om u Vergeet niet wat de zevenslaper zei toe te sturen. Omdat er geen vader was om Taxi naar de Boerhaavestraat voor u te kopen. Omdat er een hemeltergend moje vrouw was aan wie u wat van uw berckmansen weggaf. Omdat er tijdens een verhuizing of twee wat titels verdwenen zijn. Dan is nu uw kans om een en ander weer aan te zuiveren, en de doublures neemt u daarbij natuurlijk voor lief. Of. Misschien bent u zozeer completist dat u dit boek gewoon moet hebben omdat de naam JMH Berckmans erop staat.

Doch als uit het voorwoord van Lanoye blijkt (trouwens ook alweer iemand die ik nooit met Berckmans geassocieerd zou hebben), duiken ook vandaag de dag nog nieuwe liefhebbers op. Jonge mensen, of voor mijn part oude, die eerst nu pas in de ban geraken van deze schrijver. En nu onderwerp ik mezelf aan een klein gedachte-experiment. Hier zit ik. Onderworpen te zijn. Aan mijn eigen gedachte-experiment. Stel je voor, zo praat ik tegen mij, stel je voor dat ik in die vervlogen jaren negentig níet per toeval het pad had gekruist van dat boekje waarvan ik nu dan maar gemakshalve beslis dat het Aan iedere spijker een regel heette. Dat ik nooit kennisgenomen zou hebben van enige Berckmans. Deze, of een andere (er heeft volgens mij ook een striptekenaar bestaan die Berckmans heette) (Arthur als ik me niet vergis) (was die niet van Sammy?). Maar dat ik nu, doorheen de druivengaard, hoorde fluisteren van Barakstad. En dat ik zou denken Dat zou wel eens wat voor mij kunnen zijn. Zou ik het dan aandurven, nu, om van een schrijver die ik misschien wellicht mogelijkerwijs (bijwoorden van twijfel) best heel aardig zou kunnen vinden maar meteen het hele oeuvre ineens te kopen? Wat dat doe je als je Barakstad koopt: het hele oeuvre van Berckmans in één keer kopen. Vraag me ook af hoe dit in de winkels ligt, op de leestafels (als Barakstad het überhaupt al tot de leestafels schopt) (misschien bij Paard van Troje). Het exemplaar dat op mijn recenseertafel landde, zat in plastiek. In de boekhandels ook? Je hebt van die boekhandels. Maar dan kan je het niet doorbladeren, en moet je nog zekerder van je zaak zijn. Dan moet je echt wel heel hard denken Ja!, van deze schrijver, al ken ik hem (nog) niet, wil ik echt alle boeken hebben, nu, meteen, allemaal in één keer. Wel. Je kunt een boekhandelaar natuurlijk vragen om Barakstad speciaal voor jou even uit het plastiek te halen. Maar hoe zou ik zelf zijn. Zou me al bijna verplicht voelen het te kopen, zelfs al had een vlug doorbladeren me geleerd dat het toch geen spek voor mijn bek was. Want diene mens was helemaal speciaal voor mij een stanleymesje gaan halen, en had dit exemplaar open gerist. Dat hij nu natuurlijk met goed fatsoen ook niet meer kon terugleggen op de leestafel, besmeurd en beëzeloord als het daar nu zeker en vast zou gaan geraken. Speciaal daarom ben ik ook ooit gestopt met seedeehandelaren te vragen of ik even een seedee luisteren mocht. Als de luisterbalie, zoals eertijds bij Bullit in Eindhoven, zich in ergens een hoekje bevond, ging het nog wel. Kon ik, als de seedee niks bleek en de verkopers druk waren met andere klanten, nog wel fluks & ongezien wegsluipen. Maar ik weet ook nog wel die keer bij Memory Music in Eindhoven. Niemand in de zaak, niet lang voor sluitingstijd. Ik wou Radio KAOS van Roger Waters even luisteren, want ik had horen murmelen dat dat niet zijn beste werk was, maar ik vond de enige ware Pink Floyd de Pink Floyd die tot bloei was gekomen onder de leiding van Waters en The pro’s en cons of hitchhiking was één van de allerbeste seedees die ik kende (Amused to death was toen nog niet uit maar is feitelijk natuurlijk nog vele malen beter). De luistersessie bij Memory gaf het gemurmel echter gelijk. Ik deed de koptelefoon af en dacht Wat nu? De verkoopster, staand recht achter de luisterbalie (tevens kassa), hield mijn gepijnigde watnu?-blik echter voor iets anders. “Helemaal onder de indruk!” riep ze opgetogen uit toen ik zwijgend en somber mijn koptelefoon van mijn harses rukte. Op de koop toe was de verkoopster jong, en mooi, en had ze een bijzonder aimabele uitstraling. Dusja. Ik die kutseedee kopen. Wat kon ik anders?

Zie dit vooral als oproep aan boekhandelaren om Barakstad vooral niet in plastiek te laten zitten.

Maar ook.

Barakstad is 1350 bladzijden dik. En loodzwaar. Ik weet niet waar u graag leest maar ik ben een beetje een meesleeplezer. Tegenwoordig blijven mijn meesleeplocaties beperkt tot leesstoel, weesee, bad, en heel soms bed, en somser nog, tuin. Maar ooit was er een tijd. Ik ging nog wel eens met de trein. En mijn vader leefde nog, en ik had nog vrienden en vriendinnen, en niet zelden waren dat mensen die ook graag lazen, en die bestookte ik dan met iets waarin ik bezig was en dat ik goed vond. En toen waren de hers en de ders waarheen ik mijn boeken zeulde nog wel wat veelvuldiger. Een lekker meesleepboek is Barakstad echter niet. Daar is het te zwaar voor, en goed in de hand liggen doet het ook al niet. Je leest het nog het beste aan tafel, zodat het liggen kan en jij alleen maar de bladzijden hoeft om te slaan. Ook inhoudelijk gaat het naar verloop van enkele honderden pagina’s wegen. Ik bedoel. De armoede, de ellende. De wereldpijn, de oerangst. De bodem van het bestaan. De verrotheid van de existentie. De troosteloosheid, de goorheid, de treurnis, de eenzaamheid. De ergte van de ergheid. Pagina na pagina geïnkt in een gal zo zwart. Gelukkig is er ook humor; met name Bericht uit Klein Konstantinopel doet me zeer geregeld uitbarsten in een bevrijdende bulderlach. Maar toch. Na een bladzijde of zeven- dan wel achthonderd begon ik het toch ook wel een heel klein beetje te kennen. En niet alleen maar omdat ik het allemaal al kende.

Maar dit moet je vooral ook zien als monument. Als bladerboek. En niet als achtermekaardoorleesboek.

Als getuigenis ook. Dat hij leeft. Jean-Marie Henri Berckmans, hij is in 2008 overleden maar hij leeft. Dat is het voornaamste wat Barakstad te zeggen heeft. Zijn hele oeuvre, opnieuw uitgegeven, en bereikbaar voor nieuwere en voor oudere generaties. Dat wil iets zeggen. Dat zegt dat je geen kleintje bent. En die duim en die wijsvinger van je, die mag je houden.

JMH Berckmans Barakstad

Barakstad

  • Auteur: JMH Berckmans (Belgie)
  • Soort boek: verzameld werk
  • Uitgever: Pelckmans Uitgevers
  • Verschijnt: 26 augustus 2026
  • Omvang: 904 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 39,50
  • Boek bestellen >

Flaptekst van het verzameld werk van JMH Berckmans

Barakstad bundelt voor het eerst het volledige gepubliceerde oeuvre van J.M.H. Berckmans (1953-2008), een van de eigenzinnigste stemmen uit de Vlaamse literatuur. In deze monumentale leeseditie, waarin ook sinds lang onvindbare titels zijn opgenomen, ontvouwt zich de ‘Grauwzone van Barakstad’: een fictieve maar onmiskenbaar Antwerpse wereld vol ontregeling, drankmisbruik, gemankeerde liefdes en baldadige humor.

In de loop der jaren ontwikkelde Berckmans obsessioneel een heel eigen stijl, waarin de grenzen tussen autobiografie en fictie vervaagden. Rauw, ritmisch en meedogenloos, zonder compromissen in toon of vorm: een stem die zich niet laat temmen.

Barakstadbiedt een unieke toegang tot de onweerstaanbare nalatenschap van deze poète maudit, die het vuur van Louis Paul Boon mengt met de taalkracht van Ivo Michiels en de grijnzende wanhoop van Charles Bukowski.

JMH. Berckmans (Jean-Marie Henri Berckmans) is geboren op 28 oktober 1953 in Leopoldsburg, Belgisch Limburg. Hij debuteerde in 1977 en schreef een omvangrijk oeuvre bijeen. In rauw, fragmentarisch en muzikaal proza beschreef hij, zonder provocaties of wrange grappen te schuwen, zijn psychische kwetsbaarheid en sociale uitsluiting. Zijn werk verwierf een blijvende cultstatus. Hij overleed op 31 augustus 2008 in Antwerpen.

Bijpassende boeken

Ivo van Strijtem – Wereldburgers

Ivo van Strijtem Wereldburgers recensie, review en informatie boek met gedichten van de Vlaamse dichter. Op 25 augustus 2026 verschijnt bij Uitgeverij Atlas Contact de dichtbundel van Ivo van Strijtem, de dichter uit Vlaanderen. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Ivo van Strijtem Wereldburgers recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Wereldburgers, het boek met gedichten van Ivo van Strijtem, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

Dan de avond, en dat het niet direkt.

Geen erg, gebeurt wel vaker.

Gebeurt dit wel vaker? Ja. Gebeurt wel vaker, dit. Dat het eerst pas komt met zinnetjes. Want dat eerste gedicht, he. Muze heet het. Niet onaardig nee. Wanneer ik zeg niet onaardig bedoel ik dat het niet rotslecht is. Maar ja. De dichter laat keel rijmen op veel, en wangen op verlangen, en tsja, sowieso: rijm. En dus. Diepe zucht. En doorlezen. Want je kunt nie beoordeel nie een dichtbundel op it’s eerste gedicht nie. Ik wil Wereldburgers meteen weer op de stapel maar dat mag niet van mijzelf. Doorlezen moest ik van mijzelf en zeikerd zei ik tegen mijzelf maar ik las wel door want als ik gesproken heb dan zit er voor mij niets anders op dan te luisteren. Laat ik oren hangen. En lees ik door.

En later was ik dan toch wel blij met mijzelf. Want het was er niet direkt, die avond. Niet bij Wereldburgers. Maar het kwam wel, en het kwam in zinnetjes. Na dat matige openingsgedicht (noem je dat zo?), trekt Uit het hoofd, gedicht nummer twee, wel mijn aandacht via zinnetjes als “Vertoef je graag in een navel zo groot als een zwembad”; “mogelijk is ook dat het liever vat zeg maar zon sneeuw / en regen zeg maar hoe zeg je dat en je niet na tien tellen / gaat geeuwen” en “dan wil je graag dat langs gewone bomen / een doodgewone trein je meevoert of je praat met een geit” – en ja dat zijn moje zinnetjes, dat zijn hele moje zinnetjes, dat zijn voorwaar prachtzinnetjes zeg nou zelf.

Lees ik Uit het hoofd nog eens. Zie ik dat al die zinnetjes die ik zo mooi vond tesaam reeds bijna dat hele gedicht zijn. En misschien weet ik wel niet zo goed wat een zwembad zo groot als een navel te maken heeft met praten met een geit – maar dat maakt niet uit want dit is poëzie en poëzie hoeft niet logies te zijn en je hoeft poëzie zelfs niet per se geheel te volgen om het toch nog mooi te kunnen vinden -; een mens kan toch redelijkerwijs doch weliswaar een beetje schoorvoetend zeggen dat ik Uit het hoofd wél een mooi gedicht vind.

Nu hoef ik mezelf niet te bevelen door te lezen. Nu lees ik Wereldburgers omdat ik graag poëzie lees. Of. Naja. Omdat ik graag goeje poëzie lees.

Dan hoor ik u vragen: wat is goeje poëzie. Ja weetikveel. Alle poëzie die ik goed vind zou ik zeggen. Misschien is een minimale voorwaarde dat het iets eigens heeft, en aan die voorwaarde voldoet Van Strijtem in ruime mate. Dat hij dat zelf ook wel lijkt te weten, is geen bezwaar. Niet alle eigendunk is onverteerbaar. Want dat hij zelf peinst aan een “van Strijtemse School van de Poëzie” is, neem ik aan, niet bloedserieus bedoelt. Hoe die school eruit zou zien, legt hij uit in het gelijknamige gedicht: “Kan het wat minder poëtisch ja? / dank je” & ook sieteert hij met instemming Brendan Kennelly’s adagium “Poetry my Arse”. Ik moest hem opzoeken. Dat zal ik u bekennen. Dat ik hem moest opzoeken, die Brendan Kennelly. Het was een Ierse dichter (was ja, hij is een paar jaar geleden overleden), die inderdaad een bundel op zijn naam heeft gezet met als titel Poetry, my Arse. Klaarblijkelijk pleitte hij voor een minder hoogdravend soort poëzie. Maar ik las online wat van Kennelly’s gedichten en hij bleek het soort poëet dat elke nieuwe regel (dus niet zin!) begint met een hoofdletter, en misschien gruw ik nog meer dan van rijmende gedichten van gedichten waarin elke nieuwe regel begint met een hoofdletter. Dus Kennelly kon wat mij betreft meteen weer van het podium maar hij had me wel de bril aangereikt waardoor ik Van Strijtem kon lezen.

(nee onzin natuurlijk, ik had heeldurtijd gewoon mijn eigen bril op)

Misschien wil zo’n Van Strijtem gewoon wel wat meer spreektaligheid in zijn gedichten. Al weet ik niet. Hoe spreektalig is een morgen met ingetogen warmte, een jij van veertien en een ik van een jaartje ouder samen op een brugje, een adempauze aan de oevers van pas twintig of die zij die het ongelooflijk naar hun zin hebben? Het zijn dingen die toch welhaast te mooi zijn voor gewoon zomaar een gesprek.

Dagdagelijksheid dan misschien? Misschien gaat Van Strijtem niet in dialoog met politiek, filosofie of de wereldliteratuur, misschien wil hij gewoon dichten over wat hij ziet als hij naar buiten kijkt (of naar binnen, naar de Van Strijtem van vele jaren jonger). Maar weeral weet ik niet. Hoe dagdagelijks is een herder die Florian heet? (hij heeft een frons en een rode neus). Dus denk ik maar: hij zit op vele snijvlakken, die Van Strijtem. Op het snijvlak van spreektaligheid en poëzie, op het snijvlak van de aldag en mystiek, op het snijvlak van de dingen recht onder je neus en de dingen in de hele wereld (de wereld is alles wat het geval is) (de wereld bestaat niet), op het snijvlak van alles nu en alles dat ooit was. Zo is er een twaalfdelig gedicht dat Stille nacht heet en verrek, dat lijkt net het kerstverhaal. Maar keer na keer wordt de jezusvertelling zoals we die kennen onderbroken door beelden, gedachten, uitwaaieringen die op zijn zachtst gezegd wat vreemd aandoen. “Dit vraagt om Bethlehem of om iets navenants waar je / een vuurtje kan stoken want daar brandt de lamp of / beter een ster van een zekere allure een ster die / haar wereld kent daar zal je een pappeke koken // waar ligt Bethlehem op een eiland in de Stille Oceaan / in Timboektoe in de golf van Biskaje op de maan / of in Lubumbashi of even ten oosten van Guangzhou / of verscholen in het Amazonewoud of in Judea // ten zuiden van Jeruzalem of in de Kleemstraat de Varing / of de Pamelse Klein tenzij in een akker of een wei / waar ligt Bethlehem misschien in Maria misschien in Jozef / in een eicel van Maria in een zaadcel van Jozef // in het zand van de weg die we gaan in een sneeuwvlok die / toornige woorden dooft of misschien in het liefdesspel in het ontkleden in het zoenen in de liefde die de honger stilt / want Bethlehem veroorlooft en ontbloot Bethlehem is brood” (en geweldig niet, tsjee, Van Strijtem weet nu zelfs rijm mooi te maken) (hou vast, er komt nog meer); “Waar ligt Bethlehem wie geeft Bethlehem onderdak / is Bethlehem een bed een bad een bakermat / dat denk ik wel ja of een stal een schuur een buur / dat denk ik wel ja of een gelukkig toeval een bruistablet // een zalf voor op een zeer been dat denk ik wel ja / een hand op een koortsig hoofd een aai / een koele slok water op het heetst van de dag / dat denk ik wel ja of iemand die zegt het komt goed // of iemand die zegt zit er maar niet mee of iemand / die zegt laat het daarbij en vergeet het of iemand / die zegt kom we lachen erom de liefde die spreek je / niet tegen ja denk ik dan dat is Bethlehem // de sneeuw van Valerius die op die van Pieter gaat liggen / en een schuur een gehucht omarmt met in de sneeuw / een avondgloed hoe doet hij dat of met erin / een waas van groen voor straks voor het kind // van Maria en van Jozef van Yousra en van Zacharia van Ruth / van Iris en van Jan de sneeuw van Boris in een Sovjetnacht / de sneeuw van Robert in een bos in Massachusetts van / Werner die een sneeuwbrief naar zijn zus in Zweden schrijft.” – en het beneemt me de adem en mijn stem (want ik brul van enthousiasme) en ik vind het allemaal zo ongelooflijk prachtig, en ik ben niet eens, zelfs niet een beetje, religieus (al is dit geen religie misschien, dit is veeleer religiositeit misschien, of gewoon zomaar zwevende gevoelens) (en bij die iemand die zegt kom we lachen erom denk ik aan Suzanne, niemand was mojer dan Suzanne, nooit had ik iemand gezien die zo mooi was als Suzanne, en we waren zeventien misschien, of weet ik het, we zaten op de havo, we waren klasgenoten, ik wilde dat Suzanne meer was dan mijn klasgenoot, ik weet niet eens zeker of ik verliefd op haar was en een relatie wilde, ik wilde denk ik dat we boezemvrienden waren en dat we alles deelden en we elkaar ons hele leven zouden blijven zien, dat is niet gelukt, dat is allemaal niet gelukt, maar ooit, op een keer, zaten we naast elkaar in de kantine, we waren zeventien, of weet ik het, en we waren ons examenjaar zat en de school zat en heel het lerarenteam zat en Suzanne zei Wacht maar, over twee jaar lachen we hierom, en ik weet niet waarom ze twee jaar zei en ik weet niet waarom ik Ja? zei maar wat ik wel weet is dat het me verbijsterde dat Suzanne zelfs een kliesjee mooi en oprecht en troostrijk kon laten klinken), maar gaat het hier überhaupt eigenlijk wel over het kerstverhaal of gaat het over jonge geliefden die de toekomst berekenen en uitkomen bij zes procent (“is die zes procent Bethlehem dat denk ik wel ja / is zes procent voldoende dat denk ik niet nee / maar daar doen we het mee een hulsttak een vogel / van twee keer niets een koolmees een mus een pruts”, of om de vrede die lukt bij de een terwijl bij de ander de mayonaise niet pakt (en Van Strijtem kennende zoals ik het inmiddels denk te kennen vermoed ik maar zo dat mayonaise hier niet eens als beeldspraak geldt), of over sterven en schrijven en veel vijven en zessen, of over alle mensen die geboren zijn in een stal (Tanja bijvoorbeeld, en André, en Michiel, en de moeder van Serge), of over de stampvolle herberg of over de sneeuw in ons warhoofd? Ik weet het niet, maar het blaast me evengoed gansch en geheel omver, deze stille nacht die komt in twaalf delen. En hoe vaak is dat jezusverhaal nu al verteld?, weet jij dat?, loopt dat ergens in de miljoenen keren, weet jij dat?, naja, hou het voorlopig op talloze talloze keren, en hoe kan het iemand dan lukken om een verhaal zo uitgekauwd zo mooi grappig aangrijpend wonderlijk verpletterend muzikaal gloedvol nóg eens te vertellen, weet jij dat? In wat misschien wel het mooiste gedicht van 2026 is. In ieder geval sinds het vorige mooiste gedicht van 2026. En tot het volgende moooiste gedicht van 2026.

In de afdeling Wereldburgers (laat ons noemen: de titelafdeling) krijgen we een serie portretten voorgeschoteld. Van mensen. Allemaal gewoon maar mensen. Mensen die dood zijn. Mensen die de dichter gekend heeft. Al is het maar van horen zeggen. Kleine luiden, prutsers, legendes, beroemdheden (Beyonce komt langs, en Leonid Brezjnev), kleuters, heren, dames, sporters, doodgravers. Mensen aan wie iets tragisch kleeft, mensen die ergens in uitblonken, die verlangden naar het onbereikbare, spoorloos verdwenen, gewoonweg doodongelukkig waren. Hier zingt Van Strijtem een kleiner lied. Innemend. Of hoe noem je dat. Sjarmant. Ontwapenend. Van Strijtem toont zich in deze portretten wat aardser misschien, maar hangt altijd nog met één voet tussen de sterren.

Van grote hoogte ziet men immers alles – de beelden en de gedachten blijven ook bij slotafdeling “En ten slotte nog dit:” in hoge mate intrigerend. Dacht u bijvoorbeeld wel eens aan de dagen die je leven best missen kon (wegens te onnoemenswaardig?) (opraapbaar, misschien weet Dregke dat nog). De dichterlijkheden die niet in je koffie gemengd hoeven te worden. De schaamte aan spaanders. Schemer van gemis. De keuzes en je ruggengraat in een envelop. Een verdriet waar je naam stuntelig in gebeiteld staat. En voort. En verder. En vuts. Over leven en sterven, over rondhangen en een boek lezen, over wat onooglijk is en wat je zomaar boven het hoofd zou kunnen groejen – over dit soort dingen gaan Van Strijtems gedichten. En over andere nog. Zijn poëzie bevindt zich ergens tussen de flitsen van onversneden schoonheid en het uitgestrekte Al.

Weeral een dichter die ik niet kende. Deze Ivo van Strijtem. Zelfs al heeft al best wat titels op zijn naam (ik zou kunnen zeggen dat dat misschien komt omdat het voornamelijk vrij suffe titels zijn maar je kan ook niet beoordelen een dichtbundel op it’s titel). Dus Wereldburgers is voor mij een kennismaking. En een aangename kennismaking ook. Bijzonder aangenaam. Dat had ik op de eerste bladzij nog niet kunnen peinzen. Maar zo gaat dat met poëzie, en het is ook wat ik er zo eindeloos bloedmooi aan vind: het raakt je altijd weer als je er totaal niet op voorbereid bent.

Ivo van Strijtem Wereldburgers

Wereldburgers

  • Auteur: Ivo van Strijtem (België)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Atlas Contact
  • Verschijnt: 25 augustus 2026
  • Omvang: 96 pagina’s
  • Afmetingen: 16 x 24 x 1,2 cm
  • Gewicht: 168 gram
  • Prijs: € 22,99
  • Boek bestellen >

Flaptekst van de dichtbundel van Ivo van Strijtem

De gedichten in Wereldburgers bewegen zich moeiteloos tussen het aardse en het verhevene, tussen klein, tastbaar geluk en een onstilbaar verlangen. In heldere, ritmische verzen ontvouwt zich een wereld die tegelijk rauw en teder is, brutaal en devoot.

Emoties liggen open en scherp op de bladzijde, terwijl het alledaagse zonder schroom naast het sacrale wordt geplaatst. Tussen het banale en het goddelijke ontstaat poëzie die durft te schuren én te troosten – die knielt bij een geboorte onder de sterren, maar even goed de ironie van het bestaan onder ogen ziet.

Tegelijk spreekt uit deze gedichten een open blik op de wereld: de dichter beweegt zich als een wereldburger tussen talen, plaatsen en levens, en zoekt naar wat mensen verbindt voorbij grenzen en verschillen. Woede en zachtheid, verlies en hunkering vloeien samen in beelden die blijven nazinderen.

Ivo van Strijtem is het pseudoniem van Ivo Evenepoel. Hij is geboren op 26 juli 1953 in Strijtem, nu Roosdaal in Vlaams-Brabant. Hij maakt geen geheim van wat hij mooi vindt. Hij introduceerde vele dichters in het Nederlands taalgebied, schreef enthousiasmerende essays (verzameld in ‘Iedereen dichter’), en ook in zijn eigen gedichten krijgen schoonheid en liefde hun rechtmatige plaats. Van hem verschenen onder andere ‘Een rode sjaal‘, ‘Het tegenbezoek‘, ‘De liefde, jazeker‘ en ‘Een kamer met een tafel en schrijfgerei’.

Bijpassende boeken en informatie

Micha Hamel – Verzamelde gedichten 2003-2023

Micha Hamel Verzamelde gedichten 2003-2023 recensie, review en informatie over de inhoud van het boek. Op 14 juli 2026 verschijnt bij Uitgeverij Pluim het boek van de Nederlandse dichter Micha Hamel met zijn verzamelde gedichten 2003-2023. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Micha Hamel Verzamelde gedichten 2003-2023 recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Verzamelde gedichten 2003-2023, met poëzie van de Nederlandse dichter Micha Hamel, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “Hamel is vooral goed op dreef wanneer hij zich onbekommerd laat meeslepen door de kleurrijke stroom van zijn associaties en het knetterende vuur van zijn spitsvondigheid.” (de Volkskrant)
  • “Geestige en ook contemplatieve gedichten, waarin met een soort jongensachtige bravoure grote en kleine dingen van het leven aan de orde gesteld worden.” (Awater)
  • “Lichtzinnig lijkt de poëzie van Hamel, al schemert er ook iets doorheen dat helemaal niet zo jolig is als het op het eerste gehoor klinkt.” (De Groene Amsterdammer)
  • “Dit is, ook voor de lezers die zich hadden afgewend van de poëzie, een dichter om te volgen.” (NRC)

Recensie van Tim Donker

&

misschien wel de beste dichter die we in Nederland hebben, zei ik ooit, schreef ik ooit, wanneer, waar, of misschien dacht ik het alleen maar

&

de jaren terug ook. Ik herinner mij of nee ik meen mij te herinneren dat ik hem als dirigent nog wel aan het werk heb gezien, toen ik als student geregeld naar uitvoeringen ging in het toenmalige Vredenburg, dat een geheel ander Vredenburg was dan het huidige Vredenburg, ik heb er ooit een Nacht van de Poëzie bijgewoond, samen met Angelique toen Angelique nog deugde en niet zo’n verschrikkelijke trezebees was, maar vooral ging ik in die dagen in Vredenburg naar uitvoeringen, moderne muziek of hoe heet dat, dingen als Messiaen enzo, naja, vooral Messiaen, misschien ook wel eens iets van Gorecki of Gubaidulina of Ustvolskaya, weetikveel, ik meen dat in ieder geval één keer Hamel toen de dirigent was

&

later wordt het altijd maar later, en tijden andere tijden, ik begon mijn interesse in de zogeheten moderne muziek te verliezen, maar mijn interesse in poëzie bleef, is gebleven, zal altijd blijven, en een dag, gewoon een dag, een dag als alle andere dagen, een dag als nooit tevoren, een dag in de binnenstad van weer datzelfde Utrecht toen De Slegte nog bestond, in een groot pand aan de Oude Gracht, een pand van meerdere verdiepingen vol met twedehands boeken, wie kon in die dagen vermoeden dat dat ooit nog iets bijzonders zou blijken te zijn, de poëzie in de kelder, natuurlijk, altijd in kelder, dichtbij de hel, stapel na stapel werd daar verramsjd, trekt één bundel mijn aandacht, ik geloof dat het Luchtwortels was maar misschien was het zelfs gewoon Alle enen opgeteld, de dichter Micha Hamel, die kende ik als dirigent, die had ik dacht ik nog aan het werk gezien als dirigent, dat kon natuurlijk niks worden, zo’n dirigent die een beetje gaat zitten dichten maar toch pakte ik het boek van de stapel want dat was wat ik in die tijd deed: boeken van de stapel pakken want de dagen waren nog en ik was nog, en ik had bijna alle tijd, en ik bladerde door en ik vond het allejezus prachtig & godverdomde fantastisch en ik moest hebben, en kocht, en ging, en ineens was de man die ik als dirigent kende mijn favoriete dichter geworden

&

bundel
na bundel
na bundel

&

ik ga hier niet beweren dat ik alles van hem heb, kocht, las, ik mis er ook wel eens één, want later werd het later en de tijden andere tijden en ik werd vader en andere dingen slokten mijn tijd en mijn aandacht op, maar, niet eens zo heel erg lang geleden, in een boekwinkel ergens in het oosten van het land, want een weekendje weg, en het sneeuwde, en wij naar binnen en het eerste binnen was, niet geheel toevallig, een boekhandel, daar vond ik is daar iemand, ja, zo’n bundel dus die ik even gemist had, en het droeg een andere pracht dan ik van Hamel al dacht te kennen, hij beschrijft er zijn opname in een psychiatrische kliniek na een psychotische episode in zijn leven in een decennium dat op zijn einde liep, zoals decennia altoos weer plegen te doen, en is daar iemand is grappig, ontregelend, aangrijpend en ten diepste ontroerend (het laatste gedicht zette tranen in mijn ogen), en dan is mijn interesse in de poëzie van Micha Hamel ineens weer helemaal nieuw

&

nu dan dit. Uitgeverij Pluim verzamelt twintig jaar. Twintig jaar aan poëzie. Twintig jaar vol gedichten. Hoe te vangen? Prachtig te vangen. Driehonderdvijftig pagina’s, harde kaft, leeslint. Dat maakt mooi maar maakt niet het mooiste. Het mooiste is misschien wel dat Pluim, of Hamel, of wie het ook bedacht heeft, niet eenvoudigweg bundel na bundel na bundel legde, bandje eromheen, klaar. De gedichten zijn tematies gegroepeerd. In afdelingen met titels als Jeugd, Muziek, Ouder worden, Herinneringen en Afscheid en dood. Ik blijk toch niet zo Hamelvast (waarom niet? je zegt toch ook “bijbelvast”?) te zijn dat ik met grote stelligheid kan beweren dat de bundels en de tijden hier flink door elkaar gehusseld zijn, maar mijn ingewandgevoel zegt van wel. Ik las de gedichten, waarvan ik niet alles maar toch wel bijna alles zou moeten kennen, door deze, naar mijn intuïtie dus niet-chronologische volgorde, in ieder geval als nieuw. Sterker nog: behalve dat gedicht met “Hoe is het intussen met de dieren? / Slecht, slecht, het gaat slecht met / de dieren, ze sterven uit” herkende ik bitter weinig. Zeg maar vrijwel niks. Hou het erop dat ik dit verzameld werk las alsof ik Hamel voor het eerst las. Nee dat laatste is niet waar want die stijl is me wel heel erg vertrouwd. Maar het is de manier waarop de gedichten gebundeld zijn. Of misschien ben ik het maar, ik lees veel te veel poëzie, zoveel dat de meeste bundels later alleen maar een ongevere indruk bij mij achter laten. Of het zijn de gedichten van Hamel. Het sprankelt alles hier, en het sprankelt als nieuw

&

ronduit geniaal is een gedicht als Sterrenheer waarin Vader Abraham midden in de nacht van de platenhoes van zijn Smurfenlied stapt en ineens in de kamer van de jonge Micha Hamel staat. Tezamen klimmen ze op het dak, en Vader Abraham slaat wat bijbelse taal uit zijn botten

&

je kunt een zon willen
een zon die teruglacht als je zwaait

&

(verrek nu ik erover nadenk, dat laatste zinnetje ken ik ook nog wel)

&

ronduit geniaal is een gedicht als Roller met al dat zwart dat woekert tussen de woorden, alsof het een taal betreft die onherkenbaar wil blijven, een taal die ineens iets crimineels lijkt te hebben, of is het cut-up, of zijn het woorden, of is het als dat boek, dat ene boek, hoe heet dat ookalweer, is dat niet Mond is spruitje?

&

ronduit geniaal is een gedicht als Simona, want er moet een gedicht over Simona komen, en de lezer wordt aangemoedigd zijn eigen Simona te tekenen en dan komt het verhaal, een verhaal vol pinda-allergie, bevlekte nette kleren, struikelingen en een hele moje receptioniste

&

ronduit geniaal is een gedicht als Bouwpakket Maria mijn, waarvoor Hamel Thunder Road van Bruce Springsteen eerst naar het Nederlands vertaalde om vervolgens alle woorden in alfabetische volgorde te zetten, wat resulteert in – ofnee, wacht, ik sieteer hier alleen maar even de eerste strofe: “aan achter / achter afwees al / al / al alle alleen / alleen / alleen allerlaatste anders / asfalt auto” – fantastisch toch?, wie zou nou niet meer willen lezen, iedereen moet nu meer willen lezen, iedereen moet nu dorsten naar deze bundel of voor mijn part een andere bundel van Micha Hamel

&

(verbaasde het me alleen maar een heel klein beetje dat het woord auto maar één keer voorkomt in een liedje van Bruce Springsteen)

&

ronduit geniaal is een gedicht als Wat als, want wat als is als heel erg veel, wat is wat als allemaal, wat als is, bijvoorbeeld, een kostbare staartklok op een miezerige vlooienmarkt, of een liedje dat zingt over iemands sterke hals

&

ronduit geniaal is een gedicht als Tuinfeest

&

ronduit geniaal is een gedicht

&

ronduit geniaal is

&

valt me nu pas op dat er twee Micha Hamels zijn: de Micha Hamel die alle marges van het dichten te buiten gaat zodat het soms bijna proza wordt, een pilroman vol woeste associaties, zotte belevenissen, dromerigheid, surrealisme, een toets dada misschien af en toe, de Hamel die de lezer voert van hier naar daar en van geeneind weer terug naar eerst; en de Micha Hamel die speelt met taal en klank, soms neigt naar iets als “konkrete poëzie”, gedichten die drijven op ritme en die een enkele keer zelfs, godbetert!, rijmen!; mijn voorkeur gaat denk ik uit naar de eerste Hamel maar in deze bundel is juist de afwisseling een grote kracht

&

neem je hoed af voor deze uitgave
neem je hoed af voor Pluim
neem je hoed af voor Micha Hamel
neem je hoed af en lees

De beste manier om een hoed te vervoeren, schrijft Hamel ergens, is op je hoofd. Maar nu ligt je hoed naast je. Je zit en je leest. En heel de kamer doet er het zwijgen toe.

Micha Hamel Verzamelde gedichten 2003-2023

Verzamelde gedichten 2003-2023

  • Auteur: Micha Hamel (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poezie
  • Uitgever: Uitgeverij Pluim
  • Verschijnt: 14 juli 2026
  • Omvang: 350 pagina’s
  • Afmetingen: 18,3 x 23,8 x 3,8 cm
  • Gewicht: 846 gram
  • Uitgave: geboden boek
  • Prijs: € 34,99
  • Boek bestellen >

Flaptekst van het boek van Micha Hamel met zijn verzamelde gedichten

Micha Hamel publiceerde in de afgelopen twintig jaar zes dichtbundels. Deze luxe-uitgave bevat zijn eigen selectie uit die jaren, soms herwerkt om hier in hun definitieve gedaante te mogen schitteren. Dit is een overzicht van het beste van Hamels dichterschap, inclusief twintig eerder ongepubliceerde gedichten.

Micha Hamel is geboren op 8 juli 1970 in Amsterdam. Hij is dichter, componist, theatermaker en onderzoeker. Hij componeert voornamelijk voor theater en interdisciplinaire voorstellingen. Hij componeerde twee opera’s: Snow White (Reisopera, 2008) en Caruso a Cuba (De Nationale Opera, 2019) en verschillende muziektheaterproducties voor zowel theatergezelschap Orkater als voor het Holland Festival. Hij publiceerde zes dichtbundels, die meermaals werden bekroond. Samen met animatiekunstenaar Demian Albers maakt hij als scenarioschrijver en componist werken voor Virtual Reality, die onder meer prijzen wonnen in Tokio en Berlijn. Van 2010-2021 was hij lector Performance Practice aan hogeschool Codarts Rotterdam, waarin hij onderzoek deed naar de klassiekemuzieksector, alsook naar het activeren van luisterculturen middels serious games. Voor de Universiteit Utrecht creëerde hij samen met Els Stronks de website Schrijflab.nl, waarop middelbare scholieren hun creatieve schrijfvaardigheid kunnen oefenen.

Bijpassende boeken en informatie

Lászlo Krasznahorkai – Afscheid van Zsömle

Lászlo Krasznahorkai Afscheid van Zsömle recensie, review en informatie nieuwe roman van de Hongaarse Nobelprijswinnaar. Op 9 juni 2026 verschijnt bij Uitgeverij Wereldbibliotheek de Nederlandse vertaling van Zsömle odavan, de roman geschreven door Lászlo Krasznahorkai, de uit Hongarije afkomstige schrijver. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Lászlo Krasznahorkai Afscheid van Zsömle recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Afscheid van Zsömle, de roman van Lászlo Krasznahorkai, de Hongaarse winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur in 2025, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

En ja zeggen. En ja zeggen en knikken en op het boek tikken, dit boek, Afscheid van Zsömle van László Krasznahorkai, en dit is er weer zo één zeggen, en ja zeggen, en knikken, en tikken op dit boek. Want daar zit je, jij, t besprekerken, aan tafel, achter laptop, en hier heb je er weer zo één, weer dat soort boek, een boek met zoveel lagen, hoeveel, je weet het niet, je telt de lagen nooit, en je weet ook niet zo goed hoe je het nu moet aanpakken, wat je erover moet zeggen, hierover, over dit boek, over Afscheid van Zsömle van László Krasznahorkai, dat weer zo’n meerlagig boek is, en je wil recht doen aan iedere laag. Misschien kun je beginnen, denk je, met de meest elementaire laag. Want in de allerkaalste essentie is Afscheid van Zsömle misschien gewoon maar het verhaal van een alleenstaande oude man. József Kada, 91 jaar, gepensioneerd elektricien. Zijn vrouw is er niet meer, allang niet meer, zijn dochter heeft het contact verbroken, zijn kleinkinderen ziet hij nooit, hij heeft alleen maar zijn hond, Zsömle. En Zsömle is ook al erg oud, en Zsömle gaat dood, en wordt vervangen door een nieuwe hond die ook Zsömle als naam krijgt. Want Kada’s honden hebben altijd Zsömle geheten, en zo moet dat zijn want zo is het goed. Dit is het verhaal dat je tragisch kunt noemen, of treurig, of schrijnend misschien; het is het verhaal van alle mensen. Je hebt een dat leven, en dan, vanaf een bepaalde leeftijd gaan je dingen ontvallen. Je gaat met pensioen, en daar gaat dan je arbeidzame leven. Je was getrouwd, en degene met wie je je leven deelde gaat dood. Je had kinderen maar die verhuizen, of emigreren, of je spreekt ze om andere redenen nog maar zelden of misschien zelfs wel nooit meer. Dingen hadden nut, er was een bepaalde zin, en dan ineens is het er allemaal niet meer. Treurig misschien ja, maar hoe gaan dingen. Zoals ze gaan, hoor ik u antwoorden, en dan spreekt gij recht en niet krom.

En zitten, en denken, en ja zeggen, en mompelen dat een boek, elk boek, het meest eenvoudige zelfs nog wel, altijd meer is dan zijn allerkaalste essentie, anders zou het immers niet de allerkaalste essentie zijn (een boek heeft wel een kop en ook een staart maar een boek is nooit een paard), dan was het gewoon gans het boek. Misschien is het de leeftijd, misschien is het zijn wat teruggetrokken bestaan, misschien een bepaald gemis. Misschien is Jószef Kada gewoon wat wereldvreemd. Of misschien is er toch nog iets anders aan de hand. Maar hoe het ook zij, de man heeft zich in zijn hoofd gehaald dat hij in directe lijn afstamt van Bela IV en als zodanig ook een nazaat te zijn van Dzjengis Khan. Van koninklijke bloede dus, deze Kada, en gezien de deplorabele staat waarin Hongarije heden ten dage verkeert, is het misschien eens tijd dat het land terugkeert naar de monarchie. Met Jószef Kada op de troon. Hij zou in zijn rijke verleden al ooit eens, weliswaar min of meer symbolisch, gekroond zijn. In het diepste geheim. Maar geheimen zijn zo diep nog niet of ze komen uit. Er heeft zich rond Kada een groepje vertrouwelingen geschaard die weten van zijn geheime erfopvolging, en zijn droom delen. Avond aan avond komen ze samen in het huis van Kada. En Kada maar praten. Over alles dat was, eenmaal. Hij heeft “Sjimmie Karter” nog gesproken, hij heeft gezwommen in de Béga met Johnny Weismüller, toen ze nog jongens waren (en het water was nog proper en hun voeten stonden nog waterpas). Een stormachtige relatie met een actrice, ja dat was er ook nog. En hij is een oorlogsheld, hij heeft tallozen gered, het land verdedigd, hij heeft de dapperste daden verricht. Hij kreeg een medaille van de koningin (misschien in een droom, zijn laarzen waren erg schoon). In deze laag komt een flink stuk Hongaarse historie langs: Miklos Horty, de Habsburgers, de Árpád-dynastie, Stefanus I, en Bela IV natuurlijk, als gezegd, en Dzjengis Khan. En sprekend over geschiedenis, spreekt een mens over het heden. Je kunt het niet over Hongarije hebben zonder Viktor Orbán te noemen. Of Tamás Sulyok. Of. Orbán wordt genoemd ja (het moge duidelijk zijn dat dit boek geschreven is voor mei dit jaar). Er is ook sprake van een “voorzitter”, en een “walrussnor”. Machsthebber(s?) in hedendaags Hongarije. Of daarmee op Sulyok gedoeld wordt, is mij niet helemaal duidelijk. Hij heeft immers wel een snor maar toch nauwelijks een imposante. En Orbán heeft in het geheel geen snor. Maar een mens kan Afscheid van Zsömle misschien ook opvatten als een uitnodiging om zijn kennis over Hongarije een beetje bij te spijkeren. Wel is duidelijk dat de personages in dit boek, Kada en zijn “volgelingen” niet bijzonder tevreden zijn met hoe Hongarije er in deze tijd voor staat. Maatschappijkritiek ja, maar dit boek is meer dan een louter politieke roman.

Dit doet Krasznahorkai goed. Hij laat het oordeel over Kada’s afkomst open. Ik weet niet hoe dat met u gaat als u een boek leest, ik ben er nooit bij als u zit te lezen plus daarbij als ik er wel bij was, hoe zou ik kunnen weten wat er op dat moment in uw hoofd gebeurt?, maar ik, bij boeken als deze, weet me op een zwabberend pad gestuurd. Er zijn momenten waarop ik denk dat Jószef Kada een beetje gek is, in eenzaamheid en wereldvreemdheid bevangen door een fantasie die met hem op de loop is gegaan. En soms geven andere verhaalfiguren mij hierin gelijk. Er zijn ook momenten waarop ik denk dat het zo maar waar zou kunnen zijn, misschien niet alles wat hij beweert te hebben meegemaakt, maar een belangrijk deel ervan misschien toch wel. En soms lijken bepaalde gebeurtenissen, of uitlatingen van (andere of dezelfde) verhaalfiguren dit ook te steunen. Daarbij komt Kada voor het overige ook niet totaal waanzinnig over. Integendeel. Intelligent en belezen zijn predicaten die hem goed passen. Al heeft hij ook een beetje een melodramatische natuur. En vandaar ook. Steeds twijfel. Het zou kunnen zijn dat het kan zijn maar het zou ook kunnen zijn dat het niet kan zijn, en dat is prettig in een boek.

Twijfels ook over de mensen die voorgeven hem te geloven, en hem steunen in zijn droom in de nabije toekomst koning van Hongarije te worden. Onder hen bevinden zich allicht een paar revolutionairen. Misschien geloven zij Kada, misschien ook niet, en misschien maakt het hun niks uit. Is Kada gewoon maar een pion in de staatsgreep die hun doel is. Een mafkees als afleiding, of aanjager. Maar er zijn er duidelijk ook die geloven in de monarchie als beste staatsvorm. En drijfhout is er ook. Of. Hoe zeg je dat. Dolende zielen. Zoekenden. Figuren die behoefte hebben aan een patriarch, aan zin, richting, doel (een zo’n stuk drijfhout is een wat jongere man met de naam László Krasznahorkai) (een poging van de schrijver om zichzelf een bijrolletje te geven?) (misschien, en als zo dan ontbreekt het hem niet aan zelfspot wat de László Krasznahorkai is een wat sneue figuur (een “gezette” sneue figuur), een gemankeerde muzikant, docent op een school waar hij niet geliefd is, noch bij de leerlingen, noch bij de collega’s; en zelf haat hij deze baan ook) (er bestaat trouwens ook echt een musicus met de naam László Krasznahorkai maar het is nog onwaarschijnlijker dat deze daarmee bedoeld wordt, want die Krasznahorkai maakt, overigens niet onredelijke, darkwave) (misschien is László Krasznahorkai als naam in Hongarije zoiets als bij ons Jan Janssen ofzo). In deze laag is Afscheid van Zsömle erg intrigerend want het zegt iets over menselijke verhoudingen, en wel bijna op het niveau van een sociologische studie. Mensen kunnen elkaars reddingsboei zijn, of elkaars gebruiksvoorwerp (in zekere zin is een reddingsboei ook maar een gebruiksvoorwerp). En mensen hebben vrijwel altijd een ideaal nodig. Iets om voor te vechten, voor te leven, en desnoods voor te sterven. Iets dat hun eigen leven overstijgt, en naar een hoger plan tilt. Dat kan liefde zijn, of kunst, of een of andere religie. Een politiek ideaal. Iets dat meer is, in ieder geval, dan louter de mens zelf.

Maar.

Meer?

Ja, meer nog, altijd meer, hou uw paarden (wat is dat met paarden in deze bespreking?).

Ook hier regeert de taal. De taal regeert altijd. Het is het materiaal waarvan literatuur gemaakt is en Krasznahrokai beheerst zijn materiaal tot in de puntjes. De hoofdstukken, elk van een pagina of twintig gemiddeld, bestaan steeds uit één zin. Een lange, hele lange zin, vol met komma’s, zinnen die vloeien, woorden die blijven komen. Een bewustzijnsstroom, zou je haast zeggen, haha zegt men, dat is niet hoe een bewustzijnsstroom werkt, hoe werkt een bewustzijnsstroom dan, nou dat je over straat loopt en een idee hebt en dat inspreekt en dat later uitwerkt, o dank u wel men, dat heb ik nooit geweten, maar hoe ook, hier is het duidelijk meer dan dat. Het is niet alleen maar een aaneenschakeling van wat zich in het hoofd van Jószef Kada bevindt. Gedachten. Ideeën. Overtuigingen. Het zijn ook de gesprekken, het is ook de actie, en daarenboven – een enkele keer, niet bijzonder vaak maar ook niet helemaal nooit, wisselt het perspectief naar een ander verhaalfiguur. Het is dus een gedachten-, dialogen-, waarnemingen- en gebeurtenissenstroom, en dat gaat door en door, door niets gescheiden dan door de eerder genoemde komma’s, zodat het niet altijd volledig duidelijk is wat gedacht of gezegd wordt, wat er gebeurt, wat werkelijkheid is en wat fantasie. En tijd om er over na te denken krijg je niet, want de woorden denderen wel door. Weeral als, ge begrijpt het inmiddels, het leven zelve: dat dendert ook altijd maar door. En die parallel krijgt nog meer lading. Want Afscheid van Zsömle bevat, noodzakelijkerwijs, veel herhaling. Zeker gedurende de eerste hoofdstukken is het voornamelijk Kada in zijn keuken, met zijn vazallen. En Kada is iemand die graag zijn, al of niet sterke, verhalen meerdere keren vertelt, en ook de handelingen zijn veelal repetitief: de manier waarop hij koffie zet, of hoe er, later op de avond, overgeschakeld wordt op een mandfles wijn. Altijd diezelfde, bijna rituele, handelingen. De sleur en routine die het heden is; alle schoonheid, actie en liefde is altijd in het voorbije te vinden. Tot er ineens wel wat gebeurt. En dan gebeurt het zo snel, en schrijft Krasznahorkai het zo razend op, dat de lezer (deze lezer tenminste) niet zeker weet of het zo allemaal écht plaatsvindt, of dat het alleen maar een droom, of voor mijn part een delirium van Kada is (temeer daar de gebeurtenissen aanvangen met iets wat een aantal bladzijden daarvoor nog daadwerkelijk een droom leek, een droom (?) (of vooruitwijzing?) die later tot in detail herhaald wordt), maar ineens is alles anders. Ook in deze laag spreekt Afscheid van Zsömle met vele tongen. Naar mijn mening rekent Krasznahorkai hier toch wel definitief af met het vooroordeel dat “postmoderne” literatuur (zoals dat dan geloof ik zo onbeholpen genoemd wordt) louter vorm is: door de hoofdstukken steeds in één lange, golvende, borrelende, gulpende, bulderende zin op te schrijven, zit de schrijver het leven hier zeer dicht op de huid: nu eens de ritmiek van de -bijna verstikkende- herhaling, dan geschept worden door een trein en niet meer weten wat u nu overkomt. Daar komt bij dat het een zeer hallucinante leeservaring bewerkstelligt. Laat u meevoeren door de woordenstroom, drijf, golf, meander mee op de woorden en kom pas weer bij zinnen in een totaal andere hoek van de kamer als alle 253 bladzijden gelezen zijn.

Niet dat het daarna afgelopen is. Krasznahorkai geeft genoeg om eindeloos te herkauwen. Niemand zal ontkennen dat Orbán Hongarije naar de verdommenis hielp. Maar welke staatsvorm is beter? Wat Kada voor ogen stond was evengoed een dictatuur, ergens laat hij zich ontvallen niets te moeten weten van democratie; en in een monarchie moet een koning volgens hem meer zijn dan een louter symbolisch figuur. Het zet een mens denkend over staatsvormen en hun voor- en nadelen. En of er überhaupt veel verschil is. Is een democratie niet evenzeer een dictatuur? De macht aan de massa. Maar de massa is doorgaans niet al te intelligent. Is dan een dictatuur met aan het hoofd een intelligente, integere, goedwillende figuur niet veel beter? Maar ach. Intelligente, integere en goedwillende figuren verlangen niet naar zoveel macht. Om een hele natie onder de duim te willen houden, moet je per definitie al zwaar gestoord zijn. Door wat wil u geleid worden? Door domheid of door gekte? Bakoenin oordeelde staat als dictatuur, en niet zonder reden lijkt mij. Het verschil bestaat in een fictie. Misschien zou je zelfs zo ver kunnen gaan om in Afscheid van Zsömle een kritiek op de rechtsstaat te lezen. Ofwel: hoe krom is recht. Onder ander gesternte had Kada wel degelijk koning kunnen zijn, nu staat hij onder verdenking. In het ene vereert, in het andere beschimpt. Het juridische systeem is ook een fictie, al lees ik er bij Vaihinger niet veel over terug. Een fictie die tijdsafhankelijk is. Wat in de ene tijd goede en bewonderingswaardige eigenschappen zijn: eigenzinnigheid, zelfstandig na kunnen denken, een kritische geest hebben, maken u in andere (corona-)tijden tot een staatsgevaarlijke gek, een asociaal wezen, een achterlijke “wappie”. Maar dan legt uw besprekerken Krsznahorkai allicht bedoelingen op die hij nooit gehad heeft. Al is dat net het kenmerk van goede literatuur: dat heeft altijd veel meer bedoelingen dat het heeft.

Kun je er nog meer over zeggen dan dat? Dat het prachtig is. En dat u het lezen moet. Dat. En alles wat ik hierboven gezegd heb.

Lászlo Krasznahorkai Afscheid van Zsömle

Afscheid van Zsömle

  • Auteur: Lászlo Krasznahorkai (Hongarije)
  • Soort boek: Hongaarse roman
  • Origineel: Zsömle odavan (2024)
  • Nederlandse vertaling: Mari Alfoldy
  • Uitgever: Wereldbibliotheek
  • Verschijnt: 9 juni 2026
  • Omvang: 255 pagina’s
  • Afmetingen: 13,7 x 21,1 x 2 cm
  • Gewicht: 330 gram
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 26,99 / € 11,99
  • Roman bestellen >

Flaptekst van de Lászlo Krasznahorkai roman

De nieuwe roman van Nobelprijswinnaar László Krasznahorkai.

Over de onontkoombare krachten van verval, macht, totalitarisme, chaos en de zoektocht naar betekenis in een desolate wereld

In een afgelegen dorp in Noord-Hongarije leidt de 91-jarige gepensioneerde elektricien Józsi Kada een stil, schijnbaar betekenisloos bestaan, vergezeld door zijn hond Zsömle. In eindeloze brieven aan machthebbers ontvouwt hij een overtuiging die even verheven als wankel is: hij is, als directe afstammeling van Béla IV en Dzjengis Khan, de rechtmatige erfgenaam van de Hongaarse troon, en ziet het als zijn plicht een moreel uitgehold vaderland te redden.

Wanneer zijn geheim uitlekt, stroomt het dorp vol volgelingen, gedreven door nostalgie, wanhoop en nationalistische droombeelden. Józsi’s geest schommelt tussen verheffing en verval; zijn hond sterft en wordt vervangen, zoals ook ideologieën worden doorgegeven. Wat volgt is geen restauratie, maar ontwrichting.

László Krasznahorkai is geboren op 5 januari 1954 in Gyula, Hongarije. Hij is een van de belangrijkste Hongaarse schrijvers. In 2025 werd hem de Nobelprijs voor Literatuur toegekend voor‘een meeslepend en visionair oeuvre dat, te midden van apocalyptische terreur, de kracht van kunst bevestigt’, aldus de jury.

Bijpassende boeken en informatie

Agustín Fernández Mallo – Moeder atoomhart

Agustín Fernández Mallo Moeder atoomhart recensie, review en informatie over de inhoud van de roman van de Spaanse schrijver. Op 4 juni 2026 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van de roman Madre de corazón atómico, geschreven door Agustín Fernández Mallo, de schrijver uit Spanje. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Agustín Fernández Mallo Moeder atoomhart recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Moeder atoomhart, de roman van Agustín Fernández Mallo, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “Moeder atoomhart is een roman in de vorm van een memoir waarin de auteur zich zijn overleden vader herinnert, met wie hij een band onderhield die even diepgaand als afstandelijk was.” (El Cultural)
  • “Fernández Mallo ontroert met kalmte, precisie, nieuwsgierigheid en een diepgaand inzicht in het leven en de dood van zijn vader. Een prachtig boek.” (El Pais)
  • “Met zijn unieke stijl transformeert Fernández Mallo deze reflectie op verlies in een literair werk dat genres overstijgt. Hij integreert wetenschap, emotie en filosofie en nodigt ons uit verder te kijken dan wat voor de hand ligt en beter te begrijpen wie we zijn.” (Articulo 14)

Recensie van Tim Donker

De allusie is in ieder geval duidelijk. Ook zonder Helga Stentzel, toch? In de vertaling meer nog zelfs. Want ja. Hart lijkt nu eenmaal meer dan corazón op heart. En atom en atoom zijn meer aan elkaar verwant dan atom en atómico. En moeder – of acht, laat maar. Madre. Mother. U snapt. En dan dat huishoudelijk surrealisme (slechts eventjes dwaalde mijn geest af naar het huiskameronweer). Dus is het gek dat ik dacht. Dat ik oei dacht of hum dacht of hee dacht of gaaf dacht. Atom Heart Mother is naar mijn mening de allerbeste plaat die Pink Floyd ooit maakte. Als je in je hele leven maar één plaat van Pink Floyd koopt, koop dan Atom Heart Mother. En oké. Als je er twee koopt, koop dan Wish You Were Here en Atom Heart Mother. En oké. Als je er drie koopt, koop dan Ummagumma, Wish You Were Here en Atom Heart Mother. En oké. Als je er vier koopt, koop dan A Saucerful Of Secrets, Ummagumma, Wish You Were Here en Atom Heart Mother. Maar dat is het dan wel zo’n beetje. Al bevat The Wall best een paar hele moje liedjes. Toch. De plaat als geheel is mij een pakje te gezwollen. Zeker naar het eind toe. Dus oei of hum of hee of gaaf omdat ik eventjes, heel eventjes, in de veronderstelling was dat Mallo, een goede schrijver uit het door mij zeer hooggeachte Spanje, iets gedaan had met de allerbeste plaat van Pink Floyd. Als motief ofzo, of hoe heet dat allemaal. Dat kan hee en gaaf en fijn zijn maar ook hum of oei. Wiebren Rijkeboer maakte voor mij hoogstpersoonlijk We All, Us Three, Will Ride van Palace kapot door het in zijn debuutroman Road te gebruiken als begeleidingsmuziek bij een scene over een pseudo-incestueus triootje (iedereen kent wel filmmuziek, maar hoe over boekmuziek?). Nu kan ik nooit meer naar dat liedje luisteren zonder aan incest te denken. Wat niet meteen de prettigste associatie is. Nota bene een liedje op Viva Last Blues, één van Will Oldhams schoonste plaatjes. Al is dat ook weer niet zo erg. Oldham maakte in de eerste vijf jaar van zijn karjere vele allerschoonste plaatjes. Vanaf There’s No-One What Will Take Care of You tot en met I See A Darkness is alles ronduit prachtig. En ook daarna nog wel. Een afentoeë meer dan redelijke oprisping. Die Hear The Children Sing die als laat als 2024 nog uitkwam, kunt gij probleemloos aanschaffen. Net als Ode Music of Seafarers Music of Get On Jolly of. Naja. Te zeggen dat het oeuvre van Oldham wel een stootje hebben kan dus. Toch zie ik moje platen niet graag bekrast door perverse fantasieën van schrijvers.

Al een geluk dan misschien dat Moeder Atoomhart vrij weinig te maken heeft met Atom Heart Mother, behalve dan dat Mallo de plaat een keer of drie noemt (onder andere in het mij onbekende verhaal over hoe Floyd aan de titel kwam, een verhaal dat de Atom Heart Mother voor mij gelukkig niet lelijker maakt, maar ook niet mojer) (ik heb iemand gekend die het altijd verdiepend vond om de verhalen achter platen te kennen; diegene vertelde mij ooit es dat met de sauna in Sauna van Mount Eerie de baarmoeder van de vrouw van Phil Elverum wordt bedoeld. die was toen in verwachting van Agathe. die inmiddels elf is; ze verloor haar moeder toen ze één jaar oud was (daarover maakte Elverum ook een plaat, A Crow Looked At Me) (ik zag een paar jaar geleden een aandoenlijk filmpje waarin Elverum ontbijt maakte voor zijn toen nog erg kleine dochter). maar, wat ik zeggen wilde, dat hele sauna-is-baarmoeder idee maakte Sauna voor mij geen cent mojer). Moeder Atoomhart gaat niet eens over Mallo’s moeder. Het gaat over zijn in 2012 overleden vader.

Het meest persoonlijke boek van Agustín Fernández Mallo, zegt de zijflap. Wel. Ja. In zoverre het een stuk minder postmodern (of lees: experimenteel) is dan Nocilla-trilogie, en we, lezend, niet alleen iets komen te weten over zijn vader maar ook over hemzelf. Zo maakte ik uit Moeder Atoomhart op dat Agustín Fernández Mallo veel meer boeken geschreven heeft dan er in het Nederlands vertaald zijn. Wat mij nieuwsgierig maakte. Meer bepaald heeft hij ook enkele dichtbundels geschreven. En die zou ik al helemaal graag naar het Nederlands overgezet zien (aan de slag dus, Adri Boon). En tegelijkertijd is het ook zijn meest universele boek. Zegt ook weer de zijflap. Sja. Iedereen is wel eens iemand ontvallen. Verlies kennen we allemaal. En het is ook niet helemaal onwaar dat Moeder atoomhart “bijna een eeuw aan Spaanse geschiedenis” beschrijft; “de Burgeroorlog, de naoorlogse periode, de terugkeer van de democratie”. Enkele episodes uit het leven van Mallo’s vader, en zijn opa’s en oma’s, spelen tegen de achtergrond van de Burgeroorlog. Of. Naja. Achtergrond is dat niet te noemen. Er moest geregeld weggedoken worden omdat de kogels tussen de nationalisten en de republikeinen in het rond vlogen. Bovendien had geen van beide partijen veel op met de familie van Mallo; om deportatie naar Rusland te voorkomen, vluchtten ze weg voor de één maar moesten ze daarbij de ander eveneens zien te ontlopen. En Franco was nog aan de macht toen Mallo zelve klein was, al had hij indertijd de monarchie alweer ingevoerd. Van leven in een dictatuur lees je in de jeugdherinneringen van Mallo dan ook weinig terug.

Over je ouders kun je van alles vinden. Dat blijkt ook wel, want er komen de laatste jaren opvallend veel ouderboeken terecht op mijn recenseertafel. Odes. Maar afrekeningen evenzeer. Vooral vaders krijgen het te verduren. Ze zijn er niet, ze zijn te dominant, ze zuipen te veel en ze knuffelen te weinig. Ze zijn raar, egoïstisch of ronduit gestoord. Maar wat je ook van je ouders vindt: een irritante eigenschap delen ze allemaal: ze hebben de hebbelijkheid op een gegeven moment dood te gaan. En dat is het moment om de rekening op te maken.

In Mallo’s geval geen ode, en ook geen afrekening. Gewoon een relatief nuchtere terugblik op een leven dat was. De vader van Mallo was een dierenarts, die vooral een -nogal wetenschappelijke- interesse had in de samenstelling van de ideale dierenvoeding. Aan de Burgeroorlog hield hij in ieder geval een wantrouwen over tegen idealen van welke snit dan ook. Feitelijk geloofde hij nergens in. Hij bekeek de dingen liever met een analytische, beschouwelijke, onderzoekende blik. Een levenshouding die Mallo geadopteerd lijkt te hebben, wat misschien een reden is dat Moeder Atoomhart niet bovenmatig sentimenteel is uitgevallen. Maar tederheid is er beslist, met een warme genegenheid beschrijft Mallo hier de vaderfiguur. Experimenteel of genre-overschrijdend gaat hij dit keer niet te werk, alleen is zijn neiging tot theorievorming onuitroeibaar. Waardoor er soms, naast literatuur, misschien sprake is van zoiets als (filosofisch) essayisme. Zijn beschouwingen zijn soms prikkelend, soms raak. “Zodra de dood zich aandient beginnen we een mythe te maken van wie de dode bij leven was”, ja hoe waar, maar ook een beetje voordehandliggend, en niet veel anders dan hoe Cop Shoot Cop het zong in Everybody loves you when you’re dead. En zei Jacques Esprit, of wie was het, eeuwen terug niet ook al dat “over de doden niets dan goeds” voornamelijk kan gelden omdat de doden ons niet meer in de weg staan, en ons nooit meer teleur zullen stellen? Zodat we ongestoord kunnen blijven terugdenken aan al hun goede eigenschappen? Andere keren vallen zijn neiging om patronen bloot te willen leggen wat hinderlijker uit. Omdat hij dan komt tot theorieën die niks toevoegen, geforceerd aandoen of gewoonweg totaal oninteressant zijn. Dit boek gaat over de vader, want de vader is dood. De moeder niet. Die leeft nog gewoon. Maar toch moet Mallo tot een haast wetenschappelijke verklaring komen waarom hij zijn moeder in Moeder Atoomhart minder frekwent noemt dan zijn vader. Hij haalt er de onzekerheidsrelatie van Heisenberg bij; je kunt niet de status van één van de variabelen kennen zonder deels de andere te vernietigen. Om goed over zijn vader te kunnen schrijven zou hij zijn moeder dus moeten doodzwijgen. Sja. Is het niet gewoon logisch dat het in een memoire méér over de overleden dan over de nog levende ouder gaat? Moest Heisenberg er aan zijn haren bij gesleept worden om daar meer van te maken dan het in mijn ogen hoefde te zijn? Of nog. Dit. Ergens heeft hij het over de laatste keer dat je iemand ziet. Al die laatste keren, en al die iemanden, want het prikkelende is dat hij het daar niet alleen heeft over mensen die overleden zijn maar ook mensen met wie het contact op één of andere manier verloren is gegaan. Van iemand die op sterven ligt kun je vaak nog wel het vermoeden hebben, of de intuïtie dat je hem of haar misschien nooit meer levend zult zien maar bij mensen die op andere manieren uit je leven geraken, beleef je zelden een nadrukkelijke “laatste keer”. Dan kun je pas in een retrospect aanwijzen wanneer en waar je die persoon voor het laatst zag. Mallo schrijft dat “we” geneigd zijn te denken dat we iemand meestal voor het laatst zien in een bed, of in een open veld, of in een bar. Maar dat is, zegt hij, een gemakzuchtige zienswijze die ons opgedrongen wordt door film. In het echte leven zie je iemand meestal voor het laatst bij een deur. Zegt hij. Zegt Mallo. In een passage die toch duidelijk moet laten blijken dat hij er grondiger over nagedacht heeft dan anderen, die niet verder komen dan hun filmische beleving van laatste keren. Hum. Zegti ook nog dat hij er “onderzoek” naar gedaan heeft, bestaande uit een rondvraag onder vrienden en bekenden. Ik ken de wetenschappelijke richtlijnen niet zo goed, ik weet niet hoe groot een rondvraag moet zijn om iets significants te hebben opgeleverd. Honderd mensen? Duizend? Aan meer dan een handjevol zal hij het niet gevraagd hebben, toch? Bovendien is weinig zo bedrieglijk als het geheugen. Suggestibel. Ik weet niet hoe Mallo het aan zijn vrienden en bekenden gevraagd heeft, maar als in zijn vraagstelling al doorgeklonken heeft dat hij meent dat een “laatste keer” vaker bij een deur voorkomt dan in een bed, open veld, of bar dan is het goed mogelijk dat de ondervraagden zich sneller door hun geheugen lieten misleiden om hier bevestigend op te antwoorden. En dan nog. Is zo’n “allerlaate keer bij de deur” juist niet veel filmischer, theatraler, dramatischer? Ik schreef er ooit eens een heel verhaal over, zelfs, gebaseerd op het schilderij Het Onverwachte Antwoord van René Magritte. In dat verhaal had de (inmiddels ex-)vriendin van de hoofdpersoon de deur zo hard en definitief achter zich dichtgeslagen dat er voortaan een vriendinvormig gat zat in de wereld van de hoofdpersoon, een gat waarin alleen zij paste zodat zijn wereld alleen met haar compleet kon zijn. En ik denk. Mijn stervende moeder, mijn stervende vader. Die lagen inderdaad in een bed de laatste keer dat ik hen zag. De zus van mijn moeder, mijn lievelingstante. In één of ander wat sinister tehuis. Het was duidelijk dat ze niet heel lang meer zou leven, maar haar dood kwam toch nog sneller dan verwacht. Zij stond misschien wel in, of dichtbij een deuropening, en wij liepen terug naar de auto, roepend, we zien je snel weer we zien je snel weer. Bij uitbreiding de mensen die zeer waarschijnlijk nog leven, ergens. Een goede vriend van de HAVO. Ik denk dat ik bij hem achter op de fiets zat, rijdend doorheen Eindhoven, ik weet niet meer waarom ik bij hem achterop zat, waar mijn eigen fiets was, misschien weg, misschien in reparatie, misschien gejat. Een vriendin van de hogeschool voor wie ik een zeer grote, aan liefde grenzende, genegenheid voelde. Voor het station van Tilburg denk ik. Verwikkeld in een gesprek dat ik steeds vervelender begon te vinden. De lieftallige Annette, die in de kamer naast de mijne woonde in mijn eerste studentenhuis. Ergens nabij de Dom meen ik mij te herinneren, bij een fietsenrek, we namen afscheid, we kusten elkaar, waarbij ze haar mond een beetje open deed, ik liep weg, snel, keek zelfs niet meer om, omdat ik te verward was van die openmondkus, zowel door de kus zelve als door de gevoelens die het kennelijk in me los maakte. Een andere vriendin, ook van de HAVO. Weer een station, nu dat van Utrecht, ik denk dat ik een ijsje voor haar kocht. Of. Nog. Iemand. Een grote liefde, dat was denk ik op een heuvel in een park. Maar misschien waren het weer andere plekken, en misschien zijn er nog meer mensen te bedenken. Weinig deuren in ieder geval, Mallo. Niettemin storen zijn theorieën mij meestal niet. In het algemeen ook geen slechte eigenschap, me peinst. Om na te denken over de dingen die je meemaakt, er iets uit te willen puren. Wat het zegt over jou, over de mens, over het leven. En hij doet het veelal op zo’n charmante manier dat Moeder Atoomhart in ieder geval nergens taai wordt.

Integendeel. Ik denk dat het omslag goed gekozen is. Ik weet niet of dit werk van Helga Stentzel ook op het origineel te vinden is maar het is alleszins zeer passend. Om te beginnen door de koe natuurlijk. Die verwijst naar Atom Heart Mother, en naar alle koeien in dit boek. Koeien in een veld ergens in Amerika waar Mallo zichzelf zo goed als klem gereden had. Koeien in de laadruimte van een vliegtuig. Mallo’s vader wilde ze vervoeren naar Galicië. Later bleken dat trouwens varkens te zijn. Maar deze “koe” van Stentzel komt uit haar serie “household surrealism”. Het surrealisme, een stroming die velen misschien als “raar” of “moeilijk” zouden beschouwen, teruggebracht naar het huishoudelijke. Een jas en een shirtje aan een waslijn, en het lijkt een zwevende koe. (ze heeft geloof ik ook een brood in de vorm van een broodrooster waaruit twee sneetje omhoog komen). Zo ook maakt Moeder Atoomhart het postmodernisme van Agustín Fernández Mallo bijna knus. Geen experimenten meer met wisselende perspectieven of vele kanten opschietende verhaallijnen. Gewoon het verhaal van een vader die er niet meer is. Het is niet moeilijk, niet zwaar, niet larmoyant. Het is, naja, een “fijn” boek. Zoals de kunst van Stentzel gewoon “leuke” kunst is. Wat is leuk een schaap is leuk. Voor sommigen is dat misschien te weinig, voor anderen is dat precies goed. Je kunt je laven aan een familie die goede banden met elkaar lijkt te onderhouden, je kunt lachen om sommige uitspraken van Mallo’s vader (toen Mallo zijn diploma behaalde voor zijn studie natuurkunde, zei zijn vader: “Heel mooi, jongen, je bent nu iets meer dan een analfabeet. Van nu af aan”, je kunt misschien iets opsteken van de wetenschappelijke terzijdes. Een meerwaarde voor mij was dat Moeder Atoomhart zich veelal in Galicië afspeelt, en daar ben ik als kind en later als puber veel geweest (veel goede schrijvers komen opvallend genoeg uit Galicië. of. nah. veel. in ieder geval komt Suso De Toro ook van daar. en. nah. goed. Tiktak van De Toro is in ieder geval een magistraal boek, het eerste boek dat ik ooit las dat me echt verpletterde, reden waarom ik het nooit heb durven herlezen, want ik was voor in de twintig toen ik het las en wat wist ik nu helemaal van literatuur toen als jonge blaag, en naar mijn weten is er nooit een ander boek van De Toro vertaald naar het Nederlands, Galicisch lezen doe ik niet dus of hij echt een goede schrijver is, weet ik niet, is één boek niet een beetje weinig om dat oordeel te vellen?, wel heb ik vaak gedacht dat Mallo De Toro gelezen moet hebben, want Tiktak heeft alles wat Mallo’s Nocilla-trilogie ook heeft (eindeloze perspectiefwisselingen, een hele stoet aan personages, geen verhaal in traditionele zin, etc.) maar De Toro schreef het wel zo’n dertien jaar eerder).

Meest persoonlijke, meest universele. Kun je zeggen. Of ook. Het meest leesbare. Kun je ook zeggen. In ieder geval is er weinig reden om Moeder Atoomhart ongelezen te laten.

Agustín Fernández Mallo Moeder atoomhart

Moeder atoomhart

  • Auteur: Agustín Fernández Mallo (Spanje)
  • Soort boek: Spaanse roman
  • Origineel: Madre de corazón atómico (2024)
  • Nederlandse vertaling: Adri Boon
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 4 juni 2026
  • Omvang: 211 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 23,50
  • Roman bestellen >

Flaptekst van de roman van de Spaanse schrijver Agustín Fernández Mallo

Kort voor de geboorte van Agustín Fernández Mallo in 1967 begon zijn vader, een dierenarts uit een klein stadje in León en een fervent aanhanger van wetenschap en vooruitgang, aan een reis door de Verenigde Staten om, per vliegtuig, twintig koeien naar Galicië te brengen. Bijna een halve eeuw later onderneemt de schrijver op zijn beurt een reis door Amerika, in een poging de voetstappen van zijn vader te volgen voordat die zijn geheugen verliest.

Moeder atoomhart beschrijft bijna een eeuw Spaanse geschiedenis aan de hand van legendes en familieverhalen van gewone mensen die de Burgeroorlog, de naoorlogse periode, de terugkeer van de democratie en de eeuwwisseling meemaakten. Het is het meest persoonlijke en tegelijkertijd meest universele boek van Agustín Fernández Mallo; een verhaal dat de menselijke conditie in al haar facetten behandelt en dat voorstelt de dood niet te zien als het einde van een reis, maar als een begin, als de laatste levensles van een geliefde.

Agustín Fernández Mallo is in 1967 geboren in La Coruña, Spanje en is gediplomeerd fysicus. In 2000 formuleerde hij een theorie over ‘postpoëzie’ die de verbindingen onderzoekt tussen kunst en wetenschap. Zijn Nocilla-trilogie bracht een verschuiving teweeg in de hedendaagse Spaanse literatuur en werd bekroond met Europese Literatuurprijs 2022. Trilogie van de oorlog, dat in 2024 bij Koppernik verscheen, ontving de Premio Biblioteca Breve.

Bijpassende boeken en informatie

Malgorzata Lebda – Onstilbaar

Malgorzata Lebda Onstilbaar recensie, review en informatie over de inhoud van de roman van de schrijfster uit Polen. Op 7 mei 2026 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van Łakome, de eerste roman van de Poolse dichter en fotografe Małgorzata Lebda. Op deze pagina lees je informatie over de inhoud van de roman, de auteur en over de uitgave.

Malgorzata Lebda Onstilbaar recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Onstilbaar, de roman van Małgorzata Lebda, dan bestede we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

En dag weeral, maar nog vroeg, nog een beetje erg vroeg eigenlijk, maar je ligt daar maar, klaarwakker en peinzend, en om zes uur gaat toch die verdomde wekker, over een kleine drie kwartier dus, en dus ga je maar, bed uit, trap af, en je zit daar, in dat licht, dat allereerste licht van de dag, dat licht dat eruit ziet alsof je het zo zou kunnen verscheuren, in dat licht dus zit je, in je leesstoel, en daar zittend weet je niks anders te doen dan te lezen, anders was je wel in de praatstoel of in de luisterstoel gaan zitten maar daar zit je niet, je zit in de leesstoel, en dus lees je, en je pakt Onstilbaar van de stapel, van Małgorzata Lebds, weeral een Pool, was het onderlaatst ook niet al een Pool, je weet niet wat te denken, je kent deze schrijver niet, maar ze loopt klaarblijkelijk ultramarathons, zo zegt het achterplat, en wat in godesnaam zijn ultramarathons, en je hebt het niet zo op al dat geren, en dan is ze ook nog universitair docent en dat is nog minder, maar je zit, en je leest.

En dit is.

Dit past zo mooi. In dit vroege licht past het zo mooi.

Dit is het verhaal. Dit is het ding. Dit is wat is.

Twee vrouwen zijn naar het kleine, afgelegen dorpje Maj gekomen. Er is een oma die Róża heet, en zij is stervende. Ze willen zachtjes meedrijven naar haar levenseinde. Er is ook een opa, die voortdurend bezig is in en om het huis. Want: “Opa mijdt oma’s ziekte, de ceremonies rondom de ziekte zijn hem vreemd, hij wil niets van de ziekte weten, niets in de ziekte aanraken.”, zoals het, herhaaldelijk doorheen het boek, benoemd wordt. Deze vier mensen vervullen de hoofdrollen. Misschien is er ook nog een hoofdrol voor de ziekte van oma; een ziekte die bijna als een entiteit wordt voorgesteld en effect heeft op alles – uiteindelijk wordt alles ziek van de ziekte, het huis wordt ziek, de vrouwen worden ziek, opa wordt ziek. Maar misschien is de hele regio wel ziek. Misschien ligt alles lam, misschien verschuift alles naar een eind.

Want het rare is dat er niets lijkt te gebeuren. Terwijl er van alles gebeurt. Er is een oma die dood aan het gaan is, er is een aardverschuiving, iemands huis verdwijnt in een gat, er zijn mensen die vanaf de Oostzee naar Maj zijn gekomen, er zijn hele levens die daar de revue passeren. En toch voelt het aan als een aangename onbeweeglijkheid.

Allicht heeft het te maken met de taal. De taal van Lebda. Die is zo uitgepuurd, ofnee niet weer uitgepuurd, rot op met je uitgepuurd, maar wat dan. Gerijpt misschien. Taal die lang genoeg gelegen heeft om te rijpen, waarlijk te rijpen, niet rijpen zoals fruit dat doet want dan zo de taal allang verrot zijn, maar rijpen zoals een goede overjarige kaas, of zeg een aangenaam rokerige whiskey. Een taal zo verstild dat er maar weinig woorden nodig zijn om het maximale te kunnen zeggen (whiskey heeft ook maar een glasbodem nodig). Vandaar dat wit. Al dat paginawit. Dat een twede stem is: de stem van de stilte naast die van de taal. Vandaar dus ook dat Lebda kan volstaan met korte hoofdstukjes. In een enkel geval maar zes regels. Neem: “Oma brengt een prachtig woord mee uit Stary Sad. Ze herhaalt het meermaals. Het woord beweegt in haar mond, het is rond, maar er zitten spanningspunten in die op de juiste plekken verzachten. Algauw komen we erachter dat het woord niet alleen klinkt, maar ook iets doet – het laat licht de aders in. Veel licht.” (dit lijkt te gaan om het woord opioïde) (heel even dacht ik aan mijn vader en zijn laatste dagen aan een morfinepomp).

Uit deze wonderschone, organische taal komt een verstilling tevoorschijn die de lezer wiegt. En liefde ook. Er gaat veel liefde rond. Tederheid. Zachtheid. Voor de oma, tussen de twee vrouwen onderling, en ook voor de opa, al is dat misschien eerder een toegeeflijk soort liefde. Maar het geeft dit boek een onmiskenbare warmte.

Of een ander aspect. Het laat mysteries leven, het verlicht niet tot in elke hoek. Wat is precies de relatie tussen de twee vrouwen die naar het huis van de oma zijn gekomen? De langste tijd dacht ik dat het zussen waren, maar tegen het einde ging ik daaraan twijfelen. Vroeg ik me zelfs af of ze wel familie van elkaar waren. De onderlinge relatie is liefdevol genoeg om aan geliefden te denken, al geloof ik ook niet dat dat het geval is. En waar ze vandaan komen, en wat ze daar deden, in hun respectievelijke ginders, ze zijn zo te merken de langste tijd weggeweest uit Maj, het huis van de opa en oma waar in ieder geval de ikfiguur ook haar jeugd lijkt te hebben doorgebracht. De ikfiguur “werkt aan code”, en schrijft ook gedichten; de ander, die Ann heet, zou hoogleraar kunnen zijn en doet studie naar het licht (de opa bouwt haar, weer zo’n verbijsterende daad van liefde, een schuur vol spiegels, een spiegelschuur met glazen dak, zodat Ann onder alle hoeken de lichtval kan bestuderen). De ouders van de ikfiguur, die mogelijkerwijs niet ook de ouders van Ann zijn, zijn omgekomen, ooit, misschien bij een ongeluk, en misschien al lang geleden. Maar het verleden wordt wat in het vage gelaten, en het is prettig, als lezer, om een boek te verlaten met de wetenschap dat je de dingen aangeraakt hebt, maar nooit helemaal vast kon grijpen. Dat kun je opvatten als een uitnodiging tot herlezing, zoals je een seedee die zo mooi is dat het het bevattingsvermogen een weinig te boven gaat steeds weer opnieuw wilt horen.

Van dat soort zeldzame schoonheid is Onstilbaar. Een schoonheid te groot voor het verstand. Ja, dit gaat over dood, over ziekte, over allerlei onheil waardoor mensen getroffen kunnen worden. Maar om het eerder aangehaalde hoofdstuk op het boek zelf te betrekken: er zitten spanningspunten in die op de juiste plekken verzachten. Ja dat doet het. En het laat licht de aders in. Ja, dat doet Onstilbaar ook. Zo hoeft een boek over zware onderwerpen niet verdrietig te zijn. Onstilbaar is troostrijk. Onstilbaar is vol van dat vroege, lieflijke licht. Onstilbaar verstilt. Zodat je zit. Daar. Zwijgend, stokstijf en vol van alles wat je zojuist gelezen hebt.

Małgorzata Lebda Onstilbaar

Onstilbaar

  • Auteur: Małgorzata Lebda (Polen)
  • Soort boek: Poolse roman, debuutroman
  • Origineel: Łakome (2025)
  • Nederlandse vertaling: Charlotte Pothuizen
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 7 mei 2026
  • Omvang: 304 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 23,50
  • Roman bestellen >

Flaptekst van de roman van de Poolse schrijfster Małgorzata Lebda

Twee vrouwen arriveren in het afgelegen dorpje Maj om in te trekken bij de ernstig zieke grootmoeder Róża. De grootvader verricht verwoed reparaties aan het vervallen huis, Róża omringt zich wanhopig met alles wat leeft, en de vrouwen zorgen voor haar. Met op de achtergrond het reutelende geluid van een slachthuis en de dreiging van een verschuivende landmassa beleven ze samen een laatste keer de seizoenen.

In spaarzame, zintuiglijke taal schetst Małgorzata Lebda een gelaagd verhaal over zorg, de onvermijdelijke dood van alles wat leeft, en over de natuur, die idyllisch is en macaber tegelijk. Onstilbaar is een monument voor het leven dat iedereen zal aanspreken die ooit van iemand heeft gehouden of iemand heeft verloren.

Małgorzata Lebda is geboren op 23 augustus 1985 in Nowy Sącz, een stad in het zuiden van Polen. Ze is vooral bekend als dichter en fotograaf. Onstilbaar is haar debuutroman.

Bijpassende boeken en informatie

Stig Sæterbakken – Siamese

Stig Sæterbakken Siamese recensie, review en informatie over de inhoud van de roman van de schrijver uit Noorwegen. Bij Uitgeverij Dalkey Archive Press verschijnt de Engelse vertaling van Siamesisk de roman van de in 2012 overleden Noorse dichter Stig Sæterbakken. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Stig Sæterbakken Siamese recensie van Tim Donker

Een man. Een vrouw. Ouder echtpaar. Ooit moeten ze van elkaar gehouden hebben. Maar hoe gaan die dingen. Je bent jong, je ontmoet iemand, je gaat van elkaar houden, of je denkt van elkaar te houden, of je ziet hele andere dingen aan voor liefde, en je gaat trouwen, want dat is hoe het hoort te lopen in het leven. En voor je het weet is je leven alweer bijna voorbij en ben je vijftig jaar lang bij iemand geweest van wie je je nu hard afvraagt wat je ermee moet. In Siamese resteert voornamelijk afstand, afkeer, nijd en wat misschien nog het best als een vorm van stockholmsyndroom omschreven kan worden. De vrouw richt zich op het hier en nu, huishoudelijke taken, dingen die gedaan moeten worden, boodschappen, eten, klusjes. De man heeft zich teruggetrokken in de badkamer en doet niets meer dan zitten, denken en kauwgom kauwen. Dat is geen Samuel Beckett of Thomas Bernhardt, die er op het achterplat maar weer eens bijgehaald worden (want hee de situatie is absurd en vol van gal en animositeit dus met welke namen gaan we anders schermen?) maar, als je het mij vraagt, eerder Jean-Philippe Toussaint.

Dan flikkert de lamp in de badkamer, en gaat kapot. De vrouw haalt er de conciërge bij van het gebouw waar ze in wonen. Misschien is dat wat overdreven: de conciërge bellen om een lampje te vervangen. Maar allicht is dat in Noorwegen heel gebruikelijk. Wat heeft zo’n conciërge anders te doen in zo’n gebouw met, naar ik veronderstel, sociale huurappartementen.

In Siamese wisselt het vertelperspectief voortdurend tussen de man: Edwin Mortens en zijn vrouw: Erna Mortens. Maar Sæterbakken geeft blijk van zijn meesterschap door het eerste hoofdstuk door Erna te laten vertellen. Zo komt de ongemakkelijkheid van de situatie optimaal tot zijn recht. Erna loopt met de conciërge de badkamer in en daar zit haar man zwijgend in een stoel. Ze haalt er een opstapje bij zodat de conciërge de lamp eruit kan drajen. Edwin boert een paar keer luid, Erna staat er even bij, en kijkt erna, gaat weg, reddert wat in de keuken (“rommelen”, noemde mijn tante dat – heeldurdagen was zij in de keuken aan het “rommelen”, ieder kopje waaruit een van ons koffie had gedronken waste ze ogenblikkelijk af, en bovendien begon ze idioot vroeg met het avondeten, veelal reeds aan het eind van de ochtend – terwijl ze doodnormale oerhollandse gerechten op tafel zette: aardappels, vlees, groente. de aardappels waren bijna altijd gegratineerd dus allicht dienden die kort gekookt vooraleer ze in de oven gingen maar alsnog geen maaltijden waarmee een mens uren bezig moest zijn. haar groenten waren dan ook altijd volledig kapot gekookt omdat ze die meerdere keren op een dag opwarmde. maar haar jus was altijd goed op smaak, dat moet ik zeggen), totdat de conciërge terugkomt uit de badkamer. Ze biedt hem een kopje koffie aan, ze gaan zitten in de huiskamer, ze praten niet of nauwelijks, zitten daar maar, de conciërge steekt een sigaret op. Dat moet ook in het 1997 waarin Sæterbakken dit Siamesisk, zoals Siamese in de originele versie heette, het levenslicht liet zien, bijzonder onattent geweest zijn. Maar Erna zegt er niks van.

Hiermee zet Sæterbakken de lezer feitelijk op het verkeerde been. Of misschien. Op een half been. Bij nu kun je nog denken te maken hebben met een absurdistische komedie over menselijk onvermogen. Twee echtelieden die tot elkaar veroordeeld zijn, een man die verdrinkt in zijn walging en ervoor gekozen heeft de wereld de rug toe te keren; een vrouw die het liefst blijft doen alsof er niks aan de hand is. Niet raar, hij zit gewoon graag in die badkamer, moet kunnen. Zich ondertussen wel afvragend wat de conciërge ervan denken zal. Pijnlijk. Menselijk. Grappig.

Had Edwin als eerste het woord gekregen, dan had het eerste hoofdstuk er heel anders uitgezien. Woede en achterdocht hadden geprevaleerd. Bovendien had hij niet goed begrepen wat er precies aan de hand was. Niet alleen omdat de conciërge niet de hele tijd in de badkamer is, en Edwin weigert de badkamer uit te gaan. Maar ook, zo blijkt, is Edwin blind.

Pas in opvolgende hoofstukken wordt de achtergrond meer en meer ingekleurd. Edwin begon op een bepaald moment zijn zicht te verliezen, tot op het nivo waarop hij nu zit: volledige blindheid. Bovendien lijkt hij ziek te zijn. Terminaal wellicht? (alles is terminaal, zei Zappa ooit toen een journalist hem vroeg in welk stadium zijn ziekte was) Zit hij vast aan een of meerde apparaten? Het kan ook alleen maar een stoma zijn. Kleinswijltjens lang dacht ik dat hij daar in een rolstoel zat, maar het blijkt een schommelstoel te zijn. Is hij verlamd? Het lijkt erop dat hij niet eens kán opstaan. Eén of andere progressieve ziekte, kun je denken, die steeds meer van zijn lichaamsfuncties aantast. Of depriveert hij uit verkozen inactiviteit? Ook een mogelijkheid: Edwin heeft zich toegelegd op het voltijds vegeteren en omdat hij niets anders meer wil dan zitten, en denken, verzwakken al zijn andere spieren. Misschien toch niet ziek, afgezien van zijn blindheid. Erna denkt soms dat hij alles simuleert. Dat hij misschien helemaal gezond is, kan zien, haar en iedereen in de maling neemt. Sæterbakken laat de lezer heen en weer slingeren tussen beide veronderstellingen. De Edwin-hoofdstukken lezend zou je denken dat hij elk moment dood kan gaan. Wanneer je echter door Erna’s ogen kijkt is er misschien echt niet zoveel aan de hand. Gans het boek doorheen blijft het in het midden.

Misschien is Edwin onbetrouwbaar. Uiteindelijk is hij de gek. Een vent die in een schommelstoel zit in de badkamer, op de vloer een zee van kauwgompapiertjes. Hij eet niet, hij praat nauwelijks, hij schreeuwt en scheldt alleen maar. De hoofstukken waarin hij aan het woord is, zijn wel het langst en gaandeweg krijgt hij steeds meer diepte. Gedurende een groot deel van zijn leven was hij de directeur van een verzorgingstehuis, Kronsæter. Hoe hij daar weggegaan is, is niet geheel helder. Gewoon met pensioen misschien? Of moest hij weg toen hij zijn zicht begon te verliezen? Er is ook een incident geweest met een verpleegster; Edwin werd driftig om iets kleins en iedereen op Kronsæther koos de kant van de verpleegster.

Langzaamaan tekent zich het plaatje. Zijn hele leven lang al, was Edwin een temperamentvol man. Maar ook consciëntieus, toegewijd, precies, en zeer intelligent. Op het idiote af. Ja, in de Edwin-hoofdstukken neemt Siamese een beckettiaanse toon aan – het gaat over dood, verrotting, stront, vuiligheid, een enkele keer met een licht erotiese lading. Maar zijn herinneringen aan Kronsæther zijn net zo goed nietzscheaans: de wil tot macht, hoe wat de een vergaart altijd ten koste van de ander gaat. Een ex-collega over wie hij voornamelijk in deze termen nadenkt is De-Sarg; een man waarmee hij een soort haatliefde-verhouding lijkt te hebben gehad. Geen goed woord heeft Edwin over voor De-Sarg maar het lijkt wel een man geweest te zijn die hij met liefde heeft gehaat. Daarnaast denkt Edwin veel na over politieke, sociale, maatschappelijke en emotionele zaken. En komt daarbij vaak tot moje bevindingen. Bijvoorbeeld dat de wet er niet is om de burger te beschermen maar juist om hem te onderdrukken. Of neem dit idee over het huwelijk – of lange relaties tout court: “A liar, that’s what you turn into when you’re with a woman. You have to liet he whole time. Otherwise you’d never be able to keep her.” Kijk met Erna mee en je ziet een onhebbelijk monster vol chagrijn zitten daar in die stoel in de badkamer. Maar eens Edwin zelf aan het woord is, kun je niet anders dan sympathie voor hem opvatten.

Het monster, de volslagen gek in de badkamer. Erna kookt voor hem, brengt hem zijn cola – de enige drank die hij nog drinkt – en vult zijn kauwgom en zijn medicijnen steeds aan. Voorheen nam ze ook zijn persoonlijke verzorging op zich. Knipte zijn haren en zijn vinger- en teennagels. Duwde zijn nagelriemen terug. Schoor en waste hem. Daar is ze omdat ze niet echt veel dankbaarheid hierbij ontmoette mee opgehouden. Nu is Edwin vervuild, stinkend, lang haar, lange baard – om hem een nog iets sardonieser aanzien te geven allicht. Maar is Erna echt wel betrouwbaarder dan Edwin? Ze is onzeker, stil, naïef, beïnvloedbaar en een beetje karakterloos. Ze heeft zeer zeker niet per se een helderder zicht op de waarheid dat de blinde en “gestoorde” Edwin.

Misschien is het aan de lezer, of ligt het ergens in één of ander midden – misschien wat meer naar links, misschien wat meer naar rechts ervan. Geloof je Erna, dan is Edwin een vreselijke man. Bezie je het van de andere kant dan is Erna een emotieloze, ijskoude vrouw die een blinde hulpeloze man aan zijn lot over laat, hem alleen maar het hoogstnoodzakelijke brengt om hem in leven te houden en verder in huis de hele dag door met dingen bezig is waarop Edwin geen enkel zicht meer heeft. Letterlijk en figuurlijk.

Je hoeft niet heel veel fantasie te hebben om Siamese te lezen als emblematisch voor alle huwelijken. Hoe abnormaal de situatie van Erna en Edwin ook is, in essentie is het niet heel anders dan datgene waar veel mensen mee overblijven wanneer ze tientallen jaren bij elkaar zijn geweest. Ze hebben alles gegeven, de anders was ondankbaar. Ze waren en deden zoveel dat de ander nooit zag. Ten beste blijft er een kameraadschap over waarin de ander gedoogd kan worden. Maar pure weerzin is ook niet onmogelijk. Doorschoten met flitsen van genegenheid. Edwin noemt Erna Sweetie. Uit dodelijk cynisme. Maar soms ook met de compassie die de twee altijd nog voor elkaar hebben, ergens, diep verscholen onder de zwarte teer van alle andere lagen.

Iemand van de New York Times zegt: “Siamese is a difficult and brilliant book, like one of those skulls inscribed: ‘As I am now, so shall you be’ that a death besotted Romantic might have kept by his bedside.”; wel – Siamese is geen moeilijk boek. Een pijnlijk boek misschien, omdat het gaat over verval. Verval van liefde, verval van decorum, verval van aanzien. Verval van gezondheid ook. Dood gaan we allemaal, en de laatste stappen erheen zijn vaak niet de mooiste in een mensenleven. En briljant is Siamese ook niet echt. Het had briljant kunnen zijn, maar Sæterbakken laat na zijn geniale opening net iets teveel liggen. De ontwikkelingen met de conciërge, die, zo komen als we het boek al bijna uit hebben nog te weten, Olav Martiniussen blijkt te heten, zijn net iets te voorspelbaar. Al heeft Sæterbakken het einde dan wel weer zodanig open gelaten dat wat er op het allerlaatst aan de hand is een weinig in de lucht blijft hangen. En Erna is me toch iets te tweedimensionaal gelaten. Ik kon haar niet anders zien dan als Edith Bunker. De archetypische huisvrouw. Voornamelijk bezig met praktische zaken. Ondanks al het zuur dat haar ten deel valt, toch altijd loyaal aan haar man. Zelfs als ze boosaardige dingen over hem denkt, houdt ze een marge open waarin ze hem toch niet helemaal wil afvallen. Ook blijkt veel van wat ze in eerste instantie als gekheid terzijde schuift, later in het boek toch op waarheid te berusten (zoals een schuld die De-Sarg volgens Edwin nog bij hem heeft openstaan). Misschien had Edwin toch gelijk. Misschien zag Edwin het toch allemaal juist. Zulke gedachten. Zulke twijfels. Die Erna als personage in ieder geval niet krachtiger maken. Tot slot had er meer met de taal gedaan kunnen worden. De taal had gestoorder, kapotter gekund. Maar dat euvel ligt misschien eerder bij vertaler Stokes Schwartz. Die behalve literatuur ook -of misschien vooral- technisch en historisch werk heeft vertaald. Mogelijkerwijs heeft hij een te zakelijke benadering van het Noors gehad? Alleen diegenen die het Noors machtig zijn, kunnen die vraag beantwoorden.

(en hoe een boek kan zijn als een schedel met inscriptie zie ik al helemaal niet, maar voor New Yorkers zal dat allemaal wel duidelijk zijn)

Misschien had er meer in kunnen zitten, maar Siamese is al bij al een zeer fijn boek. Pijnlijk. Absurd. Grappig. En, zeker op het eind, af en toe ook regelrecht ontroerend. Een boek over liefde. Een boek over dood. Een boek over leven. Ik kende Sæterbakken eerlijk gezegd niet, ik weet niets van zijn oeuvre. Geboren in 1966, overleden in 2012 en in ieder geval dus niet bijster oud geworden. Maar dat zegt niets over een oeuvre; sommige schrijvers pennen boek na boek na boek na boek in slechts enkele jaren. Siamese verscheen in 2010 al een keer in Engelse vertaling; deze twede editie is meer dan verdiend. Een vertaling in het Nederlands zou ook mooi zijn. Misschien iets voor Koppernik?

Stig Sæterbakken Siamese

Siamese

  • Auteur: Stig Sæterbakken (Noorwegen)
  • Soort boek: Noorse roman
  • Origineel: Siamesisk (1997)
  • Engelse vertaling: Stokes Schwartz
  • Uitgever: Dalkey Archive Press
  • Omvang: 164 pagina’s
  • Afmetingen: 14 x 20,3 x 1,3 cm
  • Gewicht: 227 gram
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 13,50 / € 12,99
  • Boek bestellen >

Flaptekst van de Stig Sæterbakken dichtbundel

Edwin Mortens is almost blind, but has good hearing; his wife Erna is hard of hearing, but has excellent eyes. Paralyzed from the waist down, Edwin sits locked in his bathroom all day, every day, trying to liberate his mind from his body.

Edwin Mortens is almost blind, but has good hearing; his wife Erna is hard of hearing, but has excellent eyes. Paralyzed from the waist down, Edwin sits locked in his bathroom all day, every day, trying to liberate his mind from his body. The experiment is going relatively well: nearly all his bodily functions have ceased, his limbs are in a state of decay, and his digestive system is in the process of breaking down. “This body,” he says, “is a sewer.”

To pass the time, Edwin dedicates his days to chewing gum and screaming at his wife, on whom he is, nonetheless, entirely dependent; while Erna’s life, despite Edwin’s constant abuse, revolves around her hideous husband. Edwin and Erna live in a state of perfect equilibrium—fueled by habit, cruelty, humiliation, and quite possibly love—until a young maintenance man is called to replace a lightbulb in Edwin’s bathroom, and the “Siamese twins” find themselves embroiled in a new and vicious struggle for power.

Stig Sæterbakken is op 4 januari 1966 geboren in Lillehammer, Noorwegen. Hij was een romanschrijver, dichter en vertaler. Van zijn werk is tot nu toe nog geen Nederlandse vertaling verschenen. Op 24 januari 2012 overleed Stig Sæterbakken op 46-jarige leeftijd. Hij pleegde zelfmoord.

Bijpassende boeken en informatie

Gabriella Zalapi – Ilaria

Gabriella Zalapi Ilaria recensie, review en informatie over de inhoud van de roman van de schrijfster van Engels, Italiaans, Zwitserse afkomst. Op 21 april 2026 verschijnt bij Uitgeverij Tristan de Nederlandse vertaling van Ilaria, Ou la conquête de la désobéissance, geschreven door Gabriella Zalapi. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Gabriella Zalapi Ilaria recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Ilaria, Of de weg naar ongehoorzaamheid, geschreven door Gabriella Zalapi, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

Dat ik er een paar weken geleden nog iets over zei tegen een collega in het depot hoort hier nog niet.

Dat de tekst zwemt in een zee van wit ook nog niet. Of dat ik toen ik dat zag erachteraan dacht: als een foetus in vruchtwater (of: hoe die gedachte me deed afvragen waar gedachten vandaan komen, hoe komen ze in je kop, wie plaatst ze daar?).

Het moet beginnen met wat ik al uitentreuren heb verteld. Ooit was ik bevriend met een man die de eigenaar was van een uitgeverij, een wat kleinere uitgeverij. Eerst had de uitgeverij een tamelijk experimentele koers gevaren maar inmiddels richtte het zich meer en meer op wat traditionelere, of zeg: pretentieuzere, literatuur. Daar spraken we over. De uitgever zei: Die experimenten ken ik nu wel, vertel me eerst maar eens een boeiend verhaal. Ik zei: Die verhalen ken ik nu wel, vertel het me eerst maar eens op een boeiende (vernieuwende / afwijkende) manier.

(eigenlijk weet ik niet of ik dit zei. mogelijkerwijs dacht ik het alleen maar. ik ben slecht in discussies, mijn brein werkt er te traag voor. doorgaans ben ik zeer onder de indruk van mensen die met grote stelligheid iets te berde brengen, denk ik jajaja dat zal dan wel zo zijn, er zit wel iets in, je zult wel gelijk hebben, misschien weet ik er ook niet voldoende vanaf, misschien mis ik het overzicht, het grotere plaatje, wie weet. dan gaat het nog uren- en soms dagenlang rond en rond in mijn brein, en veel te laat ontdek ik dan de zwakte in de redenering die me in eerste instantie zo overdonderd had – ik ben zo iemand die pas op de terugweg het geschikte weerwoord bedenkt, en nog in staat is terug te fietsen om het te gaan zeggen ook)

(ooit, in een ander leven, was er een schrijverken die de hoger aangehaalde anecdote kondt deed aan zijn dregke, en dregke zei dat het waar was wat die uitgever gezeid haadt over boeiende verhalen, dat ze zich daar alles bij voor kon stellen, en het schrijverken voelde een steekchen toen, een steekchen van verraad, van ook gij dregke, gaat het bij het schrijven immers niet veeleer om de organisatie van je materiaal, anders haadt gij me toch net zo goed het vertellerken kunnen noemen?)

Ik denk vaak terug aan de woorden van die uitgever, en van mijn gedroomde weerwoord erop.

Ook nu weer.

Je zou kunnen zeggen dat Ilaria. Of de weg naar ongehoorzaamheid gaat over een gescheiden vader die zijn dochter ontvoert en over hoe ze samen door Italië reizen, waarbij de vader zijn dochter af en toe op plekken achterlaat en voor enige tijd verdwijnt. Dat zou je kunnen zeggen, en daarmee zou je het boek niet per se onrecht aandoen. Behalve dat ik zou denken: Ik geloof niet dat ik dat boek zou willen lezen.

En Gode weet hoe graag ik Ilaria gelezen heb. Hoe het mijn adem benam, hoe het me nagelde aan mijn leesstoel, hoe het me pagina na pagina na pagina liet vreten. Hoe het me ontroerde, begeesterde, verlamde. Geheel momenteelderlijk weeral eventjes het mooiste boek dat ik las dit jaar (sinds het vorige mooiste boek van het jaar, totaan het volgende mooiste boek van het jaar).

Want er is het verhaal. En er is hoe je het verhaal organiseert. En dat laatste doet de vertellers onderscheiden van de schrijvers. Vertellers onderhouden. Schrijvers overweldigen.

Al dat wit, om te beginnen. Het paginawit. Zalapì brengt het wit zo prachtig tot spreken. Het wit als zuurstof, het wit als het ademen van de pagina. Het brengt verstilling, rust en traagte.

En de taal. Die op het desolate af afgepast is. En poëtisch. Zo wondermooi poëtisch is. Impressionistisch, eerder dan op uitputtende wijs beschrijvend. Lees: “Nachtkastje. Lavendelgeur. Bureau. Stoel. Groot raam met uitzicht over de binnenplaats. Een gestreepte kat steekt het erf over.” God. Wie valt daar nu niet voor? Of: “Isabella is aan het breien. Ze doet me denken aan een kostbaar glas, lang, smal, recht, koel.” Ik had nooit kunnen denken hoe treffend de vergelijking van een persoon met een glas zou kunnen zijn. Jij? Of: “Het woord ‘Papa’ ligt onder onze voeten. Een glasscherf. Er niet in lopen.”

De schrijfstijl van Gabriella Zalapì deed me denken aan het einde van een hete zomerochtend. Hoe je in de tuin kunt staan, als het echt warm is buiten, rond een uur of elf, en je bijna geen geluiden hoort want iedereen is naar school, iedereen is naar werk, je bent vermoedelijk de enige in deze straat die nu in zijn achtertuin staat, en de hitte is al zo dik dat je er plakjes van zou kunnen snijden, heel de werkelijkheid lijkt iets dat stolling gekomen is, alsof je het vast zou kunnen pakken, en ook alsof het iets is dat alleen voor jou bestaat, je hebt de tuindeur open laten staan en vanbinnen komt zachtekens het geluid van Mi and L’Áu naar je toe gegleden, en alles lijkt bijna onwerkelijk.

Dat.

Door die taal.

Door dat wit.

En ook: door het perspectief. En hier komt langzamerhand in beeld wat ik een kleinstwijltjens voor ik dit boek las al eens tegen een collega zei. In het depot.

Zalapì vertelt het verhaal vanuit Ilaria. Een klein meisje. Zeven, acht jaar oud. Waardoor alle cynisme, alle haat, alle oordelen tot nader order opgeschort blijven. Ilaria is gewoon maar een meisje, ze houdt van turnen, ze hangt ondersteboven op het schoolplein in afwachting van haar zus, het is na schooltijd, Ana, de zus, heeft haar nog zo op het hart gedrukt om op tijd te zijn, anders gaat ze alleen naar huis, dus Ilaria wacht, Ilaria hangt, en dan hoort Ilaria een bekende stem.

Haar vader.

Haar ouders zijn gescheiden, ze ziet haar vader nu alleen nog maar samen met haar moeder en met Ana in publieke gelegenheden maar nu staat hij ineens aan het schoolplein. Hij zegt dat de plannen gewijzigd zijn, hij zal haar naar het restaurant brengen waar Ana samen met haar moeder naartoe zal komen, en natuurlijk heeft Ilaria geen reden om daaraan te twijfelen, waarom zou een kind twijfelen aan iets wat één van haar ouders zegt?, twijfel komt later pas. Dus ze stapt in. Bij haar vader. En ze rijden.

En ze blijven rijden, want de plannen blijven wijzigen. Een middagje op restaurant wordt een weekendje bij haar vader, wordt een week, een maand. Uiteindelijk zullen het jaren zijn.

En Ilaria is. Ilaria komt. Ilaria gehoorzaamt. Aan alles.

En de lezer leest.

Wat ik dus zei tegen die collega. Is dat ik bepaalde boeken ander lees sinds ik vader ben. Boeken over dysfunctionele ouders. Met name vader, het zijn altijd de vaders die er ongenadig van langs krijgen bij schrijvers. Vaders zijn lomp, dronken, zorgen niet, zijn op een verre achtergrond of helemaal weg. Ooit las ik dat en identificeerde me met het kind, voelde mee met een nijpend gebrek aan ouderliefde. Toen, op de kop af deze dag dertien jaar geleden, mijn oudste geboren werd, verschoof mijn perspectief. Vooral wanneer een boek weer eens een vader aan de schandpaal wenste te nagelen. Las ik en zag ik en dacht ik.

Dat valt wel mee. Dat soort gedachte weet u.
Die vader is maar een mens. Ook.
Iemand die zijn best doet, de opvoedstijl misschien een weinig onorthodox maar niet zonder liefde. Niet zonder goede intenties. Weet u. Omdat ik probeerde te zien, te snappen, te volgen hoe ouders, hoe vaders soms verkeerde keuzes maken en hoe dat hen niet tot slechte mensen maakt. Hooguit tot mensen die onhandige keuzes maken.

En dit doet Zalapì dus goed. Dit doet Zalapì fantastisch.

In de eerste helft van het boek kan ik nog meevoelen met de vader. Hoewel Ilaria de vertelller is, het slachtoffer van de onhandige keuzes van de vader. Snap ik die man ook nog wel.

Je leest alles uit de ogen van een meisje.
Je moet het maar met je volwassen cynisme reconstrueren.
En dan reconstrueer je dit:

dat Ilaria’s ouders naar alle waarschijnlijkheid niet op vriendelijke voet uit elkaar gegaan zijn. Misschien omdat Ilaria’s vader net iets teveel van een borrel hield. Of. Nah. Weet jij veel. In ieder geval is er een scheiding geweest, en klaarblijkelijk heeft Ilaira’s moeder, ongetwijfeld met de allerbeste bedoelingen bedongen dat vader zijn dochters alleen nog onder haar toezicht mag zien.

Dat zo’n man vader wil zijn. Gewoon een vader die altijd vader is, niet alleen onder toeziend oog tot vaderschap komen mag. Dat snap je. De ontvoering is één van die onhandige keuzes die je kunt snappen, gewoon een man die interactie met zijn dochter wil, die ook los van zijn ex-vrouw een vader wil zijn, dat kun je snappen, iedereen moet zoiets kunnen snappen toch?

Tot, halverwege, de vader zich laat zien als een vreselijke man. Een werkelijk vreselijke, vreselijke man. En mijn loyaliteit weer geheel bij Ilaria komt te liggen. Waarmee Zalapì iets voor elkaar krijgt wat geen schrijver in de voorbije dertien jaar gelukt is: even ben ik niet meer vader, even ben ik alleen nog maar kind.

Misschien niet het soort kind dat Ilaria is.

Want Ilaria is zo lief.
Jezus, hoe lief.
Ilaria is zo godverdomde lief en zacht.

Haar vader brengt haar naar een internaat. Naar zijn moeder. En dan weer naar een vriendin van zijn moeder. En steeds past Ilaria zich aan, voegt zich, schijnbaar moeiteloos, naar haar nieuwe omstandigheden. En ze gaat al jaren niet meer naar school. Ze ziet al jaren haar moeder niet meer. Ze ziet al jaren Ana niet meer. Maar overal waar ze komt laat ze haar ontwapenende licht schijnen, overal waar ze komt, probeert ze het moje te zien, overal waar ze komt, ontwaart ze lieve mensen. Ze opent haar hart voor de nonnen en de ingezetenen van het internaat, ze opent haar hart voor een manusje-van-alles bij haar oma, ze opent haar hart voor de vriendin en voor de bekenden rondom die vriendin van haar oma. Iemand die zoveel positiviteit, zoveel schoonheid in zich meedraagt, kan niet anders dan je gehele zijn beroeren.

Ook dat kan op Zalapì’s conto. Met Ilaria ontwierp zij het liefste, zachtste en innemendste personage allertijden.

Ilaria is een kind dat je wil omarmen.
En Ilaria is een roman die je wil lezen. Omdat het je plaatst in het midden van wat je leest. Je wil gaan liggen. Je wil gaan liggen in het boek. En erin verdwijnen. Er zijn weinig boeken die dat verlangen zo sterk oproepen als Ilaria. Wie zoekt onderdeel te worden van het boek dat hij leest, zal misschien geen sterkere uitnodiging tegenkomen dan deze roman van Gabrielle Zalapì. Het eerste boek van haar dat in het Nederlands vertaald zou zijn. Wel. Van mij mogen er nog veel meer boeken volgen.

Gabriella Zalapi Ilaria

Ilaria

Of de weg naar ongehoorzaamheid

  • Auteur: Gabriella Zalapi
  • Soort boek: roman
  • Origineel: Ilaria, Ou la conquête de la désobéissance (2024)
  • Nederlandse vertaling: Janine Cathala-Vette
  • Uitgever: Tristan
  • Verschijnt: 21 april 2026
  • Omvang: 165 pagina’s
  • Afmetingen: 15 x 22,4 x 2 cm
  • Gewicht: 343 gram
  • Uitgever: gebonden boek / ebook
  • Prijs: € 22,99 / € 14,99
  • Winnaar prix Femina des Lycéens 2024
  • Roman bestellen >

Flaptekst van de roman van Gabriella Zalapia

Op een lentedag in 1980 stapt de achtjarige Ilaria na school in de auto van haar vader. Een weekendje bij Papa verandert in een lange zwerftocht door Italië. Wanneer daar geen einde aan lijkt te komen, begint Ilaria zich vragen te stellen.

Waarom moet Papa zoveel bellen? Waarom verzint hij al die dingen? En waarom krijgt zij Mama niet aan de lijn? Terwijl ze met haar steeds meer drinkende vader Italië doorkruist, probeert Ilaria zich staande te houden in een onheilspellende aaneenschakeling van gebeurtenissen. Haar enige houvast is haar knuffelbeer Birillo.

In een sobere en beeldende taal vertelt deze aangrijpende roman het verhaal van een kind dat alleen staat in een nieuwe werkelijkheid die het niet begrijpt. Ilaria is het scherpzinnige relaas van een meisje dat balanceert tussen gehoorzaamheid en verzet.

Gabriella Zalapi is in 1972 geboren in Milaan, Italie. Ze is van Zwitsers, Italiaans, Engelse afkomst en schrijft in het Frans. Naast auteur is ze beeldend kunstenaar.

Bijpassende boeken en informatie

Bob Vanden Broeck – Je zit op een stoel

Bob Vanden Broeck Je zit op een stoel recensie en informatie eerste roman van de Vlaamse schrijver en dichter. Op 9 april 2026 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de debuutroman van Bob Vanden Broeck, de uit Vlaanderen afkomstige dichter en schrijver. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Bob Vanden Broeck Je zit op een stoel recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Je zit op een stoel, het prozadebuut van Bob Vanden Broeck, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Tim Donker recensie

Natuurlijk gaan ze hier dan weer meningen over hebben, altijd hebben ze meningen, zulke boeken kennen ze wel, gaan ze dan zeggen, en zulke boeken vinden ze een beetje geforceerd, zeggen ze dan ook. Want was is het geval? Bob Vanden Broeck, die u kunt kennen als dichter, u kunt hem kennen van zijn poëziedebuut de richting is richting omleiding dat in 2023 uitkwam, daarvan dus, kunt u hem kennen, ik kende hem daar niet van, het vloog klaarblijkelijk onderdoor mijn radar, ik miste, ik las niet, ik keek net de andere kant uit denk ik, welaan, Bob dus, Vanden Broeck dus, heeft een roman geschreven met als titel Je zit op een stoel en die titel is tevens een goede samenvatting van het boek: er is een je, en die zit op een stoel. En inderdaad: gans het boek entlang blijft die tiep op een stoel zitten. Dat roept misschien Reis door mijn kamer van Biesheuvel in herinnering, ik weet het niet, ik las dat nooit, of het roept Jean-Philippe Toussaints De badkamer in herinnering, of, zeg, Siamesisk van Stig Sæterbakken, welk boek me op zich ook alweer aan De badkamer had doen peinzen. Maar Sæterbakken en Toussaint konden het niet stellen zonder andere personages; personages die niet alleen maar heeldurtijd maar zaten te zitten maar liepen, en zich naar andere locaties begaven, en die vent in die badkamer van Toussaint kwam sowieso ook al vrij snel weer de badkamer uit, ik herinner me dat nog zeggend tegen mijn ooitmalige buurman, de goede Sergio, ook een literatuurliefhebber, ik vertelde hem over De badkamer en toen wilde hij het lezen, en ik zei weest wel gewaarschuwd: hij komt teleurstellend snel zijn badkamer weer uit. Bob Vanden Broeck heeft echter maar één personage. En dat is je. Ik las ergens dat je nergens te weten komt wat het geslacht van die “je” is, en ik dacht Wat maakt dat in Godsnaam uit? Je zit. Op een stoel. Honderdzeventien pagina’s lang. Dus allicht gaan daar meningen over gevormd worden. Dat dat niet kan, dat dat aanstellerij is, dat dat geforceerd is, of weet ik veel wat voor meningen ze doorgaans vormen, ik ben er meestal niet bij als ze hun meningen aan het vormen zijn. Mijn eigen mening vormde ik alleen. Toen ik, ja, in een stoel zat. In mijn leesstoel. Daar bij de deur. Hoe het licht dan op mijn boeken valt, dat zou je eigenlijk moeten zien. Met de muziek van Saddar Bazaar erbij, toen, The Conference of The Birds toen, toen ik zat, en las, en mijn mening vormde. Mijn mening zijnde, dat zeg ik nu alvast, kunt u eventueel meteen stoppen met lezen, mijn mening dus, over Je zit op een stoel is: dit is briljant. Dit is prachtig. Dit is geniaal. Zo. Dat is eruit. Nu verder. Het begon al met een bam. De eerste paar regels al. “Je zit op een stoel, nee, je zit op een stoel.”, zo luidt de eerste zin en dat is met gemak de allermooiste beginzin allertijden, als u het mij vraagt (u vraagt het mij niet en daarom zeg ik het toch maar). Ik had gewild dat die zin er al was toen ik dertig jaar geleden studeerde en er een keer een les was over beginzinnen, iedereen moest zijn allermooiste beginzin meenemen, ik kwam aangestiefeld met iets van Brusselmans ofzo, of Bukowski, ik weet het niet meer, ik las niet zoveel in die dagen, ik was in de bibliotheek klaarblijkelijk niet veel verder gekomen dan de B, god was er toen maar, dertig jaar geleden “Je zit op een stoel, nee, je zit op een stoel.” geweest, en wat hadden ze daarvan gevonden, de docent en mijn medestudenten, waarschijnlijk waren ze me dan mijn nog schevere gezichten gaan aanzien dan ze toch al deden. En dan, enkele regels later, komt Kant de kamer in. “Het [is] nu onmogelijk om wat er is, de feiten, en wat je ervaart, de gevoelens, van elkaar te onderscheiden”, schrijft Vanden Broeck dat Je denkt, en dan zet hij mij ook denkend, aan Kritiek van de zuivere rede dacht ik, en daardoor weer aan de hyperkritiek aan de xenofobe rede, en zo, door schijn bewogen, uiteindelijk ook aan het positivistisch idealisme van Hans Vaihinger, en ik ben nog geen tien regels ver in het boek maar het duizelt me een beetje, en ik moest even stoppen met lezen. Dat is trouwens iets dat kleeft aan dit boek, dat intense, maar daarover kom ik nog te spreken.

(witregel wegens even moeten stoppen met lezen)

Want dat is het. “Je” zit wel op een stoel, en hij doet niet zoveel (hij opent een tabblad, of zijn mail, hij sluit weer een tabblad, of zijn mail, hij roert in zijn kopje koffie, hij laat de zitting van zijn burostoel omhoog gaan, en weer omlaag, hij kijkt naar buiten) maar denken doet hij des te meer. Hij denkt aan wat hij zou willen doen of zou willen zijn, hij denkt aan wat was, hij overpeinst de grenzen van het kenbare. Soms is het zeer filosofisch, soms is het onzinnig, absurd, komisch (ik neem tenminste aan, nee, ik hoop dat niet alles in Je zit op een stoel even serieus genomen dient te worden). Al hebben zulke oordelen ook weer met het voorstellingsvermogen van de lezer te maken. Zo zat ik te gniffelen om een stukje waarin Je naar buiten kijkt en iemand ziet gaan op een deelstep, ik nam dat als grap, het leek me zoiets idioots namelijk, een deelstep, ik dacht nog, wat een grappenmaker toch die Vanden Broeck met zijn deelstep, maar een paar dagen nadat ik dat stukje gelezen en begniffeld had werd mijn oog getroffen door een nieuwsbericht dat zei dat deelsteps in Brussel verboden gaan worden, en ik dacht, verrek, die dingen bestaan dus echt!, het was niet om mee te lachen, waardoor ik, alweer, in gepeins verzonk en me wijltjenslang afvroeg of je gevoel voor humor te maken zou kunnen hebben met je kennis; zou het misschien zo kunnen zijn dat hoe meer je weet hoe minder je grappig vindt, of andersom misschien, kun je een toespeling missen omdat je dingen niet weet, langer geleden, niet heel lang geleden maar wel nog voor ik Je zit op een stoel las, zaten we met z’n allen in de auto, wij vieren, we zagen een auto rijden waarvan het nummerbord de lettercombinatie KGB bevatte, en mijn dochter zei Het is een deelauto!, ik zei Natuurlijk is het deelauto, het zijn communisten!, en alleen mijn zoon moest lachen, maar dat kwam misschien eerder omdat het een redelijk flauw grapje was.

Maar dit is nog niet eens het meest intense aan Je zit op een stoel. Dat het het brein steeds opnieuw uit wandelen stuurt. Dat is intens, maar nog niet het meest intense. Want dat zit hem namelijk in de schrijfstijl van Vanden Broeck. Hij maakt lange zinnen, vol komma’s, die pagina’s en pagina’s lang door kunnen gaan. Er zijn geen witregels, geen inspringingen, geen alinea’s, geen paragrafen. Bijna honderdtwintig bladzijden aan massieve, haast ondoordringbare tekstblokken. Ik dacht aan Pierre Guyotat. Of aan László Krasznahorkai. Of, maar dan meer inhoudelijk misschien, aan David Foster Wallace. Schrijvers die hun lezers niet sparen. Want zo goed als Vanden Broeck zijn Je alle kanten op kan jagen, zo goed ook kan hij hem tot op het obsessieve af laten doorgaan over één ding. Dan denkt Je bijvoorbeeld ettelijke pagina’s na over alle objecten waarmee een mens een vlieg zou kunnen doodslaan. Of objecten die daar niet zo geschikt voor zijn. Prachtig vind ik een stuk van goed een halve pagina waarin elke mogelijke woordvolgorde van “Je zit op een stoel” uitgeprobeerd wordt: “op je stoel zit een”; “je een op stoel zit”, et cetera. Dit doordenderen in alle richtingen, of in juist één richting geeft Je zit op een stoel een sterke, hypnotische kracht. Eigenlijk zou je dit boek in één adem uit moeten lezen, maar wie heeft daar tijd voor, de boodschappen moeten nog gedaan worden, en de was opgehangen, en de aardappels geschild, en bovendien ervoer ik het lezen van dit boek als een daad, het kostte me tamelijk wat inspanning. Wat geen slecht ding is. Zeker niet. Maar er zijn momenten waarop ik het lezen liever niet als inspanning voel. Op die momenten greep ik niet naar Je zit op een stoel maar naar andere boeken, ik las zelfs een heel ganzelijk ander boek tussendoor, terwijl ik dus ook al in Je zit op een stoel aan het lezen was.

Vanwege die inspanning.
Vanwege de duizelingen ook.
Vanwege de zeggingskracht.

Want niet alleen zegt Je zit op een stoel van alles over filosofische of psychologische aangelegenheden; het boek als geheel zegt ook wat. Over literatuur. Want ook daarover vinden ze altijd weer van alles. Wat het moet en wat het niet mag. Enzo. Wat literatuurcritici, -historici, -theoretici maar in een enkel geval ook schrijvers zelf daarover allemaal al niet gevonden hebben, en hoe ik ermee doodgegooid werd tijdens de diverse studies die ik dertig jaar geleden deed. Iets over willen, personages moeten altijd iets willen, het erge is nog dat Vonnegut dat volgens mij gezegd heeft, toch niet meteen de allerkloterigste schrijver die er is. Het moet dit soort idiote regels geweest zijn waardoor David Markson boeken wilde schijven zonder ontwikkeling, gebeurtenissen en personages (al had hij dan wel nog altijd Reader, die soms Writer heette (“Writer is weary unto death of making up stories”), of Novelist, of Author), en ook Je zit op een stoel komt, lijkt mij, in opstand tegen alle geboden en verboden die sommigen literatuur wensen op te dringen. Dat is goed. Laat er immers één vrijplaats over blijven waar alles mag, en alles kan. Er is maar één verhaalfiguur in deze roman, en die krijgt geen naam (en ook geen geslacht dus, hee), en nauwelijks een verleden. Hij is aan het eind niks verder dan aan het begin, hij zit altijd maar op die stoel en verder niks. Oké Vonnegut: hij wil wel dingen, dansen, of rennen, of langs haveloze kroegen gaan en slempen met allerhande leeglopers (deze gedachte gaat gepaard met een schier eindeloze opsomming van al het soort figuren dat zich aan de zelfkant bevinden), maar hij doet uiteindelijk niks. Wat weer geboorte geeft aan een andere gedachte: of juist in het niks doen niet de bestemming ligt: al dat reizen, al dat gaan, al dat doen geeft mogelijkerwijs alleen maar ellende (het is daarom, denk ik, dat iemand, overigens dezelfde die opmerkte dat Je geen geslacht krijgt), zei dat het verleidelijk is om in Je zit op een stoel een oproep tot “onthaasting” te lezen (dat woord gebruikte hij geloof ik gelukkig niet), en daar zit misschien iets in: notoire reizigers krijgen, tot mijn allergrootste vermaak, er flink van langs in Je zit op een stoel, maar voor mij is de grootste kracht gelegen in het experiment, het overhoop gojen van alle regels, en in de hypnose).

Je zit op een stoel, en ik zat op een stoel. Maar, afgemat, ben ik er al lezend uitgegleden. Ik zat op een stoel, ik lig op de vloer. Ik snak. Naar adem. Wat een geniaal boek. Ik ga niet zeggen dat het het beste boek is van dit jaar, want dat heb ik dit jaar al over veel te veel boeken gezegd. Daarom zeg ik dat het in ieder geval het bijzonderste boek van dit jaar is. En dat zal niemand kunnen ontkennen. Ook de criticasters niet. Juist zij niet.

Bob Vanden Broeck Je zit op een stoel

Je zit op een stoel

  • Auteur: Bob Vanden Broeck (België)
  • Soort boek: Vlaamse roman, debuutroman
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 9 april 2026
  • Omvang: 128 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 22,50 / € 11,50
  • Roman bestellen >

Flaptekst van de eerste roman van Bob Vanden Broeck

Op een willekeurige dag staat in een ongedefinieerde kamer een tafel, met daarop een kop koffie, en een stoel, en daarop zit jij, dat ben jij, je roert in je koffie, je doet een raam dicht, je doet een venster open. Je weet niet wat, je weet niet hoe. Je verveelt je, je verlangt. Je zit vast, je wil bewegen. Langzaam komt het besef dat slechts één ding je lijkt te kunnen redden: de verbeelding.

Je zit op een stoel is een caleidoscopisch portret van die, opgesloten in de monomane sleur van het dagelijks leven, wanhopig probeert op te staan. Bob Vanden Broeck onderzoekt en ondergraaft alle zekerheden waarop de moderne tijd is gestoeld en houdt de lezer een ontroerende lachspiegel voor. Net als in zijn bejubelde dichtbundel De richting is richting omleiding toont hij zich een meester in het observeren van de tastbare en minder tastbare werkelijkheid, met duizelingwekkend proza tot gevolg.

Bob Vanden Broeck is geboren in 1988. Hij schrijft en knutselt,  houdt van vogels en is docent Kunst- en Cultuurgeschiedenis aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen. In 2023 verscheen zijn dichtbundel en literaire debuut De richting is richting omleiding, die genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond werd met de Poëziedebuutprijs 2024 en de Debutantenprijs 2025.

Bijpassende boeken en informatie

Sytske Frederika van Koeveringe – Bewegingsmogelijkheden

Sytske Frederika van Koeveringe Bewegingsmogelijkheden recensie en informatie boek met gedichten en poëziedebuut van de Nederlandse schrijfster. Op 2 april 2026 verschijnt bij Uitgeverij Atlas Contact de dichtbundel van Sytske Frederika van Koeveringe. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Sytske Frederika van Koeveringe Bewegingsmogelijkheden recensie en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Bewegingsmogelijkheden, de dichtbundel van Sytske Frederika van Koeveringe, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

& zinnig zinnig we zijn allemaal waanzinnig & waar begint jouw lichaam & volledige vrijheid voor de wolven betekent de dood van de lammeren & en clarice zijn de lammeren gestopt met schreeuwen & deze plek is geen vangnet voor als je valt we heten niet voor niets sodom & een militair zegt miauw & er zal hier dus geen sprake zijn van wat een wereld is maar van wat ze voor het levende wezen dat erdoor omringd wordt betekent & een of andere oude god die galmde bij dageraad en avondschemer & de dingen gaan toch zoals ze gaan & en als ik opkijk neemt alles nieuwe kleuren aan & suikertje had hun aandacht & grondeleend ook jouw trend zal komen & die week was het koel in de tunnel en warm in het bos & in tijden van eenzaamheid troost niets meer dan een verhaal dat klopt als je het vooruit vertelt en achteruit ook & steeds als ik naar de klok kijk herhalen de nummers zich of is de tijd een palindroom & een boek over rouw is iets anders dan een elegisch gedicht & het maanpoeder dwarrelt over je neer & alles en niets zitten samen op de fiets & een bijl maakt stof van de mens & het is nog te vroeg om nu te zijn & de bakkers hoeven niet meer om vier uur uit hun nest & quid expectamus nunc abent omnes volucres nidos inceptos nisi ego et tu hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu & vlooien zullen nesten maken & het is er niet en het is er het doet zich voor en verdwijnt je ziet het (hoofd) en het draait (ont) & spierspanning smeltpunt ploegschaarzuigkracht zaaidichtheid roestbestendigheid hevelhoogte staarwind afvoerverval konkeling omgekeerde evenredigheid sphaeropsis malorum schimmel van het appelklokhuis & laten we de stilte niet beroeren & wat uit stilte kwam er ook weer naar terugging: & (…) & een poging tot reconstructie van zaken die eens voorvielen & is 133 een huisnummer een gezin een meisje een codewoord & in troebel water ronddrijvende ogen & ga die kop koffie eens in door de melkdeeltjes tot op atoomniveau dan tot op subatomair niveau en je komt in een wereld waar iets oproepen uit niets wel degelijk mogelijk is & wij zijn de soort die de zon heeft overwonnen & ga nu en slacht het is goed & de drumband en het majorettekorps met succes geïntroduceerd & een duur speeltje om serenades te componeren & kijk mij diep in de mond (ik zal verzen gapen) & als om een ruimte te schonen & tijd huist in een voorbije zomer zeelucht en herinnerd meisjeshaar & meneer bestaat uit vergeten dromen en nieuwsfeiten & geen zeep maar de grammatica & de vogels worden gezongen & omdat je geen heilige hebt kunnen zijn word je stomdronken op straat & woorden van warme mensenadem gemaakt ten hersens varend & een tweede wereld heeft zich afgescheiden van de eerste & wakker of wat zo heet levend en wel & wolf wolk welk wenk wens mens & de zon is een mooie opening een oog een o in de donkere omberen pruisisch-blauwe lucht en de maan een c & soms is er nauwelijks iets voor nodig of het is zo ver & wat uit stilte kwam en er ook weer naar terugging: & (…) & (wat breekt met het geluid van brekend glas) & (waarom ik mijn vrouw heb opgegeten) & bloedgeschoren en onleesbaar deze wereld & sneeuw bestaat helemaal niet maar hangmat is des te echter & een niet o.a. mijnheer van het spreken heeft hij alle taal bepraten en verzwegen het zingen het klinken springende stemmen die geen antwoord handhaven en hij definieert en divideert & de invasie van glorende ochtenden en de invasie van de groene kleuren & geen enkele toestand is metastabieler dan wachten & klonken de stemmen achter de tekst & wordt er in ochtendschemering een hoofd uit een auto gegooid & verbreding van de existentiële horizon & verliezen is een kunst & uiteenvallende letters als zelfherstellende baarmoeders & het leven der delen is meer dan het leven van het geheel & als een pad Italiaans sprak waarom zou hij op den duur dan geen Frans spreken & nemen volgen staan plaats de beweger de konstrukteur & jij café levenscentrale spirituele produktenhandel je booglampen geven richting aan de nacht & mannen ontploffen wanneer je het het minst verwacht & in dezelfde ademtocht een tong kussen en een keel sluiten & het etherische effect van verleiding door ogen volgelopen met kwik & dit uur is doorschijnend & vijftien minuten van belichaamde vergetelheid & de bloemen worden verstrooid de vruchten afgeworpen & bodem van het toekomstige woord & de straatstenen bonden de blikken & de cirkel het eindeloze geluk van de punt & een berg te bewegen als een mens die nabij komt en nooit nagenoeg & schapenvlees zout en een houweel & de waarheid ligt in het midden waar het ook lag & een cel van woorden heeft zich gedeeld in onze hersenen is aangegroeid tot een gezwel & de zenuwen zijn van geïnspireerde draden & wie is op de roltrap een appel ontglipt & een parkje waar eens een bom is gevallen en niet ontploft & hier zwelt de klank onbegrijpelijk aan & het dril der ziel te drogen & orkesten en koren zwijgen maar de muziek is aanwezig & nu laten de trefwoorden zich niet meer verder onderverdelen en preciseren & een gevallen en geprezen en zo hoge en overweldigende horizon & nachtvogel onzalig product van psychoanalyse & wat uit stilte kwam en er weer naar terugging was:

het liegend konijn, ik leerde het blad pas kennen krot voor het ermee ophield, of liever, ik ging het pas serieus nemen één nummer voor het laatste nummer, ik weet niet waarom ik het zo lang op afstand hield, was het misschien de naam die me stoorde, hoewel komend van paul van ostaijen, al wist ik dat niet voor ik het blad daadwerkelijk in handen hield en daarbij van ostaijen is ook weer niet zaligmakend, wegens net weer niet de allerbeste schrijver die ooit geleefd heeft, maar nummer 1 van 2025 bestelde ik, liet ik komen, waarom?, omdat bas kwakman erin stond of idwer de la parra of vincent van meenen of eva gerlach of robin block of weetikveel?, of neen, eerder, denk ik, omdat er vooral heel veel dichters in stonden die ik niet kende en ik wel weer eens behoefte had aan een nieuwe stem, een nieuw geluid, of hoe dan ook, ik bestelde, liet komen per post, en het beviel me, al kwam dat misschien ook wel omdat ik het op vakantie las, de laatste negentig pagina’s overigens alweer op de terugweg, in een of ander hotel in lyon, het beviel me zodanig goed dat ik me voornam het vaker te bestellen, of altijd, waarom niet een abonnement?, nummer twee van vijfentwintig liet ik ook komen maar dat bleek meteen de zwanenzang van jozef deleu en dat viel me dan weer heel erg tegen, goed ik las het thuis, en goed het weer, en goed ook al even geen echt keelsnoerend moje seedee meer gehoord, maar toch, nauwelijks een goed gedicht gelezen, al vond ik de poëzie van peter verhelst verrassend goed, ik las ooit een roman van hem en die vond ik niet zo best, ik weet niet meer hoe het heette, ik weet alleen nog dat er mannen in voorkwamen die half mens half motorfiets waren, en dat ik het niet goed vond en de naam peter verhelst in mijn hoofd kwam te staan als die van een te mijden schrijver, maar die gedichten van hem in het afscheidsnummer van het liegend konijn vond ik goed of minimaal best heel aardig toch, zeker in vergelijk met de rest, zoveel pretentieuze zever, is dat de stand van zaken in de nederlandstalige poëzie dezer dagen?, misschien moet ik emigreren naar een land met een beter poëzieklimaat ik heb amerika zelfs overwogen maar je gaat toch niet in trumpland wonen alleen vanwege broken sleep bijvoorbeeld, en dan, één dag, bewegingsmogelijkheden.

Sytske Frederika van Koeveringe. Die ik niet kende. En een dichtbundel pende die Bewegingsmogelijkheden heet. En het gaat over volwassen zijn, of mens, of vrouw, over de etiketjes die een mens kan opgeplakt krijgen door therapeuten of artsen of door je buren. En soms hadden de eieren hierin een tikje harder gekookt mogen worden, als u het mij vraagt, al kan ik u meteen al te kennen geven dat ik eigenlijk meer van zachte eieren hou, of liever nog gepocheerd, maar dan moet het wel goed gebeuren, dat pocheren bedoel ik. Maar ik hou van hoe ze haar woorden van de bladzijde laat aflopen, hoe de taal dans en springt en zingt in haar gedichten. Een gedicht heet Mogelijkheden. Het bestaat uit meerdere delen, genummerd. Rare nummering overigens. Het gaat van één naar twee naar drie naar vier maar dan naar twee punt één naar vijf naar één punt één. Het zou flauw zijn om die laatste het mooiste gedicht van de bundel te noemen en niet alleen omdat het geen afzonderlijk gedicht is maar een schakel in de keten. Het is maar één zin, ruim zwemmend in zijn paginawit: “Ik kijk nooit op buienradar, ik ga gewoon naar buiten”. Toen had de dichter mijn definitieve & onverdeelde aandacht.

Een volgend deel stelt alleen maar vraagtekenloze vragen. Vragen als Hoe ziet accepteren eruit, waar kan ik dit halen. Kost dit geld. Of als Kan ik heimwee krijgen naar een dier dat nooit van mij is geweest. Of Groeien oordelen net zo snel als mijn melktanden dat deden. Of er wordt een vraag gesteld over de geschiedenis van het woord geschiedenis. Maar waarlijk achterover sloeg ik van deel vijf punt twee. Het begint: “goed stamt af van god / van oudsher betekent goed god of goddelijk / dus ik kan mijn spullen wel pakken / god is overal / zelfs tijdens een weekendje weg weet hij me te vinden / zit ik op een terras aan de sangria waar niemand me kent staat god daar met z’n goede gedrag met lege bijvoegelijk-, zelfstandige naamwoorden te strooien” en zo gaat dat verder tweekwart pagina lang, volle blokken tekst, inclusief die schuine strepen, die zijn niet van mij, niet om de harde returns aan te geven, dit keer niet, die staan gewoon zo in de tekst, en ik vind het fantastisch. Of het deel een punt drie. Een mens jarenlang op de dool in de zorg, steeds weer andere diagnoses, sommige extreem hip trouwens (HSP bijvoorbeeld, daar kun je nog eens mee voor de dag komen in deze tijden die van nu & de onze heten te zijn).

Het twede gedicht, Beweging, is zelfs nog iets mojer. Hoe te bewegen in een wereld, welke wereld, deze wereld. De dingen die over je gezegd worden. Waar je staat ten opzichte van de ander. Of de ander ten opzichte van jou. Zulke dingen. In zinnen die kruipen en kronkelen en wervelen en fluisteren en schreeuwen. Deze bewegingen zijn allemaal mogelijk met taal, en Bewegingsmogelijkheden benut dat ten volle.

Het zou wat overdreven zijn te stellen dat Sytske Frederika van Koeveringe mijn vertrouwen in de Nederlandse poëzie hersteld heeft. Maar na lezing van Bewegingsmogelijkheden ben ik er zeker aanzienlijk minder somber over gesteld.

Sytske Frederika van Koeveringe Bewegingsmogelijkheden

Bewegingsmogelijkheden

  • Auteur: Sytske Frederika van Koeveringe (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Atlas Contact
  • Verschijnt: 2 april 2026
  • Omvang: 160 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 21,99
  • Bestelmogelijkheden boek >

Flaptekst poëziedebuut van Sytske Frederika van Koeveringe

Poeziëdebuut van multitalent en genomineerde Jan Hanlo essy prijs 2021.

In haar poëziedebuut onderzoekt Sytske Frederika van Koeveringe hoe het is om mens te zijn – en hoe je je als vrouw beweegt binnen de kaders die je worden opgelegd, mentaal én fysiek. Met een scherpe, onderzoekende blik legt zij de spanning bloot tussen goed willen doen en goed genoeg handelen. Wanneer is een keuze werkelijk juist – en voor wie?

Sytske Frederika van Koeveringe is geboren in 1988 in Heerenveen, Frisland. Ze is beeldend kunstenaar en schrijver. Ze debuteerde met de roman Het is maandag vandaag (2017), gevolgd door Dag nacht licht toch (2020), dat genomineerd werd voor de Jan Hanlo Essayprijs 2021. Vrouw doet dit, dat verscheen in november 2021. Haar toneel, essays, columns, poëzie en proza worden gepubliceerd in De Revisor, Tirade, De Groene Amsterdammer, Mister Motley en NRC. Haar roman Meeloper verscheen in januari 2024.

Bijpassende boeken