Tag archieven: gedichten

Xavier Roelens – Wildnissen

Xavier Roelens Wildnissen recensie en informatie over de nieuwe dichtbundel van de dichter uit Vlaanderen. Op 20 januari 2026 verschijnt de nieuwe dichtbundel van Xavier Roelens, de Vlaamse dichter. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Xavier Roelens Wildnissen recensies

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Wildnissen, het nieuwe boek met gedichten van Xavier Roelens, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

Beelden. Is dat het niet. Hoe in deze tijd het beeld steeds dominant is. Beelden, in onze koppen gegrift. Hun ogenschijnlijke objectiviteit in combinatie met een zekere dramatiek bepaalt in hoge mate wat de massa nu weer denkt, wat de massa nu weer vindt, naar wie de empathie van de massa nu weer uitgaat. Waar beelden knallen, worden woorden verbrijzeld. Je hoeft niet meer te luisteren, je moet alleen nog maar zien. In 2020 las ik in het prachtwerkje De coronastorm van René ten Bos een indringende analyse van een overbekend beeld: “Op een kleine ijsschots, de laatste resten van een gesmolten ijsberg, hangt een ijsbeer. Het dier is bijna groter dan het ijs. Het is een beeld dat op ons netvlies bevriest. Mensen die naar de foto kijken, zien iets dramatisch. Ze zien hoe een dier zich vastklampt aan iets wat er straks niet meer zal zijn. Ze zien wanhoop. Ze zien vergankelijkheid. Ook het dier zal er straks niet meer zijn. Het zal verdrinken in het onmetelijke water waardoor het omringt wordt. In één beeld vangt men het drama van de klimaatopwarming. Dat ijsberen heel goed kunnen zwemmen, sterker nog, dat ze moeiteloos tientallen, zelfs honderden kilometers kunnen afleggen, komt niet meer in de hoofden op. Evenmin beseft men dat er van ijsberen die op een ijsschots hangen werkelijk honderden foto’s gemaakt zijn, niet alleen in tijden van de opwarming, maar ook daarvoor al, toen de wereld nog koel was. We zien een dier dat bezig is met zijn hobby.” En, even later: “Overigens heeft empathie met ijsberen weinig nut. Het zijn gewoon gevaarlijke rotbeesten.” Die ijsbeer dus. Diezelfde. Die ijsbeer die spreken kan en zegt dat wij mensen, dat meest destructieve schepsel dat ooit de aarde bewandelde, druk bezig zijn toe te werken naar de zesde massa-extinctie, dat we de hele planeet naar de wuppe helpen, enkel en alleen om ons eigen gewin, om ons eigen meer en meer en meer, ons eigen nooit genoeg. En wie zal er straks jammerlijk verzuipen? Jawel hoor, die eeuwige verdomde rotijsbeer. Die ijsbeer dus, komt ook in Wildnissen nog even langsgedreven. Het was toen dat ik opkeek en hum dacht. Maar eigenlijk was het al naar het einde toe, toen Roelens me allang voor zich gewonnen had.

Misschien moet ik niet beginnen met het einde in zicht.
Misschien moet ik eerder beginnen.
Misschien moet ik beginnen met een ooit. Toen ik in Antwerpen was.

Antwerpen. Ja. Wanneer was dat? In een periode, een tijd, een ooit, dat ik daar vrij vaak kwam. Toen het millennium nog krakelend vers was. Deze ene keer moet, uiteraard, na 2007 zijn geweest. Maar voor de geboorte van mijn oudste. Voor 2013. Aan het einde van het eerste decennium, of aan het begin van het twede stond ik in De Slegte in Antwerpen. Hoe vaak ik daar gestaan heb. Hoeveel boeken ik daar wel buiten gesleept heb. Een dichtbundel trok mijn aandacht. Er is een spookrijder gesignaleerd. Zo heette het. Des dichters naam, Xavier Roelens, deed een vage bel rinkelen. Misschien opgepikt uit DW B. Zou kunnen. Dat las ik in die dagen nog wel. Er is een spookrijder gesignaleerd oordeelde ik op een opmerkelijke titel. Er zat een zekere pretentieloosheid in die me aansprak. Maar dan kon het met de gedichten natuurlijk ook nog de flauwzinnige kant op, grapjespoëzie, of iets met leuke berichten uit de krant ofzo. Ik bladerde wat. Wat ik zag beviel me. Ik kocht het boek. Las het diezelfde avond nog op de hotelkamer. Ik moet u nu eerlijk bekennen dat ik me op dit moment geen enkel gedicht eruit meer herinner maar het moet schoon veel indruk gemaakt hebben want Roelens werd een huishoudnaam in mijn brein. Later, ergens rond 2012, maar nog altijd, denk ik, voor de geboorte van mijn eerste vond ik in een andere Slegte, ditmaal die in mijn woonplaats, Stormen, olielekken en motetten. Ik weet nog van één gedicht in die bundel. Een lang gedicht. Ik weet dat het me meerdere jaren gekost heeft om dat te lezen. Maar dat kwam omdat ik halfweg in dat gedicht stopte met lezen (misschien was mijn oudste inmiddels geboren?), en om een of andere onnaspeurbare reden niet veel later heel de bundel uit het oog verloor, en het pas bij mijn recentste verhuis weer tegenkwam (en maar doodgemoedereerd verder ging te lezen waar ik blijkens de boekenlegger gebleven was).

Roelens. Ik ben, sja wat ben ik? Een fan? Dat klinkt me te puberaal. Een liefhebber? Te liefdevol. Een volger, misschien. Een voorzichtige volger toch, want Onze kinderjaren ontging mij in weerwil van het interessante uitgangspunt even. Maar Wildnissen plofte gelukkigerwijze weer keurignetjes op mijn recenseertafel. En ik slaakte een aarzelend hoera.

Vanwaar de aarzeling, u vraagt?

Hum. Ja. Dat is. Engagement kleefde altijd al aan Roelens, en dat was goed. En stormen, olielekken en motetten was toch ook “ecologisch geïnspireerd” als dat dan geloof ik heet. Maar inmiddels zijn we verder, inmiddels zijn we ouder, inmiddels zijn we later, en nu kan ik als ik een zin lees als “In een wereld die op een klimaatramp afstevent, koos Xavier Roelens toch voor zelfgemaakte kinderen.”, waarmee het achterplat (altijd weer dat vermaledijde achterplat) opent, niet anders dan een welgemeende diepe zucht slaken.

De ecocide de klimaatrampen de milieucrisis & al die boeken erover: de klimaatromans, de dystopische romans, de ecopoëzie, de deugboeken jajaja, ik weet het wel, we gaan ten onder & de aarde eraan, het is vijf voor twaalf of twee voor twaalf of een voor twaalf, weet ik veel, er gaan dagen voorbij dat ik niet op de doemsdagklok kijk, ik weet het wel, ik ken het verhaal al zo lang, en het is juist daarom dat ik me afvraag wat je er nog aan toe denkt te voegen. Luister. Laat ons niet op verkeerde voet beginnen, of beginnen, dit mag misschien al niet meer als het begin van deze bespreking gelden (al heb ik nog met geen woord gerept over het boek waar het eigenlijk over gaat), laat ons niet op verkeerde voet verder gaan: ik geloof in het antropoceen. Het lijkt me evident dat het blijvende gevolgen zal hebben wanneer er een diersoort ontstaat die zich specialiseert in de eigen en andere soorten afmaken, in gifstoffen lozen, in alles aan de bodem onttrekken wat er maar in die bodem te vinden is; dat dat schade toebrengt, lijkt mij geen al te ver gezochte aanname. Ik zou ook geheel voor een totale afschaffing van al het vliegverkeer zijn. Alles mag wel minder. Alles moet wel minder. Je hoeft niet naar Japan. Ik vind het decadent om te menen dat alles maar binnen bereik moet zijn, dat je overal maar naartoe moet kunnen. Als je er niet heen kunt lopen, hoef je er helemaal niet heen te gaan. Of, laten we zeggen fietsen. Of okee, treinen. Je hoeft niet naar Japan en je hoeft niet naar de maan en je hoeft ook niet de allernieuwste smartphone. Minder is goed. Dat klatst niets dan mijn bijval. Maar misschien is niet alles het gevolg van menselijk toedoen. Het woord klimaatverandering valt mij te vaak in elk gemiddeld kaffeegesprek. Als er heel veel sneeuw valt in januari dan is dat toch echt wel klimaatverandering, als het droog is in januari dan is dat klimaatverandering, als het erg mild is voor de tijd van het jaar is dat klimaatverandering maar als het heel erg koud is ook. Dat er teveel regen valt, en dat de rivieren buiten hun oevers zullen treden. Of we zitten straks weer met een droogteprobleem want het heeft nog niet geregend. Elk weertype, elk natuurfenomeen, de bloemen, de bijen, dat ze er niet zijn of dat ze er wel zijn, elk teveel, elk te weinig. Klimaatverandering. Kun je echt zien dat De Natuur In De War Is he. Ja. Die praat. Zulke praat. Het milieu is allang het milieu niet meer. Het milieu is een inkomstenbron. Voeg u in het koor der jeremiëerders, dat verkoopt wel, want deugers willen deugers lezen, en de meeste lezers zijn deugers. Het milieu is een goedgedaansticker van de juf. Wij zijn goed. En iedereen met een zelfs maar lichtelijk afwijkende mening is slecht. En toch is het helemaal niet eerlijk, onee.

Dat is waarom mijn hoera aarzelde. Omdat ik eventjes geen zin meer heb in calimeroboeken.

Maar in korrel 1 tot en met 1.21 gaat Wildnissen eenvoudigweg over verlangens. De dingen die je kunt verlangen. Dat opa en dat tante nog wat langer zouden blijven leven, bijvoorbeeld. Dat kan een verlangen zijn. Dat de biefstuk wat meer doorbakken mag. Dat je een Porsche op baterijen kon hebben om tegen de muren van je peperkoeken huisje op te rijden. Dat het lievevrouwenbedstro overal mag groeien, maar liever niet hier. Dat zijn dingen. Zoiets zou je kunnen verlangen. En verlangens mogen ter diskussie gesteld. Dit is voorwaar niet slecht. Dit is zelfs erg goed.

In iets wat je een lopend gedicht zou kunnen noemen -zij het hier en daar onderbroken door kruisende gedachten- stapt Roelens langzaamaan voort. De wat vreemd aandoende nummering ontleent hij naar eigen zeggen aan de Tractatus logica-philosophicus van Ludwig Wittgenstein. Dat moge wat pretentieus lijken, en verrek, dat is het ook. Maar Roelens is in de eerste plaats een dichter, geen filosoof. En het goede ding is, het hele goede ding is dat hij de poëzie laat prevaleren. De poëzie gaat voor op de gedachte, en op de boodschap. Voor de poëzieliefhebber blijven de boeken van Xavier Roelens een heerlijke rit.

Wat klinkt die laatste zin dom.

Wel. Een onvergetelijke reis? Achnee, hou het dan maar bij die heerlijke rit van u.

Ja, de wijze waarop de mens met zijn planeet omspringt, ligt geregeld op de rooster. En ja, die onvermijdelijke ijsbeer vaart maar weer eens langs op dat ijsschotsje van hem (Roelens leest heel erg veel maar Ten Bos heeft hij klaarblijkelijk niet gelezen) (schandalig zoiets). Maar vaker ligt zijn vergrootglas op het meer, het steeds weer meer, de veelheid van de dingen, de oneindigheid van alles wat er is en wat nog steeds niet genoeg is. De vrolijke supermarkt met de vrolijke producten, zoals hij dat ergens noemt. Roelens racet er doorheen. Hij ziet van alles, en wijst ernaar. En ondertussen wordt hij vader, en ondertussen leert hij dingen doen (ondertussen leert hij leren) (hij droomde dat hij op zijn werk was).

Er is sprake van tekstfuga’s en van cycli en jajaja dat zal allemaal wel. Ik hecht eraan Wildnissen te lezen als één lang, lopend gedicht. Opgebouwd uit, zo je wil, korrels. Korrels die over u heen gaan, in uw kleren blijven zitten, in uw oren, in uw haar: zo ken ik Roelens: hij laat altijd wel iets achter.

We verlangen dingen. Misschien. En wat we verlangen, wat we willen laat sporen na. Misschien. We wilden iemands ouder zijn, we wilden zijn waar we niet waren, we wilden wat we nog niet hadden. Laat het. Lees het. Onderga het.

Korrel 7 kent verder geen subnummering meer, het is maar die ene grote korrel zeven en hij is misschien wel het schoonst. Een abecedarium van dingen & verschijnselen. De aardpeer. De bedwants. Chantage. Dialect. Empathie. Alles al geprobeerd. Het deed me denken aan het prachtige Alfabet van Inger Christensen (in Denenmarken al sedert 1981 te lees maar in 2002 in Nederlandse vertaling verschenen bij Meulenhoff; onlangs, echter, heruitgegeven door het altijd fijne Koppernik & waarom bereikte dat mijn recenseertafel nooit?) (schandalig zoiets). Christensen bouwde haar boek niet naar voorbeeld van Wittgenstein maar volgens de Fibonacci-nummers (waarom moeten sommige poëten toch altijd weer zonodig laten merken dat ze niet van de straat zijn?) (ja ons bent best heel slimme jongens en meisjes hoor ons hebt al es un boekje of twee gelezen vergis u niet in ons) (langs de andere kant zijn dichters die met nadruk de straat opzoeken; “street credibility” (heet dat zo?) willen niet minder vervelend) en dat moge pretentieus lijken (en verrek dat is het ook!); Alfabet is één van de allerbeste poëzieboeken allertijden. Abrikozenbomen bestaan, bramen bestaan, citroenbomen bestaan, duiven bestaan, de eland bestaat; Christensen ontfermde zich in een kleine zeventig pagina’s over alles wat bestaat (en wat bedroevend kan zijn, of juist wondermooi); Roelens doet dit op het eind van zijn fraje bundel nog eens dunnetjes over en beziet wat er zoal reeds geprobeerd is. Hij zit Christensen daarmee in genialiteit ei zo na op de hielen.

Roelens overdondert.
Roelens fluistert.
Roelens schreeuwt.
Roelens zet stil.

Misschien hier of daar een “ongemakkelijke waarheid”.  En een pleidooi voor “wildnissen”; dat wat er ook zonder ons is (& ik dacht aan de ongecontroleerd groeiende liefde waar Callahan het over had kort voor hij voorgoed volkomen ruk werd). Maar vooral woekerende poëzie. Van verstillende pracht. Is poëzie al geprobeerd, Roelens? Want als ergens, dan hier.

Xavier Roelens Wildnissen

Wildnissen

Lyrisch-ecologisch tractaat

  • Auteur: Xavier Roelens (België)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Atlas Contact
  • Verschijnt: 20 januari 2026
  • Omvang: 120 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 22,99
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de nieuwe Xavier Roelens dichtbundel

Een dichter kijkt als vader naar een wereld in crisis. Tussen angst en verwondering, wanhoop en hoop, ontstaan gedichten vol bezorgdheid, tederheid en een verlangen naar wildheid.

Wildnissen is de nieuwe, langverwachte dichtbundel van Xavier Roelens. In een wereld die op een klimaatramp afstevent, koos hij er toch voor om vader te worden. Nu ziet hij overal kinderen en voelt hij een zware verantwoordelijkheid. Met moeder de angst aan het stuur wil hij uit de wagen stappen en stilstaan bij alle gevoelens die daarbij komen kijken: van depressie tot vreugde, van verdriet tot ontzetting. De feiten broeien in zijn hoofd. Hij kijkt van zijn zoon naar de presidenten die met oorlogen de overbevolking aanpakken. Hij zit in zijn zetel een lyrisch-ecologisch traktaat te schrijven, een pleidooi voor wildnis en wildnissen, maar gaat uiteindelijk ook liever wandelen.

Xavier Roelens is in 1976 in Rekkem, West-Vlaanderen. Hij zag vele auteurs debuteren als coördinator van SchrijversAcademie, de Vlaamse schrijfopleiding voor gevorderden. Sinds enkele jaren geeft hij zelf les in Ieper en Tielt aan schrijvers in spé. Zelf debuteerde hij, na een korte carrière in het slammilieu, in 2007 met er is een spookrijder gesignaleerd. Zijn ecologisch geïnspireerde bundel Stormen, olielekken, motetten (2012) werd door de jury van de Herman de Coninckprijs tot de vijf beste Vlaamse bundels van dat jaar gerekend. Voor Onze kinderjaren (2018) vroeg hij aan 365 mensen naar hun vroegste herinnering als kind en maakte daar 77 gedichten mee. De bundel werd genomineerd voor de Grote Poëzieprijs 2019. Zijn werk is vertaald in het Engels, Frans, Russisch en Kroatisch.

Bijpassende boeken en informatie

Anne van Amstel – De geboorte van de Trooster

Anne van Amstel De geboorte van de Trooster recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe dichtbundel. Op 13 januari 2026 verschijnt bij Uitgeverij Prometheus het nieuwe boek met gedichten van Anne van Amstel. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Anne van Amstel De geboorte van de Trooster recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van De geboorte van de Trooster, het boek met gedichten van Anne van Amstel, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “De jury kan over de poëzie van deze laureaat kort zijn: alles in dit werk wijst naar dat ene simpele woord “waarachtig-werkelijk-overtuigend.” (Juryrapport Hollands Maandblad Schrijversbeurs)

Recensie van Tim Donker

Hoe ver kun je komen op een verkeerd been? Want dat is waar Anne van Amstel me op gezet had. Het verkeerde been. Ik dacht, ik wist niet wat te denken. Ik zag dat omslag, ik las iets over een trooster, ik dacht Dit gaat één of ander halfzacht werkje worden. Ik dacht aan esoterie, aan spiritualiteit, aan astrologie. Ik dacht aan alle dingen vreselijk. Of, al wat beter misschien, het boek van een mysticus, iets occults, zoiets als dat prachtige Year of the Inverted Star waar Matthew Kosinski onlangs mee afkwam. Wat ook nog kon, en weeral wat graadjes erger zou zijn, is zoiets als “literaire fantasy” (want dat, zo heb ik me laten vertellen, schijnt te bestaan).

Dan zou ik nu iets kunnen schrijven als “Ik begon dus met de nodige scepsis aan De geboorte van de trooster”. Maar die zin moet ik net iets te vaak uit het klavier mijner laptop rammen de jongste tijd. Bovendien is er een punt waarop “de nodige scepsis”, want, zeg nu zelf, hoeveel scepsis is precies de nodige scepsis?, een punt dus, waarop “de nodige scepsis” zoiets als weerzin begint te naderen en ik kan u zeggen dat Van Amstel dat punt aanvankelijk griezelig dichtbij leek te zijn.

Ik zeg aanvankelijk.
En ik zeg leek te zijn.

Want.

Ziet u, toen ik, hoeveel jaar geleden nu alweer, voor deze site begon te schrijven, heb ik mezelf een principe gesteld. Stapels boeken landden ineens op mijn recenseertafel. Ik was dat niet gewend. Ik was gewend mijn boeken te kopen. Of te bestellen. Niet zelden vanuit het verre Amerika. In boekhandels blader je boeken door, je leest een hiere of een daare passage; wat ik bestelde probeerde ik ook in te zien, het alles sloot een miskoop nooit uit maar wat ik kocht was te overzien en als ik het echt heel erg goed vond, schreef ik erover op een site elders. Maar de immer aanwassende recenseerstapels bevatten van alles en lang niet alles ervan behoort tot het soort literatuur dat ik doorgaans lees. Dan gaan mensen al snel wauwelen over comfortzones, of ze beginnen over een doos en dat je daarbuiten moet denken (ik zit nooit in een doos als ik denk) (ik zit sowieso vrij zelden in een doos), of weet ik veel wat, naja, wat blijkt is dat je iets waarvan je weinig tot niets verwacht toch heel mooi kunt vinden. Dus moet een besprekerken alles een kans geven, zelfs al sloft het besprekerken met lood in zijn schoenen naar zijn leesstoel, want wat heeft hij nu weer aan zijn recenseertafel gehangen gekregen, wie geeft hem dat nu, wie schrijft dat nu, wie leest dat nu, al die vragen en toch – lezen zal hij lezen doet hij. Al moet ik toegeven dat ik het minimum aantal pagina’s dat ik gelezen moet hebben vooraleer ik een boek een in mijn ogen “eerlijke kans” gegund heb steeds verder teruggeschroefd heb. Het waren er ooit vijftig. Want als de schrijver me in de eerste vijftig pagina’s niet heeft kunnen aanspreken, gaat hij het nooit doen. Misschien kiest een schrijver een wat ongelukkig begin, misschien moet je een stijl nog een beetje aftasten, misschien neemt het een beetje krijgen gewend aan, misschien komt het traag op gang, misschien moet het allerinnemendste personage nog geïntroduceerd worden, misschien behoeft het nog maar twee verhaalwendingen om het interessant te maken maar in vijftig bladzijden moet dat alles toch wel bekeken zijn, niet? (mijn ooitmalig buurman, Sergio, had het over nog veel meer pagina’s, een honderdtal docht mij, of meer nog, ik kan het hem niet meer vragen hij is mijn buurman niet meer hoewel ik het was die wegging maar dat heeft me altijd al vrij veel geleken), naja, met zoveel stapels te gaan nog, het kan ook wel minder dan vijftig bladzijden zijn misschien, wat zou ik me moe worstelen terwijl er verder naar onderen in de stapel nog veel moois ligt te wachten misschien, een bladzijde of dertig of twintig of tien is ook wel genoeg om een gefundeerde mening te vormen nietwaar?

De geboorte van de trooster krijgt dus in ieder geval mijn aandacht gedurende een pagina of wat, Anne van Amster schreef bovendien Trapezista en dat boek herinner ik mij als lang niet kwaad. Zwijgen dus en lezen nu.

Er is een Parakleta die “met de trage hartslag van een vinvis” “haar baan om de aarde” zwemt; een bladzijde later stelt AvA (waarin men moeiteloos Anne van Amstel herkent) de vraag: “Wat is er geworden van de kinderen die hun juf zagen ontploffen?”. Oké. Ik ben geïntrigeerd. Het lezen is geen werk meer nu, niet langer het principieel halen van een quotum. Het lezen is nu gewoon lezen. AvA heeft me bij de hand genomen en voert me mee.

Hier wordt het verhaal verteld van Elisabeth Dorothea Parr. Ook gekend als Lili. Ook gekend als Parakleta. Ze werd te vondeling gelegd bij een nonnenklooster, bleek al snel een voorlijk kind te zijn. Ze sloeg drie klassen over en werd op Concord High leerlinge van Christa McAuliffe, de lerares die in 1986 aan boord was van de spaceshuttle Challenger die kort na de lancering ontplofte. Het was de bedoeling dat McAuliffe via het project “leraar in de ruimte” kinderen vanuit de ruimte zou onderwijzen en ze op deze manier ook warm zou maken voor ruimtevaart. Zodoende werd er op veel scholen naar de lancering gekeken; massa’s kinderen waren getuige van de ramp. Ik wist dat eerlijk gezegd niet, of als ik het wel wist (ik was twaalf toen dit gebeurde) ben ik het weer vergeten. Maar de ramp met de Challenger was echt, en ruimtevaart bestaat, en nonnen bestaan, en televisie bestaat, en Amerika bestaat, en met al deze elementen smeedt Anne van Amstel, p’don ik bedoel natuurlijk AvA een “poëtische novelle” (welja) die me in beginsel niet direct esoterisch leek. Lili, zoals astronaut Elisabeth Dorothea Parr liefkozend wordt genoemd (evenals haar jammerlijk omgekomen juf meteen een publiekslieveling), heeft tot taak een ISS-module te repareren. Hiervoor moet ze via een mangat het ruimteschip verlaten; al zwevende de reparatiewerkzaamheden uitvoeren. Vanover heel de wereld wordt gekeken hoe Elisabeth uit het ruimteschip komt. Ze spreekt de aarde toe. “I love you all. Don’t ever forget that now.”, zegt ze. Dan gespt ze haar “lifeline” los. En weg zweeft ze. Weg van het ruimteschip. Weg van de aarde. Weg van de mensheid.

Omdat de hele wereld toekijkt, heeft de hele wereld een mening over wat er daar gebeurde. Deskundigen zijn uiteraard niet meer weg te branden van de buis, want only an expert can deal with the problem. Laurie Anderson zei het al. Al snel wordt duidelijk dat Lili zich opzettelijk losmaakte, er kan geen sprake zijn van een ongeluk. Is het zelfmoord of andere waanzin? Deskundigen bemoeien zich, de president van Amerika bemoeit zich, landen nemen stelling, burgers hebben stellige meningen. Er zijn er die in Parakleta, zoals Lili al snel komt te heten, een martelares zien, een ziener, een heilige. Miljonairs zien er de allerultiemste zelfmoord in en zijn bereid grote bedragen neer te tellen voor hun eigen “ruimtesuïcide”. Er zijn er natuurlijk ook die Parr als uitschot zien, een aanstelster die ondenkbaar egocentrisch drama heeft gemaakt en daarmee heel veel belastinggeld verspilde. Er komen duiders. Wat betekende een vlag die ze vasthield? De duif? Vredesduif of iets anders nog? Commercie springt erop in; duiven zijn niet meer aan te slepen. Televisie doet vierentwintig uur per dag verslag van alles wat maar enigszins te maken heeft met Lili. Leeft ze nog? Hoelang kun je eigenlijk overleven, zwevend in de ruimte? Waarom deed ze wat ze deed? Er is rep. Er is roer. De president wil Lili uit haar baan schieten. Massale verontwaardiging, demonstraties, duiven die op alle pleinen in de wereld de lucht ingelaten worden, oproerpolitie die gericht schiet, eerst op duiven, later eenvoudigweg op burgers. Soon there will be shooting at unarmend men, en dat is ook een hele goede seedee.

Hierin is De geboorte van de trooster sterk, heel sterk. Het toont heel duidelijk de drie gangbare manieren waarop er altijd weer gereageerd wordt op internationale gebeurtenissen. Totale onderwerping, devotie, kritiekloos geloof (bijvoorbeeld in het heersende discours, in wetenschap, in overheden, in (een nieuwe) religie); alles op het fanatieke af zodat andersdenkenden of sceptici almeteens als moreel verwerpelijk worden gezien (of “wapppies” voor die materie). Dat is één manier om om te gaan met gebeurtenissen die het gemiddelde voorstellingsvermogen te boven gaan. Een andere heeft te maken met hebzucht. Gewin. Materialisme. Als verklaringen niet meer toereikend zijn, laat de economie het dan maar overnemen. Als je er niets aan kunt veranderen, kun je er altijd nog aan verdienen. Het boek laat zich gedeeltelijk lezen als televisieverslagen; verslagen die veelvuldig worden onderbroken door reclameboodschappen. Ook ellende kan geld genereren (juist ellende misschien zelfs wel). De laatste manier is favoriet bij overheden: repressie. Geweld. Onderdrukking. Alles wat we niet begrijpen, slaan we dood. Wat afwijkt, moet geëlimineerd worden. Wees niet die eigenwijze Nederlander – Rutte zei het al. Het moet in een hokje. En anders moet het maar kapot.

Maar omdat Parakleta ook wijd en zijd vereerd wordt, zegt De geboorte van de trooster ook veel moois over religie. Misschien raakt het via apocriefe en deuterocanonieke boeken (wat wel en niet tot enige bijbel mag horen is iets dat me altijd gefascineerd heeft), hindoeïstische en tantrische geschriften aan theosofie (er moet een oerbron zijn waaraan alle oerbronnen ontspruiten); een gedacht waardoor Yann Martel zich ook al liet inspireren toen hij Zoon van Niemand schreef. Parakleta is echter onmiskenbaar een vrouw, dus AvA zegt vooral veel over thealogie. Waarom zijn zoveel religies zo buitengemeen patriarchaal? Wat heeft het voor betekenis om het goddelijke als vrouwelijk te denken? In één van haar noten (het notenapparaat moet u vooral niet overslaan want het bevat echt heel veel interessants) schrijft Van Amstel: “Allah en Jahweh hebben officieel geen gender, ook de christelijke God niet, maar in praktijk zijn er maar weinig gelovigen die niet spreken van ‘Hij’ en ‘Hem’, een grammaticale vorm die het godsbeeld sterk heeft beïnvloed.” – zou het door religie gekatalyseerde sexisme louter een gevolg van grammatica zijn? En omdat Parakleta naastenliefde en begrip predikt, zegt De geboorte van de trooster natuurlijk ook zo wat over oorlog en vrede, en de agressieve aard van het mensdier.

Al vind ik de passages waarin Parakleta sprekend opgevoerd wordt, niet het sterkst in De geboorte van de trooster.

Sja.

Ik weet niet.

Kun je de grenzen van de geloofwaardigheid tarten zonder de maatschappijkritische laag aan te tasten? Ja er is metaforiek, er bestaat zoiets als symbolisme. Je kunt ook op indirecte wijze een punt maken. Science fiction, surrealisme en absurdisme kunnen heel goed over een konkrete leefomgeving, en een specifieke tijd gaan. Maar hier wringt het naar mijn gevoel toch een heel klein beetje. Een vrouw die feitelijk allang dood had moeten zijn, spreekt heel de wereld toe. En de hele wereld luistert. En Parakleta lijkt ook te weten wat er op aarde speelt, dus de communicatie werkt beide kanten op. Zoals het een echte God betaamt ja. Maar als God spreekt, luistert lang niet iedereen en zelf lijkt hij af en toe toch ook wel een beetje Oost-Indisch doof (mag deze uitdrukking nog of is dat langzamerhand veel te onwoke geworden?). Het is ook een beetje obligaat, zo’n messias die verkeerd begrepen wordt, een roepende in de woestijn is. Met monologen die mij ook iets te prekerig zijn. Maar misschien kun je een domineesdochter die het evangelie wil vernieuwen het niet euvel duiden af en toe te preken.

Maar er is nog iets, en dat heeft te maken met taal. Zolang Parakleta zwijgend in de ruimte zweeft, is ze voorwerp. Iedereen speculeert, analyseert, vormt meningen, fulmineert op sociale media of dweept ongebreideld met Parakleta. Dat is hoe dingen gaan, en dat is waarom De geboorte van de trooster zo sterk is. Maar kan er een teveel aan taal ontstaan? Zegt Jan Arends niet “Een boom is geen taal. Een getekende boom is taal.” (ja dat zegt Jan Arends wel, in Lunchpauzegedichten zei hij dat en dat weet je allemaal best, Donker, dus stop te vragen naar de bekende weg – uw moeder moest dat vroeger al iets te vaak tegen u zeggen toen gij nog een kinderken waart). Zo ook is Elisabeth Dorothea Parr geen taal, Parakleta is taal. Maar als zij als taal nog begint te spreken, wordt het teveel taal. In plaats van als symbool aan ieders fantasie te appelleren, drukt ze zich woordelijk uit. Daarmee wordt Parakleta als fenomeen gedeeltelijk gedemystificeerd, Wat ze zegt, verschilt daarenboven niet zoveel van wat menig een messias voor haar al zei. Langs de andere kant heeft Van Amstel door deze grenzen van de taal te bewandelen, weliswaar onbedoeld, misschien wel eenvoudigweg nog een laag aan De geboorte van de trooster toevoegd.

Waar een klein boek vol van kan zijn. Waar het van overloopt. Filosofie, religie, politiek, poëzie, wetenschap, feminisme, geschiedenis. Dat. Hoe wonderschoon dat toch is. Dat is literatuur, mensen. Dat kan allemaal met literatuur. Hou allemaal onmiddellijk op met dat kijken naar dat Netflix van jullie. Ga lezen. Te beginnen met De geboorte van de trooster.

Anne van Amstel De geboorte van de Trooster

De geboorte van de Trooster

  • Auteur: Anne van Amstel (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Prometheus
  • Verschijnt: 13 januari 2026
  • Omvang; 96 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 21,99
  • Boek bestellen >

Flaptekst van de nieuwe Anne van Amstel dichtbundel

Met de trage hartslag van een vinvis
zwemt Parakleta haar baan om de aarde.

In De geboorte van de Trooster gaan we de kosmos in, vondeling Lily achterna. Ze is een leerling geweest van juf Christa, die omkwam bij de ramp met de spaceshuttle Challenger. Lily zelf wordt ook astronaut, maar wat gebeurt daar voor het oog van de wereld bij het ruimteschip? ‘Mijn God, ze is los!’ Zo wordt ze Parakleta, middelaar, toevlucht, trooster voor de belaagde mens.

Anne van Amstel heeft in haar werk altijd haar betrokkenheid bij de wereld van vandaag laten zien. Maar in dit wonderbaarlijke werk – is het poëzie, proëzie of nog iets anders? – ontpopt ze zich tot apostel. Thealogie vervangt theologie in dit overrompelende, onheilige nieuwe evangelie; een goede boodschap in kwade tijden.

Anne van Amstel is geboren in 1974 in een domineesgezin te Hoogeveen. gezondheidszorgpsycholoog, docent postdoctoraal onderwijs en dichter van vier bundels, van Het oog van de storm (2004) tot en met Trapezista (2022). Ze woont sinds haar studietijd in Amsterdam.

Bijpassende boeken en informatie

Fernando Pessoa – Faust

Fernando Pessoa Faust recensie en informatie over de inhoud van het boek en tragedie in verzen van de Portugese schrijver. Op 3 februari 2026 verschijnt bij Uitgeverij De Arbeiderspers de Nederlandse vertaling van Fausto. Tragédia Subjectiva door Harrie Lemmens van de onvoltooide tragedie in verzen geschreven door Fernando Pessoa. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Fernando Pessoa Faust recensies

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Faust, geschreven door Fernando Pessoa, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Fernando Pessoa Faust

Faust

  • Auteur: Fernando Pessoa (Portugal)
  • Soort boek: tragedie in verzen
  • Origineel: Fausto. Tragédia Subjectiva
  • Nederlandse vertaling: Harrie Lemmens
  • Bijzonderheden: Portugees-Nederlands
  • Uitgever: De Arbeiderspers
  • Verschijnt: 3 februari 2026
  • Omvang: 372 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 32,50
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de tragedie in verzen van Fernando Pessoa

Een van de laatste grote, niet eerder vertaalde werken van Pessoa. Faust vormt met Boek der rusteloosheid de getwijnde draad die door Pessoa’s leven loopt.

Net als andere grootheden uit de wereldliteratuur (Marlowe, Goethe, Thomas Mann) was ook Fernando Pessoa gegrepen door de geschiedenis van Faust, de man die naar alles streefde en niets overhield. Hij werkte zijn hele leven aan deze tragedie in verzen die hij niet geheel heeft voltooid. Faust daagt in zijn laboratorium van geest en ziel de goden uit tevoorschijn te komen uit hun nietbestaan en hij verkoopt zijn ziel aan de duivelse Mefistofeles.

Fernando Pessoa is op 13 juni 1888 in Lissabon, Portugal. Hij wordt gezien als de belangrijkste Portugese schrijver van de twintigste eeuw en is de auteur van zowel proza als poëzie, geschreven onder zijn eigen naam of onder die (dan wel in de persoon) van een van zijn van vele heteroniemen. Hij overleed 30 november 1936 in Lissabon, de stad waar hij zijn gehele leven woonde aan de gevolgen van een leverkoliek veroorzaakt door alcoholvergiftiging.

Bijpassende boeken en informatie

Anton Korteweg – Ik, om maar iemand te noemen

Anton Korteweg Ik, om maar iemand te noemen recensie en informatie het boek met nieuwe gedichten. Op 24 april 2026 verschijnt bij Uitgeverij Meulenhoff de nieuwe dichtbundel van Anton Korteweg, de Nederlandse dichter. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Anton Korteweg Ik, om maar iemand te noemen recensies

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Ik, om maar iemand te noemen, het boek met nieuwe gedichten van Anton Korteweg, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “Anton Korteweg verklapt […] de titel van een nieuwe bundel gedichten: Ik, om maar iemand te noemen. Dat is passende zelfspot in een tijd waarin de literatuur op het narcistische af persoonlijk is geworden.” (Carel Peeters, Vrij Nederland)
  • “Melancholieke maar altijd sprankelende dichter.” (Elsbeth Etty, NRC)
  • “Een van de aangenaamste Hollandse dichters is Anton Korteweg, een te burgerlijk calvinist om in dit tranendal op verlossing te mogen hopen, en dat weet hij verdraaid goed.” (de Volkskrant)

Anton Korteweg Ik, om maar iemand te noemen

Ik, om maar iemand te noemen

  • Auteur: Anton Korteweg (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Meulenhoff
  • Verschijnt: 24 april 2026
  • Omvang: 88 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 21,99
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de Anton Korteweg dichtbundel

Een sombere tijd schept sombere gedachten.
De dag plukken is vaak te veel gevraagd.
Toch, elke morgen heeft het leven nog, tot overmaat,
het gore lef me met zijn grauwe prikkelbaard
’t bed uit te kussen. Of ik daar op lig te wachten.
Het sleept me bij de haren uit de slaap
de dag in. ’t Is nog steeds op me gesteld.
Ik mag nog meedoen. En dat is wat telt.

Luchthartig en scherp, ontroerend en licht melancholisch – in zijn vijftiende bundel is dichter Anton Korteweg weer op zijn best!

‘Een dichter schrijft slechts voor een dichter verzen, en voor de vrouwen, die geen vers verstaan,’ schreef Bertus Aafjes ooit. Zo erg is het voor Anton Korteweg, meer dan een halve eeuw bezig, nou ook weer niet. Hij is een man die zijn zegeningen telt, en de kleine dissonanten in het leven maakt hij onschadelijk in zijn poëzie.

In Ik, om maar iemand te noemen zijn het niet alleen de vertrouwde ongemakken van het ouder worden die bezongen worden, maar wordt geprobeerd om te gaan met de overweldigende hoeveelheid pakken om bij neer te zitten. En om op steeds wankeler benen staande te blijven in de actualiteit van een opdringeriger, meedogenlozer wereld.

Anton Korteweg is geboren op 31 januari in Zevenbergen, Noord-Brabant. Hij debuteerde in 1971 bij Meulenhoff met Niks geen Romantic Agony. In 2015 verscheen zijn verzamelbundel Ouderen zijn het gelukkigst, in 2021 verscheen Enfin. In 1986 ontving hij voor zijn werk de A. Roland Holstpenning. Korteweg was van 1979 tot 2009 directeur van het Literatuurmuseum in Den Haag. Ik, om maar iemand te noemen is zijn vijftiende dichtbundel.

Bijpassende boeken en informatie

Ton Naaijkens – Mondruimtes & matroesjka’s

Ton Naaijkens Mondruimtes & matroesjka’s recensie, review en informatie boek met en over actuele Duitstalige poëzie. Op 15 december 2025 verschijnt bij M10Boeken het boek van Ton Naaijkens over nieuwe Duitstalige poëzie. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteurs en over de uitgave.

Ton Naaijkens Mondruimtes & matroesjka’s recensie

De zon komt op in het oosten. De poëzie gaat onder in het westen.

Nee. Dat is niet waar. Maar toch. Waarom lijkt de Noordzee hier zo grijs, waarom lijkt de Nederlandse poëzie zo vlak, en waarom worden hier dingen gezegd als gewoon is al gek genoeg? Vanwaar dat wantrouwen tegen alles dat afwijkt van de norm? Waarom is de literatuur in bijna elk land dat niet Nederland heet almeteens een pak of twee avontuurlijker? Zelfs in Duitsland? Ja zelfs in Duitsland natuurlijk in Duitsland vooral misschien wel in Duitsland.

Ton Naaijkens komt met een mooi overzicht van actuele Duitse poëzie. Vierendertig dichters. Waarvan achttien vrouwen en zestien mannen, al zie ik niet zo goed in hoe dat relevant is. Sommige ervan kende ik: Barbara Köhler, Elke Erb, Daniel Falb, Monika Rinck, Ulf Stolterfoht, Paul Celan, Ron Winkler en Friederike Mayröcker ja natuurlijk Friederike Mayröcker zeker Friederike Mayröcker vooral Friederike Mayröcker om eerlijk te zijn zou ik heel dit boek misschien niet eens gekocht hebben als Friederike Mayröcker niet opgenomen zou zijn.

Anderen. Velen. Kende ik niet.

Kun je kennen leren.
Kun je groenkamer van de godin.
Kun je ontmoetingen wel.

Denk aksie.
Denk waar dingen vrij komen.
Waar je ont-moet, niks meer hoeft, daar waar dingen vrij komen, daar gebeurt poëzie.

Daar loopt. Daar gaat.

Ben ik het maar, of lijkt in deze en in alle andere poëzie die niet Nederlands is veel meer beweging te zitten? Of alle andere poëzie gaat, loopt, wordt, waar de Nederlandse poëzie staat, zit, is.

Was wordend ooit. Maar nu niet meer.

Maar dit hier.

Hoe het van de pagina’s spat. Kom daar eens om. Zie dat eens. Lees. Beleef het.

Als dit de aktuele stand van zaken is in de Duitse poëzie, dan is de Duitse poëzie speels, rebels, dadaïstisch, surreëel, anarchistisch, hermetisch, duister, wild, eigenzinnig, losbandig en post-post-post-watdanook. Hier wordt gespeeld met klank, met ritme, met taal, met lagen, met betekenis, met muziek, met woorden, met beelden, met alles waarmee poëzie tot spreken nee tot schreeuwen nee tot zingen nee tot zeggingskracht komt.

Het ruist in je oor.
Het is het oceaangroen, en het vuur.
De pauzetekens van de nacht.
Het paginaglimpje van de growzosnel.
Al wat stuk voor stuk smelt op je tong.
De kers waar je van houdt.
De nacht voor nacht in palintrope harmonie.
Hoe het firmament ferm is (het is gewis).
Het knagen en in elkaar draaien.
De ademende ondergang.
Een drieogige raaf en één lange klinker.
Een leren tas die jouw leven was.
De stad die de mond ruimte is.
De as in het centrum die nog warm is.
De plakken gember de muskaatbouillon de 20×20 cm grote stoeptegels.
Vertaalbaarheid, helder als glas.
En honende honingprotocollen.
Of elke willekeurige bestaande taal.
Je handen suiker geven.
Een vluchtige mondholte propvol op dit spitsuur.
Het zet wat stuk is gelezen over.
Wat hemels is de wereld zo o wielen op wielerspoor.
Linguïstiek die niet droog is maar vochtig (een broek kan alleen in het Duits dood zijn).
Een uit spellingswoordenboeken uit de ramsj in elkaar geflanst hutje.
Algoritme dna broeikas.
Amper drie kilometer van het paradijs.
Het tikken van de aardappels in de provisiekamer.
De springstofzetter die schreeuwt om een idioom.
De roerloze boom die valt uit de tijd.
De geluiden op welke plek van je lichaam (het kloppen van de verwarming).
De vogel de mens de zee.
Het vliegen in een twaalfzitskano.
Kuit. Schieten. Overschot. Overloop.
Het klokkenspel van de peren dat alarm slaat.
Een kleine bonte homp donkerte.
De broodvissen die zeggen stofwisselende namen.
Stoplichten tussen a en b.
Nachtschadegewassen.
Een uitgestoten sleutel.
Het niet meer op zoek naar de orgonvrucht der wijzen.
De grote breuk. De tijd die omhoogkomt.

Dat dit het is. Dat alles en dit het is. Dat veel meer nog dan dit het is. Ik kan je niet zeggen wat het is. Veel meer dan dit en dan dit alles nog is wat het is.

Het is zo boventalig zo overtalig zo veeltalig omdat het veel meer is dan alleen maar één taal (hoe dit Naaijkens dit heeft kunnen vertalen, de creativiteit die dat gevergd heeft, je moet er wel bewondering voor hebben). Het is veel meer dan Duits bovendien. Een flinke porsie van dit boek bevat de Duitse originelen, en dat leek me eerst nog een beetje overbodig. Maar ik vond me daar waar de taal overkookte, uit de rails liep of uit klauwen ging toch geregeld terug denkend Wat zou daar in het Duits gestaan hebben? En dus spiekend. Bladerend. Kijkend. Niets overbodig achtend.

Een diepe buiging dus, voor m10boeken omdat Mondruimtes en matroesjka’s zo prachtig is uitgegeven. Met harde kaft, leeslint, bijna vijfhonderd pagina’s poëzie, waarvan een flink gedeelte Duits ja maar je gaat dat willen inzien, niet alle gedichten en ook niet regel voor regel nee maar je gaat toch blij zijn met de Duitse versies.

En een even diepe buiging nee een nog diepere buiging voor Ton Naaijkens. Die zocht, verzamelde, vertaalde. Die de prachtigste poëzie blootlegt voor iedereen die geen Duits kan, wil of wenst te lezen (eigenlijk vind ik Duits een hele moje taal, zoveel mojer dan Frans of Italiaans, mojer misschien zelfs wel dan Nederlands of Engels maar toch, allicht vanwege mijn frustraties op de middelbare school, krijg ik hoofdpijn als ik langer dan een kwartier Duits lees). “Misschien had ik Erich Arendt, Rolf Dieter Brinkmann, Nicolas Born, F.C. Delius, Ernst Meister […] [o]f Uwe Kolbe, Franzobel, Dana Ranga, Silke Scheuermann, Wolfgang Hilbe [en] Peter Waterhouse [ook moeten opvoeren]?’, vraagt Naaijkens zich in zijn nawoord af. Ja, Naaijkens, doe. Voer op. Nog een boek als dit. Delius en Hilbe en Meister ken ik toevallig en die zijn geweldig, en al die anderen wil ik graag ontmoeten. Dus. Meer. En nog. En voorts. Dat soort boek is Mondruimtes & matroesjka’s. Het soort boek waarvan je nooit genoeg hebt. En wie met een boek van deze omvang de lezer alsnog met zo’n enorme honger naar meer kan achterlaten, heeft toch echt wel iets goed gedaan.

Recensie van Tim Donker

Ton Naaijkens Mondruimtes & matroesjka's

Mondruimtes & matroesjka’s

Actuele Duitstalige poëzie

  • Auteur: Ton Naaijkens 
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: M10Boeken
  • Verschijnt: 15 december 2025
  • Omvang: 480 pagina’s
  • Afmetingen: 18,6 x 24,9 x 4,8 cm
  • Gewicht: 1075 gram
  • Uitgave: gebonden boek (met leeslint)
  • Prijs: € 39,50
  • Boek bestellen >

Flaptekst boek van Ton Naaijkens over actuele Duitstalige poëzie

In ‘Mondruimtes & matroesjka’s’ biedt Ton Naaijkens een eigen, actuele blik op de hedendaagse Duitstalige poëzie – niet door erover te vertellen maar door haar via vertaling te tonen. Het gaat om nieuw of recent werk van 34 dichters, achttien vrouwen en zestien mannen, verzameld uit evenzovele bundels die bepalend waren voor hun stem – en voor de poëzie zelf, ook internationaal.
Hun werk wordt niet via een zogenaamd representatieve selectie voorgesteld, maar met een substantieel onderdeel ervan: een cyclus, een lang gedicht of een samenhangende reeks gedichten. Daarover werd met de betrokken dichters wel gecommuniceerd, maar de keuze blijft uiteindelijk subjectief en werd vooral bepaald door voorliefdes en persoonlijke betrokkenheden van Nijhoffprijswinnaar Naaijkens, die zo bovendien een inkijkje biedt in zijn zowat vijftigjarige loopbaan als lezer en vertaler.

Voor de kroon daarop worden hier voor een flink deel ongepubliceerde vertalingen voorgesteld van Marcel Beyer, Nico Bleutge, Yevgeni Breyger, Sonja vom Brocke, Paul Celan, Mara-Daria Cojocaru, Róža Domašcyna, Ulrike Draesner, Elke Erb, Daniel Falb, Karin Fellner, Franziska Füchsl, Durs Grünbein, Thomas Kling, Barbara Köhler, Gregor Laschen, Friederike Mayröcker, Anna Julian Mendlik, Brigitte Oleschinski, Oskar Pastior, Steffen Popp, Monika Rinck, Ulrike Almut Sandig, Lea Schneider, Raoul Schrott, Daniela Seel, Lutz Seiler, Ulf Stolterfoht, Yoko Tawada, Hans Thill, Julia Trompeter, Christoph Wenzel, Ron Winkler en Uljana Wolf.

De bloemlezing bevat bovendien nadere informatie over de dichters van telkens honderd woorden, is tweetalig en voorzien van twee leeslintjes.

Ton Naaijkens is geboren in 1953. Hij is vertaler, essayist en redacteur van Filter, tijdschrift over vertalen en Terras, tijdschrift voor internationale literatuur.

Bijpassende boeken en informatie

Han Kang – Ik leg de avond in een la

Han Kang Ik leg de avond in een la recensie en informatie boek met gedichten van de Zuid-Koreaanse schrijfster en Nobelprijswinnaar. Op 3 december 2025 verschijnt bij Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar voor het eerst een Nederlandse vertaling van gedichten van Han Kang. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Han Kang Ik leg de avond in een la recensie

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Ik leg de avond in een la, de dichtbundel van Han Kang, de schrijfster uit Zuid-Korea en Nobelprijswinnaar, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “Deze gedichten (…) verbeelden een onvertaalbare Koreaanse ziel die het metafysische en het intieme met elkaar vermengt.” (Le Monde)

Recensie van Tim Donker

De mens denkt. De mens schrijft. De mens denkt en schrijft over haast wel alles. Zo kon mijn oog laatst vallen (ja het viel) op een artikel in nY over het neokoloniale geweld dat schuil gaat achter de keuzes die vertalers maken (god dat blad wordt met elk nummer woker en woker, ja woker nog dan woke en sowieso veel te woke naar mijn zin). Er zou, zo vermelden de schrijvers, in Amerika oproer zijn ontstaan over de Engelse vertaling van Han Kangs roman De vegetariër. Het Koreaanse origineel was eenvoudig en afgemeten; de Engelse vertaling (veel te) bloemrijk. Ik zou even een middagje moeten peinzen om te bedenken hoe er kolonialistische motieven aan ten grondslag kunnen liggen om het kale naar het bombastische te transformeren maar de mens denkt en de mens schrijft en de denkende mens denkt over de schrijvende mens en schrijft daar dan weer over, en als auteurs prijzen winnen en potten breken, valt er alleen nog maar meer over te denken en meer over te schrijven en zal ook een slechte vertaling méér moeten zijn dan zomaar een slechte vertaling.

Maar nobelprijs of geen nobelprijs, Han Kang vloog de langste tijd onderdoor mijn radar en Ik leg de avond in een la is feitelijk mijn eerste kennismaking met haar werk. En ophef of geen ophef, ik wist niet meteen wat te denken van de gedichten in deze bundel.

Misschien juist omdat het poëzie is, en omdat Kang is begonnen als dichter, en deze Ik leg de avond in een la er dus al vóór alle ophef was. Gedichten van bijna dertien jaar oud, het origineel kwam uit in 2013, er was van een De Vegetariër nog geen sprake, en Han Kang was gewoon maar iemand die dichtte en dacht in Korea, en een bundel bijeen pende die ze Seorab-e jeonyeog-eul neoheo dueodda noemde en misschien is dat ook wel mojer, en minder gezwollen dan Ik leg de avond in een la, wie weet.

Kang opent met een voorwoord. In de vorm van een gedicht. “Sommige avonden waren doorzichtig. / (Zoals de dageraad soms is.)”, en zulke avonden zijn er, toch?, in de lente vaak, of aan het begin van de zomer, maar ook een winteravond kan zo zijn (als nu bijvoorbeeld een reiziger), een mens zit, een mens leest, een mens denkt, een mens denkt ja, ja denkt een mens, ja Han Kang, inderdaad, sommige avonden zijn doorzichtig, en waarder nog, dat, door het in de verleden tijd te zetten, kijk terug naar je kindertijd, toen waren bijna alle avonden doorzichtig, niet?, of in retrospekt toch, sommige avonden waren doorzichtig, hoe waar en wat zeg je dat mooi Han Kang, denkt de mens die zit, de zittende denkende lezende drinkende mens.

Maar dan gaat dat slechts vierregelige voorwoordgedicht verder: “In het midden van de vlam / lag een ronde verlatenheid.”, en dan weet de zittende denkende lezende drinkende mens niet meer zo goed wat hij peinzen moet. Is het midden van een vlam rond of spits?, de zittende denkende lezende drinkende mens weet het niet direkt, heeft ook geen vlam voor handen, kijkt om zich heen om te zien of er iets is dat hij in de fik kan steken, proefondervindelijk lezen, er is niks dat hij in de fik kan steken. Hoe zit het ook alweer met vuur en hitte, en geel en rood, en wat is ook alweer het heetst, was het midden niet het koelst?, waarom heb ik ook mijn exacte vakken al meteen in drie mavo laten vallen?, hete gassen, zuurstof, verbranding, is het midden van een vlam alleen en de rest van de vlam een eenheid, was er ook niet iets met blauw?, kan vlam hier staan voor menselijke samenstellingen, de mens in het midden op zijn eentje, allen errond samen?, of is dit pure poëzie, poëzie om de poëzie, poëzie die alleen maar mooi wil zijn, geaaid wil worden, ik wil de rock ’n roll ajen, wie schreef dat ookalweer, Jose Maria Sanz zong het maar hij schreef het niet.

Het triviale. Het spirituele. Waaraan raakt deze poëzie? Kang kijkt naar de damp die opstijgt van een kommetje rijst en dat jaagt bij haar gedachten aan over vergankelijkheid. Dat lijkt wat obligaat maar dan eindigt het gedicht met een laconiek: “Ik at mijn rijst”. (en dus: ik at mijn zware gedachten op? ik stapte over mijn kontemplasie heen? ik richtte me op mijn direkte noden?). Prozaïsche poëzie?

Of. Verder. “Lente is lente // adem is adem // ziel is ziel.” Wat dan ook weer zoiets is. Konkrete dingen zoals lente en adem zijn gewoon wat ze zijn, maar ziel? Kun je überhaupt wel stellen dat ziel “is”. Ergens in de pijnappelklier misschien? (ha!). Stelt Kang het banale gelijk aan het metafysische of andersom? Je weet het niet. Ik weet het niet. De zittende denkende lezende drinkende mens weet het niet.

Wel. Misschien. De plekken waar je poëzie kunt zien liggen, de meesten stappen daar gewoon overheen. Wanneer dacht jij voor het laatst aan Mark Rothko? Kang schrijft: “Al is het overbodig om toe te lichten / er bestaat geen enkel verband tussen Mark Rothko en mij // Hij werd geboren op 25 september 1903 / en stierf op 25 februari 1970 / Ik werd geboren op 27 november 1970 / en ben nog in leven / En toch / komen de negen maanden / die zijn dood en mijn geboorte van elkaar scheiden / nu en dan bij me op // Een paar dagen voor of na / de vroege ochtend waarop hij in het keukentje van zijn atelier / zijn polsen doorsneed / bedreven mijn ouders de liefde / en niet veel later / vormde een stipje leven zich / in de warmte van een baarmoeder / aan het einde van die winter, zijn lichaam nog intact / op een begraafplaats in New York”; hoe jouw geboorte een zwangerschapsduur verwijderd is van de dood van een (naar ik aanneem) bewonderd kunstenaar, hoe daar allicht, als je erover nadenkt, iets van poëzie in te zien is, ik zie dat wel, maar ik zag het pas nadat Kang het me aanwees.

Leven en dood maken vaak hun opwachting in haar gedichten.

Alle doden die je kunt sterven: “Geen zorgen / ik heb negen levens / misschien wel negentien of negenennegentig”, en dus: “Zodra ik mijn ogen open na mijn achtennegentigste dood / zal ik mijn rug, gekromd als een foetus, hol maken / en me weer laten vallen” – en dat in een gedicht dat Circusvrouw heet en dat opent met een halfnaakte vrouw die, omwikkeld met een rode doek, zwevend in de lucht hangt. Geen zorgen dus, want de dood is maar een circusact? En wie dood is (en let wel: “het [is] fijn om dood te zijn / zo stralend, zo gewichtloos / als dons”) kan nog te maken krijgen met de kleinste probleempjes: dat je, bijvoorbeeld, niet in staat bent om een moje blauwe kiezelsteen op te rapen uit een beekje. Omdat je dood bent, weet je wel.

En je denkt. Zittend en lezend en drinkend denk je het wel. Langzaamaan in de smiezen te krijgen. Kang is hier om ons te laten zien dat het surreële veel dagdagelijkser is dan wij denken, en, omgekeerd, dat het dagdagelijkse zoveel surreëels bevat waaraan wij ziende blind voorbij lopen.

Of toch niet?

Een gedicht bestaat uit maar twee regels: “Een jonge vogel vloog voorbij / Mijn tranen waren nog niet droog”. Dat is geen surrealisme. Dat is ook geen dagdagelijksheid. Is het -slik- natuurpoëzie dan wat er hier de klok slaat? Toch is ook hier een zekere ontregelende mafheid niet veraf: de titel van dit hele korte gedicht is: Dertig mei tweeduizendvijf, de zee van Jeju half in de lentezon. De schubben van de wind overladen min huid met zout en ik denk: vanaf nu is het leven een cadeau

:

en:

jajaja. zout op mijn huid jajaja. benoîte groult. jajaja. het leven is een cadau. jajaja. je moet het niet verspillen. jajaja. maar wat kun je doen dat niet “het verspillen” is? jajaja. (can’t you even have coffee anymore?!). maar ik dacht aan dat singeltje dat ik had toen ik een jaar of vijftien zestien was, het singeltje van twee seconden. op de a-kant stond you suffer van napalm death. totale speelduur 0:01. de b-kant had electro hippies met mega armegeddon death part 2. totale speelduur: eveneens 0:01. en ooit zag ik napalm death you suffer live brengen, en de zanger was langer bezig om het lied aan te kondigen dan de band bezig was om het te spelen. waarmee ik maar wil zeggen: ik weet niet of ik deze pseudo-haiku van Kang goed vind en ik weet ook niet of ik die wat melodramatische titel wel smaken kan, maar de idee van een gedicht dat vele malen korter is dan de titel die het draagt vind ik alvast fantasties.

Dus wat het is. En weet de zittende denkende lezende drinkende mens het al? Zijn het kontemplasies over leven dood tijd zijn, zijn het metafiese vragen of dagdromerijen of slaapwandelingen? Is het gemijmer, de stilte die de storm vooruit gaat, een kiezelsteen die je maar niet kunt oppakken, een wolk in een broek? Of toch gewoon maar dikke brol?

Of een avond die geruisloos naar binnen spijpelt (en hoeveel van zulke avonden zijn er niet?).

Of gaat alles steeds maar over het leven dat je gebeurt terwijl jij andere plannen maakt?

Of verkent Kang de randen waarlangs poëzie vervluchtigt?

(om het te bewaren voor het verdwijnen kan?)

(als de avond in een la?)

En wat te maken van een gedicht dat Zelfportret. Winter 2000 heet en dat leest als een tragische sage die zich niet direkt lijkt af te spelen in 2000, en ook niet echt in de winter.

Of van de idee dat het aan de overkant van de spiegel winter is, en dat geesten neerstrijken in je ogen en heen en weer wiegen en beginnen te neuriën. Sommige dromen hebben het gewicht van een geweten.

(denkt u: een bezwaard geweten of een zuiver geweten?)

Of van een ineens heel erg fimies beeld, of zou ik zeggen een Heel Erg Filmies Beeld (HEFB, kan dat nog wat worden in deze aan acroniemen verslaafde tijden?) van een dode vogel langs een snelweg ergens in Amerika; iedere keer als er een gigantiese vrachtwagen voorbij dendert wajen zijn vleugels op. Dat zie je voor je, toch? Dat zie je toch zo voor je, lezer? Dat zou het openingsbeeld kunnen zijn van een of andere beklemmende, broeierige, lichtelijk bizarre woestijnfilm (bestaat dat als genre?) met mannen die hoofdzakelijk zwijgen. En met filmmuziek van Calexico.

En gesproken van muziek: een gedeelte van deze bundel las ik met Terre Sacer van Mark Molnar komend uit mijn telefoon (de cd EXO waarop dit straffe werkje te vinden is, moet mijn collectie vooralsnog helaas ontberen) en dat is muziek gelijk een ademhaling (vooropgesteld dat je violijnen zou kunnen ademen); en, zo bedacht ik, bedacht zittende denkende drinkende lezer, zo ook zou deze poëzie kunnen zijn: ademhalingen voor wie avonden kan ademen.

Daarmee bevat Ik leg de avond in een la helaas ook wel wat waaraan je al te gemakkelijk voorbij zou kunnen lezen. Hoe vaak concentreer je je immers op je ademhaling? Hoe vaak zie je een blad dwarrelen in de wind? Hoe vaak herinner je je een droom? Hoeveel avonden gingen voorbij voor je ze in een la kon leggen?

Misschien moet je deze bundel lezen als levensles.
Misschien moet je Ik leg de avond in een la enige tijd in een la leggen om te rijpen.

Dit is poëzie die zich niet onmiddellijk laat kennen. Soms bloedmooi, soms een groot vraagteken. Maar ik ben nu zeker benieuwd geraakt naar haar proza. En misschien ga ik De vegetariër wel in het Engels lezen. Eens zien waar het oproer over gaat.

Han Kang Ik leg de avond in een la

Ik leg de avond in een la

  • Auteur: Han Kang (Zuid-Korea)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Origineel: 서랍에 저녁을 넣어 두었다 (2013)
  • Nederlandse vertaling: Mattho Mandersloot
  • Uitgever: Nijgh & van Ditmar
  • Verschijnt: 3 december 2025
  • Omvang: 112 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 20,00
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de Han Kang dichtbundel

Han Kang onthult de volle pracht van haar schrijfstijl in deze dichtbundel, de eerste die in het Nederlands is vertaald. Ze roept de kleur van het einde van de dag op, de kou en de afwezigheid. Ook het lichaam komt aan bod, soms verzwakt, soms waakzaam voor de spiegel. De maan is vreemd, de herinnering aan de doden neemt de huizen over. Tot het licht terugkeert, tot vrouwen en mannen het duister verlaten.

Na het enorme succes van haar romans nodigt Han Kangs poëtische werk ons uit om een nieuw facet van de verbeeldingskracht van deze grote Zuid-Koreaanse schrijfster te ontdekken – een facet dat resoneert met haar verhalende werk. De thema’s en de oneindige verfijning van haar verzen maken Ik leg de avond in een la een essentiële onderdompeling in haar unieke wereld.

Han Kang is geboren op 27 november 1970 in Gwangju, Zuid-Korea. Ze studeerde aan de Yonsei Universiteit in Seoel, Zuid-Korea. Ze won vele nationale en internationale prijzen voor haar werk, waaronder de International Man Booker Prize voor de wereldwijde bestseller De vegetariër. Ook Mensenwerk en Wit werden lovend ontvangen. Momenteel doceert ze creatief schrijven aan het Seoul Institute of the Arts. Haar nieuwe roman Ik zeg geen vaarwel is in 2023 verschenen. In 2024 won ze de Nobelprijs voor de Literatuur ‘voor haar intense poëtische proza dat historische trauma’s onderzoekt en de kwetsbaarheid van het menselijk leven blootlegt’.

Bijpassende boeken en informatie

Inger Christensen – Alfabet

Inger Christensen Alfabet recensie en informatie gedichten en dichtbundel van de dichteres uit Denemarken. Op 20 november 2025 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van Alfabet, de bundel met gedichten uit 1981 van Inger Christensen, de Deense dichteres. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Inger Christensen Alfabet recensie

  • De ecologische crisis vormt het uitgangspunt voor een deels extatische hommage aan de wereld en de natuur, die ondanks alles nog steeds gevonden wordt: deels in de actieve zin dat ze bestaat, deels in de passieve zin dat ze ontdekt en begrepen wordt – door de dichter en door ons.” (Erik Skyum-Nielsen)
  • “Deze gedichten zijn een schitterende bevestiging van het leven. Een lofzang op de natuur, in eenvoudige, bijna kale taal en heldere zinnen, met maar weinig bijvoeglijke naamwoorden. De abrikozenbomen, de bramen, de ceder, de duiven, de herfst – je ziet ze, voelt ze, ruikt ze.” (Janita Monna, Trouw)
  • “Ondanks de strenge structuur die haar werk vormde – of, waarschijnlijker, juist daardoor – was Christensens stijl lyrisch, zelfs speels.” (New York Times)

Inger Christensen Alfabet

Alfabet

  • Auteur: Inger Christensen (Denemarken)
  • Voorwoord: Claire-Louise Bennett
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Origineel: Alfabet (1981)
  • Nederlandse vertaling: Annelies van Hees
  • Uitgever: Koppenik
  • Verschijnt: 20 november 2025
  • Omvang: 72 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 22,50
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de gedichten van Inger Christensen de Deense dichteres

Inger Christensen, de meest bewonderde dichter van Denemarken, schreef met alfabet een van de opzienbarendste dichtbundels van de twintigste eeuw. Geordend volgens de Fibonacci-reeks, waarin elk getal de som is van de twee voorgaande getallen – een patroon dat ook in de natuur zichtbaar is –, ontstaat een raamwerk van psalmachtige strofes die zich ontvouwen als een uitdijend universum.  

Alfabet, in een herziene vertaling van Annelies van Hees, biedt naast de complexe structuur een zoektocht naar het metafysische in het dagelijks leven en een diep begrip van de voortdurende dreiging van de catastrofe. Dit maakt Inger Christensens poëzie juist nu urgenter dan ooit tevoren.  

Inger Christensen is op 16 januari 1935 geboren in Vejle, Denemakren. Ze was een Deense dichter, romanschrijver, essayist en toneelschrijver. Christensen behoort tot de belangrijkste Scandinavische dichters van haar generatie. Aan het einde van haar leven werd ze voortdurend genoemd als kandidaat voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Op 2 januari 2009 overleed Inger Christensen in Kopenhagen. Ze was 73 jaar oud.

Bijpassende boeken en informatie

Lévi Weemoedt – Vreugde heeft geen vat op mij

Lévi Weemoedt Vreugde heeft geen vat op mij recensie en informatie nieuw boek met gedichten va n de Nederlandse dichter. Op 18 november 2025 verschijnt bij Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar het nieuwe boek van met poëzie Lévi Weemoedt, de uit Nederland afkomstige dichter. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Lévi Weemoedt Vreugde heeft geen vat op mij recensie

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Vreugde heeft geen vat op mij, het nieuwe boek met gedichten van Lévi Weemoedt, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Lévi Weemoedt Vreugde heeft geen vat op mij

Vreugde heeft geen vat op mij

  • Auteur: Lévi Weemoedt (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Nijgh & Van Ditmar
  • Verschijnt: 18 november 2025
  • Omvang: 112 pagina’s
  • Uitgave: gebonden boek / ebook
  • Prijs: € 16,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de nieuwe dichtbundel van Lévi Weemoedt

Ik voel mijn tijd ten einde snellen.
Ik ga de doodgraver vast bellen:
‘Doodgraver! Begin maar aan mijn graf.
Ik kom eraan. En op een draf!’

Doodsverlangen, het is een vast thema in het oeuvre van Lévi Weemoedt. Maar het begint nu toch echt op te schieten. In zijn nieuwe bundel Vreugde heeft geen vat op mij maakt Weemoedt de balans op. Hij blikt terug op zijn onnozele kinderjaren en zijn roemloze liefdesleven. Steeds korter worden zijn verzen, maar des te pregnanter. En wat worden we vrolijk van zo veel droefenis!

Lévi Weemoedt is geboren op 22 oktober 1948 in Geldrop. Hij is schrijver van korte verhalen en gedichten, die hij als geen ander voor publiek ten gehore brengt. Zijn dichtbundels zijn onverminderd populair. Daarnaast schreef hij de roman De ziekte van Lodesteijn, een ‘minor classic’ aldus de kritiek. In 2021 verscheen het vervolg daarop: Het nut van Lodesteijn. De bundel met gedichten Het leven is zo eenzaam niet verscheen in oktober 2021

Bijpassende informatie

Maxime Garcia Diaz – Het netwerk moet gebouwd worden

Maxime Garcia Diaz Het netwerk moet gebouwd worden recensie, review en informatie over de inhoud van het nieuwe boek met gedichten. Op 13 november 2025 verschijnt bij Uitgeverij De Bezige Bij de nieuwe dichtbundel van Maxime Garcia Diaz, de Nederlandse schrijfster. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Maxime Garcia Diaz Het netwerk moet gebouwd worden recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Het netwerk moet gebouwd worden, het boek met gedichten van Maxime Garcia Diaz, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

Maar eigenlijk was mijn dochter dus de aanleiding. Want ze werd elf en ze wilde met het hele gezin naar de stad, ze wilde winkelen, en ik wist wel dat dat ook een werkwoord kon zijn maar toch verbaasde het me. En dus in de stad liepen we, in het sentrum van Utrecht liepen we, en ik dacht hier loop ik nooit, over de oude gracht liepen we, en ik dacht, als student kwam ik hier geregeld maar nu kom ik hier nooit meer. Het was zondag. We waren allemaal vrij en we liepen. En Broese was open, verrek, het is zondag en Broese is open dacht ik, en ik wilde naar binnen want hoe vaak kom ik nu helemaal in een boekhandel, in het dorp waar we nu wonen is geen boekhandel, wel een hele gekke winkel die tegelijkertijd huishoudwinkel, opticien, ING- en postkantoor, biologiese supermarkt, speelgoedwinkel, en ook wat boeken verkopende tijdschriftenhandel is, daar heb ik wel eens een Lauwereyns uit de voordeelbakken gevist, monkey business, in zoon idiote winkel gekocht dat ik het nog altijd niet heb durven lezen, Lauwereyns of niet. Maar Broese is een echte boekhandel, een hele grote boekhandel van meerdere verdiepingen, het doet mijn hart deugd dat dat nog kan blijven bestaan, ontlezing zeggen de mensen, maar in het vast niet goedkope sentrum van Utrecht, vooraan op de oude gracht, is een hele grote, misschien net iets te moje boekhandel, en die is open op zondag, en het was er druk ook, misschien omdat er iemand sprak, ik weet het niet, mensen in een boekhandel, er is zoveel, ik wou filosofie, ik wou engelstalig, ik wou proza, ik wou poëzie maarja ik ben de enige boekenliefhebber in het gezin en ik wou niet alle anderen op me laten wachten, ten slotte was het de verjaardag van mijn dochter en niet die van mij, dus ik beperkte me tot de poëziekast. En er sprak iemand, heb ik dat al gezegd, er sprak iemand, iemand werd geïnterviewd, een engelsman, ik meende die stem wel te kennen, volgens mij zoon mannetje dat er op de staatstelevisie wordt bijgehaald als het over klassieke muziek gaat, ik dacht hem wel te kennen, later speelde hij nog iets, cello docht mij en het was niet slecht docht mij, wie was het weer, ik hoefde mijn kop maar boven de poëziekast uit te steken om het te zien maar ik wilde mijn kop niet boven de poëziekast uitsteken, ik wilde de poëziekast en niets dan de poëziekast, best een grote poëziekast hebben ze daar en ik wilde hem helemaal zien en voelen en besnuffelen en betasten en lezen en kijken en zien en zien en zien. Er was moois te vinden. Er werd moois gevonden. Een bundel van Radna Fabias bijvoorbeeld & ik wilde al zo lang een keer een bundel van Radna Fabias, waarom belanden zulke dingen nou nooit eens spontaan op mijn recenseertafel?, en ook dit.

Dit.
Dit is.
Dit is dit.

Maxime Garcia Diaz, ik kende haar eerlijk gezegd niet, Het netwerk moet gebouwd worden. Is wat dit is. Is. Hybride, noemen ze dat niet zo? Want het is poëzie, uiteraard is het poëzie, het stond in de poëziekast dus het moet haast wel poëzie zijn. Maar het is ook techniekfilosofie. Een geschiedenis van het internet. Dag- en fotoboek. Reisverslag. Meer nog – want Sybilaanval is een krankzinnige theatertekst met een uiterst beckettiaanse mis-en-scene. En evengoed zijn er politicologische en sociologische en feministische overpeinzingen. Niet alles is rechtstreeks van Garcia Diaz; rode teksten komen ergens anders vandaan en blauwe teksten komen uit een vertaalmachine. Vele werkelijkheden komen samen dit ongekend intrigerende boek.

Intrigerend in weerwil van alles.

Alles zijnde die dingen die normaal gezien mijn interesse niet hebben. Zoals. Haast alles dat hier aan de orde gesteld wordt.

Maar ik ben oud, Maxime Garcia Diaz, vind je het goed als ik dat als excuus aanvoer?

Ik ben één van die mensen. Ik heb het internet zien komen. Toen ik kind was, was het er nog niet. Wij hadden thuis wel een computer, niet veel mensen hadden een computer, mensen uit de straat kwamen bij ons binnen om te kijken naar de computer. Maar internet hadden we niet. Toen ik studeerde had je van die gasten, mensen als Chananja en Sandra enzo, en die gingen in de pauzes naar het computerlokaal om te “internetten”, het leek iets te zijn om de verveling te verdrijven, een aktiviteit ofzo, je kon misschien net zo goed gaan pingpongen. En toen, later, leek het meer te zijn dan dat. Een Grote Broer. Een dwingeland. Een hulpmiddel dat jou net zo goed dwong als andersom. Het leek me ook iets dat dingen kapot kon maken, ik herinner me spreken met iemand, ergens halfweg de negentiger jaren, over internet in deze trant, en dat mijn gesprekspartner zei Maar als journalist kan jij straks niet om internet heen, en ik zei Wie zegt jou dat ik journalist ben of zijn wil, en waarom kan ik niet om het internet heen, staat dat dan straks voor mijn huis ofzo en moet ik door het internet heen als ik boodschappen wil gaan doen?, want ik dacht nog, toen, dat het iets marginaals kon zijn en blijven, iets dat zou overwajen misschien, er waren tijden dat het er niet was en waarom zouden er geen tijden aanbreken dat het weer weg was. Maar Maxime Garcia Diaz is een millennial, die heeft nooit anders geweten. Die heeft het niet zien komen. Die heeft het aangetroffen. Zoals ik televisie aantrof, en de supermarkt, en auto’s. Zoals mijn kinderen internet aantreffen, en computerspellen, en youtube. En hoe je reflecteert op dingen die je aantreft is anders dan hoe je reflecteert op dingen die je hebt zien komen. En daarom. Intrigeert Het netwerk moet gebouwd worden.

Of Amerika. Maxime Garcia Diaz heeft iets met Amerika, het zit in de genen, ze was daar verschillende malen. Ik was ook ooit in Amerika, in Kentucky dan nog, het is enige tijd her, Bill Clinton was daar toen president, ik vind het een fascinerend land maar ik vind het geen boeiend land, maar Garcia Diaz heeft daar notoire voetstappen liggen, mijn god, Elizabeth Willis was haar scriptiebegeleider, ik zou een moord doen om Elizabeth Willis als scriptiebegeleider te hebben gehad, wat een prachtbundel Address was, tel je zegeningen met zo een scriptiebegeleider, publiceert ze tegenwoordig niet bij New Directions, wat een geniale uitgeverij is dat zeg.

(tegelijk met Het netwerk moet gebouwd worden komt een engelstalige versie uit, die is mij even ontgaan, die stond niet in die poëziekast misschien bij engelstalig maar daar heb ik om vermelde redenen niet meer kunnen kijken, zou het niet wat zijn als de engelstalige versie van dit boek bij new directions uitgekomen is?)

Maxime Garcia Diaz bestrijkt levens, era’s, werelden en haast alles kun je in dit boek wel tegenkomen. Iemand steekt de sociale huurwoning in brand terwijl iemand anders nog binnen was en voelt daarover geen spijt. Honger gaat dood, maag gaat dood, vijand gaat dood. Communistische penetraties in het politieke lichaam. Het geboorterecht van een cybernetische organisatie. Autopoëse versus allopoëse. Deep blue. Kasparov. Een datacenter met een skeuomorfische kramp. (en ik dacht aan die amerikaanse auto’s die eruit zien alsof ze deels van hout gemaakt zijn) (en het datacenter huilt en de hele stad heeft last van verbindingsproblemen). Latour die zegt: Netwerken hebben geen binnenkant, ze bestaan alleen uit randen en Steyerl die zegt: Het internet is niet dood, het is ondood en het is overal. (en Latour dat zal dan wel Bruno Latour zijn maar die Steyerl, die ken ik niet). Computerspellen die ik ten hoogste van naam ken. De Sims, Neopets, Travel Town. Wat je mee zou nemen als je huis in brand stond (Jean Cocteau zou de brand meenemen). Een vader die sterft (althans ik denk dat het de vader is en ook dat hij een niet heel aardige man was) (later vraag ik me af of ik dat laatste oordeel niet moet bijstellen). En een hele moje vrouw een onvoorstelbaar moje vrouw een ongekend moje vrouw heeft een tandenborstel in haar mond.

En al denk ik niet dat ik Imago van Octavio Butler ooit zou willen lezen.
En al is Heal van Strand Oaks niet zoon heel erg goede seedee.
En al is Sophie Schwartz toch wel een heel klein beetje overschat.
En al is Lana Del Ray – ofnee laat maar.
Of Sylvia Plath. Ik herinner me mijn buurman, mijn voormalig buurman, en hoe hij een keer, op straat (want ik kwam hem tegen toen ik een vuilniszak ging weggojen) stond te betogen dat hij Sylvia Plath maar een aanstelster vond, en ik heel erg woke wilde zijn en iets wilde zeggen over Ted Hughes en ook iets over de man in het algemeen maar alles wat ik kon zeggen was dat ik ondanks herhaalde pogingen nooit door De Glazen Stolp was heen gekomen.

Ondanks al die dingen.

Of, wie weet, dank zij.

Weet ik me gegrepen.
Zo heel erg vast gegrepen. Tweehonderdvijftig pagina’s lang.

Door de foto’s de onderwerpen de stijlen de afwisseling, of zinnen.

Zinnen als “Toen ik een Amerikaan was / heette ik Meilissa”; “Toen ik een meisje was zat ik op de computer / Toen ik op de computer zat was ik een god/ / probleem/ Amerikaan/ volwassen man/zoon / van mijn vader/lichaam in wachtstand.”; “ik ben nooit offline gegaan”; “wij weten dat Pepto-Bismol roze is / maar we weten niet wat Pepto-Bismol is”; “ik wil niet naar België ik wil dood”; “in het ziekenhuis vuur ik een machinegeweer af / om hen god te laten vrezen”; “nooit voor Amerika buigen”; “als er een introverte Amerikaan wordt geboren / nemen ze hem mee naar de achtertuin / en schieten hem af” –

en ik denk aan het internet of body en aan alles wat ik vreesde en aan de dystopie die ons wacht.

Of misschien.

Dit is alles gezien door de ogen van een millennial.
Ik sprak een millennial ooit. Op een van mijn postrondes. Ze deed me denken aan Iris. Wat een ontzettend fantastisch gesprek zich ontspon. Ze deed de academische pabo, liep stage, en vond “de huidige generatie” al iets om zich over te verbazen, en ik weet niet of dat me heel erg oud deed voelen of juist weer een heel stuk jonger. Maar Het netwerk moet gebouwd worden deed mij, iemand die het internet heeft zien komen (zei ik dat al?), denken aan de nuttige ficties van Hans Vaihinger, hoe kantiaans wil je de wereld hebben, de narratieven die we hanteren om de wereld kenbaar beheersbaar overzichtelijk te maken, misschien is alles online niet anders dan een nuttige fictie, “de handelingen ceremoniëel maar echt”. Er is geen onderscheid tussen het alsof en de voeten op de grond – er is geen ding an sich, alleen wat wij ervan maken.

Het netwerk moet gebouwd worden sloopt het karkas van je zienswijzen en start daarna opnieuw op. En krachtiger dan dat zul je poëzie nooit krijgen. Dus wacht niet tot uw dochter jarig is maar haast u. Want ja. Zo mooi dus kan literatuur zijn.

Maxime Garcia Diaz Het netwerk moet gebouwd worden

Het netwerk moet gebouwd worden

  • Auteur: Maxime Garcia Diaz (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: De Bezige Bij
  • Verschijnt: 13 november 2025
  • Omvang: 240 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 25,00
  • Bestelmogelijkheden boek >

Flaptekst van de nieuwe dichtbundel van Maxime Garcia Diaz

Wat is een computer? Is de Amerikaanse eeuw al voorbij? Alles gaat dood, dood, dood. De stad, het internet, ____ _____. Het netwerk moet gebouwd worden is een hybride poëziebundel, gelijktijdig uitgegeven in het Nederlands en Engels, die verschillende vormen en genres mengt om een labyrintische geschiedenis op te tekenen. Deze veelvormige bundel trekt als een verwrongen reisverslag langs de data centers van Nederland en de siliconen valleien van Amerika, langs een Amsterdamse kindertijd en een universiteitsstad in Iowa.

Het netwerk moet gebouwd wordenis een persoonlijk onderzoek naar het dode scherm, de geannuleerde stad, het falen van taal en representatie, naar de waanzinscène en het kraakpand, de servers en de sociale huurwoningen, verlies en verzet. Deze computer spreekt Engels omdat hij Amerikaanse botten heeft; deze machine vermoordt fascisten omdat ze wil moorden. Alles gaat dood, behalve Neopets.

Maxime Garcia Diaz schrijft poëzie en proza in zowel het Nederlands als het Engels. Ze studeerde cultuurwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en poëzie aan de Iowa Writers’ Workshop. In 2019 won ze het NK Poetry Slam. Ze debuteerde in 2021 met Het is warm in de hivemind, een bundel die lovend werd ontvangen en bekroond met de C. Buddingh’-prijs, de prijs voor het beste poëziedebuut van het jaar. Haar tweede poëziebundel, Het netwerk moet gebouwd worden verscheen in november 2025 in het Nederlands en Engels.

Bijpassende boeken

Kamau Brathwaite – Equinox

Kamau Brathwaite Equinox review and information of the content of the never-before-published poetry by the writer from Barbados. New Directions will publish the poetry collection of Kamau Brathwaite, on July 7, 2026. Here you can read information about the content of the book, the author and the publication.

Kamau Brathwaite Equinox reviews

  • “Kamau Brathwaite is one of the most important poets in the Western Hemi sphere. A musicianly sensibility of sharp political reference.” (Amiri Baraka)
  • “A brilliant new collection by the great Caribbean writer and scholar: “an engaging, deep-hearted, strong-spirited, and richly musical poet.” (The Multicutural Review)

Kamau Brathwaite Equinox

Equinox

  • Author: Kamau Brathwaite (Barbados)
  • Book type: poems
  • Publisher: New Directions Publishing
  • Released: July 3, 2026
  • Length: 160 pages
  • Format: paperback / ebook
  • Prize: $ 17,95
  • Order book from: Amazon / Bol

Blurb of the Kamau Brathwait poetry book

Equinox is an unforgettable and never-before-published masterwork completed by Kamau Brathwaite before his death in 2020. Written in his unique Sycorax typeface and replete with compelling images and photographs, Equinox contains poems written in Brathwaite’s singular Barbadian vernacular and visionary style—poems about the Middle Passage, the natural world, Billie Holiday, Whitney Houston, the Kumina dance in Jamaica, Nelson and Winnie Mandela, the Fukushima nuclear disaster in Japan, and Breughel’s painting “Landscape with the Fall of Icarus,” among many tidalectic topics.

The lyrical poems in Equinox weave together history and culture with the imagery of Brathwaite’s native Barbados, weaving a lush tapestry of injustice, redemp tion, and hope.

Edward Kamau Brathwaite was born on May 11, 1930 in Bridgetown, Barbados. He was a Caribbean writer and critic who writes on the experience of black cultural life throughout the worldwide African diaspora. Born in Bridgetown, Barbados, Brathwaite was educated in Barbados and England and has received numerous awards for his poetry and cultural studies, including both Guggenheim and Fulbright Fellowships. He has been a professor of Comparative Literature at New York University since 1992 and was awarded an Honorary Doctorate from the University of Sussex in 2002. He died aged 89 on February 4, 2020 in Barbados.

Matching books