Tag archieven: Tim Donker

Maxime Garcia Diaz – Het netwerk moet gebouwd worden

Maxime Garcia Diaz Het netwerk moet gebouwd worden recensie, review en informatie over de inhoud van het nieuwe boek met gedichten. Op 13 november 2025 verschijnt bij Uitgeverij De Bezige Bij de nieuwe dichtbundel van Maxime Garcia Diaz, de Nederlandse schrijfster. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Maxime Garcia Diaz Het netwerk moet gebouwd worden recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Het netwerk moet gebouwd worden, het boek met gedichten van Maxime Garcia Diaz, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

Maar eigenlijk was mijn dochter dus de aanleiding. Want ze werd elf en ze wilde met het hele gezin naar de stad, ze wilde winkelen, en ik wist wel dat dat ook een werkwoord kon zijn maar toch verbaasde het me. En dus in de stad liepen we, in het sentrum van Utrecht liepen we, en ik dacht hier loop ik nooit, over de oude gracht liepen we, en ik dacht, als student kwam ik hier geregeld maar nu kom ik hier nooit meer. Het was zondag. We waren allemaal vrij en we liepen. En Broese was open, verrek, het is zondag en Broese is open dacht ik, en ik wilde naar binnen want hoe vaak kom ik nu helemaal in een boekhandel, in het dorp waar we nu wonen is geen boekhandel, wel een hele gekke winkel die tegelijkertijd huishoudwinkel, opticien, ING- en postkantoor, biologiese supermarkt, speelgoedwinkel, en ook wat boeken verkopende tijdschriftenhandel is, daar heb ik wel eens een Lauwereyns uit de voordeelbakken gevist, monkey business, in zoon idiote winkel gekocht dat ik het nog altijd niet heb durven lezen, Lauwereyns of niet. Maar Broese is een echte boekhandel, een hele grote boekhandel van meerdere verdiepingen, het doet mijn hart deugd dat dat nog kan blijven bestaan, ontlezing zeggen de mensen, maar in het vast niet goedkope sentrum van Utrecht, vooraan op de oude gracht, is een hele grote, misschien net iets te moje boekhandel, en die is open op zondag, en het was er druk ook, misschien omdat er iemand sprak, ik weet het niet, mensen in een boekhandel, er is zoveel, ik wou filosofie, ik wou engelstalig, ik wou proza, ik wou poëzie maarja ik ben de enige boekenliefhebber in het gezin en ik wou niet alle anderen op me laten wachten, ten slotte was het de verjaardag van mijn dochter en niet die van mij, dus ik beperkte me tot de poëziekast. En er sprak iemand, heb ik dat al gezegd, er sprak iemand, iemand werd geïnterviewd, een engelsman, ik meende die stem wel te kennen, volgens mij zoon mannetje dat er op de staatstelevisie wordt bijgehaald als het over klassieke muziek gaat, ik dacht hem wel te kennen, later speelde hij nog iets, cello docht mij en het was niet slecht docht mij, wie was het weer, ik hoefde mijn kop maar boven de poëziekast uit te steken om het te zien maar ik wilde mijn kop niet boven de poëziekast uitsteken, ik wilde de poëziekast en niets dan de poëziekast, best een grote poëziekast hebben ze daar en ik wilde hem helemaal zien en voelen en besnuffelen en betasten en lezen en kijken en zien en zien en zien. Er was moois te vinden. Er werd moois gevonden. Een bundel van Radna Fabias bijvoorbeeld & ik wilde al zo lang een keer een bundel van Radna Fabias, waarom belanden zulke dingen nou nooit eens spontaan op mijn recenseertafel?, en ook dit.

Dit.
Dit is.
Dit is dit.

Maxime Garcia Diaz, ik kende haar eerlijk gezegd niet, Het netwerk moet gebouwd worden. Is wat dit is. Is. Hybride, noemen ze dat niet zo? Want het is poëzie, uiteraard is het poëzie, het stond in de poëziekast dus het moet haast wel poëzie zijn. Maar het is ook techniekfilosofie. Een geschiedenis van het internet. Dag- en fotoboek. Reisverslag. Meer nog – want Sybilaanval is een krankzinnige theatertekst met een uiterst beckettiaanse mis-en-scene. En evengoed zijn er politicologische en sociologische en feministische overpeinzingen. Niet alles is rechtstreeks van Garcia Diaz; rode teksten komen ergens anders vandaan en blauwe teksten komen uit een vertaalmachine. Vele werkelijkheden komen samen dit ongekend intrigerende boek.

Intrigerend in weerwil van alles.

Alles zijnde die dingen die normaal gezien mijn interesse niet hebben. Zoals. Haast alles dat hier aan de orde gesteld wordt.

Maar ik ben oud, Maxime Garcia Diaz, vind je het goed als ik dat als excuus aanvoer?

Ik ben één van die mensen. Ik heb het internet zien komen. Toen ik kind was, was het er nog niet. Wij hadden thuis wel een computer, niet veel mensen hadden een computer, mensen uit de straat kwamen bij ons binnen om te kijken naar de computer. Maar internet hadden we niet. Toen ik studeerde had je van die gasten, mensen als Chananja en Sandra enzo, en die gingen in de pauzes naar het computerlokaal om te “internetten”, het leek iets te zijn om de verveling te verdrijven, een aktiviteit ofzo, je kon misschien net zo goed gaan pingpongen. En toen, later, leek het meer te zijn dan dat. Een Grote Broer. Een dwingeland. Een hulpmiddel dat jou net zo goed dwong als andersom. Het leek me ook iets dat dingen kapot kon maken, ik herinner me spreken met iemand, ergens halfweg de negentiger jaren, over internet in deze trant, en dat mijn gesprekspartner zei Maar als journalist kan jij straks niet om internet heen, en ik zei Wie zegt jou dat ik journalist ben of zijn wil, en waarom kan ik niet om het internet heen, staat dat dan straks voor mijn huis ofzo en moet ik door het internet heen als ik boodschappen wil gaan doen?, want ik dacht nog, toen, dat het iets marginaals kon zijn en blijven, iets dat zou overwajen misschien, er waren tijden dat het er niet was en waarom zouden er geen tijden aanbreken dat het weer weg was. Maar Maxime Garcia Diaz is een millennial, die heeft nooit anders geweten. Die heeft het niet zien komen. Die heeft het aangetroffen. Zoals ik televisie aantrof, en de supermarkt, en auto’s. Zoals mijn kinderen internet aantreffen, en computerspellen, en youtube. En hoe je reflecteert op dingen die je aantreft is anders dan hoe je reflecteert op dingen die je hebt zien komen. En daarom. Intrigeert Het netwerk moet gebouwd worden.

Of Amerika. Maxime Garcia Diaz heeft iets met Amerika, het zit in de genen, ze was daar verschillende malen. Ik was ook ooit in Amerika, in Kentucky dan nog, het is enige tijd her, Bill Clinton was daar toen president, ik vind het een fascinerend land maar ik vind het geen boeiend land, maar Garcia Diaz heeft daar notoire voetstappen liggen, mijn god, Elizabeth Willis was haar scriptiebegeleider, ik zou een moord doen om Elizabeth Willis als scriptiebegeleider te hebben gehad, wat een prachtbundel Address was, tel je zegeningen met zo een scriptiebegeleider, publiceert ze tegenwoordig niet bij New Directions, wat een geniale uitgeverij is dat zeg.

(tegelijk met Het netwerk moet gebouwd worden komt een engelstalige versie uit, die is mij even ontgaan, die stond niet in die poëziekast misschien bij engelstalig maar daar heb ik om vermelde redenen niet meer kunnen kijken, zou het niet wat zijn als de engelstalige versie van dit boek bij new directions uitgekomen is?)

Maxime Garcia Diaz bestrijkt levens, era’s, werelden en haast alles kun je in dit boek wel tegenkomen. Iemand steekt de sociale huurwoning in brand terwijl iemand anders nog binnen was en voelt daarover geen spijt. Honger gaat dood, maag gaat dood, vijand gaat dood. Communistische penetraties in het politieke lichaam. Het geboorterecht van een cybernetische organisatie. Autopoëse versus allopoëse. Deep blue. Kasparov. Een datacenter met een skeuomorfische kramp. (en ik dacht aan die amerikaanse auto’s die eruit zien alsof ze deels van hout gemaakt zijn) (en het datacenter huilt en de hele stad heeft last van verbindingsproblemen). Latour die zegt: Netwerken hebben geen binnenkant, ze bestaan alleen uit randen en Steyerl die zegt: Het internet is niet dood, het is ondood en het is overal. (en Latour dat zal dan wel Bruno Latour zijn maar die Steyerl, die ken ik niet). Computerspellen die ik ten hoogste van naam ken. De Sims, Neopets, Travel Town. Wat je mee zou nemen als je huis in brand stond (Jean Cocteau zou de brand meenemen). Een vader die sterft (althans ik denk dat het de vader is en ook dat hij een niet heel aardige man was) (later vraag ik me af of ik dat laatste oordeel niet moet bijstellen). En een hele moje vrouw een onvoorstelbaar moje vrouw een ongekend moje vrouw heeft een tandenborstel in haar mond.

En al denk ik niet dat ik Imago van Octavio Butler ooit zou willen lezen.
En al is Heal van Strand Oaks niet zoon heel erg goede seedee.
En al is Sophie Schwartz toch wel een heel klein beetje overschat.
En al is Lana Del Ray – ofnee laat maar.
Of Sylvia Plath. Ik herinner me mijn buurman, mijn voormalig buurman, en hoe hij een keer, op straat (want ik kwam hem tegen toen ik een vuilniszak ging weggojen) stond te betogen dat hij Sylvia Plath maar een aanstelster vond, en ik heel erg woke wilde zijn en iets wilde zeggen over Ted Hughes en ook iets over de man in het algemeen maar alles wat ik kon zeggen was dat ik ondanks herhaalde pogingen nooit door De Glazen Stolp was heen gekomen.

Ondanks al die dingen.

Of, wie weet, dank zij.

Weet ik me gegrepen.
Zo heel erg vast gegrepen. Tweehonderdvijftig pagina’s lang.

Door de foto’s de onderwerpen de stijlen de afwisseling, of zinnen.

Zinnen als “Toen ik een Amerikaan was / heette ik Meilissa”; “Toen ik een meisje was zat ik op de computer / Toen ik op de computer zat was ik een god/ / probleem/ Amerikaan/ volwassen man/zoon / van mijn vader/lichaam in wachtstand.”; “ik ben nooit offline gegaan”; “wij weten dat Pepto-Bismol roze is / maar we weten niet wat Pepto-Bismol is”; “ik wil niet naar België ik wil dood”; “in het ziekenhuis vuur ik een machinegeweer af / om hen god te laten vrezen”; “nooit voor Amerika buigen”; “als er een introverte Amerikaan wordt geboren / nemen ze hem mee naar de achtertuin / en schieten hem af” –

en ik denk aan het internet of body en aan alles wat ik vreesde en aan de dystopie die ons wacht.

Of misschien.

Dit is alles gezien door de ogen van een millennial.
Ik sprak een millennial ooit. Op een van mijn postrondes. Ze deed me denken aan Iris. Wat een ontzettend fantastisch gesprek zich ontspon. Ze deed de academische pabo, liep stage, en vond “de huidige generatie” al iets om zich over te verbazen, en ik weet niet of dat me heel erg oud deed voelen of juist weer een heel stuk jonger. Maar Het netwerk moet gebouwd worden deed mij, iemand die het internet heeft zien komen (zei ik dat al?), denken aan de nuttige ficties van Hans Vaihinger, hoe kantiaans wil je de wereld hebben, de narratieven die we hanteren om de wereld kenbaar beheersbaar overzichtelijk te maken, misschien is alles online niet anders dan een nuttige fictie, “de handelingen ceremoniëel maar echt”. Er is geen onderscheid tussen het alsof en de voeten op de grond – er is geen ding an sich, alleen wat wij ervan maken.

Het netwerk moet gebouwd worden sloopt het karkas van je zienswijzen en start daarna opnieuw op. En krachtiger dan dat zul je poëzie nooit krijgen. Dus wacht niet tot uw dochter jarig is maar haast u. Want ja. Zo mooi dus kan literatuur zijn.

Maxime Garcia Diaz Het netwerk moet gebouwd worden

Het netwerk moet gebouwd worden

  • Auteur: Maxime Garcia Diaz (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: De Bezige Bij
  • Verschijnt: 13 november 2025
  • Omvang: 240 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 25,00
  • Bestelmogelijkheden boek >

Flaptekst van de nieuwe dichtbundel van Maxime Garcia Diaz

Wat is een computer? Is de Amerikaanse eeuw al voorbij? Alles gaat dood, dood, dood. De stad, het internet, ____ _____. Het netwerk moet gebouwd worden is een hybride poëziebundel, gelijktijdig uitgegeven in het Nederlands en Engels, die verschillende vormen en genres mengt om een labyrintische geschiedenis op te tekenen. Deze veelvormige bundel trekt als een verwrongen reisverslag langs de data centers van Nederland en de siliconen valleien van Amerika, langs een Amsterdamse kindertijd en een universiteitsstad in Iowa.

Het netwerk moet gebouwd wordenis een persoonlijk onderzoek naar het dode scherm, de geannuleerde stad, het falen van taal en representatie, naar de waanzinscène en het kraakpand, de servers en de sociale huurwoningen, verlies en verzet. Deze computer spreekt Engels omdat hij Amerikaanse botten heeft; deze machine vermoordt fascisten omdat ze wil moorden. Alles gaat dood, behalve Neopets.

Maxime Garcia Diaz schrijft poëzie en proza in zowel het Nederlands als het Engels. Ze studeerde cultuurwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en poëzie aan de Iowa Writers’ Workshop. In 2019 won ze het NK Poetry Slam. Ze debuteerde in 2021 met Het is warm in de hivemind, een bundel die lovend werd ontvangen en bekroond met de C. Buddingh’-prijs, de prijs voor het beste poëziedebuut van het jaar. Haar tweede poëziebundel, Het netwerk moet gebouwd worden verscheen in november 2025 in het Nederlands en Engels.

Bijpassende boeken

L.H. Wiener – In verlatenheid

L.H. Wiener In verlatenheid recensie en informatie autobiografische roman van de Nederlandse schrijver. Op 5 november 2025 verschijnt bij Uitgeverij Pluim het boek van L.H. Wiener. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

L.H. Wiener In verlatenheid recensie van Tim Donker

L.H. Wiener, een man met zo’n uitgebreide bibliografie, en zo’n bekende naam, maar wat las ik van hem?, ik weet dat Nestor in mijn kast staat, mijn kast nog te lezen, ben in dat Nestor een paar keer in begonnen maar ik kom er gek genoeg nooit doorheen, ging het niet over een vogel ofzo?, ik weet het niet meer en kan het boek ook niet meer vinden, het stond, het staat, het hoort te staan in mijn kast nog te lezen, ooit twee IKEA-boekenkasten vol, in de kamer hier recht boven, bedoeld, ooit, als werkkamer maar niemand werkt er ooit en bij en bij wordt het meer een opslagkamer, de twee IKEA-boekenkasten (Billy heten die geloof ik) zijn overstroomd, en er staan nu vele rijen boeken voor, boeken nog te lezen, ik wil altijd veel meer boeken lezen dan ik daadwerkelijk lees maar ik kan niet meer lezen, ik heb maar één  hoofd helaas, en voor die rijen en rijen boeken voor de boekenkasten zijn weer andere spullen gezet en daarvoor zijn inmiddels ook weer nieuwe rijen boeken gerezen, ergens in die kamer moet Nestor staan, ging het niet over een uil ofzo?, ik weet het niet meer, ik kwam er nooit doorheen, ik kocht het boek pas naderhand, toen ik al besloten had dat L.H. Wiener een goed schrijver was, maar wat had ik van hem gelezen dat me dat deed besluiten, was het een boek, of stond hij ooit in Raster misschien?, hij staat in mijn hoofd als een goed schrijver, maar een beetje latent, want ik kan het oordeel nu nergens meer aan verbinden, hij staat ook in mijn hoofd als een licht experimenteel schrijver, niet hardekern-experimenteel, maar wel iemand die zich van traditie en van stijlen en genres en de grenzen daartussen niet zoveel aantrekt, en In verlatenheid leek die indruk aanvankelijk te versterken.

Want ik kon me in eerste nog wel afvragen wat het nu precies was wat ik daar in mijn handen hield, een bewustzijnsstroom, een bundeling columns misschien, of zeg thematies verwante zkv’s, maar gaandeweg krijgt In verlatenheid toch steeds meer het karakter van een roman, of een novelle, ik weet niet exactelijk waar de grens ligt, 207 pagina’s praten we hier, maar een tamelik groot lettertiep, en een schrijfstijl die maakt dat je dit in een achternamiddag uitleest, wat geen kritiek wil zijn, integendeel misschien, ofnee dat ook weer niet, er zijn geen integendelen als het om literatuur gaat, nu eens is dit de beste manier om binnen te geraken, dan weer dat, een boek alleszins, laat ik het daarop houden, over een al wat oudere man, en omdat de tekst zelf al genoeg argumenten aandraagt om het als autobiografies te zien zal ik zo vermetel zijn in die oudere man Wiener zelve te vermoeden, die alleen is, een vrouw is weggegaan, de ook als Kenau gekende Laatste Vriendin, ze ging, en nu, in de woorden van Malcom Middleton: “now you’ve gone / and left me / and there’s nothing here / but a tenner in my pocket / and a fridge full of beer”, al zal het in Wieners geval eerder wijn zijn, een relatiebreukboek dus, is dat een term?, zonee dat munt ik hem graag bij dezen, relatiebreukliedjes zijn er vele toch?, vroeger noemde ik ze wel break up songs, dan ik kon ik dingen zeggen als “Ich mag dich einfach nicht mehr so van Tocotronic is misschien wel de mooiste break up song allertijden”, maar nu weet ik niet meer of dat wel helemaal waar is en zeker niet of het wel zo gezegd moet worden, in ieder geval toch, een boek over een man alleen, met zijn dagdagelijksheden, zijn bekommernissen, en zijn gedachten.

Natuurlijk is het dat laatste dat dit boek zo interessant maakt.

Wiener, of noem hem Lo, want zo wordt hij ergens in dit boek aangeschreven, peinst wat af, en dat is soms heel grappig, soms schrijnend, soms keelschroevend, soms ontroerend, soms platvloers, soms afgezaagd, soms mooi, soms pretentieus, als dat gaat in een leven, een mannenleven, het leven van een man alleen, een wat oudere man alleen, die zich doorheen zijn dagen slaat, nu Laatste Vriendin ervandoor is en je wel zoon beetje peinzen kunt dat de laatste benen van je leven hun beste tijd hebben gehad, zodat er in ieder geval veel meer herinneringen resten dan er nog vooruitzichten zijn, aan de auteur als kind of als jonge man, aan zijn tijd als leraar op een middelbare school, toen hij ijverde voor wat in modern jargon wel “de onderpresterende hoogbegaafde” heet, want tegenwoordig is iedereen hoogbegaafd, iets daaraan raakte me, vanwege, denk ik, mijn toch niet onintelligente zoon die er nu in 2 VWO met de per naar gooit, een nogal smotsige pet zelfs zou ik zeggen, precies om de reden die Wiener ergens in dit boek haarscherp omschrijft, inderdaad ziet hij heel het instituut school als saai en geestdodend, terwijl zijn geest, meen ik als vader, niet gedood mag worden, maar vliegen moet, ik wens hem een leraar toe als Wiener zegt te zijn geweest, en de dingen zijn geweest, in dit boek is vooral heel veel geweest, want als de weg vooruit nog maar weinig te zien laat, rest niks anders dan de achteruitkijk, maar dat zei ik al.

De dagdagelijksheid geeft tochtjes te zien door Haarlem, naar de bibliotheek, want daar, op zolder, doet Wiener klaarblijkelijk zijn schrijfwerk, ik heb iemand gekend die altijd naar een kaffee in Den Haag ging om te schrijven, een dichter was dat, niet meteen ’s lands bekendste dichter maar toch iemand met een redelijk aantal bundels op zijn naam, ik heb dat altijd een beetje aanstellerig gevonden, zo koket gaan zitten schijven in een publieke gelegenheid, terwijl schrijven bij uitstek iets is dat overal kan en waarvoor je zeker niet de deur uit hoeft, het kan in het bed waarin je wakker werd als het moet, zelf heb ik al eens tijdens het koken aan het aanrecht staan schrijven, maar misschien is het als je meer bent dat een hobbyschrijver of een piepklein besprekerken wel nodig om echt het huis uit te gaan om het werk te verzetten dat verzet moet worden en dat binnenshuis misschien bedolven zou worden onder was en vaat en zitten en treuren en wijn, of naar de winkel, ik vond die scene met die zwerver en die fiets wat anekdotisch van aard, de scene met de pubermeisjes ging wat mij betreft over een grens of drie of vier maar dat maakt het misschien des te openhartig, naar de jachthaven, want Wiener (ja ik hou vol dat hij het gewoon zelf is) heeft een zeilschip dat af en toe onderhoud nodig heeft, en varen misschien, dat poes Sarah hierbij verdronk is iets wat ik nog altijd niet verkroppen kan, maar ik ben een groot, een zeer groot, een heel erg groot kattenliefhebber, of, soms, naar een vrouw, misschien maar de buurvrouw, dan moet je niet te ver lopen, of anders allicht een niet ver uit de buurt wonende ex die hem, de ik, Lo, of, ja, Wiener, altijd als haar grote liefde is blijven zien, dat is mooi toch?, misschien een beetje triest als er veertig contactloze jaren zijn geweest, maar het is mooi om iemands grote liefde te zijn geweest, toen ik een jaar of negentien was kwam ik in de trein Lonneke tegen, die mijn vriendinnetje was op de lagere school, toen we beiden een jaar of acht, negen, tien waren, veel langer kan dat niet geduurd hebben, maar toen, in de trein, zei ze tegen me Je was mijn eerste grote liefde, en van het station tot aan het huis op de Boschdijk waar ik in die dagen woonde liep ik op wolken.

Een boek over liefde, zeg gerust.
Een relatiebreukboek over liefde.
Over alle liefde.
Liefde voor een kat, liefde voor vogels, liefde voor zeilen, liefde voor vrouwen, liefde voor literatuur.

Dat laatste, ja, daarin brengt Wiener helaas weinig verrassing, de schrijvers waarmee hij afkomt zijn tot op het bot gekend, Shakespeare, Hermans, Nabokov, Flaubert, Fitzgerald, Chaucer, altijd weer dezelfden, altijd weer die eeuwig zelfden, schoon je referenties een keer op man, woorden van deze aard (maar dan anders), sprak de Huub goedkeurend tot mij toen ik tijdens een redactievergadering als jonge stagiair het voornemen uitsprak een artikel over literatuur te schrijven gebaseerd op een uitspraak van Zappa, goedkeurend omdat ik met Zappa voor iets anders koos dan die altijd weer eeuwig zelfden, maar het uiteindelijke artikel vond hij niks, en hier geldt het omgekeerde: voor een aanzet tot verdere lezing moet je niet bij Wiener zijn, slechts voor deze, enkele, deze, huidige, lezing, van dit hier boek, deze In verlatenheid.

Want verlaten zijn we allemaal.
Demonen hebben we allemaal.
En doorgaan doen wel allemaal.

De ene voet voor de andere.

In verlatenheid is een meer dan aardig werkje. Je kunt je erdoor laten troosten. En dan lachen, of dan een traan. Je kunt het ook gewoon lezen natuurlijk. En een hele fijne middag hebben.

L.H. Wiener In verlatenheid

In verlatenheid

  • Auteur: L.H. Wiener (Nederland)
  • Soort boek: autobiografische roman
  • Uitgever: Uitgeverij Pluim
  • Verschijnt: 5 november 2025
  • Omvang: 208 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 23,99
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de L.H. Wiener roman

Nadat zijn Laatste Vriendin hem verlaten heeft gaat Lodewijk Wiener, gepensioneerd docent, gebrekkige minnaar en geboren schrijver, de wanhoop te lijf en op zoek naar een manier om de eenzaamheid te over- winnen. Hij blikt terug op zijn leven en legt vast wie hij was of had willen zijn, nu de onvermijdelijke Dood, nog wat talmend, maar onvermurwbaar, op weg is naar zijn huis. Niet anoniem passeren is tenslotte het credo van iedere schrijver.

L.H. Wiener is geboren op 16 februari 1945 in Amsterdam, Hij debuteerde in 1966 met een kort verhaal in Tirade. Zijn jarenlange schrijverschap resulteerde in een breed gevarieerd oeuvre. Voor zijn roman Nestor ontving hij in 2002 de F. Bordewijk-prijs. Zijn roman De verering van Quirina T. werd genomineerd voor de shortlist van de Libris Literatuur Prijs. Zijn laatste roman, Zeeangst (∗∗∗∗), werd eveneens alom bejubeld.

Bijpassende boeken

Nora Claire Miller – Groceries

Nora Claire Miller Groceries recensie, review en informatie over de inhoud van het lange gedicht. Op 21 oktober 2025 verschijnt bij  Fonograf Editions het debuut van de Amerikaanse dichter Nora Claire Miller. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en de uitgave.

Nora Claire Miller Groceries recensie en review van Tim Donker

Groceries gaat over het leven op aarde. Want wat is er immers meer op aarde dan boodschappen? Even een boodschap doen. Ergens geen boodschap aan hebben. Je kunt die zoon van jou wel om een boodschap sturen. & heb je die boodschap begrepen? Zender. Boodschap. Ontvanger. (één van de eerste recensies die ik ooit schreef, toen ik als student stage liep bij Roodkoper, titelde ik Boodschapper zonder boodschap).

Het leven op aarde dus, en hoe dat bezien kan worden. Bij Miller zijn de invalshoeken en de variaties in belichting welhaast eindeloos. Leven op aarde is een vervagend experiment in beslissingen nemen of met vingers wijzen terwijl de video’s van de buren in hun bier of in hun koken schreeuwen.

?

Dat is vraagteken.

Vraagtekens kietelen onophoudelijk in deze bundel. Miller spreekt in de prachtigste raadsels die je ooit zult lezen. Leven op aarde valt niet te tolereren. We maken allemaal onze eigen omeletten in onze eigen appartementen. Hier op aarde zeggen ze dat het leven op aarde één grote teleurstelling is.

Zegt deze bundel.
Zegt Miller.

Zeggen, spreken deze bladzijden hier. Nog maar één gedicht ver, en Miller scheerde al lang experimenten, teleurstellingen, buren, omeletten, video’s en bier. Je kunt je afvragen wat de samenhang is, maar je kunt je ook laten meevoeren door de stroom. Zoals. Ja. Het leven op aarde is, dus. Toch wel de grootste ongelijksoortige verzameling die zelf niet verzameld kan worden, nietwaar? En hoe luidt het weerwoord op de uitspraak dat het leven op aarde zo teleurstellend zou zijn? Ik sieteer: “maar ik kan je zeggen alle tanden die ik heb: snijtand. snijtand. voorkies. snijtand. kies. voorkies. kies. snijtand. kies. voorkies. snijtand. voorkies. voorkies. hoektand. hoektand. snijtand. kies. snijtand. voorkies. hoektand. kies. kies. kies. voorkies. kies. snijtand. voorkies. hoektand.” – als je dit kunt accepteren als antwoord op de teleurstelling die het leven is, ben je klaar voor Groceries. Want dan kun je ook wel inzien hoe het leven op aarde een gigantiese roze cilinder is met zout langs alle wanden. Of een kleine harde deur. Een kruidenierszaak. In ieder geval iets, dat is zeker.

Misschien is het leven op aarde ook wel iets met dingen. Niet de dingen die toch gaan zoals ze gaan maar de dingen die zijn. Het zijn van het zijnde. De stof van alle dingen (God, had Spinoza gezeid). Alles waar je langs komt als je loopt. Lichtschakelaars. Rubberen spatels. Automatiese waarschuwingen. Alles wat is, en wat ooit niet meer zal zijn. Jasmijn in bloei. Zonnebrillen. Dweilen. Apostroffen. Natuurrampen. Latexvrije handschoenen. Inspanningen. Externe harde schijven. Leugendetectortesten. Verbijsterende beetjes informatie. Schuld. Vermaningen.

Maar hier staat niet alleen bliksoep op het spel. Of konijnenhaar. Op aarde zijn er immers ook dromen, en absurdisme, en metafysica, en ongerijmdheden, en onbeantwoordbare vragen. Miller denkt ook na over het weer: waar het van gemaakt is, wat het wil. Je kunt evengoed iemands voicemail inspreken als nadenken over een ochtend in de elektriese stad – de stad die alleen maar bestaat in een klein stukje glas in je broekzak en in een paar pakhuizen een paar honderd kilometer verderop. Je kunt zitten lezen in het park, of uitgedaagd worden door een abstract beeldhouwwerk (een gevecht dat jij natuurlijk gaat winnen want jij bent geen beeldhouwwerk). Je kunt een perfecte zoom in je broek strijken of andere mensen laten zien hoe je met paarden praat. Naar een video kijken waarin iedereen zwemt of bedenken hoe een universiteit geen televisiestation is. Als je koken met universiteit combineert, zal de universiteit gekookt worden of het koken geüniversiteerd. In ieder geval zal er niemand iets leren. Wat een groeiend probleem is waarover rap een paneldiscussie gehouden zal worden. Je kunt je elektriese kat uitlaten en dan een man tegenkomen die je vraagt: Heb je trek in wat garnering? En het weer is nog niet voorbij. Je kunt schreeuwen alleen maar om een vorm van je schreeuw te maken. Want alles is vorm. De toekomst wordt apart verzonden. Met een zakje schroeven. Maar langs de andere kant, ziploc is geen woord. Het is een woord dat werd besloten. Elke uitvinding is een woord. Behalve ziploc. Ziploc is een absolute. Deze dingen bestaan hier op aarde.

Want in een volgende wereld, houdt Miller ons voor, zal vertellen niet bestaan. Of praten. Of ondersteboven hangen. Of calorievrije suikervervangers. Of hartvormige zonnebrillen. Wat in deze wereld nog wel bestaat, doet zich echter niet aan iedereen op dezelfde manier voor. Zo is alleen voor ons herkenning een blauw en groene wekker, een amandelfestival of een opwaarts gerichte pijl; voor de kat Ramona is dit helemaal anders. Voor haar zijn geluiden geen geluiden en is opmerken niet opmerken. Zodus zal niemand Ramona ooit werkelijk helemaal zien.

En op het einde is er misschien niks dan regen die te doodgewoon is en licht dat te grijs is. Wat vuistregels die te onnavolgbaar zijn. Grappige haat. Leven als een middag. Een papieren pretzel. Onbenoembare metalen structuren. En de buschauffeur die de naam van de volgende halte afroept.

Veelvuldig duiken ze op in Groceries: kleine, lege hokjes: []. Het kunnen andere levensvormen zijn, wat doen ze op deze bladzijden? Soms lijken het stoorzenders, witte ruis, verkeerslawaai, een passerend vliegtuig, iets dat overstemt wat er gezegd wordt. Andere keren lijken ze veeleer ingezet te worden als bewuste censureringen. Of misschien moeten de lege hokjes juist het onuitdrukbare uitdrukken, datgene zeggen waar geen woorden voor zijn. Mij voerden ze vooral terug naar de tijden van weleer, toen ik als één der laatsten in Nederland nog geen smartphone had, gewoon een oud klein mobieltje waarmee je alleen kon bellen en sms’en. Een vriendin van mij, een tiepe van het slag dat wel graag de nieuwste snufjes als eerste had, stuurde in de sms’en die ze aan mij richtte wel eens “smileys” (o mijn god) mee, maar mijn telefoon kon die niet weergeven: op de plek van wat bij haar een “smiley” was, stond bij mij een leeg hokje. Ik kon de oorspronkelijke “smiley” alleen maar vermoeden: de lachende als ze iets grappigs schreef, die knipogende zeikerd bij iets met een dubbele betekenis (zo van por por, knipoog knipoog, je weet wel wat ik bedoel), de kussende op het einde van een bericht. Daar moest ik aan denken. En denken aan onweergeefbare “smileys” deed me verder denken aan de leegte van de volheid: al die vele, die heel erg vele, die zo heel erg belachelijk veel vele dingen die er hier op aarde zijn en die steeds om onze aandacht schreeuwen, of juist de dingen die we allang niet meer opmerken of nooit opgemerkt hebben: “zonder naam zijn de dingen gewoon massa” – dat die Roderik Six hier nog moet opduiken! Waar de hokjes soms overheen de pagina regenen, bijna de woorden bedekken, leken ze me wel die naamloze massa te zijn.

Er valt zoveel te beleven in dit boek. En je kunt ervan leren. Leer die ene ovaal te zijn die moet invallen tot de sirkels terugkomen. Leer kijken. Leer zien. Opnieuw zien. Het ding op zich zien, of hoe kun je weten dat je het ding zelf ziet in plaats van jouw waarneming ervan. En zie jij de dingen wel zoals ik ze zie. Ontzien. Bezien. Herzien. Afzien. Bijzien. Overzien. Omzien. Doorzien.

Op haast elke bladzijde staat wel iets dat je brein ondersteboven gooit. Want Groceries is zowel experimenteel als humoristisch; zowel filosofisch als observerend; zowel een oneindig taalavontuur als een reisgids voor buitenaardse ontdekkingsreizigers. De toon varieert van speels naar kinderlijk naar ten diepste poëtisch. Maar altijd adembenemend.

Wauw. Wat een onvergelijkbare prachtbundel is dit! Een mens zou zomaar kunnen zeggen dat dit het mooiste poëzieboek van het decennium is en dan zou ik een mens niet eens voor gek verklaren. Het is in ieder geval alles wat je van poëzie wil. Het zet aan het denken, het maakt aan het lachen, het ontroert, het verbijstert en het betovert – een bundel zo rijk als deze lees je niet vaak.

Nora Claire Miller Groceries

Groceries

  • Auteur: Nora Claire Miller (Verenigde Staten)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels
  • Uitgever:  Fonograf Editions
  • Verschijnt: 21 oktober 2025
  • Omvang: 94 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: $ 20.00
  • Boek bestellen bij: Bol 

Flaptekst van het poëziedebuut van Nora Claire Miller

The winner of the 2023 Fonograf Editions Open Genre Book Prize contest, as chosen by Srikanth Reddy, Groceries is a book-length poem about what to do about objects. Not where to put them exactly, but how to print them out from the sky so they get sucked back down to earth. How to tell a noun from a category of noun, an image from a category of image. Cereal from USB ports. Motorcycles from escalators. Grapevines from hair elastics. They’re more similar than you’d think.

Foreword by Srikanth Reddy.

Nora Claire Miller is a poet. Their work has recently appeared in The Paris ReviewFENCEChicago Review, and Bennington Review. Their first book Groceries was the winner of the Fonograf Editions Open Genre Contest, judged by Srikanth Reddy, and is forthcoming in fall 2025. They are also the author of the chapbook LULL (2020). Nora is based in Western Massachusetts, where they’re the editor-in-chief of Ghost Proposal, a journal and small press focused on visual poetry and experimental writing. Nora has an MFA from the Iowa Writers’ Workshop and a BA from Hampshire College.

 

Llorenç Villalonga – Andrea Victrix

Llorenç Villalonga Andrea Victrix recensie en informatie roman van de van Mallorca afkomstige Catalaanse schrijver. Op 15 oktober 2025 verschijnt bij Uitgeverij Nobelman de Nederlandse vertaling van de Catalaanse dystopische Mallorca roman uit 1974 van Llorenç Villalonga. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Llorenç Villalonga Andrea Victrix recensie van Tim Donker

Iets over waarheid en fictie, toch? Uitgeverij Nobelman komt af met een in de vroege jaren zeventig geschreven roman die zich afspeelt in het jaar 2050. Nabije toekomst toen, nabijer nog nu. Maar nog altijd toekomst, en dat kun je dystopische literatuur noemen of gewoon science fiction. En ik hou niet zo van science fiction. Ik vind het te gemakkelijk. Dit bezwaar verbaast zelfs mij, want ik ben de laatste om te vinden dat kunst per se “moeilijk” zou moeten zijn. Maar toch, iets aan de gemakkelijkheid van science fiction stoort me. We plaatsen iets in een of andere verdere of nabijere toekomst en dan hebben we een vrijbrief in handen om onze idiootste fantasieën de vrije loop te laten. Want hee, het is toekomst, het hoeft aan geen enkele realiteitseis meer te voldoen, toch? Dus kom maar aan met die robots en die vliegende auto’s en die tot in het bizarre geünificeerde mensheid.

En ja. In Andrea Victrix ontwaakt de in 1965 ingevroren hoofdfiguur in het op het eerste gezicht nogal absurd aandoende Mallorca van 2050. Het heet niet eens meer Mallorca. Het is nu de Mediterrane Toeristenclub geworden. Rusland en Amerika zijn min of meer per ongeluk weggevaagd, het zijn nu woestijnen. De Verenigde Staten van Europa zijn de grootste, eigenlijk de enige, wereldmacht. De nog maar net ontdooide hoofdfiguur wordt opgepikt door de androgyne Andrea Victrix, die een soort ambassadeur is van deze nieuwe wereld. Ze is wondermooi, ze is een zeer vrouwelijke man misschien of anders een krachtpatser van een vrouw. Ze brandt in rap tempo op door de soma, de drug die sommigen misschien nog wel kennen van Huxley. Als onvermoeibaar animeermeisje is het haar taak om nieuwelingen onder te dompelen in de non-stop pretfabriek die de Toeristenclub nu is, en op die manier almeteens te hersenspoelen en iedere kritiek op het regeringsbeleid de kop in te drukken. Bij de hoofdpersoon lukt dat minder goed, hij weet niet wat hij ziet. In het Mallorca van 2050 is alleen nog maar hoogbouw. Mensen wonen in piepkleine flatjes die uitpuilen van de meest onzinnige apparaten want consumeren wat je eigenlijk niet nodig hebt is nu een heilige plicht. Er is geen natuurlijk voedsel meer, de mensheid leeft op pillen en sapjes zodat iedereen al jong een kunstgebit heeft. Het onderscheid tussen de seksen is verdwenen, iedereen is onzijdig, geen man, geen vrouw. Gezinnen vormen is verboden, evenals een kind uit een vader en een moeder geboren te laten worden. Het is een taak van de overheid geworden om nieuwe consumenten op te kweken in laboratoria; alleen voor deze kweek zorgvuldig geselecteerde burgers is het toegestaan om voor nageslacht te zorgen. In deze onnatuurlijke wereld is het laffe drankje Hola Hola -voor Villalonga was Coca Cola klaarblijkelijk het summum van synthetische rotzooi, en geef hem eens ongelijk- de afgod; wetenschap is de nieuwe religie. Kinderen, die met een jaar of zeven al volwassen genoeg verklaard worden om een zelfstandig leven te leiden, veelal als ober, krijgen vanaf de kleuterleeftijd, wanneer ze er eigenlijk nog niks van begrijpen de formule E=MC² in hun hoofden gestampt, ze lopen rond met T-shirts waar het op staat, het is onderdeel van hun routine als betrof het een kinderliedje. In kranten staan inmiddels meer cijfers dan woorden, omdat alleen cijfers de exactheid hebben die woorden ontberen. Het ideaal is toe te groeien naar de noösfeer, niet in de meer “wetenschappelijke” betekenis van het antroposceen, maar in de meer spirituele betekenis die Teilhard de Chardin er aan gaf: een omegapunt waarop de mens in geestelijke zin zal samenvallen tot een nieuw wezen in de evolutie (maar nu leg ik Chardin allicht te simpel uit want ik moet toegeven dat ik het fijne van zijn ideeën toch niet ganzelijk vat). Collectivisme is het ultieme doel, iedere afwijking daarvan, in de vorm van exclusieve relaties, wordt als bijzonder egocentrisch en dus verwerpelijk gezien. Echte liefde zal dus niet meer bestaan, alleen een soort theoretische liefde voor de mensheid als geheel.

De vraag dringt zich op of een boek kan worden ingehaald door de tijd. Als ik dit boek in de jaren tachtig of de jaren negentig of misschien zelfs de jaren ’00 had gelezen (vooropgesteld dat ik het Catalaans machtig was geweest), dan zou ik een dystopie gelezen hebben, of één van die net iets te ver gezochte science fiction romans waar ik het eerder over had. Of. Naja. In de 00’s had ik het denkelijk ook nog wel als sociaal commentaar kunnen opvatten. Llorenç de Villalonga, inmiddels alweer zo’n 45 jaar dood, werd geboren en getogen, en is uiteindelijk ook overleden in Palma de Mallorca. Toen hij aan het begin van de zeventiger jaren dit boek schreef, was het toerisme op Mallorca waarschijnlijk niet op het nivo dat ik aantrof toen ik daar ergens in de jaren ’00 een keer was. Afgezien van de meest futuristische elementen uit Andrea Victrix was het toen al een soort “toerclub”. Er leek geen authentieke steen meer overeind te staan, zo scheen het me toe. Overal waar ik keek, zag ik winkelcentra, horeca, divertissement, vermaak. Inderdaad: de muziek, de continue reclameboodschappen die Villalonga hier beschrijft. Meermaals vroeg ik me af: Waar woont de bevolking? In 1974 zal dat nog in de kinderschoenen hebben gestaan, maar een beetje denker kon natuurlijk best voorzien waar het heen zou gaan. Je hoeft immers alleen te extrapoleren wat je om je heen reeds ziet gebeuren. En dan was ik er nog in de jaren tweeduizend, hoe is het daar nu, hoe zal het daar zijn in 2050? Villalonga zal er tegen die tijd vast niet zo ver gezeten blijken te hebben. Maar dan nog. Voor een echt goede aanklacht tegen het toerisme ga ik altijd nog liever te rade bij Paella voor het klootjesvolk van Xavier Domingo.

Maar het is niet 1980 meer. Het is niet 1990 meer. Het is niet 2000 meer. Inmiddels slaat de klok 2025, en nu hebben we woke gehad en nu hebben we “de pandemie” gehad, en “de klimaatcrisis” en “de oorlog” (welke oorlog van de vele?, die waar we allemaal dezelfde mening over moeten hebben natuurlijk); en bij nu lijkt Andrea Vicitrix niet zomaar meer een zoveelste variant op Brave new world of een van die gemakzuchtig bijeen geconfabuleerde scifi-romans, nu lijken we een profetisch geschrift op ons handen te hebben. De cijfers die de ultieme waarheid in pacht hebben, doet iemand dat aan enige “coronacrisis” denken misschien? Toen we alle dagen op de hoogte werden gehouden van de overlijdens en de besmettingen die de ernst van de situatie aan moesten geven? Behalve dat niemand iemand leek te kennen die daadwerkelijk aan corona overleden was? Wat iets anders is dan mét corona overlijden, wat iedereen die positief getest was op corona overleed aan corona, zelfs al was de acute doodsoorzaak een hartstilstand, een val van de trap, of het in de laatste fase zitten van een terminale ziekte. Het collectivisme, doet dat niet denken aan de eis tot vaccinatie, al zag je er zelf de noodzaak niet van in, maar “stel dat je iemand die daar minder goed tegen kan mee besmet”, er zullen altijd mensen zijn die er minder goed tegen kunnen, je moet altijd rekening houden met mensen die er minder goed tegen kunnen, je moet jezelf altijd opstellen als de mindere van mensen die er minder goed tegen kunnen? De ongebreidelde liefde voor medicijnen, doet dat niet denken aan het punt, waar, ergens, dat geneeskunde studeren overging in medicijnen studeren, aan hoe de farmaceutische industrie allesbepalend geworden lijkt te zijn? Hoe het strafbaar, of toch in elk geval zeer laakbaar, is om er een andere menig op na te houden dan de meeste mensen, doet dat niet denken aan het geblaat van opperfascist Bennie Jolink tijdens een zekere, tsja, “coronacrisis”? Of: “hoe kan landbouw zich handhaven zonder organische stikstof?” Klink bekend, hm? “Ademen is tegenwoordig een luxe”; een centraal gezag vanuit Parijs (lees Brussel), woningnood, de behoefte aan nieuwigheden die niet bij het publiek ligt maar bij de producent (de behoefte bij het publiek wordt later wel -meestal succesvol- gekweekt) (en ja ineens had iedereen heel veel behoefte aan mobiele telefoons), de vooruitgang, die als een monster ontsnapt aan zijn maker, niet gestopt kan worden, iedereen moet iedereen (maar niemand in het bijzonder) lief vinden, de zeer massaal gevoelde afwijzing van een bepaald geslacht, individualiteit is gelijk komen te staan aan pornografie, hm? Leegloop van het platteland, iedereen die daar wil zijn waar de meesten zijn (Canetti had het al gezegd)? Klinkt inmiddels al te bekend? Hm?

Kan de tijd de waarde van een boek pas volledig ontsluiten?

Was Llorenç Villalonga een visionair of gewoon iemand die logisch nadenkend kon zien waar het met de huidige tijd op uit zou draaien? (alsof er een verschil is).

Als deze tijd geen woke en geen corona had gekend, wat was er dan overgebleven van Andrea Victrix? Hoe goed is dit boek geschreven, los van zijn voorspellende waarde?

Het is best grappig, hier en daar. Als je houdt van zwarte humor. Ik vond de idee van zelfmoord als “de enige manier om vrije wil te benutten in de moderne samenleving”; van medicijnen die “alles genezen behalve de dood”; van toerisme als morele zwakzinnigheid best heel grappig. Het is, op tijden, vaak, heel filosofisch, waar het ideeën herneemt van Sartre, Nietzsche, Schopenhauer, Einstein, Berdjajev, Dostojevski. Dus. Zet het tot denken aan, zet het tot lezen aan. Bij mensen die daar gevoelig voor zijn. Of. De verscheurdheid die de hoofdpersoon voelt voor zijn liefde voor Andrea Victrix en de maatschappij die ze vertegenwoordigt. Een schisma dat Villalonga af en toe voelbaar weet te maken voor de lezer. Niet omdat de verliefdheid van de hoofdpersoon voor Andrea begrijpelijk is, tot op de laatste bladzijde blijft immers onhelder of het een man of een vrouw was. Maar wel omdat de wereld die Victrix voorstaat op punten rechtvaardiger lijkt dan die van de hoofdpersoon. Om een voorbeeld te noemen: de idee van Victrix dat ieder persoon zijn eigen waarde heeft gaat in tegen dat van de hoofdpersoon die zich laat voorstaan op zijn voorgeslacht en op waarde als iets overerfbaars. Dan ineens is het Andrea Victrix die de stem van de rede vertolkt en de hoofdpersoon zit vast in hopeloze archaïsmen. Het maakt dat je Villalonga bijna dat zwakke einde waarin de hoofdpersoon geen stelling durft te nemen tegen het overheidsbeleid, zult vergeven.

Zodus kun je in 2025 Andrea Victrix op meerdere manieren lezen.

Als filosofisch geschrift.
Als vermakelijk gedachte-experiment.
Als grillige literatuur.
Als adembenemende voorspelling van het klimaat waarin we ons nu gevangen weten.

Afhankelijk van je lectuur zul je dit boek ergens tussen goed en geniaal waarderen. Een boek dus dat je in geen geval slecht gaat kunnen vinden, hoe goed is dat?

Llorenç Villalonga Andrea Victrix

Andrea Victrix

  • Auteur: Llorenç Villalonga (Spanje)
  • Soort boek: Dystopische Mallorca roman
  • Origineel: Andrea Victrix (1974)
  • Nederlandse vertaling: Frans Oosterholt
  • Uitgever: Uitgeverij Nobelman
  • Verschijnt: 15 oktober 2025
  • Omvang: 428 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 24,95
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de roman van Llorenç Villalonga

Een man die in 1965 op zijn zestigste is ingevroren, wordt in 2050 op zijn dertigste wakker. Hij wordt opgepikt door Andrea Victrix, een geslachtsloze spetter die hem onder zijn/haar hoede neemt.

Langzaam maar zeker maakt de verteller kennis met de nieuwe wereld. De plek die hij kende als Mallorca heet nu Mediterrane Toeristenclub, kortweg Toerclub. Amerika en Rusland zijn van de aardbodem gevaagd door een atoomramp. De Verenigde Staten van Europa heersen over de wereld. De held van de roman valt als een blok voor Andrea, het androgyne boegbeeld van het regime, terwijl hij samenzweert met een netwerk van dissidenten om datzelfde regime omver te werpen. Op een dag zal hij moeten kiezen tussen liefde en loyaliteit.

Nu voor het eerst in het Nederlands vertaald en van een uitgebreid nawoord voorzien door Frans Oosterholt.

Llorenç Villalonga is geboren op 1 maart 1897 in Palma de Mallorca. Hij was een van de grootste twintigste-eeuwse schrijvers van Spanje die trouwens in het Catalaans schreef. Hij stond bekend als een eenzelvige en aartsconservatieve gentleman die het liefst in de achttiende eeuw had geleefd. Hij schreef een nostalgisch boek over het verleden van Mallorca, onder de titel Bearn o La sala de les nines, in het Nederlands verschenen onder de titel Het geheime leven van Toni de Bearn. Het opkomende massatoerisme in de jaren zestig was hem een gruwel en bewoog hem tot het schrijven van een inktzwarte toekomstvisie op Mallorca. Andrea Victrix is een grimmige maar ook hilarische en heel goed geschreven dystopie uit 1974, die in de afgelopen vijftig jaar alleen maar aan geloofwaardigheid heeft gewonnen. Op 28 januari 1980 overleed de Catalaanse schrijver in zijn geboorteplaats. Hij werd 82 jaar oud.

Bijpassende boeken en informatie

Roelof Schipper – bleke gesp, beige zoom

Roelof Schipper bleke gesp, beige zoom recensie, review en informatie boek en debuut met gedichten. Op 10 oktober 2025 verschijnt bij Uitgeverij Vleugels de dichtbundel van Roelof Schipper. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Roelof Schipper bleke gesp, beige zoom recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van bleke gesp, beige zoom, de dichtbundel van Roelof Schipper, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donkers

Stel: je bent verdwaald in een gedicht. De omgeving zou Antwerpen kunnen zijn, of Stadskanaal, Veendam, Ter Apel. Misschien bevind je je in een hotel, of in een kaffee in een voormalige watertoren. Je hoort flarden van gesprekken. Iets over de prijs van koffie, iemand die afwezig is, een bekende heeft een nieuwe betrekking aan de overkant. Er dringen wat flitsen tot je door. Bleke gezichten, een blauwe jas, je zoon die over het duister van de dijk fietst (beige zoom, bleke gesp). De versplintering is volledig. Een gedicht als een fragmentatiebom.

Dit is de ervaring die deze bundel u bieden kan. Abstracties worden afgewisseld met trivialiteiten, duister met licht. Zijn inderhaast afgebroken zinnen, zijn merkwaardige interpunctie en volledig naar eigen hand gezette grammatica genereren een koortsig ritme, en de soms lichtelijk verontrustende beelden versterken dit alleen maar.

Je weet het niet.
Steeds opnieuw weet je het niet.
En dan weer weet je nog minder.

Holofernes wordt aangeroepen. Wie was dat ookalweer? Waarom lette ik tijdens mijn studie niet op toen die cursus werd gegeven over de bronnen van onze beschaving, de docent die dat gaf mocht ik alleszins, en toch bleef mijn kop maar afdwalen, had Holofernes niet iets te maken met Nabukadnezar of is dat alleen maar een Duitse blackmetalband? In ieder geval overvallen licht nachtmerrie-achtige gevoelens me. Hitte, zweet, piramides, rituelen, een offermes. Ook is er sprake van schrijvers die naar tentenkampen worden gestuurd. Je kan denken aan oorlog, een of andere dystopie of anders maar meteen de apocalyps. Maar er zijn ook de allergewoonste dagdagelijksheden die nog niet het geringste vermoeden van gevaar inhouden. Christine vraagt wanneer je weer aan het werk gaat. Het boek van iemands zoon ligt nog in je auto. Er wordt getuinierd. Onkruid gewied. Je bestelling wordt straks in orde gemaakt.

Een droom over het grootste distributiecentrum van een supermarkt, het natte asfalt, in die droom ben je aan het werk (dromend dat hij moet werken) (dat droom ik ook wel eens, een collega ook, vertelde hij mij). In de eerste twee gedichten duiken herhaaldelijk vrachtvliegtuigen op, dat kan nog alle kanten op – misschien komen eindelijk die spullen die je besteld had of moet er toch gevreesd worden voor oorlogsmaterieel?

Naar de letter genomen is bleke gesp, beige zoom een dichtbundel. Deze 56 pagina’s bevatten vier gedichten: functie en wet; elke zee; brandhout-lege kamer en beige zoom. Maar er ademt een eenheid, een verbinding. Een gevoel dat ik één lang gedicht zit te lezen. Over de wunderschönen monat mai, een schooldag, borrelpraat, weer aan het werk, een apocrief bijbelboek of het einde der tijden. Maar deze ongrijpbaarheid is nu juist wat deze poëzie zo intrigerend maakt.

Met niets te vergelijken, las ik ergens, behalve misschien met Faverij. Hum. Mij deed het juist denken aan de poëzie van F. van Dixhoorn. En ook een beetje aan die van B. Zwaal. En dan de laatste zin van het laatste gedicht: “parken en fonteinen”. Hoe kun je dan niet denken aan Parken en woestijnen? Als kind las ik daar trouwens steevast in: Parkeerwoestijnen, en dan dacht ik aan woestijnen vol geparkeerde auto’s. Bumper aan bumper aan bumper, onder de brandende zon. Die geleidelijk aan, door hitte, wind en zand, transformeerden in wrakken. Een hele woestijn vol autowrakken, ja dat vond ik als kind heel erg mooi.

Schipper stuurt de geest uit wandelen. Naar Egypte, naar de woestijn, naar een haven, de dijk, het distributiecentrum, een tentenkamp. Dromen of nachtmerries of de banaalste dag die je je voor kunt stellen. De ultieme fragmentatie of juist de grootst mogelijke eenheid. Aan al die dingen kun je denken als je bleke gesp, beige zoom leest. Aan Zwaal of Vasalis of Van Dixhoorn (aan Faverij dacht ik nu net weer niet). Of andere namen andere beelden andere dingen andere flitsen.

Het soort poëzie dat tot herlezing uitnodigt. Om bij elke volgende lezing het weer anders te lezen, nieuwe dingen op te merken, door andere gevoelens bevangen te worden.

Het groeit.

Het blijft groeien.

Dat soort poëzie is het. Lees het. Lees het vele malen. Een zeer eigenzinnige uitgave van een zeer eigenzinnige uitgeverij.

Roelof Schipper bleke gesp, beige zoom

bleke gesp, beige zoom

  • Auteur: Roelof Schipper
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Uitgeverij Vleugels
  • Verschijnt: 10 oktober 2025
  • Omvang: 58 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 23,95
  • Boek bestellen bij: Bol

Recensie van Tim Donkers

Stel: je bent verdwaald in een gedicht. De omgeving zou Antwerpen kunnen zijn, of Stadskanaal, Veendam, Ter Apel. Misschien bevind je je in een hotel, of in een kaffee in een voormalige watertoren. Je hoort flarden van gesprekken. Iets over de prijs van koffie, iemand die afwezig is, een bekende heeft een nieuwe betrekking aan de overkant. Er dringen wat flitsen tot je door. Bleke gezichten, een blauwe jas, je zoon die over het duister van de dijk fietst (beige zoom, bleke gesp). De versplintering is volledig. Een gedicht als een fragmentatiebom.

Dit is de ervaring die deze bundel u bieden kan. Abstracties worden afgewisseld met trivialiteiten, duister met licht. Zijn inderhaast afgebroken zinnen, zijn merkwaardige interpunctie en volledig naar eigen hand gezette grammatica genereren een koortsig ritme, en de soms lichtelijk verontrustende beelden versterken dit alleen maar.

Je weet het niet.
Steeds opnieuw weet je het niet.
En dan weer weet je nog minder.

Holofernes wordt aangeroepen. Wie was dat ookalweer? Waarom lette ik tijdens mijn studie niet op toen die cursus werd gegeven over de bronnen van onze beschaving, de docent die dat gaf mocht ik alleszins, en toch bleef mijn kop maar afdwalen, had Holofernes niet iets te maken met Nabukadnezar of is dat alleen maar een Duitse blackmetalband? In ieder geval overvallen licht nachtmerrie-achtige gevoelens me. Hitte, zweet, piramides, rituelen, een offermes. Ook is er sprake van schrijvers die naar tentenkampen worden gestuurd. Je kan denken aan oorlog, een of andere dystopie of anders maar meteen de apocalyps. Maar er zijn ook de allergewoonste dagdagelijksheden die nog niet het geringste vermoeden van gevaar inhouden. Christine vraagt wanneer je weer aan het werk gaat. Het boek van iemands zoon ligt nog in je auto. Er wordt getuinierd. Onkruid gewied. Je bestelling wordt straks in orde gemaakt.

Een droom over het grootste distributiecentrum van een supermarkt, het natte asfalt, in die droom ben je aan het werk (dromend dat hij moet werken) (dat droom ik ook wel eens, een collega ook, vertelde hij mij). In de eerste twee gedichten duiken herhaaldelijk vrachtvliegtuigen op, dat kan nog alle kanten op – misschien komen eindelijk die spullen die je besteld had of moet er toch gevreesd worden voor oorlogsmaterieel?

Naar de letter genomen is bleke gesp, beige zoom een dichtbundel. Deze 56 pagina’s bevatten vier gedichten: functie en wet; elke zee; brandhout-lege kamer en beige zoom. Maar er ademt een eenheid, een verbinding. Een gevoel dat ik één lang gedicht zit te lezen. Over de wunderschönen monat mai, een schooldag, borrelpraat, weer aan het werk, een apocrief bijbelboek of het einde der tijden. Maar deze ongrijpbaarheid is nu juist wat deze poëzie zo intrigerend maakt.

Met niets te vergelijken, las ik ergens, behalve misschien met Faverij. Hum. Mij deed het juist denken aan de poëzie van F. van Dixhoorn. En ook een beetje aan die van B. Zwaal. En dan de laatste zin van het laatste gedicht: “parken en fonteinen”. Hoe kun je dan niet denken aan Parken en woestijnen? Als kind las ik daar trouwens steevast in: Parkeerwoestijnen, en dan dacht ik aan woestijnen vol geparkeerde auto’s. Bumper aan bumper aan bumper, onder de brandende zon. Die geleidelijk aan, door hitte, wind en zand, transformeerden in wrakken. Een hele woestijn vol autowrakken, ja dat vond ik als kind heel erg mooi.

Schipper stuurt de geest uit wandelen. Naar Egypte, naar de woestijn, naar een haven, de dijk, het distributiecentrum, een tentenkamp. Dromen of nachtmerries of de banaalste dag die je je voor kunt stellen. De ultieme fragmentatie of juist de grootst mogelijke eenheid. Aan al die dingen kun je denken als je bleke gesp, beige zoom leest. Aan Zwaal of Vasalis of Van Dixhoorn (aan Faverij dacht ik nu net weer niet). Of andere namen andere beelden andere dingen andere flitsen.

Het soort poëzie dat tot herlezing uitnodigt. Om bij elke volgende lezing het weer anders te lezen, nieuwe dingen op te merken, door andere gevoelens bevangen te worden.

Het groeit.

Het blijft groeien.

Dat soort poëzie is het. Lees het. Lees het vele malen. Een zeer eigenzinnige uitgave van een zeer eigenzinnige uitgeverij.

Flaptekst van de dichtbundel van Roelof Schipper

Het debuut bleke gesp, beige zoom van Roelof Schipper is een gebeurtenis. Zijn gedichten vragen om herlezing, het liefst hardop, zodat zijn taal in je gaat rondzingen. Bijna als vanzelf verbind je je met het lyrisch ik, zijn manier van waarnemen, en het aftasten van zijn schrijven. De regels met hun aparte interpunctie zijn doordrenkt van het zintuiglijke en het abstracte. Zo word je een wereld in getrokken waar je steeds opnieuw een veranderd zicht krijgt op de mens en zijn zijn. Dit werk is met geen andere poëzie te vergelijken, hooguit met die van Faverey.

Bijpassende boeken en informatie

Douglas Kearney – I Imagine I Been Science Fiction Always

Douglas Kearney I Imagine I Been Science Fiction Always review, recensie en informatie bundel van de Amerikaanse dichter. Op 8 april 2025 verschijnt bij Wave Books de nieuwe dichtbundel van Douglas Kearney, de uit de Verenigde Staten afkomstige dichter. Een Nederlandse vertaling van het boek is niet verkrijgbaar.

Douglas Kearney I Imagine I Been Science Fiction Always review en recensie

En
ook hij.

In de trein van elders naar zuid nee in de trein van Utrecht naar Arnhem en later ook de bus was wat ik zeg. Wat ik zeg was dat er een vader was en een zoon en een trein en een bus en een stad en een andere stad en een boek en een dichter. De zoon zat, en reisde, en las. De vader ging dood. De vader ging dood in Arnhem. Ik was die zoon. Mijn vader was die vader. What I Say was het boek.

Ik
ging. Ik ging om hem nog één keer te zien. Ik ging om hem een allerlaatste keer te zien.

En om
te delen. Te lezen. Misschien jazzpoëzie misschien want al zo lang deelden we jazz en deelden we poëzie. De woorden die me op dat moment doorstroomden waren die van de experimentele dichters in een anthologie die ik ergens opgeduikeld had, je kon het jazzpoëzie noemen of beatpoëzie of postmoderne poëzie of poëzie zonder meer (konkrete poëzie, iemand?), en het waren die woorden die ik ging fluisteren als ultieme boodschap in zijn morfinedrip.

(braaksel als articulatie)
(is het het gewicht van woorden en ze zullen zeggen dat het nooit gebeurd is)
(ik voel de halfgegeten appel klem zitten onder me in de auto)

Dat was mijn tocht. Woorden in zijn doodgaan te fluisteren was mijn tocht.

Dus
las ik.

Ik las.
Soms zei ik
dingen.
Las van.
Harems van drums die aan mijn voeten likken.
Ingevette vleugels.
Verduisterende wolken.
Stille zeeën.

(was het jazz genoeg voor je pappa?)
(weet je nog van de black dada nihilismus pappa?)
(waren het de woorden die we prevelden, pappa, als we whisky dronken en kaartten terwijl iedereen rond ons naar bed ging?)

Iets van dat alles zong me hier weer tegemoet. Ik stel me voor ik ben wetenschappelijke fiksie geweest altijd. Deze hier Douglas Kearney, hij behoorde tot de stemmen die het welsprekendst tot mij spraken in die anthologie waar ik dan & daar uit voorlas en de kans is niet nihil dat het effectief woorden van Douglas Kearney waren die de oren van mijn stervende vader bereikten.

(en iemand bracht me terug naar huis in een auto)
(en ik dacht:)

Zou het ook niet hier kunnen zijn?
Alfabet is een roman.
Poëzie is overal.

Water de gedachtegang de idee stil deur sukses wachtwoord regen pijn muur oogst regressie obsessie maagzuur lijm glimlach tranen punt zwart pedaal gas zand wolken situatie geluk firmament honderd pinda’s slagzin mus troost moeder fiets tafel buiten boodschap mond leuning stoel bedeesd zien vrouwelijkheid schoensmeer oost akkers landweg helikopter spiegel onzin toekomst geluid schaduw zolder drift vis onrecht blos moord getuige god standbeeld bedwang veren lamp tram beweging kelk kwelling eekhoorn

Zegt iemand
(zegt wie)
geen gedicht is ook een gedicht

Zegt iemand
(zegt wie)
waaristwerkvan

Laat me u dus verzekeren dat het niet zonder emoties was dat ik daar zat in mijn leesstoel met in mijn handen I Imagine I Been Science Fiction Always van Douglas Kearney, de man van wie er werk, naast dat van anderen, was opgenomen in What I Say. Innovative Poetry by Black Writers in America, een anthologie uit het tumultueuze jaar 2015, toen mijn dochter geboren werd en mijn vader stierf. Maar. Daar heeft de dichter natuurlijk geen zaken mee, dat zit alleen maar in mijn hoofd. Douglas Kearney is niet de tijd die hij bij mij oproept, en deze bundel is zoveel meer dan handenvol associaties aan een veelbewogen jaar. Maar dat is poëzie. Poëzie is alle associaties die het is, en dan nog meer. Steeds weer meer. Poëzie is altijd meer dan poëzie alleen. En deze poëzie zeker.

Zegt Linda Mence:
een symbool is niet een overstijging van het persoonlijke
een symbool is persoonlijker dan een biografie

Maar ook heeft Linda Mence het over “woorden wisselen die heel hun zwijgen lang hebben staan gisten”.
En dat
vond ik mooi.

In bad
dacht ik even Misschien is dat maar dan omgedraaid een werkbare definitie voor de poëzie die Douglas Kearney bedrijft (bedrijf je poëzie?): woorden tot zwijgen laten gisten.

Maar neen.
Dit is geen zwijgen.
Dit is misschien wel het ultieme tegendeel van zwijgen.

(te klasseren is dit wel dit heeft een naam dit noem je visuele poëzie)|
(zieteratuur noemde iemand dat maar dat vond ik wel een heel klein
beetje een flauwzinnige woordspeling)
(maar dan weer alle woordspelingen zijn flauwzinnig)

Dus:

Poëzie tot beeld. Beeld tot poëzie.

&
verder teruggeworpen in de tijd
(altijd maar verder)
(is dat niet wat kunst doet? je werpen naar waar je momenteel niet bent? je verre houden van je hier en nu?) –
Ik was een jaar of twintig toen ik een foto zag van iets dat me op eerste gezicht toch duidelijk een installatie leek te zijn: rubberen banden gespannen van pilaar naar pilaar in een verder lege fabriekshal. Alleen had de kunstenaar, Dan Geesin, er deze titel aan gegeven: painting. Meer nog dan het kunstwerk zelf trof die titel me. Iets wat weinigen als schilderij zouden beschouwen glashard “Schilderij” noemen, dat was een daad. Kunst zat hem hier in de titel. Goede kunst heeft lak aan grenzen. Span rubberen banden waar je niet schilderen kunt. Schreeuw wat je niet zingen kunt. Verbeeld wat onverwoordbaar is. Sedert ik -ook al weer in mijn twintigs- K. Schippers kennenleerde, heb ik me altijd gegrepen geweest door literatuur die door het talige heen breekt. En nergens gebeurt dat nadrukkelijker dan in poëzie van deze soort, “visuele poëzie” ja.

Wat Douglas Kearney hier doet:
visualiseren, zo goed met als ook doorheen woorden. Van ostaijeneske woorddansen via beeldloze strips naar collages of gewoon regelrechte schilderijen: hier zingt poëzie zich los van literatuur. Hier wenst poëzie niet langer een (sub)categorie te zijn; hier eist het een autonoom leven op.

Precies dat.

I Imagine I Been Science Fiction Always eist
I Imagine I Been Science Fiction Always zingt
I Imagine I Been Science Fiction Always danst
I Imagine I Been Science Fiction Always schreeuwt
poëzie tot beeld tot eigen kunstvorm tot autonoom leven.

Wat kun je dan als armzalig besprekerken nog zeggen? Zeggen dat het tien jaar samenbalt, en meer nog dan dat? Zeggen dat dit voor mij begon in 2015 en dwars doorheen 2025 heen voortleeft tot geeneind? Zeggen im Sein des Seienden geschieht das Nichten des Nichts? Zeggen de eieren van Gog zullen omarmd worden? Zeggen als je een gedicht kan parafraseren is het geen gedicht? (maar geen gedicht is ook een gedicht en alles overal) Of eenvoudigweg zeggen:

lees deze bundel!

Recensie van Tim Donker

Douglas Kearney I Imagine I Been Science Fiction Always

I Imagine I Been Science Fiction Always

  • Auteur: Douglas Kearney (Verenigde Staten)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels
  • Uitgever: Wave Books
  • Verschijnt: 8 april 2025
  • Omvang: 128 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 25,95
  • Boek bestellen bij: Amazon

Flaptekst van de bundel van de Amerikaanse dichter Douglas Kearney

On the heels of Sho (winner, Griffin Poetry Prize) and Optic Subwoof (Pegasus Award in Poetry Criticism), Douglas Kearney’s visual poetry masterpiece, I Imagine I Been Science Fiction Always, pushes further into Kearney’s long-time practices of performance typography, collaging pre-existing media sources to create singular, multiplicitous texts that defy neat categorization. Through AfroFuturistic exploration of these techniques, Kearney presents a sustained consideration of precarious Black subjectivity, cultural production as self-defense, the transhistoric emancipatory logics of the preposition over, Anarcho-Black temporal disruption, and seriocomic meditations on the material and metaphysical nature of shadow. Engaging a rich history of visual poetics, I Imagine I Been Science Fiction Always almost predicts its endurance as a visionary work of genius.

Douglas Kearney was born in 1974 in the United States. He has published nine books ranging from poetry to essays to libretti. His most recent poetry book is I Imagine I Been Science Fiction Always, a collection of visual poetry. He is also the author of a collection of talks he presented for the Bagley Wright Lecture Series titled Optic Subwoof (Wave Books, 2022). His poetry collection, Sho (Wave Books, 2021), is a Griffin Poetry Prize and Minnesota Book Award winner, and a National Book Award, Pen America, Hurston/Wright, Kingsley Tufts, and Big Other Book Award finalist. He is the 2021 recipient of OPERA America’s Campbell Opera Librettist Prize, created and generously funded by librettist/lyricist Mark Campbell. Kearney is a 2022 McKnight Writing Fellow. A Whiting Writer’s and Foundation for Contemporary Arts Cy Twombly awardee with residencies/fellowships from Cave Canem, The Rauschenberg Foundation, and others, he teaches Creative Writing at the University of Minnesota–Twin Cities.

Bijpassende boeken en informatie

Victor Gijsbers – Oneindigheid

Victor Gijsbers Oneindigheid recensie en informatie boek en filosofische gids van de Nederlandse filosoof. Op  30 september 2025 verschijnt bij Boom Uitgevers het nieuwe boek van Victor Gijsbers. Hier lees je informatie over de inhoud van het filosofieboek, de auteur en over de uitgave.

Victor Gijsbers Oneindigheid recensie van Tim Donker

Of dat de bel gaat, en dat Boele voor de deur staat, die je kollega is uit een ander gebied maar die nu hier loopt, in jouw straat, jouw hoogsteigen straat, die niet de vorige straat is, waar hij trouwens ook gelopen heeft, hij volgt je spoor terug, nee heen, de nieuwe straat met een watertje en een bruggetje erover, wie was het weer die zo graag een bruggetje voor de deur zou hebben, het was geloof ik zomaar iemand, iemand op straat, niet deze straat, de straat waar je nu woont, de straat met het watertje en het bruggetje, de straat waar Boele nu staat met een pakje in zijn hand, het is voor jou, waarom belt hij daarvoor aan, het is niet zoon heel erg groot pakje, het had met gemak door de brievenbus gepast, misschien wil hij even een praatje maken, maar als je dan een praatje begint loopt hij al snel weer verder, hij heeft ook post voor de buren, en voor de buren van de buren, misschien was het geen goed praatje, denk je, het ging over politiek, iets met een zaag, dat vond hij niet goed, je gaat terug, naar de keuken, je was al aan het koken, zou hij hebben gezien dat je daar de hele tijd met een bol knoflook in je hand gestaan hebt?, en later, als het pruttelt, dit moet goed pruttelen, dit moet lang pruttelen, denk je, later dus, tijdens het pruttelen, open je dat pakje dat veel kleiner was dan je gedacht had.

Victor Gijsbers komt af met een boek over de oneindigheid en ik had het veel lijviger verwacht ja. Ik dacht dat gaat vast hardkaft zijn, en minimaal achthonderd pagina’s ofzo, de oneindigheid is groot maar boeken moeten ergens eindigen. Gijsbers al na 238 pagina’s. Ja. Ik weet. Die specificaties kun je allemaal zien als je een boek bestelt maar het ding is, filosofie bestel ik bijna altijd in een opwelling. Literatuur niet. Of een roman of een dichtbundel dik of dun is kan me soms net dat essentiële vertellen dat me over de streep trekt of erachter houdt, dan is ook schrijfstijl van belang, dan doe ik mijn voorwerk, grondig, niet altijd grondig genoeg, maar grondiger steeds, doch dit kwam langs in de nieuwsbrief van Boom Filosofie, en via een linkje las ik een stukje uit de inleiding en dat ging over kinderen en een keukentafel. Hoe er niet een uiterste getal is tot waar een mens kan tellen omdat je bij elk getal weer een getal kan optellen om tot bij het volgende getal te komen. Dat vond ik mooi. Als mens. Als vader. Mijn mooie lieve grappige wijze tienjarige dochter had die week net wat filosofie voorgeschoteld gekregen op school, een vraag was geweest of nergens ergens is (of nergens misschien), ik was in die stemming, in die stemming van kinderen, keukentafel en filosofie, en ik bestelde dus, een boek dat dunner uitpakte dat ik vantevoren bedacht had.

Gijsbers kwam als student natuurkunde met filosofie in aanraking; zodus hoeft het geen verwondering te wekken dat hij (ook) een wiskundig licht over de oneindigheid laat schijnen. Misschien ben ik bezig aan de volstrekt tegengestelde beweging. Ik liet de exacte vakken zo snel mogelijk vallen, kwam al de allereerste les wiskunde in het allereerste jaar op de mavo niet goed mee; natuurkunde en scheikunde kwamen achterop als nog grotere verschikkingen, het moest alles het raam uit, en wel zo snel mogelijk, ik hield, denk ik, teveel van nadenken, waardoor ik niks kon met vakken die voor het grootste gedeelte bestonden uit aannemen, aannemen dat het zo is, met deze getallen, deze natuurwetten, deze samenstellingen van deze vloeistoffen, maar eigenlijk was ik ook al geen echte alfa want aan rijen woordjes leren had ik om dezelfde reden een al even grote hekel terwijl mijn taalbegrip doorgaans goed in orde was, zoals keer na keer bij luistertoetsen en tekstverklaring wel bleek. Maar toen ik later in filosofie geïnteresseerd raakte, begonnen de hardere wetenschappen me al wat meer te trekken. Als iets wat ook een venster op de wereld kan zijn. Of verdere (filosofische) overpeinzing behoeft.

Waarom zou je niet het oneindige wiskundig benaderen, bijvoorbeeld? Is wat Gijsbers doet, in een hoofdstuk, en hiermee biedt hij de mens die maar twee jaar wiskunde heeft gehad, op de mavo dan nog, een verrassend bruikbaar handvat in de filosofie van het oneindige. Kardinaalgetallen, ordinaalgetallen, het was allemaal nieuw voor mij, en het was lang niet zo dor als ik bij aanvang vreesde; die Georg Cantor leek me eigenlijk best een boeiende figuur, Ω, en een symbool voor oneindigheid dat niet op deze computer zit maar het is niet de lemniscaat (die zit er wel op); de verzamelingenleer als droste-effect: hoe je nooit alle verzamelingen in een verzameling kunt stoppen want dan maak je een nieuwe verzameling en heb je dus niet alle verzamelingen in je verzameling. Aardigheidjes. Akkoord. Maar wel boeiende aardigheidjes. Een manier van zien die inderdaad van enige hulp kan zijn bij het filosoferen over oneindigheid met kinderen. Wat ik niet dagelijks doe. Maar ineens kon ik wiskunde gaan zien als iets dat in zichzelf oneindig is, waar ik het altijd als statisch had gezien, misschien kun je zoeven, langs al die getallen, waar nooit een einde aan komt, maar dan haalt Gijsbers in het navolgende hoofdstuk even fijntjes Wittgenstein aan die gezeid haadt dat wiskunde van menselijke makelij is en dat je er niks in kunt vinden dat er niet door mensen is ingestopt en je het dus juist niet moet zien als een eindeloos te exploreren terrein.

Al moet een mens wel iets met het gegeven dat in het oneindige het eindige nooit bereikt kan worden.

Je kunt aannemen dat het universum oneindig is, en daar steekhoudende argumenten voor geven.
Je kunt aannemen dat het universum eindig is, en daar steekhoudende argumenten voor geven,
Je kunt steekhoudende argumenten bedenken voor de (on)eindigheid van de tijd, je kunt het met Zeno eens zijn en menen dat Achilles de schildpad nooit kan inhalen omdat hij daarvoor een oneindige reeks handelingen moet voltooien en het voltooien van een oneindige reeks handelingen is onmogelijk. Je kunt duizelen bij oneindig grote getallen of je kunt Wittgenstein volgen en tot de conclusie komen dat je die duizeling alleen maar jezelf aan doet. Je kunt met Louis Blanqui menen dat een oneindig groot universum dat is samengesteld uit een eindige hoeveelheid stabiele atomen uiteindelijk wel in herhaling moet vallen zodat de kans zeer groot is dat er ergens in dat oneindige universum zich nog meer werelden bevinden zoals deze, met daarop mensen zoals wij, en misschien zelfs wel onze exacte dubbelgangers. Je kunt het met Quentin Smith eens zijn dat al onze handelingen zonder waarde zijn omdat geen enkele individuele handeling iets toevoegt (of afdoet) aan de totale hoeveelheid waarde in een oneindig groot universum, zeker niet als zich er in dat universum meerdere werelden bevinden met daarop mensen zoals wij, handelingen verrichtend zoals wij ze verrichten. Je kunt je daardoor laten verlammen. Je kunt niets doen. Je kunt wel alles willen doen. Wat moet je doen met zoveel oneindigheid, die je ook nog eens op schier oneindig veel manieren kunt benaderen.

Je helemaal in jezelf keren, alles niet groter maken dan je allerzelfste zelf groot is?

Gijsbers meent van niet. Hij haalt de ervaringsmachine van Robert Nozick erbij. Stel je voor dat je je hele leven in een machine zou kunnen slijten. Die machine tovert voor jou persoonlijk een prachtig en succesvol leven tevoorschijn. Je hebt een moje partner, je bent intelligent, je schijft een boek dat goed ontvangen wordt, misschien krijg je nog wel de nobelprijs voor de literatuur, en passant breng je wereldvrede, je bent een gevierd en geliefd mens. Je zou nooit weten dat het maar een virtueel leven is en dat je in werkelijkheid al je jaren in een machine hebt gezeten. Zou je willen? Of zou je niet willen? Nozick meent van niet, en Gijsbers valt hem daarin bij. Het zou immers niet echt zijn, en alles wat niet echt is, heeft geen waarde. Ik vraag me af of deze filosofen gelijk hebben in hun oordeel dat de meeste mensen nee zouden zeggen tegen een leven in de ervaringsmachine. Om te beginnen, leven we in zekere zin allemaal al in een ervaringsmachine. Ik doel hiermee niet op de idee dat we zomaar figuranten zouden kunnen zijn in de droom van een godheid of dat soort debiliteiten, of dat we nooit volledig kunnen uitsluiten dat heel het leven maar een door een demon bewerkstelligde hallucinatie is. Ik bedoel dat er geen ander “echt” is dan het “echt” in onze kop, en dat er geen toegang is voor ons mensen tot de buitenkopse werkelijkheid. Wat “alleen” maar in je kop gebeurt is niet perse onechter dan wat zich ook nog ergens daarbuiten bevindt (als Ding an sich ofzo, weetikveel). Bovendien valt de keuze tussen een “echt” leven vol armoede, uitzichtloze baantjes, eenzaamheid en vernedering (wat dat soort levens bestaat ook, Gijsbers) en een “louter” virtueel leven vol rijkdom, succes, liefde en lof misschien niet per se altijd in het voordeel van dat eerste uit. In een hierop gelijkend gedachte-experiment komt Gijsbers met de idee dat je bespot en uitgelachen wordt door je kollega’s – maar alleen maar achter je rug. Ze vinden je zielig, belachelijk, sneu en steken de draak met je maar ze vinden je zo zielig dat ze je hier nooit iets van laten blijken, en in je gezicht doen ze alleen maar aardig tegen je. Ook dit soort aardigheid zouden mensen afwijzen, meent Gijsbers want diene mens is klaarblijkelijk geobsedeerd door oprechtheid. Tsja. Als je er vlak voor je dood achter zou komen dat al het vriendelijks en moois en liefs dat je ooit op je levensweg ontmoet had allemaal maar nep was, zou dat nogal een schok zijn denk ik. Maar dan bedoel ik alles, ook wat je dacht te betekenen voor geliefden en vrienden en familie. Bepaalde categorieën mensen echter, en dit moge materialistisch klinken maar ik denk dat het zo is, hebben voornamelijk (of misschien zelfs alleen maar) instrumentele waarde voor elkaar. Kollega’s. Buren. Kennissen. Ze hoeven me niet echt te mogen. Als ze doen alsof is dat goed genoeg. Van kollega’s wil ik alleen maar dat ze bereid zouden zijn eens een keer een dienst van me over te nemen. Bij buren wil ik een ei kunnen lenen. En met kennissen een oppervlakkig nikspraatje maken als ik bij de slager op mijn beurt sta te wachten. Dieper dan dat kan de band wel gaan, maar dat hoeft niet. Oprechtheid en echtheid zijn niet altijd van richtinggevende waarde. Zelfs niet als we zoeken naar wat nog telt in het aangezicht van de oneindigheid.

Misschien wordt Gijsbers hier een beetje te prekerig?

Hij doorzoekt zelfgerichtheid nog wat verder. De miljonair op zijn jacht, bijvoorbeeld. Dat noemt Gijsbers obsceen. Omdat het bestaat “in een wereld waarin andere mensen geen schoon drinkwater, medicijnen of menstruatieproducten kunnen betalen” (het laatste lid in die opsomming vond ik een opvallende). In zichzelf een rake observatie, maar hoeveel rijkdom is precies obsceen wanneer je weet dat er ook mensen zijn die op een bankje in het park moeten slapen? Een kollega van mij vindt het onethisch om in een heel groot huis te wonen in tijden van woningnood. Wanneer is je huis te groot? Wanneer heb je teveel? Een jacht is klaarblijkelijk teveel ten overstaan van de armoede die ook in deze wereld bestaat. Om de hand in eigen boezem te steken: ik heb heel erg veel, echt wel heel erg veel, boeken. Goed, een deel ervan werd me ongevraagd op mijn recenseertafel geworpen, maar een niet onaanzienlijk deel kocht en bestelde ik zelf. Ten aanzien van mijn cd-verzameling is het nog erger: slechts een verwaarloosbaar klein deel kwam voort uit mijn roemruchte verleden als marginaal muziekrecensentje en al die zovele, zo heel erg veel vele andere cd’s kocht ik allemaal helemaal zelf. Is dat net zo obsceen als dat jacht? Wanneer moet je beschaamd zijn om wat je hebt? Gijsbers laat die vraag onbeantwoord. Maar duidelijk is wel dat hij de mensen hun besloten wereldje uit wil hebben.

Alles veil hebben voor je land dan? Nationalisme blijkt ook afkeurenswaardig. Ik weet niet of het wenselijk is om je politieke mening naar voren te brengen in een filosofisch werk, en zeker niet als het zo’n obligate mening is, maar iets over Gijsbers overpeinzingen ten aanzien van nationalisme wil ik wel kwijt. Volgens hem leidt nationalisme per definitie tot een soort van obscurantisme omdat nationalisten niet willen horen dat onze rijkdom gedeeltelijk is gebaseerd op een slavernijverleden. Je bent niet alleen maar een nationalist, je bent een extreem domme nationalist (voor zover al geen pleonasme) als je denkt dat de wereld voorbij je landsgrenzen ophoudt te bestaan. Zouden nationalisten al het kwaad dat hun land een ander land heeft aangedaan nu werkelijk ontkennen? Of zouden nationalisten sociaal-darwinisten zijn (dat zou me niet verbazen), en menen dat sommige naties andere naties mogen uitbuiten, dat het volstrekt in orde is met de wetten der natuur als de zogenaamd “moedige”, “avontuurlijke”, “ondernemende”, schepen bouwende volkeren parasiteren op andere? Het lijkt me een denkfout dat wie iets of iemand lief heeft de ogen sluit voor de slechte eigenschappen daarvan. Ik kan het geklier van mijn eigen kinderen in elk geval veel beter hebben dat het geklier van andere kinderen. Ik meen serieus dat mijn kinderen leuker, grappiger en intelligenter klieren dan alle andere kinderen.

Maar bij familie mag het ook niet stoppen van Gijsbers. Hij wijst de lezers in de richting van de potentiële oneindigheid. Er zijn altijd meer mensen te spreken, meer verhalen te horen, meer boeken te lezen, meer dingen te leren, meer zaken te ontdekken.

Diene mens zijn moeder schijnt over zijn hoofdstuk over het eeuwige leven gezegd te hebben dat dat duidelijk geschreven is door iemand die nog jong is. Hoewel Gijsbers maar negen jaar jonger is dan ik, komt gans zijn boek een beetje op mij over als “geschreven door iemand die nog jong is”. Zijn pleidooi tegen nihilisme, en voor “potentiële oneindigheid”, duiden niet alleen op een bevoorrechte, zeg “zeven vinkjes”-, positie (hier is duidelijk iemand aan het woord die schrijft, en leest, en intelligent is en goed in staat tot reflectie, omgeven wordt door academici of in ieder geval wat men “intellectuelen” pleegt te noemen; iemand die zich niet dag na dag hoeft af te beulen in één of andere fabriek en bij thuiskomst te moe is voor iets anders dan de maaltijd en wat SBS6 voor het bed alweer lonkt) maar ook op een bepaalde “jongheid van geest”. Ofwel: waartoe Gijsbers aan het einde op lijkt te roepen, werkt vooral voor wie nog niet blasé is (het leven brengt ons allemaal daar, vroeger of later) (hoewel, mijn opa is na zijn pensioen bij de Nederlandse Spoorwegen nog Russisch gaan studeren). Want dat de “potentiële oneindigheid” niet alleen kan enthousiasmeren maar evengoed een verlammende werking kan hebben, ontdekte ik reeds in de puberteit. Ik was in die dagen een metaalhoofd, als je dat zo kan zeggen. Toen ik als achtjarige in het bruiner dan bruine café waar mijn tante werkte de liveversie van Lola van The Kinks hoorde, was ik voor de rest van mijn leven (dacht ik toen) verkocht voor rock. Harde rock. Steeds hardere rock. Tot ik op mijn vijftiende of zestiende grindcore ontdekte. De elpee From enslavement to obliteration van Napalm Death leek me de allerextreemste elpee te zijn ooit gemaakt, en die moest ik hebben. En even later had ik hem. En ik was trots. Ik had hem. De hardste, bizarste, idiootste plaat die maar bestond. De zanger leek op een gekooid dier, de gitaren bruisten onophoudelijk uit de speakers en de drummer brak alle snelheidsrecords. En dat stond gewoon in mijn platenverzameling. Op mijn kamer. Dat had ik, dat luisterde ik, dat was in mijn bezit. Tot een klasgenoot een paar weken later naar me toe kwam met op zijn walkman een bandje met daarop wat liedjes van Sore Throat. In de Aardschok besproken als de band die Napalm Death liet klinken als een huisorkestje. Dat moest ik horen, vond die klasgenoot, en of ik wilde of niet: hij liet het me horen. En inderdaad. Het was nog net een tikje gestoorder, een tikje heftiger, een tikje extremer dan From enslavement to obliteration. Allicht dacht ik er toen niet in die termen over na, maar ik denk dat dit mijn eerste gewaarwording van de potentiële oneindigheid moet zijn geweest. Er was helemaal geen allerextreemste plaat ooit gemaakt, en die zou er ook nooit zijn. Het kon altijd wel nóg een tandje extremer. Was dit geworden van mijn liefde voor (rock)muziek? Een jacht naar de ultiem extreme plaat, een jacht die nooit zou eindigen? Daar en dan, op het schoolplein, hield ik op een metaalhoofd te zijn. Van lieverlee omarmde ik elke muziekstijl, iets wat ik nog steeds doe. Waarmee gezegd wil zijn dat het potentieel oneindige ook een eindigende uitwerking kan hebben (maar wat enerzijds eindigt, opent anderzijds nieuwe deuren dus).

En daar komt nog iets bij. In het geval van bovengenoemde extreme platen zijn de verschillen tussen de ene allerextreemste plaat en de volgende nog-net-iets-extremere plaat miniem. Bij Sore Throat, b’voorbeeld, viel eigenlijk vooral de zang op die iets gestoorder leek te zijn dan bij Napalm Death. Maar hoe anders is dat bij het leven met de potentiële oneindigheid zoals Gijsbers dat voorstelt? Ja, er zijn altijd meer mensen te ontmoeten, meer boeken te lezen, meer dingen te zien, er is altijd meer kennis te verwerven, er is altijd een volgende grens tot waar je verstaanshorizon kan worden opgeschoven. Maar de verschillen tussen wat je al kende en wat er nog bij komt, worden wel steeds kleiner totdat het “altijd nog meer” niet meer is dan oude wijn in nieuwe zakken. Tot een bepaalde leeftijd kan het potentieel oneindige erg inspireren, maar er kan ook een moment komen waarop je je schouders zult ophalen bij de gedachte aan alles wat er nog te ontdekken, te kennenleren, te vernemen, te zien valt.

“Oneindigheid. Een filosofische gids” zal dan ook wel het interessantst zijn voor een wat jonger publiek. Bij mij rees na lezing één vraag: hoe zou Gijsbers dit onderwerp benaderen als hij zestig is, of zeventig? Ik stel een deel twee voor, Gijsbers, door jou te schrijven over twintig jaar jaar. Dat boek zou namelijk wel eens briljant kunnen worden.

Victor Gijsbers Oneindigheid

Oneindigheid

Een filosofische gids

  • Auteur: Victor Gijsbers (Nederland)
  • Soort boek: filosofieboek
  • Uitgever: Boom Uitgevers
  • Verschijnt: 30 september 2025
  • Omvang: 240 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 24,90 / € 19,90
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van het boek van Victor Gijsbers de Nederlandse filosoof

Prikkelende verkenning van het oneindige – en verder.

Het oneindige is grenzeloos fascinerend. Als eindige wezens zullen we het oneindige nooit volledig kunnen vatten. Toch duikt het onderwerp telkens opnieuw op in de filosofie – we kunnen er kennelijk ook niet aan ontkomen. Filosoof Victor Gijsbers leidt de lezer langs de belangrijkste vragen over het oneindige in de wiskunde, de natuur, de werkelijkheid en het menselijk leven.

Via Aristoteles, Descartes, Nietzsche en Wittgenstein leren we hoe de mens het oneindige heeft proberen te temmen, of juist als God boven zich heeft gesteld. Aan het eind van de reis komen we uit bij Kant, die de eindige mens zag als maatgever van de werkelijkheid – maar een maatgever met een opdracht die hij nooit kan voltooien. Door na te denken over de oneindigheid zien we zowel de meest inspirerende als de meest tragische kant van het menszijn.

Victor Gijsbers is geboren in 1982. Hij studeerde natuurkunde en filosofie in Utrecht en is werkzaam als filosoof aan de universiteit Leiden. Eerder publiceerde hij bij Boom een vertaling van Wittgensteins Tractatus.

Bijpassende boeken

Rinske Bouwman – Korstmos

Rinske Bouwman Korstmos recensie en informatie over de inhoud van de tweede roman van de Nederlandse schrijfster en theatermaker. Op 23 september 2025 verschijnt bij Uitgeverij Orlando de nieuwe roman van Rinske Bouwman, de uit Nederland afkomstige schrijfster.

Rinske Bouwman Korstmos recensie van Tim Donker

Je dacht dat wij het waren. Maar we waren het allemaal.

Want als ze je met het mes op je keel komen vragen waar het over gaat, dan zou je misschien zeggen dat het gaat over een buschauffeur die zorgt zijn aan kanker stervende vrouw.

Maar neen. Daar gaat het niet over. Niet echt.

Of wel echt. Maar toch niet.

In ieder geval is Marius, de hoofdpersoon van Korstmos, buschauffeur. Thuis, in de huiskamer, ligt Philo als uitbehandelde kankerpatiënt dood te gaan. Steeds is de verwachting dat ze het volgende jaar niet meer zal halen. Maar steeds weer haalt ze de volgende jaren, en ook de daarop volgende. Ooit was ze niet ziek, toen waren Philo en Marius gewoon man en vrouw in plaats van zieke en verzorger, en in die dagen ontwikkelde Philo computerspellen. Hoe heet dat. Ze weet veel van computers en internet, en om haar man zich meer te laten voelen dan buschauffeur en verpleger tipt ze hem The Otherworld. Een spel op internet, waarin je een alternatief leven kan leiden. Het spel bevalt Marius. Het bevalt hem zeer. Hij organiseert er feesten op een eiland, feitelijk besloten feesten al wordt die beslotenheid steeds opener. Daarnaast fokt hij tijgers. Die kunnen andere bezoekers van The Otherworld dan houden als afgerichte huisdieren. Hij leert mensen kennen. Liv bijvoorbeeld, die in het werkelijke leven ergens in Leeds woont en waarmee Marius in The Otherworld trouwt. En andere mensen. Vrienden van Liv, bezoekers van zijn feesten. Gaandeweg wordt The Otherworld meer en meer een parallelle wereld, een bestaan naast zijn andere bestaan.

Zoals in haar debuutroman, Een soort eelt, laveert Bouwman ergens tussen alledaags en uniek. Kanker bestaat. Buschauffeurs bestaan. Doodgaan bestaat. Internet bestaat. En ik ken er niet zoveel van, maar spellen als The Otherworld zullen ook wel bestaan.

Al heeft niet iedereen een stervende vrouw in huis, of een spel waarin hij tijgers fokt.

Maar in handen van Bouwman wordt het alledaagse surreëel. En het surreële juist weer heel, euh, alledaags.

Want Marius praat telepathisch met dieren. In ieder geval voert hij in gedachten hele gesprekken met een merel, een mier, een schaap, een egel, of met Ruud, hun kat. Tegen dat er een tijger opduikt in het huis waar Marius en Philo wonen kijkt de lezer daar eigenlijk al niet echt meer van op. Het dier gaat ook mee op de bus, zit in een kuipstoeltje, ach, eigenlijk heel normaal. Niemand ziet de tijger behalve Marius. Of. Nee. Misschien. Toch.

Eerst dacht ik dat Marius de tijger had meegenomen uit The Otherworld. Dat het iets zei over virtuele werelden en echte werelden, en dat die niet zo makkelijk te scheiden zijn als wel aangenomen wordt. Dat je iets meeneemt uit wat (of wie) je “slechts” “online” kent, en dat uiteindelijk ook je gewone (je “offline”) (?) bestaan beïnvloedt. Maar later wordt in het boek zelf gesuggereerd dat de tijger staat voor rouw. Dat Marius eigenlijk al jaren afscheid aan het nemen is van Philo. Maar Philo blijft hier, jaar na jaar, waardoor zijn rouw ergens blijft steken (en materialiseert als tijger) (ook dat is doodnormaal in een boek van Bouwman) (veranderde er in Een soort eelt niet iemand stukje bij beetje in een yak?). En dan volgt er ten aanzien van de tijger vrijwel op het einde nog een onthulling die de “gematerialiseerde rouw”-lezing weer enigszins op losse schroeven zet.

Want hoe zeg je dat? Ja, ik weet hoe ik het zou kunnen zeggen. Ik zou hier en nu een achterlijkheid als “Niets is wat het lijkt bij Rinske Bouwman” uit het klavier van mijn kompjoetur kunnen rammen. Maar dat is zo’n afgrijselijke dooddoener dat niemand dat nog serieus neemt. Soms is taal stuk gebruikt. Dan is de betekenis ervan versleten. Maar je kunt in dit boek diverse malen peinzen dat je wel zo’n beetje weet hoe het zit, en dan blijkt het bladzijden later toch vooral niet zo te zitten.

Zelfs het achterplat is wat mij betreft abuis (of “zelfs”, een achterplat slaat wel vaker de plank mis). Er ontstaan niet per se “barstjes in de evenwichtige symbiose tussen Marius en Philo”. Maar ze zijn al tijden niet meer op dezelfde bladzijde. Marius verzorgt iemand met een terminale ziekte. Hij is de sterke, de gevende, de geduldige, degene die nooit iets voor zichzelf mag vragen, die in geen jaren meer een gelijkwaardige partner kan zien in zijn vrouw. Philo is degene die doodgaat, opgegeven is, steeds minder zelfstandig kan, alle hulp in grote dankbaarheid dient te aanvaarden, voor haar verjaardagen alleen nog maar doe-dingen krijgt als een saunabon of een ui (dan staat dan voor “een uitje”) (ja) want waarom zou je een stervende nog iets blijvends geven? Dat zijn zulke verschillende posities dat het evenwicht vanzelf een beetje zoek raakt. Maar wie er “eigenlijk” de overlever is, en wie de vegeterende is nog niet eens zo zeker.

Dat is Bouwmans kracht.

Eerst verdacht ik haar nog wel van mooischrijverij. Aan het begin van het boek zit een scene waarin de “kamera”, als ik dat zou mag noemen, of, zeg, haar pen, zich langzaamaan terugtrekt uit het huis van Philo en Marius en op straat belandt waar een klein meisje met chocomel in haar rugzak huilt bij het zien van een dode duif in de goot. Waarom dat meisje, waarom die chocomel, waarom die duif, hier begint het larmoyant te worden dacht ik, moeten er nou zoveel mogelijk tere beelden bij elkaar gepropt worden, is dat er niet een beetje over, is dat niet een beetje als ingetogen pianomuziek bij een verdrietige scene in een film, voor wie nog niet begrepen had dat het allemaal heel erg droevig is: hier is de muziek (in dit geval in de vorm van een dode duif). Maar het meisje krijgt een rolletje in het boek, weliswaar een verwaarloosbaar bijrolletje dat met een heel dun flintertje aan de verhaallijn van Philo en Marius vastgeplakt zit maar dat maakt niet uit, fragementarisme is alleen maar mooi, brokstukken van verschillende levens overal.

Verschillende levens ja.
Want nu heb ik u waar ik u hebben wil.
Ik dacht dat wij het waren maar we waren het allemaal.

Hoe bijzonder het leven van Philo en Marius ook is, het is ook het uwe.
Waarheen het gaat enzo. Allemaal richting de dood toch? Het lijkt een beetje flauw om mee af te komen maar de stervende Philo die maar niet sterft deed me denken aan de woorden die Frank Zappa sprak tegen een journalist die hem opbelde om te vragen of zijn ziekte terminaal was: “Alles is terminaal!”. Of dan Marius. Die niet echt op de bus wilde werken, het is maar tijdelijk, het is maar voor nu, hij kan anders, hij kan meer, niet dat hij het niet prettig vind op de bus, nee, integendeel zelfs, maar het is toch maar voor even. Bekend? Misschien wel, toch? Je dacht dat het alleen maar voor erbij was, een tijdje, je was zzp’er, je was een eigen bedrijfje aan het oprichten, het ging nog niet zo florissant alleen en je had er even een tijdelijke vaste inkomstenstroom bij nodig om te kunnen opstarten, jajaja, en voor je het weet werk je ineens 22 jaar bij de post en is dat hele eigen bedrijfje nergens meer. Of buschauffeur dus. Je dacht dat jullie het waren maar jullie waren het allemaal. In de gesprekken die Marius met de dieren voert, gaat het ook nogal eens over hoe je je leven moet inrichten. Er is een schaap dat een pleidooi houdt voor radikaal kollektivisme; een egel houdt een pleidooi voor radikaal individualisme. Een mier zit daar een beetje tussenin. Hij vertelt Marius een moje legende die onder mieren leeft: de eeuwige cirkel. Mieren die mieren achterna lopen, niemand weet alleen dat er geen voorste meer is en dat ze elkaar in een gigantische cirkel achterna blijven lopen. Dat verwoordt wel vrij kernachtig mijn angst voor elk kollektivisme: niemand denkt nog zelf na wanneer volgzaamheid het grootste goed is geworden. Daar kunt u Claude Lefort nog wel op na lezen. Of René ten Bos. Of Giorgio Agamben. Of Mattias Desmet. Of denk terug aan de van de gele hond gescheten coronajaren: de mensen die toen zeiden dat het totalitarisme niet was geïnstalleerd: dat zijn die mieren (de overheid zei u wanneer u uit werken mocht gaan, de overheid zei u dat uw kinderen niet naar school mochten gaan, de overheid zei u dat ongevaccineerden niet welkom waren in de horeca, de overheid zei u dat u zonder beflap voor uw bakkes geen boodschappen mocht gaan doen – als dat geen totalitarisme is, wat dan wel?).

En zo.
Ja zo inkt Bouwman haar woorden rechtstreeks op, en ook nog wel dwars door uw huid. Ik ging kapot bij de scene waarin Ruud dood ging. Huilen. Maar echt keihard, mijn dochter schrok ervan, wat is er met jou. Was er de hele verdere dag ook nog verdrietig van (zelfs nu ik deze woorden schrijf wellen de tranen wederom in me op). Dat is starkschrijven (wat iets anders is dan mooischrijverij). Of misschien is dat alleen maar mijn hele grote hart voor katten dat opspeelde.

Goed ook dat Bouwman losse eindjes laat. Waar ze zelf staat in de keuzes die de dieren Marius voorleggen, blijft onuitgesproken: Korstmos wordt nergens prekerig. Of uitleggerig. Het meisje met de duiven duikt een paar keer op, en verdwijnt dan weer. Net zoals mensen op The Otherworld, Marius’ virtuele wederhelft Liv voorop. Waar iedereen heen gaat, waar iedereen blijft? Uw gok is zo goed als de mijne. Of “de gedaante”, die ook nog in het boek voorkomt. Een gedaante die door afvalcontainers struint, doorheen straten stombelt. Eerst dacht ik dat het een zwerver was. Toen dacht ik dat het De Dood was die wacht op zijn kans met Philo. Daarna dacht ik dat het misschien stond voor het monsterlijke mombakkes dat Het Leven Zelve niet zelden opzet. Nog weer later dacht ik er niks meer van, en ook dat doet Bouwman goed: de lezer laten meedeinen op de golven van het verhaal. Niet van alles hoef je iets te denken. Niet alles behoeft een of andere verklaring. Niet alles moet logisch zijn. De dingen zijn. Rare dingen, ongrijpbare dingen, of juist het allertriviaalste der dingen. Het is er. Alles is er nog. En zolang het er nog is, is er nog leven.

Korstmos is een bloedmooie roman die mogelijkerwijs sommige petten te boven zal gaan. Maar daar is het goed toeven voor romans: vlak boven sommige petten. Precies daar moet je zien te geraken als schrijver.

Rinske Bouwman Korstmos

Korstmos

  • Auteur: Rinske Bouwman (Nederland)
  • Soort boek: Nederlandse roman
  • Uitgever: Uitgeverij Orlando
  • Verschijnt: 23 september 2025
  • Omvang: 224 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 22,99 / € 14,99
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de tweede roman van Rinske Bouwman

Marius is buschauffeur, beginnend vogelaar en mantelzorger van zijn vrouw Philo, die al jaren langer leeft dan verwacht. Als game developer tipt ze hem The Otherworld, een online virtuele wereld, waar mensen van over de hele wereld samenkomen en zichzelf kunnen zijn, of juist helemaal niet.

In The Otherworld koopt Marius een eiland van pixels en hij begint een diervriendelijke tijgerfokkerij, waar hij elke vrijdagavond een steeds drukker bezocht online feest geeft. Door nieuwe mensen te ontmoeten en een eigen sociaal leven op te bouwen bereidt hij zich zo goed mogelijk voor op een leven na Philo’s dood.

Hoewel ze al jaren samen zijn ontstaan er barstjes in de evenwichtige symbiose tussen Marius en Philo. Marius haalt inspiratie uit de natuur om hem heen. Hij krijgt tips van schapen, mieren en zijn eigen kat Ruud. Ook een zwaan probeert hem te troosten. Toch wordt de kloof tussen Marius en Philo groter, tot er een tijger in zijn huiskamer staat. Een echte, niet een van pixels.

​Rinske Bouwman is geboren in 1988. Ze is een Utrechtse theatermaker en schrijver. Haar voorstellingen speelden op verschillende festivals en in theaters in Nederland. Haar teksten zijn macaber en humorvol. Vaak is rouw een hoofdthema in haar werk, dat ze met een lichte toon en absurde inslag hoopvol maakt. Een soort eelt, haar debuutroman, verscheen in 2024.

Rinske Bouwman Een soort eelt recensieRinske Bouwman (Nederland) – Een soort eelt
Nederlandse debuutroman
Uitgever: Uitgeverij Orlando
Verschijnt: 11 januari 2024
Tim Donker recensie
Een cadeau voor de bespreker: het beste boek om alle voorgaande boeken mee te vergeten. Dit is een mooi boek. Dit is een poëties boek. Dit is ondanks dat hele grote verdriet een hartverwarmend boek…lees verder >

Bijpassende boeken

Claire-Louise Bennett – Dikke kus, dag-dag

Claire-Louise Bennett Dikke kus, dag-dag recensie, review en informatie nieuwe roman van de Engelse schrijfster. Op 18 september 2025 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van Big Kiss, Bye-Bye, de roman van de uit Engeland afkomstige schrijfster Claire-Louise Bennett. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Claire-Louise Bennett Dikke kus, dag-dag recensie van Tim Donker

Mijn buurman, of feitelijk de vorige buurman, degene die mijn buurman was toen ik in het huis woonde waar ik hiervoor woonde, de Sergio, zei altijd dat je, als je het beste werk van een artist of band in handen wil hebben, er goed aan doet het vroege werk te kopen, de eerste drie, vier platen, want daarna treedt de vervlakking in en of dat altesaam van meden is en van perzen, dat weet ik zo net nog niet (Tom Waits maakte zijn mooiste platen met het drieluik, als het al een drieluik is Swordfishtrombones – Rain Dogs – Franks wild years, en toen was hij echt al tien jaar bezig platen te maken, platen vol met fijne grappige sfeervolle en zomwijlen zelfs ontroerende maar toch nooit echt wereldschokkende liedjes; Hood’s beste platen zijn de door Matt Elliott geproduceerde: Rustic houses, forlorn valleys en The cycle of days and seasons en alles wat daarvoor kwam en alles wat daarna kwam kun je gevoeglijk negeren, misschien op Cold house na, of Silent ’88; ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die de eerste platen van Swans prefereren boven de hele achteropkomende discografie maar ik geef toch echt de voorkeur aan hun “afscheidsplaat” (zwanenzang, iemand?) Soundtracks for the blind en de eerste drie platen van na de comeback van 2010 en zwabber gans de weg is het pad van Simon Joyner: natuurlijk haalt weinig het bij Room temperature of Heaven’s gate maar veel latere platen als Step into the earthquake of Coyote butterfly kunnen zeker tellen kwa schoonheid en kippenvel en kroppen in kelen) maar wat ik me altijd sedert heb afgevraagd is of dit als losvaste richtsnoer ook opgaat voor schrijvers – een mens zou immers kunnen beweren dat een schrijver rondom zijn debuut nog onbevangen is, onbezoedeld zo je wil, en schrijft vanuit innerlijke noodzaak, passie, een geheel eigen poëtica maar ik acht het evenmin ondenkbaar dat een schrijver allicht een paar boeken lang moet zoeken naar zoiets als een eigen stem, dat literatuur een tijdje nodig heeft om uitgepuurd te raken, dat het trager groeit dan muziek & ik zeg nu maar wat.

Want had Koppernik ze niet in omgekeerde volgorde uitgegeven? Eerste Kassa 19, en toen pas het debuut van Claire-Louise Bennett: Poel? Alleszins las ik ze wel in die volgorde, en Kassa 19 had me verpletterd terwijl me de motor in Poel nog niet ganzelijk warmgedraaid leek. Het was een schoon warmdrajen, dat wel. Maar het miste een “iets” dat Kassa 19 had; een iets dat Claire-Louise Bennett bij Poel klaarblijkelijk nog niet gevonden had.

Stijgende lijnen, daar dacht ik aan, en met die gedachte onthaalde ik wat ik dan denk dat haar derde boek moet zijn (maar misschien hebt wij neerlanders nog wel meer gemist?). Zie daar maar eens aan te voldoen, Bennett. Een voorsprong waarmee ze al gelijk op achterstand staat.

Natuurlijk die achterlijke titel. Of de allereerste bladzijde. Ze herinnert zich de laatste keer dat ze haar (inmiddels ex-)lief Xavier zag, en die herinnering wordt ingeluid met de navolgende zin: “We hadden elkaar bijna een jaar niet gezien vanwege de pandemie.” Hum. Sja. Ik had al moeite met alle mensen die het heersende discours rondom corona voor zoete koek slikten en al die totalitaire regeltjes slaafs opvolgden (zo gemakkelijk is het dus om van een democratie een dictatuur te maken) maar het zo serieus nemen dat zelfs de liefde eraan opgeofferd mag worden, gaat nog wel iets verder dan domme gezagsgetrouwheid. Of een paar zinnen verder: “Het was zo’n vreemde plek om te gaan zitten dat ik zichtbaar verontwaardigd was.” Waarbij ik me afvraag hoe je als je niet toevallig net voor een spiegel staat eigenlijk weten kunt hoe zichtbaar je verontwaardiging was. Het is een rare manier om de mate van verontwaardiging aan te geven, en dit, zo kort op dat pandemiegezeik, zou bij om het even welke andere schrijver genoeg zijn om het boek voorlopig heel diep onderaan één van de stapels te proppen waar ik het voorlopig niet meer hoef te zien maar dit is niet om het even welke andere schrijver. Dit is Claire-Louise Bennett. Van Poel. En meer nog: van Kassa 19. Dus ik hou Dikke kus, dag-dag weg van de bodem der stapels, ik zit, in leesstoel, en blijf lezen.

En toegegeven: wanneer je je er aan overgeeft, neemt het je mee. En je vliegt. En je gaat. En het stuwt je voort. Want ze raast, Claire-Louise Bennett, ze raast. Voort. En verder. En vuts. Over dagdagelijksheden, over politiek, over vriendschap, over liefde. Ergens valt het woord dagboek, en misschien is dat wat het is: het dagboek van de nadagen van een liefde. Er was een relatie met een oudere man, Xavier. Een heel stuk ouder, want al volwassen toen Bennett, als je haar tenminste kan laten samenvallen met de ikverteller, nog niet eens geboren was; Xavier was getrouwd toen, en iets van een magnaat ofzo, een privébankier, hoe heet dat, ik ken daar niet zoveel van, een rijk en af en toe op de rand van legaal leven leidend, nu eens hier en dan weer daar, maar in de hedenlijn is hij 75 en Bennett (als zij het is) zal in de vijftig zijn (ze doet een beetje schimmig over haar geboortedatum maar in een oppervlakkig interviewtje dat in 2005 in één of ander Iers tijdschrift stond, zei ze dat ze in de dertig was). Die relatie is over, en het blijft onduidelijk hoe lang het geduurd heeft, hoe ver het ging, maar zeker is wel dat ze Xavier nog mist, en iets blijvends in haar heeft achter gelaten. En daarmee gaat zij nu doorheen haar dagen, en ze loopt en eet en slaapt en herinnert zich. Soms is het in al zijn trivialiteit grappig, zoals een keer dat ze gingen klagen over een high tea die niet was bevallen of de stress om een rekening die Xavier voor haar had afgesloten bij een bloemenwinkel zodat ze daar elke week bloemen kon gaan uitzoeken, maar Xavier had het te besteden bedrag op vijftig euro laten zetten en ze wist begot niet hoe ze elke week weer op vijftig euro moest uitkomen, en dan gaat het bladzijden lang over welke bloemen mooi zijn en welke niet, en welke bij elkaar passen, en dan komt ze op een keer toch nog bijna op vijftig euro uit want ze geeft een etentje en er moet drank en voedsel en jolijt en sfeer zijn en één van de gasten blijft maar met haar vingers door het venushaar gaan en venushaar kan daar niet tegen en dan weet ze niet zo goed of ze er iets van moet zeggen want ze wil geen zeikerd zijn en uiteindelijk duwt ze die gast maar een extra portie baklava in handen zodat haar vingers iets anders te doen hebben dan door venushaar gaan.

Soms is het grappig zonder de omweg langs dit soort truttigheid te nemen, zoals een snel heen en weer pingpongend gesprek tussen Xavier en de ikverteller over de resistentie die sommige dingen hebben tegen woorden. Woorden over woorden en over waar geen woorden voor bestaan.

Maar altijd raast het. Het is alsof Bennett tegenover je zit, op kaffee, en aan het woord is, en blijft, en ze praat en ze praat en ze praat en ze ratelt. Het komt over je heen. De zinnen overwoekeren je.

Soms zijn er flitsen. Xavier die als begroeting altijd Hoe is tie zei maar dan alsof het één woord is: Hoestie en dat katapulteerde me terug naar mijn dagen als kind, en ik kwam tussen de middag thuis om te eten, en mijn zussen zaten al op de middelbare school, en ik was alleen met mijn moeder en altijd vroeg ze Hoe is het, maar dan als één woord: Hoest, en dan stond ik en kuchte ik nadrukkelijk in mijn vuistje, dat was onze vaste grap, dan lachten we een beetje, in de keuken, want altijd in die dagen waren we in de keuken want we waren aan het eten, of samen aan het koken, of paneermeel aan het maken, of koffie aan het zetten; altijd waren we in de keuken, o die keuken in dat huis aan de Oudartstraat in Stiphout zie ik op elk (on)gewenst moment moeiteloos voor me.

Zulke flitsen.

Of andere flitsen.

Prachtig is een sexscene die zich afspeelt in een verlaten of leegstaand gebouw in London, er is een ik en een hij , de hij zou Xavier kunnen zijn, al lijkt dat niet waarschijnlijk op grond van hoe Xavier en de relatie met hem beschreven wordt; de scene op zichzelf detoneert al een beetje met de rest van de roman, zou ook op zichzelf kunnen staan, als prozagedicht, de muzikaliteit ervan, de manier waarop de taal brokkelt en tegelijkertijd kompleet vloeiend is, het ritme, de herhaling, het deed me, idioot genoeg, denken aan een sexscene die ik niet altelang geleden las bij Autran Dourado, over het algemeen ben ik nooit zo gecharmeerd van sex in literatuur, net iets te vaak wordt het plat of lomp of er wordt juist geprobeerd om er in verhullende, zogenaamd mojere, woorden over te spreken maar kiest men dan voor zulke idiote archaïsmen dat het onbedoeld lachwekkend wordt, of het licht dat erop geschenen wordt is gedimd en zoetsappig-romanties en nep en plastiek, maar hier, bij Bennett, is het, evenals laatst, bij Dourado, meer dan geslaagd en gaat het niet eens om de beelden, de sex, maar veeleer om de taal, de sex zit hem in de taal, de taal zelf is sex, alsof de woorden copuleren, weetikveel, jajaja, het is de taal die hijgt, tast, reikt, voelt, penetreert, tot een hoogtepunt komt, dit is zo mooi, dit is waarom ik zoveel hou van literatuur, van lezen, dit is wat taal vermag en het is zo’n voorrecht om daar keer na keer getuige van te mogen zijn.

Of ook. Hoe de ikverteller zich, ergens, voorstelt hoe het zou zijn om samen te wonen met Xavier, hoe zou het ontbijt zijn en hoe het diner; hoe schrijven dan een geplande activiteit zou worden in plaats van iets dan vanuit zichzelf de dag in vloeit, ze zou opstaan en zeggen dat ze even ging schrijven en Xavier zou zien, en ze zou zitten, en gaan schrijven, want nu moest ze wel, en achteraf, bij dat diner, de vragen erover, of het schrijven goed ging en fijn was en of ze zoveel geschreven had als ze wilde, hoe geforceerd dat allemaal zou zijn, de gedachten hierover zijn vervat in vermakelijke, opstandige, grappige, geheel navoelbare taal, en weeral is het zo bloed- en bloedmooi.

Zo ook. De mail die ze aan haar voormalig docent Engels schrijft over de kleur groen en waarin – ofnee dat moet je echt zelf gaan lezen dat is veel te prachtig om naverteld te worden.

Zulke flitsen.

Of ook.

Flitsen van ergernis. Toch. Ook. Nog. Soms. Iedere keer als ze het over “het virus”, “de lockdown”, “je booster” of “een zelftest” heeft, alsof dat vastomlijnde gegevens zijn die exact zó zijn als ze indertijd werden afgeschilderd en geen enkel weldenkend mens het in zijn botte hersens zal halen daar andere connotaties aan te verbinden of andere gevoelens over te koesteren zodat elke lezer geheel aan boord zal zijn met de consequenties die Bennett over deze dingen trekt en niets nog enige nader explicatie behoeft maar nee, ik dus niet Bennett, ik was nooit aan boord van dat schip en eigenlijk snap ik niet waarom iemand die zo onafhankelijk en kritisch in het leven lijkt te staan als deze hier ikverteller, die zo wars is van conventies dat ze zich soms ongepast gedraagt maar liever achteraf de gêne over beschamende vertoningen draagt dan saai en ordelijk en “aangepast” en voorspelbaar te moeten zijn: “Uiteindelijk kan het me niet veel schelen dat ik me laat meeslepen en mezelf voor schut zet. Het alternatief is doodgaan van verveling, het alternatief is opgewekt zijn en gewoon doorgaan, het alternatief is met een lepel mijn hersenen eruit scheppen, het alternatief is te veel drinken en zwijgzaam en verknipt worden, het alternatief is me helemaal niet vertonen en ik heb al deze dingen gedaan maar me af en toe laten meeslepen en mezelf voor schut zetten is uiteindelijk zoveel makkelijker te verdragen.”; dat iemand dus, die bij de alternatieven die ze hier noemt ook “coronavolgzaamheid” had kunnen zetten, geen enkele afstand kan nemen van wat overheden wensten op te dringen, maar was het in die van de gele hond gescheten coronajaren ook al niet mijn verbazing dat het juist de “intellectuelen”, de academici, de cabaretiers, en ja, de schrijvers waren die voorop liepen in deze afgedwongen deugdzaamheid? Ook een gesprek met een vriendin over Amerikanen en Amerikaanse politiek; presidenten (in die tijd Biden) is een beetje te obligaat naar mijn smaak maar Bennett blijft gelukkig over het geheel genomen ver genoeg bij deugliteratuur uit de buurt.

Zet de taal voorop, en niet de preken. Is wat de meestentijds doet.

Wat misschien nog wel het duidelijkst is bij de flitsen waarin ik niet precies weet waar ze het over heeft of over wie het gaat, zelfs niet honderd procent zeker wie er de focalisator is en dat is een andere sensatie waarvan ik heel veel hou als het om literatuur gaat: niet precies weten wat er nu eigenlijk aan de hand is. Je hangt in het luchtledige, zonder ankerpunten, je kunt het niet verbinden aan je eigen referentiekader (oja dat heb ik ook, dat ken ik, dat maak ik ook wel eens mee), je hebt alleen maar de taal om je op te concentreren en dat is puur genot bij Bennett – vanwege de kadans, het meanderen, de woordendans.

Dikke kus, dag-dag is een babbelboek. Een briljant babbelboek. Maar een babbelboek nooitdeminder. Het heeft me niet zo verpletterd als Kassa 19 deed. Maar in de kieren schuilt schoonheid. Heel veel schoonheid. En juist deze nonchalance is het bewijs van haar ongeëvenaarde talent.

Claire-Louise Bennett Dikke kus, dag-dag

Dikke kus, dag-dag

  • Auteur: Claire-Louise Bennett (Engeland)
  • Soort boek: Engelse roman
  • Origineel: Big Kiss, Bye-Bye (oktober 2025)
  • Nederlandse vertaling: Karina van Santen, Martine Vosmaer
  • Uitgever: Koppernik
  • Omvang: 220 pagina’s
  • Verschijnt: 18 september 2025
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 24,50
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de nieuwe roman van Claire-Louise Bennett

De hoofdpersoon van Dikke kus, dag-dag is van de stad naar het verre platteland verhuisd. Daar, ontworteld en zwevend tussen twee werelden, denkt ze aan iedereen die ze heeft achtergelaten. Vooral aan haar oudere minnaar Xavier, die haar – zo zegt hij – beter kent dan zij zichzelf. Ze houdt nog steeds van hem, maar het verlangen is verdwenen.

Een onverwachte brief rakelt nog meer herinneringen aan vroegere liefdes op. Er was geluk en ongeluk, bevrijding en beknotting. De sporen die zij achterlieten in haar leven – koffievlekken, voicemails, bloemboeketten – vormen een rariteitenkabinet waardoorheen ze zich beweegt, terwijl ze steeds dichter om de kern cirkelt van wat het betekent om je te verbinden. Waarom willen we de ander aanraken, wie mag ons aanraken? En hoe laten we weer los?

Dikke kus, dag-dag is een even geestige als virtuoze roman over het mysterie van hoe mensen in ons leven komen en er weer uit verdwijnen, terwijl ze ons eeuwig in hun greep houden.

Claire-Louise Bennett is de auteur van de veelgeroemde roman Kassa 19. Haar debuut Poel, dat op de shortlist stond van de Dylan Thomas Prize, won de White Review Short Story Prize. Bennetts verhalen en essays zijn gepubliceerd in The New York Times MagazineHarper’s en andere tijdschriften. Ze woont in Galway, Ierland.

Bijpassende boeken

Teddy Tops – Egelskop

Teddy Tops Egelskop recensie en informatie over de inhoud van de eerste roman van de Nederlandse schrijfster en radiomaker. Op 16 september 2025 verschijnt bij Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar de roman van Teddy Tops. de uit Nederlands afkomstige schrijfster. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Teddy Tops Egelskop recensie van Tim Donker

Ik is wereld. Het ik kan de wereld niet buiten zichzelf om waarnemen. Ik ziet, en ik vertelt. Dat noemen we een ik-verteller. In het geval van Egelskop speelt de ik een uiterst marginale rol, maar dat maakt niet dat ze minder te vertellen zou hebben. Ze vertelt van haar ouders, die in een auto zaten die te water raakte. De ik was toen vier, ze zat achterin, ze was de enige die gered kon worden, van minuut tot minuut wordt de verdrinkingsdood van beide ouders beschreven, heel anders dan Cormac McCarthy de verdrinkingsdood beschrijft overigens, maar daar gaat het nu niet om, ook niet om de auto en ook niet om de ouders en zelfs niet om de ik. Het gaat om de ouders van de ouders.

Oma Jo en oma Levi. Laatstgenoemde raakte haar ouders kwijt toen de tweede wereldoorlog begon, zelf zat ze ondergedoken op steeds weer andere adressen. Jo verhuisde van een Drents dorp naar Drents Dorp, een buurt in Eindhoven waar vooral ex-turfstekers werden gehuisvest die kwamen werken in de fabriek van Philips. Jo en Levi werden volwassen in tijden van wederopbouw, grootse beloften, gouden toekomst. De oorlog was voorbij en alles was mogelijk. Of. Naja. Alles. Ge moest het natuurlijk niet te gek maken, in ieder geval als vrouw niet. Je moest trouwen, handelingsonbekwaam worden en stoppen met werken, je moest dienstbaar zijn aan echtgenoot en aan gezin, baren, leven en kansen doorgeven aan de volgende generatie die misschien konden gaan waarmaken wat jij had moeten laten liggen.

Over zulke dingen gaat het hier.

Over oorlog en ellende en de gruwelijkheden waartoe mensen in staat zijn; over dood en verlies en eenzaamheid; over determinisme en dwang en onrecht en de rollen waarin vrouwen gedwongen worden en de rollen waarin iedereen zichzelf dwingt; over het masculiene en paternalisme en sexisme; over de diverse vormen van hoop zoals wanhoop, valse hoop en het hopen tegen beter weten in. De hoop achterna. Het waarmaken van alles waarop je hoopt. De vrouwenbewegingen van Jo. Het dansen van Levi. Ware liefde. Leven zoals je wil.

Met een extreme ontvankelijkheid voor de wereld en alles wat daarop is en met een innige genegenheid schrijft Teddy Tops over de manier waarop het leven twee vrouwen langzaamaan verstikt. En, misschien, hoe ze dat tij kunnen keren.

Hoe de schrijver heden en verleden, feit en fictie, mogelijkheid en werkelijkheid onophoudelijk met elkaar verweeft, is prachtig. Hoe de strijdvaardigheid van dit boek geen moment de dichterlijkheid ervan aantast (integendeel), is prachtiger nog. Maar allerprachtigst is hoe het ruw en teder, ontluisterend en melankoliek, hard en zacht weet te zijn.
Hoe het me had. Op haast elke pagina, naja, soms misschien een aantal pagina’s niet, en dan toch weer wel, extra, dubbel.

De beelden (het beeld, bijvoorbeeld, dat uit het water komen van water lucht worden is).
Of dat Drents Dorp dus, in Eindhoven, een stad waar ik nota bene gewoond heb, weliswaar maar een jaar of vier maar toch, ik kende het niet, en ik zocht het op, misschien was het iets dat alleen maar even in die naoorlogse jaren had bestaan maar verrek, Drents Drop bestaat altijd nog, en dus bestond het ook toen ik daar woonde, het is een gebuurte in de wijk Strijp, en die ken ik wel, hoe een mens jaren later via een boek erachter kan komen dat in een verleden dat inmiddels ook best grijs mag heten iets vlak naast hem geweest is, en hij wist dat niet, een mens, dit mens, ik (ik is wereld).
Of dat heerlijk Brabantse “pakkendrager” (in plaats van bagagedrager) dat me een nog grijzer verleden in katapulteert, me doet denken aan de eerste twintig jaar van mijn leven (die achteraf beschouwd en ondanks alles misschien toch de schoonste twintig jaren geweest zijn).
Of zinnen als “Ze geloofde niet in God […] maar ze geloofde wel in schoonheid.”
Of een bedenking als “Zijn we niet een leven lang bezig alle levens te leiden die we niet hebben kunnen leiden?” (wat ik zekere zin waar is, zo ver als het brein gaat (waar het niet kruipen kan): de kansen die we misten, de keren dat we op een kruising hebben gestaan en we wisten het niet en bleven maar blindelings rechtdoor stiefelen en waar waren we uitgekomen als we links waren gegaan toen of als we rechts waren gegaan toen, wat is het verschil tussen het leven dat we leiden en het leven dat ook had kunnen zijn, vaak niet meer dan een woord, een stap, een keuze, een gebaar of zelfs nog: alleen maar even opgekeken hebben (mijn God! als je toen-en-toen gewoon even je kop had opgetild was je nu ergens anders geweest!) (en was je gelukkiger geweest dan, hoe kun je zoiets weten, je kunt wat niet is nooit meten met wat wel is) (het ganse bestaan van K. Schippers schijnt afgehangen te hebben van een liedje).
Of een weergaloze passage als: “Ik draai het terug, gum alles weg wat na mijn ouders kwam, ik gum weg wat ik niet mee zal maken. De fatbikes. De toeslagenaffaire. Megastallen. Kiloknallers. Ranking the Stars, Dancing with the Stars, The Voice, The Voice Kids, dat knikkerspel van Joop van den Ende. Gasboring in Groningen. Aardbevingen in Groningen. Elon Musk. Covid. Rabo-readers. Bellen op luidspreker in het openbaar. Sywert van Lienden. Ooit zal op de hoek van de straat waarin het geboortehuis van oma Levi stond een winkel bestaan die badeendjes verkoopt. Badeendjes met een doktersjas aan, badeendjes met een soldatenuniform aan, badeendjes met borsten en een zusterpakje aan. Ooit zullen er zo veel televisiezenders bestaan dat je een middag kunt vullen met zappen, sommige mensen doen dat ook. Er komt een tijd dat iedereen wekelijks een yogaklasje bijwoont. Er komen chocapastapannenkoekenwinkels. Er komt een tijd dat mensen niet meer weten dat een tomaat symbool stond voor iets anders dan een stuk groente of fruit. Er zullen bekende mensen zijn die we influencers gaan noemen. De millenniumwisseling is uiteindelijk vrij saai. Niet-ironische gabbers in het straatbeeld. Rode plastic Edah-tasjes. De floppydisk. Overslaande cd’s in de discman bij elke scheef liggende straattegel. Microsoft dos. De string boven de spijkerbroek. Fido Dido. Vliegjes op de voorruit op de Autoroute du Soleil. Mussen die de vliegjes van de auto aten bij wegrestaurants en tankstations, alsof zij ook een pitstop houden. Met je grote teen de computer aanzetten. Stiekem Jerry Springer kijken op de bank. Gaskachels met een waakvlammetje. Tamagochi’s. De eerste digitale camera en hoe flets de foto’s waren en hoe groot als je ze op je computer zette. Pesto en rucola op alles. Hoe ieder jaar een man met een stok in het ijs port en daar nooit een Elfstedentocht op volgt. Hoe je je gehele gemoedstoestand in één msn-naam kon proppen.”
Of een fantastische dialoog als: “’Wat betekent dat Jo, moderne vrouwen? Dat we kunnen dragen wat we willen? Dat we ons uitspreken, dat we lezen en schrijven? Dat we lid zijn van de vakbond? Doorstuderen? Is het modern dat we mogen stemmen?’ ‘Dat we niet doen wat ze van ons verwachten? Wij zijn “ze” eigenlijk?’ ‘De mensen?’ ‘De mensen die anders denken dan wij, of de mensen die bepalen wat wij zouden moeten doen of wie wij zouden moeten zijn?’ ‘Ja, dat zijn de mensen.’”
Of een verhaaltechnische ingreep waar Toon Tellegen zijn vingers bij af zal likken: de ik heft zichzelf op om een ander (beter?), kinderloos bestaan voor haar beide oma’s mogelijk te maken, een leven zonder opa’s maar vol liefde en glans en overwinningen (kleine en grotere). De ik laat de wereld gekend zijn buiten zichzelf om. Wereld is ik. De allerultiemste poging wat niet is af te wegen tegen wat is. Er zullen geen ouders zijn die met de auto te water raken, de vierjarige ik achterin. Dat bestaan zal niet zijn, de ik zal niet zijn, dit boek zal uiteindelijk niet geschreven zijn (of hoeven te worden).

Fucking noodzakelijk, zegt Esther Jansma, waarschijnlijk over dit boek, want het staat op de achterkant, en ik neem aan dat het de Esther Jansma is van Dakruiters en We moeten ‘misschien’ blijven denken, moje bundels vond ik dat, langs de andere kant is die Jansma er al niet meer sinds januari dit jaar, hoe kon die weten van dit boek en de noodzakelijkheid ervan, of hoe lang heeft dit boek op de plank gelegen, of op mijn recenseertafel, of onderaan welke stapel, en noodzakelijk voor wat, ik geloof niet zo aan kunst en noodwendig, de nood kent een wending en dat is kunst misschien, maar wat het dan wel is?
Steengoed. Adembenemend. Wonderschoon. Misschien wel geniaal.

Teddy Tops Egelskop

Egelskop

  • Auteur: Teddy Tops (Nederland)
  • Soort boek: Nederlandse debuutroman
  • Uitgever: Nijgh & Van Ditmar
  • Verschijnt: 16 september 2025
  • Omvang: 157 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 22,99
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de roman van Teddy Tops

Levi, een joodse vrouw uit Amsterdam, kruipt na de Tweede Wereldoorlog uit de schaduw van haar onderduikadres en gaat op zoek naar een dansschool om in de spotlights te staan. Jo is de jongste van dertien kinderen, geboren in een plaggenhut in Drenthe. Met haar familie vertrekt ze naar Eindhoven om te werken in de Philips-fabriek. Beide vrouwen verruilen in de jaren van de wederopbouw een ondergronds bestaan voor het licht. En beiden zien de voorbestemde toekomst in neonletters voor zich.

Wanneer ze de leeftijd hebben om te trouwen en voor het gezin te kiezen, besluit de naamloze verteller, die enkele decennia later opgroeit in een tijd waar de mogelijkheden eindeloos lijken te zijn, de regie op het verhaal over te nemen en de geschiedenis van haar beide grootmoeders te herschrijven. Wat volgt is een omgekeerd vlindereffect.

Teddy Tops is radiopresentator, schrijver en programmamaker bij o.a. Radio1 en de vpro. Ze is directeur van het internationaal spoken word platform Mensen Zeggen Dingen, organiseert festivals, avonden en clubnachten. Egelskopis haar debuutroman.

Bijpassende boeken