Tag archieven: Tim Donker

Lionel Shriver – Gelukszoekers

Lionel Shriver Gelukszoekers recensie, review en informatie over de inhoud van de nieuwe Amerikaanse roman. Op 5 maart 2026 verschijnt bij Uitgeverij Atlas Contact de Nederlandse vertaling van A Better Life, geschreven door Lionel Shriver, de schrijfster uit de Verenigde Staten. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Lionel Shriver Gelukszoekers recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Gelukszoekers, de roman van Lionel Shriver, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • Een schrijver die ons aanzet tot meer nadenken, dieper graven en meer uitdagen – en die er ook nog eens voor zorgt dat het leuk is.” (Sunday Times)

Recensie van Tim Donker

Die van Nieuwkerk hoorde je er nog wel eens over. Het schuldige pleziertje. Dat gaat dan geloof ik voornamelijk over muziek. Iets waarover je je schuldig voelt omdat je er plezier aan beleeft. Denk aan een liedje dat je mooi vindt ondanks dat het gemaakt is door een artiest die je haat. Een album dat kippenvel over gans je huid zendt terwijl het thuis hoort in een genre dat je niet geacht wordt te waarderen in kringen van muzieksnobs. Mjoeziek die lage instincten aanspreekt, instincten die je overwonnen dacht te hebben. Dat heet dat een schuldig pleziertje. Je vindt het mooi, stiekem, er is plezier in mooi vinden, en daarover voel je je dan schuldig. Ik moet dit niet mooi vinden maar toch.

Als het om literatuur gaat, hoor je al minder over schuldige pleziertjes. Ja, Kees ’t Hart schreef een essayistische ode aan wat men met een denigrerende term wel “damesromannetjes” heet, maar hier moet meer over te zeggen zijn. Natuurlijk kan een literatuurliefhebber zich verliezen in iets wat door mensen die er weet van hebben niet tot literatuur gerekend wordt. Maar zijn er nog andere schuldige pleziertjes?

Misschien.

Een schrijver die je helemaal niks vindt, en dan dat ene boek toch.
Een liefdesgedicht dat veel te erg voor de hand ligt maar dat je desondanks niet zonder tranen in je ogen lezen kunt.
Iets dat meevaart op de zoveelste hype die je verafschuwt en niettemin las je het in één adem uit.
Zulke dingen.

Of.

Gelukszoekers.

Ja.

Dit boek vertegenwoordigt alles waar ik mij verre van wens te houden zover als literatuur gaat.

Die titel alleen al. Gelukszoekers. Iemand zoekt zijn geluk, en dat is de mens inmiddels pejoratief aan het gebruiken. Alsof het iets vreselijks is om te denken dat je in een ander land meer kansen hebt op een goed leven. Alsof het iets vreselijks is om gelukkig te willen zijn. Alsof er niet genoeg mensen zijn geweest die in Canada, Australië, Zuid-Frankrijk, Spanje of, hee Margaret Ann, Portugal (zonder geldig verblijfsrecht, nee?) dachten te vinden wat ze elders vruchteloos gezocht hebben. Alsof je altijd maar achter dat lijntje moet blijven dat anderen voor jou getrokken hebben.

En ook. Een boek met politieke basis, goed, dat kan nog net. Maar boeken over actuele thema’s? Ja. Sorry. Ik weet niet. Maar ik persoonlijk kan geen klimaatroman meer zien, en boeken met zo’n Trump-achtige president mogen van mij ook wel het raam uit. Van die schrijvers die ons, onwetenden, menen te waarschuwen dat we aan de vooravond van een ecologische catastrofe staan of dat er een machthebber is, hier of daar, die bezig is de hele wereld in het verderf te storten, ja, dank u, monneer of mevrouw schrijver, dat hadden we nog niet gezien, dank u om dit onder onze aandacht te brengen, nu weten wat ons te doen staat – in een hoekje kruipen en bang zijn.

Vraagt u het mij? Ik weet het niet, maar als zo dan zou ik u zeggen dat het lichtelijk suspect is om te schrijven over die dingen waar iedereen al de mond van vol heeft. Elk kaffeegesprek loopt ervan over, en bij de koffieautomaat op het werk praten ze over niks anders. Schrijf daarover een boek en het zal gelezen worden. Ja goed. Maar dat kunstje is me toch wat al te koud.

Dus ik hoef nie te lees nie een boek nie over asielzoekers nie.

En dan.

Gooi meer in het mengsel.

Gooi.

Een weinig bijzondere schrijfstijl. Een opbouw die traditioneel heten mag: gewoon ab ovo, heel gewoon, en gewoon lineair, heel gewoon, en dan ook nog, heel gewoon, kleine gebeurtenisjes als eerste die culmineren in, ja hoor. De Gewelddadige Climax. Verhaalfiguren die zo onbeschaamd clichématig zijn dat het welhaast typetjes zijn, nogal plat in ieder geval; ze functioneren duidelijk als (maatschappelijke) archetypen en deze functionaliteit heeft Shriver klaarblijkelijk boven literaire zeggingskracht (of, zo u daar belang aan hecht, zoiets als “geloofwaardigheid”) gesteld.

Gooi het erin, en het mengsel zou ondrinkbaar moeten zijn.

(meng de zeedruif met de wijn. en geef de dichter ook wat. geef de dichter wat, geef de dichter wat)

Zou moeten. Maar is niet.

Nee, ondanks dat het boek minimaal op vijf-nul achterstand begint (ofzo, ik tel de punten nooit), heb ik het min of meer in één ruk uit gelezen (feitelijk moet het een ruk of zes geweest zijn, maar dat klinkt minder goed).

Hoe zit dat dan?, vraagt een mens zich af.

(het besprekerken zit, verslagen, met een boek op schoot, en het einde, oja het einde, weeral helemaal niks, maar dat komt nog, dat komt nog, hij zit daar, de laatste tonen van Der weg der toten sterven weg, hij heeft gelezen, hij heeft gezeten, hij was weeral geen parelduiker, hij wil Dregke niet weer teleurstellen, hij wil niet opnieuw een broer moordenaar, moet hij spreken, moet hij zwijgen, hij zit, hij is een klein en armzalig besprekerken, dus hij zal spreken, het zit immers al in het woord)

Hoe zit dat met boeken als dit. Boeken die zich bijna aan je opdringen. Boeken die je geboeid houden ondanks dat je al hun truukjes doorziet. Oja want dat gooide Shriver ook nog in het mengsel: een beetje sex (niet teveel uiteraard), een beetje liefde, wat intriges, een hollywoodiaanse spanningsopbouw; dit boek leest als een thriller (nog een genre dat doorgaans mijn aandacht hoegenaamd niet heeft).

Je wil er niet over nadenken.

Je wil erover nadenken.

Je denkt – één meesterzet van Shriver is alvast om het verhaal vanuit Nico te vertellen.

Wie is –

Nico?, u vraagt.

Misschien is dit het moment waarop ik wat meer informatie moet gaan geven. Goed. Gloria Bonaventura is een gescheiden moeder van drie volwassen kinderen: Palermo, Vanessa en Nico. De twee zussen Palermo en Vanessa zijn het huis al uit, hebben zoiets gedaan als een glansrijk eigen leven opbouwen. Daar valt misschien nog wel wat op af te dingen: Palermo was hard op weg een wereldberoemd turnster te worden tot een auto-ongeluk die droom definitief aan diggelen sloeg; nu verricht ze administratieve werkzaamheden in het niet overdreven succesvolle bouwbedrijfje van haar man en Vanessa heeft zo’n groot hart dat ze het nooit heel veel verder zal schoppen dan de kinderopvang waar ze werkzaam is – ze mist de zelfzuchtige component die nodig is om “de maatschappelijke ladder” tot de bovenste sport te bestijgen (ja sorry ik wist even geen andere woorden hiervoor). Nico, echter, woont nog bij zijn moeder in de ooit (in gelukkiger tijden, toen de ouders nog samen waren) goedkoop aangeschafte maar door vader geheel vertimmerde villa in hartje New York – een huis dat inmiddels miljoenen waard is. Hij heeft een studie gedaan die hem niet begeesterde: vlak voor hij zijn diploma behaalde wist hij het al: hij wil geen ingenieur worden (dan is u nog ver gekomen, Nico, ik dacht in het eerste halve jaar van mijn studie al Hier Wil Ik Nooit Iets Mee Gaan Doen, en toch, hangend, wurgend, in bijna twee keer de tijd die ervoor stond, naar het diploma toe, ik wilde mijn vader de schande besparen van een ongediplomeerde stamhouder); werkloos slijt hij zijn dagen als zelfbenoemd observator die de uiterste graad van neutraliteit wil bereiken. Daar zal hij het gezien de verdere ontwikkelingen nog moeilijk mee krijgen. Maar dat komt straks. Want neutraal is hij sowieso al niet, Nico is, ehm, nogal, sja, rechts.

Ja, rechts.

En we zitten de hele tijd in zijn hoofd, zijn rechtse hoofd, en dus kun je je verheugen op vermakelijke en niet zelden zeer rake tirades.

Als.

“De coronalockdowns waren al stom genoeg geweest, ze hadden kleine winkels en restaurants de kop gekost en de straten ontsierd met multiplex en met hangsloten afgesloten rolluiken. Maar boven op al die economische zelfbeschadiging was de stad waar hij geboren was in anderhalf jaar veranderd in een onbekende derdewereldhel.”

Of.

“Veel van de tegen het hotel leunende buitenlanders droegen mondkapjes, hoewel ze in de buitenlucht stonden en de mondkapjesplicht in New York zelfs voor openbare binnenruimtes al ruim anderhalf jaar niet meer gold. Waren de bijgelovige voorbehoedmiddelen een teken van oprechte angst voor ziekte, oprechte bezorgdheid over de verspreiding ervan, verwarring over de huidige voorschriften van het ministerie, of een kruiperig verlangen om te behagen?”

Of.

“Maart was ongewoon warm voor de tijd van het jaar, en daarin zagen onbekenden die bij de plaatselijke pinautomaat stonden te wachten aanleiding om te mopperen over de ‘klimaatcrisis’, aangezien je in de progressieve wereldvisie nu zelfs moedeloos kon worden van mooi weer.”

En meer zulks.

En het gaat er niet om of u dit ook vermakelijk vindt, of raak.

Nee.

Daar gaat het niet om.

Want ik varieer op woorden van Ilja Leonard Pfeiffer (en ja dat is een lul van jewelste ja, dat weet ik ook wel)(maar maakt dat uit?)(lullen snijden soms ook wel hout): “Literatuur moet gevaarlijk zijn of het is geen literatuur.”

En dus is dit Gelukszoekers al meer literatuur dan elke recente of minder recente deugroman. Als literatuur ergens om gaat, dan is het om grenzen op zoeken. Om durven zeggen wat elders niet gezegd kan of mag worden. Om de vrijplaats. Waar alles kan, en alles mogelijk is. Schrijvers, literatuurliefhebbers, academici, intellectuelen, kunstenaars, noem het, zij zijn vaak van linkse signatuur en wat je ter linkerzijde geacht wordt te denken en vooral ook geacht wordt verwerpelijk te vinden, is genoegzaam bekend. We weten wie de goedmensen zijn, we weten aan welke kant we moeten staan in welke oorlog dan ook, we weten waaruit solidariteit geacht wordt te bestaan. Hoe fijn is het daarom om eens al die dingen te lezen die je eigenlijk niet mag zeggen, niet mag denken, niet mag vinden. En Shriver voert het naar mijn gevoelen niet eens ironiserend op – al valt daar misschien ook wel wat op af te dingen. Maar ook dat komt later.

Want eerst.

Ja, waar was ik ookalweer. Oja. Gloria Bonaventura dus. Een activiste. Op een wat verbeten, en niet geheel oprecht overkomende manier. Als al die activisten zijn misschien. Het is niet bijzonder ver gezocht te denken dat Gloria’s activisme een reactie is op het rechtse denken van haar man; zoals de boodschap van de gemiddelde a12-bezetter eerst en vooral is Wij Zijn Beter Dan Zij. En dus neigt haar goedheidssyndroom soms tot in het bizarre (wil je daar iets mee zeggen, Shriver?). Als de burgemeester van New York zijn stadgenoten er op een dag toe oproept om een vluchteling in huis te nemen, aarzelt Gloria dan ook geen seconde. Zussen Vanessa en Palermo steunen hun moeder hier van harte in. Eerstgenoemde is misschien de enige in deze roman die vanuit haar ziel lijkt te spreken. Zij heeft de hele wereld lief, ze wil iedereen redden, ze ziet alleen maar het goede in elke mens. Je kunt van haar als lezer ook geen typetje maken, al lijkt ze ook nergens volledig van vlees en bloed te worden: iemand die zo lief is, heeft niet geleefd. Palermo daarentegen lijkt eerder het NIMBY-type. Iemand die het uit principe goedkeurt om minderheden bij te staan, en dat in dit geval ook makkelijk kan: ze woont niet meer thuis en ondervindt dan ook niet de nadelen van Gloria’s keuze. Niet op de manier van Nico.

Hij is al enige fel tegen het besluit van zijn moeder. Eerst en vooral omdat de vluchteling zijn ruimte in gaat nemen. Hij woont al een tijdje in het souterrain van hun New Yorkse miljoenenpand en moet daar nu uit – terug in zijn oude kinder-/jongenskamer omdat het souterrain vanaf heden het terrein is van de Hondurese Martine.

Die in alles wordt gekenschetst als het stereotype van de Midden-Amerikaanse vrouw. Vanaf dag één laat ze zich zien als vrolijk, extravert, gedienstig, warmbloedig, temperamentvol, sexy – al gelooft Nico van ganser harte dat ze vooral uit berekening in deze rol kruipt. Gloria, Vanessa en Palermo zijn weg van haar. Nico heeft zijn bedenkingen. Bedenkingen die niet minder worden als op enig moment Domingo opduikt. Zogezegd Martines broer, al hebben die twee voor broer en zus wel een aardig intieme verhouding. Domingo is in alles Martines tegendeel. Hij is een lompe, zwijgzame, sexistische, arrogante profiteur. Hij meent recht te hebben op alles wat de Bonaventura’s te bieden hebben. En hij gaat ook niet meer weg uit hun huis.

In het kielzog van “broer” Domingo komt Alonso, een “zakenpartner” van Domingo. Omdat hij spraakzamer en socialer is dan Domingo, en ruimbaan geeft aan een zeker cynisme mag Nico hem in eerste instantie wel – zeer in tegenstelling tot zijn moeder voor wie Alonso niet goed aansluit op haar zelfverkozen wokeïaanse aard. Enige hekken geraken echter pas echt van evenzovele dammen wanneer een verrassingsfeestje voor Gloria’s 63ste verjaardag ontaard in een Midden-Amerikaanse fiesta. Martine had Nico en zijn zussen op het hart gedrukt om Gloria zo lang mogelijk buitenshuis te houden opdat zij alle voorbereidingen voor het feest zou kunnen treffen maar wanneer de vier dan eindelijk thuis komen, treffen ze het huis aan in een complete ravage. Er weerklinkt slechts de vreselijke Punta-muziek die Nico juist verboden had, er wordt gedronken, geschreeuwd, vernield, gelachen en gedanst – maar niet door de genodigde vrienden van Gloria. Die staan angstig in een hoekje te kijken naar een stel gewelddadige, van kop tot teen getatoeëerde, volslagen ongemanierde Midden-Amerikanen die vanuit het niets opgedoken zijn. En ook zij weigeren het huis te verlaten. Sterker nog: wanneer Gloria na een paar dagen met deze overduidelijk criminele elementen geleefd te hebben (Nico en zijn moeder samengedromd in een verre kamer op het eerste verdiep terwijl de nieuwaangekomenen de rest van het huis hebben overgenomen, inklusief moeders auto, creditkaart en keuken, alsmede Nico’s laptop) er eindelijk toe bereid is de politie in te schakelen, blijkt dat het recht hier niets kan uitrichten. De mannen hebben zich immer niet wederrechtelijk toegang verschaft tot het huis. Op de dag dat de politie komt, zitten ze in hun beste pak en met een boek in hun hand aan de keukentafel. En Alonso heeft vervalste huurovereenkomsten voor ze geregeld. Ze weten niet waar Gloria het over heeft, ze zijn doodeerlijke huurders, ze hebben geen kwaad in de zin, ze veroorzaken geen overlast.

Het is niet moeilijk maatschappelijke parallellen te trekken. En daar wordt het zelfs mij een beetje suspect. Het huis van de Bonaventura’s als het land, om het even welk land, dat “overgenomen” wordt door “nieuwkomers”, om het even van welke signatuur. De politie in de rol van een te zwak rechtssysteem dat als het ware misbruik uitnodigt. Palermo als gemakzuchtige NIMBY, en Gloria als verblinde deuger die zo graag goed wil doen dan ze niet eens kan inzien welke kwalijke gevolgen haar goedwillendheid eventueel zou kunnen hebben. De Midden-Amerikanen, vol minachting en kwade intenties. Zelfs Nico, als hoofdfiguur is net iets te voordehandliggend getekend: de werkeloze luiaard die vanaf de zijlijn commentaar heeft op alles wat hij in feite zelf is. Het is dan ook veelzeggend dat in één van de weinige rechtstreekste confrontaties tussen Martine en hem, hij eigenlijk de zwakste argumenten in handen heeft. “’[G]oede landen’ [zijn] [..] het cumulatieve gevolg [..] van jarenlange ijver, sociale samenwerking en innovatie, terwijl ‘slechte landen’ het resultaat [zijn] van tirannie, gebrek aan sociale orde en corruptie, en het vormgeven van een aantrekkelijke plek om te wonen [heeft] intergenerationeel gezien daarom bijzonder weinig te maken [..] met geluk. Dus probe[ren] Martine en haar soortgenoten munt te slaan uit de verworvenheden van een beschaving die niet door hun voorouders [is] opgebouwd; hun poging om een kortere afslag naar welvaart te nemen [is] in feite een vorm van bedrog, bietsen of diefstal.” Is dat niet een al te simplistisch zoethoudertje om niet tegen de status quo in opstand te hoeven komen? Zelfs als dit waar is (en dat staat nog te bezien, wat is immers de kip, wat is het ei; komen tirannie en corruptie niet veeleer voort uit ellende, zijn sommige landen door hun ligging, bodem, klimaat, gebrek aan vruchtbare omstandigheden niet bij voorbaat al in het nadeel?), dan kun je je altijd nog afvragen wat voor gevolgen dit dan op individueel niveau heeft. Moet je maar passief blijven liggen in het bedje dat voorgaande generaties voor jou gespreid hebben? Is elke poging om te kijken of het gras elders allicht een tintje groener kunnen zijn, almeteens een vorm van bietsen? Hoeveel aandeel heeft het individu in de corruptie dan wel de verworvenheden van de beschaving waarin zij toevallig ook maar geworpen zijn? Is dit in een bewuste poging van Shriver om Nico lulkoek in de schoenen te schuiven, met het oog op wat volgen gaat? Nico draagt immers ook bitter weinig bij aan de “verworvenheden” van zijn samenleving, niet die van zijn land (hij heeft immers geen baan), en ook niet die van het huis waarin hij woont (want hij voert geen klap uit). Het lijkt erop dat Shriver gaandeweg het boek steeds meer voor een veilig geen rechts en geen links kiest (maar “recht door zee”,  zoals dat ene mens ooit zei, hoe heet ze ookalweer).

Hoe zwabber het boek ook in politiek of literair opzicht is, het houdt de lezer in de ban. Met doorzichtige technieken misschien. Maar de lezer leest.

De lezer leest tot het eind.

Actie, actie, en dan drama. Jaja. We weten het wel.

En dan het eind. Het godvergeten slappe eind. Het teleurstellende eind. Ik bleef lezen en lezen en lezen en lezen, bijna vierhonderd pagina’s lang in een boek dat ik eigenlijk helemaal niet wilde lezen om tot zo een afzichtelijk, slap, nietszeggend einde te komen.

Want alle ellende met de Midden-Amerikanen en het vreselijke dat het alles tot het gevolg heeft, is niet genoeg. Gloria heeft ook nog een keuze gemaakt die Nico’s hele leven op zijn kop zet. Die echter, alle enen opgeteld, voor Nico toch een positief gevolg zal hebben.

Dat is dus dat einde.

Shriver sleept je door heel dat boek heen.
Met al die hollywoodiaanse truukjes. Dit boek leest als een thriller, of zei ik dat al. Je ziet het allemaal voor je. Met al die typische typetjes: Gloria als verbeten activiste, Palermo als de NIMBY, Nico als de rechtse bal die boos is op alles wat hij zelf in essentie is, de Midden-Amerikanen die getatoeëerd en wel overduidelijk als agressief, ongemanierd en mogelijkerwijs crimineel moeten verschijnen, Nico’s vader en zijn vrienden als pre-Trump elementen (dit werd in de Biden-era geschreven); je ziet het allemaal voor je, je ziet het allemaal zo duidelijk voor je, dit kon een veel ween, of een serie op netniks, je ziet het wel; en ze betrekt jou, de lezer erbij, misschien voel je even wat de verhaalfiguren voelen, en dan komt dat slappe einde, dat laffe, gevaarloze einde, dat geen wit zoekt en geen zwart, zo’n laf compromisje inzet waarmee iedereen maar gelukkig moet zijn, wat in essentie zijn we allemaal gelukzoekers, jaja, dat is waar maar ik dacht toch ergens anders heen te gaan.

Niet om iets te lezen waar ik me in politiek opzicht achter zou kunnen scharen. Nee. Ik vind dat iedereen overal mag wonen, dat elk mens mag zoeken naar welk hoekje het dan ook is in deze wereld dat hem of haar het gelukkigst maakt. Martine zocht haar geluk en Nico vond het zijne. Het zal allemaal wel. Maar op het laatst staat hij daar en hij ziet de man die aanleiding heeft gegeven tot zijn moeders dood (oeps nou heb ik het verraden), hij ziet de vrouw die door een laatste opwelling van zijn moeder het huis heeft gekregen dat hij de langste tijd als het zijne heeft beschouwd en hij behoudt zijn flegma? Weinig geloofwaardig gezien het voorgaande, en een verrotte anticlimax voor de lezer bovendien.

Het doet mij afvragen voor wie dit boek is.

In politiek opzicht zal elke linksgeoriënteerde lezer zich alleen maar ergeren aan de beschouwingen van Nico, aan de iets te scherp gesneden archetypen als het om de Midden-Amerikaanse personages gaat, aan de tendentieuze toon die het grootste gedeelte van het boek uitmaakt. Wie wat rechtser van aard is en hoopt eindelijk eens wat te lezen dat meer in overeenstemming is met zijn eigen gedacht, zal zich verraden voelen door het slappe einde dat zonder gêne hengelt naar een middenpositie: geen vis, geen vlees, geen hier, geen daar, iedereen een beetje dit en een beetje dat, we zijn allemaal mensen, we zoeken allemaal naar iets, iedereen heeft wel iets waar een ander beter van kan worden, etcetera.

Wie het los van alles ziet, leest gewoon een spannend en meeslepend boek. Wat sex, wat humor, wat opwinding, wat ontroering. Voor mij een schuldig pleziertje. Voor heel veel andere mensen gewoon alles wat een boek nodig heeft.

Lionel Shriver Gelukszoekers

Gelukszoekers

  • Auteur: Lionel Shriver (Verenigde Staten)
  • Soort boek: Amerikaanse roman
  • Origineel: A Better Life (2026)
  • Nederlandse vertaling: Karina van Santen, Marian van der Ster
  • Uitgever: Atlas Contact
  • Verschijnt: 5 maart 2026
  • Omvang: 320 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 24,99 / € 14,99
  • Roman bestellen >

Flaptekst nieuwe Lionel Schriver roman

Scherpe satire over het thema migratie van de auteur van Waanzin.

Brooklyn, ca. 2022. Een welgestelde, gescheiden New Yorkse vrouw, moeder van drie volwassen kinderen, besluit om een vluchteling uit Honduras in huis te nemen. De lieve, behulpzame, bloedmooie Martine betrekt het souterrain en maakt zichzelf algauw onmisbaar. Maar de oudste zoon Nico, tevens de verteller (overigens een thuiswonende, werkloze twintiger met zijn eigen opvattingen over ‘de vluchtelingencrisis’), heeft zijn twijfels over Martines afkomst. Die alleen maar groter worden wanneer een vreemde, ietwat norse man bij Martine intrekt, gevolgd door nog een paar landgenoten. Het statige huis in de chique buurt wordt al snel te klein; moeder en zoon komen lijnrecht tegenover elkaar te staan. Een complicerende factor: Nico’s gevoelens voor Martine.

Lionel Shriver is geboren op 18 mei 1957 in Gastonia, North Carolina, Verenigde Staten. Ze schreef onder andere de internationale bestseller We moeten het over Kevin hebben, bekroond met de Orange Prize en in 2012 succesvol verfilmd. Eerder verschenen ook de romans De weg van de meeste weerstand, Tot de dood ons scheidt en de essaybundel Tegendraads. In 2024 verscheen de roman Waanzin.

Bijpassende boeken

Matthew Kosinski – Year of the Invented Star

Matthew Kosinski Year of the Invented Star recensie, review en informatie boek met socialistisch-occulte lyrische poëzie. Op 28 februari 2026 verschijnt bij Broken Sleep Books het boek van de Amerikaanse dichter Matthew Kosinski. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Matthew Kosinski Year of the Invented Star recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Yeat of the Invented Star, het boek met gedichten en poëzie van de Amerikaanse dichter Matthew Kosinski, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

zegt iemand zegt wie zegt Rosmarie Waldrop: Middle English gramarye, grammar, or book-learning, came to mean occult or magic lore, and through one Scottish dialect form has emerged in our present English as ‘glamour’. […] Grammar girls with words that spell power to cast spells.“

& dit

zal bij Matthew Kosinski niet op dove oren zijn gevallen (kent Kosinski Waldrop? ja natuurlijk kent Kosinski Waldrop); hij: poëet, socialist, occultist, onderzoekt in Year of the Inverted Star de transformatieve kwaliteiten van taal, wat resulteert in een bezwerende en, zomwijlen, visuele poëzie die in hoge mate bedwelmend is; de lezer gaat gaandeweg vermoeden dat hij na dit boek nooit meer helemaal de oude zal zijn.

Ik dacht aan de grammargirls van Uljana Wolf. grammargirls spellen macht met woorden en maken magie, schrijft zij, met een vingerwijzing naar Waldrop (ja van wie denken jullie dat ik het had dan?), en: grammargirls schrijven woorden tot tekens om te toveren (en ook: grammar girls willen lettersoep maken maar haten maggi) (wat ik wel grappig vond) (en vanwaar ineens die spatie tussen grammar en girls dat weet ik ook niet maar dat is net de tover van taal peinst mij); zinnen die goed als omschrijving zouden kunnen dienen voor het projekt dat Kosinski hier onderneemt (kent Kosinski Uljana Wolf? lijkt me niet waarschijnlijk).

De bundel bevat feitelijk maar vier gedichten: Conception Dream; Three Years (onderverdeeld in My Christ Year, My Katsuragi Year en Year of the Inverted Star); Some of Them Barked Like Dogs en Consobrinus Universalis en met elk gedicht gaat de lezer een fractie dieper de duisternis in, tot we eindigen bij een “universal cousin” – het zou een neef kunnen zijn het zou een nicht kunnen zijn het zou het kozijn van het wereldvenster kunnen zijn, al lijkt het consobrinus uit de titel wel te wijzen op het kind van de zus van de moeder – die langzaamaan de pagina zwart kleurt. Bij oppervlakkige beschouwing leek het gedicht me afkomstig te kunnen zijn uit het tekstboekje van een seedee van The Secret (ook best gek op latijn, die gasten) (bij oppervlakkige beschouwing, ik zeg, want ik geloof nooit dat Marco Coslovich een marxist is). Het alles komt uit drek tevoorschijn, en verdwijnt uiteindelijk weerom in een teerzwarte zee die elk onderscheid uitwist.

Zo maakt Kosinksi lezen tot een zeer fysieke ervaring.

De buik.
De maag.
De darmen.

Trepanatie.

Licht penetreert het donker.

Een eeuwigdurend hoog.

En overal armen.

Oerdriften worden aangesproken. Soms is dat grappig: twee verliefde heterosexuelen doen het saaiste ding dat je je maar voor kunt stellen, schrijft Kosinksi. En: er zijn zoveel interessante dingen om aan te denken, waarom zou ik dan ooit aan sex denken? (welke letter uit dat halve alfabet om andersgeaarden mee aan te duiden is dat ookalweer?) (ik had het er laatst nog over met een collega op depot) (jij hebt het altijd over van alles gehad, laatst, met een collega op depot) (ja sorry verder spreek ik alleen nog maar met de slager en met de vrouw van de bakker).

Alles borrelt in deze bundel. Taal, beelden, gewaarwordingen. Alles borrelt, stroomt over, is vloeistof, komt langzaamaan tot materie. Een voortdurend ontstaan en vergaan en opnieuw ontstaan. Tot het de lezer duizelt (soms vrij letterlijk – meer dan eens moet het boek gedraaid worden om alles te kunnen lezen).

Dat is die lijfelijkheid waarover ik het had.

Het heen en weer. Een reeks x’en. Dezelfde of een andere reeks x’en in spiegelbeeld. Het vele paginawit. Soms paginazwart. Symbolen. Taal als magie. In de geest van Rosmarie Waldrop of Uljana Wolf. De infante spuugt. Meng de zeedruif met de wijn en geef de dichter wat. We vliegen in een twaalfzitskano. De nacht stroomt het lied uit. Een dier zet zichzelf in elkaar volgens de instructies. En overal groeit de taal welig.

Hier is de dichter eerder magiër.
Wat zal Maria van Daalen dit mooi vinden zeg. Maria van Daalen moet dit lezen.

Hier is de taal gemaakt uit het stof der dromen. Hier is vergaan altijd ontstaan. En andersom.

Hier schijnt elk licht duister. Lees dit met Demdike Stare op de steerjoo & lees dit & lees dit & lees dit.

Dronken van poëzie moet je nog aan je dag beginnen. Je dacht altijd al dat literatuur en de nacht beste kompanen waren.

Matthew Kosinski Year of the Invented Star

Year of the Invented Star

  • Auteur: Matthew Kosinski (Verenigde Staten)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels
  • Uitgever: Broken Sleep Books
  • Verschijnt: 28 februari 2026
  • Omvang: 82 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: £ 10.99
  • Boek bestellen >

Flaptekst van het boek van Matthew Kosinski de Amerikaanse dichter

Matthew Kosinski’s Year of the Inverted Star is a visionary work of socialist occult lyric, beginning in the body and spilling out into theology, politics and magic. In ‘Conception Dream’ life emerges as contamination and contact, cells admitting viruses, ash accepting breath, two strangers becoming Don Giovanni to one another while consciousness wells up like a tear at the rim of its vessel.

Across the triptych of ‘Three Years’ Matthew Kosinski moves from Christ year through Katsuragi year to the inverted star itself, weighing anomie, archetype, and hospital corridors, searching for a thought of love that never doubles back on itself. In ‘Some of Them Barked Like Dogs’ the possessed nuns of Loudun gain a strange political agency, crawling on a thousand palms through the Forest of Things, while ‘Consobrinus Universalis’ chants the universal cousin into a cracked Marxist gospel of kinship and injury. The result is viscous, exact, darkly funny writing that insists we are all entangled in each other’s flesh and fate.

Matthew Kosinski is een Amerikaanse dichter, socialist en occultist uit Philadelphi.

Bijpassende boeken en informatie

David Huyghe – Olifantenvleugels

David Huyghe Olifantenvleugels recensie, review en informatie over de inhoud van de dichtbundel van de Vlaamse dichter. Op 21 januari 2026 verschijnt bij Pelckmans Uitgevers het nieuwe boek van David Huyghe. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

David Huyghe Olifantenvleugels recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Olifantenvluegels, het nieuwe boek van dichter David Huyghe, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

Het begint nog voor het nachtlampje, dat het begint nog voor het nachtlampje, alles begint voor het nachtlampje. Misschien is het een proloog, wie weet. Een spreken voor de beurt. Het gebeuren vooraleer er iets gebeurd is. Hoe ook. Huyghe spreekt en Huyghe zegt (over olifanten gaat het): “Ieder mens zit zonder het te weten op een olifant die hem van zijn geboorte naar zijn dood voert. De olifant kan over de maan springen. Zo groot is hij. Dat weet ik van Otto Blauw.”

En je denkt Is dit poëzie?
En je denkt is dit mystiek?
En je denkt is dit filosofie?
En je denkt wie is Otto Blauw?

Otto Blauw, mensen, is de man die dingen weet. Hij weet dingen die niemand weet. Bijvoorbeeld dat we altijd zwemmen in poëzie zoals vissen in water. We realiseren het ons alleen niet, zoals vissen zich het water niet realiseren. Maar eens je het ziet wil je het grijpen en daarom ontwerpen Otto Blauw en de ikfiguur (die misschien niet geheel toevallig David blijkt te heten) een hightech duikbril en een lichtgevoelig vlindernet om, gezeten op de rug van de olifant waarop zij hun leven hebben uit te zitten, op poëziejacht te kunnen gaan. Maarja. Kun je kijken. Poëzie is naar haar aard ongrijpbaar, daar hadden ze eerder aan moeten denken. Niettemin: ze kunnen nog altijd vliegtuigjes vouwen van hun ontwerpschetsen. Is het bedenksel niet altijd beter dan de uiteindelijk vorm?

Dat is de stand van zaken als het boek eigenlijk nog moet beginnen.

In Olifantenvleugels worden mystiek, poëzie, surrealisme, filosofie, bedachtzaamheid en koortsdromen verweven tot iets geheel nieuws. Je zou het een prozastrip kunnen noemen, ik weet niet, nergens in dit boek worden illustraties gebruikt en toch heeft het iets van een strip. Er is een woordelijke referentie aan Kuifje en de geheimzinnige ster; en er is iets over wassalon Soeki dat me deed denken aan Nero, de strip, die ik bijna volmaakt incompleet heb ergens op zolder, enkele jaren geleden nog veel gelezen met mijn zoon, was er niet ooit een wassalon Soeki, kwam dat niet ooit voor, is een strip zonder plaatjes mogelijk, is er iets aan het gevoel strip dat je zou kunnen transponeren naar literatuur, hier heb je je laagbrauw gepresenteerd als hoogbrauw & is dat mogelijk?

Mogelijk of niet, ik hecht eraan Olifantenvleugels te benaderen als roman. Want wat je anderzijds als Joost Oomen-achtige aanstelleritis zou kunnen zien, krijgt binnen de idee van een roman juist het karakter van een smaakmaker; een bindmiddel. Of zeg. Het verschil tussen Joost Oomen en Cabaret Voltaire. Wat, de band? Nee de literaire beweging natuurlijk truttemie.

Wat zeggen wil. Huyghens paart dadaïstische beelden aan filosofieën die niet eens zo heel bizar zijn als je er in de juiste gemoedstoestand over nadenkt. Dus er zijn olifanten die geen thee willen drinken in het kleine appartement van de ikfiguur (David?) op de Israëllei; ze willen ook geen rode wijn want ze drinken alleen maar koffie, zwart, en zonder suiker. En er is een park dat kan praten maar vooral erg goed is in luisteren. En je kunt de maan wassen in bad maar dan wel met een PH-neutrale zeep. En er is een vrouw die in een aquarium tussen de waterplanten doodgemoedereerd piano zit te spelen.

Is wat je zien kunt.

En.

Dat we slechts tandwieltjes van een regenwolk zijn. Dat we alles kunnen waarnemen maar niet onszelf. Dat ons bewustzijn een wondermiddel is. Dat dromerigheid de essentie van elk levend wezen is (pak aan Spinoza!). Dat tijd uit plakken bestaat. Dat een verwaarloosde tuin in betere staat verkeert dan een verzorgde. Dat alle verandering slechts illusoir is.

Is wat je denken kunt.

Zijn het de dingen die Otto Blauw zegt terwijl hij met zijn gele regenjas en zijn gele regenlaarzen en -om een of andere onduidelijke reden- een vishengel in één hand naar de drajende trommel van een wasmachine in -ja- wassalon Soeki staart? Wie weet. Hij, Blauw, neigt wel eens tot nihilisme. Allicht had hij Nietzsche op zijn nachtkastje liggen. De ikfiguur trekt uit de idee van Blauw over de totale leegte echter een opmerkelijk positieve konkluzie: als het niks alomtegenwoordig is, is elk moment dus allesomvattend. Ook dat moment van hem en Otto Blauw in wassalon Soeki.

Maar het kan ook zijn dat Otto Blauw is verzonnen als het mannetje in de maan door de moeder van de ikfiguur.

En juist dat heengaan, en dan weer terugkomen.
En juist die samenhang die er geen is.
En juist deze roman die allicht bedoelde een poëziebundel te zijn.
Juist daarom.

Juist omdat je gegooid wil worden. Niet van gedicht naar gedicht maar van sensatie naar sensatie. Dat het misschien juist daarom is dat dit beter werkt als je het in je hoofd een roman maakt.

Met als allerwonderschoonste stukje misschien wel: “Ik mag stil zijn. Ik mag onbereikbaar zijn. Ik mag mislukken. Ik mag onzeker zijn. Ik mag lang stil zijn. Ik mag lang onbereikbaar zijn. Ik mag vaak mislukken. Ik mag de hele tijd onzeker zijn. Mag ik een wolk willen zijn? Een wolk met een mening? Mag ik als wolk mij mening uiten? Moet het? Moet ik écht mijn mening uiten? Ik wil nooit meer moeten. Alleen nog mogen. En op je wachten. Ik wil lang op je wachten. Te lang? Veel te lang. Mag ik er nooit meer willen zijn? Ik mag het niet weten. Dus mag ik dromen. Als wolk mag, nee moet ik dromen. Toch?”; iets dat me deed denken aan die fameuze uitspraak van Beckett en aan Light Boxes van Shane Jones en aan Vladimir Majakovski en ja ook aan Joost Oomens.

Of. Weeral een ander allerwonderschoonste stukje. “Vraag me om samen te gaan, dat doet met altijd goed, alsof het echt is dat we samen door de tuin lopen, als bomen, dat we elkaar nog horen alsof het waait, alsof het waait dat je lacht als ik lach, dat je valt als ik val, in het lange gras door de ruimte naar de tuin op de maan, waar wij elkaar weer zo moeiteloos verliezen in elkaars donker, ik ben daar, ik heb daar in jouw donker getrapt, in een plas, ik herinner me alleen nog de details, als een hand, als een wimper, je teen in het water, dat je begrijpt dat ik je zie en dat jij opzijkijkt, dat het niet zo moeilijk, niet zo makkelijk hoort te zijn, het missen, de koffie, onze kopjes, dat we samen nog, dat we samen nog altijd door de tuin lppen, als bomen naar het bos”; iets dat me deed denken aan de bomen op hun knieën van Will Oldham en vooral aan de tuin in het huis waar ik opgegroeid ben, die achtertuin, het gras, dat kleine boompje in het midden van de tuin waarin altijd, elk jaar opnieuw, het grootste choco-ei verstopt zat met Pasen, en altijd, en elk jaar opnieuw, rende ik, op blote voeten, en dat gras dat kietelde, in niets meer dan een pyjama, want altijd was het warm in die dagen, naar dat boompje in het midden van de tuin om eerder dan mijn zussen bij het grootste choco-ei te zijn.

En zoiets is Olifantenvleugels dus.
Het is het rennen om eerder dan je zussen bij het grootste choco-ei te zijn.
Het is wat je je dacht te herinneren.
Het is melankolie.
Het leven dat kon, het leven dat is.
Of wat zweefde toen je bezig was andere plannen te maken.

David Huyghe Olifantenvleugels

Olifantenvleugels

  • Auteur: David Huyghe (België)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Pelckmans Uitgevers
  • Verschijnt: 21 januari 2026
  • Omvang: 128 pagina’s
  • Afmetingen: 17,2 x 20,6 x 1,4 cm
  • Gewicht: 232 gram
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: 22,00 / € 12,99
  • Bestelmogelijkheden boek >

Flaptekst boek met gedichten van David Huyghe

Zoals een kat naar een wolk klauwen.

Lichtblauw miauwen zoals een schaap.

Olifantenvleugels is een ode. Aan kleine dingen. Aan grote dingen. Aan tederheid, kapotte regenwolken en het slurfje van de maan.

Het is de slaapkamer van waaruit de schrijver naar de wereld piept. De tuin waarin hij poëzie als een kat probeert te lokken. De Grote Roze Oceaan waarin hij met plezier nog één keer verdrinkt.

In het universum dat zich ontvouwt, borrelen beelden, betekenissen en associaties op. Samen met geheimzinnige, kleurrijke personages duikt David Huyghe in deze bundel naar woorden die een trilling veroorzaken.

Olifantenvleugels sprankelt en mijmert, aait en ontbloot, ruist en blijft ruisen.

David Huyghe is een Vlaamse woordkunstenaar. Hij behaalde een master Vergelijkende Moderne Letterkunde aan de Universiteit Gent en een master Woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Zijn teksten verschenen onder andere in DW B en Kluger Hans. Tijdens zijn deelname aan het Slow Writing Lab legde hij de kiem voor zijn debuutbundel Olifantenvleugels.

Bijpassende boeken

Dean Bowen – Mascr

Dean Bowen Masc:r recensie, review en informatie over de inhoud van de dichtbundel. Op 10 februari 2026 verschijnt bij Uitgeverij Pluim het boek met gedichten van .deanbowen. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Dean Bowen Masc:r recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Masc:r, het boek met gedichten van Dean Bowen, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Dean Bowen Masc:r recensie van Tim Donker

wat is deze tijd. waarom dit vooruitgaan. waarom deze tijd. waar was ik in 2018, & ook:, waarom denk ik altijd dat het was het jaar dat mijn vader overleed en dat ik liep en dat ik ging doorheen het Eindhoven waar hij toen woonde, en lopen, en gaan, om een boek te kopen bij zijn vaste boekhandel maar dat kan het niet geweest zijn want hij overleed in 2015 dus het moet een elders geweest zijn, een elders ergens anders, een boekhandel en we waren een weekendje weg misschien, een weekje zou ook nog kunnen, in een hoek van Nederland, of misschien een andere hoek, stond ik, in een of andere boekhandel, zeer waarschijnlijk samen met mijn kinderen & hoe oud waren die toen, vijf en drie, kunnen niet ouder geweest zijn dan dat en we stonden in een boekhandel in deze hoek van Nederland of in een andere, altijd gingen ze mee met mij als ik een boekhandel zag en erin wou, in die andere hoek van Nederland of in deze, en ik zag, toen, in dat 2018 geheten jaar ja viel mijn oog op: _ . het viel. het was. Bokman en de dichter heette. de dichter was. Dean Bowen. en het sprak. en het zei. dingen over het afwerpen van het poreuze instrument of wist jij veel je las maar half je had één oog op je kinderen die daar rond liepen en die terugkwamen met dingen. dingen waarvan je niet eens wist dat een boekhandel die verkocht. dingen als. wel. wist jij veel. poppetjes. stickervellen. potloden. dingen. en dingetjes. het was wat je kocht die keer poppetjes stickervellen potloden dingen dingetjes en bokman.

en ik weet niet. of ik las ook. in 2018. of later misschien. menig een maand toch. heb ik gedaan over. Bokman. het was denk ik. hoe hermeties het was. er is een hermetisme (noem je dat zo?) waarvan ik hou, het is het hermetisme dat de lezer terugwerpt op de taal, die taal tot zingen brengt, er is niets dan de woorden, het zijn de woorden konkreet het is de poëzie konkreet, het verwijst alleen maar terug naar zichzelf en het is dat golven op woorden het is dat drijven op taal waar ik zo van hou want je hoeft het niet te zoeken buiten de direkte woorden of buiten de onmiddellijke taal je hoeft alleen dat drijven maar je hoeft alleen dat dobberen maar je hoeft alleen maar de muzikaliteit en dit dansen is het enige dat je nog moet. en er is een hermetiek (noem je dat zó?) waar ik minder van hou & dat is de hermetiek die pretenties heeft meer te zijn dan het in zijn naakte zijn is; de woorden spellen een kode die de lezer kraken kan als hij net zo intelligent is als de dichter, dat heet, als hij zich -ooit- laafde aan dezelfde bronnen en in zijn hoofd dezelfde mythologie dezelfde filosofie dezelfde klassieke literatuur dezelfde bijbel stromen weet. in Bokman leken beide hermetismen te stromen en ik wist niet, ik las nu weer wel en dan weer niet, de bundel werd een zwerfboek dat steeds op andere plekken in mijn huis weer opdook, op het eind, we waren al maanden later, vond ik het niet slecht en niet geweldig, er was een bodem die Bowen opeiste en die bodem kreeg hij het was een plank in mijn poëzielkast.

en steeds het vooruitgaan. waarom het vooruitgaan. hoe kan het inmiddels weeral acht jaar later zijn die zich helemaal niet hebben voorgedaan als acht jaren maar als een week of okee als een maand of zeg ik langer misschien. een andere bundel van Dean Bowen bereikt mij & ditmaal is het via de recenseertafel. Masc:r. zo heet de bundel. en wederom. een vraag naar. een vraag naar geboren zijn, en dan. uit gelaagde opmaak is hij geboren, zo stelde hij in Bokman en in Masc:r gaat dat verder over de jongen die geboren is zonder gezicht, onder de nimmerzon of in de immernacht.

wat het zeggen wil deze mens te zijn dit ras te zijn deze sexe te zijn.

het zoeken.

Bowen zoekt en de lezer zoekt mee.

doorheen, niet anders dan bij Bokman, verschillende taallagen.

want: meer nog dan in Bokman zingt een andere taal een partijtje mee. je zoekt de man die je hebt te zijn in al je moedertalen:

“you’re a man. sta op & be a man. sta op & make hard decisions & be a man. sta op & sacrifice & be  a man. sta op & make unpopular decisions & be a man. sta op & learn to be comfortable in your own skin & be a man. herhaal. & herhaal. sta op & if you aren’t comfortable being alone with yourself, take control & be a man. sta op & figure out how you become a man & then become one. sta op & be responsible for others & be a man. sta op & take accountability & be a man. herhaal & herhaal.”

die man zijn. die man te schrijven:

“schrijf de man uit de god uit de hemel die geschept uit de vraag wie wij meer als we kwijt uit het lijf dat gebukt in de zon in de greep van de man die ik schreef uit de god uit de hemel omdat wij zijn verscheurd in de bek van het beest dat verscheen in de het hart van de man die ik schrijf uit de god uit de hemel die gevolgd door het volk dat verdwaald in het licht van de zon dat te scherp voor het oog van de man die ik schreef uit de god uit de hemel die ik vond in het boek dat vertelt van de man uit de god uit de hemel […]”

de man
het menszijn
de taal

te zoeken in de boeken in het bloed in het land in de afkomst. deed Dean Bowen in Bokman en doet. Dean Bowen in Masc:r. maar meer nog dan in Bokman laat hij in Masc:r de taal buiten de oevers treden tot het aan andere talen raakt (of: andere talen overstromen doet). dat heet. met name. of nog. alleen nog. Engels. het Nederlands en het Engels, het duister en het licht, het hermetisme en de poëzie. en ik dacht (stond mezelf toe te denken) dat Masc:r de bundel is die Yves Coussement en Seth Abramson samen hadden geschreven als je ze met elkaar in een kamer had opgesloten. maar ik heb geen idee waar Yves Coussement is gebleven en of hij überhaupt nog schrijft en hee “professor” Abramson schrijft alleen nog maar non-fictie boeken over het grote gevaar dat Donald Trump vormt voor (de democratie in) Amerika, en voor de wereld, en voor het leven op  aarde in het algemeen. dus laat Dean Bowen maar. Masc:r schrijven helemaal in zijn eentje en overtalig zijn en over alle grenzen heen zingen en alle muzikaliteit inzetten in de inkt van deze bundel.

en ik dacht (stond mezelf toe te denken) hoe mooi het zou zijn om de taal in Masc:r tot een werkelijk zingen te brengen; hoe mooi zou het zijn om Dean Bowen op toernee te laten gaan met Het Beukorkest. maar ik heb geen idee hoe hard dat orkest nog beukt in deze tijden, ik vroeg het ooit aan Johnny Dowd en ook hij wist het niet (na een optreden schudde ik hand met Dowd en keek hem in de ogen, dat waren nu pas met recht eyes like black holes in the sky) maar misschien is de muziek van deze bijna zeventig pagina’s hier al mooi genoeg.

misschien moet je als lezer alleen maar meedrijven op de golven van het zingen.
misschien moet je als lezer alleen maar meegaan in de zoektocht naar wat het betekent.

mens te zijn onder de mensen
(man onder de mannen)
(en daartussen misschien iets wat je thuis zou kunnen noemen
(beschouw deze flat een realiteit waarmee je te maken hebt);
alle mensen:

“een vriend werd vader acht jaar na de geboorte van zijn kind. een vriend is manisch vandaag & vraagt alweer niet om hulp.”; “een vriend is alleen, de meeste dagen. een vriend is mishandeld door zijn moeder maar spreekt geen kwaad van de doden. een vriend bezwijkt elke dag onder het gewicht van zijn gezin. een vriend stierf alleen. een vriend zal nooit zijn vader herkennen. een vriend is verkracht & niemand gelooft hem. een vriend drinkt te veel & is de gangmaker op elk feest.”; “een vriend leest zelfhulpboeken & komt niet vooruit.”; “een vriend woont weer bij zijn moeder. een vriend is bang voor de dood. een vriend verraadde een vriendschap & weet dit nog steeds niet. een vriend versierde mijn lief.”  –

want leven en opgroeien en man worden en mens zijn is zulks: pijnlijk en stompzinnig en lachwekkend en schrijnend en moeilijk en zo vol van alles.

van alles dat je aantreft wanneer je geworpen wordt.

(geworpen zijnde)

en meer is dat in één taal uit te drukken valt. normalerwijze ben ik niet bijzonder dol op de manier waarop het Engels het Nederlands meer en meer overwoekert maar Bowen toont klip en klaar dat uit een huwelijk tussen deze twee talen ook een totaal nieuwe schoonheid te puren valt, met als mooiste zin misschien wel: “het was een hot girl summer & iedereen was bezig uniek hetzelfde te zijn but i’ve always liked a good girl.”; ja zo heerlijk gekruid heb ik de boventaligheid niet meer geproefd sedert Richard Nobbe schreef: “Ich will dit allemaal niet. I just want aandacht. I have no need to be joen Gott. Ik heb alleen honger.” –(en gesproken van god; hem aanroepende: wat een prachtbundel Waar iemand woont was, nietwaar?, misschien nog wel een slagje mojer dan Masc:r).

dit is een meerstemmige bundel
dit is een veellagige bundel
& misschien heb je aan twee ogen niet genoeg.

Maar zet je raam op een kier en fluister I remember that bundel. Want je zult. Voor minder of voor meer. Rememberen deze bundel.

Dean Bowen Mascr

Masc:r

  • Auteur: Dean Bowen (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poezie
  • Uitgever: Uitgeverij Pluim
  • Verschijnt: 6 februari 2026
  • Omvang: 64 pagina’s
  • Afmetingen: 16,1 x 24 x 0,8 cm
  • Gewicht: 136 gram
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 24,99 / € 12,99
  • Bestelmogelijkheden boek >

Flaptekst van de dichtbundel van Dean Bowen

Dean Bowen laat vragen, manifesten en gebaren uit de online en offline wereld in dit boek spreken. De stemmen van voorouders, vaders, broeders, vrienden en de vrouwen om hen heen zijn een koor dat dwingend de vraag stelt: wat kan mannelijkheid zijn, en hoe pas je de stukjes van die totale versplintering weer in elkaar?

Dean Bowen debuteerde in 2018 met de bundel Bokman, die voor de C. Buddingh’-prijs werd genomineerd. In 2020 volgde Ik vond geen spoken in Achtmaal. Hij was twee jaar lang stadsdichter van Rotterdam, is program- mamaker, en er is geen podium in de Lage Landen waarop hij niet heeft gestaan.

Bijpassende boeken

Alex Z. Salinas – The Dream Life of Larry Rios

Alex Z. Salinas The Dream Life of Larry Rios review, recensie en informatie over de inhoud van de Amerikaanse roman. Op 23 oktober 2025 verschijnt bij FlowerSong Press de debuutroman van de Amerikaanse schrijver Alex Z. Salinas. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Alex Z. Salinas The Dream Life of Larry Rios reviews en recensies

Als er in de media een boekbespreking, recensie of review verschijnt van The Dream Life of Larry Rios, de roman van Alex Z. Salinas, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

Welke Raster was het? t Ging over oulipo. Ouvroir de Littérature Potentielle. Daar een heel nummer over, waar is dat nummer, en waar heb ik dat indexnummer gelaten waarin ik kon zien waar elk nummer ookalweer over ging? Geheugen, spreek. Als het spreekt, zegt het dat ze oulipo vertaald hadden als wemoli – Werkplaats Mogelijke Literatuur. Dus zeg. Het potentieel werd mogelijk. Vraagt u denkt u zegt u, wat is het verschil (of misschien vraagt en zegt en denkt u niets, en leest u dit gewoon, of u leest niets, u staat daar in de hoek van de keuken en schenkt uzelf nog een kopje koffie in en dat is uw goed recht). Wel. Het verschil is. En het verschil is dit: de potentie is er al, het moet alleen nog verwezenlijkt worden. Het potente barst van (latent) leven. Het mogelijke daarentegen kan alleen bestaan door haar niet-bestaan want bestaan heft het mogelijke van de mogelijkheid op. Slechts door er niet te zijn, is het mogelijke mogelijk (niet voor niets zong Blixa Bargeld ooit, toen hij nog goed was, of, naja, al bijna niet meer: Nur was nicht ist, ist möglich) (met klem zong hij dat) (en de klem was klemmelijk want zodra iets is, is het niet lange mogelijk maar gewoon onderdeel van het zijnde) (dat we aantreffen) (als geworpen -) (ofnee, hou maar op). Ge peinst dit verschil tussen mogelijk en potentieel misschien als haarkloverij maar er zit, zeker ten aanzien van oulipo, iets essentieels in. Het gaat over het verkennen van de volledige potentie die literatuur heeft, en over dat wat verdampt van zodra het ontstaat. Of: sommige dingen zijn interessanter als ze buiten bereik blijven. In potentie is alles grenzeloos, wat beoefend wordt, heeft kennelijk nood aan bakens. Is dat niet juist hoe het oulipo verging? De eindeloze potentie van literatuur verkennen door zichzelf, soms zinnige maar veel vaker nog totaal onzinnige, grenzen te stellen (denk daar eens over na: alleen door zich te begrenzen kan men trachten te raken aan grenzeloosheid, wat zegt dat over de condition humaine?). Schrijf een godeganzelijke roman zonder ook maar één keer de e te gebruiken. Knap hoor dat je dat driehonderd pagina’s ofzo volhoudt maar schreef je een (lezenswaard) boek of voltooide je een complexe puzzel? En dat is dan het verschil, mensen, tussen potentie en mogelijkheid: de potentie is eindeloos, prachtig, opwindend en levenskrachtig – de tot bestaan gebrachte mogelijkheid is een ingevulde puzzel.

Waarmee maar gezegd wil zijn dat schrijvers er beter aan doen zichzelf geen grenzen te stellen.

De Brontëzusjes konden een broer hebben en het truffelvarken laat een traan; Fernando A. Flores (wie?) trekt, niet geheel onterecht, een parallel tussen Alex Z. Salinas (wat is dat met die tussenletters, van a tot z in dit geval ook nog eens) en Raymond Queneau. Ook Salinas peinst klaarblijkelijk beter te schrijven met een blok aan zijn been. In The dream life of Larry Rios ontrolt zich een verhaal in een hoofdstuk of  driehonderd ofzo (sommige hoofdstukjes hebben om onverklaarbare redenen een bisnummertje) – elk bestaande uit precies 101 woorden (ik zeg nu wel precies maar ik ga moeten toegeven dat ik het niet nageteld heb, niet eens één hoofstukje ervan). In die net-iets-meer-dan-driehonderd keer 101 woorden ontvouwt zich, fragmentaries, langzaamaan, gevend, nemend, onthullend en weder herroepend, het leven van Chicano dichter Larry Rios. Hij is iemands vader. Hij is de ex van meerdere iemanden. Hij is, misschien, ook iemands moordenaar, want Salinas begint er hier recht op: “Er was eens een schrijver die zoveel lui had vermoord in zijn verhalen dat hij het idee had gekregen om het zelf eens te proberen.”

Maar een idee is nog geen moord (& hier komt weeral mjoeziek beste mensen, als u daar niet zo goed tegen kan sluit dan uw ogen en open ze pas weer na de volgende witregel: zong Justin Sullivan, niet per se met klem maar wel net zo indringend als die Bargeld van daarstraks, niet: just that i want to kill somebody / doesn’t mean to say that i will); wat mogelijk is, hoeft nog niet te geschieden (was is ist was nicht ist ist…). De lezer leert dan ook niet veel over de moord die Rios gepleegd zou kunnen hebben, wel dat hij zijn vader gedood heeft maar dat neemt de lezer, of deze lezer dan toch, eerder als een overdrachtelijke, zeg freudiaanse vadermoord. Over zoveel andere dingen is Rios een stuk openhartiger. Bijvoorbeeld over zijn literaire aspiraties. Het proza heeft afgedaan voor hem, nu schrijft hij gedichten over de degenslikkende kikker Yuks. Want nu haat Rios mensen, dus schrijft hij poëzie. Rios heeft Wittgenstein gelezen, Rios heeft Proust gelezen, Rios heeft haast alles wel gelezen. Hij is een Chicano dichter, een gescheiden man, een waardeloze vader. “Het leven is goedkoop”, is zijn motto, want 70% ervan, is misleidende reclame. Larry Rios is nog nooit in Hong Kong geweest. Wel praat hij af en toe met een dode schrijver, welke dode schrijver, er zijn er zoveel, met James Baldwin, Larry Rios praat soms met James Baldwin.

(ik had een docent ooit, echtwaar, op die soort van schrijfopleiding die ik deed, hij gaf de module poëzie schrijven, hij dacht de studenten ter wille te zijn door af en toe een rookpauze in te lassen, mij was hij daarmee niet ter wille, ik rookte niet, ik rook niet, ik meestal zitten, om te peinzen, om te zitten, om te kijken, de hemeltergend moje Sandra bleef meestal ook zitten maar ik was te kapot omdat iemand naar Mallorca was gegaan en al mijn recht op liefde met zich mee had genomen dus ik bleef zitten en ik las, die keer was het Een ander land en die docent kwam naar me toe, waarom kwam hij godverdomme nu net naar mij toe, is dat een goed boek vroeg hij, ach het is wat je peinzen kunt van Baldwin ik zei maar die eikel kende James Baldwin niet, ik dacht dat hij een grapje maakte, maar hij maakte geen grapje, hij kende James Baldwin echt niet)

Deze man, deze Larry Rios, aan oulipoëske banden leggen, werkt dat, een chicano dichter extraordinaire, een man die alle kanten uitgaat, in zijn hoofd toch, aan een ketting van honderdenéén woorden per hoofdstuk?

Wel. Misschien werkt het.
Het zou kunnen werken.
Mogelijkerwijs werkt het.

Met fragmentarisme is om te beginnen al weinig mis. De hoofdstukjes vertellen niet per se een lopend verhaal, want het zijn, naar hun aard, brokken. Herinneringen. Beschouwingen. Overpeinzingen. Gebeurtenissen. Anecdotes. Vaker dan eens is het gewoonweg pure poëzie: hoeveel van Salinas zit er in Rios?, want ook hij heeft zich pas onlangs op het proza toegelegd; Salinas pende vier dichtbundels, kwam toen af met een verhalenbundel en laat The Dream Life Of Larry Rios gelden als zijn eerste roman – de poëtiese achtergrond is merkbaar en dat is waarom ik liever dan van hoofdstukken van prozagedichten gewaag: ruim driehonderd prozagedichten. Odes soms. Aan lichaamsdelen bijvoorbeeld. Armen. Knieën. Voeten. Kootjes. Borstbeen. Kuiten.

Of een dichterlijke verkenning van eenzijdige objecten. Misschien is de wind eenzijdig? Misschien is de dood eenzijdig? Misschien is de jazz van John Coltrane eenzijdig? Misschien is het bloed van Christus eenzijdig? Misschien is het genie van Dalí eenzijdig? Misschien is het fantoombeen van St. Anna eenzijdig? Misschien representeert de Möbiusband de niet-euclidische oneindige ruimte?

Of hoe de gaten in Larry Rios’ kennis muziek kunnen maken. Wat hij niet weet. De verschillen in vijf wolkensoorten herkennen (al ging dat misschien over een digitale “cloud” maar dat zijn dan weer de gaten in mijn kennis), de ethiek achter het vervaardigen van farmaceutische producten, en hoe kunnen vliegtuigen eigenlijk vliegen.

Of de dood aan iedereen. Dood aan kampioenen, dood aan verliezers. Dood aan radikalen, parasieten, minnaars, pacifisten, anachronisten, altruïsten, alpinisten, chefs komma’s kannibalen proletariërs hackers deutragonisten ballingen statistici senators filantropen rokkenjagers voorvaderen schoonheidsspecialisten micromanagers generaals samenzweerders apothekers conformisten botanisten wandelaars wezels weerwolven stropers freelancers kraaglozen necrofielen imitators.

Of. Het loutere bestaan, al is het maar in Rios’ hoofd van Señora Schadenfreude – de perfecte vrouw. Een madonna met een parasolletje.

Of gewoon de vele prachtzinnen. Zinnen als “Een jongen wordt een man, wordt iemand anders, terwijl zijn bibliotheek groeit, verschrompelt zijn cognitie”; “Het ergste is al gebeurd, maar het verschrikkelijkste moet nog komen”; “’[W]e ademen zuurstof in, onbelangrijkheid uit.”.

Geef toe: in veel “gewoon” proza kom je dit soort pracht niet zo veelvuldig tegen.

En een ander mooi ding aan de korte hoofdstukken, p’don prozagedichten, is dat Salinas veel te raden overlaat. De moord die er wel of niet was. Het vaderschap. Maar zelfs de naam. Larry Rios blijkt niet de echte naam van de hoofdpersoon; hij noemt zich alleen maar zo. Omdat Larry zijn favoriet was bij the three stooges, en omdat “Rios” precies die exotische klank heeft die past bij zijn modderig-groene ogen (hij is uiteindelijk een Chicano dichter!). Maar Larry Rios was ook de naam die hij op een grafsteen zag toen hij een wat merkwaardig onderonsje had met zijn toenmalige geliefde Tina Sandiego. Een latere ex, maar wel de ex van voor de ex.

Wie hij is.
Wat zijn leven is.
Wat het droomleven is.

(naja dat had iets te maken met wat Larry Rios’ vader (ook een dichter – hij schrijft alexandrijnen over het meisje dat hij (per ongeluk? ook dat wordt niet echt duidelijk) dood heeft geschoten in Vietnam) ooit zei: dertig seconden is alles wat je nodig hebt om alles te weten te komen wat je weten moet over iemand, maar breng een droomleven ermee door en je zult haar nog even slecht kennen als jezelf)

Hoeveel chaos een schrijver kwijt kan in 101 woorden.

Wel, de lezer eindig bij het honderdeneerste woord vaak op een volstrekt andere plek dan waar hij begon. Neem bijvoorbeeld de keer dat Larry Rios zich zit te ergeren over een boekbespreking in The New York Times. Je denkt misschien nu komt het. Nu krijgen we een tirade tegen critici, of misschien wel tegen letterkunde in het algemeen maar ineens is Larry Rios bij Starbucks en slaat hij een niks met literatuur of letterkunde te maken hebbend praatje met een verkoopster. Ik ben hier nu een vaste gast hè?, zegt hij. En de verkoopster: We zijn allemaal wel ergens een vaste gast. Waarop Larry Rios zich bedenkt hoezeer dat klinkt als het B-kantje van een hitje van Rolling Stones. Maar het is een Engelstalig boek, dus stel u Mick Jagger voor die zingt We Are All Regulars Somewhere en ik zweer u, voorwaar ik zeg u, ik zweer u: u zult het hem horen zingen, onze Mick, traag, heupwiegend, zingend We Are All Regulars Somewhere We Are All Regulars Somewhere; van literatuurkritiek via koffie naar niet-bestaande liedjes van Rolling Stones, zo grillig kan het zijn in 101 woorden.

Of neem. De gedeelde sterfdatum van Shakespeare en Cervantes. Wat Rios’ zich daar zoal bij afvraagt en voorstelt. In hoe weinig woorden kan een schrijver een karakter tot leven brengen? Een boom valt in het bos, een latino hoort het – folklore. Een boom valt in het bos, een gringo hoort het – onweerlegbare waarheid. Een boom valt in het bos, een kikker hoort het – stil trauma. Honderd? Leunend tegen je boekenkast, dromend dat je wordt verpletterd door boeken. Drieëntwintig? Alles scheef, alles plat gemaakt door de hielen van de tijd. Zeven? Alles verspreid, alles uitgespuwd door de hielen van de tijd. Het Hopeloze Romantische Redundantie Departement. Tien? 23 april 1616.

Soms werken de honderdenéén woorden echter tegen hem: enkele hoofdstukken / prozagedichten blijven wat hermetisch; iets meer uitleg zou hier en daar best welkom zijn geweest. Maar misschien zit dat ook in Salinas’ onnavolgbare taalgebruik. Bijtertjes voor tanden, “fudge” voor “fuck”, probeert hij lullig te zijn of past dit in de eisen die een schrijver aan de taal moet stellen van zodra hij zichzelf een grens stelt?

Wat maakt het uit? The Dream Life Of Larry Rios is hoe dan ook ee uniek boek. Soms moet een schrijver zich klaarblijkelijk een grens stellen om waarlijk welsprekend te zijn.

Alex Z. Salinas The Dream Life of Larry Rios

The Dream Life of Larry Rios

  • Auteur: Alex Z. Salinas (Verenigde Staten)
  • Soort boek: Amerikaanse roman
  • Uitgever: FlowerSong Press
  • Verschenen: 23 oktober 2025
  • Omvang: 318 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: $ 18.95
  • Boek bestellen >

Flaptekst van de Alex Z. Salinas debuutroman

Larry Rios, Chicano poet extraordinaire, has a crick in the neck, a bone to pick with literature, a sword-swallowing frog named Yuks on the brain and a murder under his belt, possibly. Then there’s The Snake-Haired Lady, who won’t seem to go away. And don’t get ol’ Larry started on his ex—it’s a sad, funny story narrated in 101-word chapters. Wait. Is “Larry Rios” his real name? Does he know Jeet Kune Do? Is The Dream Life of Larry Rios some highbrow metaphysical caper? Dear reader, yesterday’s in the bag and tomorrow isn’t guaranteed, so just read the book, okay?

Alex Z. Salinas was born in Corpus Christi, Texas, and lives in San Antonio. His fiction and poetry have been nominated for the Pushcart Prize and Best of the Net Anthology. Salinas earned an M.A. in English Literature and Language as a Distinguished Graduate from St. Mary’s University. He is the author of four volumes of poetry and a book of stories. His poetry collections include WARBLES (2019); DREAMT, or The Lingering Phantoms of Equinox (2020); Hispanic Sonnets (2023); and Trash Poems (2023). His short-story collection, City Lights From the Upside Down (2021), was included in the National Book Critics Circle’s Critical Notes. For DREAMT, Salinas received a starred review in Kirkus Reviews.

Bijpassende boeken

Roisin O’Donnell – Nest

Roisin O’Donnell Nest recensie, review en informatie over de inhoud van de roman van de Ierse schrijfster. Op 23 januari 2026 verschijnt bij Uitgeverij Wereldbibliotheek de Nederlandse vertaling van Nesting, de roman van Roisin O’Donnell, de uit Ierland afkomstige schrijfster. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Roisin O’Donnell Nest recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Nest, de roman van Roisin O’Donnell, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “Dit boek mag je niet missen. Nest is een roman die er écht toe doet.” (John Boyne)
  • “Dit zou verplichte lectuur moeten worden voor iedereen. Een roman die er echt toe doet.” (Sunday Independent)
  • Hier hebben we een romanschrijver die belangrijk nieuws te vertellen heeft, en een indrukwekkend scala aan verteltalenten om dat te doen.” (Irish Times)
  • Spannend, forensisch realistisch en meeslepend. Werkelijk urgent… Een ware prestatie.” (Sunday Times)

Recensie van Tim Donker

en dit is dan weer zo’n andere, niet de een, de ander, zo’n soort boek, het soort boek dat ik nooit zou, dat ik nooit had, in het begin stapt er iemand uit een auto (dat blijkt dan later de hoofdpersoon te zijn), je kent het, boeken die beginnen met iemand die uit een auto stapt, in reclames stappen mensen voortdurend uit auto’s, en meteen ook een opmerking over het weer, begin nooit een boek met iets over het weer, wie zei dat ook alweer, en dan die titel, en dan dat omslag, en de schrijfstijl is ook al niet echt bijzonder, naja, vrijwel aan het eind raast het, maarja dan heb je het al haast uit dus, het raast  in een prachtige beschrijving van een wat dramatisch moment volgend op een panieksituatie, zo had het hele boek van mij wel geschreven mogen zijn, maar is niet, en dan nog het onderwerp, want ja, het gaat ergens over, altijd moet het ergens over gaan, waarom moet het toch altijd weer ergens over gaan, hoeveel schoner is het niet om maar eindsweegs het blauwe heenin in te zwansen, of wat meer duisterheid, ik noem hier een Tony Rombouts, eenvoudig als niets, dat is een prachtig boek maar je kunt eigenlijk niet echt goed zeggen waar het nu over gaat, het gaat over heel veel, het gaat over alles, het gaat over niets, dat is de naam van een personage uit dat boek, niets, vandaar ook die titel, eenvoudig als niets, maar dit hier, Nest, dat is niet duister en dat zwanst ook niet zomaar een beetje rond in het blauwe heenin, het heeft een duidelijk onderwerp, en wat voor onderwerp, partnergeweld, zou me een boek te lezen geven zeggende dit gaat over partnergeweld zou ik nee dank u zeggen, zou ik zeggen ik heb al een boek, maarja, dit kwam terecht op mijn recenseertafel en alles wat op mijn recenseertafel terecht komt geef ik een kans, of een halve, in ieder geval een paar bladzijden, en Nest sloop al gauw mijn hoofd in en mijn lijf in en mijn leesstoel in, ja het sluipt, het gaat sluipenderwijs, het onthutsende aan Nest is dat het partnergeweld hierin iets onzichtbaars heeft, Ryan, de man van Ciara, dat is die uit de auto stappende hoofdpersoon, haar man dus, Ryan heet hij, is geen agressieveling, hij slaat haar niet, hij mishandelt de kinderen niet, hij doet iets veel geslepeners, iets wat je emotionele terreur zou kunnen noemen, psychologisch geweld misschien, noem het, ergens laat O’Donnell Ciara opmerken dat Ryan haar onzekerheden in stand houdt, cultiveert, zeg het, er is altijd afkeuring, voortdurend moet Ciara anticiperen op zijn negativiteit, en ik ken dat wel, ze vraagt zich altijd af welk gezeik hier nu weer van kan komen, waarover gaat ze nu weer afgekamd worden, en dan draait hij het ook nog continu zo dat Ciara degene is die hem afvalt, dat hij, Ryan, hier eigenlijk het grote slachtoffer is, in het begin, nadat ze die auto uitgestapt zijn, zit een scene waarin Ryan en Ciara met de kinderen op het strand zijn, het is koud, en de kinderen kunnen nog niet zwemmen, Ciara vindt pootjebaden nog wel goed maar Ryan wil steeds dieper de zee in met zijn dochters, Ciara wil dat niet, want het is koud, de kinderen kunnen nog niet zwemmen, ga niet te ver de zee in, ze neemt haar dochters bij de hand en loopt weer terug het strand op en Ryan wordt boos en zegt dat Ciara hem een moment met zijn dochters misgunt, zijn vaderschap ondermijnt, of, later, bijvoorbeeld, Ciara vertelt hem iets en komt er een paar dagen later op terug en dat beweert Ryan dat ze het hem helemaal niet verteld heeft, je vertelt mij nooit wat, en ik ken dat wel, naar buiten toe, voor anderen, iemand een man en de anderen, (sorry dat is de titel van een verhaal dat ik tijdens mijn studie schreef), er zijn altijd anderen, en voor hen, die anderen, is Ryan ogenschijnlijk de sociale, de aardige van de twee, en ik ken dat wel, maar binnenskamers liggen de kaarten anders, Ryan houdt Ciara in een ijzeren greep, ze mag niet werken, hij kraakt al haar vriendinnen af, hij is negatief over alles, hij is niet gewelddadig maar wel erg driftig, hij barst soms uit in bijzonder giftige driftbuien, en ik ken dat wel, het hele huishouden draait rond zijn stemming(swisselingen), en dan, op een dag, is Ciara het zat om gebukt te gaan onder Ryans dictatuur, en ze neemt de kinderen mee, en gaat, en ook daarover gaat het, over een nieuw leven proberen op te bouwen, los van de man, Ciara los van Ryan, de kinderen niet langer laten vergiftigen met negativiteit, alleen, met z’n drieën, of vieren, want Ciara blijkt later ook nog zwanger, en dan begint het gedoe, hoe Ryan haar bespeelt via de kinderen, maar ook het gedoe met advocaten, het miserabele leven in een soort van opvanghotel, de moeizame zoektocht naar een eigen woning, en, vooral, het gedoe met Ryan, dat nooit ophoudt, ook dat is hier zeer krachtig aan, in hoe het toont dat de zaken niet altijd zo eenvoudig liggen, dan ga je toch gewoon weg, zeggen de mensen dan, of naar zo’n man ga je toch nooit terug, maar Ryan speelt spelletjes, liegt, bedriegt, chanteert, sommige dingen zie je mijlen van tevoren aankomen, andere dingen zie je totaal niet aankomen, ik weet niet wat beter is, ik denk dat sommige mensen waarschijnlijk denken dat onvoorspelbaarheid beter is dan voorspelbaarheid maar ik weet het zo net niet, het lijkt mij niet perse heel moeilijk om een boek vol te proppen met onverwachte wendingen, je moet gewoon steeds op het allerongerijmdste, dat is niet zo moeilijk, maar evengoed schokkend, alle manieren waarop Ryan Ciara steeds weer binnen probeert te hengelen, Ciara komt ook andere vrouwen tegen die in eenzelfde situatie zitten, en één van hen gaat inderdaad op enig moment toch maar weer terug naar haar man, omdat hij maar blijft zeiken, blijft bellen, berichten sturen, langskomen, en dan denkt ze, die andere vrouw dus, niet Ciara, dat naar haar man teruggaan de enige manier is om van het gezeik af te zijn, en gek genoeg begrijp ik dat, en nog iets, nog een andere kracht, dat er iets moet zijn, toch, met haar schrijven, want Nest is niet zonder dinges, zonder iets, dit boek heeft, hoe moet je dat noemen, ik zou niet echt zeggen dat het spannend is maar het houdt wel geboeid, ik bleef me maar afvragen wat er nog komen ging, hoe het gaan zou, en die kinderen, Ella en Sophie, zijn geweldig, je moet wel houden van Ella en Sophie, je kunt niet níet van Ella en Sophie houden, en later ook Noah, maar die komt veel later, dan is het boek al bijna uit, en dan merk je, nee dan merk ik, dat ik een 364 bladzijden tellend boek heb gelezen over partnergeweld, wie had dat ooit gedacht, lijkt me meer zo’n leesclubboek, deze week gaan we een boek lezen over partnergeweld voor sommige van jullie zal het misschien heftig zijn, zoiets, maar niet een boek dat ik ook lezen zou, tot ik het las, O’Donnell doet iets, ze betrok me, ze liet me betrokken zijn, op Ciara en Ella en Sophie en Noah, en anderen uit het boek, het doordrong me van dingen, zaken, ideeën, inzichten, en misschien gaat Nest over veel meer dan over partnergeweld, gaat het over de hoeken waarin mensen elkaar dringen, in relaties, in huwelijken, en hoe dat soms misschien hoeken zijn waar je helemaal niet in wil en hoe kom je er dan weer uit, want misschien is het altijd wel zo, is er altijd één de dominante, de bepalende, degene die met stemmingen en meningen en wensen alles kleurt, en hoe op het laatst alles dan allemaal kleuren heeft waar de ander zich helemaal niet prettig bij voelt, want de ander is de gezeglijke, de verzorgende, degene die bereid is veel te doen om de sfeer maar niet bedorven te zien worden, en dat is het goede aan Nest, het sterke, het menselijke, het gaat over leven, over liefde, over onze banden met anderen, het gaat over ons allemaal, en daarom lees je, daarom las ik, Nest, ondanks dat het een boek is waarvan ik dacht dat ik het, zoiets als dit, nooit zou lezen, toch vrijwel in één adem uit.

Roisin O'Donnell Nest

Nest

  • Auteur: Roisin O’Donnell (Ierland)
  • Soort boek: Ierse roman, sociale roman
  • Origineel: Nesting (2025)
  • Nederlandse vertaling: Lisette Graswinckel
  • Uitgever: Wereldbibliotheek
  • Verschijnt: 23 januari 2026
  • Omvang: 368 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 24,99 / € 12,99
  • Roman bestellen >

Flaptekst van de roman van de Ierse schrijfster Roisin O’Donnell

Genomineerd voor de Women’s Prize for Fiction 2025: het spannende debuut van een bekroonde Ierse schrijver over huiselijk geweld.

Op een stralende lentedag in Dublin neemt Ciara Fay in een fractie van een seconde een beslissing die alles zal veranderen. Ze grist de kleding van de waslijn, zet haar twee jonge dochters in de auto en rijdt weg. Haar hoofd tolt, maar één ding weet ze zeker: thuis is niet veilig meer.

Dit had een ontsnapping moeten zijn. Maar haar spaargeld slinkt snel, en zonder baan of familie in de buurt staat Ciara voor een duivels dilemma: is haar vrijheid dit allemaal waard?

Terwijl de zomer voorbijgaat en de winter nadert, probeert ze haar kinderen groot te brengen in een hotelkamer, een nieuw thuis te vinden in een vastgelopen woningmarkt en om te gaan met de manipulatieve pogingen van haar man Ryan om haar terug te krijgen. Want weggaan is één ding, wegblijven is iets heel anders.

Roisín O’Donnell is een Ierse schrijfster. Haar verhalenbundel Wild Quiet werd gepubliceerd in 2016 en werd genomineerd voor de Kate O’Brien Award en stond op de longlist voor de Edge Hill Prize. Haar debuutroman, Nesting, in het Nederlands vertaald als Nest, werd in januari 2025 gepubliceerd; het werd meteen een bestseller in de Sunday Times en stond op de longlist voor de Women’s Prize for Fiction. Roisin werd door The Observer uitgeroepen tot een van de tien beste nieuwe romanschrijvers van 2025.

Bijpassende boeken en informatie

Cynan Jones – Deining

Cynan Jones Deining recensie, review en informatie boek met verhalen van de schrijver uit Wales. Op 22 januari 2026 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van Pulse, het boek van de Welsh schrijver Cynan Jones. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Cynan Jones Deining recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Deining, het boek met verhalen van Cynan Jones, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “Hoe uitgepuurd zijn schrijfstijl ook mag zijn, ze is doorspekt met momenten van verbluffende originaliteit en schoonheid.” (The Times)
  • De vaak gelaagde, duistere thematiek van Jones’ verhalen wordt op fascinerende wijze gelogenstraft door de helderheid van zijn taal.” (Sara Baume)
  • Cynan Jones heeft de zeldzame gave om ons moment voor moment de overlevingsstrijd van zijn personages te laten ervaren.” (Carys Davies)
  • “Jones is een begaafde, uitgebalanceerde schrijver, en deze verhalen zijn waardevolle portretten van mensen die in onze hedendaagse fictie maar al te vaak over het hoofd worden gezien.” (The Telegraph)
  • “Deze verhalen gaan over angst en kwetsbaarheid en ze raken je in je buik en in je hart.” (Daily Mail)

Recensie van Tim Donker

Wat vreemd is dat ik het niet gezien heb.

Terwijl het daar staat. Gewoon. Op de voorkant. Onder de naam van Manon Smits, die het boek vertaald heeft.

Maar ik zag het niet. Niet meteen in elk geval.

Ik denk dat het door het dorp kwam. Ik denk dat het kwam omdat we aan het lopen waren. Daar. Door dat dorp. In ergens een ergens dat niet het gebruikelijke ergens was.

We waren op vakantie. En we liepen.

Het was het dorp. Bergen meen ik. Niet Op Zoom. Aan zee. Waar we liepen. Niet waar we op vakantie waren, al was dat niet ver van daar. We liepen en ik zag een boekhandel. Ik kan niet. Ik kan niet doorlopen. Niet als ik een boekhandel zie. Dan moet ik naar binnen. De boekhandel was niet bijster groot, en in een oord als dat verwachtte ik een soort Bruna. Een veredeld soort tijdschriftenzaak. Waar ze vooral thrillers hebben. Nauwelijks literatuur, een enkele bestseller daargelaten. Zeker geen poëzie. Maar het viel me mee. Het viel me niet tegen. Wat ze hadden was voorwaar niet slecht.

“Ze hebben boeken!” zei ik, bijna schreeuwend, enthousiast, tegen degene die het dichtst bij me stond. Dat was mijn zoon. Hij is het altijd. Hij is altijd degene die het dichtst bij mij staat. Maar hij was niet onder de indruk van mijn constatering. Hij vond het niet zo verbazingwekkend dat er in een boekhandel boeken werden verkocht.

“Nee maar echte bedoel ik!” zei ik. “Goede boeken. Niet van die rotzooi.”

Op een tafel. Die kenmerkende vormgeving. Koppernik. Cynan Jones. Deining. Een boek dat nog op mijn lijstje stond. Vrijwel alles dat door Koppernik wordt uitgegeven staat op mijn lijstje. Ik bladerde. Fantastisch. Al die witregels. Die ik wel ken van Cynan Jones. Mooi. Mijn ogen vlogen over de flaptekst. Uiteenlopende situaties van uiteenlopende personages. Dacht ik. Mooi. Kronkelende verhaallijnen, meerdere hoofdpersonen, misschien niet een heel duidelijk overkoepelend thema, of anders alleen één dat eerder associatief of intuïtief te duiden is. Zo heb ik mijn romans het liefst.

Maar het is geen roman.

Het is een verhalenbundel. En dat had ik moeten zien. “Verhalen”; het staat daar duidelijk op de voorkant. Maar ik zag het later pas, in het vakantiehuisje. En toen heb ik het boek uiteraard al gekocht. In al mijn enthousiasme. Vanwege het dorp. De vakantie. Het lopen (iets in mij loopt op blote voeten). De winkel, die veel beter gesorteerd bleek te zijn dan ik gevreesd had. Koppernik. Cynan Jones. Wat meer had ik nodig om naar de kassa te stormen?

Wat is het probleem dan?

Ja.

Wel.

Nee.

Er is geen probleem. Of toch. Ik ben niet zo dol op verhalenbundels. Poëziebundels, daar hou ik van. En van romans ook. Maar verhalenbundels. Het probleem met verhalen is dat ze te, tsja, verhalend zijn. Denk ik. Al zeg ik daarmee waarschijnlijk weinig nieuws. Maar ik hou wel van stilte in een boek. Van schrijvers die veel ruimte nemen voor hun plot. Het plot zover uitrekken dat het zo dun geworden is dat er nauwelijks nog een plot overblijft. Dat het er niet te dik bovenop ligt met al die ontwikkelingen enzo. Of dat er juist weer zoveel plots en subplots door elkaar krioelen dat het een mierenhoop gelijk is. Je kunt niet voor lange tijd één specifieke mier blijven volgen. Het gaat niet om die ene mier. Het gaat om het krioelen, en om niet goed weten wat er nu eigenlijk precies gebeurt daar allemaal. Dat kan ook heel mooi zijn. Maar in een verhaal is het vaak te uitgebalanceerd. Er blijven geen lege plekken over. Verhalen zijn miniromans voor lezers die zelf niet willen denken.

Nou.

Dat probleem is er alvast niet bij Cynan Jones.

Ik kan er zelfs nog wel, met een beetje kunst en vliegwerk, een fragmentariese roman in lezen.

Het gevoel is in haast alle verhalen wel ongeveer hetzelfde. Het decor ook. En de personages.

Getekenden. Door het leven gehard. Ofzo. Zeg jij het eens. Waarom zeg jij niets?

Veel natuur hier. Plaats van handeling kan een boerderij zijn, een bos, een rivier. En daar zijn mannen. Veelal mannen. Eenlingen. Veelal eenlingen. Zelfs als ze met twee zijn, of met meer, dan nog zijn het eenlingen. Het zwijgzame type. Gedesillusioneerd. Ergens in hun leven zijn er dingen gekanteld. Ergens is iets niet helemaal goed gegaan.

De verwantschap tussen de verhalen is groot genoeg om er toch één geheel in te zien.

En Cynan Jones is goed in lege plekken open laten.

In het eerste verhaal proberen twee mannen vanuit de rivier valkenkuikens te roven uit hun nest op een klif. Ze blijven naamloos. Ze worden alleen maar “de dikkere” en “de magere” genoemd. Dat vond ik lichtelijk beckettiaans. Eén van de twee, de magere, ziet ergens een jongen zitten. Of denkt alleen maar een jongen te zien zitten. Het maakt bij hem een herinnering los aan een andere jongen. Vroeger. Op school. Een jongen die gepest werd. Onder anderen door hem. Er is iets gebeurd met die jongen. Daarover voelt de magere zich schuldig, al probeert hij dat schuldgevoel weg te rationaliseren. De klim naar het nest gaat fout. Misschien omdat de man slecht geconcentreerd is. Op het eind hangt hij daar, en dan is het afgelopen.

Wie zijn die mannen? Wat moeten ze met die valkenkuikens? Wie is die jongen die de magere zag zitten, en aan welke andere jongen doet hij hem denken? En wat is er met die jongen van vroeger gebeurd?

Hoe het precies zit. Wat er aan de hand is. Jones laat de lezer die ruimte en dat is goed.

Of neem “Witte vierkantjes”. Een man. Een jongen. Een vrouw. Vader. Zoon. Moeder. De vader en de moeder zijn gescheiden, en waarschijnlijk zijn ze niet als vrienden uit elkaar gegaan. Een rechtbank moest zich er zelfs mee moeien. De vader voelt zich rot vanwege zijn zoon. Voelt dat hij iets goed te maken heeft met hem. Eén goede actie. Een eendenrace. School houdt elk jaar een eendenrace. Vorig jaar verloren door zijn zoon. Zijn eend kwam als laatste binnen. De briljante actie van de vader komt hierop neer. Uit het zicht, in een bocht van de rivier, schiet hij alle andere eenden dood. Alleen de eend van zijn zoon is nog over. Dat is alles. Dat is zo’n beetje heel dat verhaal.

Flitsen. Een korte greep uit iemands leven. Waar dat leven verder uit bestaat, laat Jones aan de lezer. Tableaus. Foto’s. Maar wel met beweging. Deining eerder. Ja deining. In al deze verhalen zit deining. Daarom is de titel zo goed gekozen.

Er zijn ook langere verhalen. Een man maakt jacht op een beer die de boeren uit de omgeving veel overlast bezorgt. Dat verhaal neemt een bizarre wending als de man in het bos waarin hij de beer achtervolgt, stuit op een slee. Een moje slee. Een arrenslee? En cadeautjes die in de bomen hangen. Serieus, Jones? Probeer je nu serieus te suggereren dat de kerstman daar neergestort is?

Of. Nog weer anders is het in Voorraad. Mogelijkerwijs het vaagste verhaal uit de bundel. Zelfs de hoofdrolspeler blijft een weinig diffuus. Hij is winkeleigenaar. Denk ik. Van een niet al te goed lopende winkel. Vermoed ik. Maar hij is ook iemands kleinzoon. Een oma in een tehuis. Hij bezoekt haar. En hij komt iemand te hulp die een schapenboerderij heeft. Steeds is er sprake van een oom. Waar iets mee is, of mee was. Tot slot blijkt de man ook een deeltijdterrorist te zijn. Hij overvalt bezorgbusjes. Van andere winkels? Aannemelijk. Gijzelt en mishandelt (?) de chauffeurs. Waarom? Er is sprake van een lijst. Hij moet iedereen op de lijst hebben. Welke lijst? Waarom? Waar is hij mee bezig? Uw gok is zo goed als de mijne. Zelfs als u het boek niet eens gelezen hebt.

Misschien is Jones in het laatste, titelgevende, verhaal nog het volledigst. Een gezin ergens in een blokhut. Buiten woedt een storm. Een boom dreigt om te vallen, op de elektriciteitskabels die boven het huis gespannen zijn. Het is duidelijk wat de band is tussen deze mensen, het is duidelijk wat het probleem is. En er wordt iets aan gedaan. Boomchirurgen komen te hulp. Het zal niet afdoende blijken. Het einde mag open heten.

In alle verhalen een gevoel van ongemak.
Dreiging.
Het menselijk tekort.
En deining. Ja naast dreiging. Ook deining.

In het laatste verhaal deint de grond letterlijk. Maar ook in de andere verhalen deint het.

Misschien is dit daarom zo’n goede verhalenbundel.

Je wordt niet in en uit de plotjes gegooid. Doorheen de verschillende verhalen loopt een draad. Geen rode. Wees gerust. Een donkerbruin gerafeld touw dat bijna op knappen staat. De sfeer. Het gevoel. De elementen. De mensen. De toonzetting. Als een cd met verschillende liedjes die wel allemaal eenzelfde klankkleur hebben.

Het duistere.

De open plekken.

Een verhalenbundel die me trof als een roman. Van een schrijver die me raakt als een muzikant. Dat is het precies. De veelheid die Deining is.

Cynan Jones Deining

Deining

  • Auteur: Cynan Jones (Wales)
  • Soort boek: verhalen
  • Origineel: Pulse (2025)
  • Nederlandse vertaling: Manon Smits
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 22 januari 2026
  • Omvang: 192 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 23,50
  • Boek bestellen >

Flaptekst van het nieuwe boek van Cynan Jones

Een man trekt de sneeuw in om de beer te achtervolgen die de vallei terroriseert, een vader probeert het goed te maken met de zoon die hij verliet, een geliefde wordt te hulp geroepen wanneer de bevalling van een koe vreselijk misgaat, een hevige storm dreigt een boom op de elektriciteitskabels boven het huis van een gezin te blazen – angst, kwetsbaarheid en vastberadenheid komen op Jonesiaanse wijze onder spanning te staan in deze aangrijpende en onvergetelijke verhalen.

Cynan Jones bewijst met Deining opnieuw een van de onverbiddelijkste Britse schrijvers van dit moment te zijn. Maar hoe hardvochtig de elementen in deze uitgepuurde verhalenbundel ook zijn, er is altijd een sprankje hoop aanwezig.

Cynan Jones is geboren in 1975 in in de buurt van Aberaeron, Wales, waar hij woont en werkt. Hij stond op de long- en shortlist van talloze prijzen en won de de BBC National Short Story Award, de Betty Trask Award voor De lange droogte; de Jerwood Fiction Uncovered Prize en de Wales Book of the Year Fiction Prize voor De burcht. Verder zijn in Nederlandse vertaling verschenen De wetten van water, Drie sprookjes (∗∗∗∗) en Alles wat ik vond op het strand. Meerdere van zijn verhalen verschenen in The New Yorker.

Bijpassende boeken en informatie

Anne van Amstel – De geboorte van de Trooster

Anne van Amstel De geboorte van de Trooster recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe dichtbundel. Op 13 januari 2026 verschijnt bij Uitgeverij Prometheus het nieuwe boek met gedichten van Anne van Amstel. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Anne van Amstel De geboorte van de Trooster recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van De geboorte van de Trooster, het boek met gedichten van Anne van Amstel, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “De jury kan over de poëzie van deze laureaat kort zijn: alles in dit werk wijst naar dat ene simpele woord “waarachtig-werkelijk-overtuigend.” (Juryrapport Hollands Maandblad Schrijversbeurs)

Recensie van Tim Donker

Hoe ver kun je komen op een verkeerd been? Want dat is waar Anne van Amstel me op gezet had. Het verkeerde been. Ik dacht, ik wist niet wat te denken. Ik zag dat omslag, ik las iets over een trooster, ik dacht Dit gaat één of ander halfzacht werkje worden. Ik dacht aan esoterie, aan spiritualiteit, aan astrologie. Ik dacht aan alle dingen vreselijk. Of, al wat beter misschien, het boek van een mysticus, iets occults, zoiets als dat prachtige Year of the Inverted Star waar Matthew Kosinski onlangs mee afkwam. Wat ook nog kon, en weeral wat graadjes erger zou zijn, is zoiets als “literaire fantasy” (want dat, zo heb ik me laten vertellen, schijnt te bestaan).

Dan zou ik nu iets kunnen schrijven als “Ik begon dus met de nodige scepsis aan De geboorte van de trooster”. Maar die zin moet ik net iets te vaak uit het klavier mijner laptop rammen de jongste tijd. Bovendien is er een punt waarop “de nodige scepsis”, want, zeg nu zelf, hoeveel scepsis is precies de nodige scepsis?, een punt dus, waarop “de nodige scepsis” zoiets als weerzin begint te naderen en ik kan u zeggen dat Van Amstel dat punt aanvankelijk griezelig dichtbij leek te zijn.

Ik zeg aanvankelijk.
En ik zeg leek te zijn.

Want.

Ziet u, toen ik, hoeveel jaar geleden nu alweer, voor deze site begon te schrijven, heb ik mezelf een principe gesteld. Stapels boeken landden ineens op mijn recenseertafel. Ik was dat niet gewend. Ik was gewend mijn boeken te kopen. Of te bestellen. Niet zelden vanuit het verre Amerika. In boekhandels blader je boeken door, je leest een hiere of een daare passage; wat ik bestelde probeerde ik ook in te zien, het alles sloot een miskoop nooit uit maar wat ik kocht was te overzien en als ik het echt heel erg goed vond, schreef ik erover op een site elders. Maar de immer aanwassende recenseerstapels bevatten van alles en lang niet alles ervan behoort tot het soort literatuur dat ik doorgaans lees. Dan gaan mensen al snel wauwelen over comfortzones, of ze beginnen over een doos en dat je daarbuiten moet denken (ik zit nooit in een doos als ik denk) (ik zit sowieso vrij zelden in een doos), of weet ik veel wat, naja, wat blijkt is dat je iets waarvan je weinig tot niets verwacht toch heel mooi kunt vinden. Dus moet een besprekerken alles een kans geven, zelfs al sloft het besprekerken met lood in zijn schoenen naar zijn leesstoel, want wat heeft hij nu weer aan zijn recenseertafel gehangen gekregen, wie geeft hem dat nu, wie schrijft dat nu, wie leest dat nu, al die vragen en toch – lezen zal hij lezen doet hij. Al moet ik toegeven dat ik het minimum aantal pagina’s dat ik gelezen moet hebben vooraleer ik een boek een in mijn ogen “eerlijke kans” gegund heb steeds verder teruggeschroefd heb. Het waren er ooit vijftig. Want als de schrijver me in de eerste vijftig pagina’s niet heeft kunnen aanspreken, gaat hij het nooit doen. Misschien kiest een schrijver een wat ongelukkig begin, misschien moet je een stijl nog een beetje aftasten, misschien neemt het een beetje krijgen gewend aan, misschien komt het traag op gang, misschien moet het allerinnemendste personage nog geïntroduceerd worden, misschien behoeft het nog maar twee verhaalwendingen om het interessant te maken maar in vijftig bladzijden moet dat alles toch wel bekeken zijn, niet? (mijn ooitmalig buurman, Sergio, had het over nog veel meer pagina’s, een honderdtal docht mij, of meer nog, ik kan het hem niet meer vragen hij is mijn buurman niet meer hoewel ik het was die wegging maar dat heeft me altijd al vrij veel geleken), naja, met zoveel stapels te gaan nog, het kan ook wel minder dan vijftig bladzijden zijn misschien, wat zou ik me moe worstelen terwijl er verder naar onderen in de stapel nog veel moois ligt te wachten misschien, een bladzijde of dertig of twintig of tien is ook wel genoeg om een gefundeerde mening te vormen nietwaar?

De geboorte van de trooster krijgt dus in ieder geval mijn aandacht gedurende een pagina of wat, Anne van Amster schreef bovendien Trapezista en dat boek herinner ik mij als lang niet kwaad. Zwijgen dus en lezen nu.

Er is een Parakleta die “met de trage hartslag van een vinvis” “haar baan om de aarde” zwemt; een bladzijde later stelt AvA (waarin men moeiteloos Anne van Amstel herkent) de vraag: “Wat is er geworden van de kinderen die hun juf zagen ontploffen?”. Oké. Ik ben geïntrigeerd. Het lezen is geen werk meer nu, niet langer het principieel halen van een quotum. Het lezen is nu gewoon lezen. AvA heeft me bij de hand genomen en voert me mee.

Hier wordt het verhaal verteld van Elisabeth Dorothea Parr. Ook gekend als Lili. Ook gekend als Parakleta. Ze werd te vondeling gelegd bij een nonnenklooster, bleek al snel een voorlijk kind te zijn. Ze sloeg drie klassen over en werd op Concord High leerlinge van Christa McAuliffe, de lerares die in 1986 aan boord was van de spaceshuttle Challenger die kort na de lancering ontplofte. Het was de bedoeling dat McAuliffe via het project “leraar in de ruimte” kinderen vanuit de ruimte zou onderwijzen en ze op deze manier ook warm zou maken voor ruimtevaart. Zodoende werd er op veel scholen naar de lancering gekeken; massa’s kinderen waren getuige van de ramp. Ik wist dat eerlijk gezegd niet, of als ik het wel wist (ik was twaalf toen dit gebeurde) ben ik het weer vergeten. Maar de ramp met de Challenger was echt, en ruimtevaart bestaat, en nonnen bestaan, en televisie bestaat, en Amerika bestaat, en met al deze elementen smeedt Anne van Amstel, p’don ik bedoel natuurlijk AvA een “poëtische novelle” (welja) die me in beginsel niet direct esoterisch leek. Lili, zoals astronaut Elisabeth Dorothea Parr liefkozend wordt genoemd (evenals haar jammerlijk omgekomen juf meteen een publiekslieveling), heeft tot taak een ISS-module te repareren. Hiervoor moet ze via een mangat het ruimteschip verlaten; al zwevende de reparatiewerkzaamheden uitvoeren. Vanover heel de wereld wordt gekeken hoe Elisabeth uit het ruimteschip komt. Ze spreekt de aarde toe. “I love you all. Don’t ever forget that now.”, zegt ze. Dan gespt ze haar “lifeline” los. En weg zweeft ze. Weg van het ruimteschip. Weg van de aarde. Weg van de mensheid.

Omdat de hele wereld toekijkt, heeft de hele wereld een mening over wat er daar gebeurde. Deskundigen zijn uiteraard niet meer weg te branden van de buis, want only an expert can deal with the problem. Laurie Anderson zei het al. Al snel wordt duidelijk dat Lili zich opzettelijk losmaakte, er kan geen sprake zijn van een ongeluk. Is het zelfmoord of andere waanzin? Deskundigen bemoeien zich, de president van Amerika bemoeit zich, landen nemen stelling, burgers hebben stellige meningen. Er zijn er die in Parakleta, zoals Lili al snel komt te heten, een martelares zien, een ziener, een heilige. Miljonairs zien er de allerultiemste zelfmoord in en zijn bereid grote bedragen neer te tellen voor hun eigen “ruimtesuïcide”. Er zijn er natuurlijk ook die Parr als uitschot zien, een aanstelster die ondenkbaar egocentrisch drama heeft gemaakt en daarmee heel veel belastinggeld verspilde. Er komen duiders. Wat betekende een vlag die ze vasthield? De duif? Vredesduif of iets anders nog? Commercie springt erop in; duiven zijn niet meer aan te slepen. Televisie doet vierentwintig uur per dag verslag van alles wat maar enigszins te maken heeft met Lili. Leeft ze nog? Hoelang kun je eigenlijk overleven, zwevend in de ruimte? Waarom deed ze wat ze deed? Er is rep. Er is roer. De president wil Lili uit haar baan schieten. Massale verontwaardiging, demonstraties, duiven die op alle pleinen in de wereld de lucht ingelaten worden, oproerpolitie die gericht schiet, eerst op duiven, later eenvoudigweg op burgers. Soon there will be shooting at unarmend men, en dat is ook een hele goede seedee.

Hierin is De geboorte van de trooster sterk, heel sterk. Het toont heel duidelijk de drie gangbare manieren waarop er altijd weer gereageerd wordt op internationale gebeurtenissen. Totale onderwerping, devotie, kritiekloos geloof (bijvoorbeeld in het heersende discours, in wetenschap, in overheden, in (een nieuwe) religie); alles op het fanatieke af zodat andersdenkenden of sceptici almeteens als moreel verwerpelijk worden gezien (of “wapppies” voor die materie). Dat is één manier om om te gaan met gebeurtenissen die het gemiddelde voorstellingsvermogen te boven gaan. Een andere heeft te maken met hebzucht. Gewin. Materialisme. Als verklaringen niet meer toereikend zijn, laat de economie het dan maar overnemen. Als je er niets aan kunt veranderen, kun je er altijd nog aan verdienen. Het boek laat zich gedeeltelijk lezen als televisieverslagen; verslagen die veelvuldig worden onderbroken door reclameboodschappen. Ook ellende kan geld genereren (juist ellende misschien zelfs wel). De laatste manier is favoriet bij overheden: repressie. Geweld. Onderdrukking. Alles wat we niet begrijpen, slaan we dood. Wat afwijkt, moet geëlimineerd worden. Wees niet die eigenwijze Nederlander – Rutte zei het al. Het moet in een hokje. En anders moet het maar kapot.

Maar omdat Parakleta ook wijd en zijd vereerd wordt, zegt De geboorte van de trooster ook veel moois over religie. Misschien raakt het via apocriefe en deuterocanonieke boeken (wat wel en niet tot enige bijbel mag horen is iets dat me altijd gefascineerd heeft), hindoeïstische en tantrische geschriften aan theosofie (er moet een oerbron zijn waaraan alle oerbronnen ontspruiten); een gedacht waardoor Yann Martel zich ook al liet inspireren toen hij Zoon van Niemand schreef. Parakleta is echter onmiskenbaar een vrouw, dus AvA zegt vooral veel over thealogie. Waarom zijn zoveel religies zo buitengemeen patriarchaal? Wat heeft het voor betekenis om het goddelijke als vrouwelijk te denken? In één van haar noten (het notenapparaat moet u vooral niet overslaan want het bevat echt heel veel interessants) schrijft Van Amstel: “Allah en Jahweh hebben officieel geen gender, ook de christelijke God niet, maar in praktijk zijn er maar weinig gelovigen die niet spreken van ‘Hij’ en ‘Hem’, een grammaticale vorm die het godsbeeld sterk heeft beïnvloed.” – zou het door religie gekatalyseerde sexisme louter een gevolg van grammatica zijn? En omdat Parakleta naastenliefde en begrip predikt, zegt De geboorte van de trooster natuurlijk ook zo wat over oorlog en vrede, en de agressieve aard van het mensdier.

Al vind ik de passages waarin Parakleta sprekend opgevoerd wordt, niet het sterkst in De geboorte van de trooster.

Sja.

Ik weet niet.

Kun je de grenzen van de geloofwaardigheid tarten zonder de maatschappijkritische laag aan te tasten? Ja er is metaforiek, er bestaat zoiets als symbolisme. Je kunt ook op indirecte wijze een punt maken. Science fiction, surrealisme en absurdisme kunnen heel goed over een konkrete leefomgeving, en een specifieke tijd gaan. Maar hier wringt het naar mijn gevoel toch een heel klein beetje. Een vrouw die feitelijk allang dood had moeten zijn, spreekt heel de wereld toe. En de hele wereld luistert. En Parakleta lijkt ook te weten wat er op aarde speelt, dus de communicatie werkt beide kanten op. Zoals het een echte God betaamt ja. Maar als God spreekt, luistert lang niet iedereen en zelf lijkt hij af en toe toch ook wel een beetje Oost-Indisch doof (mag deze uitdrukking nog of is dat langzamerhand veel te onwoke geworden?). Het is ook een beetje obligaat, zo’n messias die verkeerd begrepen wordt, een roepende in de woestijn is. Met monologen die mij ook iets te prekerig zijn. Maar misschien kun je een domineesdochter die het evangelie wil vernieuwen het niet euvel duiden af en toe te preken.

Maar er is nog iets, en dat heeft te maken met taal. Zolang Parakleta zwijgend in de ruimte zweeft, is ze voorwerp. Iedereen speculeert, analyseert, vormt meningen, fulmineert op sociale media of dweept ongebreideld met Parakleta. Dat is hoe dingen gaan, en dat is waarom De geboorte van de trooster zo sterk is. Maar kan er een teveel aan taal ontstaan? Zegt Jan Arends niet “Een boom is geen taal. Een getekende boom is taal.” (ja dat zegt Jan Arends wel, in Lunchpauzegedichten zei hij dat en dat weet je allemaal best, Donker, dus stop te vragen naar de bekende weg – uw moeder moest dat vroeger al iets te vaak tegen u zeggen toen gij nog een kinderken waart). Zo ook is Elisabeth Dorothea Parr geen taal, Parakleta is taal. Maar als zij als taal nog begint te spreken, wordt het teveel taal. In plaats van als symbool aan ieders fantasie te appelleren, drukt ze zich woordelijk uit. Daarmee wordt Parakleta als fenomeen gedeeltelijk gedemystificeerd, Wat ze zegt, verschilt daarenboven niet zoveel van wat menig een messias voor haar al zei. Langs de andere kant heeft Van Amstel door deze grenzen van de taal te bewandelen, weliswaar onbedoeld, misschien wel eenvoudigweg nog een laag aan De geboorte van de trooster toevoegd.

Waar een klein boek vol van kan zijn. Waar het van overloopt. Filosofie, religie, politiek, poëzie, wetenschap, feminisme, geschiedenis. Dat. Hoe wonderschoon dat toch is. Dat is literatuur, mensen. Dat kan allemaal met literatuur. Hou allemaal onmiddellijk op met dat kijken naar dat Netflix van jullie. Ga lezen. Te beginnen met De geboorte van de trooster.

Anne van Amstel De geboorte van de Trooster

De geboorte van de Trooster

  • Auteur: Anne van Amstel (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Prometheus
  • Verschijnt: 13 januari 2026
  • Omvang; 96 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 21,99
  • Boek bestellen >

Flaptekst van de nieuwe Anne van Amstel dichtbundel

Met de trage hartslag van een vinvis
zwemt Parakleta haar baan om de aarde.

In De geboorte van de Trooster gaan we de kosmos in, vondeling Lily achterna. Ze is een leerling geweest van juf Christa, die omkwam bij de ramp met de spaceshuttle Challenger. Lily zelf wordt ook astronaut, maar wat gebeurt daar voor het oog van de wereld bij het ruimteschip? ‘Mijn God, ze is los!’ Zo wordt ze Parakleta, middelaar, toevlucht, trooster voor de belaagde mens.

Anne van Amstel heeft in haar werk altijd haar betrokkenheid bij de wereld van vandaag laten zien. Maar in dit wonderbaarlijke werk – is het poëzie, proëzie of nog iets anders? – ontpopt ze zich tot apostel. Thealogie vervangt theologie in dit overrompelende, onheilige nieuwe evangelie; een goede boodschap in kwade tijden.

Anne van Amstel is geboren in 1974 in een domineesgezin te Hoogeveen. gezondheidszorgpsycholoog, docent postdoctoraal onderwijs en dichter van vier bundels, van Het oog van de storm (2004) tot en met Trapezista (2022). Ze woont sinds haar studietijd in Amsterdam.

Bijpassende boeken en informatie

Ton Naaijkens – Mondruimtes & matroesjka’s

Ton Naaijkens Mondruimtes & matroesjka’s recensie, review en informatie boek met en over actuele Duitstalige poëzie. Op 15 december 2025 verschijnt bij M10Boeken het boek van Ton Naaijkens over nieuwe Duitstalige poëzie. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteurs en over de uitgave.

Ton Naaijkens Mondruimtes & matroesjka’s recensie

De zon komt op in het oosten. De poëzie gaat onder in het westen.

Nee. Dat is niet waar. Maar toch. Waarom lijkt de Noordzee hier zo grijs, waarom lijkt de Nederlandse poëzie zo vlak, en waarom worden hier dingen gezegd als gewoon is al gek genoeg? Vanwaar dat wantrouwen tegen alles dat afwijkt van de norm? Waarom is de literatuur in bijna elk land dat niet Nederland heet almeteens een pak of twee avontuurlijker? Zelfs in Duitsland? Ja zelfs in Duitsland natuurlijk in Duitsland vooral misschien wel in Duitsland.

Ton Naaijkens komt met een mooi overzicht van actuele Duitse poëzie. Vierendertig dichters. Waarvan achttien vrouwen en zestien mannen, al zie ik niet zo goed in hoe dat relevant is. Sommige ervan kende ik: Barbara Köhler, Elke Erb, Daniel Falb, Monika Rinck, Ulf Stolterfoht, Paul Celan, Ron Winkler en Friederike Mayröcker ja natuurlijk Friederike Mayröcker zeker Friederike Mayröcker vooral Friederike Mayröcker om eerlijk te zijn zou ik heel dit boek misschien niet eens gekocht hebben als Friederike Mayröcker niet opgenomen zou zijn.

Anderen. Velen. Kende ik niet.

Kun je kennen leren.
Kun je groenkamer van de godin.
Kun je ontmoetingen wel.

Denk aksie.
Denk waar dingen vrij komen.
Waar je ont-moet, niks meer hoeft, daar waar dingen vrij komen, daar gebeurt poëzie.

Daar loopt. Daar gaat.

Ben ik het maar, of lijkt in deze en in alle andere poëzie die niet Nederlands is veel meer beweging te zitten? Of alle andere poëzie gaat, loopt, wordt, waar de Nederlandse poëzie staat, zit, is.

Was wordend ooit. Maar nu niet meer.

Maar dit hier.

Hoe het van de pagina’s spat. Kom daar eens om. Zie dat eens. Lees. Beleef het.

Als dit de aktuele stand van zaken is in de Duitse poëzie, dan is de Duitse poëzie speels, rebels, dadaïstisch, surreëel, anarchistisch, hermetisch, duister, wild, eigenzinnig, losbandig en post-post-post-watdanook. Hier wordt gespeeld met klank, met ritme, met taal, met lagen, met betekenis, met muziek, met woorden, met beelden, met alles waarmee poëzie tot spreken nee tot schreeuwen nee tot zingen nee tot zeggingskracht komt.

Het ruist in je oor.
Het is het oceaangroen, en het vuur.
De pauzetekens van de nacht.
Het paginaglimpje van de growzosnel.
Al wat stuk voor stuk smelt op je tong.
De kers waar je van houdt.
De nacht voor nacht in palintrope harmonie.
Hoe het firmament ferm is (het is gewis).
Het knagen en in elkaar draaien.
De ademende ondergang.
Een drieogige raaf en één lange klinker.
Een leren tas die jouw leven was.
De stad die de mond ruimte is.
De as in het centrum die nog warm is.
De plakken gember de muskaatbouillon de 20×20 cm grote stoeptegels.
Vertaalbaarheid, helder als glas.
En honende honingprotocollen.
Of elke willekeurige bestaande taal.
Je handen suiker geven.
Een vluchtige mondholte propvol op dit spitsuur.
Het zet wat stuk is gelezen over.
Wat hemels is de wereld zo o wielen op wielerspoor.
Linguïstiek die niet droog is maar vochtig (een broek kan alleen in het Duits dood zijn).
Een uit spellingswoordenboeken uit de ramsj in elkaar geflanst hutje.
Algoritme dna broeikas.
Amper drie kilometer van het paradijs.
Het tikken van de aardappels in de provisiekamer.
De springstofzetter die schreeuwt om een idioom.
De roerloze boom die valt uit de tijd.
De geluiden op welke plek van je lichaam (het kloppen van de verwarming).
De vogel de mens de zee.
Het vliegen in een twaalfzitskano.
Kuit. Schieten. Overschot. Overloop.
Het klokkenspel van de peren dat alarm slaat.
Een kleine bonte homp donkerte.
De broodvissen die zeggen stofwisselende namen.
Stoplichten tussen a en b.
Nachtschadegewassen.
Een uitgestoten sleutel.
Het niet meer op zoek naar de orgonvrucht der wijzen.
De grote breuk. De tijd die omhoogkomt.

Dat dit het is. Dat alles en dit het is. Dat veel meer nog dan dit het is. Ik kan je niet zeggen wat het is. Veel meer dan dit en dan dit alles nog is wat het is.

Het is zo boventalig zo overtalig zo veeltalig omdat het veel meer is dan alleen maar één taal (hoe dit Naaijkens dit heeft kunnen vertalen, de creativiteit die dat gevergd heeft, je moet er wel bewondering voor hebben). Het is veel meer dan Duits bovendien. Een flinke porsie van dit boek bevat de Duitse originelen, en dat leek me eerst nog een beetje overbodig. Maar ik vond me daar waar de taal overkookte, uit de rails liep of uit klauwen ging toch geregeld terug denkend Wat zou daar in het Duits gestaan hebben? En dus spiekend. Bladerend. Kijkend. Niets overbodig achtend.

Een diepe buiging dus, voor m10boeken omdat Mondruimtes en matroesjka’s zo prachtig is uitgegeven. Met harde kaft, leeslint, bijna vijfhonderd pagina’s poëzie, waarvan een flink gedeelte Duits ja maar je gaat dat willen inzien, niet alle gedichten en ook niet regel voor regel nee maar je gaat toch blij zijn met de Duitse versies.

En een even diepe buiging nee een nog diepere buiging voor Ton Naaijkens. Die zocht, verzamelde, vertaalde. Die de prachtigste poëzie blootlegt voor iedereen die geen Duits kan, wil of wenst te lezen (eigenlijk vind ik Duits een hele moje taal, zoveel mojer dan Frans of Italiaans, mojer misschien zelfs wel dan Nederlands of Engels maar toch, allicht vanwege mijn frustraties op de middelbare school, krijg ik hoofdpijn als ik langer dan een kwartier Duits lees). “Misschien had ik Erich Arendt, Rolf Dieter Brinkmann, Nicolas Born, F.C. Delius, Ernst Meister […] [o]f Uwe Kolbe, Franzobel, Dana Ranga, Silke Scheuermann, Wolfgang Hilbe [en] Peter Waterhouse [ook moeten opvoeren]?’, vraagt Naaijkens zich in zijn nawoord af. Ja, Naaijkens, doe. Voer op. Nog een boek als dit. Delius en Hilbe en Meister ken ik toevallig en die zijn geweldig, en al die anderen wil ik graag ontmoeten. Dus. Meer. En nog. En voorts. Dat soort boek is Mondruimtes & matroesjka’s. Het soort boek waarvan je nooit genoeg hebt. En wie met een boek van deze omvang de lezer alsnog met zo’n enorme honger naar meer kan achterlaten, heeft toch echt wel iets goed gedaan.

Recensie van Tim Donker

Ton Naaijkens Mondruimtes & matroesjka's

Mondruimtes & matroesjka’s

Actuele Duitstalige poëzie

  • Auteur: Ton Naaijkens 
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: M10Boeken
  • Verschijnt: 15 december 2025
  • Omvang: 480 pagina’s
  • Afmetingen: 18,6 x 24,9 x 4,8 cm
  • Gewicht: 1075 gram
  • Uitgave: gebonden boek (met leeslint)
  • Prijs: € 39,50
  • Boek bestellen >

Flaptekst boek van Ton Naaijkens over actuele Duitstalige poëzie

In ‘Mondruimtes & matroesjka’s’ biedt Ton Naaijkens een eigen, actuele blik op de hedendaagse Duitstalige poëzie – niet door erover te vertellen maar door haar via vertaling te tonen. Het gaat om nieuw of recent werk van 34 dichters, achttien vrouwen en zestien mannen, verzameld uit evenzovele bundels die bepalend waren voor hun stem – en voor de poëzie zelf, ook internationaal.
Hun werk wordt niet via een zogenaamd representatieve selectie voorgesteld, maar met een substantieel onderdeel ervan: een cyclus, een lang gedicht of een samenhangende reeks gedichten. Daarover werd met de betrokken dichters wel gecommuniceerd, maar de keuze blijft uiteindelijk subjectief en werd vooral bepaald door voorliefdes en persoonlijke betrokkenheden van Nijhoffprijswinnaar Naaijkens, die zo bovendien een inkijkje biedt in zijn zowat vijftigjarige loopbaan als lezer en vertaler.

Voor de kroon daarop worden hier voor een flink deel ongepubliceerde vertalingen voorgesteld van Marcel Beyer, Nico Bleutge, Yevgeni Breyger, Sonja vom Brocke, Paul Celan, Mara-Daria Cojocaru, Róža Domašcyna, Ulrike Draesner, Elke Erb, Daniel Falb, Karin Fellner, Franziska Füchsl, Durs Grünbein, Thomas Kling, Barbara Köhler, Gregor Laschen, Friederike Mayröcker, Anna Julian Mendlik, Brigitte Oleschinski, Oskar Pastior, Steffen Popp, Monika Rinck, Ulrike Almut Sandig, Lea Schneider, Raoul Schrott, Daniela Seel, Lutz Seiler, Ulf Stolterfoht, Yoko Tawada, Hans Thill, Julia Trompeter, Christoph Wenzel, Ron Winkler en Uljana Wolf.

De bloemlezing bevat bovendien nadere informatie over de dichters van telkens honderd woorden, is tweetalig en voorzien van twee leeslintjes.

Ton Naaijkens is geboren in 1953. Hij is vertaler, essayist en redacteur van Filter, tijdschrift over vertalen en Terras, tijdschrift voor internationale literatuur.

Bijpassende boeken en informatie

Han Kang – Ik leg de avond in een la

Han Kang Ik leg de avond in een la recensie en informatie boek met gedichten van de Zuid-Koreaanse schrijfster en Nobelprijswinnaar. Op 3 december 2025 verschijnt bij Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar voor het eerst een Nederlandse vertaling van gedichten van Han Kang. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Han Kang Ik leg de avond in een la recensie

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Ik leg de avond in een la, de dichtbundel van Han Kang, de schrijfster uit Zuid-Korea en Nobelprijswinnaar, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “Deze gedichten (…) verbeelden een onvertaalbare Koreaanse ziel die het metafysische en het intieme met elkaar vermengt.” (Le Monde)

Recensie van Tim Donker

De mens denkt. De mens schrijft. De mens denkt en schrijft over haast wel alles. Zo kon mijn oog laatst vallen (ja het viel) op een artikel in nY over het neokoloniale geweld dat schuil gaat achter de keuzes die vertalers maken (god dat blad wordt met elk nummer woker en woker, ja woker nog dan woke en sowieso veel te woke naar mijn zin). Er zou, zo vermelden de schrijvers, in Amerika oproer zijn ontstaan over de Engelse vertaling van Han Kangs roman De vegetariër. Het Koreaanse origineel was eenvoudig en afgemeten; de Engelse vertaling (veel te) bloemrijk. Ik zou even een middagje moeten peinzen om te bedenken hoe er kolonialistische motieven aan ten grondslag kunnen liggen om het kale naar het bombastische te transformeren maar de mens denkt en de mens schrijft en de denkende mens denkt over de schrijvende mens en schrijft daar dan weer over, en als auteurs prijzen winnen en potten breken, valt er alleen nog maar meer over te denken en meer over te schrijven en zal ook een slechte vertaling méér moeten zijn dan zomaar een slechte vertaling.

Maar nobelprijs of geen nobelprijs, Han Kang vloog de langste tijd onderdoor mijn radar en Ik leg de avond in een la is feitelijk mijn eerste kennismaking met haar werk. En ophef of geen ophef, ik wist niet meteen wat te denken van de gedichten in deze bundel.

Misschien juist omdat het poëzie is, en omdat Kang is begonnen als dichter, en deze Ik leg de avond in een la er dus al vóór alle ophef was. Gedichten van bijna dertien jaar oud, het origineel kwam uit in 2013, er was van een De Vegetariër nog geen sprake, en Han Kang was gewoon maar iemand die dichtte en dacht in Korea, en een bundel bijeen pende die ze Seorab-e jeonyeog-eul neoheo dueodda noemde en misschien is dat ook wel mojer, en minder gezwollen dan Ik leg de avond in een la, wie weet.

Kang opent met een voorwoord. In de vorm van een gedicht. “Sommige avonden waren doorzichtig. / (Zoals de dageraad soms is.)”, en zulke avonden zijn er, toch?, in de lente vaak, of aan het begin van de zomer, maar ook een winteravond kan zo zijn (als nu bijvoorbeeld een reiziger), een mens zit, een mens leest, een mens denkt, een mens denkt ja, ja denkt een mens, ja Han Kang, inderdaad, sommige avonden zijn doorzichtig, en waarder nog, dat, door het in de verleden tijd te zetten, kijk terug naar je kindertijd, toen waren bijna alle avonden doorzichtig, niet?, of in retrospekt toch, sommige avonden waren doorzichtig, hoe waar en wat zeg je dat mooi Han Kang, denkt de mens die zit, de zittende denkende lezende drinkende mens.

Maar dan gaat dat slechts vierregelige voorwoordgedicht verder: “In het midden van de vlam / lag een ronde verlatenheid.”, en dan weet de zittende denkende lezende drinkende mens niet meer zo goed wat hij peinzen moet. Is het midden van een vlam rond of spits?, de zittende denkende lezende drinkende mens weet het niet direkt, heeft ook geen vlam voor handen, kijkt om zich heen om te zien of er iets is dat hij in de fik kan steken, proefondervindelijk lezen, er is niks dat hij in de fik kan steken. Hoe zit het ook alweer met vuur en hitte, en geel en rood, en wat is ook alweer het heetst, was het midden niet het koelst?, waarom heb ik ook mijn exacte vakken al meteen in drie mavo laten vallen?, hete gassen, zuurstof, verbranding, is het midden van een vlam alleen en de rest van de vlam een eenheid, was er ook niet iets met blauw?, kan vlam hier staan voor menselijke samenstellingen, de mens in het midden op zijn eentje, allen errond samen?, of is dit pure poëzie, poëzie om de poëzie, poëzie die alleen maar mooi wil zijn, geaaid wil worden, ik wil de rock ’n roll ajen, wie schreef dat ookalweer, Jose Maria Sanz zong het maar hij schreef het niet.

Het triviale. Het spirituele. Waaraan raakt deze poëzie? Kang kijkt naar de damp die opstijgt van een kommetje rijst en dat jaagt bij haar gedachten aan over vergankelijkheid. Dat lijkt wat obligaat maar dan eindigt het gedicht met een laconiek: “Ik at mijn rijst”. (en dus: ik at mijn zware gedachten op? ik stapte over mijn kontemplasie heen? ik richtte me op mijn direkte noden?). Prozaïsche poëzie?

Of. Verder. “Lente is lente // adem is adem // ziel is ziel.” Wat dan ook weer zoiets is. Konkrete dingen zoals lente en adem zijn gewoon wat ze zijn, maar ziel? Kun je überhaupt wel stellen dat ziel “is”. Ergens in de pijnappelklier misschien? (ha!). Stelt Kang het banale gelijk aan het metafysische of andersom? Je weet het niet. Ik weet het niet. De zittende denkende lezende drinkende mens weet het niet.

Wel. Misschien. De plekken waar je poëzie kunt zien liggen, de meesten stappen daar gewoon overheen. Wanneer dacht jij voor het laatst aan Mark Rothko? Kang schrijft: “Al is het overbodig om toe te lichten / er bestaat geen enkel verband tussen Mark Rothko en mij // Hij werd geboren op 25 september 1903 / en stierf op 25 februari 1970 / Ik werd geboren op 27 november 1970 / en ben nog in leven / En toch / komen de negen maanden / die zijn dood en mijn geboorte van elkaar scheiden / nu en dan bij me op // Een paar dagen voor of na / de vroege ochtend waarop hij in het keukentje van zijn atelier / zijn polsen doorsneed / bedreven mijn ouders de liefde / en niet veel later / vormde een stipje leven zich / in de warmte van een baarmoeder / aan het einde van die winter, zijn lichaam nog intact / op een begraafplaats in New York”; hoe jouw geboorte een zwangerschapsduur verwijderd is van de dood van een (naar ik aanneem) bewonderd kunstenaar, hoe daar allicht, als je erover nadenkt, iets van poëzie in te zien is, ik zie dat wel, maar ik zag het pas nadat Kang het me aanwees.

Leven en dood maken vaak hun opwachting in haar gedichten.

Alle doden die je kunt sterven: “Geen zorgen / ik heb negen levens / misschien wel negentien of negenennegentig”, en dus: “Zodra ik mijn ogen open na mijn achtennegentigste dood / zal ik mijn rug, gekromd als een foetus, hol maken / en me weer laten vallen” – en dat in een gedicht dat Circusvrouw heet en dat opent met een halfnaakte vrouw die, omwikkeld met een rode doek, zwevend in de lucht hangt. Geen zorgen dus, want de dood is maar een circusact? En wie dood is (en let wel: “het [is] fijn om dood te zijn / zo stralend, zo gewichtloos / als dons”) kan nog te maken krijgen met de kleinste probleempjes: dat je, bijvoorbeeld, niet in staat bent om een moje blauwe kiezelsteen op te rapen uit een beekje. Omdat je dood bent, weet je wel.

En je denkt. Zittend en lezend en drinkend denk je het wel. Langzaamaan in de smiezen te krijgen. Kang is hier om ons te laten zien dat het surreële veel dagdagelijkser is dan wij denken, en, omgekeerd, dat het dagdagelijkse zoveel surreëels bevat waaraan wij ziende blind voorbij lopen.

Of toch niet?

Een gedicht bestaat uit maar twee regels: “Een jonge vogel vloog voorbij / Mijn tranen waren nog niet droog”. Dat is geen surrealisme. Dat is ook geen dagdagelijksheid. Is het -slik- natuurpoëzie dan wat er hier de klok slaat? Toch is ook hier een zekere ontregelende mafheid niet veraf: de titel van dit hele korte gedicht is: Dertig mei tweeduizendvijf, de zee van Jeju half in de lentezon. De schubben van de wind overladen min huid met zout en ik denk: vanaf nu is het leven een cadeau

:

en:

jajaja. zout op mijn huid jajaja. benoîte groult. jajaja. het leven is een cadau. jajaja. je moet het niet verspillen. jajaja. maar wat kun je doen dat niet “het verspillen” is? jajaja. (can’t you even have coffee anymore?!). maar ik dacht aan dat singeltje dat ik had toen ik een jaar of vijftien zestien was, het singeltje van twee seconden. op de a-kant stond you suffer van napalm death. totale speelduur 0:01. de b-kant had electro hippies met mega armegeddon death part 2. totale speelduur: eveneens 0:01. en ooit zag ik napalm death you suffer live brengen, en de zanger was langer bezig om het lied aan te kondigen dan de band bezig was om het te spelen. waarmee ik maar wil zeggen: ik weet niet of ik deze pseudo-haiku van Kang goed vind en ik weet ook niet of ik die wat melodramatische titel wel smaken kan, maar de idee van een gedicht dat vele malen korter is dan de titel die het draagt vind ik alvast fantasties.

Dus wat het is. En weet de zittende denkende lezende drinkende mens het al? Zijn het kontemplasies over leven dood tijd zijn, zijn het metafiese vragen of dagdromerijen of slaapwandelingen? Is het gemijmer, de stilte die de storm vooruit gaat, een kiezelsteen die je maar niet kunt oppakken, een wolk in een broek? Of toch gewoon maar dikke brol?

Of een avond die geruisloos naar binnen spijpelt (en hoeveel van zulke avonden zijn er niet?).

Of gaat alles steeds maar over het leven dat je gebeurt terwijl jij andere plannen maakt?

Of verkent Kang de randen waarlangs poëzie vervluchtigt?

(om het te bewaren voor het verdwijnen kan?)

(als de avond in een la?)

En wat te maken van een gedicht dat Zelfportret. Winter 2000 heet en dat leest als een tragische sage die zich niet direkt lijkt af te spelen in 2000, en ook niet echt in de winter.

Of van de idee dat het aan de overkant van de spiegel winter is, en dat geesten neerstrijken in je ogen en heen en weer wiegen en beginnen te neuriën. Sommige dromen hebben het gewicht van een geweten.

(denkt u: een bezwaard geweten of een zuiver geweten?)

Of van een ineens heel erg fimies beeld, of zou ik zeggen een Heel Erg Filmies Beeld (HEFB, kan dat nog wat worden in deze aan acroniemen verslaafde tijden?) van een dode vogel langs een snelweg ergens in Amerika; iedere keer als er een gigantiese vrachtwagen voorbij dendert wajen zijn vleugels op. Dat zie je voor je, toch? Dat zie je toch zo voor je, lezer? Dat zou het openingsbeeld kunnen zijn van een of andere beklemmende, broeierige, lichtelijk bizarre woestijnfilm (bestaat dat als genre?) met mannen die hoofdzakelijk zwijgen. En met filmmuziek van Calexico.

En gesproken van muziek: een gedeelte van deze bundel las ik met Terre Sacer van Mark Molnar komend uit mijn telefoon (de cd EXO waarop dit straffe werkje te vinden is, moet mijn collectie vooralsnog helaas ontberen) en dat is muziek gelijk een ademhaling (vooropgesteld dat je violijnen zou kunnen ademen); en, zo bedacht ik, bedacht zittende denkende drinkende lezer, zo ook zou deze poëzie kunnen zijn: ademhalingen voor wie avonden kan ademen.

Daarmee bevat Ik leg de avond in een la helaas ook wel wat waaraan je al te gemakkelijk voorbij zou kunnen lezen. Hoe vaak concentreer je je immers op je ademhaling? Hoe vaak zie je een blad dwarrelen in de wind? Hoe vaak herinner je je een droom? Hoeveel avonden gingen voorbij voor je ze in een la kon leggen?

Misschien moet je deze bundel lezen als levensles.
Misschien moet je Ik leg de avond in een la enige tijd in een la leggen om te rijpen.

Dit is poëzie die zich niet onmiddellijk laat kennen. Soms bloedmooi, soms een groot vraagteken. Maar ik ben nu zeker benieuwd geraakt naar haar proza. En misschien ga ik De vegetariër wel in het Engels lezen. Eens zien waar het oproer over gaat.

Han Kang Ik leg de avond in een la

Ik leg de avond in een la

  • Auteur: Han Kang (Zuid-Korea)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Origineel: 서랍에 저녁을 넣어 두었다 (2013)
  • Nederlandse vertaling: Mattho Mandersloot
  • Uitgever: Nijgh & van Ditmar
  • Verschijnt: 3 december 2025
  • Omvang: 112 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 20,00
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de Han Kang dichtbundel

Han Kang onthult de volle pracht van haar schrijfstijl in deze dichtbundel, de eerste die in het Nederlands is vertaald. Ze roept de kleur van het einde van de dag op, de kou en de afwezigheid. Ook het lichaam komt aan bod, soms verzwakt, soms waakzaam voor de spiegel. De maan is vreemd, de herinnering aan de doden neemt de huizen over. Tot het licht terugkeert, tot vrouwen en mannen het duister verlaten.

Na het enorme succes van haar romans nodigt Han Kangs poëtische werk ons uit om een nieuw facet van de verbeeldingskracht van deze grote Zuid-Koreaanse schrijfster te ontdekken – een facet dat resoneert met haar verhalende werk. De thema’s en de oneindige verfijning van haar verzen maken Ik leg de avond in een la een essentiële onderdompeling in haar unieke wereld.

Han Kang is geboren op 27 november 1970 in Gwangju, Zuid-Korea. Ze studeerde aan de Yonsei Universiteit in Seoel, Zuid-Korea. Ze won vele nationale en internationale prijzen voor haar werk, waaronder de International Man Booker Prize voor de wereldwijde bestseller De vegetariër. Ook Mensenwerk en Wit werden lovend ontvangen. Momenteel doceert ze creatief schrijven aan het Seoul Institute of the Arts. Haar nieuwe roman Ik zeg geen vaarwel is in 2023 verschenen. In 2024 won ze de Nobelprijs voor de Literatuur ‘voor haar intense poëtische proza dat historische trauma’s onderzoekt en de kwetsbaarheid van het menselijk leven blootlegt’.

Bijpassende boeken en informatie