Tag archieven: Tim Donker

Louis Van Dievel – Willy & Romain

Louis Van Dievel Willy & Romain recensie en informatie over de inhoud van de roman van de Vlaamse schrijver. Op 9 september 2025 verschijnt bij Uitgeverij Manteau de nieuwe roman van Louis Van Dievel. Hier lees je informatie over de inhoud van de roman, de auteur en over de uitgave.

Louis Van Dievel Willy & Romain recensies

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Willy & Romain, de roman van Louis van Dievel, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

Dat schilderachtige dan misschien? Die volkse types, Vlamingen, met dat prachtige taaleigen van daar, die tongval, dat vocabulaire, dat zoveel mojer is dan het Nederlands van, laat ons zeggen, boven de rivieren?

Hum. Nee. Ja. Misschien. Een beetje toch.

Het fragmentarisme wellicht?

Wel. Dat werkt mee. Dat werkt altijd mee.

Of de treurigheid des levens?

Ik zou zeggen ja. Al is het vaker, en beter, in beeld gebracht in dat ding dat we geneigd zijn literatuur te noemen.

Wat is het geval? Louis van Dievel komt af met een nieuwe roman. Met De Onderpastoor kwam hij eerst pas in 2019 op mijn radar – diene mens had toen echter al een aardige bibliografie op zijn naam gezet. Goed omslag had dat boek, en een goed verhaal ook, dat goed geschreven was. Hoeveel vernieuwing kon de kerk aan in 1969, in een klein dorp in Vlaanderen, gaan democratie en geloof wel samen, is de kerk niet eerder een totalitair instituut, en hoe ruimdenkend is de gemiddelde dorpeling? Rake vragen ook. Maar toch. Ik geraakte er niet doorheen. Nu ligt het ergens boven, in mijn halfgelezenboekenkamer waar trouwens ook nog menig een helemaal niet gelezen boek ligt. In 2021 las ik Madeleine. Een vrouw uit het volk gaat als kuisvrouw aan de slag bij een welgesteld -en misschien wat wereldvreemd- stel, en doet daarvan verslag aan de lezer. Van Dievel schreef dit boek samen met Britt Droog en ik vond het weeral prachtig, tot de roman, in het twede deel, omsloeg in een soort propaganda, dat geheel aansloot bij het toen heersende discours omtrent corona. Het overheidsverhaal over corona was niet mijn verhaal, het was al erg genoeg om er in mijn dagdagelijks bestaan op net iets te veel vlakken mee geconfronteerd te worden; van schrijvers verwachtte ik -tevergeefs naar uit wel meer indertijd verschenen boeken bleek- toch een wat kritischere houding (maar de propagandisten hadden het zodanig goed voor elkaar dat de deugers, de solidairen, de academici, de linksen, de wokers het niet waagden een veelal met rechts geassocieerd tegengeluid te laten horen als het over het covid-beleid ging – dan was je toch al snel asociaal of zelfs een staatsgevaarlijke gek).

In Willy & Romain richt Van Dievel wederom zijn blik op de eenvoudige, de “gewone” zo je wilt, mens van Vlaanderen, zij het niet echt een dorp dit keer. Het homosexuele stel Willy Verachtert en Romain Verbruggen staat sentraal wanneer een hele wijk geëvacueerd wordt omdat een ontspoorde goederentrein gevaarlijke stoffen vervoerde en er gevaar zou zijn voor een ontploffing. De meeste mensen kunnen terecht bij familie of vrienden; wie nergens heen kan wordt opgevangen in een sporthal. Wie kunnen nergens heen? Wat buren kunnen nergens heen. En Willy en Romain kunnen nergens heen. In verveling, in afwachting, ontvouwt zich langzaamaan hun verhaal.

Willy is de stille. Hij ontdekte zijn homosexualiteit pas op latere leeftijd, toen hij al getrouwd was met Jeanine Bartholomeussen, een huwelijk waaruit twee zoons, Victor en Marcel, zijn voortgekomen. Romains moeder overleed toen hij twaalf was waarop zijn vader hem prompt naar een pensionaat stuurde. Daar, dag en nacht tussen niks dan jongens, ontdekte hij in de puberteit haast “vanzelf” de “geneugten” van de mannenliefde. Als ze al wat ouder zijn, komen Willy en Romain elkaar onder bijzondere omstandigheden tegen en een hevige liefde ontvlamt. Maar diezelfde liefde tussen de is op het moment van de “ramp”, die de hedenlijn van het boek vormt, echter alweer behoorlijk aan slijtage onderhevig. Er speelt van alles, waar de lezer slechts stukje bij beetje achter komt. Tragiek zoals je dat kent van de gemiddelde dramaserie op televisie.

Waar het boek langs de andere kant juist weer een wat kluchtig karakter heeft. De tegenstelling tussen de twee mannen -Romain de jolige, sociale, praatgrage marktkoopman en Willy de brommerige, teruggetrokken, onbenaderbare eenling- is een tikje te absoluut, archetypen die eerder geschikt lijken voor een sitcom.

De spaarzame informatieverstrekking, het tot bijna absurd nivo opgeschroefde drama, de al te gemakkelijk gezochte lach – je zou peinzen dat dit weeral een Van Dievel ging zijn die ik aanvankelijk met graagte (dat prachtige Vlaams blijft mij toch telkenmale verrukken!) las, daarna met meer tegenzin, om er uiteindelijk misschien zelfs in vast te geraken of er toch minstens -als bij Madeleine- een vieze nasmaak aan over te houden.

Maar neen.

Neen?

Nee. Toch niet.

Van Dievel heeft wijs gedaan aan korte hoofdstukken, die het verleden en het heden van beide mannen afwisselen en daarenboven doorsneden worden met nieuwsberichten over de ontsporing (de verslaggever van VTM is ene Louis van Dievel!) (sja, hij is nog echt journalist bij VTM geweest ook). Dit houdt de verveling op afstand.

De verveling op afstand? Hoor je zelf nou wel wat je zegt? Alsof dat het hoogst haalbare is in literatuur: dat een boek in elk geval niet gaat vervelen!

Goed punt. Er was meer denk ik. Er moet meer geweest zijn.

Misschien dat landerige, dat hangerige, dat zitten in die sporthal en niks weten.
Misschien dat horkerige van autoriteiten die, als altijd, zonder compassie zijn. Elke anti-autoriteitshouding is sowieso altijd goed.
Of de paniekcultuur? Daar lijkt Van Dievel me eigenlijk te gezagsgetrouw voor (gezien de propagandistische toon die Madeleine aansloeg). Bovendien. Willy & Romain speelt zich af in 1990, de angstporno (zoals Patrick van Rhijn dat zo treffend noemt) heerste toen nog niet zo hevig als nu, de kans dat Van Dievel met deze roman commentaar heeft willen geven op de hysterische manier waarop overheden omgaan met (ir)reële gevaren lijkt me nihil.

Maar wel de ellende die mensen elkaar (ongewild) aan doen.
De intolerantie, de vijandschap, ja de agressie zelfs die de mannen ondervinden door uit te komen voor hun homosexuele gevoelens.
Hoe relaties altijd vroeger of later verzuren, hoe gepassioneerd het begin ook geweest mag zijn.
De treurnis van mensen in een sporthal; mensen die klaarblijkelijk niemand hebben bij wie ze enkele dagen zouden mogen logeren.
De gesprekken (“Gaat ge mee een toer wandelen, Willy? We zijn her hier zo beu als koude pap. Het stinkt hier.”) vol woorden als “goesting”, “onnozelaar”, “gijlie”, “plezant”).
De doodgewoonste tragiek van in leven te zijn. Mijn vaderhart bloedde bij de scene waarin de zonen van de inmiddels van hun moeder gescheiden Willy een weekendje bij hem komen logeren om hun vader te leren kennen, en omdat Jeanine inmiddels in zwaar weer terecht gekomen is. De jongens willen niks weten van die “enge homo”, sluiten zich op in de logeerkamer, smeken hun oma hen te komen halen. Maar later, verder, dieper in de roman, bedenkt Willy zich dat hij zich misschien te weinig moeite heeft getroost om met zijn zoons in contact te komen en te blijven, hij had brieven kunnen sturen, of verjaardags- of nieuwjaarskaarten, hij heeft in het begin wel dingen geprobeerd maar gaf het toch vrij snel op. Dan weer een bloedend hart, dit keer niet als vader maar als zoon want in die laatste hoedanigheid weet ik hoe erg het steekt, en hoe diep en hoe blijvend de verwondingen zijn als een vader geen pogingen onderneemt om zijn zoon te spreken te krijgen, zelfs wanneer het die zoon zelf was die de afstand heeft gezocht.

De herkenbaarheid dan?
Nee natuurlijk niet. Herkenbaarheid kan me de bout hachelen. Noem het liever navoelbare pijn.

Elementen. Laten we het houden op elementen. Willy & Romain bevat genoeg elementen om de lezer geïnteresseerd te houden. Geen roman van wereldklasse. Niet een boek dat je je nog lang zal heugen. Maar gewoon. Een vermakelijk boek. Om de verveling van de feestdagen mee stuk te slaan, was ik van plan te gaan zeggen. Maar mijn laptop ging stuk en de tijd tikte verder en nu komt mijn aanbeveling te laat. Maar wees gerust. Het leven is het leven dat het leven is en dus komen er vast nog wel wat dagen vol verveling. Wie gevoelig is daarvoor, kan Willy & Romain vandaag nog aanschaffen.

Louis Van Dievel Willy & Romain

Willy & Romain

  • Auteur: Louis Van Dievel (België)
  • Soort boek: Vlaamse roman
  • Uitgever: Manteau
  • Verschijnt: 9 september 2025
  • Omvang: 176 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 24,99
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de Louis Van Dievel roman

In september 1990 ontspoort de laatste wagon van een goederentrein in Sint-Mariaburg bij Antwerpen. De hele buurt wordt geëvacueerd, want de gevaarlijke lading kan ieder moment ontploffen. Onder de circa vierhonderd mensen die hun huis moeten verlaten, bevinden zich Willy en Romain, een homokoppel dat vlak bij de plaats van de ramp woont. Het gaat niet goed tussen de twee mannen. Er is een drama in de maak. De treinramp gooit alle plannen overhoop. Wanneer ze de volgende namiddag weer naar huis mogen, zijn ze allebei vastbesloten. Vastbesloten waartoe?

Willy & Romain is tegelijk het coming-of-ageverhaal van twee homomannen – de ene uit de Antwerpse polder, de andere uit Olen Fabriek – en een portret van de Antwerpse gayscene van de jaren tachtig, de periode waarin aids vele tientallen levens wegmaaide.

Louis van Dievel is geboren op 24 april 1953 in Mechelen, België. Hij is journalist en romanschrijver. Inmiddels heeft hij zo’n twintig romans en andere boeken geschreven.

Bijpassende boeken

Aya Koda – Stromen

Aya Koda Stromen recensie en informatie over de inhoud van de roman uit 1955 van de Japanse schrijfster. Op 4 september 2025 verschijnt bij Uitgeverij Atlas Contact de Nederlandse vertaling van 流れる/ Nagareru, de roman van Aya Koda, de uit Japan afkomstige schrijfster. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Aya Koda Stromen recensie

  • “Stromen geeft een realistisch beeld van het harde leven dat geisha’s leiden. Samen met de briljante bundel Bomen geeft het de Nederlandse lezer voor het eerst de gelegenheid kennis te maken met de schrijfster die in eigen land hoog wordt gewaardeerd, maar in het buitenland vrijwel onbekend is.” (Jaques Westerhoven, vertaler)

Recensie van Tim Donker

We gingen naar Zaltbommel om de brug te zien of we gingen niet of elders of we bleven thuis en keken toe hoe de verf droogde.

Of de eerste dag op je nieuwe werk, kan ook.

Stromen heet een wereldprimeur omdat het voor het eerst is dat dit boek in vertaling buiten Japan verschijnt. Er zijn mensen, verbazend veel mensen nog eigenlijk, die zich gefascineerd weten door de Japanse cultuur, en er dingen over weten. Dingen die ik niet weet, ondanks dat ik in mijn jeugd op judo zat en er een paar jaar lang nog vrij fanatiek in was ook. De mensen die het weten, de dingen die ik niet weet, zouden er misschien niet van op kijken of zouden het weten plaatsen in breder perspectief maar Stromen is een roman waarin ogenschijnlijk vrijwel niks gebeurt. Het vertelt het verhaal van een zekere Rika. Ooit was er een man, ooit was er een kind, maar nu is Rika alleen. Het kind is dood, de man waarschijnlijk ook, de lezer krijgt nooit te weten wat er precies gebeurd is, misschien is dat typisch Japans, om heftige gebeurtenissen niets of nauwelijks nader te duiden, hierover later misschien meer. Om in haar levensonderhoud te voorzien gaat Rika werken in een geishahuis. Ze weet als burger niks van de geishawereld (klaarblijkelijk zijn die werelden strikt van elkaar gescheiden), en loopt de langste tijd dan ook als over eieren. Het geishahuis heeft zijn beste tijd gehad, het verval is ingetreden, er zijn financiële problemen en er spelen conflicten, en Rika bevindt zich veelal middenin zaken waarvan ze weinig weet en waarin ze geen stelling durft te nemen. Dit is de situatie op de eerste bladzijde van het boek en zo blijft het tot bijna op het eind. Je zou kunnen zeggen dat de lezer driehonderd bladzijden lang gevangen zit in een status quo, en dan zou je niet eens schromelijk overdrijven. Het boek is ook niet bijzonder opmerkelijk of poëtisch geschreven, de stijl heet “verfijnd” te zijn, je kunt dat ook verstild noemen, of -op punten dan- erg gedetailleerd: Kōda kan menig een bladzijde doorgaan met een passage die andere (westerse?) schrijvers allicht in een paragraaf op papier hadden gekregen. Toch las ik dit boek vrijwel in één adem uit, overdrachtelijk dan, want feitelijk deed ik er bijna een week over maar gedurende die week was het wel het enige boek waar ik in las, dat ik steeds opnieuw weer ter hand nam, met een vreemde mengeling van lichte tegenzin, warmte, verbijstering en een grote sympathie voor de hoofdfiguur. Hoe? Een niet opmerkelijk geschreven boek, spelend in een cultuur waar ik me niet bijzonder door aangetrokken voel, met weinig wendingen, veel gekabbel en soms, ja, een weinig naar het saaie neigend. Hoe kan zoiets me toch zo in de ban houden?

Vraag ik me af.
In een poging mijzelf van een antwoord te voorzien (u mag ook wel iets voor uzelf gaan doen ondertussen hoor):

Dan hou ik Kōda’s eigen beeldspraak vast en denk ik aan stromen denk ik aan water aan een brug over een rivier aan zitten aan de waterkant en kijken hoe het water stroomt. Kontemplatief. Welhaast hypnotisch. Het stroomt het is steeds hetzelfde het is in beweging het is steeds anders want het is ander water je kunt geen twee keer in dezelfde rivier stappen zeiden de wijzen ooit welke wijzen weet ik veel je kent het wel. Het is, ik ga het woord laten vallen mensen, hoed u, het woord gaat vallen, hier komt het, hier valt het: het is, ja, “onthaastend” om te lezen in een boek waarin weinig actie is, geen spektakel, een boek zonder sex een boek zonder doem een boek zonder liefde een boek zonder smachten hunkeren huilen vrezen, een boek van stilte, een boek vanaf de zijlijn want zo de genoemde emoties al voorkomen, is het bij waarneming: Rika is vooral observator, ze kijkt, en probeert te duiden, te analyseren, het is vooral gissen, en misschien komt dit ook wel akelig dicht bij de aldag want niet zelden zijn we uiteindelijk buitenstaander ook in wat onszelf overkomt, er was iemand, er was iets, en toen was het allemaal weer weg, en wat is er nu eigenlijk gebeurd? Je weet het niet.

Verdermeer. Stromen is toch eigenlijk wel een meesterlijke beschrijving van nieuw zijn op een arbeidsplek. Misschien geldt dit voor westerlingen nog harder omdat het “hier” niet per se evident is om veel, of zelfs maar iets, te weten van de geishawereld, dus we voelen met Rika mee in haar pogingen enige grip te krijgen op de dingen die ze ziet gebeuren. Bezijden, iedereen kent dat toch? Je ging op je fiets want je moest nog, heeldurweg naar ergens waar je niet eerder was, een nieuwe baan, je eerste werkdag, je kent de collega’s nog niet, je kent hun onderlinge dynamiek niet, je kent het heersende taaleigen niet, je weet de vaste grapjes nog niet, je weet niet waar de koffie staat, je voelt je altijd een lul want je moet bij alles hulp vragen. Rika weet niet goed wat ze moet doen als ze geld op de grond vindt. Is het een test? Aan wie moet ze het afgeven? Er zijn conflicten, mensen proberen haar uit te horen, wat weet ze, wat mag ze laten merken, wat niet, hoe kan ze diplomatiek te werk gaan? Het is een voorzichtig stappen, het is een in het duister tasten. En de lezer stapt en tast met Rika mee.

Of. Stromen vergruizelde een vooroordeel. Ik dacht inderdaad, en dat is iets dat vertaler Jacques Westerhoven almeteens met klem wenst te ontkennen in zijn “opmerkingen vooraf”, dat geisha’s een soort prostituees waren. Misschien niet echt van het soort dat zich laat betalen voor sex. Maar toch wel voor erotiese handelingen als een sensuele massage ofzo, of een intiem sponsbad. Of. Animeermeisjes, toch. Ja maar. Van een wat intelligenter soort dan. Zo blijkt. Er komt muziek bij kijken, en dans, het gaat om kleinkunst-achtige solovoorstellingen voor de klant. Al kant het soms toch wel de erotiese kant op gaan, en is er bij sommige van de geisha’s in dit boek sprake van een “patroon”, en dat deed me dan wel weer een beetje denken aan een pooier. Dus misschien geen vergruizeld vooroordeel maar een nogal ruim verbouwd vooroordeel en elk boek dat je vooroordelen verbouwd is op minstens één punt een goed boek.

Of wat. Ten laatste misschien. Is het Kōda is of is het Japan of is het dit boek. Maar het onthutste me hoe er enerzijds als gezegd erg veel woorden vuil gemaakt werden aan wat details lijken te zijn: het wel en wee van de kat, of van een aan het begin van het boek nog aanwezig, ziekelijk, stervend hondje (wat misschien iets zegt over de bewoners van het geishahuis maar waaraan als de hond dood is bijna niet meer aan gerefereerd wordt); het bereiden van eten; de haardracht, make-up en kledij van de geisha’s; de achtergrond van bepaalde emoties (“Verwijten en emoties zijn als ingelegde groente: hoe langer je ze laat liggen, hoe pittiger de smaak” heet het ergens instructief, en die vond ik dan wel weer mooi) waar andere, naar mijn mening veel heftigere, punten alleen maar lichtjes aangestipt worden. Wat er met de man en het kind van Rika is gebeurd. Of een episode waarin Rika tamelijk ziek wordt en tijdelijk van het geishahuis naar een nicht verhuisd waar ze niet erg welkom is, er is ziekte, frictie, er zijn verstoorde familiebanden, dat in zichzelf had in handen van een andere schrijver allicht een hele roman op kunnen leveren maar Kōda acht het maar een paar bladzijden waard. Waar het slepende conflict tussen de eigenaresse van het geishahuis en de oom van een voormalig medewerker steeds maar weer terug blijft komen; een conflict waar de langste tijd weinig voortgang in zit zodat het op enig moment toch een heel klein beetje op mijn zenuwen begon te werken om die oom voor de zoveelste keer weer het verhaal in te zien stappen. Of neem een zin als: “Tsutaji veegde op burgerachtige wijze haar ogen af met een opengewerkt zakdoekje van buitenlands fabricaat.”, wat maak jij van zo’n zin? Je zou er een essay over kunnen schrijven, toch?, alleen maar over die ene zin. Wat is het burgerachtige: het vegen, dat het zakdoekje opengewerkt is of dat het van een buitenlands fabricaat is? Is het een goed of een slecht ding om je ogen op burgerachtige wijze af te vegen, ik krijg, dit boek lezende, langzamerhand de idee dat “burgerachtig” een beetje gelijk staat aan “lomp”; dat een geisha verhevener hoort te zijn dan dat, dan een burger is. Kan een burger ooit een geisha worden, of is het één van die dingen die je niet “wordt” maar “bent”?

Zo kabbelt het, en zo brengt de kabbeling je soms in beroering.

Je kijkt naar de stromen, soms zie je er iets in dat je meeneemt op je wandeling. Stromen is een roman om in mee te dobberen. Het zal je wereld niet schokken en het levert vermoedelijk ook weinig op dat je lang, laat staan een leven, zal bijblijven. Maar voor driehonderd bladzijden lang is het een aangenaam dobberen, en dat zuivert. Eventjes toch.

Aya Koda Stromen

Stromen

  • Auteur: Aya Kōda (Japan)
  • Soort boek: Japanse roman
  • Origineel: 流れる/ Nagareru (1955)
  • Nederlandse vertaling: Jacques Westerhoven
  • Uitgever: Atlas Contact
  • Verschijnt: 4 september 2025
  • Omvang: 302 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook / luisterboek
  • Prijs: € 24.99 / € 15,99 / € 19,99
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de roman van de Japanse schrijfster Aya Koda

Japanse klassieker van de jaren vijftig, nu voor het eerst vertaald. Door de ogen van de bediende van een geishahuis krijgen we een zeldzaam inkijkje in het leven van vrouwen in het naoorlogse Japan.

Om niet van de honger om te komen nadat ze haar man en kind heeft verloren, besluit Rika dienst te nemen als huishoudster in een vervallen geishahuis in Tokio in de jaren vijftig. Als laagste bediende wordt ze te pas en te onpas om boodschappen of de verdwaalde huiskat gestuurd; de eigenares verlangt regelmatig een arbeidsintensief warm bad. Algauw blijkt dat het wanordelijke huis in financiële moeilijkheden verkeert, niet het minst omdat de geisha’s voortdurend opzeggen. De schrandere Rika maakt zich gaandeweg onmisbaar en wordt aangesteld als manager, in de hoop dat iemand van buitenaf het in verval geraakte geishahuis nieuw leven zal inblazen. Al doende verbreekt ze de banden met haar vorige leven, en ontwikkelt ze zich tot een onafhankelijke vrouw.

Aya Koda Bomen recensieAya Kōda (Japan) – Bomen
essays
Uitgever: Atlas Contact
Verschijnt: 4 september 2025

Aya Kōda is op 1 september 1904 geboren in Terajima, Tokio, Japan. Ze was een gerespecteerde Japanse schrijfster, die bekendstond om haar beeldende observaties en verfijnde stijl. Haar autobiografische roman Stromen uit 1955 groeide in Japan uit tot een absolute klassieker, met inmiddels de 76e druk. Stromen en haar essaybundel  Bomen verschijnen tegelijkertijd begin augustus 2025. Op 31 oktober 1990 in Tokio en was 86 jaar oud.

Bijpassende boeken en informatie

Roderik Six – In het wit

Roderik Six In het wit recensie en informatie over de inhoud van de roman van de Vlaamse schrijver en literair journalist. Op 4 september 2025 verschijnt bij Uitgeverij Prometheus de nieuwe roman van Roderik Six, de uit België afkomstige schrijver. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Roderik Six In het wit recensies

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van In het wit, de roman van Roderik Six, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “Stilistisch loepzuiver, filmisch en suggestief, zelfs van een onwereldse poëzie. Een exotische droom als dystopie.” (Stefan Hertmans over de roman Volt)
  • “Harde, goede, ingekookte taal, zwart als gestolde olie. Monster is een prachtig bittere en pijnlijk consequente novelle over verlies, rouw en liefde.” (Ilja Leonard Pfeijffer)

Recensie van Tim Donker

En dan, op vol volume: Aluk Todolo, en misschien harder nog dan vol volume, als dat kan, want het moet door alle luchtlagen heen bonken vandaag, deze dag, nu er ligt, dit boek, In het wit van Roderik Six, een roman, naar hij meent, maar waar liggen die grenzen eigenlijk?, en wie bepaalt wat?, dit boek is er weer zo een, denkt hij, denkt het besprekerken, er moet iets losgeschud omdat dit het geval is, omdat wat hij net gelezen heeft er weer zo een is, en hij peinst dat Dregke dat allemaal niet kan waarderen, maar is Dregke nog ergens, soms maakt het t besprekerken een beetje verdrietig niet te weten of Dregke nog ergens is, ook al een van die dingen die knagen, wat knaagt en neerbraak, het is aan Aluk Tolodo om dingen die knagen los te schudden, of om geluiden te overstemmen, kan ook, want hij weet nog wel, dagen bij de houtkachel, en verrek, warmte zou ook een sentraal begrip kunnen zijn in dit hier In het wit, en dan vooral vanwege de kou. Want het begint met sneeuw, en dat is al het eerste punt, dat het begint met sneeuw, maar dat later misschien, of nee dat nu. In de sneeuw rijdt een harmonicabus. In de harmonicabus zit M. Ja, eenvoudigweg M., ook daarover denkt het besprekerken zo hij zijne, maar dat komt wel pas later. M. is letterkundige en gepromoveerd op de invloed die het weer heeft gehad op de grote werken uit de wereldliteratuur. Gezocht, u zegt? Wel zet u dan maar schrap want Six sleept er wel meer aan de haren bij. M. liet zich inspireren door een stelregel van thrillerschrijver Elmore Leonard. Daar had het besprekerken nog nooit van gehoord, moest hij tot zijn schaamte toegeven, niet per se onbekende films als Get shorty en Jackie Brown zijn gebaseerd op boeken van Leonard, al heette die laatste in de boekversie dan Rum punch. De regel waardoor M. zich uitgedaagd voelde was Begin nooit een boek met een beschrijving van het weer, en hoewel t besprekerken gloeiend het land heeft aan welke stelregel dan ook (gedurende zijn opleiding maakte t besprekerken -die toen nog geen besprekerken was maar een zotteken dat ervan droomde ooit een dichterken te zijn- er een sport van om alle regels van alle docenten met voeten te treden en toch, naar zijn eigen stelligste overtuiging dan, sterk werk in te leveren), moet hij niettemin, een weinig schoorvoetend (daar staat hij te schoren met die voeten van hem), toegeven dat hij niet gauw iets bedenken kan dat afgezaagder is aan het begin van een roman dan een beschrijving van het weer. Maar Six doet het hier, zo neemt t besprekerken aan toch, om de draak te steken met het gebod van Leonard, en bij extrapolatie misschien wel met alle geboden in welke kunstvorm dan ook, en dat kan t besprekerken dan wel weer waarderen. De sneeuw in In het wit als stijlmiddel, thema, motief en, vreest t besprekerken, metafoor, de roman bijt zichzelve in de eerste bladzijden al in de staart, metafiksie, dus voor nu is het goed, toch, M. in de bus onderweg naar haar in een zorginstelling wonende, dementerende vader, de sneeuw die de witheid in het hoofd van een alzheimerpatiënt symboliseert, waar kennen we dat van?, verwijst Six alleen maar naar Hersenschimmen of pasticheert hij misschien ook deze, naar de bescheiden mening van t besprekerken wat overgewaardeerde, roman van Bernlef? t Besprekerken weet t niet, en hij weet wel meer niet. Mogelijkerwijs speelt Six geregeld met de voeten van zijn lezers. Het zou kunnen dat het kan maar het zou ook kunnen dat het niet kan. De bombast. In beeld: de bus in de sneeuw. Maar ook in woord: “De confituur smaakte naar nazomer”; “De boterige klomp werkelijkheid karnde door haar maag”; “Het majestueuze zeedier […] kliefde zorgeloos door het helblauwe water”; “Er prijken ijsbloemen op het dunne keukenraam. Pasgeboren sterren zijn het, uit het nachtgewelf geduwd wegens niet levensvatbaar, om dan, na een eeuwenlange reis door het heelal, langs gasnevels en op het nippertje ontsnapt aan zwarte gaten, te pletter te storten op dit enkelglas. Hier zullen ze hun laatste uren slijten. Op gestold zand, hun kristallen tentakels uitgestrekt – en straks, wanneer de fluitketel stoom aflaat en het gasvuur onder de pan pruttelt, zullen ze afdruipen.”; hoe zwaar wil je het hebben?, maar van de overdaad kon je al een vermoeden hebben als je het sietaat op het achterplat had gelezen: “Sneeuwen zou geen werkwoord mogen zijn. Al dat gedwarrel, die speelse kristallen die meer zweven dan vallen, het heeft niets met werk te maken. Het woord mist daadkracht en gewicht, het mist sleur. Sneeuwen – het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt.” jajaja, al is het in werkelijkheid, in het boek, wel iets mojer: “Sneeuwen zou geen werkwoord mogen zijn, dacht M., net voor ze met een harde schok in haar zitting werd gedrukt. De bus, een harmonica op wielen en diesel, slipte en zwenkte en de chauffeur trok het voertuig weer vloekend recht, de dood nog maar eens een halte afgewend. Al dat gedwarrel, die speelse kristallen die meer zweven dan vallen, het heeft niets met labeur te maken. Het verbum mist daadkracht en gewicht, het mist sleur. Sneeuwen – het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt.”, goed t besprekerken moet toegeven dat labeur mojer is dan werk en misschien is verbum ook wel mojer dan woord (en waarom is dit fragment eigenlijk gekozen voor het achterplat als het klaarblijkelijk woorden bevat waarvan de wijze achterplatmakers menen dat het potentiële lezers zou kunnen afschrikken? en Six wil overduidelijk alle taalregisters openen dus waarom zijn belangrijkste instrument tot nietszeggendheid gestemd? en waarom is Six daar eigenlijk mee akkoord gegaan? hij koos de woorden verbum en labeur toch ook niet voor niets zo peinst t besprekerken?), maar dan toch weer die dood die pas een halte later mag komen, de busrit in de sneeuw naar een vader die sterven gaat beschrijven als het Leven Zelve, is er een reden, Six, voor al deze vetheid? Al deze moddervette vetheid? Die schaamteloos is, en daarom ook wel weer te prijzen. Maar dan. Maar ook. Maar verder. Want M. zit lang in de bus, even dacht t besprekerken (iets wat hij overigens bijzonder sterk had gevonden), dat ze gans het boek entlang in de bus zou zitten. Ze zit en kijkt en hoort en denkt, altijd dankbaar voor een schrijver, het openbaar vervoer: voorbijschuivend landschap, instappende passagiers, opgevangen gesprekken en hoe alles bij je hoofdpersoon herinneringen en gedachten kan aanjagen. Medepassagiers voor deze M., en wat moet je van haar denken eigenlijk?, kijken op hun telefoon “een oude serie” “over zes witte vrienden die hun dagen spendeerden in een koffieshop en om de haverklap in grappige misverstanden verzeilden. Niemand hoefde er ooit te werken, ook al woonden ze in New York, in appartementen zo groot als balzalen. Een van hen, de zweverige blondine, kwam zelfs rond als straatmuzikante.”, en dat is tegen het zere been van t besprerken al is het dan een been uit het verleden, noem het een fantoombeen. Het is uit de tijd dat t besprekerken nog geen vader was, de dagen en de tijden waren anders toen, t besprerken besprak voornamelijk muziek en had nog wat van de ambities uit zijn studententijd behouden; hij zou ook best een dichterken willen zijn, of een schrijverken allicht, hij zat hoe dan ook hele avonden te schrijven: proza, poëzie, recensies, beschouwelijk werk, hij schreef de avond weg en de kamer leeg, hij schreef tot de klok het middernachtelijk uur gepasseerd was. Het volgende deed zich voor: als hij zijn pen neerlegde en direkt zijn bed op zocht, bleef de slaap lang uit. Dan lag hij nog lang te malen over een beschrijving die misschien wat puntiger kon, een formulering die een beetje mankte, en had hij de naam van de zanger op die seedee die hij eerder die avond besproken had eigenlijk wel goed gespeld? Dan ging hij weer bed uit, schoot in het donker wat aan (t-shirt niet zelden achterstevoren en binnenstebuiten), dan zocht hij zijn papieren weer op, klapte de laptop weer open, zat daar weer te lang, was de volgende dag geen sent meer waard. Zaak was het om het hoofd leeg te maken en dan pas naar bed te gaan. Maar hoe maak je het hoofd leeg? Met de geest niet al te zeer okkuperende dommigheden. En waar vind je dommigheden bij uitstek? Op televisie. Na het schrijven televisiekijken, dan naar bed. Wat gekeken was nog niet heel eenvoudig, het moesten geen films zijn, die duurden te lang en waren te voorspelbaar en stelden het geduld van t besprekerken te zeer op de proef; het moesten ook geen praatprogramma’s zijn vanwege de ergeniswekkende flauwekul die daar net iets te vaak gedebiteerd werd; het moest niks zijn waar een vervolg in zat; gewoon iets stompzinnigs dat je eenmalig kon zien en waarvan je ook net zo goed al eens een aflevering van kon missen, want het waren de dagen voor de smart-tv en van terugkijken of van internet op de televisie was geen sprake, er werden dingen uitgezonden en daar kon je naar kijken en als je het gemist had was het weg. Zodoende geraakte t besprekerken gehaakt aan sitcoms. Dat is de grote zwakte van t besprerken: als iets bij hem eenmaal gewoonte is geworden, geraakt hij er bijna niet meer van af. Na zijn avondlange schrijfsessies zag t besprekerken sitcoms, want die werden vaak in de late uren, aan het eind van de programmering, nog eens herhaald. De serie waar M. hier op doelt zag t besprekerken ook. De hele serie. En het is eenvoudigweg niet waar dat niemand er hoefde te werken. Iedereen werkte. Eentje was akteur, al had hij zelden een klus; zijn geldproblemen waren dan ook regelmatig onderwerp van gesprek en katalysator van ontwikkelingen. Dan was er een chef-kok, een paleontoloog die eerst in een museum werkte en later als hoogleraar aan een universiteit, een data-analist, een hoofd inkoper bij een gerenommeerd modehuis. De “zweverige blondine” kwam helemaal niet rond als straatmuzikant; zij was masseuse. Daarnaast trad ze ook op met haar muziek ja, maar niet op straat maar in diezelfde koffieshop waar ze volgens M. hun dagen spendeerden. Voor zo’n simplistische, voornamelijk op goedkoop divertissement gerichte, sitcom waren er ook nog verrassend vaak scenes die zich afspeelden op de respectievelijke werkplekken van de “zes witte vrienden” (is er een reden om te specificeren dat die mensen wit waren?), en gingen hun gesprekken, bijvoorbeeld die in die koffieshop, ook vrij vaak over (problemen op het) werk. En dan waren ook lang niet al hun appartementen zo groot als balzalen en van het grootste appartement werd ook nog regelmatig verklaard waarom de huur ervan zo betaalbaar was. Maar afgezien daarvan, is het een beetje flauw om dit soort series af te rekenen op hun waarschijnlijkheidsgehalte; sitcoms jagen geen realisme na maar zijn gericht op de lach: elke paar minuten moet er gelachen worden en sja, zo vaak geeft de doodgewone aldag toch ook niet te lachen? Trouwens, ook serieuzer werk kan op zulke overwegingen stuk gaan – in menig boek is het evenmin duidelijk hoe de hoofdrolspelers de levensstijl kunnen onderhouden die ze hebben. Maar t besprekerken zou dit nooit naar voren hebben gebracht, hij wil niet per se te boek komen te staan als kenner van Amerikaanse comedyseries, als hij Six niet vaker had kunnen betrappen op slordigheden. Waarom moet M. zich badinerend uitlaten over een sitcom van decennia terug; waarom schreef Six de Friends kijkende passagiers de bus in? Om flauwiteiten erop los te kunnen laten?, om hoogbrauw te kunnen doen over laagbrauwcultuur? Moet het iets over Six zeggen, hee mensen kijk mij eens aantonen hoe slecht een of andere Amerikaanse serie uit tempo doeloe in elkaar zit?, of moet het iets over M. zeggen (een lichtelijk pretentieus personage is ze wel)? Maar verderop is er ook al sprake van “grijze materie” als het over hersenen gaat, niet alleen een kliesjee van jewelste maar ook diskutabel – is hersenweefsel van een levend brein niet doorbloed en dus roze? (toen t besprekerken nog een puberend scholierken was, haatte hij het altijd al zo erg als leraren zeiden dat je de “grijze materie” moest “laten werken”) En in een andere verhaallijn laat Six iemand nadenken over “eskimo’s” die “hun hele leven lang” in “een hut van ijs” verblijven; is dat wel waar?; bewonen Inuit (ja) hun “hut van ijs” niet slechts tijdelijk, bijvoorbeeld tijdens het jachtseizoen?

Dit is er weer zo een, denkt t besprekerken. Hij weet weer niet goed wat hij er van denken moet. Want ondanks alle slordigheden, ondanks de hoogdravendheid, ondanks de bij vlagen zeer gezwollen taal, blijft hij wel lezen.

Hij wil weten. Hij wil weten van M., en van haar vader. Van de jeugd, van het samen dat ooit was. M., die verderop Emma blijkt te heten, wat vaak afgekort werd tot Em of zelfs eenvoudigweg M., dus in tegenstelling tot wat t besprekerken dacht geen verwijzing naar de M. uit het gedicht van Jules Deelder (die, als hij het zich goed herinnert, van achthoog naar beneden sprong en onder zich de auto’s zag en nog één keer aan zijn Dinkey Toys dacht) (maar t besprekerken kan zich vergissen, het is vermoedelijk zo’n dertig jaar geleden dat hij dat gedicht voor het laatst onder ogen kreeg) (al speelt zelfmoord wel een rol in In het wit) (maar nu verraadt t besprekerken misschien al te veel), werd voornamelijk opgevoed door haar vader; haar moeder Iris overleed toen M. nog jong was, ze herinnert zich nauwelijks nog iets van haar moeder. En dan, in een volgend deel, wordt de hoofdrol vervuld door iemand die Iris heet en die is getrouwd met iemand die Ronald heet, wat ook de naam is van M.’s vader. Hier, zo denkt de lezer, zo dacht t besprekerken alleszins, gaat opgehelderd worden hoe dat nou zit met die moeder die M. zich niet meer herinnert; hier zitten we in Iris’ hoofd. Maar alsnog blijft veel in het vage. Gaat Iris dood op het eind? Heeft Iris zich wel goed kunnen vinden in haar moederschap? Bevraagt Six de relaties die ontstaan uit huwelijk en nageslacht: ineens ben je iemands zoon of dochter, ineens ben je iemands vader of moeder, relaties die zonder precedent zijn; vriendschap kun je leren – een vriendschap kan kapot gaan en dan weet je de volgende keer misschien beter waar je op moet letten. Maar vader, moeder, zoon, dochter – dat gaat niet meer weg. t Besprekerken voelt zich als vader helemaal op zijn plek; niets is hij ooit méér geweest dan vader; geen enkele rol is ooit zo totaal aanwezig geweest in zijn leven maar hoe moet gruwelijk moet het zijn als het ouderschap je geen, of onvoldoende, vreugde schenkt? Is dat dan leven?

Ja dat is dan leven.

En leven heeft de eigenschap altijd maar door te gaan tot het er niet meer is. Wanneer de M.-lijn hervat wordt, lijkt zij inmiddels zelf ook dement. De dingen verliezen langzaamaan hun naam. En “[z]onder naam zijn dingen gewoon maar massa”; hoe waar is dat! Neem iets waar waarvan je geen verstand hebt, machineonderdelen ofzo, en je ziet gewoon maar dingen. Of. Je komt aan, vooruit, met de trein, op een plek waar je nog nooit geweest bent – je ziet het doorheen onbeschreven ogen. Wanneer je er al een paar dagen bent, zie je de dingen anders, je kent hun onderlinge relaties, de afstanden van het een tot het ander, je weet er al een beetje je weg, je ogen zijn niet langer onbeschreven; het heeft t besprekerken op vakantie wel eens gespeten hoe snel zijn onbekendheid met die nieuwe omgeving teloor ging.

Lezend doorheen de slordigheden, de soms te dik aangezette poëzie, de kliesjees, de dingen waarvan je niet weet met welk doel Six ze inzette blijft van In het wit een muzikale en sfeervolle roman over die enkele wezenlijke levensvragen aan de orde stelt. In welke mate hebben we ons leven in eigen hand? Wat laten we teloor gaan, wat laten we vervluchtigen voor we er goed en wel grip op kregen? We kiezen onze geboorte niet, kunnen we ons einde wel zelf kiezen? t Besprekerken moest herhaaldelijk denken aan de euthanasieroman die Joost Oomen niet al te lang geleden schreef. En daartussen? Wanneer kunnen we nog weglopen, wanneer kunnen we nog terug. Wie zei je ooit dat je deze weg moest gaan? En nu loop je er, en wil je het wel, wil je het lopen wel, wil je deze weg wel.

Uiteindelijk geraakte t besprekerken in een filosofische stemming door dit bedachtzame en verstilde boek. En een schrijver die je met zijn boek het gevoel kan geven dat je normaal hebt na het beluisteren van een seedee van Dirty Three vergeef je natuurlijk ruiterlijk al zijn maniërismen.

Roderik Six In het wit

In het wit

  • Auteur: Roderik Six (België)
  • Soort boek: Vlaamse roman
  • Uitgever: Prometheus
  • Verschijnt: 4 september 2025
  • Omvang: 168 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 18,99 / € 10,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de nieuwe Roderik Six roman

“Sneeuwen zou geen werkwoord mogen zijn. Al dat gedwarrel, die speelse kristallen die meer zweven dan vallen, het heeft niets met werk te maken. Het woord mist daadkracht en gewicht, het mist sleur.
Sneeuwen – het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt.”

Een vrouw reist door een sneeuwlandschap. Ze is op weg naar de buitenwijk waar haar vader woont. In zijn hoofd sneeuwt het al lang. Terwijl de vlokken rond haar neerdwarrelen, moet ze een hartverscheurende beslissing nemen.

Een moeder staart door een keukenraam. Buiten speelt een kind in de sneeuw. Was dit de droom – een huis in het dorp, een dochter, een man? Is dit nu leven?

In de nieuwe, ontroerende roman In het wit van Roderik Six worstelen jonge vrouwen met oeroude dilemma’s. Met stilistisch vernuft schetst Six een teder portret van mensen op het kruispunt van leven en dood. In het wit is een intieme roman over maatschappelijke thema’s als dementie en moederschap.

Roderik Six is in 1979 geboren in Ieper en groeide op in het in het West-Vlaamse Woesten. Hij is literair journalist bij het weekblad Knack. Met zijn debuut Vloed won hij prompt De Bronzen Uil. Zijn tweede roman Val werd bekroond met de driejaarlijkse Prijs voor de Letteren van de provincie West-Vlaanderen. Roderik Six woont en werkt in Gent.

Bijpassende boeken

Rhian Elizabeth – maybe i’ll call gillian anderson

Rhian Elizabeth maybe i’ll call gillian anderson review, recensie en informatie boek met gedichten van de dichteres uit Wales. Op 31 mei 2025 verschijnt bij Broken Sleep Books de dichtbundel van Rhian Elizabeth. Er is geen Nederlandse vertaling van het boek verkrijgbaar.

Rhian Elizabeth maybe i’ll call gillian anderson review en recensie van Tim Donker

Dit is de eerste scene. Een moeder staat op de drempel van het huis en ziet hoe de dochter in haar auto stapt en wegrijdt. Ze trapt het gaspedaal in, kijkt niet meer om, gaat. En daar staat moeder dan, in haar lege nest. Niet langer het hele tapijt vol vuile was, niet meer iemand die steeds met de deuren slaat, niet langer de posters van haar helden aan de muren van wat van nu af aan een extra kamer is. En nu? Wat te doen met al die leegte? Haar vrienden zeggen de moeder dat ze bezig moet blijven. Dingen moet vinden om te doen, en dan het liefste dingen die niets van doen hebben met heeldurdagen naar The Carpenters luisteren en huilen. Misschien, zo denkt ze, kan ze online dingen gaan bestellen. Niet omdat ze ze nodig heeft of zelfs maar hebben wil maar omdat ze zich dan kan verheugen op de komst van die spullen en dat verheugen zou je een bezigheid kunnen noemen. Of misschien kan ze op Google zoeken naar leuke hobby’s voor veertig jaar oude, verdrietige vrouwen. Of misschien kan ze gewoon een beetje in doodste stilte door het huis lopen tot ze zichzelf terugvindt in die ontstellend lege kamer, schreeuwend Wat word ik nu godverdomme geacht te doen, Alexa? Of misschien kan ze Gillian Anderson bellen en haar uitnodigen voor een logeerpartijtje, de lakens van het bed van haar dochter afhalen en er schone opleggen, in de hoop dat Gillian Anderson met een knipoog zal zeggen ik slaap liever in jouw bed.

Dit is de situatie van het titelgedicht, en dat is het allereerste gedicht in de bundel. Ik hoefde geen badwater te testen, deze regels las ik ademloos. Alles, bijna elk woord uit dit gedicht kan ik me zo levendig voorstellen dat het is alsof ik daar op die drempel sta, kijkend naar een veel te snel verdwijnende auto. Mijn kinderen zijn tien en twaalf en toch kan ik het me zo goed indenken hoe ze op een dag zullen gaan; als mijn oudste op zijn achttiende het huis uit gaat (wat daar geen ongebruikelijke leeftijd voor is), zal mijn nest over een luttele zes jaar reeds halfleeg zijn. Ga ik dan allicht enkele dingen die ik nu ook al doe alleen maar frekwenter doen? Want ik herken net iets te goed hoe het wachten op -in mijn geval- boeken en cd’s eigenlijk mojer is dan het ontvangen ervan. Vanaf het moment dat ik een bestelling plaats, kan ik dagen leven in het glorieuze vooruitzicht dat dat geniale boek of die wonderschone cd eraan komt – een fijn gevoel, dat kundig om zeep geholpen wordt wanneer de postbode ze daadwerkelijk aflevert. Zo mooi als het gedurende die paar dagen in mijn hoofd geworden is, zijn boeken en cd’s trouwens toch nooit. Niets is ooit zo mooi als het in je hoofd is. Dat is wat het betekent om in leven te zijn. Lekker zwelgen in je verdriet? Ken ik ook. Nog fijner met muziek erbij ja, al is dat in mijn geval nooit The Carpenters (maar misschien moet ik dat eens proberen?). Ook: onzinnige dingen opzoeken via Google. Goed, meestal voor de lol samen met mijn dochter. Maar de keren dat ik het doe als ik alleen ben, is onversneden verveling doorgaans de drijfveer erachter. Alleen Gillian Anderson ken ik niet. Zou dat iemand zijn natuurlijk is dat iemand ik ken wel meer beroemdheden niet vast een goeroe of een televisiepsycholoog of iemand van youtube of gewoon maar een moje vrouw die zingt of acteert of schrijft, in de danklijst wordt Anderson nog bedankt omdat ze Elizabeth vooralsnog niet heeft aangeklaagd. Het is makkelijk op te zoeken wie dat is, misschien iets voor als de verveling weer toeslaat. Maar liever laat ik me het raden, net als in de tijd dat er geen Google was en je zulke dingen niet kon opzoeken, nooit, omdat niet iedereen het schopte tot lemma in de encyclopedieën die je in de bibliotheek kon gaan inzien (maar mijn vader was in die dagen een soort Google, en die prikte menig een zeepbel door, gevraagd of ongevraagd).

Eén gedicht, het is niet veel meer dan anderhalve bladzijde, het is droevig het is grappig en het is springlevend. Dat is goed binnenkomen. Er zijn dichtbundels waarin je even moet rondstommelen, waarin je tot soms wel halfweg geen idee hebt wat je er van vindt, wat je aan het lezen bent, wat voor bundel het is, waarin je flarden krijgt toegeworpen: een intrigerend beeld, een moje zin; elk meer laat zich voorlopig alleen maar vermoeden. Maar Rhian Elizabeth trekt je zonder pardon tot over je oren de schittering in. Waar in het twede gedicht, drowning on a stranger’s couch, het perspectief maar enkele centimeters verschoven lijkt te zijn: een vrouw die haar dode vader erg mist, brengt ergens in Zweden een dag en een nacht door bij een vrouw die ze totaal niet kent. Deze vrouw mist op haar beurt haar (klein)kinderen die haar nooit komen bezoeken. Weeral eenzaamheid, weeral wringende familiebanden. Maar anders dan bij maybe i’ll call gillian anderson, zit de schoonheid van dit gedicht niet perse in de dwingende manier waarop Elizabeth beelden oproept. Nee, drowning on a stranger’s couch heeft veeleer de allure van een performancegedicht. Wat een genot moet het zijn om dit te horen voordragen, liefst door de dichter zelve (geen totale onmogelijkheid: Rhian Elizabeth woont in Wales). Het muzikale, de herhaling, het ritme, de klankkleur, hoe de zinnen als vanzelf gaan zingen (bijvoorbeeld: you will sit in het conservatory with the windows pushed wide open, the night will be hot, you will close your eyes, you will think about the pool outside, you will think of yourself weightless on the bottom, you will listen to the crickets singing, they live on the lake in the distance, the great lake is vättern or sommen, you aren’t sure which, this she told you on the drive across sweden in her car but you had your head out of the window like a dog, you will wonder if this is a mistake, you make bad decisions, she will bring you lemon ice tea, you will feel tired, she will convince you to stay the night on the massive old couch, you will dream about your father there, you will give him a new face, you will give him a new voice, you will no longer remember the actual ones he had, you will dream about swimming in vättern of sommen, you will dream about drowning), en dan is het overal om je heen, als, inderdaad, muziek en wat een verschil maakt een verschuiving van slechts enkele centimeters dan.

Wel. Goed. Dus. Dit is het gedeelte dat je aan voelt komen. Want uiteraard: zo overweldigend als de eerste twee gedichten is niet elk gedicht in deze bundel. En misschien gaat het inderdaad wel iets te vaak over dochter, en over dochter missen, en over (in mindere mate) moeder zijn. Maar in dit kleine boek (niet meer dan 45 pagina’s) levert haast elk gedicht wel iets op. Een zin, een gedachte, een flits.

Zoiets als in een relatie zijn en altijd het gevoel hebben dat je een kreeft bent in een aquarium in een restaurant en doorheen het glas ziet hoe de ander sjampanje drinkt en het fantasties naar de zin heeft terwijl jij daar zit in afwachting van je dood.

Of dat a new and precarious thing een rap is, een heerlijk ritmiese rap, een rap die stroomt en vloeit en loopt als een razende (iemand moet deze bundel op cd zetten, er moet een cd komen van deze bundel, de gedichten dikteren hun eigen muzikale omlijsting wel, er zal freakfolk zijn en hiphop en blues en snoeiharde rock en verstilde fado en het zal misschien wel de allermooiste cd allertijden zijn) maar tegelijkertijd ook een ontroerend gedicht over hoe een dronken dochter op haar achttiende verjaardag weer heel even een kind is, een baby die alle verzorging nodig heeft, zodat ook de dichter, eindelijk, weer even moeder mag zijn.

Of de wreedheid van het geheugen dat dingen die je liever vergeten wil je keer na keer in je gezicht blijft wrijven terwijl je dingen die je zo dolgraag onthouden wil -de stemmen van je ouders- onherroepelijk verliest.

Of de spinnen in je huis die blijven leven nu er niemand meer is die er bang voor is zodat je geen reden meer hebt ze te doden.

Of de Mona Lisa onder de Mona Lisa

Of dat een Londonse straatpuber (in wie ik Rhian Elizabeth zelf meen te herkennen) op haar weg neerwaarts een brief schrijft aan wiedanook en vertelt hoe zij en haar vrienden op weg zijn naar een optreden van Rachel Stamp. Zou dat echt een band zijn, vroeg ik me af, en dit keer zocht ik het wel op. Het was een echte band. Wat aanstellerige, net iets te theatrale rock, aanschurkend tegen glam, maar dan zo vet aangezet dat je er geen hekel aan kunt hebben. Toen ik me later iets afvroeg over Rachel Stamp en de band nog eens opzoeken wilde op Discogs kwam ik door een typefout in de bandnaam terecht bij Moljebkla Pvlse en sjee wat bleek hun debuutalbum Koan prachtig te zijn. Als ik me die ooit aanschaf -wat wel weer onvermijdelijk zal blijken te zijn- heb ik ook dat overgehouden aan maybe i’ll call gillian anderson. Het moet niet altijd rechtstreeks zijn.

maybe i’ll call gillian anderson is een briljant boek. Het is vanwege boeken als deze dat ik zoveel hou van poëzie. Omdat de woorden leven in de splinters, in de kieren, en midden in het leven.

The English translation of the review you can find further down down.

Rhian Elizabeth maybe i'll call gillian anderson

maybe i’ll call gillian anderson

  • Auteur: Rhian Elizabeth (Wales)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels
  • Uitgever: Broken Sleep Books
  • Verschijnt: 31 mei 2025
  • Omvang: 44 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: £ 9.99
  • Boek bestellen bij: Amazon

Flaptekst van de bundel van Rhian Elizabeth de Wels dichteres

Rhian Elizabeth’s maybe i’ll call gillian anderson is a raw, darkly funny, and deeply affecting collection that navigates the liminal spaces of love, loss, and reinvention. With a voice that is both unguarded and sharply observant, Elizabeth crafts poems that move through heartbreak, motherhood, memory, and self-destruction with biting wit and aching tenderness. Whether tracing the ghosts of past selves, confronting absence, or yearning for connection, these poems refuse sentimentality, instead offering something braver—an intimacy that is as unsparing as it is humane.

English translation of the review

This is the first scene. A mother’s state op de drempel van het huis and hoe de daughter in hair car stapt en wegrijdt. Ze trapt het accelerator pedal in, you can’t hear anything, gaat. In the state mother then, in hair laying nest. It’s never long before you can see anything, no one has the steeds with your slaat, it’s never long before the posters of hair heroes are in the wall of what you’re looking for and there’s an extra camera. En now? What did you do with the lying ones? The mother’s hair can be seen as soon as possible. Things can be seen from the doen, and in the last things the niets van doen hebben met heeldurdagen naar The Carpenters luisteren en huilen. Misschien, if you think so, you can order things online. You can’t get the heeft of the zelfs to be able to get to the point where you can get rid of the spools and get rid of them. Of course you can search on Google for a few hobby’s for every year or two. Of the misschien kan ze gewoon a beetje in doodste stilte door het huis lopen tot ze zichzelf terugvindt in the ontstellend lege kamer, schreeuwend What word ik nu godverdomme geacht te doen, Alexa? Of course, Gillian Anderson can bark and have her hair ready for a lounge party, the sheets of the bed with her hair are afhalen and he has a beautiful bed, in the hoop that Gillian Anderson has a knipoog zal zeggen and sleeps in the bed.

This is the situation of the title poem, and this is the very first poem in the bundle. I had to go to bad water to test it, and it was fine. Everything, like the word from the poem, can be easily imagined by me, which is also written on the jam, which can be seen in a very small car. My children have two children and I can think of them as soon as possible; as my oudste op zijn mindful het huis uit gaat (wat daar geen ongebruikelijke leeftijd voor is), zal my nest over a luttele zes jaar reeds halfleeg zijn. Is there anything that you can do with your grandchildren? I don’t want to hear anything that is good enough to wake up in my book and CD’s own version is in the ontvangen. Vanaf het moment that ik aen ordering plaats, kan ik dagen leven in the glorieuze vooruitzicht that the brilliant book of the wonderful cd eraan komt – a fijn gevoel, that knowledgeable om zeep geholpen wordt wanneer de postbode ze daadwerkelijk aflevert. As soon as he endured the few days in my house, his books and CDs were still there. Niets is ooit zo mooi than het in je hoofd is. That’s what he says in life. Lekkers are in jeopardy? Ken ik ok. There is still music here, yes, it is in my life no more than The Carpenters (maybe I missed it if I tried it again?). Ook: onzinnige things opzoeken via Google. Good, everything for the lol seeds with my daughter. This is what I do when I see it, it is on the other side of the door from the driver’s eye. Alleen Gillian Anderson knows nothing. This person is of course a person who can be seen in a vast amount of time from a television psychologist of someone from YouTube of gewoon maar a little bit of writing, in which Anderson has thanked her for Elizabeth never files a complaint. It’s a good idea to see how it is, but it’s not possible to see how it works. You can read more about it, but not in the encyclopedias that are in the library that can be found in Google, which in my opinion is not available in any way. en the prikte menig a zeepbel door, gevraagd of ongevraagd).

A poem, it’s never seen in other words, it’s dreary, it’s grappy and it’s spring-loaded. That’s good to come within. He zijn dense bundles was even moet rondstommelen, waarin je dead soms which halfway geen idea raises what je van vindt, wat je aan het lezen bent, wat voor bundel het is, waarin je flarden krijgt toegeworpen: an intriguing beeld, a moje zin; Elk sea let us do it quickly and easily. Maar Rhian Elizabeth treks je zonder pardon tot over je oren de schittering in. Waar in the two poems, drowning on a stranger’s couch, the perspective of her enkele centimeters lost lijkt te zijn: a vrouw the hair dode vader erg mist, brengt ergens in Zweden een dag en een night door in a woman who is completely out of her mind. Every day you don’t have enough hair for your (small) children’s hair. Weeral eenzaamheid, weeral wrestling family ties. It’s different in maybe I’ll call Gillian Anderson, to quote the beautiful poem from the poem in the compelling manner that Elizabeth has written. No, drowning on a stranger’s couch is a great performance poem. What you can do with it is this.

Bijpassende boeken en informatie

Geoff Gilbert & Alex Houen – See You Through

Geoff Gilbert & Alex Houen See You Through recensie, review en informatie boek met poëzie en fictie. Op 31 augustus 2025 verschijnt bij Broken Sleep Books het Engelstalige boek van Geoff Gilbert en Alex Houen. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteurs en over de uitgave.

Geoff Gilbert & Alex Houen See You Through recensie en review

En dan ben je student in het derde jaar en dan ga je stage lopen en dan moet je alle dagen met de trein van Utrecht naar Amsterdam en dan is daar het kantoor de redactie op één of andere gracht en dan ben je daar een dag en dan ga je weer naar buiten en dan loop je weer terug naar het station en dan heb je net je trein gemist en dan hang je om de tijd te doden maar een beetje rond in de kiosk en dan lees je dat Stanley Kubrick is overleden en dan vraag je de volgende dag aan Huub de hoofdredacteur of je een in memoriam mag schrijven over Stanley Kubrick. En je weet niet waarom je dat vroeg je hebt niet veel op met film eigenlijk en het enige wat je weet van Stanley Kubrick is dat hij The Shining verfilmd heeft maar dat vond je wel een verdomd goede film of liever in die tijd vond je het de enige Stephen King-verfilming die beter was dan het boek. Want je hele puberteit lang was je weg geweest van Stephen King en elke verfilming van zijn werk moest je zien. Maar alleen The Shining kon je echt geslaagd vinden veel beter dan het boek eigenlijk een beetje een slechtgeschreven rotboek maar dat kon misschien ook aan de vertaling liggen. Maar Huub had gezegd dat het goed was dus nu moest je wel en dus las je in boeken in tijdschriften in krantenartikels om genoeg te weten te komen over Stanley Kubrick om er een goed stuk over te schrijven een stuk waarmee je aan kon komen bij de Huub een stuk waarvan de Huub zou zeggen dat heb je goed gedaan jongen. En even dacht je misschien interessante figuur wel die Kubrick en het was vooral één ding één ding dat hij gezegd had en wel dat een roman wordt geschreven door één persoon en een symfonie wordt gecomponeerd door één persoon en dat het dus niet meer dan logisch is dat een film wordt gemaakt door één persoon en dat bleef in je hoofd en daar zit het nu al meer dan dertig jaar.

Dan neemt de eerste persoon het over.

Het was iets. Dacht ik. Die man had iets bij het nekvel. Dacht ik. Mijn liefde voor klassieke muziek, die toch al nooit goed wortel had geschoten, was tanende in die dagen en naar ik zei had film me ook nooit echt gegrepen. Kon dat iets te maken hebben met Kubricks éénpersoonsregel? Waren er, in weerwil van diens eigen voorbeeld, bij een symfonie teveel mensen betrokken? Zoals ook bij een film? Een te grote afstand tussen de oorspronkelijke idee en het uiteindelijke werk. Maakte dat de genoemde kunstvormen te rationeel te cognitief te cerebraal te democraties teveel water bij iets wat ooit wijn was geweest maar inmiddels getransformeerd in een slap en smakeloos drankje, geen water en al helemaal geen wijn. Maar hoeveel is teveel. Een kunstcollectief, kan werken. Een band, kan werken. Een roman schrijven met twee personen, kan werken.

Dat See you through door twee mensen is geschreven, merk je eigenlijk nergens. Ik weet niet of dat als compliment kan gelden, of zelfs maar als zodanig bedoeld is. De roman is toonvast, de klankkleur blijft 183 pagina’s lang minder of meer in hetzelfde spectrum.

Dat See you through door twee mensen is geschreven, is goed te merken. Polyfoner en geflipter dan dit wordt het niet. Dit jaar niet, toch.

Misschien zou je kunnen zeggen dat het gaat over Mimo, die misschien tot taak heeft om beelden te bekijken van beveiligingscamera’s in winkelcentra, nachtclubs, kerken, boerderijen, op straat (vanwaar komen de beelden, vraagt hij zich ergens af, uit Memphis? Kish? Esztergorm?). Misschien moet hij software trainen om gezichten te herkennen en wapens te detecteren, misschien moet hij de beelden alleen maar bekijken. Misschien is er een persoon die de Regisseur genoemd wordt en misschien is dat zijn baas of misschien is het een stem in zijn hoofd (Mimo’s innerlijke stem liegt nooit maar hij weet niet wanneer hij een grapje maakt) of misschien is het de schrijver van het boek (hij bemoeit zich wel opvallend vaak met de ontwikkeling van de roman) (opheffing vierde wand) (derde kaft) (tikveel) of misschien is het wel echt een regisseur en is See you through geen roman maar een film, een tot boek gestolde film. Misschien is er een broer die Emael heet en zonder uitzondering in derde persoon meervoud gezet wordt en zij werken misschien in een restaurant in Parijs waar het hun taak is om levende inktvissen met hun hoofd herhaaldelijk op de badrand te slaan want dat maakt het vlees lekker mals maar Emael vat (vatten?) warme gevoelens op voor één van de inktvissen waar zij misschien een band mee opbouwen. Misschien zijn de ouders van Emael en Mimo omgekomen bij een auto-ongeluk en waarom lees ik de laatste tijd zoveel boeken waarin ouders omkomen bij een auto-ongeluk en waarom t schrijverken nu en waarom denkt hij aan Dregke. Misschien neemt Mimo ontslag, misschien wordt Emael ontslagen, misschien leven ze allebei een tijdje in een tentje in het bos maar niet in dezelfde tent en niet hetzelfde bos en zelfs niet hetzelfde land. Misschien is dat het verhaal of misschien is er nog veel meer, een liefde tussen Emael en een andere keukenhulp allicht, misschien is er iets met Mimo en het meisje Nin, geen liefde denk ik maar een warme vriendschap, misschien helpt hij haar ergens mee, misschien gaat iets niet helemaal goed.

Zo’n soort boek is het. Een boek waarin je het nooit zeker weet, waarin de lezer onophoudelijk zijn greep verliest, waarin je zo vaak valt dat er builen op je builen staan en je geniet er elke pagina weer van.

Alle stemmen die er zijn, en wie er wat vertelt.
We zien doorheen Mimo’s ogen. We zien doorheen Emaels ogen. Soms is het de regisseur die stuurt. Soms zijn er lange voicemails van Emael. Mijn vermoeden is dat er een stukje is waarin een stad de focalisator is, maar dat weet ik niet zeker. En op het einde duikt er ook nog een ikverteller op, geen idee wie dat is of waar hij vandaan komt.

Alle beelden die we voorgeschoteld krijgen. Dansvloeren. Veel dansvloeren. Vuur ook. Veel vuur. En soms op de dansvloer. Paringsdansen van kraanvogels. Een mesopotamische fles die gevonden is in een graf in Ur. Smeltende plafonds. De pro-vrijheidsrellen tijdens corona. Verbrijzelende voorruiten. Een vertrapte jongen. Een andere jongen die een “wheelie” doet. Of misschien is dat dezelfde jongen.

De toon die hermetisch is of poëtisch of analytisch.

Of wat het eigenlijk is, nu helemaal, dat ik hier lees.
Het zou een roman kunnen zijn. Of een boeklang poëem. Of een film, zei ik al dat ik hier mogelijk een film heb zitten lezen? Of een thematische dichtbundel. Of stadsklaagzangen (dat is een goede titel voor een dichtbundel). Maar evengoed een filosofisch geschrift, of zelfs een pseudo-wetenschappelijk traktaat. Vanwege de gedachten, u weet.

De gedachten, dat is iets anders. Van Mimo of Emael of de Regisseur of de ikverteller of die stad (als het al een stad was). Over ogen die sneller helen als ze beschadigd worden door plexiglas dan wanneer ze beschadigd worden door echt glas. Veel gaat over plexiglas. Glas als filosofie, het waarnemen doorheen glas, glas als doorzichtige barrière tussen jou en de wereld, tussen jou en de anderen, tussen jou en je leven. Maar ook gemis. De lichaamloze dood. Afstand als deel van het ouderschap. Hoe niemand ooit je anus zal stelen. Hoe schaamte is als zwanger worden van je denkbeeldig vriendje. Stilte die wordt gesproken vanuit de barst tussen wat is en wat gebeurt (het verschil tussen wat is en wat gebeurt is iets van een motief in dit boek, dat vond ik aardig heideggeriaans, jij?). En verkopen ze dragon bij Aldi?

See you through deed me geregeld denken aan het al even bizarre Aannex. Maar waar ik bij dat laatste boek minimaal de zekerheid had dat ik een dystopie zat te lezen over een geheel “getechnificeerde” samenleving, kan ik bij See you through de toon minder goed duiden. Gilbert en Houen schreven het tijdens een “lockdown” in de van de gele hond gescheten coronajaren, en het boek bevat genoeg allusies op de covidmaatregelen om er zeker van te zijn dat dit in ieder geval géén toekomstroman is. Sommige stukken ademen wel een zekere beklemming. Waar andere juist weer lichter zijn, teder, liefdevol, of zelfs humoristisch. Of. Naja. Ook daarover kan een mens diskuteren. Is het grappig dat Barry Gibb, Una Stubbs, Sting en Morrissey Cliff Richard ten grave dragen in een plexiglas doodskist (zoals Mimo op één van de schermen die hij de hele dag door in de gaten moet houden kan zien)? Is het grappig dat Mimo van de Regisseur de opdracht krijgt uit te vinden waarom één specifiek varken niet herkend kan worden door de gezichtsherkenningscamera’s (& aan het eind van de dag tegen de Regisseur zegt: Weet ik veel. Het is een gewoon varken)? Is het grappig dat Emael en zijn geliefde Khaled een berber haggis maken voor de rouwende restauranteigenaar na het verlies van diens vrouw (en Emael naar de halalslagerij moet om schapenmaag en al die andere zooi die er in haggis gaat) (en de restauranteigenaar in wie ik maar Gorden Ramsey bleef zien het weigert te proeven, zeggend Dit kan ik niet eten). Grappig of alleen maar bizar?

Als alles in See you through alleen maar als misschien gezegd kan worden zal ik zeggen dat dit boek misschien wel het mafste boek is dat ik dit jaar las. Maar misschien ook wel het intrigerendste.

Recensie van Tim Donker

Geoff Gilbert & Alex Houen See You Through

See You Through

  • Auteurs: Geoff Gilbert, Alex Houen (Verenigd Koninkrijk)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels
  • Uitgever: Broken Sleep Books
  • Verschijnt: 31 augustus 2025
  • Omvang: 186 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: £ 10.99
  • Boek bestellen bij: Amazon

Flaptekst van het boek van Geoff Gilbert & Alex Houen

Geoff Gilbert and Alex Houen’s See You Through: A Novel is a formally restless, genre-collapsing hybrid that inhabits the threshold between poetry and fiction. Structured around a shifting dialogue of voices and modes, the book navigates illness, intimacy, war, bureaucracy, and facial recognition technology with a syntax that veers between the lyrical and the analytic, the fragmentary and the fluid. Language becomes a site of both fracture and connection, as the text resists linear narration in favour of a porous, polyphonic architecture. What emerges is a work that holds complexity with conviction: self-aware, searching, and structurally bold.

Geoff Gilbert was born in Dunfermline in West Fife and now lives in France, where he works at the American University of Paris. He teaches, writes, and translates, and is currently completing a book on relations between writing and economics, called For Real.

Alex Houen was born in Oxford, England, grew up in Sydney, Australia, and teaches in Pembroke College and the Faculty of English, University of Cambridge. He co-edits with Adam Piette the poetry journal Blackbox Manifold. His research and writing interests include sacrifice, war literature, affects, and poets’ novels.

Bijpassende boeken en informatie

Anne Carson – Glas, ironie & God

Anne Carson Glas, ironie & God recensie en informatie over de inhoud van het boek met gedichten van de Canadese dichteres. Op 25 augustus 2025 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van de dichtbundel uit 1995, Glass, Irony & God van de uit Canada afkomstige schrijfster Anne Carson. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de dichteres, vertaalster en over de uitgave.

Anne Carson Glas, ironie & God recensie van Tim Donker

Glas, ironie & God kon een goeje titel ween Glas, ironie & God zou een goeje titel ween, Glas, ironie & God kan maar zo een verdraaid goeje titel ween; Glas, ironie & God is ook een titel maar wel een titel die is samengesteld uit de titels van stukken in deze bundel en als zodanig dus ten halve al een verkapte inhoudsopgaaf. Het Glas-essay opent, en echt over glas gaan doet het niet en een essay is het als u het mij vraagt evenmin. Moet zo’n tekst een naam hebben misschien moet zo’n tekst een naam hebben voor mij dat u weet waar ik het over heb. Noem het met een kreupele term een prozagedicht. Een ik die misschien Anne Carson is logeert bij haar moeder, een wat bitsige, wat bekrompen, wat normatieve oude vrouw die alleen woont want de vader dementeert in een tehuis. Een relatie van de ik is net stukgelopen, er is hartzeer, er is pijn, er is vertwijfeling. Er zijn dingen te verwerken, er is sprake van therapie, de moeder snapt dat allemaal niet zo, waar hep dat allemaal voor nodig met die therapeuten enzo en helpt het eigenlijk wel ene sikkepit. De moeder woont op een heideveld in het noorden, en de ik maakt daar lange wandelingen, het liefst in de ochtend als alles er langzaamaan tot leven komt. Het lopen is allicht om de gedachten te reguleren. Gedachten over haar grote liefde Law die haar verlaten heeft, over de moeder, over de vader, over de dingen, over het leven, en over Charlotte en Emily Brontë en Woeste hoogten. Onophoudelijk wordt het leven en de literatuur van Emily Brontë geanalyseerd en met het eigen leven, en de eigen tijd in verband gebracht. Op die momenten is dit Glas-essay op zijn essay-achtigst (en misschien ook wel op zijn taaist – maar niemand zei dat literatuur licht verteerbaar dient te zijn, wel?), maar steeds overheerst de sterke, licht melankolieke, herfstige, druilerige sfeer. U zou denken dat het de sfeer is van een vroege winterochtend op ergens een heide en p’sies: dat is de sfeer.

Verstild misschien.
Verstilling, ja daar zegt u zoiets. Anne Carson is classicus. Dat merk, dat proef je in elke regel. Die traagheid, dat bedachtzame, en ook: hoe het voorbije altijd door het huidige heen schemert. Niet als altmodies. Maar als eeuwig. Universeel. Allicht dat ze daarom steeds weer voor de poëtiese vorm kiest: als een oerlied dat onder alle moderne melodieën te slapen ligt.

De waarheid over God is zoiets. Het zou bijna een kop kunnen zijn in een roddelblad. Eindelijk de waarheid over de bekendste aller bekendheden. Maar deze bekendheid heet God, en welke God, de spinozistische God misschien, de God van de christenen, God de Vader, of de uitgebluste en licht bezopen God zoals Twan Vet hem nog niet zo lang geleden nog schilderde? En welke waarheden kennen we nog in deze postmoderne tijden, is waarheid sowieso niet al een verouderd konsept? Waarheden over God zullen eo ipso duister zijn. God is een reusachtige scheur in het hart, heet het. Carsons God is een gemankeerd Wezen. Of misschien al te menselijk: “God vroeg aan Zijn vrouw: ben jij boos op de natuur? / Ja ik ben boos op de natuur ik wil niet / telkens als je bout gesopt moet worden // op je roze staf natuur tussen mijn benen gestoken krijgen / of geografisch uitgestort. / Is dat nou Schepping?”. Maar ja, zo’n vrouw kan wel meer willen natuurlijk maar Gods wil blijft wet: “God schiep de taal van vrouwen als een onomatopee. / Eeuwig strompelende klanken die eeuwig / strompelend // in de woorden zakken van wat ze zijn / als voeten in een bottenschoen. / ‘Bedrog’ (valt haar op) klinkt als Zijn rits die omlaaggaat.” heet het in een paragraaf die “Gods stijve” genoemd is. Sja. Geen patriarchaat zonder fallussymbool en je hebt het maar te willen!

Want

“wij zijn in een leegte gehangen […] Wij zijn opengesneden en leeggebloed […] Wij zijn stof. Wij weten niets. Wij zullen nooit meer praten […] Ons is opgedragen dit Zijn liefde te noemen.” Als het in de mens verankerd is om overheersing voor liefde aan te zien, dan is onderdrukking eigen aan het wezen van de mens en ook aan zijn taal. En taal is een andere, duidelijk merkbare interesse van Anne Carson. Het linguïstisch onderscheid tussen tijd en aspect (dat stemde me filosofisch). De etymologie van compassie. Āvaraņa, een teken van God (Gods eigen kalmte is een teken van God). Leg je droefheid af, het is een mantel van werk (wat me deed denken aan hoe kapotte slaap zegt Leg je onrust bloot). Als vrouwelijke woorden worden gemunt: blozen, stinken, pruim, echtgenote, heks – wat ondergeschikt, zwak, minderwaardig is. Maar ook: kerft God het “mannelijke woord” tsdq in Jesaja’s ene hand. En het “vrouwelijke woord” tsdqh in zijn andere. Zoek je dat op zegt artificiële intelligentie dat tsdq te maken heeft met therapie, met dissociatie, denk ik aan gespletenheid, denk ik aan niet heel zijn. En (zegt artificiële intelligentie) tsdqh is Hebreeuws, is tsedaqah, is geborgenheid en bijbelstudies noemen ook nog 6666 en dat is niet ver van één zes minder. Het beest, de man, het voorhoofd, de gespletene, uit Jesaja’s borsten stroomt melk, een zilveren rivier van mededogen.

Alles dat merkbaar en onmerkbaar overheerst. En ook het licht kan onderdrukken.

TV bestaat uit licht, net als schaamte.

Zegt het. Maar dan gaat het al niet meer over God dan gaat het over TV en over TV-mannen.

De TV-mannen zijnde. Hektor. Artaud. Sokrates. De slaper. Sappho. Lieden die je misschien niet meteen tot het televisievolk rekenen zou; de laatste zou je denkelijk niet eens tot het mannenvolk rekenen. Maar Hektor televisioneert de oorlog. Artaud zijn gekte. Het theater van de wreedheid. Welkom thuis, sanatorium. Socrates, in een ander soort instelling, een gevangenis, betaalt zijn sigaretten niet. Daar draait de cameraploeg voor op.

Misschien is het het patriarchalisme.
Misschien is het hoe het een steeds al het andere overklast.
Misschien is het simpelweg beweging.

In Carsons hervertelling van het boek Jesaja beweegt een land in zijn bolster (en slaapt verder). Nacht stroomt omlaag en God stopt Jesaja’s oren vol met stekels. Alles wat niet blijft hoe het is. In vorm. In consistentie. In plaats. In De val van Rome reist de ik af naar Rome om de wonderschone Anna Xenia te zien. Gidsen vertellen haar hoe te spreken. Wat te zeggen. Zinnen als Pardon, waar is de uitgang alstublieft? Breng me naar de reddingsboot. Ik constateer dat we autopech hebben. Kan ik de manager spreken? Waar vertrekt de trein naar Milaan? Ja dit is mijn / onze eerste keer in Rome. Ik zou graag de commissaris van politie spreken. En ik, ik herinner me een kennis die naar een land zou afreizen waar hij de taal niet sprak en iemand die die taal wel sprak had op een papiertje een paar handige zinnetjes geschreven voor hem. Op dat in vieren gevouwen blaadje stond onder andere Help! Bel de politie! Ik word achtervolgd! en dat dat meer dan één zin is, was niet waarom wij zo hard moesten lachen die dag. Ja. Ik vond humor in De val van Rome, iets wat ik niet bijster vaak tegenkom in het werk van Anne Carson. En licht. En liefde. Al gaat het ook over vreemdelingenhaat maar had je anders verwacht gezien de achternaam van degene die de ikpersoon gaat opzoeken? Duisternis ligt altijd op de loer. En liefde is altijd destructief. “De mens heeft een soort drang te nemen wat hemzelf het dierbaarst is en het kapot te smijten.” Ja. Precies. De nagel op de kop.

De liefde en het zwart.
Het duistert en tegelijk licht het onophoudelijk op in de woorden van Anne Carson. Net dat is het wat haar boeken zo onweerstaanbaar maakt.

Anne Carson Glas, ironie & God

Glas, ironie & God

  • Auteur: Anne Carson (Canada)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Origineel: Glass, Irony & God (1995)
  • Nederlandse vertaling: Marijke Emeis
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 25 augustus 2025
  • Omvang: 152 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de dichtbundel van Anne Carson

De poëzie van Anne Carson combineert met een volstrekt eigen stem het opbiechtende met onderzoekende. Carson, een gerenommeerd classicus, verweeft in Glas, ironie & God in een verbluffende stijl hedendaagse en eeuwenoude poëtische invloeden.

Deze collectie bevat onder meer het beroemde Glas-essay, een krachtig gedicht over het einde van een liefdesrelatie, verteld aan de hand van de zusters Brontë; dat het fundamentele gevoel van het oude jodendom oproept; en De val van Rome, over haar reis om Rome te vinden en over de strijd om daar haar gevoelens van existentiële vervreemding te overwinnen.

Anne Carson (21 juni 1950, Toronto, Ontario, Canada) wordt in Canada en de Verenigde Staten al lange tijd beschouwd als een van de belangrijkste stemmen in de hedendaagse literatuur. Ze werd geboren in Canada en is al meer dan dertig jaar hoogleraar klassieke literatuur. Ze ontving vele prijzen, waaronder de Lannan Literary Award en de T.S. Eliot Prize for Poetry.

Bijpassende boeken en informatie

Samiya Bashir – I Hope This Helps

Samiya Bashir I Hope This Helps review, recensie en informatie boek met poëzie van de Amerikaanse dichteres uit Harlem. Op 13 mei 2025 verschijnt bij Nightboat Books de bundel met gedichten van de Amerikaanse dichters Samya Bashir. Er is geen Nederlandse vertaling van het boek verkrijgbaar.

Samiya Bashir I Hope This Helps review en recensie van Tim Donker

ich sehe die Alle in einer Reihe. De kleermaker. De accountant. De dienstmaagd. De vertaler. De andere zus. De andere vrouw. De toerist. De hulp.

je ziet ook dat Bill Bixby nooit Lou Ferrigno werd zonder al zijn kleren, aan flarden gescheurd, prijs te moeten geven. Dat zijn Jekyll-episode nooit rimpelloos verliep. Wie krijgt het immers ooit gladjes op zijn heupen?

je ziet ook dat al mijn rood als bruin kan klinken.

je ziet ze zitten. Samiya Bashir en Nicole Searley (lees haar briljante And-gedicht op ze innernet). In Rome. Met beurs. Ze wonnen in 2020 de Rome Prize Fellows voor literatuur. Moet je daar blij mee zijn? Het van de gele hond gescheten jaar 2020 toen de corona-gekte goed losbrak, moest je net in dat maffe Italië zijn waar een heel nieuwe lading aan het woord “hysterisch” gegeven werd toen. Zaten ze, Bashir en Searley, zo goed als opgehokt, op hun kamertjes. Voedsel werd gewijzigd, dan aangepast, dan weggehaald. Voor hun eigen veiligheid. Ze mochten ook elkaar niet meer zien. Voor hun eigen veiligheid. Vanaf het dak zongen ze naar elkaar; ver uit hun ramen hingen ze om maar de minste glimp van elkaar op te vangen. Je ziet ze. Je ziet het voor je, nietwaar? Ze kunnen daar niet weg. Maar ze mogen ook niet blijven. In ballingschap. Voor hun eigen veiligheid. Want altruïstisch als overheden zijn hebben ze niets dan de veiligheid van hun burgers voor ogen. Je wil dat belastingbetalers blijven leven! En dan mogen ze toch gaan. Dan toch hun ciao, en wiljewelgeloven: ciao is etymologisch verwant aan slavernij. Komend of gaand klonk het schiavo: ik ben je slaaf. Maar de moderne belastingbetaler is niet langer een slaaf toch? Die is alleen plaatsgebonden voor zijn eigen veiligheid. Voor zijn eigen veiligheid.

je ziet hoe je niet onneergeschoten kunt blijven in de Verenigde Staten als je knoflook eet. Winkelt. Zwart bent. Wit bent. Thuis bent. Op de middelbare school zit. Een geweer hebt. Geen geweer hebt. Homosexueel bent. Heterosexueel bent. Naar je werk gaat. Op kaffee gaat. Naar het strand gaat. In je eigen bed slaapt. Stopt om te tanken. Een verpleegster bent. Een student bent. In geval van nood de politie belt. Met de bus gaat. Met de trein gaat. Het met iemand uit maakt. Alleen bent. Les geeft op welke school dan ook. De voordeur opent als er aangebeld wordt. Protesteert. Op straat loopt. Een ijsje eet. In een appartement woont. In een huis woont. Met iemand getrouwd bent.

je ziet hoe (ademen).

je ziet hoe (vliegen).

je ziet hoe (bestaan).

je ziet het gevoel. Een gevoel als. Er is iets vreselijks gebeurd maar je kunt je niet herinneren wat. Of. Het gevoel als. Je kan je het vreselijke ding wel herinneren maar nog steeds denk je dat het niet dat ene vreselijke ding was. Het gevoel als. Er niets meer over is dan gevoel, geen gedachte, slechts verlamming, en gevoel. Het gevoel als. Er niets meer over is te voelen, niets in je schoot geworpen dan ontbijt. Het gevoel als. Dat blijkt dat je allergisch bent voor de samenleving als geheel.

je kunt zien – televisie. Televisie kijken. Laat op de avond. Of vroeg in de nacht. Ergens in de zeventiger tachtiger negentiger jaren. Kijken tot het volkslied erop kwam (was dat echt zo?). Alles zien wat uitgezonden werd. Nieuws. Documentaires. Slechte films. Wat het ook was, het was altijd hetzelfde. Wees bang, was wat het zei. Wees heel erg bang voor. Oorlog. Invasie. Storm. Of geafrikaniseerde bijen.

je kunt zien hoe dit helpt (of een beetje misschien).

je kunt (zien) / (groot) / vliegen / bezweren / slapeloos / laten vallen / (geheim). En dat we hier zijn. En dat we maken.

je kunt zien hoe, dit, een dag, het weer wisselvallig misschien en daar zat ik, in mijn leesstoel zat ik, het was het zitten daar, het waren mijn verwachtingen, het was het zitten daar met die verwachtingen van mij, op de steerjoo was Hout van Frederik Croene en Esther Venrooy, ik had zoveel verwacht van die seedee, wat had ik verwacht van die seedee?, niet dit had ik verwacht van die seedee: niet wat het bleek te zijn had ik verwacht van die seedee, zo af en toe klonk er iets bovenuit, af en toe wat geluid dat klonk, het gaat in en het gaat uit fase dacht ik, soms ineens de slag soms in het gezicht, wat het was, in mijn handen I hope this helps van Samiya Bashir, ik had zoveel verwacht van deze bundel, wat had ik verwacht van deze bundel?, niet dit had ik verwacht van deze bundel: niet wat het blijkt te zijn had ik verwacht van deze bundel, ik had een gedicht gelezen van haar, ergens op dat vermaledijde internet (ooit dacht ik dat het een trend was, toen ik in de twintig was ofzo, ik dacht het is een trend dat internet het gaat wel weer over dat internet ook dit gaan voorbij, dacht ik toen, ik was halverwege de twintig ofzo), ik had dat gedicht gelezen dat How not to stay unshot in the U.S.A. maar ik had de titel even gemist en ik had het gelezen als een opsomming van dingen die een mens kan doen, dingen die een mens kan zijn: knoflook eten, benzine tanken, thuis zijn, naar een countrymuziekfestival gaan, homosexueel zijn, heterosexueel zijn, naar het strand gaan, de bus nemen, gaaf dacht ik, deze dingen kan je zijn deze dingen kan je doen met deze dingen kan je leven gevuld zijn, en o hoe hou ik van opsommingsgedichten dus deze bundel moet ik hebben dacht ik, deze bundel moet ik bestellen dacht ik, en ik deed, ik bestelde, en even later had ik hem ook, in handen, daar, in mijn leesstoel, met dat enigszins teleurstellende Hout op de steerjoo, dat was niet lang nadat La llorena van Lhasa ook al een lichte teleurstelling voor me was geweest, waarom had ik ook zo zitten zaniken tegen Katherine over hoe mooi de stem van Lhasa was, terwijl juist die stem nu, of ook de muziek, hoe zou het eigenlijk met Katherine gaan, woont ze al in Zweden, waar gaan alle mensen heen, waarom stelt alles toch altijd weer teleur, lichtelijk of een beetje of veel of gewoon, blijkt dat het gedicht dat voor mij aanleiding was I hope this helps onverwijld te bestellen How not to stay unshot in the U.S.A. heet, geen willekeurige opsomming van alles wat tesaam dat ding dat men leven heet komponeert maar een overzicht van wat zoal een reden kan zijn, in Amerika, om een kogel uit te lokken, alles kan een reden zijn om lood in je lijf gepompt te krijgen, zou dat daar nou echt zo zijn?, ik ken Amerikanen die nog nooit neergeschoten zijn, is er echt veel reden voor deze angst?, hoeveel procent van de Amerikanen is ooit neergeschoten geweest, hoeveel procent niet, welke plek neemt neergeschoten worden in op de lijst van voornaamste doodsoorzaken, bestaan zulke lijsten ja vast bestaan zulke lijsten, moet je in Amerika echt altijd bang zijn?, loert de kogel / de dood echt om elke hoek?, is deze paniek gerechtvaardigd?, of is het, anders, maar de zoveelste bijdrage tot de paniekmaatschappij die naar ik meen door Agamben al zodanig gefileerd was dat we haar allang achter ons hadden kunnen laten, je moet angsten niet voeden, angst is al te vaak een reden om nog meer onderdrukkende maatregelen te nemen, vormen van onderdrukking die erger zijn dan wat het dan ook is dat ze tegen heten te gaan, ineens weet ik ook niet meer zo zeker of dat “voor onze eigen veiligheid” uit het quarantainegedicht wel zo ironizerend bedoeld is als ik het dacht te mogen opvatten, natuurlijk, hoe woker, hoe linkser, hoe meer men het coronafascisme omarmde, ik kan me voorstellen dat het volgende totalitarisme op links geïnstalleerd gaat worden, bepaalde keuzes hebben bepaalde gevolgen nichtwahr moest je maar niet geloven wat je gelooft moest je maar wat meer woke zijn moest je maar gewoon zijn zoals wij allemaal zijn eins zwei drei und the snow ist eine star, maar de tekeningen, maar de visuele poëzie, maar de kreten maar de zinnen maar de flarden die blijven opklinken, en trouwens, Lisboa Mulata van Dead Combo was net zo mooi zo niet mojer als ik gehoopt had, niet alles stelt teleur, misschien had ik niet moeten lezen hoe Bashir mensen in het dankwoord met de achterlijke de vieze de oerlelijke term “powerhouse” bedenkt, Whitehouse maakt power electronics maar dichter dan dat mogen de worden “power” en “house” niet bij elkaar staan en al helemaal mag het niet naar mensen verwijzen, maar wie leest er ook dankwoorden, laat de poëzie spreken en in I hope this helps spreekt de poëzie zeikt de poëzie zeurt de poëzie overdrijft de poëzie zingt de poëzie schreeuwt de poëzie jankt de poëzie drijft de poëzie golft de poëzie en buldert de poëzie.

je ziet hoe. De poëzie is wat de poëzie is. Ik hoop dat dat helpt. Maar alle hoop is ijdel, en dat weet u even goed als ik.

Samiya Bashir I Hope This Helps

I Hope This Helps

  • Auteur: Samiya Bashir (Verenigde Staten)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels
  • Uitgever: Nightboat Books
  • Verschijnt: 13 mei 2025
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Boek bestellen bij: Amazon / Bol / Libris

Flaptekst van de dichtbundel van Samiya Bashir

Bending genre as a planetary body might bend spacetime, Bashir’s poems live as music and film, as memoir, observation, and critique, as movement across both cosmic and poetic fields.

I Hope This Helps reflects on the excruciating metamorphosis of an artist, “a twinkle-textured disco-ball Jenga set” constrained and shaped by the limits of our reality: time, money, work, not to mention compounding global crises. Think of a river constrained by levees, a bonsai clipped and bent, a human body bursting through shapewear. Begging the question, what can it mean to thrive in the world as it is, Bashir says, “Rats thrive in sewers so / maybe I’m thriving.” In these moving, sometimes harrowing meditations, Bashir reveals her vulnerable inner life, how she has built herself brick by brick into an artist.

Samiya Bashir is a poet, artist, writer, performer, educator, and advocate. She is the author of four poetry collections, including I Hope This Helps (2025) and Field Theories (2017), winner of the 2018 Oregon Book Awards Stafford/Hall Award for Poetry. Her other books are Gospel (2009), and Where the Apple Falls (2005). Samiya’s honors include the Rome Prize in Literature, the Pushcart Prize, Oregon’s Arts & Culture Council Individual Artist Fellowship in Literature. She lives in Harlem.

Bijpassende boeken en informatie

Autran Dourado – Opera der doden

Autran Dourado Opera der doden recensie en informatie roman uit 1967 van de Braziliaanse schrijver. Op 21 augustus 2025 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling door Harrie Lemmens van de roman Ópera dos Mortos van de uit Brazilië afkomstige schrijver Autran Dourado. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Autran Dourado Opera der doden recensie

  • “Met flair, haast jolig, zoomt de verteller in op een huis, nee, op twee huizen, boven op elkaar, en hij vertelt kort de geschiedenissen van een liederlijke potentaat en zijn fijner besnaarde zoon.” (NRC Handelsblad)

Recensie van Tim Donker

En weeral ist Harrie Lemmers verdomd zeg ja weeral ist Harrie Lemmens. Had de goede man me eerst al gehaakt gekregen aan António Lobo Antunes, wiens Voor wie in het donker op mijn wacht ik deze zomer ademloos las onder de hete zon van Valencia (en ik vond dat boek zelfs nog wel een slagje beter dan De omvang van de wereld – het boek dat me ergens int voorbije voorjaar danig verpletterd had); nu introduceert Lemmens me aan Dourado, die ik ook al niet kende, en ook al met keelsnoerend proza weet op te komen. Eveneens opgedolven uit het Portugees, uiteraard, Lemmens moet het Portugees wel door de aderen hebben vloeien, maar het land is Brazilië dit keer. Ook de tijd verschilt: Dourado schreef Opera dos Mortos in 1967. Misschien daarom lijkt het, op eerste gezicht dan in ieder geval, een wat klassiekere toon aan te slaan dan Voor wie in het donker op me wacht of De omvang van de wereld – boeken waar Opera der doden behalve de brontaal en de vertaler niets gemeen mee heeft.

Of. Naja. Misschien de eenzaamheid.
Misschien de beklemming.
Misschien de nostalgie.
Misschien de melankolie.

In Opera der doden gaat het om Rosalina. Ooit was haar familie rijk en machtig; ze bezaten grond en hadden invloed. Rosalina’s opa boezemde ontzag en angst in; haar vader was milder en innemender en lange tijd een geliefde figuur in zijn omgeving. Het huis zat altijd vol, men at en dronk en onderhield zich. Tot hij de fout begin politieke aspiraties te ontwikkelen, en na een debacle gedesillusioneerd achterbleef. En zijn vrouw ging dood, en hijzelf ging dood, en toen was Rosalina alleen met Quiquina, sedert jaar en dag de dienstmeid, in dat ineens wat te grote huis, met weinig meer te doen dan drinken en kunstbloemen maken. Dan komt José Feliciano, de zanger José Feliciano dacht ik nog toen ik het achterplat las, waardoor ik dit boek heel eventjes op een absurdistische roman ging schatten (een blinde zingende klusjesman?), maar neen het is een andere José Feliciano, een personage dat ook gekend is als Juca de Mus en Zé-van-de-Majoor, ik weet ook niet zeker of die andere José Feliciano al platen opnam in 1967, volgens mij wel maar in ieder geval zong hij dan toch niet zó hard dat het tot in Brazilië te horen was, en deze José Feliciano weet zich, met het geluk dat hij van buiten komt (sinds de mislukte politieke carrière van haar vader koestert Rosalina een bittere wrok tegen haar stadsgenoten) zich als manusje-van-alles het huis en het leven van Rosalina in te kletsen. Hij klaart wat klusjes in huis, hij hangt een beetje rond in het stadje, waar hij praatjes maakt en verhalen vertelt en zich snel geliefd maakt, maar als hij in de avond een keer een glas met Rosalina mee drinkt, begint hun verstandhouding te veranderen – tot grote ergernis van Quiquina.

Dourado begint wat wollig, met Rosalina’s opa en met haar vader, en met de voorgeschiedenis van het huis waar ze woont, waardoor je even het idee krijgt dat je in een historische roman verzeild geraakt bent maar dat is (gelukkig) niet het geval. Je zou het postmodern kunnen noemen, je zou ook kunnen zeggen dat de erfenis van het decadentisme niet onopgemerkt aan deze roman voorbijgegaan is (waren er decadenten in Brazilië?); je zou kunnen wijzen op licht experimentelen ingrepen in de vertelstijl, zoals de geregelde perspectiefwisselingen (ah nog iets dat het deelt met De omvang van de wereld!) of de hebbelijkheid van Dourado om de lezer af en toe rechtstreeks aan te spreken maar waarmee Dourado écht onder de huid kruipt is de manier waarop hij het narratief bevriest tot op een punt waarop er ogenschijnlijk niks lijkt te gebeuren.

José Feliciano en Rosalina zijn mensen die, hoewel ze eigenlijk niet vreselijk oud zijn, hun gloriejaren wel achter zich hebben. Hoe gaat dat met levens. Er is geluk, harmonie, en alles is fijn, en dan gaan mensen dood, of jij gaat weg van de plek waar je gelukkig was, en de dagen blijven komen, en je kunt het vullen met wat geklets, of kunstbloemen maken, of likeurtjes drinken, en wat rondhangen en dat is het dan. Misschien gaat Opera der doden daar wel over: het leven, of wat daar van over blijft als het schoonste eraf is, bijvoorbeeld omdat de doden die je te betreuren hebt inmiddels zo talrijk zijn dat hun opera langzamerhand onnegeerbaar hard opklinkt in zelfs je triviaalste dagdagelijksheden. Maar zingen en klinken doet het. Ook in deze woorden. De muzikaliteit van deze roman is weergaloos. De vele herhalingen, de spreektaal, de bewustzijnsstromen, de in elkaar vlechtende perspectieven, de directe rede die zonder leestekens weergegeven in de hoofdtekst verzinkt zodat de verschillen tussen gedachte, monoloog, dialoog, gesprekken en gebeurtenissen vervagen en alles tot dezelfde melodie gaat behoren. Een melodie die komt en gaat in golven die de lezer af en toe overspoelen. Waarlijk prachtig, hallucinant en meeslepend is de scene waarin José Feliciano voor de eerste keer een glas met een al wat aangeschoten Rosalina besluit te drinken. Met een welbepaald ritme weet Dourado een (sexuele) spanning te creëren die zo dik is dat het zweet je op de huid komt te staan. Sex in literatuur werkt meestal niet (is in ieder geval zelden opwindend), maar Dourado laat het werken hier en sowieso behoren deze bladzijden hier tot de schoonste die ik dit jaar las.

Gelijk aan levens die na wat -achteraf bezien misschien- het hoogtepunt was, lijkt Opera der doden na hogergenoemde scene nog maar wat voort te kwakkelen. De lezer ziet de decors scheuren en de personages verbleken in steeds lelijker licht. De afstandelijke, wat vormelijke en onbenaderbare Rosalina ontpopt zich tot een manipulatieve en gevoelsarme hartenbreekster; de goedlachse en sympathieke (en oké misschien wat sukkelige) José Feliciano toont zich een sexistische, kleinzielige en afhankelijke zeurkous met uiterst dubieuze gedachten en herinneringen (was dat nou nodig, Dourado?) (langs de andere kant vormen incest en pedofilie ook wel ruimere motieven in dit boek) (misschien om, in mijn ogen lichtelijk geforceerd, een mythologische onderlaag te leggen) (die lauwe, zenoëske pijl-filosofie dient vermoedelijk een dergelijk doel) en Quiquina, eens zo zorgzaam, liefdevol en zachtaardig blijkt op het wrede af haatdragend te zijn. Het is pijnlijk om het weinige dat er nog is te zien instorten en even vraag ik me af of het wel het goede soort pijnlijk is. Maar dan zet de schrijver een ontwikkeling in gang die ik niet aan zag komen en worden er andere uitzichten geboden.

Misschien is de hoofdrol wel voor Quiquina.

Misschien gaat het om een nog grote kracht dan het heuvelafwaarts gaan van levens: afgunst. Rancune. Woede. Uitsluiting. Drama’s moeten altijd verwijtbaar zijn want wat verwijtbaar is kent zondebokken. Zonder zondebokken gaat het niet, en dat is ook een oeroud thema. Wat geweest is, en altijd zijn zal. Van een opera die nooit zwijgen zal weet Dourado een aardig tijdloze roman te smeden. Eén die nog lang na blijft klinken.

Autran Dourado Opera der doden

Opera der doden

  • Auteur: Autran Dourado (Brazilië)
  • Soort boek: Braziliaanse roman
  • Origineel: Ópera dos Mortos (1967)
  • Nederlandse vertaling: Harrie Lemmens
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 21 augustus 2025
  • Omvang: 264 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 23,50
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman uit 1967 van de Braziliaanse schrijver Autran Dourado

Opera der doden beschrijft het leven van Rosalina, de laatste nazaat van een familie van grootgrondbezitters, die samen met haar stomme dienstmeid in een groot oud herenhuis woont in een stille Braziliaanse provinciestad. Overdag maakt ze kunstbloemen, ’s avonds drinkt ze in het geheim. Ze leidt een vrijwel geheel geïsoleerd leven tot José Felicano aanneemt als klusjesman. Zijn aanwezigheid verlevendigt de claustrofobische atmosfeer van het huis en wanneer hij Rosalina’s minnaar wordt, verdwijnt al haar zelfverzekerde rust.

Opera der doden is het dwingende en intense meesterwerk van een van de belangrijkste Braziliaanse schrijvers van de twintigste eeuw.

Autran Dourado is geboren op 18 januari 1926 in Patos de Minas, Brazilië. Hij was een Braziliaanse romanschrijver. Dourado werd geboren in Patos de Minas, in de deelstaat Minas Gerais, en dat is de setting van zijn meeste boeken. Hij ontving onder meer de Camões-prijs en de Machado de Assis-prijs. In 2024 verscheen bij Uitgeverij Koppernik de roman Het mensenschip. Zijn bekendste roman, Opera der doden, zal in 2025 bij Koppernik verschijnen. Hij overleed op 30 september 2012 in Rio de Janeiro en werd 86 jaar oud.

Bijpassende boeken en informatie

Iulian Bocai – Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu

Iulian Bocai Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu recensie en informatie van de inhoud van de Roemeense roman. Op 19 juni 2025 verschijnt bij Uitgeverij De Geus de Nederlandse vertaling van de roman Ciudata și înduioșătoarea viață a lui Priță Barsacu van de uit Roemenie afkomstige schrijver Iulian Bocai. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en van de uitgave.

Iulian Bocai Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu recensie

  • “Dit ogenschijnlijk kleine boek opent een grote, melancholische, duistere wereld waar je maar al te graag in rond zou blijven dwalen.” (Lisa Weeda)
  • “Er zit iets in het hart van deze mensen, een onschuld die niet aangetast wordt door het cynische leven, en dat is wat je eigen (lezers)hart diep raakt.” (Mira Feticu)

Recensie van Tim Donker

Dan deze vraag: hoe vaak kun je een kliesjee vernieuwen? De vrije jazz maakte zich los van de traditionele jazz en hoe doorstroomde het me. Het liep met me mee tot hets schoenen ook weeral een weinig versleten leken te zijn. De innovaties van Ornette met de pet jajaja, en MIngus en Dolphy en Shepp en Albert Ayler natuurlijk jajaja, Albert Ayler altijd, en dan Pharoah Sanders die er nog wat soul bij mikte, en Sun Ra die alles de ruimte in schoot, en toen voelde het, ineens, of ik het belangrijkste wel in kaart had inmiddels, velden afgegrazen, weet jij het?, de essentialia op tafel, dan en daar, doorstromen deed het me nog wel, maar geheel nieuw op de oren vallen niet meer. Maar vele jaren later een dag Het begon al zomer te worden, stombelend doorheen de discografie van het prachtige Clean Feed-labeltje, stuitte ik op Will Holshouser, wie kon me zeggen wat dat was, die accordeon, hoe had ik het nu, huppelig en onderkoeld tegelijk, en altijd nog jazzy, kon het de mooiste accordeonplaat zijn sinds Accordion & voice van Pauline Oliveros?, nee natuurlijk niet want de hallucinante neofolk van Kimmo Pohjonen en Eric Echampard op Uumen is veel later nog dan Accordion & voice, het is ook maar bij manier van spreken, wat een drummer Eric Echampard is trouwens maar daar gaat het nu niet over, nu gaat het over hoe ik dacht oja een beetje folk bij de jazz dat kan ook nog natuurlijk, dat kun je ook doen, dit had ik nog niet eerder gehoord, het was ochtend, de zomer stond op het punt te beginnen, en ik hoorde Reed song, en onophoudelijk viel het licht, en onder deze omstandigheden begon ik te lezen in Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu van Iulian Bocai. Die hier geen nieuwe romansoort uitvindt, nee zeker niet, hoewel, Laurie Anderson zegt the detective novel is the only novel truely invented in the twentieth century because in the detective novel the hero is dead at the very beginning of shit verraad ik nu iets?, en waarom is het eigenlijk altijd maar muziek hier in deze bespreking dit moest toch over een boek gaan?, dit hier Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu is gewoon je dagdagelijkse komenvanleeftijd-literatuur en een komenvanleeftijd-roman lazen we al eerder, toch?, en zelfs de hoofdpersoon komt vertrouwd over. Natuurlijk is Priţă Barsacu een eenzelganger, en niet als anderen, niemand is ooit als anderen, zelfs de anderen zijn niet zoals de anderen. Natuurlijk is hij een dromer, en een vorser, en een eenling. Natuurlijk is hij intelligent en gevoelig. Natuurlijk heeft hij een paar andere zonderlingen om zich heen. Natuurlijk is er armoede, natuurlijk zijn zijn ouders volslagen geschift, natuurlijk wordt het dorp waar hij woont bevolkt door dwazen, dronkaards, werklozen, agressievelingen, pestkoppen en criminelen. We kennen het verhaal. We kennen het verhaal al zo lang. En toch schijnt Bocai er uit wat onvermoede hoeken lichten op zodat dit boek blijft boeien. Hij stopt als het ware wat folk in deze jazz, hij huwt de trompet met een accordeon, weetikveel. Zo heeft hij er om te beginnen al zeer wijs aan gedaan de roman kort te houden, een luttele 142 bladzijden en dan al gedaan. Nu peinst ge misschien of welzeker peinst gij dat want ik weet wel hoe gijlieden zit te peinzen daar allemaal, dat het triviaal is om een boek te wegen op het feitelijke gewicht. Maar toch. Niet veel schrijvers weten wanneer ze moeten stoppen. Ik wil hier niet aankomen met dat eeuwige in bekasting zeikt zich de meester want er zijn vele vuistdikke boeken waarvan iedere regel meer dan gerechtvaardigd is en waar van mij zelfs wel een vuist had bij gemogen maar er zijn eveneens genoeg  boeken met vele en vele overbodige bladzijden. Niet zo hier. Eén adem en het is uit, gelukkig nog lang voor het kans zag je te gaan vervelen. Of. Anders. En ook. En voorts. Het intrigerende begin. Bocai begint aan het eind en dat maakt dat je blijft lezen omdat je het wil vatten, hoe komt het tot dit einde, is het einde nog te keren, is het einde wel het einde, je las het aan het begin en je was nieuw in dit boek, als je nieuw bent zie je alles anders, dat is algemeen geweten. Zo blijf je kijken. Of ook zo: dat een toon het oog trekt. In dit geval de toon die Iulian Bocai aanslaat. Wat klankkleur zegt. Ja het gaat over armoede, geweld, sociale ongelijkheid, uitsluiting, ellende; maar Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu is geen tranentrekker, geen drama, niet zwaar op de hand; vermoedelijk heeft Bocai niet eens de bedoeling gehad bepaalde misstanden aan de kaak te stellen. Hij schetst gewoon een leven, een leven dat soms lijkt op het leven dat je had of gehad kon hebben (ja dat vele buiten zijn, dat herinner ik me nog wel van toen ik kind was, en ook iets met insecten, ik was er niet zo in geïnteresseerd als de hoofdpersoon van dit boek maar insecten speelden altijd wel een rol, je zag ze op de bladeren van de struiken zitten, je verzon maar wat, een simpele kever noemde je een bloedzuiger, wist jij veel), een leven waarin dingen gebeuren die vervelend zijn en een leven dat ook vaak mooi is; Bocai heeft met deze roman eerder een hoopvol boek geschreven, ja: hoop- en liefdevol. Dan weer niet doorslaand naar zoetsappigheid. Er is humor om daar voor te waken, er zijn zotte scheldkanonnades om daar voor te waken, er zijn idiote gebeurtenissen om daar voor te waken. En als alles eraf is, nee als alles goed strak staat, nee als alles gedaan is, of lijkt te zijn, volgt er nog iets over begrafenisrituelen en de lezer weet even niet of dat nog bij de vertelling over Priţă Bocai hoort, misschien maar iets dat er achter geplakt is omdat er nog wat ruimte overschoot, ook hier geven mafheden iets te lachen. Een accordeon kan huppelen, jazz kan folky zijn en een komenvanleeftijd-roman kan nieuw genoeg lijken om boeiend te blijven. Elke lezer dient zijn hoed af te nemen voor Bocai. Maar wie geen hoed heeft, kan ook gewoon dit boek lezen.

Iulian Bocai Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu

Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu

  • Auteur: Iulian Bocai (Roemenië)
  • Soort boek: Roemeense roman
  • Origineel: Ciudata și înduioșătoarea viață a lui Priță Barsacu (2018)
  • Nederlandse vertaling: Charlotte van Rooden
  • Uitgever: De Geus
  • Verschijnt: 19 juni 2025
  • Omvang: 144 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 15,99 / € 9,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman van de Roemeense schrijver Iulian Bocai

De intelligente en nieuwsgierige Priţă Barsacu groeit op in een kansarm gezin in een Roemeens dorp aan de oevers van de Olt. Hij ontwikkelt een bijzondere fascinatie voor de natuur, en ontpopt zich als een amateurtaxonoom. In warme kleuren zet Bocai een kindertijd neer te midden van armoede en geweld, waarin de jongen zich desondanks staande probeert te houden.

Iulian Bocai is geboren op 6 maart 1986. Hij is een Roemeense schrijver en literatuurwetenschapper. Hij doceert letterkunde aan de Universiteit van Boekarest, werkt als vertaler en essayist en schreef twee bekroonde romans en een verhalenbundel. Het vreemde en aangrijpende leven van Prita Barsacu is zijn debuut.

Bijpassende boeken en informatie

Naja Marie Aidt – Oefeningen in donkerte

Naja Marie Aidt Oefeningen in donkerte recensie en informatie roman van de op Groenland geboren Deense schrijfster. Op 11 juni 2025 verschijnt bij Uitgeverij Querido de Nederlandse vertaling van Øvelser i mørke, de roman van de Deense schrijfster Naja Marie Aidt. Hier lees je informatie over de inhoud van de roman, de auteur en over de uitgave.

Naja Marie Aidt Oefeningen in donkerte recensie

  • “Net als in Het boek van Carl branden de pagina’s zich in je vast, de zinnen wikkelen zich om je hart, spannen aan, knorren en plagen je afwisselend, stimuleren je, en je verandert woord voor woord van de lezer die je bent in een vrouw van middelbare leeftijd met haar trauma’s, melancholie en verzet.” (Berlingske, ∗∗∗∗∗∗)

Recensie van Tim Donker

Het zijn van het zijnde dat het karakter heeft van het erzijn, ook maar geworpen, een geworpen zijnde. Het bestaan in gesleurd, nu heb je je zijn maar te zijn, en je kiest de omstandigheden niet. De omstandigheden waar daar al, om je heen, daarom heten ze zo, en ze blijven groeien ook waar je ze zelf niet gezaaid hebt. Ze knellen, ze drukken, ze duwen dit bestaan een kant op die niet noodzakelijkerwijs een gewenste kant is. Probeer nog maar geloof te hechten aan de fabel van vrije wil als een mens zich geworpen ziet in de omstandigheden van de hoofdpersoon uit Oefeningen in donkerte. Een vrouw, al diep de vijftig in gestombeld, duwend naar zestig, met de sporen van haar tumultueuze jeugd die in haar ziel gekerfd. De harteloze, gewelddadige vader die alles brak wat er in de knop maar te breken valt opdat dit meisje en haar twee zussen nooit meer voluit bloeien zouden. De moeder die liever wegkeek, want wegkijken is makkelijker, zolang je het niet ziet kun je nog doen alsof het niet bestaat. Eén van de twee zussen wordt later, als ze op de rand van volwassenheid staan, door de hoofdpersoon dood aangetroffen op haar studentenkamer. Het lijkt niet direct zelfmoord te zijn, er is geen afscheidsbrief, het oogt niet gepland. Misschien een overdosis. Er is hoe dan ook iets voltrokken dat jaren geleden door de beul van een vader in gang gezet is. De overlevende zussen zuipen en feesten zo hard mogelijk om het verdriet te overstemmen. Altijd feest en altijd dronken; zo ook, bijvoorbeeld, die keer dat de hoofdpersoon toen ze aardig wat in haar keelgat had gegoten in slaap viel op een bed in een huis waar ze niemand kende. Toen ze wakker werd bemerkte ze dat iemand bezig was haar te verkrachten. En later. Dit jaar nog niet. Deze eeuw nog niet. Maar later zeker misschien, een heel klein beetje liefde vinden, zomaar, op een hoopje, ergens in een hoek. Het brengt een beetje respijt. Soms is er respijt. Een man, geluk, drie zonen, een gezin. Maar dan wil de man, de vader van haar zonen, misschien liever toch niet dit familieleven, misschien liever toch een eigen leven. Alsof je de levens voor het uitkiezen hebt en slecht één daarvan echt helemaal van jou is. Misschien is er ook een ander lief, en misschien is zij wat jonger dan de moeder van je drie zonen. Misschien een beetje minder getroebleerd ook. Maakt het uit? Wat het uitmaakt is dat de hoofdpersoon van Oefeningen in donkerte nu alleen is. Alleen de jongens moet opvoeden, want de vader verdwijnt steeds verder naar de achtergrond totdat hij daarin is opgelost. En is ze niet te stuk om dit alleen te kunnen, torst ze zelf al niet een te zware last met zich mee om helemaal in haar eentje ook nog drie jongens te moeten dragen, op het leven voor te bereiden? Ze doet wat ze kan, ze loodst haar jongens naar de volwassenheid. Niemand komt er helemaal zonder kleerscheuren vanaf. De jongens niet. De moeder niet. Dat doet leven. Het scheurt. Niet alleen kleren. Want als de vrouw later, alleen, de jongens allang het huis uit, ongewild getuige is van een vreselijk voorval waarbij haar hachje er ook nog bijna bij inschiet, heeft het leven haar net die ene kaaksmeet teveel gegeven. Wat rest zijn de therapeuten. Behandelaars. Psychologen. U weet wel. Uiteindelijk komt ze terecht bij een specialist in posttraumatische stressstoornissen (die heel het boek doorheen de ptss-man genoemd wordt, wat, misschien onbedoeld, iets grappigs heeft) (of misschien ben ik dat maar, ik heb een beetje een raar gevoel voor humor, ik lach wel vaker om dingen die niemand grappig vindt) (ik herinner me nog mijn keiharde lach door een verder doodstille bioscoop om een scéne waar klaarblijkelijk alleen ik humor in zag) (die zeer waarschijnlijk ook helemaal niet komisch bedoeld was) (al een geluk dat het donker is in zo’n bioscoop) (Debby en Nadia waren daar ook, ik vroeg me af of ze mijn lach herkend hadden, ze zeiden er later op school in elk geval niks over).

Dat is waar Oefeningen in donkerte begint. Bij de ptss-man. Bij de gesprekken. Bij het trauma. Slechts met mondjesmaat, zeg beetje bij beetje, komt de lezer meer te weten. Dat is het boek, en dat is ook waarom ik het eventjes vreesde. Ik was bang voor huilerig proza, vet aangezet drama, onophoudelijke psychologiseringen. Maar het viel mee. Allermeest viel het mee. Aidt laveert juist met een zekere elegantie langsheen de grote thema’s die ze aansnijdt. Dat is in de eerste plaats te danken aan haar bijna griezelige taalbeheersing. Oké je moet wat lelijke onwoorden als “dealen”, “hooked” of “steppingstone” voor lief nemen (of zouden die uit de pen van vertaler Kor de Vries zijn gevloeid? misschien zijn die woorden niet te vinden in het orzjienele Øvelser i morke? zijn sommige talen sterker misschien, zelfverzekerder, en daarom resistenter tegen Engels?) maar over het algemeen weet Aidt een verslavend hallucinant toontje aan te slaan. Poëtisch zou een mens kunnen zeggen. Maar dat dekt nog maar de halve lading. Zangerig, zou beter zijn. Melodieus. Muzikaal. Woorden die dansen. Gegeven een zeker soort ritme. Bij momenten wisselt het perspectief naar andere bewoners van het appartementencomplex waar de hoofdpersoon woont; die vertellen dan wie ze zijn en welk appartement van hen is en welke andere bewoners er nog zijn. Dat gaat steeds in dezelfde bewoordingen, met dezelfde accenten zodat deze passages een soort intermezzi worden of, zo je wilt, refreinen. Een vrouw uit de vriendinnengroep van de hoofdpersoon was een keer op een feest waar iedereen een anekdote moest vertellen. Op dit feest wordt in het  boek een aantal keer teruggekomen, altijd zonder enig verband met het voorafgaande of met het volgende -een zekere mate van fragmentarisme is iets anders wat dit boek zo’n aangename leeservaring maakt- en de paragrafen die handelen over dat feest worden steeds met min of meer gelijkluidende zinnen ingeluid: “Zoals gezegd was Lea een keer op een feest waar iedereen een anekdote moest meebrengen, en een vrouw tikte tegen haar glas en ging staan.” (met kleine variaties in woordvolgorde en -keus). Dat lijkt in beginsel nog iets grappigs te hebben, op een flauwzinnige sitcom-manier: het suffe personage dat altijd hetzelfde soort verhalen op eenzelfde soort manier vertelt, zodat de kijker op enig moment al gaat kunnen voorspellen wat er komt als die lulligaard weer begint. Type: Cliff Clavin. Of als dat je niks zegt: denk aan je oom die boekhouder is en nooit iets meemaakt en daarom steeds maar begint over die paar dingen die hij wél heeft meegemaakt. Doch al snel weet de lezer dat de anekdote die komen gaat, verre van grappig is. Zonder uitzondering vertellen de vrouwen op het feest hartverscheurende verhalen over verkrachting, vernedering, bedrog, pijn, verwaarlozing (feitelijk zijn het ook geen anekdotes want zijn anekdotes niet per definitie grappig of op zijn minst luchtig? in ieder geval gaat het bij een anekdote om een (eenmalig) voorval en niet om ganse levensgeschiedenissen). Daardoor krijgt de houterige inleiding met dat “zoals gezegd”, dat “op een feest”, dat “iedereen een anekdote”, en dat “tikte tegen haar glas en ging staan” een heel andere lading. Iemands onvoorstelbare pijn wordt tot anekdotiek gemaakt of, misschien erger nog, onbeduidend feestjesgeneuzel, kleinpraat, vermaak, een koe, een kalf, iets wat geen speciale aandacht behoeft en wel afgedaan kan worden met de meest afgesleten woorden die een taal te bieden heeft. De tragiek is dubbel: er is iets gruwelijks gebeurd en vervolgens wordt het gebeurde (door de maatschappij? daders? mannen? de slachtoffers zelve, die ingepeperd hebben gekregen er maar overheen te stappen, het “een plekje” te geven, ermee te leven?) gebagatelliseerd tot het nog maar louter borrelpraat meer is. En de lezer zat zelfs nog een beetje te gnuiven! Oja daar heb je haar weer met haar anekdotefeestje! Gnuiver voelt zich nu betrapt: werkt hij niet net zo hard mee aan de machinerie die de pijn en de ellende van deze vrouwen het liefste tot kleinzieligheden vermaalt?

Fragmentarisme, taalkunst, het omkeren van ingesleten reacties: het zijn slechts enkele technieken waarmee Aidt Oefeningen in donkerte zijn indringende pracht geeft. Iets anders dat opvalt is dat veel van de personages in dit boek naamloos blijven. De hoofdpersoon zelve kennen we alleen als “ik”, en vrijwel al haar verwanten alleen in de rol die ze ten opzichte van haar vervullen: de oudste / middelste / jongste zoon, de moeder, de vader, de kleinkinderen, de opa, de ptss-man, de zus, de ex-man, de vader van de drie zonen. Dat werkt vervreemdend omdat je bij namen makkelijker gezichten voorstelt. Zodus blijven de personages in dit boek tot op zekere hoogte gezichtsloos, waardoor je ze ook makkelijker met elkaar verwart? Wie had nu ook alweer dat saje baantje? Was dat de oudste, de middelste of de jongste zoon? Wat zei de zus die nu in Spanje woont en waarover ging dat of wacht was het misschien toch de dode zus die dat zei? De lezer weet het niet meer zeker, en moet af en toe terugbladeren.

Dus vervreemding ook?
Ja vervreemding ook. En verwarring. Omdat je moeite moet doen om het te begrijpen. En er niet uit eerste impuls overheen walsen. Dacht ik zelf al niet dat het huilerig zou zijn, alleen omdat het ging over iets waarvoor een vrouw in therapie moest gaan, is dat niet zoals we zijn (wij mannen, wij westerlingen, wij hollanders): niet zeiken, niet moeilijk doen, herpak u zelve, ga terug op het paard (hee door mijn eigen metafoor zie ik het einde van het boek nu ineens in ander licht!).

Aidt kent haar materialen. Niet alleen verstaat ze de kunst inkt te laten schreeuwen, ook bespeelt ze de lezer als was hij een instrument. Alsof hij ook deel uitmaakt van wat ze zeggen wil. Zijn verwachtingen, zijn vooroordelen, zijn ideeën, zijn meningen, wat hij voor humor meent te moeten houden (ja mijn rare bioscooplach komt terug na vijfendertig jaar om me in mijn billen te bijten). Het anekdotefeestje, het naamloos blijven van de ptss-man, de weerzin die de hoofdpersoon voelt tegen simpele dingen als feestjes, reizen, werk – het leek me alles aanvankelijk best grappig maar later keek ik toch in een angstaanjagender gelaat. Ik acht het niet onwaarschijnlijk dat Aidt de lachreflex doelbewust heeft opgezocht. Ergens een grapje van maken heeft eenzelfde functie als het wegkijken van de moeder van de hoofdpersoon: alles waar je om kunt lachen, hoef je niet serieus te nemen.

De lezer van Oefeningen in donkerte weet zich gemangeld, uitgewrongen, ontroerd, in zijn hemd gezet, gepijnigd en totaal onthutst. En hij kan niet anders dan Aidt daarvoor ten diepste dankbaar te zijn.

Naja Marie Aidt Oefeningen in donkerte

Oefeningen in donkerte

  • Auteur: Naja Marie Aidt (Denemarken)
  • Soort boek: Deense roman
  • Origineel: Øvelser i mørke (2 februari 2024)
  • Nederlandse vertaling: Kor de Vries
  • Uitgever: Querido
  • Verschijnt: 11 juni 2025
  • Omvang: 256 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 23,99 / € 12,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de nieuwe roman van Naja Marie Aidt

Op de tweede verdieping van een appartementencomplex dat uitsluitend door vrouwen wordt bewoond, woont een vrouw van 57 jaar. Ze heeft drie volwassen zonen, ze leeft alleen en slaapt geregeld onder haar salontafel. Ze lijdt aan PTSS sinds een zeer traumatische gewelddadige ervaring. Elke week neemt ze de bus om haar therapeut te ontmoeten, en met haar vriendinnen in de buurt probeert ze de donkerte waarin ze zich bevindt te bestrijden en te hopen op nieuwe dromen.

Oefeningen in donkerte is een confronterende roman over geweld tegen vrouwen en de liefde tussen vrouwen onder elkaar, over vrouw zijn en terugkijken op jezelf als kind, tiener, jonge vrouw en volwassene. Over in het reine komen met je verleden – op je eigen voorwaarden.

Naja Marie Aidt is geboren op 24 december 1963 in Aasiaat op Groenland. Ze  is een van de meest gewaardeerde Deense auteurs. In 2017 publiceerde ze Het boek van Carl over de dood
van haar zoon, waarvan in Denemarken 50.000 exemplaren werden verkocht. Het werd genomineerd voor de National Book Awards 2019, de Kirkus Review Awards 2019 en de PEN Translation Prize 2020 en werd in veertien talen vertaald. In 2022 ontving Aidt de Swedish Academy Nordic Prize.

Bijpassende boeken en informatie