Tag archieven: Tim Donker

Anne van Amstel – De geboorte van de Trooster

Anne van Amstel De geboorte van de Trooster recensie en informatie over de inhoud van de nieuwe dichtbundel. Op 13 januari 2026 verschijnt bij Uitgeverij Prometheus het nieuwe boek met gedichten van Anne van Amstel. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Anne van Amstel De geboorte van de Trooster recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van De geboorte van de Trooster, het boek met gedichten van Anne van Amstel, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “De jury kan over de poëzie van deze laureaat kort zijn: alles in dit werk wijst naar dat ene simpele woord “waarachtig-werkelijk-overtuigend.” (Juryrapport Hollands Maandblad Schrijversbeurs)

Recensie van Tim Donker

Hoe ver kun je komen op een verkeerd been? Want dat is waar Anne van Amstel me op gezet had. Het verkeerde been. Ik dacht, ik wist niet wat te denken. Ik zag dat omslag, ik las iets over een trooster, ik dacht Dit gaat één of ander halfzacht werkje worden. Ik dacht aan esoterie, aan spiritualiteit, aan astrologie. Ik dacht aan alle dingen vreselijk. Of, al wat beter misschien, het boek van een mysticus, iets occults, zoiets als dat prachtige Year of the Inverted Star waar Matthew Kosinski onlangs mee afkwam. Wat ook nog kon, en weeral wat graadjes erger zou zijn, is zoiets als “literaire fantasy” (want dat, zo heb ik me laten vertellen, schijnt te bestaan).

Dan zou ik nu iets kunnen schrijven als “Ik begon dus met de nodige scepsis aan De geboorte van de trooster”. Maar die zin moet ik net iets te vaak uit het klavier mijner laptop rammen de jongste tijd. Bovendien is er een punt waarop “de nodige scepsis”, want, zeg nu zelf, hoeveel scepsis is precies de nodige scepsis?, een punt dus, waarop “de nodige scepsis” zoiets als weerzin begint te naderen en ik kan u zeggen dat Van Amstel dat punt aanvankelijk griezelig dichtbij leek te zijn.

Ik zeg aanvankelijk.
En ik zeg leek te zijn.

Want.

Ziet u, toen ik, hoeveel jaar geleden nu alweer, voor deze site begon te schrijven, heb ik mezelf een principe gesteld. Stapels boeken landden ineens op mijn recenseertafel. Ik was dat niet gewend. Ik was gewend mijn boeken te kopen. Of te bestellen. Niet zelden vanuit het verre Amerika. In boekhandels blader je boeken door, je leest een hiere of een daare passage; wat ik bestelde probeerde ik ook in te zien, het alles sloot een miskoop nooit uit maar wat ik kocht was te overzien en als ik het echt heel erg goed vond, schreef ik erover op een site elders. Maar de immer aanwassende recenseerstapels bevatten van alles en lang niet alles ervan behoort tot het soort literatuur dat ik doorgaans lees. Dan gaan mensen al snel wauwelen over comfortzones, of ze beginnen over een doos en dat je daarbuiten moet denken (ik zit nooit in een doos als ik denk) (ik zit sowieso vrij zelden in een doos), of weet ik veel wat, naja, wat blijkt is dat je iets waarvan je weinig tot niets verwacht toch heel mooi kunt vinden. Dus moet een besprekerken alles een kans geven, zelfs al sloft het besprekerken met lood in zijn schoenen naar zijn leesstoel, want wat heeft hij nu weer aan zijn recenseertafel gehangen gekregen, wie geeft hem dat nu, wie schrijft dat nu, wie leest dat nu, al die vragen en toch – lezen zal hij lezen doet hij. Al moet ik toegeven dat ik het minimum aantal pagina’s dat ik gelezen moet hebben vooraleer ik een boek een in mijn ogen “eerlijke kans” gegund heb steeds verder teruggeschroefd heb. Het waren er ooit vijftig. Want als de schrijver me in de eerste vijftig pagina’s niet heeft kunnen aanspreken, gaat hij het nooit doen. Misschien kiest een schrijver een wat ongelukkig begin, misschien moet je een stijl nog een beetje aftasten, misschien neemt het een beetje krijgen gewend aan, misschien komt het traag op gang, misschien moet het allerinnemendste personage nog geïntroduceerd worden, misschien behoeft het nog maar twee verhaalwendingen om het interessant te maken maar in vijftig bladzijden moet dat alles toch wel bekeken zijn, niet? (mijn ooitmalig buurman, Sergio, had het over nog veel meer pagina’s, een honderdtal docht mij, of meer nog, ik kan het hem niet meer vragen hij is mijn buurman niet meer hoewel ik het was die wegging maar dat heeft me altijd al vrij veel geleken), naja, met zoveel stapels te gaan nog, het kan ook wel minder dan vijftig bladzijden zijn misschien, wat zou ik me moe worstelen terwijl er verder naar onderen in de stapel nog veel moois ligt te wachten misschien, een bladzijde of dertig of twintig of tien is ook wel genoeg om een gefundeerde mening te vormen nietwaar?

De geboorte van de trooster krijgt dus in ieder geval mijn aandacht gedurende een pagina of wat, Anne van Amster schreef bovendien Trapezista en dat boek herinner ik mij als lang niet kwaad. Zwijgen dus en lezen nu.

Er is een Parakleta die “met de trage hartslag van een vinvis” “haar baan om de aarde” zwemt; een bladzijde later stelt AvA (waarin men moeiteloos Anne van Amstel herkent) de vraag: “Wat is er geworden van de kinderen die hun juf zagen ontploffen?”. Oké. Ik ben geïntrigeerd. Het lezen is geen werk meer nu, niet langer het principieel halen van een quotum. Het lezen is nu gewoon lezen. AvA heeft me bij de hand genomen en voert me mee.

Hier wordt het verhaal verteld van Elisabeth Dorothea Parr. Ook gekend als Lili. Ook gekend als Parakleta. Ze werd te vondeling gelegd bij een nonnenklooster, bleek al snel een voorlijk kind te zijn. Ze sloeg drie klassen over en werd op Concord High leerlinge van Christa McAuliffe, de lerares die in 1986 aan boord was van de spaceshuttle Challenger die kort na de lancering ontplofte. Het was de bedoeling dat McAuliffe via het project “leraar in de ruimte” kinderen vanuit de ruimte zou onderwijzen en ze op deze manier ook warm zou maken voor ruimtevaart. Zodoende werd er op veel scholen naar de lancering gekeken; massa’s kinderen waren getuige van de ramp. Ik wist dat eerlijk gezegd niet, of als ik het wel wist (ik was twaalf toen dit gebeurde) ben ik het weer vergeten. Maar de ramp met de Challenger was echt, en ruimtevaart bestaat, en nonnen bestaan, en televisie bestaat, en Amerika bestaat, en met al deze elementen smeedt Anne van Amstel, p’don ik bedoel natuurlijk AvA een “poëtische novelle” (welja) die me in beginsel niet direct esoterisch leek. Lili, zoals astronaut Elisabeth Dorothea Parr liefkozend wordt genoemd (evenals haar jammerlijk omgekomen juf meteen een publiekslieveling), heeft tot taak een ISS-module te repareren. Hiervoor moet ze via een mangat het ruimteschip verlaten; al zwevende de reparatiewerkzaamheden uitvoeren. Vanover heel de wereld wordt gekeken hoe Elisabeth uit het ruimteschip komt. Ze spreekt de aarde toe. “I love you all. Don’t ever forget that now.”, zegt ze. Dan gespt ze haar “lifeline” los. En weg zweeft ze. Weg van het ruimteschip. Weg van de aarde. Weg van de mensheid.

Omdat de hele wereld toekijkt, heeft de hele wereld een mening over wat er daar gebeurde. Deskundigen zijn uiteraard niet meer weg te branden van de buis, want only an expert can deal with the problem. Laurie Anderson zei het al. Al snel wordt duidelijk dat Lili zich opzettelijk losmaakte, er kan geen sprake zijn van een ongeluk. Is het zelfmoord of andere waanzin? Deskundigen bemoeien zich, de president van Amerika bemoeit zich, landen nemen stelling, burgers hebben stellige meningen. Er zijn er die in Parakleta, zoals Lili al snel komt te heten, een martelares zien, een ziener, een heilige. Miljonairs zien er de allerultiemste zelfmoord in en zijn bereid grote bedragen neer te tellen voor hun eigen “ruimtesuïcide”. Er zijn er natuurlijk ook die Parr als uitschot zien, een aanstelster die ondenkbaar egocentrisch drama heeft gemaakt en daarmee heel veel belastinggeld verspilde. Er komen duiders. Wat betekende een vlag die ze vasthield? De duif? Vredesduif of iets anders nog? Commercie springt erop in; duiven zijn niet meer aan te slepen. Televisie doet vierentwintig uur per dag verslag van alles wat maar enigszins te maken heeft met Lili. Leeft ze nog? Hoelang kun je eigenlijk overleven, zwevend in de ruimte? Waarom deed ze wat ze deed? Er is rep. Er is roer. De president wil Lili uit haar baan schieten. Massale verontwaardiging, demonstraties, duiven die op alle pleinen in de wereld de lucht ingelaten worden, oproerpolitie die gericht schiet, eerst op duiven, later eenvoudigweg op burgers. Soon there will be shooting at unarmend men, en dat is ook een hele goede seedee.

Hierin is De geboorte van de trooster sterk, heel sterk. Het toont heel duidelijk de drie gangbare manieren waarop er altijd weer gereageerd wordt op internationale gebeurtenissen. Totale onderwerping, devotie, kritiekloos geloof (bijvoorbeeld in het heersende discours, in wetenschap, in overheden, in (een nieuwe) religie); alles op het fanatieke af zodat andersdenkenden of sceptici almeteens als moreel verwerpelijk worden gezien (of “wapppies” voor die materie). Dat is één manier om om te gaan met gebeurtenissen die het gemiddelde voorstellingsvermogen te boven gaan. Een andere heeft te maken met hebzucht. Gewin. Materialisme. Als verklaringen niet meer toereikend zijn, laat de economie het dan maar overnemen. Als je er niets aan kunt veranderen, kun je er altijd nog aan verdienen. Het boek laat zich gedeeltelijk lezen als televisieverslagen; verslagen die veelvuldig worden onderbroken door reclameboodschappen. Ook ellende kan geld genereren (juist ellende misschien zelfs wel). De laatste manier is favoriet bij overheden: repressie. Geweld. Onderdrukking. Alles wat we niet begrijpen, slaan we dood. Wat afwijkt, moet geëlimineerd worden. Wees niet die eigenwijze Nederlander – Rutte zei het al. Het moet in een hokje. En anders moet het maar kapot.

Maar omdat Parakleta ook wijd en zijd vereerd wordt, zegt De geboorte van de trooster ook veel moois over religie. Misschien raakt het via apocriefe en deuterocanonieke boeken (wat wel en niet tot enige bijbel mag horen is iets dat me altijd gefascineerd heeft), hindoeïstische en tantrische geschriften aan theosofie (er moet een oerbron zijn waaraan alle oerbronnen ontspruiten); een gedacht waardoor Yann Martel zich ook al liet inspireren toen hij Zoon van Niemand schreef. Parakleta is echter onmiskenbaar een vrouw, dus AvA zegt vooral veel over thealogie. Waarom zijn zoveel religies zo buitengemeen patriarchaal? Wat heeft het voor betekenis om het goddelijke als vrouwelijk te denken? In één van haar noten (het notenapparaat moet u vooral niet overslaan want het bevat echt heel veel interessants) schrijft Van Amstel: “Allah en Jahweh hebben officieel geen gender, ook de christelijke God niet, maar in praktijk zijn er maar weinig gelovigen die niet spreken van ‘Hij’ en ‘Hem’, een grammaticale vorm die het godsbeeld sterk heeft beïnvloed.” – zou het door religie gekatalyseerde sexisme louter een gevolg van grammatica zijn? En omdat Parakleta naastenliefde en begrip predikt, zegt De geboorte van de trooster natuurlijk ook zo wat over oorlog en vrede, en de agressieve aard van het mensdier.

Al vind ik de passages waarin Parakleta sprekend opgevoerd wordt, niet het sterkst in De geboorte van de trooster.

Sja.

Ik weet niet.

Kun je de grenzen van de geloofwaardigheid tarten zonder de maatschappijkritische laag aan te tasten? Ja er is metaforiek, er bestaat zoiets als symbolisme. Je kunt ook op indirecte wijze een punt maken. Science fiction, surrealisme en absurdisme kunnen heel goed over een konkrete leefomgeving, en een specifieke tijd gaan. Maar hier wringt het naar mijn gevoel toch een heel klein beetje. Een vrouw die feitelijk allang dood had moeten zijn, spreekt heel de wereld toe. En de hele wereld luistert. En Parakleta lijkt ook te weten wat er op aarde speelt, dus de communicatie werkt beide kanten op. Zoals het een echte God betaamt ja. Maar als God spreekt, luistert lang niet iedereen en zelf lijkt hij af en toe toch ook wel een beetje Oost-Indisch doof (mag deze uitdrukking nog of is dat langzamerhand veel te onwoke geworden?). Het is ook een beetje obligaat, zo’n messias die verkeerd begrepen wordt, een roepende in de woestijn is. Met monologen die mij ook iets te prekerig zijn. Maar misschien kun je een domineesdochter die het evangelie wil vernieuwen het niet euvel duiden af en toe te preken.

Maar er is nog iets, en dat heeft te maken met taal. Zolang Parakleta zwijgend in de ruimte zweeft, is ze voorwerp. Iedereen speculeert, analyseert, vormt meningen, fulmineert op sociale media of dweept ongebreideld met Parakleta. Dat is hoe dingen gaan, en dat is waarom De geboorte van de trooster zo sterk is. Maar kan er een teveel aan taal ontstaan? Zegt Jan Arends niet “Een boom is geen taal. Een getekende boom is taal.” (ja dat zegt Jan Arends wel, in Lunchpauzegedichten zei hij dat en dat weet je allemaal best, Donker, dus stop te vragen naar de bekende weg – uw moeder moest dat vroeger al iets te vaak tegen u zeggen toen gij nog een kinderken waart). Zo ook is Elisabeth Dorothea Parr geen taal, Parakleta is taal. Maar als zij als taal nog begint te spreken, wordt het teveel taal. In plaats van als symbool aan ieders fantasie te appelleren, drukt ze zich woordelijk uit. Daarmee wordt Parakleta als fenomeen gedeeltelijk gedemystificeerd, Wat ze zegt, verschilt daarenboven niet zoveel van wat menig een messias voor haar al zei. Langs de andere kant heeft Van Amstel door deze grenzen van de taal te bewandelen, weliswaar onbedoeld, misschien wel eenvoudigweg nog een laag aan De geboorte van de trooster toevoegd.

Waar een klein boek vol van kan zijn. Waar het van overloopt. Filosofie, religie, politiek, poëzie, wetenschap, feminisme, geschiedenis. Dat. Hoe wonderschoon dat toch is. Dat is literatuur, mensen. Dat kan allemaal met literatuur. Hou allemaal onmiddellijk op met dat kijken naar dat Netflix van jullie. Ga lezen. Te beginnen met De geboorte van de trooster.

Anne van Amstel De geboorte van de Trooster

De geboorte van de Trooster

  • Auteur: Anne van Amstel (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Prometheus
  • Verschijnt: 13 januari 2026
  • Omvang; 96 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 21,99
  • Boek bestellen >

Flaptekst van de nieuwe Anne van Amstel dichtbundel

Met de trage hartslag van een vinvis
zwemt Parakleta haar baan om de aarde.

In De geboorte van de Trooster gaan we de kosmos in, vondeling Lily achterna. Ze is een leerling geweest van juf Christa, die omkwam bij de ramp met de spaceshuttle Challenger. Lily zelf wordt ook astronaut, maar wat gebeurt daar voor het oog van de wereld bij het ruimteschip? ‘Mijn God, ze is los!’ Zo wordt ze Parakleta, middelaar, toevlucht, trooster voor de belaagde mens.

Anne van Amstel heeft in haar werk altijd haar betrokkenheid bij de wereld van vandaag laten zien. Maar in dit wonderbaarlijke werk – is het poëzie, proëzie of nog iets anders? – ontpopt ze zich tot apostel. Thealogie vervangt theologie in dit overrompelende, onheilige nieuwe evangelie; een goede boodschap in kwade tijden.

Anne van Amstel is geboren in 1974 in een domineesgezin te Hoogeveen. gezondheidszorgpsycholoog, docent postdoctoraal onderwijs en dichter van vier bundels, van Het oog van de storm (2004) tot en met Trapezista (2022). Ze woont sinds haar studietijd in Amsterdam.

Bijpassende boeken en informatie

Ton Naaijkens – Mondruimtes & matroesjka’s

Ton Naaijkens Mondruimtes & matroesjka’s recensie, review en informatie boek met en over actuele Duitstalige poëzie. Op 15 december 2025 verschijnt bij M10Boeken het boek van Ton Naaijkens over nieuwe Duitstalige poëzie. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteurs en over de uitgave.

Ton Naaijkens Mondruimtes & matroesjka’s recensie

De zon komt op in het oosten. De poëzie gaat onder in het westen.

Nee. Dat is niet waar. Maar toch. Waarom lijkt de Noordzee hier zo grijs, waarom lijkt de Nederlandse poëzie zo vlak, en waarom worden hier dingen gezegd als gewoon is al gek genoeg? Vanwaar dat wantrouwen tegen alles dat afwijkt van de norm? Waarom is de literatuur in bijna elk land dat niet Nederland heet almeteens een pak of twee avontuurlijker? Zelfs in Duitsland? Ja zelfs in Duitsland natuurlijk in Duitsland vooral misschien wel in Duitsland.

Ton Naaijkens komt met een mooi overzicht van actuele Duitse poëzie. Vierendertig dichters. Waarvan achttien vrouwen en zestien mannen, al zie ik niet zo goed in hoe dat relevant is. Sommige ervan kende ik: Barbara Köhler, Elke Erb, Daniel Falb, Monika Rinck, Ulf Stolterfoht, Paul Celan, Ron Winkler en Friederike Mayröcker ja natuurlijk Friederike Mayröcker zeker Friederike Mayröcker vooral Friederike Mayröcker om eerlijk te zijn zou ik heel dit boek misschien niet eens gekocht hebben als Friederike Mayröcker niet opgenomen zou zijn.

Anderen. Velen. Kende ik niet.

Kun je kennen leren.
Kun je groenkamer van de godin.
Kun je ontmoetingen wel.

Denk aksie.
Denk waar dingen vrij komen.
Waar je ont-moet, niks meer hoeft, daar waar dingen vrij komen, daar gebeurt poëzie.

Daar loopt. Daar gaat.

Ben ik het maar, of lijkt in deze en in alle andere poëzie die niet Nederlands is veel meer beweging te zitten? Of alle andere poëzie gaat, loopt, wordt, waar de Nederlandse poëzie staat, zit, is.

Was wordend ooit. Maar nu niet meer.

Maar dit hier.

Hoe het van de pagina’s spat. Kom daar eens om. Zie dat eens. Lees. Beleef het.

Als dit de aktuele stand van zaken is in de Duitse poëzie, dan is de Duitse poëzie speels, rebels, dadaïstisch, surreëel, anarchistisch, hermetisch, duister, wild, eigenzinnig, losbandig en post-post-post-watdanook. Hier wordt gespeeld met klank, met ritme, met taal, met lagen, met betekenis, met muziek, met woorden, met beelden, met alles waarmee poëzie tot spreken nee tot schreeuwen nee tot zingen nee tot zeggingskracht komt.

Het ruist in je oor.
Het is het oceaangroen, en het vuur.
De pauzetekens van de nacht.
Het paginaglimpje van de growzosnel.
Al wat stuk voor stuk smelt op je tong.
De kers waar je van houdt.
De nacht voor nacht in palintrope harmonie.
Hoe het firmament ferm is (het is gewis).
Het knagen en in elkaar draaien.
De ademende ondergang.
Een drieogige raaf en één lange klinker.
Een leren tas die jouw leven was.
De stad die de mond ruimte is.
De as in het centrum die nog warm is.
De plakken gember de muskaatbouillon de 20×20 cm grote stoeptegels.
Vertaalbaarheid, helder als glas.
En honende honingprotocollen.
Of elke willekeurige bestaande taal.
Je handen suiker geven.
Een vluchtige mondholte propvol op dit spitsuur.
Het zet wat stuk is gelezen over.
Wat hemels is de wereld zo o wielen op wielerspoor.
Linguïstiek die niet droog is maar vochtig (een broek kan alleen in het Duits dood zijn).
Een uit spellingswoordenboeken uit de ramsj in elkaar geflanst hutje.
Algoritme dna broeikas.
Amper drie kilometer van het paradijs.
Het tikken van de aardappels in de provisiekamer.
De springstofzetter die schreeuwt om een idioom.
De roerloze boom die valt uit de tijd.
De geluiden op welke plek van je lichaam (het kloppen van de verwarming).
De vogel de mens de zee.
Het vliegen in een twaalfzitskano.
Kuit. Schieten. Overschot. Overloop.
Het klokkenspel van de peren dat alarm slaat.
Een kleine bonte homp donkerte.
De broodvissen die zeggen stofwisselende namen.
Stoplichten tussen a en b.
Nachtschadegewassen.
Een uitgestoten sleutel.
Het niet meer op zoek naar de orgonvrucht der wijzen.
De grote breuk. De tijd die omhoogkomt.

Dat dit het is. Dat alles en dit het is. Dat veel meer nog dan dit het is. Ik kan je niet zeggen wat het is. Veel meer dan dit en dan dit alles nog is wat het is.

Het is zo boventalig zo overtalig zo veeltalig omdat het veel meer is dan alleen maar één taal (hoe dit Naaijkens dit heeft kunnen vertalen, de creativiteit die dat gevergd heeft, je moet er wel bewondering voor hebben). Het is veel meer dan Duits bovendien. Een flinke porsie van dit boek bevat de Duitse originelen, en dat leek me eerst nog een beetje overbodig. Maar ik vond me daar waar de taal overkookte, uit de rails liep of uit klauwen ging toch geregeld terug denkend Wat zou daar in het Duits gestaan hebben? En dus spiekend. Bladerend. Kijkend. Niets overbodig achtend.

Een diepe buiging dus, voor m10boeken omdat Mondruimtes en matroesjka’s zo prachtig is uitgegeven. Met harde kaft, leeslint, bijna vijfhonderd pagina’s poëzie, waarvan een flink gedeelte Duits ja maar je gaat dat willen inzien, niet alle gedichten en ook niet regel voor regel nee maar je gaat toch blij zijn met de Duitse versies.

En een even diepe buiging nee een nog diepere buiging voor Ton Naaijkens. Die zocht, verzamelde, vertaalde. Die de prachtigste poëzie blootlegt voor iedereen die geen Duits kan, wil of wenst te lezen (eigenlijk vind ik Duits een hele moje taal, zoveel mojer dan Frans of Italiaans, mojer misschien zelfs wel dan Nederlands of Engels maar toch, allicht vanwege mijn frustraties op de middelbare school, krijg ik hoofdpijn als ik langer dan een kwartier Duits lees). “Misschien had ik Erich Arendt, Rolf Dieter Brinkmann, Nicolas Born, F.C. Delius, Ernst Meister […] [o]f Uwe Kolbe, Franzobel, Dana Ranga, Silke Scheuermann, Wolfgang Hilbe [en] Peter Waterhouse [ook moeten opvoeren]?’, vraagt Naaijkens zich in zijn nawoord af. Ja, Naaijkens, doe. Voer op. Nog een boek als dit. Delius en Hilbe en Meister ken ik toevallig en die zijn geweldig, en al die anderen wil ik graag ontmoeten. Dus. Meer. En nog. En voorts. Dat soort boek is Mondruimtes & matroesjka’s. Het soort boek waarvan je nooit genoeg hebt. En wie met een boek van deze omvang de lezer alsnog met zo’n enorme honger naar meer kan achterlaten, heeft toch echt wel iets goed gedaan.

Recensie van Tim Donker

Ton Naaijkens Mondruimtes & matroesjka's

Mondruimtes & matroesjka’s

Actuele Duitstalige poëzie

  • Auteur: Ton Naaijkens 
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: M10Boeken
  • Verschijnt: 15 december 2025
  • Omvang: 480 pagina’s
  • Afmetingen: 18,6 x 24,9 x 4,8 cm
  • Gewicht: 1075 gram
  • Uitgave: gebonden boek (met leeslint)
  • Prijs: € 39,50
  • Boek bestellen >

Flaptekst boek van Ton Naaijkens over actuele Duitstalige poëzie

In ‘Mondruimtes & matroesjka’s’ biedt Ton Naaijkens een eigen, actuele blik op de hedendaagse Duitstalige poëzie – niet door erover te vertellen maar door haar via vertaling te tonen. Het gaat om nieuw of recent werk van 34 dichters, achttien vrouwen en zestien mannen, verzameld uit evenzovele bundels die bepalend waren voor hun stem – en voor de poëzie zelf, ook internationaal.
Hun werk wordt niet via een zogenaamd representatieve selectie voorgesteld, maar met een substantieel onderdeel ervan: een cyclus, een lang gedicht of een samenhangende reeks gedichten. Daarover werd met de betrokken dichters wel gecommuniceerd, maar de keuze blijft uiteindelijk subjectief en werd vooral bepaald door voorliefdes en persoonlijke betrokkenheden van Nijhoffprijswinnaar Naaijkens, die zo bovendien een inkijkje biedt in zijn zowat vijftigjarige loopbaan als lezer en vertaler.

Voor de kroon daarop worden hier voor een flink deel ongepubliceerde vertalingen voorgesteld van Marcel Beyer, Nico Bleutge, Yevgeni Breyger, Sonja vom Brocke, Paul Celan, Mara-Daria Cojocaru, Róža Domašcyna, Ulrike Draesner, Elke Erb, Daniel Falb, Karin Fellner, Franziska Füchsl, Durs Grünbein, Thomas Kling, Barbara Köhler, Gregor Laschen, Friederike Mayröcker, Anna Julian Mendlik, Brigitte Oleschinski, Oskar Pastior, Steffen Popp, Monika Rinck, Ulrike Almut Sandig, Lea Schneider, Raoul Schrott, Daniela Seel, Lutz Seiler, Ulf Stolterfoht, Yoko Tawada, Hans Thill, Julia Trompeter, Christoph Wenzel, Ron Winkler en Uljana Wolf.

De bloemlezing bevat bovendien nadere informatie over de dichters van telkens honderd woorden, is tweetalig en voorzien van twee leeslintjes.

Ton Naaijkens is geboren in 1953. Hij is vertaler, essayist en redacteur van Filter, tijdschrift over vertalen en Terras, tijdschrift voor internationale literatuur.

Bijpassende boeken en informatie

Han Kang – Ik leg de avond in een la

Han Kang Ik leg de avond in een la recensie en informatie boek met gedichten van de Zuid-Koreaanse schrijfster en Nobelprijswinnaar. Op 3 december 2025 verschijnt bij Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar voor het eerst een Nederlandse vertaling van gedichten van Han Kang. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Han Kang Ik leg de avond in een la recensie

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Ik leg de avond in een la, de dichtbundel van Han Kang, de schrijfster uit Zuid-Korea en Nobelprijswinnaar, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “Deze gedichten (…) verbeelden een onvertaalbare Koreaanse ziel die het metafysische en het intieme met elkaar vermengt.” (Le Monde)

Recensie van Tim Donker

De mens denkt. De mens schrijft. De mens denkt en schrijft over haast wel alles. Zo kon mijn oog laatst vallen (ja het viel) op een artikel in nY over het neokoloniale geweld dat schuil gaat achter de keuzes die vertalers maken (god dat blad wordt met elk nummer woker en woker, ja woker nog dan woke en sowieso veel te woke naar mijn zin). Er zou, zo vermelden de schrijvers, in Amerika oproer zijn ontstaan over de Engelse vertaling van Han Kangs roman De vegetariër. Het Koreaanse origineel was eenvoudig en afgemeten; de Engelse vertaling (veel te) bloemrijk. Ik zou even een middagje moeten peinzen om te bedenken hoe er kolonialistische motieven aan ten grondslag kunnen liggen om het kale naar het bombastische te transformeren maar de mens denkt en de mens schrijft en de denkende mens denkt over de schrijvende mens en schrijft daar dan weer over, en als auteurs prijzen winnen en potten breken, valt er alleen nog maar meer over te denken en meer over te schrijven en zal ook een slechte vertaling méér moeten zijn dan zomaar een slechte vertaling.

Maar nobelprijs of geen nobelprijs, Han Kang vloog de langste tijd onderdoor mijn radar en Ik leg de avond in een la is feitelijk mijn eerste kennismaking met haar werk. En ophef of geen ophef, ik wist niet meteen wat te denken van de gedichten in deze bundel.

Misschien juist omdat het poëzie is, en omdat Kang is begonnen als dichter, en deze Ik leg de avond in een la er dus al vóór alle ophef was. Gedichten van bijna dertien jaar oud, het origineel kwam uit in 2013, er was van een De Vegetariër nog geen sprake, en Han Kang was gewoon maar iemand die dichtte en dacht in Korea, en een bundel bijeen pende die ze Seorab-e jeonyeog-eul neoheo dueodda noemde en misschien is dat ook wel mojer, en minder gezwollen dan Ik leg de avond in een la, wie weet.

Kang opent met een voorwoord. In de vorm van een gedicht. “Sommige avonden waren doorzichtig. / (Zoals de dageraad soms is.)”, en zulke avonden zijn er, toch?, in de lente vaak, of aan het begin van de zomer, maar ook een winteravond kan zo zijn (als nu bijvoorbeeld een reiziger), een mens zit, een mens leest, een mens denkt, een mens denkt ja, ja denkt een mens, ja Han Kang, inderdaad, sommige avonden zijn doorzichtig, en waarder nog, dat, door het in de verleden tijd te zetten, kijk terug naar je kindertijd, toen waren bijna alle avonden doorzichtig, niet?, of in retrospekt toch, sommige avonden waren doorzichtig, hoe waar en wat zeg je dat mooi Han Kang, denkt de mens die zit, de zittende denkende lezende drinkende mens.

Maar dan gaat dat slechts vierregelige voorwoordgedicht verder: “In het midden van de vlam / lag een ronde verlatenheid.”, en dan weet de zittende denkende lezende drinkende mens niet meer zo goed wat hij peinzen moet. Is het midden van een vlam rond of spits?, de zittende denkende lezende drinkende mens weet het niet direkt, heeft ook geen vlam voor handen, kijkt om zich heen om te zien of er iets is dat hij in de fik kan steken, proefondervindelijk lezen, er is niks dat hij in de fik kan steken. Hoe zit het ook alweer met vuur en hitte, en geel en rood, en wat is ook alweer het heetst, was het midden niet het koelst?, waarom heb ik ook mijn exacte vakken al meteen in drie mavo laten vallen?, hete gassen, zuurstof, verbranding, is het midden van een vlam alleen en de rest van de vlam een eenheid, was er ook niet iets met blauw?, kan vlam hier staan voor menselijke samenstellingen, de mens in het midden op zijn eentje, allen errond samen?, of is dit pure poëzie, poëzie om de poëzie, poëzie die alleen maar mooi wil zijn, geaaid wil worden, ik wil de rock ’n roll ajen, wie schreef dat ookalweer, Jose Maria Sanz zong het maar hij schreef het niet.

Het triviale. Het spirituele. Waaraan raakt deze poëzie? Kang kijkt naar de damp die opstijgt van een kommetje rijst en dat jaagt bij haar gedachten aan over vergankelijkheid. Dat lijkt wat obligaat maar dan eindigt het gedicht met een laconiek: “Ik at mijn rijst”. (en dus: ik at mijn zware gedachten op? ik stapte over mijn kontemplasie heen? ik richtte me op mijn direkte noden?). Prozaïsche poëzie?

Of. Verder. “Lente is lente // adem is adem // ziel is ziel.” Wat dan ook weer zoiets is. Konkrete dingen zoals lente en adem zijn gewoon wat ze zijn, maar ziel? Kun je überhaupt wel stellen dat ziel “is”. Ergens in de pijnappelklier misschien? (ha!). Stelt Kang het banale gelijk aan het metafysische of andersom? Je weet het niet. Ik weet het niet. De zittende denkende lezende drinkende mens weet het niet.

Wel. Misschien. De plekken waar je poëzie kunt zien liggen, de meesten stappen daar gewoon overheen. Wanneer dacht jij voor het laatst aan Mark Rothko? Kang schrijft: “Al is het overbodig om toe te lichten / er bestaat geen enkel verband tussen Mark Rothko en mij // Hij werd geboren op 25 september 1903 / en stierf op 25 februari 1970 / Ik werd geboren op 27 november 1970 / en ben nog in leven / En toch / komen de negen maanden / die zijn dood en mijn geboorte van elkaar scheiden / nu en dan bij me op // Een paar dagen voor of na / de vroege ochtend waarop hij in het keukentje van zijn atelier / zijn polsen doorsneed / bedreven mijn ouders de liefde / en niet veel later / vormde een stipje leven zich / in de warmte van een baarmoeder / aan het einde van die winter, zijn lichaam nog intact / op een begraafplaats in New York”; hoe jouw geboorte een zwangerschapsduur verwijderd is van de dood van een (naar ik aanneem) bewonderd kunstenaar, hoe daar allicht, als je erover nadenkt, iets van poëzie in te zien is, ik zie dat wel, maar ik zag het pas nadat Kang het me aanwees.

Leven en dood maken vaak hun opwachting in haar gedichten.

Alle doden die je kunt sterven: “Geen zorgen / ik heb negen levens / misschien wel negentien of negenennegentig”, en dus: “Zodra ik mijn ogen open na mijn achtennegentigste dood / zal ik mijn rug, gekromd als een foetus, hol maken / en me weer laten vallen” – en dat in een gedicht dat Circusvrouw heet en dat opent met een halfnaakte vrouw die, omwikkeld met een rode doek, zwevend in de lucht hangt. Geen zorgen dus, want de dood is maar een circusact? En wie dood is (en let wel: “het [is] fijn om dood te zijn / zo stralend, zo gewichtloos / als dons”) kan nog te maken krijgen met de kleinste probleempjes: dat je, bijvoorbeeld, niet in staat bent om een moje blauwe kiezelsteen op te rapen uit een beekje. Omdat je dood bent, weet je wel.

En je denkt. Zittend en lezend en drinkend denk je het wel. Langzaamaan in de smiezen te krijgen. Kang is hier om ons te laten zien dat het surreële veel dagdagelijkser is dan wij denken, en, omgekeerd, dat het dagdagelijkse zoveel surreëels bevat waaraan wij ziende blind voorbij lopen.

Of toch niet?

Een gedicht bestaat uit maar twee regels: “Een jonge vogel vloog voorbij / Mijn tranen waren nog niet droog”. Dat is geen surrealisme. Dat is ook geen dagdagelijksheid. Is het -slik- natuurpoëzie dan wat er hier de klok slaat? Toch is ook hier een zekere ontregelende mafheid niet veraf: de titel van dit hele korte gedicht is: Dertig mei tweeduizendvijf, de zee van Jeju half in de lentezon. De schubben van de wind overladen min huid met zout en ik denk: vanaf nu is het leven een cadeau

:

en:

jajaja. zout op mijn huid jajaja. benoîte groult. jajaja. het leven is een cadau. jajaja. je moet het niet verspillen. jajaja. maar wat kun je doen dat niet “het verspillen” is? jajaja. (can’t you even have coffee anymore?!). maar ik dacht aan dat singeltje dat ik had toen ik een jaar of vijftien zestien was, het singeltje van twee seconden. op de a-kant stond you suffer van napalm death. totale speelduur 0:01. de b-kant had electro hippies met mega armegeddon death part 2. totale speelduur: eveneens 0:01. en ooit zag ik napalm death you suffer live brengen, en de zanger was langer bezig om het lied aan te kondigen dan de band bezig was om het te spelen. waarmee ik maar wil zeggen: ik weet niet of ik deze pseudo-haiku van Kang goed vind en ik weet ook niet of ik die wat melodramatische titel wel smaken kan, maar de idee van een gedicht dat vele malen korter is dan de titel die het draagt vind ik alvast fantasties.

Dus wat het is. En weet de zittende denkende lezende drinkende mens het al? Zijn het kontemplasies over leven dood tijd zijn, zijn het metafiese vragen of dagdromerijen of slaapwandelingen? Is het gemijmer, de stilte die de storm vooruit gaat, een kiezelsteen die je maar niet kunt oppakken, een wolk in een broek? Of toch gewoon maar dikke brol?

Of een avond die geruisloos naar binnen spijpelt (en hoeveel van zulke avonden zijn er niet?).

Of gaat alles steeds maar over het leven dat je gebeurt terwijl jij andere plannen maakt?

Of verkent Kang de randen waarlangs poëzie vervluchtigt?

(om het te bewaren voor het verdwijnen kan?)

(als de avond in een la?)

En wat te maken van een gedicht dat Zelfportret. Winter 2000 heet en dat leest als een tragische sage die zich niet direkt lijkt af te spelen in 2000, en ook niet echt in de winter.

Of van de idee dat het aan de overkant van de spiegel winter is, en dat geesten neerstrijken in je ogen en heen en weer wiegen en beginnen te neuriën. Sommige dromen hebben het gewicht van een geweten.

(denkt u: een bezwaard geweten of een zuiver geweten?)

Of van een ineens heel erg fimies beeld, of zou ik zeggen een Heel Erg Filmies Beeld (HEFB, kan dat nog wat worden in deze aan acroniemen verslaafde tijden?) van een dode vogel langs een snelweg ergens in Amerika; iedere keer als er een gigantiese vrachtwagen voorbij dendert wajen zijn vleugels op. Dat zie je voor je, toch? Dat zie je toch zo voor je, lezer? Dat zou het openingsbeeld kunnen zijn van een of andere beklemmende, broeierige, lichtelijk bizarre woestijnfilm (bestaat dat als genre?) met mannen die hoofdzakelijk zwijgen. En met filmmuziek van Calexico.

En gesproken van muziek: een gedeelte van deze bundel las ik met Terre Sacer van Mark Molnar komend uit mijn telefoon (de cd EXO waarop dit straffe werkje te vinden is, moet mijn collectie vooralsnog helaas ontberen) en dat is muziek gelijk een ademhaling (vooropgesteld dat je violijnen zou kunnen ademen); en, zo bedacht ik, bedacht zittende denkende drinkende lezer, zo ook zou deze poëzie kunnen zijn: ademhalingen voor wie avonden kan ademen.

Daarmee bevat Ik leg de avond in een la helaas ook wel wat waaraan je al te gemakkelijk voorbij zou kunnen lezen. Hoe vaak concentreer je je immers op je ademhaling? Hoe vaak zie je een blad dwarrelen in de wind? Hoe vaak herinner je je een droom? Hoeveel avonden gingen voorbij voor je ze in een la kon leggen?

Misschien moet je deze bundel lezen als levensles.
Misschien moet je Ik leg de avond in een la enige tijd in een la leggen om te rijpen.

Dit is poëzie die zich niet onmiddellijk laat kennen. Soms bloedmooi, soms een groot vraagteken. Maar ik ben nu zeker benieuwd geraakt naar haar proza. En misschien ga ik De vegetariër wel in het Engels lezen. Eens zien waar het oproer over gaat.

Han Kang Ik leg de avond in een la

Ik leg de avond in een la

  • Auteur: Han Kang (Zuid-Korea)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Origineel: 서랍에 저녁을 넣어 두었다 (2013)
  • Nederlandse vertaling: Mattho Mandersloot
  • Uitgever: Nijgh & van Ditmar
  • Verschijnt: 3 december 2025
  • Omvang: 112 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 20,00
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de Han Kang dichtbundel

Han Kang onthult de volle pracht van haar schrijfstijl in deze dichtbundel, de eerste die in het Nederlands is vertaald. Ze roept de kleur van het einde van de dag op, de kou en de afwezigheid. Ook het lichaam komt aan bod, soms verzwakt, soms waakzaam voor de spiegel. De maan is vreemd, de herinnering aan de doden neemt de huizen over. Tot het licht terugkeert, tot vrouwen en mannen het duister verlaten.

Na het enorme succes van haar romans nodigt Han Kangs poëtische werk ons uit om een nieuw facet van de verbeeldingskracht van deze grote Zuid-Koreaanse schrijfster te ontdekken – een facet dat resoneert met haar verhalende werk. De thema’s en de oneindige verfijning van haar verzen maken Ik leg de avond in een la een essentiële onderdompeling in haar unieke wereld.

Han Kang is geboren op 27 november 1970 in Gwangju, Zuid-Korea. Ze studeerde aan de Yonsei Universiteit in Seoel, Zuid-Korea. Ze won vele nationale en internationale prijzen voor haar werk, waaronder de International Man Booker Prize voor de wereldwijde bestseller De vegetariër. Ook Mensenwerk en Wit werden lovend ontvangen. Momenteel doceert ze creatief schrijven aan het Seoul Institute of the Arts. Haar nieuwe roman Ik zeg geen vaarwel is in 2023 verschenen. In 2024 won ze de Nobelprijs voor de Literatuur ‘voor haar intense poëtische proza dat historische trauma’s onderzoekt en de kwetsbaarheid van het menselijk leven blootlegt’.

Bijpassende boeken en informatie

Evan Dara – Het verdwenen plakboek

Evan Dara Het verdwenen plakboek recensie, review en informatie over de roman van de Amerikaanse schrijver. Op 27 november 2025 verschijnt bij Uitgeverij Het Balanseer de Nederlandse vertaling van de roman The Lost Scrapbook van Evan Dara de uit de Verenigde Staten afkomstige schrijver. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Evan Dara Het verdwenen plakboek recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Het verdwenen plakboek, de roman geschreven door Evan Dara, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

En dan. De hamerslag. Waar je zo lang naar zocht. Waar ik altijd naar zoek. De hamerslag, en dan neer. Behalve dat ik al lag. Op het bed van mijn dochter. Ze zat aan haar kaptafel haar nagels te lakken en ze vond het fijn om mij in haar buurt te hebben dus ik lag. Op haar bed. Te lezen. Het verdwenen plakboek. Evan Dara. De hamerslag, en neer. Maar ik lag al. Is dat een leuk boek?, vroeg mijn dochter, en eigenlijk haat ik die vraag. Behalve als mijn dochter hem stelt. Ja. Ik zei. Terwijl ik de hamerslag lag te ervaren. Van neergaan. Behalve dat ik al lag. Waar gaat het over?, vroeg mijn dochter. Eigenlijk haat ik die vraag. Behalve als mijn dochter hem stelt. Ja, dat is zoiets. Zei ik. Eerst ging het over een gast die in een of ander bureautje zat om een beroepskeuzetest te doen. Dat was eigenlijk best heel grappig. Maar daarna was het ineens een zwerver, of naja iemand die met zijn moeder in één huis woonde maar liever op straat was dan thuis, en toen waren er mensen die om één of andere vage reden vuurvliegjes gingen vangen, en was er iemand die ruzie kreeg met zijn zoon over een drumstel. En nu gaat het al een tijdje over iemand met een passie voor radio, en hij heeft een of ander zot plan om radio weer populair te maken. En ik weet nog niet of het steeds anderen zijn, of dat het allemaal herinneringen zijn van één persoon. Maar juist doordat ik dat niet weet, vind ik het heel erg goed. En mijn dochter lacht, en ze zegt iets, en ik zeg iets terug, en ik sla het boek dicht want er is een gesprek gaande nu, een gesprek tussen mijn dochter en mij, een gesprek dat niets te maken meer heeft met Het verdwenen plakboek.

Maar er eigenlijk alles mee te maken heeft.

Want alles heeft steeds alles te maken met dit boek.

Goed. Er was die ikfiguur dus, en hij deed een beroepskeuzetest, ja dat vond ik grappig, nou niet zozeer dat hij een beroepskeuzetest deed al zijn beroepskeuzetesten op zichzelf al stompzinnig genoeg om grappig te zijn, maar het waren vooral de cynische antwoorden die hij op stompzinnige vragen gaf die me aan het lachen brachten. Hij zou graag forensisch epidemioloog worden, of chef kousen en herenondergoed in een warenhuis, maar hydroakoestiek, kwantumbiografie en psychogeologie trekken hem ook wel. Maar neen, zeggen de vragenstellers, dat kan allemaal niet, dat kan niet allemaal, een mens beperkt zich beter tot één specialisme. Doch het grappige was net dat het me terugvoerde. Terugvoerde naar hoe ik daar zat, ooit, toen ik een opleiding deed die ik eigenlijk niet wilde doen, en in een kamertje zat waar ik eigenlijk niet wilde zitten, met tegenover mij de vrouw met het haar, niet per se de ergste die daar rondliep maar alsnog iemand die daar rondliep en alleen daarom al nooit helemaal deugen kon. Dat bleek ook wel, want ze ging me uithoren over wat ik wilde doen nadat ik de opleiding die ik niet wilde doen zou afgerond hebben. Hum. Ik weet niet. Zei ik. Een tijdschrift maken dat alle grenzen overschrijdt lijkt mij wel wat. En misschien een paar dichtbundels pennen, en een fragmentarische roman. Een experimentele film zou kunnen, en ook nog wat met geluidskunst doen. Maar dat kan niet, zei de vrouw met het haar, dat kan tegenwoordig niet meer, de homo universalis is niet van deze tijd, tegenwoordig moet je kiezen. En ik ging en deed niets, en de persoon in Het verdwenen plakboek gaat en doet niets, of zwerft over straat, en op zijn walkman klinkt Philip Glass en hee dat had ik ook vaak op mijn walkman toen ik daar was, op die opleiding die ik niet wilde doen, daar, toen, met de vrouw met het haar, kon Het verdwenen plakboek ook over mij gaan dan?

Maar als er een scene is met een vrouw die gewicht wil toekennen aan niet-stemmers, dat heet, al die mensen die om wat voor reden dan ook, nooit gaan stemmen, niet op de republikeinen stemmen en niet op de democraten (is er een reden om geen kant te willen kiezen, waarom wil je je verre houden van politiek?); de vrouw spreekt over een klein onderzoekje dat ze eigenhandig uitvoerde onder niet-stemmers, hoe ze langs de deuren ging om aan mensen te vragen of ze gestemd hadden en zo nee of ze even binnen mocht komen om te praten, dat kreeg nog een bizar gevolg; het gesprek over haar ervaringen hieromtrent lijkt veel op een interview, op televisie of op de radio, en het is voor het eerst dat ik denken ga, ofnee, het is voor het eerst dat ik anders denken ga, het is allang later, ik lig al niet meer op het bed van mijn dochter, ik zit in mijn leesstoel, het is allang de andere dag, en ik begin denken dat de opvatting dat het in Het verdwenen plakboek steeds om één en dezelfde figuur gaat, langzamerhand onhoudbaar aan het worden is. De pen is een camera, denk ik, en de camera vliegt over een land, het Amerika van toen en toen of het Amerika van nu, of overheen de hele wereld allicht, en overal flitsen, en overal beelden, en overal woorden, en overal mensen, en ik denk aan John Dos Passos, maar ook aan Augusto Fernandez Mallo, al is zijn Nocilla-trilogie van later datum, ik acht het niet onwaarschijnlijk dat Mallo Dara gelezen heeft, dat Dara Dos Passos gelezen heeft, ik acht het zeer goed mogelijk dat stemmen overal zijn.

Want de fragmenten, of zeg passages, noem het rustig beelden, vloeien onophoudelijk in elkaar over. Midscene. Midalinea. Zomwijlen zelfs midzin. Is er ineens iemand anders aan het woord. Een andere verteller, een andere handeling, een andere omgeving. Je kan denken dat dit een andere manier van lezen vereist. Kan je net denken. Een zekere oplettendheid misschien. Aandacht. Concentratie. Weten, steeds, wie is hier nu weer aan het woord, wat is er nu weer aan de hand. Maar. Misschien zit alles tot achter de komma willen begrijpen alleen maar in de weg. Misschien werkt het beter als je Dara alles gewoon maar over je uit laat storten, als je meedrijft op de stroom, als je je in trance laat brengen door de beelden, de zinnen, de woorden, het ritme.

Prachtig is bijvoorbeeld een stuk van ruim honderd pagina’s dat hoewel het uitgaat van iets auditiefs eigenlijk heel beeldend is. Centraal staat een “piraat” die “inbreekt” op iemands walkman; hij zendt uit op een golflengte die vooral ontvangen wordt door mensen die op straat lopen met een walkman op hun kop. Je kan echter evengoed stellen dat hij “inbreekt” in het boek; met veel witruimte omgeven golven zijn woorden overheen de pagina’s; in eerste instantie brengt hij vooral bizarre nieuws”feiten”: dat reclame kankerverwekkend zou zijn, bijvoorbeeld, of dat het bedrijf Xerox erin geslaagd zou zijn om energie te winnen uit taalstromen, en dan met name uit het verschil tussen de hoeveelheid betekenis die de verzender in zijn boodschap stopt en de hoeveelheid betekenis die de ontvanger eruit haalt; daartussen gaat heel veel verloren en uit dat verlies zou je, volgens Xerox, energie kunnen puren; maar later gaat de piraat over op een lang verhaal, een zeer lang verhaal over een ontmoeting tussen hemzelf en een man die in een bos op zoek was naar het gezicht van John Cage in het mos op de bomen; hoe zijn verhaal golft; hoe dat wiegt; en het wit; leegte die ademt.

Het verdwenen plakboek kent veel sprekers; vaak, zoals in bovenstaand geval, steken ze monologen af, die soms naar het essayistische neigen, lange, beschouwelijke stukken zijn over taalkunde, politiek, musicologie, kunst of economie -en vrijwel altijd raak en interessant en onderhoudend zijn- waar er anderen zijn, die weerwoorden geven, ook dingen zeggen, zou een mens kunnen spreken van een dialoog en dan ligt -inderdaad- een naam als William Gaddis voor de hand; denk JR of misschien denk ik dat alleen maar omdat dat het boek was waardoor ik Engels ben gaan lezen, het was en het is bij mijn weten nog altijd niet vertaald in het Nederlands en ik wou lezen dus moest het wel het Engels en pas daarmee ontdekte ik hoe ontzettend veel prachtboeken van -opvallend!- vooral Amerikaanse orzjiene nooit met een Nederlandse versie geëerd zijn.

Zoals eigenlijk ook dit. The lost scrapbook kwam al in 1995 uit; wie enkel Nederlands wenst te lezen heeft er dertig jaar op moeten wachten. het balanseer -val op uw knieën en schenk hen al uw eer- brengt tegelijkertijd met dit Het verloren plakboek het Engelstalige orzjieneel opnieuw uit maar in dit zeer unieke geval zou ik eerder aanraden de Nederlandse vertaling van Iannis Goerlandt te lezen want dan krijg je behalve dit geweldig gecomponeerde prachtboek er ook nog wat fantastische vlaamsigheden op de koop bij: “inkom” bijvoorbeeld, of “op zijn honger blijven zitten”, of “in hetzelfde bedje ziek zijn”, of “promopancarte” – het zijn net zulke woorden die dit boek nog net dat kleine tikje muzikaler maken dan het op zichzelf genomen al is.

Want.

De muzikaliteit.
Het ritme.
Het golven.
De beelden.

Eerst dacht ik: dit is het boek over één persoon, hij braakt al zijn herinneringen in één gulp uit over de lezers.
Toen dacht ik: dit is het verhaal van allen. Dit is het verhaal van velen.

Maar dan weer. Kleine prikjes. Een Toyota die steeds terugkeert, opvallend veel personages rijden Toyota? Of dat mopje over hoe je kunt weten dat Jezus Joods was dat, in minieme variaties dan weliswaar, verteld wordt door diverse personages, verspreid over uiteenliggende pagina’s. Of walkmans. Hoe er vrij vaak iets is dat te maken heeft met walkmans. Of blauwebessenmuffins, of een een stoelendans.

Flitsen. Beeldrijm. Echo’s. Herhalingen als kleine grapjes voor de oplettende lezer? Of dient het alles een grote opzet, en is Het verdwenen plakboek misschien toch niet zo radikaal fragmentaries als het op eerste gezicht lijkt te zijn?

Lijkt het vaak toch een overkoepelend thema te dienen.

De marginale mens.
De randfiguren.
Degenen die onderaan hangen.

De kleine luiden.

U weet.

Aldiegenen die door de ontmenselijkende machinaties -van maatschappelijke, kapitalistische, politieke of sociale aard- vergruizeld dreigen te worden. Een groot stuk gaat bijvoorbeeld over een fotobedrijf in het stadje Isaura dat onbeschaamd gif loost waardoor het drinkwater uiteindelijk ondrinkbaar wordt en een gedeelte van de bevolking geëvacueerd dient te worden. Eerst doet het bedrijf -Ozark- alsof er niks aan de hand is en daarna werkt het op het gemoed van de bevolking: het is de grootste werkgever in de omgeving, het geeft zoveel geld uit aan goede doelen, zonder Ozark zou er geen Isaura zijn, zou de bevolking niet wat dankbaarder moeten zijn? Wetenschappers, niet zelden in dienst van de staat, vallen Ozark bij in de opvatting dat er eigenlijk niet echt iets is om ongerust over te zijn.

Machinaties dus ook van wetenschappelijke snit. De politisering van de wetenschap? Dara gebruikt de term zelf, legt hem echter in de mond van een tabakslobbyist (heet dat zo?); onduidelijk of het gaat om een industrieel die zijn geld verdient met sigaretten of een advocaat die het opneemt voor een dergelijk figuur. Daar kun je nog denken dat “politisering van de wetenschap” ironizerend bedoeld is, maar verderop in het boek laat Dara wetenschappers wel degelijk het woord spreken van diegenen wier brood zij eten. Waarmee Het verdwenen plakboek ook nog een profetisch karakter krijgt ook (of in ieder geval iets zag wat ik pas door corona ben gaan inzien).

Maar Dara gaat onophoudelijk zijn eigen bladzijden te buiten. Plaatst hij doelbewust referenties (dat winkelcentrum dat lijkt te groeien, op de heenweg andere winkels herbergt dan op de terugweg, dat ken ik toch ergens van? van Prescott toch, of waarvan weer? of doet het me alleen maar denken aan dat krimpende en uitdijende huis van Danielewski? maar Danielewski is een beetje een poseur toch, niet?, zou Dara jatten van een poseur, niet erg waarschijnlijk nee) (en die uit ovengebakken rotzooi opgetrokken kunstwerken, die ken ik toch ook?) (waarvan dan?), of is zijn The lost scrapbook destijds zo invloedrijk geweest -een schrijvers schrijver- dat er zoveel mee aan de haal is gegaan dat het zijn eigen faam voorbij is gegroeid (Het verdwijnen is toch van veel later datum dan The lost scrapbook?)? Of is het dat beeldrijm -oja de gerbil Erwin en oja die gasten van Nonet Minus One, oja al die dingen die eerder genoemd werden, en ik blader terug, waar was het ookalweer?- dat maakt dat je ook dat wat je nergens van kent lijkt te herkennen. Of het ritme, het geluid van dit boek, de trance waarin het je onderdompelt, misschien maakt dat de lezer extra bevattelijk voor een deja vu omdat een scene soms pas als je er al enige tijd in verzeild geraakt bent werkelijk in je bewustzijn aankomt: veroorzaakt dat bij wijlen een “hee ik ken dit ergens van”-gevoel? Of nog. Misschien schrijft hij in weerwil van de soms bizarre of surreële toon zo dicht op de huid van de werkelijkheid dat Het verdwenen plakboek niet alleen in de 514 bladzijden is die het telt, maar overal rond je.

Het schoonst is misschien wel het einde. Een zin van zes pagina’s lang, beginnend met een exodus en eindigend met stilte. En haperend. En stotterend. En stromend. En pulserend. Gaat. Langsheen, bijvoorbeeld, een opsomming van vele steden en stadjes en dorpen en gehuchten en, bijna nonchalant, opkomt met een fantastisch flintertje als “zo veel werk, en mengpaneel”; alleen daarom al.

Ja daarom.
En om al het andere.

Want wat een onwaarschijnlijk goed boek is dit.
Wat een ongekend volslagen uniek fantastisch geweldig mooi boek is dit.
De hamerslag.
Maar ik lig allang niet meer.
En ik zit ook niet meer.
Ik sta. Op de tafel. Hyperbolen uit mijn botten slaand waar u bij staat. Bijvoorbeeld dat Het verdwenen plakboek maar zo het beste boek aan deze zijde van de millenniumwende zou kunnen zijn. Maar ja. Daar sta ik dan, op mijn tafel, terwijl gebarsten woorden nog zo’n beetje langs mijn lijf omlaag glibberen. Me bedenkend dat The lost scrapbook al in 1995 werd uitgebracht. En dan zou dit boek niet alleen het beste boek aan deze zijde van de millenniumwende zijn, maar ook van aan gene zijde. En het beste boek van twee millennia, sja, dat is zelfs voor mijn gemakkelijk tot hyperbolen geneigd zijnde inborst net een beetje te straf. Een beetje. Maar toch.

Niettemin: iedereen moet dit boek lezen. Nu. Vandaag nog. En als u nu nog niet op weg naar de boekhandel (moest u in de buurt van Gent wonen, kies dan vooral voor Paard van Troje) bent om Het verdwenen plakboek aan te schaffen, kom ik hoogstpersoonlijk naar u toe. En sleur ik u erheen. Naar de boekhandel. Opdat ook u Het verdwenen plakboek kunt hebben. Want vanaf heden is geen enkele boekenkast meer compleet zonder.

Evan Dara Het verdwenen plakboek

Het verdwenen plakboek

  • Auteur: Evan Dara (Verenigde Staten)
  • Soort boek: Amerikaanse roman
  • Origineel: The Lost Scrapbook (1995)
  • Nederlandse vertaling: Iannis Goerlandt
  • Uitgever: Het Balanseer
  • Verschijnt: 27 november 2025
  • Omvang: 416 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 27,50
  • Bestelmogelijkheden roman >

Flaptekst van de roman van Evan Dara

Een jongen dwaalt door de straten, met in zijn koptelefoon een stuk van Philip Glass op oneindige herhaling. Een zoon verbreekt het contact met zijn vader na een fout verjaardagsgeschenk. Een groep vage kennissen haalt herinneringen op aan dezelfde overleden vriend, elk vanuit een eigen perspectief, en brengen hem zo weer even tot leven. Een vrouw wil met haar buren praten over de verkiezingen maar wordt vastgebonden met een tuinslang. En er is die jongen die als kind op zolder bij zijn grootvader een oud, gehavend plakboek vindt, en er jaren later naar op zoek gaat. Terwijl in de achtergrond een bedrijf stilletjes toxische stoffen lekt in de bodem van een stadje dat er al jaren economisch van afhankelijk is.

Het verdwenen plakboek van Evan Dara is een roman als een stroom: stemmen komen en gaan, verhalen haken in elkaar, perspectieven wisselen zonder waarschuwing. Samen vormen ze een polyfoon portret van een gemeenschap op drift – een meeslepende zoektocht naar wat verdwijnt, en wat ons ondanks alles met elkaar verbindt.

Evan Dara is een Amerikaanse auteur van vier romans en twee toneelstukken, wiens werk vaak wordt vergeleken met dat van William Gaddis, Thomas Pynchon en David Foster Wallace. Hoewel hij publiciteit bewust uit de weg gaat, heeft hij onder lezers en schrijvers een toegewijde schare volgers opgebouwd.

Bijpassende boeken en informatie

Jenny Erpenbeck – Tussen heden en morgen

Jenny Erpenbeck Tussen heden en morgen recensie en informatie over de inhoud van de roman de Duitse schrijfster. Op 25 september 2025 verschijnt bij Uitgeverij De Geus de Nederlandse vertaling van Aller Tage Abend de roman uit 2012 van de uit Duitsland afkomstige schrijfster Jenny Erpenbeck. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Jenny Erpenbeck Tussen heden en morgen recensie van Tim Donker

Het begint ermee dat een baby sterft.

Een baby gaat dood, en alles begint.

Het is waar het uiteenvallen begint.

Een man die tot voor kort vader was, neemt de boot naar Amerika.
Een vrouw die tot voor kort moeder was, ziet geen andere oplossing dan haar lichaam te verkopen.
Een moeder die tot voor kort oma was, blijft alleen achter.
Een opa en een oma die tot voor kort overgrootouders waren, gaan dood.

Een baby gaat dood en een familie valt uiteen. Dat is hoe dingen gaan.

Tenzij de dingen anders gaan. De dingen hadden altijd anders kunnen gaan, immers. Misschien had de baby gered kunnen worden met een handvol sneeuw, misschien had de moeder de tegenwoordigheid van geest gehad daaraan te denken, misschien was het kind blijven leven, misschien had de familie helemaal niet uiteen hoeven vallen.

Het had gekund.

Dan werd de baby een meisje, en oudste zus, want waarom zou er geen twede meisje gekomen zijn, dan zou de vader misschien zijn overgeplaatst naar Wenen, het had allemaal gekund, een jong gezin in Wenen, het meisje zou zijn opgegroeid tot puber, tegen een achtergrond van oorlog en armoede en ellende, en dan nog de kloterij waar elke puber in elk tijdsgewricht tegenaan loopt, misschien zou het teveel zijn, misschien zou ze, terugkomend van haar oma, inmiddels ook in Wenen, gevlucht vanwege de oorlog, haar Joodse oma, de oma die ze van haar moeder nooit mocht zien, de oma die ze wilde leren kennen, de oma die op die cruciale dag niet thuis was, zodat het meisje, het jonge arme kwetsbare droevige verloren pubermeisje onverrichte zake terugkeerde in de stad en een al even verdrietige jongeman tegen het lijf liep, een jongeman met een Mauser en zonder een reden om te blijven leven, misschien zou een overeenkomst gesloten worden, noemt het een suïcidepact, en de baby zou als veertienjarig meisje alsnog sterven.

Tenzij de dingen anders gingen. Want dingen kunnen anders gaan.

Misschien was de oma wel thuis geweest, en was het meisje bij haar oma op bezoek gegaan, en niet in de buurt gekomen van een treurige jongeman met een Mauser op zak. Misschien zou het niet gevroren hebben die dag zodat de gladheid het meisje niet genoopt had een andere route te volgen dan gewoonlijk. Misschien had de vader van de jongeman de la waarin hij zijn Mauser bewaarde naar behoren afgesloten. Misschien was de jongeman niet gedumpt geweest door zijn vriendin en was alles goed geweest voor hem.

Het had gekund.

Dan werd het meisje een vrouw die, misschien, toetrad tot de Communistische Partij van Oostenrijk, en via Praag naar Moskou emigreerde, en daar een grotere of kleinere rol speelde in de Partij, maar het is de dertiger jaren, het is de tijd van Stalin, overal verdachtmakingen, alles altijd onder druk, iedereen altijd op zijn hoede, alles wat je zegt, zelfs tegen vrienden, kan later altijd tegen je gebruikt worden, misschien zou de vrouw onder verdenking van trotskistische sympathieën (ja stel je voor dat je het fucking communisme fucking democratisch zou willen maken, dat kan nooit de bedoeling zijn) opgepakt worden, in een of ander stalinistische gevangenis gesmeten worden om daar dood te vriezen.

Tenzij de dingen anders waren gegaan.

De bureaucratische rompslomp had anders kunnen lopen. Een van haar kameraden had hun vroegere vriendschap indachtig kunnen zijn en haar amnestie kunnen gunnen. Het verplichte arrestatiequotum had gehaald kunnen zijn voor zij aan de beurt was, of misschien alweer afgeschaft kunnen zijn. Iemand had per vergissing haar echte naam, Hofmann, gebruikt kunnen hebben, in plaats van Fahrenwald, de naam die op de valse Duitse pas stond waarmee ze de Sovjetunie was binnengekomen, zodat ze op een andere stapel was terecht gekomen, en niet gearresteerd, en niet doodgevroren, maar geëmigreerd, uiteindelijk, naar Berlijn.

Het had gekund.

Misschien zou ze tijdens haar omzwervingen doorheen de Sovjetunie zijn bezwangerd door een Russische dichter, misschien zou ze als alleenstaande moeder met haar jonge zoon in Berlijn wonen, misschien zou ze in de DDR successen vieren als schrijfster van socialistische romans en toneelstukken, misschien zou dat haar leven zijn tot ze op haar zestigste ofzo van de trap zou vallen, haar nek breken, overlijden.

Tenzij de dingen niet zo gingen.

Misschien had ze haar rechtervoet neergezet in plaats van haar linker, misschien zou ze vijf minuten later en in andere staat van de trap zijn gegaan, misschien struikelde niet, misschien was ze blijven leven.

Het zou zomaar kunnen.

De zoon, inmiddels volwassen, inmiddels zelf een ouder, inmiddels bij zijn eigen gezin, zou met lede ogen toezien hoe zijn moeder oud werd, en dan nog ouder, vergeetachtig en dan nog vergeetachtiger, aftakelend, beetje bij beetje, eerst nog in haar eigen huis en later in het bejaardentehuis waar hij haar zeer tegenin zijn goesting naartoe had gebracht omdat zijn vrouw er niet op zat te wachten om haar schoonmoeder in huis te nemen.

En dan, kort naar haar negentigste verjaardag, zou de baby, zou het veertienjarig meisje, zou de vrouw, zou de zestiger, dan toch echt, eindelijk, sterven.

Is wat het is. In Tussen heden en morgen.

Alles geplaatst tegen een achtergrond van de geschiedenis van de twintigste eeuw. Koninkrijk Galicië (dus niet de gelijknamige streek in Spanje) (daar ben ik als kind veel geweest) (in de streek in Spanje); Donaumonarchie; Oostenrijk-Hongarije; eerste wereldoorlog; Spaanse Griep; Stalin; Hitler; tweede wereldoorlog; Sovjetunie; communisme; DDR; socialisme; val van de Muur – het komt allemaal lang. Maar het lijkt me niet het wezen te zijn van deze roman.

Het wezen van deze roman is – is ja, is wat?

Langste tijd peinsde ik, en langste tijd peinsde ik ernaast.

Eerst dacht ik dat het ging om determinisme, predestinatie, misschien iets dat zelfs het onderwerp had kunnen zijn van een flauwe hollywoodfilm.

Een baby sterft ofnee wordt gered maar sterft prematuur als jong meisje.
Een jong meisje sterft ofnee wordt gered maar sterft prematuur als vrouw midden in haar leven.

Hum.

Ja.

Als het in een ergens geschreven bedoeling vastligt dat je jong zult sterven, zul je ook jong sterven.

Maar als zestiger van de trap pleuren?
Als negentiger doodgaan in het bejaardentehuis?
Dat staat niet op één lijn met de dood van een baby of de (zelfgezochte) dood van een veertienjarige.

Of ook dacht ik eraan dat de dood soms misschien beter is.
Gered zijn van de dood ben je, maar gered voor welk leven?
Een eind aan de gedachte dat het altijd beter is te leven dan te sterven. Tussen heden en morgen als antinatalitische roman?

Ik dacht. Even.

Maar er worden een beetje teveel kinderen geboren hier, en het leven dat de hoofdpersoon leidt in Berlijn is best een goed leven, en anderen leiden goede levens, en het is niet alles kwaad daar.

Ploeteren is het wel.

Het leven is ploeteren, en het gaat teloor waar je bij staat.
De scenes in het bejaardentehuis spreken boekdelen. “De recreatieruimte is vol wensen’; iedereen wenst van alles nog één keer te kunnen, maar niemand kan. Al dat verleden, dat daar ligt, nu onbereikbaar ver. Al die aftakelende, dommelende, oude mensen.

Misschien gaat het over muren.

Echte muren, zoals de Berlijnse, ook in Kairos al zo aanwezig, maar ook de muren die maken dat mensen nooit echt nader tot elkaar kunnen komen. Altijd is er onbegrip, onvermogen, altijd zijn er geheimen, altijd is er antisemitisme, klassenverschil, machtsstrijd, seksisme, onwil. Altijd zijn er barrières die nooit geheel beslecht kunnen worden.

Misschien is het dat.

Dat, en de taal. Het ritme, de herhaling, de perspectiefwisselingen, de verschuivingen, soms is het niet duidelijk wie er aan het woord is of wat er überhaupt gezegd wordt, soms zweef je als lezer in het luchtledige.

Daarmee is Tussen heden en morgen geen voelgoedroman. Niet hoopvol, niet troostrijk. Maar wel verpletterend, hartverscheurend en ongekend bloedjemooi. Erpenbeck laat de taal zingen, de wind blaast hier doorheen de zinnen gelijk door draden. Aardehoorns en elektronische drones. Voor een schrijver is dat niks om je voor te schamen toch zeker!

Jenny Erpenbeck Tussen heden en morgen

Tussen heden en morgen

  • Auteur: Jenny Erpenbeck (Duitsland)
  • Soort boek: Duitse roman
  • Origineel: Aller Tage Abend (2012)
  • Nederlandse vertaling: Elly Schippers
  • Uitgever: De Geus
  • Verschijnt: 25 september 2025
  • Omvang: 272 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook / luisterboek
  • Prijs: € 22,99 / € 13,99
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de roman van Jenny Erpenbeck

In het stadje Brody sterft aan het begin van de twintigste eeuw een joodse baby. Of toch niet? We zien haar in het volgende hoofdstuk terug als jonge vrouw in Wenen, vlak na de Eerste Wereldoorlog. Daar sterft ze. Of toch niet?

Steeds opnieuw laat Jenny Erpenbeck haar hoofdpersoon doodgaan en toch weer verder leven. Via die mogelijke levens vertelt ze de geschiedenis van de hele twintigste eeuw.

Tussen heden en morgen is een aangrijpende moderne klassieker over leven, dood en toeval van de auteur van Kairos.

Jenny Erpenbeck is geboren op 12 maart 1967 in Oost-Berlijn de voormalige hoofdstad van de DDR. Sinds 1999, toen haar literaire debuut verscheen heeft ze ruim tien boek gepubliceerd. Zonder twijfel is Kairos de roman uit 2021 en waarvoor ze de International Booker Prize ontving, haar bekendste boek.

Bijpassende boeken en informatie

Maxime Garcia Diaz – Het netwerk moet gebouwd worden

Maxime Garcia Diaz Het netwerk moet gebouwd worden recensie, review en informatie over de inhoud van het nieuwe boek met gedichten. Op 13 november 2025 verschijnt bij Uitgeverij De Bezige Bij de nieuwe dichtbundel van Maxime Garcia Diaz, de Nederlandse schrijfster. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Maxime Garcia Diaz Het netwerk moet gebouwd worden recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Het netwerk moet gebouwd worden, het boek met gedichten van Maxime Garcia Diaz, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

Maar eigenlijk was mijn dochter dus de aanleiding. Want ze werd elf en ze wilde met het hele gezin naar de stad, ze wilde winkelen, en ik wist wel dat dat ook een werkwoord kon zijn maar toch verbaasde het me. En dus in de stad liepen we, in het sentrum van Utrecht liepen we, en ik dacht hier loop ik nooit, over de oude gracht liepen we, en ik dacht, als student kwam ik hier geregeld maar nu kom ik hier nooit meer. Het was zondag. We waren allemaal vrij en we liepen. En Broese was open, verrek, het is zondag en Broese is open dacht ik, en ik wilde naar binnen want hoe vaak kom ik nu helemaal in een boekhandel, in het dorp waar we nu wonen is geen boekhandel, wel een hele gekke winkel die tegelijkertijd huishoudwinkel, opticien, ING- en postkantoor, biologiese supermarkt, speelgoedwinkel, en ook wat boeken verkopende tijdschriftenhandel is, daar heb ik wel eens een Lauwereyns uit de voordeelbakken gevist, monkey business, in zoon idiote winkel gekocht dat ik het nog altijd niet heb durven lezen, Lauwereyns of niet. Maar Broese is een echte boekhandel, een hele grote boekhandel van meerdere verdiepingen, het doet mijn hart deugd dat dat nog kan blijven bestaan, ontlezing zeggen de mensen, maar in het vast niet goedkope sentrum van Utrecht, vooraan op de oude gracht, is een hele grote, misschien net iets te moje boekhandel, en die is open op zondag, en het was er druk ook, misschien omdat er iemand sprak, ik weet het niet, mensen in een boekhandel, er is zoveel, ik wou filosofie, ik wou engelstalig, ik wou proza, ik wou poëzie maarja ik ben de enige boekenliefhebber in het gezin en ik wou niet alle anderen op me laten wachten, ten slotte was het de verjaardag van mijn dochter en niet die van mij, dus ik beperkte me tot de poëziekast. En er sprak iemand, heb ik dat al gezegd, er sprak iemand, iemand werd geïnterviewd, een engelsman, ik meende die stem wel te kennen, volgens mij zoon mannetje dat er op de staatstelevisie wordt bijgehaald als het over klassieke muziek gaat, ik dacht hem wel te kennen, later speelde hij nog iets, cello docht mij en het was niet slecht docht mij, wie was het weer, ik hoefde mijn kop maar boven de poëziekast uit te steken om het te zien maar ik wilde mijn kop niet boven de poëziekast uitsteken, ik wilde de poëziekast en niets dan de poëziekast, best een grote poëziekast hebben ze daar en ik wilde hem helemaal zien en voelen en besnuffelen en betasten en lezen en kijken en zien en zien en zien. Er was moois te vinden. Er werd moois gevonden. Een bundel van Radna Fabias bijvoorbeeld & ik wilde al zo lang een keer een bundel van Radna Fabias, waarom belanden zulke dingen nou nooit eens spontaan op mijn recenseertafel?, en ook dit.

Dit.
Dit is.
Dit is dit.

Maxime Garcia Diaz, ik kende haar eerlijk gezegd niet, Het netwerk moet gebouwd worden. Is wat dit is. Is. Hybride, noemen ze dat niet zo? Want het is poëzie, uiteraard is het poëzie, het stond in de poëziekast dus het moet haast wel poëzie zijn. Maar het is ook techniekfilosofie. Een geschiedenis van het internet. Dag- en fotoboek. Reisverslag. Meer nog – want Sybilaanval is een krankzinnige theatertekst met een uiterst beckettiaanse mis-en-scene. En evengoed zijn er politicologische en sociologische en feministische overpeinzingen. Niet alles is rechtstreeks van Garcia Diaz; rode teksten komen ergens anders vandaan en blauwe teksten komen uit een vertaalmachine. Vele werkelijkheden komen samen dit ongekend intrigerende boek.

Intrigerend in weerwil van alles.

Alles zijnde die dingen die normaal gezien mijn interesse niet hebben. Zoals. Haast alles dat hier aan de orde gesteld wordt.

Maar ik ben oud, Maxime Garcia Diaz, vind je het goed als ik dat als excuus aanvoer?

Ik ben één van die mensen. Ik heb het internet zien komen. Toen ik kind was, was het er nog niet. Wij hadden thuis wel een computer, niet veel mensen hadden een computer, mensen uit de straat kwamen bij ons binnen om te kijken naar de computer. Maar internet hadden we niet. Toen ik studeerde had je van die gasten, mensen als Chananja en Sandra enzo, en die gingen in de pauzes naar het computerlokaal om te “internetten”, het leek iets te zijn om de verveling te verdrijven, een aktiviteit ofzo, je kon misschien net zo goed gaan pingpongen. En toen, later, leek het meer te zijn dan dat. Een Grote Broer. Een dwingeland. Een hulpmiddel dat jou net zo goed dwong als andersom. Het leek me ook iets dat dingen kapot kon maken, ik herinner me spreken met iemand, ergens halfweg de negentiger jaren, over internet in deze trant, en dat mijn gesprekspartner zei Maar als journalist kan jij straks niet om internet heen, en ik zei Wie zegt jou dat ik journalist ben of zijn wil, en waarom kan ik niet om het internet heen, staat dat dan straks voor mijn huis ofzo en moet ik door het internet heen als ik boodschappen wil gaan doen?, want ik dacht nog, toen, dat het iets marginaals kon zijn en blijven, iets dat zou overwajen misschien, er waren tijden dat het er niet was en waarom zouden er geen tijden aanbreken dat het weer weg was. Maar Maxime Garcia Diaz is een millennial, die heeft nooit anders geweten. Die heeft het niet zien komen. Die heeft het aangetroffen. Zoals ik televisie aantrof, en de supermarkt, en auto’s. Zoals mijn kinderen internet aantreffen, en computerspellen, en youtube. En hoe je reflecteert op dingen die je aantreft is anders dan hoe je reflecteert op dingen die je hebt zien komen. En daarom. Intrigeert Het netwerk moet gebouwd worden.

Of Amerika. Maxime Garcia Diaz heeft iets met Amerika, het zit in de genen, ze was daar verschillende malen. Ik was ook ooit in Amerika, in Kentucky dan nog, het is enige tijd her, Bill Clinton was daar toen president, ik vind het een fascinerend land maar ik vind het geen boeiend land, maar Garcia Diaz heeft daar notoire voetstappen liggen, mijn god, Elizabeth Willis was haar scriptiebegeleider, ik zou een moord doen om Elizabeth Willis als scriptiebegeleider te hebben gehad, wat een prachtbundel Address was, tel je zegeningen met zo een scriptiebegeleider, publiceert ze tegenwoordig niet bij New Directions, wat een geniale uitgeverij is dat zeg.

(tegelijk met Het netwerk moet gebouwd worden komt een engelstalige versie uit, die is mij even ontgaan, die stond niet in die poëziekast misschien bij engelstalig maar daar heb ik om vermelde redenen niet meer kunnen kijken, zou het niet wat zijn als de engelstalige versie van dit boek bij new directions uitgekomen is?)

Maxime Garcia Diaz bestrijkt levens, era’s, werelden en haast alles kun je in dit boek wel tegenkomen. Iemand steekt de sociale huurwoning in brand terwijl iemand anders nog binnen was en voelt daarover geen spijt. Honger gaat dood, maag gaat dood, vijand gaat dood. Communistische penetraties in het politieke lichaam. Het geboorterecht van een cybernetische organisatie. Autopoëse versus allopoëse. Deep blue. Kasparov. Een datacenter met een skeuomorfische kramp. (en ik dacht aan die amerikaanse auto’s die eruit zien alsof ze deels van hout gemaakt zijn) (en het datacenter huilt en de hele stad heeft last van verbindingsproblemen). Latour die zegt: Netwerken hebben geen binnenkant, ze bestaan alleen uit randen en Steyerl die zegt: Het internet is niet dood, het is ondood en het is overal. (en Latour dat zal dan wel Bruno Latour zijn maar die Steyerl, die ken ik niet). Computerspellen die ik ten hoogste van naam ken. De Sims, Neopets, Travel Town. Wat je mee zou nemen als je huis in brand stond (Jean Cocteau zou de brand meenemen). Een vader die sterft (althans ik denk dat het de vader is en ook dat hij een niet heel aardige man was) (later vraag ik me af of ik dat laatste oordeel niet moet bijstellen). En een hele moje vrouw een onvoorstelbaar moje vrouw een ongekend moje vrouw heeft een tandenborstel in haar mond.

En al denk ik niet dat ik Imago van Octavio Butler ooit zou willen lezen.
En al is Heal van Strand Oaks niet zoon heel erg goede seedee.
En al is Sophie Schwartz toch wel een heel klein beetje overschat.
En al is Lana Del Ray – ofnee laat maar.
Of Sylvia Plath. Ik herinner me mijn buurman, mijn voormalig buurman, en hoe hij een keer, op straat (want ik kwam hem tegen toen ik een vuilniszak ging weggojen) stond te betogen dat hij Sylvia Plath maar een aanstelster vond, en ik heel erg woke wilde zijn en iets wilde zeggen over Ted Hughes en ook iets over de man in het algemeen maar alles wat ik kon zeggen was dat ik ondanks herhaalde pogingen nooit door De Glazen Stolp was heen gekomen.

Ondanks al die dingen.

Of, wie weet, dank zij.

Weet ik me gegrepen.
Zo heel erg vast gegrepen. Tweehonderdvijftig pagina’s lang.

Door de foto’s de onderwerpen de stijlen de afwisseling, of zinnen.

Zinnen als “Toen ik een Amerikaan was / heette ik Meilissa”; “Toen ik een meisje was zat ik op de computer / Toen ik op de computer zat was ik een god/ / probleem/ Amerikaan/ volwassen man/zoon / van mijn vader/lichaam in wachtstand.”; “ik ben nooit offline gegaan”; “wij weten dat Pepto-Bismol roze is / maar we weten niet wat Pepto-Bismol is”; “ik wil niet naar België ik wil dood”; “in het ziekenhuis vuur ik een machinegeweer af / om hen god te laten vrezen”; “nooit voor Amerika buigen”; “als er een introverte Amerikaan wordt geboren / nemen ze hem mee naar de achtertuin / en schieten hem af” –

en ik denk aan het internet of body en aan alles wat ik vreesde en aan de dystopie die ons wacht.

Of misschien.

Dit is alles gezien door de ogen van een millennial.
Ik sprak een millennial ooit. Op een van mijn postrondes. Ze deed me denken aan Iris. Wat een ontzettend fantastisch gesprek zich ontspon. Ze deed de academische pabo, liep stage, en vond “de huidige generatie” al iets om zich over te verbazen, en ik weet niet of dat me heel erg oud deed voelen of juist weer een heel stuk jonger. Maar Het netwerk moet gebouwd worden deed mij, iemand die het internet heeft zien komen (zei ik dat al?), denken aan de nuttige ficties van Hans Vaihinger, hoe kantiaans wil je de wereld hebben, de narratieven die we hanteren om de wereld kenbaar beheersbaar overzichtelijk te maken, misschien is alles online niet anders dan een nuttige fictie, “de handelingen ceremoniëel maar echt”. Er is geen onderscheid tussen het alsof en de voeten op de grond – er is geen ding an sich, alleen wat wij ervan maken.

Het netwerk moet gebouwd worden sloopt het karkas van je zienswijzen en start daarna opnieuw op. En krachtiger dan dat zul je poëzie nooit krijgen. Dus wacht niet tot uw dochter jarig is maar haast u. Want ja. Zo mooi dus kan literatuur zijn.

Maxime Garcia Diaz Het netwerk moet gebouwd worden

Het netwerk moet gebouwd worden

  • Auteur: Maxime Garcia Diaz (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: De Bezige Bij
  • Verschijnt: 13 november 2025
  • Omvang: 240 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 25,00
  • Bestelmogelijkheden boek >

Flaptekst van de nieuwe dichtbundel van Maxime Garcia Diaz

Wat is een computer? Is de Amerikaanse eeuw al voorbij? Alles gaat dood, dood, dood. De stad, het internet, ____ _____. Het netwerk moet gebouwd worden is een hybride poëziebundel, gelijktijdig uitgegeven in het Nederlands en Engels, die verschillende vormen en genres mengt om een labyrintische geschiedenis op te tekenen. Deze veelvormige bundel trekt als een verwrongen reisverslag langs de data centers van Nederland en de siliconen valleien van Amerika, langs een Amsterdamse kindertijd en een universiteitsstad in Iowa.

Het netwerk moet gebouwd wordenis een persoonlijk onderzoek naar het dode scherm, de geannuleerde stad, het falen van taal en representatie, naar de waanzinscène en het kraakpand, de servers en de sociale huurwoningen, verlies en verzet. Deze computer spreekt Engels omdat hij Amerikaanse botten heeft; deze machine vermoordt fascisten omdat ze wil moorden. Alles gaat dood, behalve Neopets.

Maxime Garcia Diaz schrijft poëzie en proza in zowel het Nederlands als het Engels. Ze studeerde cultuurwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en poëzie aan de Iowa Writers’ Workshop. In 2019 won ze het NK Poetry Slam. Ze debuteerde in 2021 met Het is warm in de hivemind, een bundel die lovend werd ontvangen en bekroond met de C. Buddingh’-prijs, de prijs voor het beste poëziedebuut van het jaar. Haar tweede poëziebundel, Het netwerk moet gebouwd worden verscheen in november 2025 in het Nederlands en Engels.

Bijpassende boeken

L.H. Wiener – In verlatenheid

L.H. Wiener In verlatenheid recensie en informatie autobiografische roman van de Nederlandse schrijver. Op 5 november 2025 verschijnt bij Uitgeverij Pluim het boek van L.H. Wiener. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

L.H. Wiener In verlatenheid recensie van Tim Donker

L.H. Wiener, een man met zo’n uitgebreide bibliografie, en zo’n bekende naam, maar wat las ik van hem?, ik weet dat Nestor in mijn kast staat, mijn kast nog te lezen, ben in dat Nestor een paar keer in begonnen maar ik kom er gek genoeg nooit doorheen, ging het niet over een vogel ofzo?, ik weet het niet meer en kan het boek ook niet meer vinden, het stond, het staat, het hoort te staan in mijn kast nog te lezen, ooit twee IKEA-boekenkasten vol, in de kamer hier recht boven, bedoeld, ooit, als werkkamer maar niemand werkt er ooit en bij en bij wordt het meer een opslagkamer, de twee IKEA-boekenkasten (Billy heten die geloof ik) zijn overstroomd, en er staan nu vele rijen boeken voor, boeken nog te lezen, ik wil altijd veel meer boeken lezen dan ik daadwerkelijk lees maar ik kan niet meer lezen, ik heb maar één  hoofd helaas, en voor die rijen en rijen boeken voor de boekenkasten zijn weer andere spullen gezet en daarvoor zijn inmiddels ook weer nieuwe rijen boeken gerezen, ergens in die kamer moet Nestor staan, ging het niet over een uil ofzo?, ik weet het niet meer, ik kwam er nooit doorheen, ik kocht het boek pas naderhand, toen ik al besloten had dat L.H. Wiener een goed schrijver was, maar wat had ik van hem gelezen dat me dat deed besluiten, was het een boek, of stond hij ooit in Raster misschien?, hij staat in mijn hoofd als een goed schrijver, maar een beetje latent, want ik kan het oordeel nu nergens meer aan verbinden, hij staat ook in mijn hoofd als een licht experimenteel schrijver, niet hardekern-experimenteel, maar wel iemand die zich van traditie en van stijlen en genres en de grenzen daartussen niet zoveel aantrekt, en In verlatenheid leek die indruk aanvankelijk te versterken.

Want ik kon me in eerste nog wel afvragen wat het nu precies was wat ik daar in mijn handen hield, een bewustzijnsstroom, een bundeling columns misschien, of zeg thematies verwante zkv’s, maar gaandeweg krijgt In verlatenheid toch steeds meer het karakter van een roman, of een novelle, ik weet niet exactelijk waar de grens ligt, 207 pagina’s praten we hier, maar een tamelik groot lettertiep, en een schrijfstijl die maakt dat je dit in een achternamiddag uitleest, wat geen kritiek wil zijn, integendeel misschien, ofnee dat ook weer niet, er zijn geen integendelen als het om literatuur gaat, nu eens is dit de beste manier om binnen te geraken, dan weer dat, een boek alleszins, laat ik het daarop houden, over een al wat oudere man, en omdat de tekst zelf al genoeg argumenten aandraagt om het als autobiografies te zien zal ik zo vermetel zijn in die oudere man Wiener zelve te vermoeden, die alleen is, een vrouw is weggegaan, de ook als Kenau gekende Laatste Vriendin, ze ging, en nu, in de woorden van Malcom Middleton: “now you’ve gone / and left me / and there’s nothing here / but a tenner in my pocket / and a fridge full of beer”, al zal het in Wieners geval eerder wijn zijn, een relatiebreukboek dus, is dat een term?, zonee dat munt ik hem graag bij dezen, relatiebreukliedjes zijn er vele toch?, vroeger noemde ik ze wel break up songs, dan ik kon ik dingen zeggen als “Ich mag dich einfach nicht mehr so van Tocotronic is misschien wel de mooiste break up song allertijden”, maar nu weet ik niet meer of dat wel helemaal waar is en zeker niet of het wel zo gezegd moet worden, in ieder geval toch, een boek over een man alleen, met zijn dagdagelijksheden, zijn bekommernissen, en zijn gedachten.

Natuurlijk is het dat laatste dat dit boek zo interessant maakt.

Wiener, of noem hem Lo, want zo wordt hij ergens in dit boek aangeschreven, peinst wat af, en dat is soms heel grappig, soms schrijnend, soms keelschroevend, soms ontroerend, soms platvloers, soms afgezaagd, soms mooi, soms pretentieus, als dat gaat in een leven, een mannenleven, het leven van een man alleen, een wat oudere man alleen, die zich doorheen zijn dagen slaat, nu Laatste Vriendin ervandoor is en je wel zoon beetje peinzen kunt dat de laatste benen van je leven hun beste tijd hebben gehad, zodat er in ieder geval veel meer herinneringen resten dan er nog vooruitzichten zijn, aan de auteur als kind of als jonge man, aan zijn tijd als leraar op een middelbare school, toen hij ijverde voor wat in modern jargon wel “de onderpresterende hoogbegaafde” heet, want tegenwoordig is iedereen hoogbegaafd, iets daaraan raakte me, vanwege, denk ik, mijn toch niet onintelligente zoon die er nu in 2 VWO met de per naar gooit, een nogal smotsige pet zelfs zou ik zeggen, precies om de reden die Wiener ergens in dit boek haarscherp omschrijft, inderdaad ziet hij heel het instituut school als saai en geestdodend, terwijl zijn geest, meen ik als vader, niet gedood mag worden, maar vliegen moet, ik wens hem een leraar toe als Wiener zegt te zijn geweest, en de dingen zijn geweest, in dit boek is vooral heel veel geweest, want als de weg vooruit nog maar weinig te zien laat, rest niks anders dan de achteruitkijk, maar dat zei ik al.

De dagdagelijksheid geeft tochtjes te zien door Haarlem, naar de bibliotheek, want daar, op zolder, doet Wiener klaarblijkelijk zijn schrijfwerk, ik heb iemand gekend die altijd naar een kaffee in Den Haag ging om te schrijven, een dichter was dat, niet meteen ’s lands bekendste dichter maar toch iemand met een redelijk aantal bundels op zijn naam, ik heb dat altijd een beetje aanstellerig gevonden, zo koket gaan zitten schijven in een publieke gelegenheid, terwijl schrijven bij uitstek iets is dat overal kan en waarvoor je zeker niet de deur uit hoeft, het kan in het bed waarin je wakker werd als het moet, zelf heb ik al eens tijdens het koken aan het aanrecht staan schrijven, maar misschien is het als je meer bent dat een hobbyschrijver of een piepklein besprekerken wel nodig om echt het huis uit te gaan om het werk te verzetten dat verzet moet worden en dat binnenshuis misschien bedolven zou worden onder was en vaat en zitten en treuren en wijn, of naar de winkel, ik vond die scene met die zwerver en die fiets wat anekdotisch van aard, de scene met de pubermeisjes ging wat mij betreft over een grens of drie of vier maar dat maakt het misschien des te openhartig, naar de jachthaven, want Wiener (ja ik hou vol dat hij het gewoon zelf is) heeft een zeilschip dat af en toe onderhoud nodig heeft, en varen misschien, dat poes Sarah hierbij verdronk is iets wat ik nog altijd niet verkroppen kan, maar ik ben een groot, een zeer groot, een heel erg groot kattenliefhebber, of, soms, naar een vrouw, misschien maar de buurvrouw, dan moet je niet te ver lopen, of anders allicht een niet ver uit de buurt wonende ex die hem, de ik, Lo, of, ja, Wiener, altijd als haar grote liefde is blijven zien, dat is mooi toch?, misschien een beetje triest als er veertig contactloze jaren zijn geweest, maar het is mooi om iemands grote liefde te zijn geweest, toen ik een jaar of negentien was kwam ik in de trein Lonneke tegen, die mijn vriendinnetje was op de lagere school, toen we beiden een jaar of acht, negen, tien waren, veel langer kan dat niet geduurd hebben, maar toen, in de trein, zei ze tegen me Je was mijn eerste grote liefde, en van het station tot aan het huis op de Boschdijk waar ik in die dagen woonde liep ik op wolken.

Een boek over liefde, zeg gerust.
Een relatiebreukboek over liefde.
Over alle liefde.
Liefde voor een kat, liefde voor vogels, liefde voor zeilen, liefde voor vrouwen, liefde voor literatuur.

Dat laatste, ja, daarin brengt Wiener helaas weinig verrassing, de schrijvers waarmee hij afkomt zijn tot op het bot gekend, Shakespeare, Hermans, Nabokov, Flaubert, Fitzgerald, Chaucer, altijd weer dezelfden, altijd weer die eeuwig zelfden, schoon je referenties een keer op man, woorden van deze aard (maar dan anders), sprak de Huub goedkeurend tot mij toen ik tijdens een redactievergadering als jonge stagiair het voornemen uitsprak een artikel over literatuur te schrijven gebaseerd op een uitspraak van Zappa, goedkeurend omdat ik met Zappa voor iets anders koos dan die altijd weer eeuwig zelfden, maar het uiteindelijke artikel vond hij niks, en hier geldt het omgekeerde: voor een aanzet tot verdere lezing moet je niet bij Wiener zijn, slechts voor deze, enkele, deze, huidige, lezing, van dit hier boek, deze In verlatenheid.

Want verlaten zijn we allemaal.
Demonen hebben we allemaal.
En doorgaan doen wel allemaal.

De ene voet voor de andere.

In verlatenheid is een meer dan aardig werkje. Je kunt je erdoor laten troosten. En dan lachen, of dan een traan. Je kunt het ook gewoon lezen natuurlijk. En een hele fijne middag hebben.

L.H. Wiener In verlatenheid

In verlatenheid

  • Auteur: L.H. Wiener (Nederland)
  • Soort boek: autobiografische roman
  • Uitgever: Uitgeverij Pluim
  • Verschijnt: 5 november 2025
  • Omvang: 208 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 23,99
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de L.H. Wiener roman

Nadat zijn Laatste Vriendin hem verlaten heeft gaat Lodewijk Wiener, gepensioneerd docent, gebrekkige minnaar en geboren schrijver, de wanhoop te lijf en op zoek naar een manier om de eenzaamheid te over- winnen. Hij blikt terug op zijn leven en legt vast wie hij was of had willen zijn, nu de onvermijdelijke Dood, nog wat talmend, maar onvermurwbaar, op weg is naar zijn huis. Niet anoniem passeren is tenslotte het credo van iedere schrijver.

L.H. Wiener is geboren op 16 februari 1945 in Amsterdam, Hij debuteerde in 1966 met een kort verhaal in Tirade. Zijn jarenlange schrijverschap resulteerde in een breed gevarieerd oeuvre. Voor zijn roman Nestor ontving hij in 2002 de F. Bordewijk-prijs. Zijn roman De verering van Quirina T. werd genomineerd voor de shortlist van de Libris Literatuur Prijs. Zijn laatste roman, Zeeangst (∗∗∗∗), werd eveneens alom bejubeld.

Bijpassende boeken

Nora Claire Miller – Groceries

Nora Claire Miller Groceries recensie, review en informatie over de inhoud van het lange gedicht. Op 21 oktober 2025 verschijnt bij  Fonograf Editions het debuut van de Amerikaanse dichter Nora Claire Miller. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en de uitgave.

Nora Claire Miller Groceries recensie en review van Tim Donker

Groceries gaat over het leven op aarde. Want wat is er immers meer op aarde dan boodschappen? Even een boodschap doen. Ergens geen boodschap aan hebben. Je kunt die zoon van jou wel om een boodschap sturen. & heb je die boodschap begrepen? Zender. Boodschap. Ontvanger. (één van de eerste recensies die ik ooit schreef, toen ik als student stage liep bij Roodkoper, titelde ik Boodschapper zonder boodschap).

Het leven op aarde dus, en hoe dat bezien kan worden. Bij Miller zijn de invalshoeken en de variaties in belichting welhaast eindeloos. Leven op aarde is een vervagend experiment in beslissingen nemen of met vingers wijzen terwijl de video’s van de buren in hun bier of in hun koken schreeuwen.

?

Dat is vraagteken.

Vraagtekens kietelen onophoudelijk in deze bundel. Miller spreekt in de prachtigste raadsels die je ooit zult lezen. Leven op aarde valt niet te tolereren. We maken allemaal onze eigen omeletten in onze eigen appartementen. Hier op aarde zeggen ze dat het leven op aarde één grote teleurstelling is.

Zegt deze bundel.
Zegt Miller.

Zeggen, spreken deze bladzijden hier. Nog maar één gedicht ver, en Miller scheerde al lang experimenten, teleurstellingen, buren, omeletten, video’s en bier. Je kunt je afvragen wat de samenhang is, maar je kunt je ook laten meevoeren door de stroom. Zoals. Ja. Het leven op aarde is, dus. Toch wel de grootste ongelijksoortige verzameling die zelf niet verzameld kan worden, nietwaar? En hoe luidt het weerwoord op de uitspraak dat het leven op aarde zo teleurstellend zou zijn? Ik sieteer: “maar ik kan je zeggen alle tanden die ik heb: snijtand. snijtand. voorkies. snijtand. kies. voorkies. kies. snijtand. kies. voorkies. snijtand. voorkies. voorkies. hoektand. hoektand. snijtand. kies. snijtand. voorkies. hoektand. kies. kies. kies. voorkies. kies. snijtand. voorkies. hoektand.” – als je dit kunt accepteren als antwoord op de teleurstelling die het leven is, ben je klaar voor Groceries. Want dan kun je ook wel inzien hoe het leven op aarde een gigantiese roze cilinder is met zout langs alle wanden. Of een kleine harde deur. Een kruidenierszaak. In ieder geval iets, dat is zeker.

Misschien is het leven op aarde ook wel iets met dingen. Niet de dingen die toch gaan zoals ze gaan maar de dingen die zijn. Het zijn van het zijnde. De stof van alle dingen (God, had Spinoza gezeid). Alles waar je langs komt als je loopt. Lichtschakelaars. Rubberen spatels. Automatiese waarschuwingen. Alles wat is, en wat ooit niet meer zal zijn. Jasmijn in bloei. Zonnebrillen. Dweilen. Apostroffen. Natuurrampen. Latexvrije handschoenen. Inspanningen. Externe harde schijven. Leugendetectortesten. Verbijsterende beetjes informatie. Schuld. Vermaningen.

Maar hier staat niet alleen bliksoep op het spel. Of konijnenhaar. Op aarde zijn er immers ook dromen, en absurdisme, en metafysica, en ongerijmdheden, en onbeantwoordbare vragen. Miller denkt ook na over het weer: waar het van gemaakt is, wat het wil. Je kunt evengoed iemands voicemail inspreken als nadenken over een ochtend in de elektriese stad – de stad die alleen maar bestaat in een klein stukje glas in je broekzak en in een paar pakhuizen een paar honderd kilometer verderop. Je kunt zitten lezen in het park, of uitgedaagd worden door een abstract beeldhouwwerk (een gevecht dat jij natuurlijk gaat winnen want jij bent geen beeldhouwwerk). Je kunt een perfecte zoom in je broek strijken of andere mensen laten zien hoe je met paarden praat. Naar een video kijken waarin iedereen zwemt of bedenken hoe een universiteit geen televisiestation is. Als je koken met universiteit combineert, zal de universiteit gekookt worden of het koken geüniversiteerd. In ieder geval zal er niemand iets leren. Wat een groeiend probleem is waarover rap een paneldiscussie gehouden zal worden. Je kunt je elektriese kat uitlaten en dan een man tegenkomen die je vraagt: Heb je trek in wat garnering? En het weer is nog niet voorbij. Je kunt schreeuwen alleen maar om een vorm van je schreeuw te maken. Want alles is vorm. De toekomst wordt apart verzonden. Met een zakje schroeven. Maar langs de andere kant, ziploc is geen woord. Het is een woord dat werd besloten. Elke uitvinding is een woord. Behalve ziploc. Ziploc is een absolute. Deze dingen bestaan hier op aarde.

Want in een volgende wereld, houdt Miller ons voor, zal vertellen niet bestaan. Of praten. Of ondersteboven hangen. Of calorievrije suikervervangers. Of hartvormige zonnebrillen. Wat in deze wereld nog wel bestaat, doet zich echter niet aan iedereen op dezelfde manier voor. Zo is alleen voor ons herkenning een blauw en groene wekker, een amandelfestival of een opwaarts gerichte pijl; voor de kat Ramona is dit helemaal anders. Voor haar zijn geluiden geen geluiden en is opmerken niet opmerken. Zodus zal niemand Ramona ooit werkelijk helemaal zien.

En op het einde is er misschien niks dan regen die te doodgewoon is en licht dat te grijs is. Wat vuistregels die te onnavolgbaar zijn. Grappige haat. Leven als een middag. Een papieren pretzel. Onbenoembare metalen structuren. En de buschauffeur die de naam van de volgende halte afroept.

Veelvuldig duiken ze op in Groceries: kleine, lege hokjes: []. Het kunnen andere levensvormen zijn, wat doen ze op deze bladzijden? Soms lijken het stoorzenders, witte ruis, verkeerslawaai, een passerend vliegtuig, iets dat overstemt wat er gezegd wordt. Andere keren lijken ze veeleer ingezet te worden als bewuste censureringen. Of misschien moeten de lege hokjes juist het onuitdrukbare uitdrukken, datgene zeggen waar geen woorden voor zijn. Mij voerden ze vooral terug naar de tijden van weleer, toen ik als één der laatsten in Nederland nog geen smartphone had, gewoon een oud klein mobieltje waarmee je alleen kon bellen en sms’en. Een vriendin van mij, een tiepe van het slag dat wel graag de nieuwste snufjes als eerste had, stuurde in de sms’en die ze aan mij richtte wel eens “smileys” (o mijn god) mee, maar mijn telefoon kon die niet weergeven: op de plek van wat bij haar een “smiley” was, stond bij mij een leeg hokje. Ik kon de oorspronkelijke “smiley” alleen maar vermoeden: de lachende als ze iets grappigs schreef, die knipogende zeikerd bij iets met een dubbele betekenis (zo van por por, knipoog knipoog, je weet wel wat ik bedoel), de kussende op het einde van een bericht. Daar moest ik aan denken. En denken aan onweergeefbare “smileys” deed me verder denken aan de leegte van de volheid: al die vele, die heel erg vele, die zo heel erg belachelijk veel vele dingen die er hier op aarde zijn en die steeds om onze aandacht schreeuwen, of juist de dingen die we allang niet meer opmerken of nooit opgemerkt hebben: “zonder naam zijn de dingen gewoon massa” – dat die Roderik Six hier nog moet opduiken! Waar de hokjes soms overheen de pagina regenen, bijna de woorden bedekken, leken ze me wel die naamloze massa te zijn.

Er valt zoveel te beleven in dit boek. En je kunt ervan leren. Leer die ene ovaal te zijn die moet invallen tot de sirkels terugkomen. Leer kijken. Leer zien. Opnieuw zien. Het ding op zich zien, of hoe kun je weten dat je het ding zelf ziet in plaats van jouw waarneming ervan. En zie jij de dingen wel zoals ik ze zie. Ontzien. Bezien. Herzien. Afzien. Bijzien. Overzien. Omzien. Doorzien.

Op haast elke bladzijde staat wel iets dat je brein ondersteboven gooit. Want Groceries is zowel experimenteel als humoristisch; zowel filosofisch als observerend; zowel een oneindig taalavontuur als een reisgids voor buitenaardse ontdekkingsreizigers. De toon varieert van speels naar kinderlijk naar ten diepste poëtisch. Maar altijd adembenemend.

Wauw. Wat een onvergelijkbare prachtbundel is dit! Een mens zou zomaar kunnen zeggen dat dit het mooiste poëzieboek van het decennium is en dan zou ik een mens niet eens voor gek verklaren. Het is in ieder geval alles wat je van poëzie wil. Het zet aan het denken, het maakt aan het lachen, het ontroert, het verbijstert en het betovert – een bundel zo rijk als deze lees je niet vaak.

Nora Claire Miller Groceries

Groceries

  • Auteur: Nora Claire Miller (Verenigde Staten)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels
  • Uitgever:  Fonograf Editions
  • Verschijnt: 21 oktober 2025
  • Omvang: 94 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: $ 20.00
  • Boek bestellen bij: Bol 

Flaptekst van het poëziedebuut van Nora Claire Miller

The winner of the 2023 Fonograf Editions Open Genre Book Prize contest, as chosen by Srikanth Reddy, Groceries is a book-length poem about what to do about objects. Not where to put them exactly, but how to print them out from the sky so they get sucked back down to earth. How to tell a noun from a category of noun, an image from a category of image. Cereal from USB ports. Motorcycles from escalators. Grapevines from hair elastics. They’re more similar than you’d think.

Foreword by Srikanth Reddy.

Nora Claire Miller is a poet. Their work has recently appeared in The Paris ReviewFENCEChicago Review, and Bennington Review. Their first book Groceries was the winner of the Fonograf Editions Open Genre Contest, judged by Srikanth Reddy, and is forthcoming in fall 2025. They are also the author of the chapbook LULL (2020). Nora is based in Western Massachusetts, where they’re the editor-in-chief of Ghost Proposal, a journal and small press focused on visual poetry and experimental writing. Nora has an MFA from the Iowa Writers’ Workshop and a BA from Hampshire College.

 

Llorenç Villalonga – Andrea Victrix

Llorenç Villalonga Andrea Victrix recensie en informatie roman van de van Mallorca afkomstige Catalaanse schrijver. Op 15 oktober 2025 verschijnt bij Uitgeverij Nobelman de Nederlandse vertaling van de Catalaanse dystopische Mallorca roman uit 1974 van Llorenç Villalonga. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Llorenç Villalonga Andrea Victrix recensie van Tim Donker

Iets over waarheid en fictie, toch? Uitgeverij Nobelman komt af met een in de vroege jaren zeventig geschreven roman die zich afspeelt in het jaar 2050. Nabije toekomst toen, nabijer nog nu. Maar nog altijd toekomst, en dat kun je dystopische literatuur noemen of gewoon science fiction. En ik hou niet zo van science fiction. Ik vind het te gemakkelijk. Dit bezwaar verbaast zelfs mij, want ik ben de laatste om te vinden dat kunst per se “moeilijk” zou moeten zijn. Maar toch, iets aan de gemakkelijkheid van science fiction stoort me. We plaatsen iets in een of andere verdere of nabijere toekomst en dan hebben we een vrijbrief in handen om onze idiootste fantasieën de vrije loop te laten. Want hee, het is toekomst, het hoeft aan geen enkele realiteitseis meer te voldoen, toch? Dus kom maar aan met die robots en die vliegende auto’s en die tot in het bizarre geünificeerde mensheid.

En ja. In Andrea Victrix ontwaakt de in 1965 ingevroren hoofdfiguur in het op het eerste gezicht nogal absurd aandoende Mallorca van 2050. Het heet niet eens meer Mallorca. Het is nu de Mediterrane Toeristenclub geworden. Rusland en Amerika zijn min of meer per ongeluk weggevaagd, het zijn nu woestijnen. De Verenigde Staten van Europa zijn de grootste, eigenlijk de enige, wereldmacht. De nog maar net ontdooide hoofdfiguur wordt opgepikt door de androgyne Andrea Victrix, die een soort ambassadeur is van deze nieuwe wereld. Ze is wondermooi, ze is een zeer vrouwelijke man misschien of anders een krachtpatser van een vrouw. Ze brandt in rap tempo op door de soma, de drug die sommigen misschien nog wel kennen van Huxley. Als onvermoeibaar animeermeisje is het haar taak om nieuwelingen onder te dompelen in de non-stop pretfabriek die de Toeristenclub nu is, en op die manier almeteens te hersenspoelen en iedere kritiek op het regeringsbeleid de kop in te drukken. Bij de hoofdpersoon lukt dat minder goed, hij weet niet wat hij ziet. In het Mallorca van 2050 is alleen nog maar hoogbouw. Mensen wonen in piepkleine flatjes die uitpuilen van de meest onzinnige apparaten want consumeren wat je eigenlijk niet nodig hebt is nu een heilige plicht. Er is geen natuurlijk voedsel meer, de mensheid leeft op pillen en sapjes zodat iedereen al jong een kunstgebit heeft. Het onderscheid tussen de seksen is verdwenen, iedereen is onzijdig, geen man, geen vrouw. Gezinnen vormen is verboden, evenals een kind uit een vader en een moeder geboren te laten worden. Het is een taak van de overheid geworden om nieuwe consumenten op te kweken in laboratoria; alleen voor deze kweek zorgvuldig geselecteerde burgers is het toegestaan om voor nageslacht te zorgen. In deze onnatuurlijke wereld is het laffe drankje Hola Hola -voor Villalonga was Coca Cola klaarblijkelijk het summum van synthetische rotzooi, en geef hem eens ongelijk- de afgod; wetenschap is de nieuwe religie. Kinderen, die met een jaar of zeven al volwassen genoeg verklaard worden om een zelfstandig leven te leiden, veelal als ober, krijgen vanaf de kleuterleeftijd, wanneer ze er eigenlijk nog niks van begrijpen de formule E=MC² in hun hoofden gestampt, ze lopen rond met T-shirts waar het op staat, het is onderdeel van hun routine als betrof het een kinderliedje. In kranten staan inmiddels meer cijfers dan woorden, omdat alleen cijfers de exactheid hebben die woorden ontberen. Het ideaal is toe te groeien naar de noösfeer, niet in de meer “wetenschappelijke” betekenis van het antroposceen, maar in de meer spirituele betekenis die Teilhard de Chardin er aan gaf: een omegapunt waarop de mens in geestelijke zin zal samenvallen tot een nieuw wezen in de evolutie (maar nu leg ik Chardin allicht te simpel uit want ik moet toegeven dat ik het fijne van zijn ideeën toch niet ganzelijk vat). Collectivisme is het ultieme doel, iedere afwijking daarvan, in de vorm van exclusieve relaties, wordt als bijzonder egocentrisch en dus verwerpelijk gezien. Echte liefde zal dus niet meer bestaan, alleen een soort theoretische liefde voor de mensheid als geheel.

De vraag dringt zich op of een boek kan worden ingehaald door de tijd. Als ik dit boek in de jaren tachtig of de jaren negentig of misschien zelfs de jaren ’00 had gelezen (vooropgesteld dat ik het Catalaans machtig was geweest), dan zou ik een dystopie gelezen hebben, of één van die net iets te ver gezochte science fiction romans waar ik het eerder over had. Of. Naja. In de 00’s had ik het denkelijk ook nog wel als sociaal commentaar kunnen opvatten. Llorenç de Villalonga, inmiddels alweer zo’n 45 jaar dood, werd geboren en getogen, en is uiteindelijk ook overleden in Palma de Mallorca. Toen hij aan het begin van de zeventiger jaren dit boek schreef, was het toerisme op Mallorca waarschijnlijk niet op het nivo dat ik aantrof toen ik daar ergens in de jaren ’00 een keer was. Afgezien van de meest futuristische elementen uit Andrea Victrix was het toen al een soort “toerclub”. Er leek geen authentieke steen meer overeind te staan, zo scheen het me toe. Overal waar ik keek, zag ik winkelcentra, horeca, divertissement, vermaak. Inderdaad: de muziek, de continue reclameboodschappen die Villalonga hier beschrijft. Meermaals vroeg ik me af: Waar woont de bevolking? In 1974 zal dat nog in de kinderschoenen hebben gestaan, maar een beetje denker kon natuurlijk best voorzien waar het heen zou gaan. Je hoeft immers alleen te extrapoleren wat je om je heen reeds ziet gebeuren. En dan was ik er nog in de jaren tweeduizend, hoe is het daar nu, hoe zal het daar zijn in 2050? Villalonga zal er tegen die tijd vast niet zo ver gezeten blijken te hebben. Maar dan nog. Voor een echt goede aanklacht tegen het toerisme ga ik altijd nog liever te rade bij Paella voor het klootjesvolk van Xavier Domingo.

Maar het is niet 1980 meer. Het is niet 1990 meer. Het is niet 2000 meer. Inmiddels slaat de klok 2025, en nu hebben we woke gehad en nu hebben we “de pandemie” gehad, en “de klimaatcrisis” en “de oorlog” (welke oorlog van de vele?, die waar we allemaal dezelfde mening over moeten hebben natuurlijk); en bij nu lijkt Andrea Vicitrix niet zomaar meer een zoveelste variant op Brave new world of een van die gemakzuchtig bijeen geconfabuleerde scifi-romans, nu lijken we een profetisch geschrift op ons handen te hebben. De cijfers die de ultieme waarheid in pacht hebben, doet iemand dat aan enige “coronacrisis” denken misschien? Toen we alle dagen op de hoogte werden gehouden van de overlijdens en de besmettingen die de ernst van de situatie aan moesten geven? Behalve dat niemand iemand leek te kennen die daadwerkelijk aan corona overleden was? Wat iets anders is dan mét corona overlijden, wat iedereen die positief getest was op corona overleed aan corona, zelfs al was de acute doodsoorzaak een hartstilstand, een val van de trap, of het in de laatste fase zitten van een terminale ziekte. Het collectivisme, doet dat niet denken aan de eis tot vaccinatie, al zag je er zelf de noodzaak niet van in, maar “stel dat je iemand die daar minder goed tegen kan mee besmet”, er zullen altijd mensen zijn die er minder goed tegen kunnen, je moet altijd rekening houden met mensen die er minder goed tegen kunnen, je moet jezelf altijd opstellen als de mindere van mensen die er minder goed tegen kunnen? De ongebreidelde liefde voor medicijnen, doet dat niet denken aan het punt, waar, ergens, dat geneeskunde studeren overging in medicijnen studeren, aan hoe de farmaceutische industrie allesbepalend geworden lijkt te zijn? Hoe het strafbaar, of toch in elk geval zeer laakbaar, is om er een andere menig op na te houden dan de meeste mensen, doet dat niet denken aan het geblaat van opperfascist Bennie Jolink tijdens een zekere, tsja, “coronacrisis”? Of: “hoe kan landbouw zich handhaven zonder organische stikstof?” Klink bekend, hm? “Ademen is tegenwoordig een luxe”; een centraal gezag vanuit Parijs (lees Brussel), woningnood, de behoefte aan nieuwigheden die niet bij het publiek ligt maar bij de producent (de behoefte bij het publiek wordt later wel -meestal succesvol- gekweekt) (en ja ineens had iedereen heel veel behoefte aan mobiele telefoons), de vooruitgang, die als een monster ontsnapt aan zijn maker, niet gestopt kan worden, iedereen moet iedereen (maar niemand in het bijzonder) lief vinden, de zeer massaal gevoelde afwijzing van een bepaald geslacht, individualiteit is gelijk komen te staan aan pornografie, hm? Leegloop van het platteland, iedereen die daar wil zijn waar de meesten zijn (Canetti had het al gezegd)? Klinkt inmiddels al te bekend? Hm?

Kan de tijd de waarde van een boek pas volledig ontsluiten?

Was Llorenç Villalonga een visionair of gewoon iemand die logisch nadenkend kon zien waar het met de huidige tijd op uit zou draaien? (alsof er een verschil is).

Als deze tijd geen woke en geen corona had gekend, wat was er dan overgebleven van Andrea Victrix? Hoe goed is dit boek geschreven, los van zijn voorspellende waarde?

Het is best grappig, hier en daar. Als je houdt van zwarte humor. Ik vond de idee van zelfmoord als “de enige manier om vrije wil te benutten in de moderne samenleving”; van medicijnen die “alles genezen behalve de dood”; van toerisme als morele zwakzinnigheid best heel grappig. Het is, op tijden, vaak, heel filosofisch, waar het ideeën herneemt van Sartre, Nietzsche, Schopenhauer, Einstein, Berdjajev, Dostojevski. Dus. Zet het tot denken aan, zet het tot lezen aan. Bij mensen die daar gevoelig voor zijn. Of. De verscheurdheid die de hoofdpersoon voelt voor zijn liefde voor Andrea Victrix en de maatschappij die ze vertegenwoordigt. Een schisma dat Villalonga af en toe voelbaar weet te maken voor de lezer. Niet omdat de verliefdheid van de hoofdpersoon voor Andrea begrijpelijk is, tot op de laatste bladzijde blijft immers onhelder of het een man of een vrouw was. Maar wel omdat de wereld die Victrix voorstaat op punten rechtvaardiger lijkt dan die van de hoofdpersoon. Om een voorbeeld te noemen: de idee van Victrix dat ieder persoon zijn eigen waarde heeft gaat in tegen dat van de hoofdpersoon die zich laat voorstaan op zijn voorgeslacht en op waarde als iets overerfbaars. Dan ineens is het Andrea Victrix die de stem van de rede vertolkt en de hoofdpersoon zit vast in hopeloze archaïsmen. Het maakt dat je Villalonga bijna dat zwakke einde waarin de hoofdpersoon geen stelling durft te nemen tegen het overheidsbeleid, zult vergeven.

Zodus kun je in 2025 Andrea Victrix op meerdere manieren lezen.

Als filosofisch geschrift.
Als vermakelijk gedachte-experiment.
Als grillige literatuur.
Als adembenemende voorspelling van het klimaat waarin we ons nu gevangen weten.

Afhankelijk van je lectuur zul je dit boek ergens tussen goed en geniaal waarderen. Een boek dus dat je in geen geval slecht gaat kunnen vinden, hoe goed is dat?

Llorenç Villalonga Andrea Victrix

Andrea Victrix

  • Auteur: Llorenç Villalonga (Spanje)
  • Soort boek: Dystopische Mallorca roman
  • Origineel: Andrea Victrix (1974)
  • Nederlandse vertaling: Frans Oosterholt
  • Uitgever: Uitgeverij Nobelman
  • Verschijnt: 15 oktober 2025
  • Omvang: 428 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 24,95
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de roman van Llorenç Villalonga

Een man die in 1965 op zijn zestigste is ingevroren, wordt in 2050 op zijn dertigste wakker. Hij wordt opgepikt door Andrea Victrix, een geslachtsloze spetter die hem onder zijn/haar hoede neemt.

Langzaam maar zeker maakt de verteller kennis met de nieuwe wereld. De plek die hij kende als Mallorca heet nu Mediterrane Toeristenclub, kortweg Toerclub. Amerika en Rusland zijn van de aardbodem gevaagd door een atoomramp. De Verenigde Staten van Europa heersen over de wereld. De held van de roman valt als een blok voor Andrea, het androgyne boegbeeld van het regime, terwijl hij samenzweert met een netwerk van dissidenten om datzelfde regime omver te werpen. Op een dag zal hij moeten kiezen tussen liefde en loyaliteit.

Nu voor het eerst in het Nederlands vertaald en van een uitgebreid nawoord voorzien door Frans Oosterholt.

Llorenç Villalonga is geboren op 1 maart 1897 in Palma de Mallorca. Hij was een van de grootste twintigste-eeuwse schrijvers van Spanje die trouwens in het Catalaans schreef. Hij stond bekend als een eenzelvige en aartsconservatieve gentleman die het liefst in de achttiende eeuw had geleefd. Hij schreef een nostalgisch boek over het verleden van Mallorca, onder de titel Bearn o La sala de les nines, in het Nederlands verschenen onder de titel Het geheime leven van Toni de Bearn. Het opkomende massatoerisme in de jaren zestig was hem een gruwel en bewoog hem tot het schrijven van een inktzwarte toekomstvisie op Mallorca. Andrea Victrix is een grimmige maar ook hilarische en heel goed geschreven dystopie uit 1974, die in de afgelopen vijftig jaar alleen maar aan geloofwaardigheid heeft gewonnen. Op 28 januari 1980 overleed de Catalaanse schrijver in zijn geboorteplaats. Hij werd 82 jaar oud.

Bijpassende boeken en informatie

Roelof Schipper – bleke gesp, beige zoom

Roelof Schipper bleke gesp, beige zoom recensie, review en informatie boek en debuut met gedichten. Op 10 oktober 2025 verschijnt bij Uitgeverij Vleugels de dichtbundel van Roelof Schipper. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Roelof Schipper bleke gesp, beige zoom recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van bleke gesp, beige zoom, de dichtbundel van Roelof Schipper, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donkers

Stel: je bent verdwaald in een gedicht. De omgeving zou Antwerpen kunnen zijn, of Stadskanaal, Veendam, Ter Apel. Misschien bevind je je in een hotel, of in een kaffee in een voormalige watertoren. Je hoort flarden van gesprekken. Iets over de prijs van koffie, iemand die afwezig is, een bekende heeft een nieuwe betrekking aan de overkant. Er dringen wat flitsen tot je door. Bleke gezichten, een blauwe jas, je zoon die over het duister van de dijk fietst (beige zoom, bleke gesp). De versplintering is volledig. Een gedicht als een fragmentatiebom.

Dit is de ervaring die deze bundel u bieden kan. Abstracties worden afgewisseld met trivialiteiten, duister met licht. Zijn inderhaast afgebroken zinnen, zijn merkwaardige interpunctie en volledig naar eigen hand gezette grammatica genereren een koortsig ritme, en de soms lichtelijk verontrustende beelden versterken dit alleen maar.

Je weet het niet.
Steeds opnieuw weet je het niet.
En dan weer weet je nog minder.

Holofernes wordt aangeroepen. Wie was dat ookalweer? Waarom lette ik tijdens mijn studie niet op toen die cursus werd gegeven over de bronnen van onze beschaving, de docent die dat gaf mocht ik alleszins, en toch bleef mijn kop maar afdwalen, had Holofernes niet iets te maken met Nabukadnezar of is dat alleen maar een Duitse blackmetalband? In ieder geval overvallen licht nachtmerrie-achtige gevoelens me. Hitte, zweet, piramides, rituelen, een offermes. Ook is er sprake van schrijvers die naar tentenkampen worden gestuurd. Je kan denken aan oorlog, een of andere dystopie of anders maar meteen de apocalyps. Maar er zijn ook de allergewoonste dagdagelijksheden die nog niet het geringste vermoeden van gevaar inhouden. Christine vraagt wanneer je weer aan het werk gaat. Het boek van iemands zoon ligt nog in je auto. Er wordt getuinierd. Onkruid gewied. Je bestelling wordt straks in orde gemaakt.

Een droom over het grootste distributiecentrum van een supermarkt, het natte asfalt, in die droom ben je aan het werk (dromend dat hij moet werken) (dat droom ik ook wel eens, een collega ook, vertelde hij mij). In de eerste twee gedichten duiken herhaaldelijk vrachtvliegtuigen op, dat kan nog alle kanten op – misschien komen eindelijk die spullen die je besteld had of moet er toch gevreesd worden voor oorlogsmaterieel?

Naar de letter genomen is bleke gesp, beige zoom een dichtbundel. Deze 56 pagina’s bevatten vier gedichten: functie en wet; elke zee; brandhout-lege kamer en beige zoom. Maar er ademt een eenheid, een verbinding. Een gevoel dat ik één lang gedicht zit te lezen. Over de wunderschönen monat mai, een schooldag, borrelpraat, weer aan het werk, een apocrief bijbelboek of het einde der tijden. Maar deze ongrijpbaarheid is nu juist wat deze poëzie zo intrigerend maakt.

Met niets te vergelijken, las ik ergens, behalve misschien met Faverij. Hum. Mij deed het juist denken aan de poëzie van F. van Dixhoorn. En ook een beetje aan die van B. Zwaal. En dan de laatste zin van het laatste gedicht: “parken en fonteinen”. Hoe kun je dan niet denken aan Parken en woestijnen? Als kind las ik daar trouwens steevast in: Parkeerwoestijnen, en dan dacht ik aan woestijnen vol geparkeerde auto’s. Bumper aan bumper aan bumper, onder de brandende zon. Die geleidelijk aan, door hitte, wind en zand, transformeerden in wrakken. Een hele woestijn vol autowrakken, ja dat vond ik als kind heel erg mooi.

Schipper stuurt de geest uit wandelen. Naar Egypte, naar de woestijn, naar een haven, de dijk, het distributiecentrum, een tentenkamp. Dromen of nachtmerries of de banaalste dag die je je voor kunt stellen. De ultieme fragmentatie of juist de grootst mogelijke eenheid. Aan al die dingen kun je denken als je bleke gesp, beige zoom leest. Aan Zwaal of Vasalis of Van Dixhoorn (aan Faverij dacht ik nu net weer niet). Of andere namen andere beelden andere dingen andere flitsen.

Het soort poëzie dat tot herlezing uitnodigt. Om bij elke volgende lezing het weer anders te lezen, nieuwe dingen op te merken, door andere gevoelens bevangen te worden.

Het groeit.

Het blijft groeien.

Dat soort poëzie is het. Lees het. Lees het vele malen. Een zeer eigenzinnige uitgave van een zeer eigenzinnige uitgeverij.

Roelof Schipper bleke gesp, beige zoom

bleke gesp, beige zoom

  • Auteur: Roelof Schipper
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Uitgeverij Vleugels
  • Verschijnt: 10 oktober 2025
  • Omvang: 58 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 23,95
  • Boek bestellen bij: Bol

Recensie van Tim Donkers

Stel: je bent verdwaald in een gedicht. De omgeving zou Antwerpen kunnen zijn, of Stadskanaal, Veendam, Ter Apel. Misschien bevind je je in een hotel, of in een kaffee in een voormalige watertoren. Je hoort flarden van gesprekken. Iets over de prijs van koffie, iemand die afwezig is, een bekende heeft een nieuwe betrekking aan de overkant. Er dringen wat flitsen tot je door. Bleke gezichten, een blauwe jas, je zoon die over het duister van de dijk fietst (beige zoom, bleke gesp). De versplintering is volledig. Een gedicht als een fragmentatiebom.

Dit is de ervaring die deze bundel u bieden kan. Abstracties worden afgewisseld met trivialiteiten, duister met licht. Zijn inderhaast afgebroken zinnen, zijn merkwaardige interpunctie en volledig naar eigen hand gezette grammatica genereren een koortsig ritme, en de soms lichtelijk verontrustende beelden versterken dit alleen maar.

Je weet het niet.
Steeds opnieuw weet je het niet.
En dan weer weet je nog minder.

Holofernes wordt aangeroepen. Wie was dat ookalweer? Waarom lette ik tijdens mijn studie niet op toen die cursus werd gegeven over de bronnen van onze beschaving, de docent die dat gaf mocht ik alleszins, en toch bleef mijn kop maar afdwalen, had Holofernes niet iets te maken met Nabukadnezar of is dat alleen maar een Duitse blackmetalband? In ieder geval overvallen licht nachtmerrie-achtige gevoelens me. Hitte, zweet, piramides, rituelen, een offermes. Ook is er sprake van schrijvers die naar tentenkampen worden gestuurd. Je kan denken aan oorlog, een of andere dystopie of anders maar meteen de apocalyps. Maar er zijn ook de allergewoonste dagdagelijksheden die nog niet het geringste vermoeden van gevaar inhouden. Christine vraagt wanneer je weer aan het werk gaat. Het boek van iemands zoon ligt nog in je auto. Er wordt getuinierd. Onkruid gewied. Je bestelling wordt straks in orde gemaakt.

Een droom over het grootste distributiecentrum van een supermarkt, het natte asfalt, in die droom ben je aan het werk (dromend dat hij moet werken) (dat droom ik ook wel eens, een collega ook, vertelde hij mij). In de eerste twee gedichten duiken herhaaldelijk vrachtvliegtuigen op, dat kan nog alle kanten op – misschien komen eindelijk die spullen die je besteld had of moet er toch gevreesd worden voor oorlogsmaterieel?

Naar de letter genomen is bleke gesp, beige zoom een dichtbundel. Deze 56 pagina’s bevatten vier gedichten: functie en wet; elke zee; brandhout-lege kamer en beige zoom. Maar er ademt een eenheid, een verbinding. Een gevoel dat ik één lang gedicht zit te lezen. Over de wunderschönen monat mai, een schooldag, borrelpraat, weer aan het werk, een apocrief bijbelboek of het einde der tijden. Maar deze ongrijpbaarheid is nu juist wat deze poëzie zo intrigerend maakt.

Met niets te vergelijken, las ik ergens, behalve misschien met Faverij. Hum. Mij deed het juist denken aan de poëzie van F. van Dixhoorn. En ook een beetje aan die van B. Zwaal. En dan de laatste zin van het laatste gedicht: “parken en fonteinen”. Hoe kun je dan niet denken aan Parken en woestijnen? Als kind las ik daar trouwens steevast in: Parkeerwoestijnen, en dan dacht ik aan woestijnen vol geparkeerde auto’s. Bumper aan bumper aan bumper, onder de brandende zon. Die geleidelijk aan, door hitte, wind en zand, transformeerden in wrakken. Een hele woestijn vol autowrakken, ja dat vond ik als kind heel erg mooi.

Schipper stuurt de geest uit wandelen. Naar Egypte, naar de woestijn, naar een haven, de dijk, het distributiecentrum, een tentenkamp. Dromen of nachtmerries of de banaalste dag die je je voor kunt stellen. De ultieme fragmentatie of juist de grootst mogelijke eenheid. Aan al die dingen kun je denken als je bleke gesp, beige zoom leest. Aan Zwaal of Vasalis of Van Dixhoorn (aan Faverij dacht ik nu net weer niet). Of andere namen andere beelden andere dingen andere flitsen.

Het soort poëzie dat tot herlezing uitnodigt. Om bij elke volgende lezing het weer anders te lezen, nieuwe dingen op te merken, door andere gevoelens bevangen te worden.

Het groeit.

Het blijft groeien.

Dat soort poëzie is het. Lees het. Lees het vele malen. Een zeer eigenzinnige uitgave van een zeer eigenzinnige uitgeverij.

Flaptekst van de dichtbundel van Roelof Schipper

Het debuut bleke gesp, beige zoom van Roelof Schipper is een gebeurtenis. Zijn gedichten vragen om herlezing, het liefst hardop, zodat zijn taal in je gaat rondzingen. Bijna als vanzelf verbind je je met het lyrisch ik, zijn manier van waarnemen, en het aftasten van zijn schrijven. De regels met hun aparte interpunctie zijn doordrenkt van het zintuiglijke en het abstracte. Zo word je een wereld in getrokken waar je steeds opnieuw een veranderd zicht krijgt op de mens en zijn zijn. Dit werk is met geen andere poëzie te vergelijken, hooguit met die van Faverey.

Bijpassende boeken en informatie