Tag archieven: Tim Donker

Samiya Bashir – I Hope This Helps

Samiya Bashir I Hope This Helps review, recensie en informatie boek met poëzie van de Amerikaanse dichteres uit Harlem. Op 13 mei 2025 verschijnt bij Nightboat Books de bundel met gedichten van de Amerikaanse dichters Samya Bashir. Er is geen Nederlandse vertaling van het boek verkrijgbaar.

Samiya Bashir I Hope This Helps review en recensie van Tim Donker

ich sehe die Alle in einer Reihe. De kleermaker. De accountant. De dienstmaagd. De vertaler. De andere zus. De andere vrouw. De toerist. De hulp.

je ziet ook dat Bill Bixby nooit Lou Ferrigno werd zonder al zijn kleren, aan flarden gescheurd, prijs te moeten geven. Dat zijn Jekyll-episode nooit rimpelloos verliep. Wie krijgt het immers ooit gladjes op zijn heupen?

je ziet ook dat al mijn rood als bruin kan klinken.

je ziet ze zitten. Samiya Bashir en Nicole Searley (lees haar briljante And-gedicht op ze innernet). In Rome. Met beurs. Ze wonnen in 2020 de Rome Prize Fellows voor literatuur. Moet je daar blij mee zijn? Het van de gele hond gescheten jaar 2020 toen de corona-gekte goed losbrak, moest je net in dat maffe Italië zijn waar een heel nieuwe lading aan het woord “hysterisch” gegeven werd toen. Zaten ze, Bashir en Searley, zo goed als opgehokt, op hun kamertjes. Voedsel werd gewijzigd, dan aangepast, dan weggehaald. Voor hun eigen veiligheid. Ze mochten ook elkaar niet meer zien. Voor hun eigen veiligheid. Vanaf het dak zongen ze naar elkaar; ver uit hun ramen hingen ze om maar de minste glimp van elkaar op te vangen. Je ziet ze. Je ziet het voor je, nietwaar? Ze kunnen daar niet weg. Maar ze mogen ook niet blijven. In ballingschap. Voor hun eigen veiligheid. Want altruïstisch als overheden zijn hebben ze niets dan de veiligheid van hun burgers voor ogen. Je wil dat belastingbetalers blijven leven! En dan mogen ze toch gaan. Dan toch hun ciao, en wiljewelgeloven: ciao is etymologisch verwant aan slavernij. Komend of gaand klonk het schiavo: ik ben je slaaf. Maar de moderne belastingbetaler is niet langer een slaaf toch? Die is alleen plaatsgebonden voor zijn eigen veiligheid. Voor zijn eigen veiligheid.

je ziet hoe je niet onneergeschoten kunt blijven in de Verenigde Staten als je knoflook eet. Winkelt. Zwart bent. Wit bent. Thuis bent. Op de middelbare school zit. Een geweer hebt. Geen geweer hebt. Homosexueel bent. Heterosexueel bent. Naar je werk gaat. Op kaffee gaat. Naar het strand gaat. In je eigen bed slaapt. Stopt om te tanken. Een verpleegster bent. Een student bent. In geval van nood de politie belt. Met de bus gaat. Met de trein gaat. Het met iemand uit maakt. Alleen bent. Les geeft op welke school dan ook. De voordeur opent als er aangebeld wordt. Protesteert. Op straat loopt. Een ijsje eet. In een appartement woont. In een huis woont. Met iemand getrouwd bent.

je ziet hoe (ademen).

je ziet hoe (vliegen).

je ziet hoe (bestaan).

je ziet het gevoel. Een gevoel als. Er is iets vreselijks gebeurd maar je kunt je niet herinneren wat. Of. Het gevoel als. Je kan je het vreselijke ding wel herinneren maar nog steeds denk je dat het niet dat ene vreselijke ding was. Het gevoel als. Er niets meer over is dan gevoel, geen gedachte, slechts verlamming, en gevoel. Het gevoel als. Er niets meer over is te voelen, niets in je schoot geworpen dan ontbijt. Het gevoel als. Dat blijkt dat je allergisch bent voor de samenleving als geheel.

je kunt zien – televisie. Televisie kijken. Laat op de avond. Of vroeg in de nacht. Ergens in de zeventiger tachtiger negentiger jaren. Kijken tot het volkslied erop kwam (was dat echt zo?). Alles zien wat uitgezonden werd. Nieuws. Documentaires. Slechte films. Wat het ook was, het was altijd hetzelfde. Wees bang, was wat het zei. Wees heel erg bang voor. Oorlog. Invasie. Storm. Of geafrikaniseerde bijen.

je kunt zien hoe dit helpt (of een beetje misschien).

je kunt (zien) / (groot) / vliegen / bezweren / slapeloos / laten vallen / (geheim). En dat we hier zijn. En dat we maken.

je kunt zien hoe, dit, een dag, het weer wisselvallig misschien en daar zat ik, in mijn leesstoel zat ik, het was het zitten daar, het waren mijn verwachtingen, het was het zitten daar met die verwachtingen van mij, op de steerjoo was Hout van Frederik Croene en Esther Venrooy, ik had zoveel verwacht van die seedee, wat had ik verwacht van die seedee?, niet dit had ik verwacht van die seedee: niet wat het bleek te zijn had ik verwacht van die seedee, zo af en toe klonk er iets bovenuit, af en toe wat geluid dat klonk, het gaat in en het gaat uit fase dacht ik, soms ineens de slag soms in het gezicht, wat het was, in mijn handen I hope this helps van Samiya Bashir, ik had zoveel verwacht van deze bundel, wat had ik verwacht van deze bundel?, niet dit had ik verwacht van deze bundel: niet wat het blijkt te zijn had ik verwacht van deze bundel, ik had een gedicht gelezen van haar, ergens op dat vermaledijde internet (ooit dacht ik dat het een trend was, toen ik in de twintig was ofzo, ik dacht het is een trend dat internet het gaat wel weer over dat internet ook dit gaan voorbij, dacht ik toen, ik was halverwege de twintig ofzo), ik had dat gedicht gelezen dat How not to stay unshot in the U.S.A. maar ik had de titel even gemist en ik had het gelezen als een opsomming van dingen die een mens kan doen, dingen die een mens kan zijn: knoflook eten, benzine tanken, thuis zijn, naar een countrymuziekfestival gaan, homosexueel zijn, heterosexueel zijn, naar het strand gaan, de bus nemen, gaaf dacht ik, deze dingen kan je zijn deze dingen kan je doen met deze dingen kan je leven gevuld zijn, en o hoe hou ik van opsommingsgedichten dus deze bundel moet ik hebben dacht ik, deze bundel moet ik bestellen dacht ik, en ik deed, ik bestelde, en even later had ik hem ook, in handen, daar, in mijn leesstoel, met dat enigszins teleurstellende Hout op de steerjoo, dat was niet lang nadat La llorena van Lhasa ook al een lichte teleurstelling voor me was geweest, waarom had ik ook zo zitten zaniken tegen Katherine over hoe mooi de stem van Lhasa was, terwijl juist die stem nu, of ook de muziek, hoe zou het eigenlijk met Katherine gaan, woont ze al in Zweden, waar gaan alle mensen heen, waarom stelt alles toch altijd weer teleur, lichtelijk of een beetje of veel of gewoon, blijkt dat het gedicht dat voor mij aanleiding was I hope this helps onverwijld te bestellen How not to stay unshot in the U.S.A. heet, geen willekeurige opsomming van alles wat tesaam dat ding dat men leven heet komponeert maar een overzicht van wat zoal een reden kan zijn, in Amerika, om een kogel uit te lokken, alles kan een reden zijn om lood in je lijf gepompt te krijgen, zou dat daar nou echt zo zijn?, ik ken Amerikanen die nog nooit neergeschoten zijn, is er echt veel reden voor deze angst?, hoeveel procent van de Amerikanen is ooit neergeschoten geweest, hoeveel procent niet, welke plek neemt neergeschoten worden in op de lijst van voornaamste doodsoorzaken, bestaan zulke lijsten ja vast bestaan zulke lijsten, moet je in Amerika echt altijd bang zijn?, loert de kogel / de dood echt om elke hoek?, is deze paniek gerechtvaardigd?, of is het, anders, maar de zoveelste bijdrage tot de paniekmaatschappij die naar ik meen door Agamben al zodanig gefileerd was dat we haar allang achter ons hadden kunnen laten, je moet angsten niet voeden, angst is al te vaak een reden om nog meer onderdrukkende maatregelen te nemen, vormen van onderdrukking die erger zijn dan wat het dan ook is dat ze tegen heten te gaan, ineens weet ik ook niet meer zo zeker of dat “voor onze eigen veiligheid” uit het quarantainegedicht wel zo ironizerend bedoeld is als ik het dacht te mogen opvatten, natuurlijk, hoe woker, hoe linkser, hoe meer men het coronafascisme omarmde, ik kan me voorstellen dat het volgende totalitarisme op links geïnstalleerd gaat worden, bepaalde keuzes hebben bepaalde gevolgen nichtwahr moest je maar niet geloven wat je gelooft moest je maar wat meer woke zijn moest je maar gewoon zijn zoals wij allemaal zijn eins zwei drei und the snow ist eine star, maar de tekeningen, maar de visuele poëzie, maar de kreten maar de zinnen maar de flarden die blijven opklinken, en trouwens, Lisboa Mulata van Dead Combo was net zo mooi zo niet mojer als ik gehoopt had, niet alles stelt teleur, misschien had ik niet moeten lezen hoe Bashir mensen in het dankwoord met de achterlijke de vieze de oerlelijke term “powerhouse” bedenkt, Whitehouse maakt power electronics maar dichter dan dat mogen de worden “power” en “house” niet bij elkaar staan en al helemaal mag het niet naar mensen verwijzen, maar wie leest er ook dankwoorden, laat de poëzie spreken en in I hope this helps spreekt de poëzie zeikt de poëzie zeurt de poëzie overdrijft de poëzie zingt de poëzie schreeuwt de poëzie jankt de poëzie drijft de poëzie golft de poëzie en buldert de poëzie.

je ziet hoe. De poëzie is wat de poëzie is. Ik hoop dat dat helpt. Maar alle hoop is ijdel, en dat weet u even goed als ik.

Samiya Bashir I Hope This Helps

I Hope This Helps

  • Auteur: Samiya Bashir (Verenigde Staten)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels
  • Uitgever: Nightboat Books
  • Verschijnt: 13 mei 2025
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Boek bestellen bij: Amazon / Bol / Libris

Flaptekst van de dichtbundel van Samiya Bashir

Bending genre as a planetary body might bend spacetime, Bashir’s poems live as music and film, as memoir, observation, and critique, as movement across both cosmic and poetic fields.

I Hope This Helps reflects on the excruciating metamorphosis of an artist, “a twinkle-textured disco-ball Jenga set” constrained and shaped by the limits of our reality: time, money, work, not to mention compounding global crises. Think of a river constrained by levees, a bonsai clipped and bent, a human body bursting through shapewear. Begging the question, what can it mean to thrive in the world as it is, Bashir says, “Rats thrive in sewers so / maybe I’m thriving.” In these moving, sometimes harrowing meditations, Bashir reveals her vulnerable inner life, how she has built herself brick by brick into an artist.

Samiya Bashir is a poet, artist, writer, performer, educator, and advocate. She is the author of four poetry collections, including I Hope This Helps (2025) and Field Theories (2017), winner of the 2018 Oregon Book Awards Stafford/Hall Award for Poetry. Her other books are Gospel (2009), and Where the Apple Falls (2005). Samiya’s honors include the Rome Prize in Literature, the Pushcart Prize, Oregon’s Arts & Culture Council Individual Artist Fellowship in Literature. She lives in Harlem.

Bijpassende boeken en informatie

Autran Dourado – Opera der doden

Autran Dourado Opera der doden recensie en informatie roman uit 1967 van de Braziliaanse schrijver. Op 21 augustus 2025 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling door Harrie Lemmens van de roman Ópera dos Mortos van de uit Brazilië afkomstige schrijver Autran Dourado. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Autran Dourado Opera der doden recensie

  • “Met flair, haast jolig, zoomt de verteller in op een huis, nee, op twee huizen, boven op elkaar, en hij vertelt kort de geschiedenissen van een liederlijke potentaat en zijn fijner besnaarde zoon.” (NRC Handelsblad)

Recensie van Tim Donker

En weeral ist Harrie Lemmers verdomd zeg ja weeral ist Harrie Lemmens. Had de goede man me eerst al gehaakt gekregen aan António Lobo Antunes, wiens Voor wie in het donker op mijn wacht ik deze zomer ademloos las onder de hete zon van Valencia (en ik vond dat boek zelfs nog wel een slagje beter dan De omvang van de wereld – het boek dat me ergens int voorbije voorjaar danig verpletterd had); nu introduceert Lemmens me aan Dourado, die ik ook al niet kende, en ook al met keelsnoerend proza weet op te komen. Eveneens opgedolven uit het Portugees, uiteraard, Lemmens moet het Portugees wel door de aderen hebben vloeien, maar het land is Brazilië dit keer. Ook de tijd verschilt: Dourado schreef Opera dos Mortos in 1967. Misschien daarom lijkt het, op eerste gezicht dan in ieder geval, een wat klassiekere toon aan te slaan dan Voor wie in het donker op me wacht of De omvang van de wereld – boeken waar Opera der doden behalve de brontaal en de vertaler niets gemeen mee heeft.

Of. Naja. Misschien de eenzaamheid.
Misschien de beklemming.
Misschien de nostalgie.
Misschien de melankolie.

In Opera der doden gaat het om Rosalina. Ooit was haar familie rijk en machtig; ze bezaten grond en hadden invloed. Rosalina’s opa boezemde ontzag en angst in; haar vader was milder en innemender en lange tijd een geliefde figuur in zijn omgeving. Het huis zat altijd vol, men at en dronk en onderhield zich. Tot hij de fout begin politieke aspiraties te ontwikkelen, en na een debacle gedesillusioneerd achterbleef. En zijn vrouw ging dood, en hijzelf ging dood, en toen was Rosalina alleen met Quiquina, sedert jaar en dag de dienstmeid, in dat ineens wat te grote huis, met weinig meer te doen dan drinken en kunstbloemen maken. Dan komt José Feliciano, de zanger José Feliciano dacht ik nog toen ik het achterplat las, waardoor ik dit boek heel eventjes op een absurdistische roman ging schatten (een blinde zingende klusjesman?), maar neen het is een andere José Feliciano, een personage dat ook gekend is als Juca de Mus en Zé-van-de-Majoor, ik weet ook niet zeker of die andere José Feliciano al platen opnam in 1967, volgens mij wel maar in ieder geval zong hij dan toch niet zó hard dat het tot in Brazilië te horen was, en deze José Feliciano weet zich, met het geluk dat hij van buiten komt (sinds de mislukte politieke carrière van haar vader koestert Rosalina een bittere wrok tegen haar stadsgenoten) zich als manusje-van-alles het huis en het leven van Rosalina in te kletsen. Hij klaart wat klusjes in huis, hij hangt een beetje rond in het stadje, waar hij praatjes maakt en verhalen vertelt en zich snel geliefd maakt, maar als hij in de avond een keer een glas met Rosalina mee drinkt, begint hun verstandhouding te veranderen – tot grote ergernis van Quiquina.

Dourado begint wat wollig, met Rosalina’s opa en met haar vader, en met de voorgeschiedenis van het huis waar ze woont, waardoor je even het idee krijgt dat je in een historische roman verzeild geraakt bent maar dat is (gelukkig) niet het geval. Je zou het postmodern kunnen noemen, je zou ook kunnen zeggen dat de erfenis van het decadentisme niet onopgemerkt aan deze roman voorbijgegaan is (waren er decadenten in Brazilië?); je zou kunnen wijzen op licht experimentelen ingrepen in de vertelstijl, zoals de geregelde perspectiefwisselingen (ah nog iets dat het deelt met De omvang van de wereld!) of de hebbelijkheid van Dourado om de lezer af en toe rechtstreeks aan te spreken maar waarmee Dourado écht onder de huid kruipt is de manier waarop hij het narratief bevriest tot op een punt waarop er ogenschijnlijk niks lijkt te gebeuren.

José Feliciano en Rosalina zijn mensen die, hoewel ze eigenlijk niet vreselijk oud zijn, hun gloriejaren wel achter zich hebben. Hoe gaat dat met levens. Er is geluk, harmonie, en alles is fijn, en dan gaan mensen dood, of jij gaat weg van de plek waar je gelukkig was, en de dagen blijven komen, en je kunt het vullen met wat geklets, of kunstbloemen maken, of likeurtjes drinken, en wat rondhangen en dat is het dan. Misschien gaat Opera der doden daar wel over: het leven, of wat daar van over blijft als het schoonste eraf is, bijvoorbeeld omdat de doden die je te betreuren hebt inmiddels zo talrijk zijn dat hun opera langzamerhand onnegeerbaar hard opklinkt in zelfs je triviaalste dagdagelijksheden. Maar zingen en klinken doet het. Ook in deze woorden. De muzikaliteit van deze roman is weergaloos. De vele herhalingen, de spreektaal, de bewustzijnsstromen, de in elkaar vlechtende perspectieven, de directe rede die zonder leestekens weergegeven in de hoofdtekst verzinkt zodat de verschillen tussen gedachte, monoloog, dialoog, gesprekken en gebeurtenissen vervagen en alles tot dezelfde melodie gaat behoren. Een melodie die komt en gaat in golven die de lezer af en toe overspoelen. Waarlijk prachtig, hallucinant en meeslepend is de scene waarin José Feliciano voor de eerste keer een glas met een al wat aangeschoten Rosalina besluit te drinken. Met een welbepaald ritme weet Dourado een (sexuele) spanning te creëren die zo dik is dat het zweet je op de huid komt te staan. Sex in literatuur werkt meestal niet (is in ieder geval zelden opwindend), maar Dourado laat het werken hier en sowieso behoren deze bladzijden hier tot de schoonste die ik dit jaar las.

Gelijk aan levens die na wat -achteraf bezien misschien- het hoogtepunt was, lijkt Opera der doden na hogergenoemde scene nog maar wat voort te kwakkelen. De lezer ziet de decors scheuren en de personages verbleken in steeds lelijker licht. De afstandelijke, wat vormelijke en onbenaderbare Rosalina ontpopt zich tot een manipulatieve en gevoelsarme hartenbreekster; de goedlachse en sympathieke (en oké misschien wat sukkelige) José Feliciano toont zich een sexistische, kleinzielige en afhankelijke zeurkous met uiterst dubieuze gedachten en herinneringen (was dat nou nodig, Dourado?) (langs de andere kant vormen incest en pedofilie ook wel ruimere motieven in dit boek) (misschien om, in mijn ogen lichtelijk geforceerd, een mythologische onderlaag te leggen) (die lauwe, zenoëske pijl-filosofie dient vermoedelijk een dergelijk doel) en Quiquina, eens zo zorgzaam, liefdevol en zachtaardig blijkt op het wrede af haatdragend te zijn. Het is pijnlijk om het weinige dat er nog is te zien instorten en even vraag ik me af of het wel het goede soort pijnlijk is. Maar dan zet de schrijver een ontwikkeling in gang die ik niet aan zag komen en worden er andere uitzichten geboden.

Misschien is de hoofdrol wel voor Quiquina.

Misschien gaat het om een nog grote kracht dan het heuvelafwaarts gaan van levens: afgunst. Rancune. Woede. Uitsluiting. Drama’s moeten altijd verwijtbaar zijn want wat verwijtbaar is kent zondebokken. Zonder zondebokken gaat het niet, en dat is ook een oeroud thema. Wat geweest is, en altijd zijn zal. Van een opera die nooit zwijgen zal weet Dourado een aardig tijdloze roman te smeden. Eén die nog lang na blijft klinken.

Autran Dourado Opera der doden

Opera der doden

  • Auteur: Autran Dourado (Brazilië)
  • Soort boek: Braziliaanse roman
  • Origineel: Ópera dos Mortos (1967)
  • Nederlandse vertaling: Harrie Lemmens
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 21 augustus 2025
  • Omvang: 264 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 23,50
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman uit 1967 van de Braziliaanse schrijver Autran Dourado

Opera der doden beschrijft het leven van Rosalina, de laatste nazaat van een familie van grootgrondbezitters, die samen met haar stomme dienstmeid in een groot oud herenhuis woont in een stille Braziliaanse provinciestad. Overdag maakt ze kunstbloemen, ’s avonds drinkt ze in het geheim. Ze leidt een vrijwel geheel geïsoleerd leven tot José Felicano aanneemt als klusjesman. Zijn aanwezigheid verlevendigt de claustrofobische atmosfeer van het huis en wanneer hij Rosalina’s minnaar wordt, verdwijnt al haar zelfverzekerde rust.

Opera der doden is het dwingende en intense meesterwerk van een van de belangrijkste Braziliaanse schrijvers van de twintigste eeuw.

Autran Dourado is geboren op 18 januari 1926 in Patos de Minas, Brazilië. Hij was een Braziliaanse romanschrijver. Dourado werd geboren in Patos de Minas, in de deelstaat Minas Gerais, en dat is de setting van zijn meeste boeken. Hij ontving onder meer de Camões-prijs en de Machado de Assis-prijs. In 2024 verscheen bij Uitgeverij Koppernik de roman Het mensenschip. Zijn bekendste roman, Opera der doden, zal in 2025 bij Koppernik verschijnen. Hij overleed op 30 september 2012 in Rio de Janeiro en werd 86 jaar oud.

Bijpassende boeken en informatie

Lotte Dodion – Verzachtende omstandigheden

Lotte Dodion Verzachtende omstandigheden recensie en informatie boek met nieuwe gedichten en poëzie van de dichteres uit Vlaanderen. Op 19 augustus 2025 verschijnt bij Uitgeverij Atlas Contact de nieuwe dichtbundel van Lotte Dodion de Vlaamse schrijfster en performer. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Lotte Dodion Verzachtende omstandigheden recensies

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Verzachtende omstandigheden, het boek met nieuwe gedichten van de Vlaamse dichteres Lotte Dodion, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

Recensie van Tim Donker

Zegt iemand, zegt wie, zegt John Gower: The world goeth fast from bad to worse”. In de veertiende eeuw zei hij dat. Waarom is het toch van alle tijden om te denken dat men in de ergst denkbare tijd leeft? Alleen al gedurende de vijf decennia dat ik zelf in leven ben heb ik al minimaal vijf episodes meegemaakt waarin iedereen van mening was dat het nog nooit zo erg was geweest als nu. Toen ik een kinderken waart was er een oorlog die koud heette te zijn, en een wedloop om wapens. Een rode knop bovendien, waar geheid, het was alleen maar een kwestie van tijd, ooit iemand op ging drukken. De bom. Ja, De Bom. Die ging vallen. Dat was een zekerheid. De Bom ging vallen en dan gingen we er allemaal aan en waren al je inspanningen allemaal voor niets geweest. Voorlopig viel er geen bom, voorlopig werd ik ouder, en andere dreigingen staken de kop op. De klok tikte de 1990’s gestaag weg. De oorlog was niet zo koud meer maar het geweld wel erg zinloos. Uitgaansgeweld heette het ook wel. Je kon voor ja en voor nee en waarschijnlijk vooral voor amen doodgetrapt worden, gewoon maar op straat, ja dat deden Ze, dat vonden Ze leuk, voor Hen was dat maar tijdverdrijf, iemand doodtrappen die verkeerd keek of niet keek of er een minuut of wat bij loog als Ze vroegen hoe laat het was of niet wist wat te zeggen als Ze de weg vroegen naar een niet-bestaande straat, want daar was het Hen gewoon om te doen, Ze wilden je doodtrappen en zochten gewoon een flauw excuus, het kon iedereen overkomen, het was al teveel mensen overkomen, hoefeel moetuh er noch komuh hoefeel moetuh er noch chahn, dat bestond allemaal gewoon, wat deed De Politiek, wel De Politiek hing camera’s op in de publieke ruimte want het was toch wel erg gesteld he ja het was nog nooit zo erg gesteld geweest gedingesd als nu. Maar ik liep en was en leefde en werd niet doodgetrapt en toen werden er vliegtuigen gekaapt en vlogen Ze, niet de doodtrappers maar weeral andere Ze, twee hoge torens in, ergens in dat verdorven Amerika, en Pim Fortuyn huilde want het was de grootste gebeurtenis sinds de twede wereldoorlog (een paar andere oorlogen en rampen en hongersnoden en massasterftes waren klaarblijkelijk eventjes voorbijgegaan aan die gast z’n almanack), en de hele wereld was ervan overtuigd dat de Derde Wereldoorlog nu was aangebroken, alleen Maarten van Rossem twijfelde nog, maar in ieder geval moest er een oorlog tegen het terrorisme worden uitgevaardigd (dus ge moogt niet langer met een flesje water of met veters in uw schoenen of met een scheve blik het vliegtuig in want vanaf heden is iedereen verdacht tot hij zijn flesje water heeft ingeleverd) want het was toch erg he, iedereen was charlie, Je Kunt Tegenwoordig Niet Eens Meer Een Grapje Maken (en God wat bescheurden we ons allemaal om die grappenmakerij van die dekselse cartoonisten!), of je Westerse vrijheden uitdragen (want wat zijn we vrijgevochten en progressief en ruimdenkend he, en allen voorvechters van het vrije woord en ginder zijn ze maar achterlijk en bekrompen en agressief, niet?), ons hele zijn stond toch wel op het spel zeker, subiet zijn we allen moslim of dood en dat wil je geen van twee of wel? Maar de wereld ging snel van slecht naar erger, ineens hoorde je niet zoveel meer over terrorisme of over grapjes die niet gemaakt mochten worden, ineens was er een VIRUS, een levensgevaarlijk VIRUS, zeer zeer zeer besmettelijk en zeer zeer zeer dodelijk, een twede perstepidemie was uitgebroken en we gingen allemaal dood en toen gingen we niet allemaal dood maar was er een oorlog in de Oekraïne die om één of andere reden veel erger was dan al die honderdduizenden oorlogen die al gewoed hebben sedert de eerste mens eens ging kijken wat er buiten de eigen grot te doen was, en ook was er het weer en het klimaat en de doemsdagklok, het is wel erg koud voor januari het is wel erg warm voor januari twintig miljoen jaar gelden warmde de aarde net zo snel op als nu (hoe weten ze dat?) en dat had rampzalige gevolgen toen dus die rampzalige gevolgen zullen ook nu en het regent veel te veel de spoedeisendehulppost van een ziekenhuis in Doetinchem heeft in de zomer van 2024 al twee keer helemaal onder water gestaan wil je wel geloven en dat gebeurt normaal gezien maar een keer in de honderd jaar en nu al twee keer in één zomer dus god wat is het erg (en hoeveel eeuwen moet je in de gaten gehouden hebben vooraleer je zeggen kunt wat er normaal gezien één keer in de honderd jaar gebeurt?, en hoeveel eeuwen bestaat die spoedeisendehulppost van dat ziekenhuis in Doetinchem dan al?), want het is erg mensen, het is zo godgeklaagde erg allemaal, eigenlijk zijn we allemaal allang dood.

Is hier al ooit iemand op gepromoveerd? De mens als het angstigste beest, ofnee, de mens als het dier dat graag in angst leeft. Spookhuizen, Halloween, horrorfilms en het kapsel van Geert Wilders; het is allemaal niet genoeg, we moeten meer angst, er moet meer te vrezen zijn, we kunnen niet zonder angst en als er niks te vrezen valt zullen we de vrees wel verzinnen. Iemand had het over angstporno en dat vond ik een goede: de angst als lust, het zich verlustigen in het bang zijn. We willen er misschien gewoon graag erg aan toe zijn.

Tegenover de angst staat de troost. En dat is mooi. Want troost is goed. Er is maar één ding mis met troost en dat is dat het de angst bevestigt in haar bestaansrecht. Alleen waar er iets op het spel staat, is er behoefte aan troost. Dus is troost symptomatisch. Waar getroost wordt, is er iets aan de hand.

Eén ding, wel, misschien is er nog iets mis met troost.

De hoeveelheid kunstvormen die zich ervoor lenen troostrijk te zijn, is gelimiteerd. Maar dat is maar mijn persoonlijke smaak. Ik hou van muziek die troostrijk is en warm en wiegend, en ik kan ook wel een filosofie smaken die als contragewicht wil dienen tegen de hysterie (Agamben kan dat, bijvoorbeeld) maar troostende poëzie riekt naar zoetsappigheid en als ik ooit ontregeld wil worden dan is het wel als ik poëzie lees (en erg he mensen, zo erg zijn de tijden al, poëzie mag niet eens meer lief en zacht en warm en troostend zijn, NEE DAT MAG NIET NEE).

Waarmee ik maar wil zeggen dat ik met de nodige reserves begon aan Verzachtende omstandigheden, een bundel die, zo meent toch de achterplatschrijver, het verschijnsel hoop zou willen onderzoeken. Waaraan, natuurlijk, “net nu” behoefte is. Oké. Dodion komt daar niet mee, met dat “net nu”, dat zijn de woorden van Grae Schoeters maar iets riep ergens in mij weerstand op dat Lotte Dodion “net nu” een bundel met als thema hoop het levenslicht liet zien.

Maar ik ga zitten.
In mijn leesstoel.
En zet How welcome is death to I who have nothing more to do but die op om eventuele zoetsappigheid te neutraliseren.
En lees.

Lees, in eerste, veelgestelde vragen (ik dacht aan veelbeantwoorde vragen, een grapje van Skepter dat ik indertijd wel smaken kon) over hoop: hoe het te verkrijgen, hoe het te dragen, hoe het te bewaren, &c., de antwoorden op die vragen lijken sterk op de coronaregels van weleer, en ik vraag me af of deze richtlijnen gelezen kunnen worden als parodie, als pastiche, als embleem – en ik weet het niet.

Gelukkig krijgen we daarna de feiten.

Ja. Dit zijn de feiten is een uit zijn voegen barstend gedicht dat van de pagina’s spat: omstanders (lezers) kunnen door rondvliegend woordbrokken worden geraakt en zeg nu zelf: nooit bloedde je mojer.

Dodion beweegt zich op een vlak.
Nee. Dodion beweegt zich op het scherpst van de snede.

De lezer kan het experiment zien. De taalwoede. De liefde voor woorden en wat zij vermogen. Het kan alle kanten opgaan met poëzie, en Dodion is zeker zinnens al die kanten van nabij in het gelaat te staren. Verzachtende omstandigheden kent klassiek vormgegeven gedichten (zelfs rijm!) (gadverdamme). Maar er is meer. Poëzie die naar proza neigt, bijvoorbeeld, en poëzie die stuitert. Zinnen in een goed gareel, en zinnen die overal zijn.

Taal die dienend is, onderdanig, horig.
En taal die barst van de neologismen.

(neologismen die mooi zijn en neologismen die u naar een teiltje zullen doen grijpen)

Laagbrauwkultuur en hoogbrauwkultuur.

Dat laatste, bijvoorbeeld: een eerste minister die een toespraak geeft die wel erg geïnspireerd lijkt te zijn op de toespraken die de burgermeester altijd gaf in Samson en Gert; waar, langs de andere kant, het Advies, het “Kies hoop.”; “Kies onthardend.”; “Kies socialiseren” (&c.) eerder lijkt te knipogen naar Irvine Welsh, en of studio honderd de hoogbrauw is of juist Welsh laat ik aan u.

Waarmee maar gezegd wil zijn. Wat alleen maar uitdrukken wil.

Dodion slalomt. Dodion slingert. Dodion gaat van –

van hier naar daar?

Hum.

Ja.

Goed.

Als hier overal is en daar ergens.
Hier nu & daar ooit.
Hier wat is, en daar wat zijn zal.
Haar hiere hier is mij soms wat te nadrukkelijk; het laat de lezer te weinig keus.

Neem Taaladvies. Dat laat een krities licht schijnen over complimenteus bedoelde uitlatingen die een man (?) zou kunnen doen over het uiterlijk van een vrouw (?). Dat is wat wokeïaans, wat metooësk; altijd weer die man die altijd weer de vrouw bruuskeert met -misschien- goedbedoelde kreten. Misschien krijg je er net als ik soms wel wat van om te moeten vernemen wat er nu weer verkeerd uitgelegd kan worden, maar dan weer: “beeldschoon” en “oogstrelend” bevestigen de alzo genoemde inderdaad wel in een passieve rol: staties; als beeld; stilstaand, en enkel daar om jouw -ja JOUW MANNELIJKE OGEN te strelen; de schoonheid “in functie van” (de schoonheidsbeleving van een ander bijvoorbeeld), het zette mij toch wel denkend ja, maar de door Dodion aangeleverde neologismen (“fonkeltastisch”, “vuurrukkelijk”, “heuphemels”) vind ik, hoewel misschien aktiever, niet overtuigend.

Of.

Ombudsdienst voor historisch herstel van epische blunders: het is een soort pseudo-bijbelse oproep tot empathie, gelijkheid, zachtheid en liefde; het slaat verschillende tonen aan; het overschrijdt genres, maar, helaas, het rijmt soms en het projekt als geheel is me te wankelig.

Of.

Oergebed. Een geniaal gedicht. Fantasties. Prachtig. Het brengt een mens op zijn knieën. Maar het wordt helaas ontsierd door de laatste twee zinnen: “Vrijuit en viraal. Onze life-stream van adem verbindt ons aan elkaar.”; “viraal” is wel zo’n beetje het lelijkste woord ooit en “life-stream”? Gode. Serieus? En niet alles hoeft verbintenis te prediken, Dodion!

Maar Lijflied beschouwt op sterke wijze verschillende soorten kijken: het objectiverende kijken: de gemeten mens; en het veroordelende het inschattende het begerende het schaamteloze het begripvolle het indringende en het sympathiserende kijken – een smachten naar het blootoogse ontmoetende kijken. Een gedicht dat u confronteert met uw eigen blikken, een confrontatie die misschien niet gemakkelijk is maar dat is precies waar iets kunst wordt: daar waar het niet langer perse gemakkelijk is.

Verzachtende omstandigheden tapt uit verschillende vaatjes. Misschien wel uit een vaatje teveel.

Lotte Dodion Verzachtende omstandigheden

Verzachtende omstandigheden

  • Auteur: Lotte Dodion (België)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Atlas Contact
  • Verschijnt: 19 augustus 2025
  • Omvang: 125 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 22,99
  • Boek bestellen bij: Boekenwereld / Bol / Libris

Flaptekst van de dichtbundel van Lotte Dodion de Vlaamse dichteres

Gedichten die een dappere oefening in hoop houden zijn. Een zoektocht naar een zachtere werkelijkheid, naar hoop, troost en inspiratie in donkere tijden zonder zich van de wereld af te keren.

In Verzachtende omstandigheden onderzoekt dichter Lotte Dodion de wonderlijke, maar grillige loop van het verschijnsel hoop. Waar verstopt hoop zich? Hoe roepen we haar krachten aan?

In toegankelijke taal smeedt Dodion observaties en ervaringen van pijn, rouw, twijfel en boosheid om, tot ze weer vonken van verwondering, engagement en levenslust. Werkelijkheid en wensdromen worden net zoals de taal zelf kleurrijk door elkaar geschud tot alternatieve gebeden, trotse lijfliederen en instructies voor een hoopvollere wereld.

Lotte Dodion is in 1987 geboren in Sint-Truiden, België. Ze is dichter, performer en poëziemissionaris. Ook wanneer ze niet schrijft of optreedt, slingert ze poëzie en verwondering binnen in het leven van alledag: ze zet poëzieprojecten op waarin ze experimenteert met social design en mensen met workshops aan het schrijven krijgt. Haar debuutbundel Kanonnenvlees is meermaals herdrukt.

Bijpassende boeken en informatie

Iulian Bocai – Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu

Iulian Bocai Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu recensie en informatie van de inhoud van de Roemeense roman. Op 19 juni 2025 verschijnt bij Uitgeverij De Geus de Nederlandse vertaling van de roman Ciudata și înduioșătoarea viață a lui Priță Barsacu van de uit Roemenie afkomstige schrijver Iulian Bocai. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en van de uitgave.

Iulian Bocai Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu recensie

  • “Dit ogenschijnlijk kleine boek opent een grote, melancholische, duistere wereld waar je maar al te graag in rond zou blijven dwalen.” (Lisa Weeda)
  • “Er zit iets in het hart van deze mensen, een onschuld die niet aangetast wordt door het cynische leven, en dat is wat je eigen (lezers)hart diep raakt.” (Mira Feticu)

Recensie van Tim Donker

Dan deze vraag: hoe vaak kun je een kliesjee vernieuwen? De vrije jazz maakte zich los van de traditionele jazz en hoe doorstroomde het me. Het liep met me mee tot hets schoenen ook weeral een weinig versleten leken te zijn. De innovaties van Ornette met de pet jajaja, en MIngus en Dolphy en Shepp en Albert Ayler natuurlijk jajaja, Albert Ayler altijd, en dan Pharoah Sanders die er nog wat soul bij mikte, en Sun Ra die alles de ruimte in schoot, en toen voelde het, ineens, of ik het belangrijkste wel in kaart had inmiddels, velden afgegrazen, weet jij het?, de essentialia op tafel, dan en daar, doorstromen deed het me nog wel, maar geheel nieuw op de oren vallen niet meer. Maar vele jaren later een dag Het begon al zomer te worden, stombelend doorheen de discografie van het prachtige Clean Feed-labeltje, stuitte ik op Will Holshouser, wie kon me zeggen wat dat was, die accordeon, hoe had ik het nu, huppelig en onderkoeld tegelijk, en altijd nog jazzy, kon het de mooiste accordeonplaat zijn sinds Accordion & voice van Pauline Oliveros?, nee natuurlijk niet want de hallucinante neofolk van Kimmo Pohjonen en Eric Echampard op Uumen is veel later nog dan Accordion & voice, het is ook maar bij manier van spreken, wat een drummer Eric Echampard is trouwens maar daar gaat het nu niet over, nu gaat het over hoe ik dacht oja een beetje folk bij de jazz dat kan ook nog natuurlijk, dat kun je ook doen, dit had ik nog niet eerder gehoord, het was ochtend, de zomer stond op het punt te beginnen, en ik hoorde Reed song, en onophoudelijk viel het licht, en onder deze omstandigheden begon ik te lezen in Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu van Iulian Bocai. Die hier geen nieuwe romansoort uitvindt, nee zeker niet, hoewel, Laurie Anderson zegt the detective novel is the only novel truely invented in the twentieth century because in the detective novel the hero is dead at the very beginning of shit verraad ik nu iets?, en waarom is het eigenlijk altijd maar muziek hier in deze bespreking dit moest toch over een boek gaan?, dit hier Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu is gewoon je dagdagelijkse komenvanleeftijd-literatuur en een komenvanleeftijd-roman lazen we al eerder, toch?, en zelfs de hoofdpersoon komt vertrouwd over. Natuurlijk is Priţă Barsacu een eenzelganger, en niet als anderen, niemand is ooit als anderen, zelfs de anderen zijn niet zoals de anderen. Natuurlijk is hij een dromer, en een vorser, en een eenling. Natuurlijk is hij intelligent en gevoelig. Natuurlijk heeft hij een paar andere zonderlingen om zich heen. Natuurlijk is er armoede, natuurlijk zijn zijn ouders volslagen geschift, natuurlijk wordt het dorp waar hij woont bevolkt door dwazen, dronkaards, werklozen, agressievelingen, pestkoppen en criminelen. We kennen het verhaal. We kennen het verhaal al zo lang. En toch schijnt Bocai er uit wat onvermoede hoeken lichten op zodat dit boek blijft boeien. Hij stopt als het ware wat folk in deze jazz, hij huwt de trompet met een accordeon, weetikveel. Zo heeft hij er om te beginnen al zeer wijs aan gedaan de roman kort te houden, een luttele 142 bladzijden en dan al gedaan. Nu peinst ge misschien of welzeker peinst gij dat want ik weet wel hoe gijlieden zit te peinzen daar allemaal, dat het triviaal is om een boek te wegen op het feitelijke gewicht. Maar toch. Niet veel schrijvers weten wanneer ze moeten stoppen. Ik wil hier niet aankomen met dat eeuwige in bekasting zeikt zich de meester want er zijn vele vuistdikke boeken waarvan iedere regel meer dan gerechtvaardigd is en waar van mij zelfs wel een vuist had bij gemogen maar er zijn eveneens genoeg  boeken met vele en vele overbodige bladzijden. Niet zo hier. Eén adem en het is uit, gelukkig nog lang voor het kans zag je te gaan vervelen. Of. Anders. En ook. En voorts. Het intrigerende begin. Bocai begint aan het eind en dat maakt dat je blijft lezen omdat je het wil vatten, hoe komt het tot dit einde, is het einde nog te keren, is het einde wel het einde, je las het aan het begin en je was nieuw in dit boek, als je nieuw bent zie je alles anders, dat is algemeen geweten. Zo blijf je kijken. Of ook zo: dat een toon het oog trekt. In dit geval de toon die Iulian Bocai aanslaat. Wat klankkleur zegt. Ja het gaat over armoede, geweld, sociale ongelijkheid, uitsluiting, ellende; maar Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu is geen tranentrekker, geen drama, niet zwaar op de hand; vermoedelijk heeft Bocai niet eens de bedoeling gehad bepaalde misstanden aan de kaak te stellen. Hij schetst gewoon een leven, een leven dat soms lijkt op het leven dat je had of gehad kon hebben (ja dat vele buiten zijn, dat herinner ik me nog wel van toen ik kind was, en ook iets met insecten, ik was er niet zo in geïnteresseerd als de hoofdpersoon van dit boek maar insecten speelden altijd wel een rol, je zag ze op de bladeren van de struiken zitten, je verzon maar wat, een simpele kever noemde je een bloedzuiger, wist jij veel), een leven waarin dingen gebeuren die vervelend zijn en een leven dat ook vaak mooi is; Bocai heeft met deze roman eerder een hoopvol boek geschreven, ja: hoop- en liefdevol. Dan weer niet doorslaand naar zoetsappigheid. Er is humor om daar voor te waken, er zijn zotte scheldkanonnades om daar voor te waken, er zijn idiote gebeurtenissen om daar voor te waken. En als alles eraf is, nee als alles goed strak staat, nee als alles gedaan is, of lijkt te zijn, volgt er nog iets over begrafenisrituelen en de lezer weet even niet of dat nog bij de vertelling over Priţă Bocai hoort, misschien maar iets dat er achter geplakt is omdat er nog wat ruimte overschoot, ook hier geven mafheden iets te lachen. Een accordeon kan huppelen, jazz kan folky zijn en een komenvanleeftijd-roman kan nieuw genoeg lijken om boeiend te blijven. Elke lezer dient zijn hoed af te nemen voor Bocai. Maar wie geen hoed heeft, kan ook gewoon dit boek lezen.

Iulian Bocai Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu

Het vreemde en aangrijpende leven van Priţă Barsacu

  • Auteur: Iulian Bocai (Roemenië)
  • Soort boek: Roemeense roman
  • Origineel: Ciudata și înduioșătoarea viață a lui Priță Barsacu (2018)
  • Nederlandse vertaling: Charlotte van Rooden
  • Uitgever: De Geus
  • Verschijnt: 19 juni 2025
  • Omvang: 144 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 15,99 / € 9,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman van de Roemeense schrijver Iulian Bocai

De intelligente en nieuwsgierige Priţă Barsacu groeit op in een kansarm gezin in een Roemeens dorp aan de oevers van de Olt. Hij ontwikkelt een bijzondere fascinatie voor de natuur, en ontpopt zich als een amateurtaxonoom. In warme kleuren zet Bocai een kindertijd neer te midden van armoede en geweld, waarin de jongen zich desondanks staande probeert te houden.

Iulian Bocai is geboren op 6 maart 1986. Hij is een Roemeense schrijver en literatuurwetenschapper. Hij doceert letterkunde aan de Universiteit van Boekarest, werkt als vertaler en essayist en schreef twee bekroonde romans en een verhalenbundel. Het vreemde en aangrijpende leven van Prita Barsacu is zijn debuut.

Bijpassende boeken en informatie

Lara Pawson – Verbruikt licht

Lara Pawson Verbruikt licht recensie en informatie over de inhoud van de roman van de Engelse schrijfster. Op 12 juni 2025 verschijnt bij Uitgeverij Koppernik de Nederlandse vertaling van de roman Spent Light van de uit Engeland afkomstige schrijfster Lara Pawson. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Lara Pawson Verbruikt licht recensies en reviews

Als er in de media een boekbespreking, review of recensie verschijnt van Verbruikt licht, de roman van Lara Pawson, dan besteden we er op deze pagina aandacht aan.

  • “Verbruikt licht is wild, gedurfd schrijven in combinatie met volkomen helder denken, en hoewel verontrustend is het ook komisch, op een bevredigend duistere en absurde manier.” (The Guardian)
  • “Soms afstotend, vaak verleidelijk, altijd resonerend en dwingend.” (The Irish Times)
  • “Lara Pawsons manier van schrijven is briljant, zenuwslopend en schokkend levendig.” (Times Literary Supplement)

Recensie van Tim Donker

Oftewel: hoe misleidend woorden kunnen zijn

Toen ik een jaar of zeventien was, ging ik veel om met een jongen die ik kende van de HAVO. Patrick heette hij, en hij was echt wel mijn allerbeste vriend en misschien zelfs wel de enige vriend die ik ooit gehad heb. Na schooltijd ging we dingen doen. Dat was nieuw voor mij. Om na schooltijd met wie dan ook wat dan ook te gaan doen. We gingen naar de stad om wat rond te hangen. Of we gingen naar mijn huis. Om wat rond te hangen. Of we gingen naar zijn huis. Om wat rond te hangen. Het was één van die keren, en we waren bij hem, en het was vrijdag. We hadden op ons rug op de vloer van zijn kamer gelegen, om naar muziek te luisteren en om wat slap in de rondte te ouwehoeren; gesprekken die zomaar ineens een uiterst filosofische wending konden nemen want we waren zeventien en we waren goed in slap ouwehoeren maar we vroegen ons ook van alles af. We lagen daar. We praatten. We luisterden. We zeiden. En ineens was het laat, dat wil zeggen dat het ineens etenstijd was en dan moest ik dat hele eind terug over die lange lange lange boschdijk en misschien was mijn moeder niet eens thuis, of elders, misschien was mijn vader, misschien waren mijn zussen. Het was vrijdag. De zussen van Patrick. En zijn moeder. Ze vroegen of ik wilde blijven eten, en ik zat, en ik vroeg me af, achja, blijven eten, daar, dan was ik in ieder geval langer bij Patrick en dat was goed want ik hield van Patrick, hij was mijn vriend. Op vrijdag, echter, was het in dat gezin de gewoonte om het avondeten te betrekken bij de plaatselijke snackbar. Ik wist dat niet. Ik kende dat niet. Wij kwamen nooit bij de snackbar, in ieder geval niet om er ons avondeten te halen. Soms, prijze mijn gezegende moeder, kwam zij, mijn moeder, op het idee, veelal in vakanties of tijdens weekenden, in ieder geval op avonden dat niemand vroeg naar bed hoefde, later in de avond op het idee om een zakje friet te gaan halen, dan hadden we al gegeten, dan was de avond al gevorderd, dan hadden we allemaal nog wel ergens zin in, sommige mensen zouden dan een zak chips opentrekken maar mijn moeder liet dan friet halen, en dat was aan mijn vader en mij, dan stapten we in de auto, dan reden we dieper het dorp in, daar was een snackbar, daar gingen we heen, die was nog wel open, daar hadden ze nog friet. En dat was het enige waar ik de snackbar van kende: friet. Dus ze vroegen mij, Patrick en zijn familie, wat wil je hebben van de snackbar en ik zei friet wat iets anders kende ik niet. Dat is een beetje weinig, werd er gezegd, daar moet nog wat bij. Maar ik wist niks van snackbarvoedsel, wij kwamen daar nooit, wij kwamen daar zelden, en als we daar kwamen was het alleen maar voor friet, iets anders kende ik niet. Mijn moeder had het wel eens schertsend over “een berenlul”, daar lachten we dan om, dat had iets te maken met dingen die mensen in een snackbar bestelden, dat vonden wij belachelijk, daar lachten wij om, dat was het enige dat ik kon noemen maar dat heette vast niet zo want het was immers maar voor de grap en bezijden of het nu zo heette of niet, erg lekker zou het sowieso niet zijn. Dus ik zat. En ik hakkelde. En zei euh. Het duurde de familie te lang misschien, ze gingen dingen voor me opsommen. Of ik dit wilde of dat wilde of een kroket of een frikadel of een broodje bal en het leek me allemaal niks dus ik begon al te peinzen aan wat allicht het minst smerig zou zijn. Wil je anders een kaassoufflé?, vroegen ze. En ik dacht kaassoufflé? Daar heb ik nog nooit van gehoord. Maar soms, beste mensen, soms kookte mijn vader. Niet vaak, bijna alle dagen nam mijn moeder dat op zich, maar als mijn vader kookte dan maakte hij steevast een aardappelsoufflé met heel veel kaas, ik zie hem nog lopen, hem, mijn vader, vanuit de keuken, met ovenwanten aan zijn handen en daartussen een ovenschaal, die donkerrode ovenschaal met daarin een aardappelsoufflé, hoe ver was die niet omhooggekomen, en o god, dat bruine korstje, en wat ik daaronder wist, een soufflé die zowel romig als zacht als ziltig als bijzonder smaakvol was, misschien was een kaassoufflé dan zoiets: een klein souffléschaaltje met daarin een goed gerezen aardappelsoufflé met heel veel kaas?, ja dat leek mij wel lekker dus ik zei goed dus ik zei ja dus ik zei oké dus ik zei dat ik dat wel wilde, zo’n kaassoufflé, en iemand, was het zijn vader was het zijn moeder waren het zijn zussen, ik herinner het me niet meer, iemand ging naar de snackbar, iemand ging alles halen, en ik verheugde me al op mijn luchtige mijn zoutige mijn smaakvolle mijn romige aardappelsoufflé met extra veel kaas. Maar wat kreeg ik? Wat kreeg ik uiteindelijk op mijn bord, beste mensen? Een oranje zeemleren lap, bijna te taai om door te snijden maar toen me dat gelukt was, het doorsnijden van mijn oranje zeemleren lap, stroomde er een wittige substantie uit waarvan ik in de verste verte niet kon detecteren wat het überhaupt met kaas te maken had. En ik vroeg me af, toen, en ik vraag me af nu: waarom noem je iets dat niets met soufflé en vrij weinig met kaas te maken heeft in godsnaam een kaassoufflé?

En het werd iets.

En het werd een woord.

En het werd een woord voor een woord dat niets te maken heeft met het woord.

Kaassoufflé. Een woord voor woorden die niet in relatie staan tot het woord waarnaar zij verwijzen. Wanneer woorden je iets heel anders doen verwachten dan wat je uiteindelijk krijgt, want dat doen woorden.

Verbruikt licht. Lara Pawson. Se segt: “…een onthutsende leeservaring waarna u nooit meer op dezelfde manier zult kijken naar een wasmachine, een eekhoorn of een eierwekker.” Dus wat ik dacht. Wat ik dacht dat dit boek zou zijn: een indringende analyse van allerlei dagdagelijksheden, zo overweldigend dat de zienswijze van de schrijver vanzelf de jouwe wordt. Dat je nooit meer naar de dingen kunt kijken zonder te denken aan de manier waarop Lara Pawson naar de dingen kijkt.

Maar zo is het niet.

De associaties van Pawson bij wat dan ook zijn te particulier, te bizar, te idiosyncratisch om ze je eigen te maken. Wat je krijgt. Wat je krijgt is iets wat je niet volgen kan.

Of.

Wel.

Wat je krijgt: een vrouw kijkt naar huishoudelijke apparaten. Een broodrooster. Een pepermolen. Een kookwekker. Een magnetron. Elk voorwerp wakkert van alles aan in haar hoofd. Associaties. Gedachten. Herinneringen. Er is geen verhaal hier, het narratief was al langer een vogel voor de kat. Er is louter de doorgaande bewustzijnsstroom van de hoofdpersoon. Flarden die weer andere flarden wakker roepen. Dingen die ze in de krant las, of in een boek, of op televisie zag, of dingen die ze uit eerste hand weet. Sensatie. Politiek. Film. Nieuws. De inhoud van de gedachten kan sociologisch of historisch van aard zijn. Het kan gaan over architectuur. Kunst. Kolonialisme. Oorlog. Theater. Imperialisme. Het kunnen dingen zijn die ze uit haar eigen leven kent, of dingen die ze alleen maar van horen zeggen heeft. Want een bonte stoet aan kennissen, vrienden, familieleden, buurmannen en mensen die ze ontmoet heeft op haar vele reizen trekt hier voorbij. Ook hun levens, hun verleden, hun herinneringen geraken verweven in de stroom. De vele scenes waaruit deze roman is opgebouwd zijn pijnlijk, schokkend, bizar of soms ook tamelik komies – op een wat absurde manier dan weliswaar (absurd, niet absurdistisch) (absurdistisch is als je het leven als absurd ziet, zei een huisgenoot ooit toen hij, die gast die een blauwe maandag theaterwetenschappen had gestudeerd, en ik, een gast met een grote liefde voor alles dat afwijkt van de norm, het in de keuken van het studentenhuis waar we toen woonden het nogal uitgebreid hadden over absurdisme en wat daaraan zo geweldig was en een andere huisgenoot, die stond te koken, ineens vroeg Wat is absurdisme?).

En er is een lief, die steeds wordt aangesproken maar zelf geen actieve rol lijkt te spelen.

En ik las en ik zat en ik dacht. Is het geen koketterie: ieder klein ding is genoeg om de stroom zijwegen op te sturen, en dan zijwegen van zijwegen, en dan weer zijwegen daarvan. Een witte plek op haar ijskastdeur (waar ooit een obscene prent hing) doet haar denken aan haar inmiddels verkochte platencollectie wat haar doet denken aan een Marokkaanse vriendin wat haar doet denken aan Franco wat haar tot de conclusie laat komen dat het geweld dat door Europeanen binnen Europa gepleegd wordt wortelt in het geweld dat door Europeanen buiten Europa wordt gepleegd (sja, er zijn andere dingen die in mijn kop komen als ik naar de deur van mijn ijskast kijk). En eerder al kwam het via het tikken van haar eierwekker tot geïndustrialiseerde moord, Karl Bischoff, Zyklon Blausäure, doden op “schone” wijze; zonder trauma’s te verwekken bij de daders. Dienen alle artikelen alleen maar om haar kennis te etaleren? Kijk eens wat er alles ronddrijft in mijn hoofd en wat een diepzinnige overpeinzingen worden aangejaagd door de banaalste der banale zaken – als ik een broodrooster zie denk ik niet aan geroosterd brood met dik gezouten roomboter en oude kaas met een kopje koffie daarbij nee als ik een broodrooster zie denk ik aan de CIA. Want niet zelden gaat het over onderdrukking, geweld, marteling, vernedering – soms op een nuchtere, zakelijke, beschrijvende manier maar soms ook bijna verheerlijkend. Want de lompheid en de verhevenheid zijn onlosmakelijk verstrengeld hier.

Dat het een beetje gezocht aandoet. Soms.

Dat ik wegzak, misschien, een beetje, soms.

Kaassoufflé. Dacht ik. Dit boek is een kaassoufflé. Ik heb niet gekregen wat ik op grond van de omschrijving dacht te krijgen.

En dan ineens enkele alinea’s verder ben, en midden in de zoveelste gruwelijke scene zit en ik me afvraag hoe het tot hier gekomen is, ze stond toch gewoon in haar keuken, er was toch niets aan de hand? Met mijn dochter heb ik wel eens dat soort gesprekken. Dan praten we over a en over b en over c, en tegen dat we bij x, y, z zijn, vraagt één van ons: hoe komen we hier nou weer over te spreken? Dan volgen we het spoor van ons gesprek terug, en dan moeten we vaak lachen als we ontdekken welke idioterie tot welke andere idioterie heeft geleid. Maar bij Pawson heb ik er geen zin in, en na verloop van ettelijke pagina’s probeer ik niet eens meer terug te lezen hoe ik nu weer in welke bizarre scene dan ook beland ben. En dan weet ik het. Je moet dit boek niet lezen. Je moet dit boek je laten overkomen.

Dat klinkt allicht flauw.

Alles moet een ervaring zijn.

Ja.

Ik weet.

Maar toch.

Lees Verbruikt licht zonder het tot achter de komma te willen volgen. Laat de woorden over je heen stromen. En dan zul je het geniale zien. Al die krankzinnige kanten die het opgaat. Hoe het vliegt en raast en fladdert en gaat. Van grote overrompelende schoonheid, van een diepe emotionele zeggingskracht is een vijf pagina’s lange opsomming van alle dingen die de ikpersoon zegt of kan zeggen of wil zeggen tegen haar lief in een telefoongesprek. Daar wordt de lezer mijlenver uit het lood geslagen door ongekende pracht. En je zou willen dat het doorgaat en doorgaat en doorgaat maarja misschien is het hele moje eraan wel dat niet het hele boek die opsomming is.

En dan.

Als het stof is neergeslagen.

Als ik lig, ter huiskamervloer, en het stof is neergeslagen, en me afvraag wat me overkomen is.
Volgens mij staat er dat ze het lief belt, en dat ze al deze dingen zegt.
Vreemd telefoongesprek moet dat geweest zijn. De ander zal nauwelijks aan het woord geweest zijn. En dan weer de vragen. De bedenkingen. Hoe gaat zoiets. Wanneer je heel veel van iemand houdt, en alle dingen die je iemand zeggen wil, omdat alles wat in jou zit ook in de ander moet. Maar wat je zou willen zeggen, en wat je daadwerkelijk zegt zijn verschillende dingen. Want een echt gesprek is iets anders dan een gefantaseerd gesprek, bij een echt gesprek is de ander werkelijk betrokken en die zegt misschien dingen waardoor alles weer andere kanten opgestuurd wordt en je helemaal niet de kans krijgt alles te uiten wat klaarlag voor verzending. Maar het kan ook zijn dan zo’n lief alles welwillend, met liefde aanhoort, alles opzuigen wil, niets zegt omdat hij zijn lief wil laten spreken, omdat hij alles weten wil.

En dan warrelt het stof wederom op.

Dat is hoe Verbruikt licht is. Wij allen zijn uit verbruikt licht opgetrokken. En neergeslagen stof doet ander stof opwajen. Een boek als een storm. Het zal je misschien niet een leven lang bijblijven. Maar gestormd heeft het. En dat is meer dan een kaassoufflé kan, nietwaar.

Lara Pawson Verbruikt licht

Verbruikt licht

  • Auteur: Lara Pawson (Engeland)
  • Soort boek: Engelse roman
  • Origineel: Spent Light (2024)
  • Nederlandse vertaling: Lisette Graswinckel
  • Uitgever: Koppernik
  • Verschijnt: 12 juni 2025
  • Omvang: 160 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 22,50
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de roman van Lara Pawson

Een vrouw kijkt naar haar broodrooster en plotseling barst de hele wereld open in haar keuken, in al zijn brutaliteit en schoonheid. En ze blijft kijken: de broodrooster wordt geassocieerd met de CIA, de eierwekker met de IRA, haar telefoon met de uitbuiting van Congo – en langzaam dringt het besef door dat we omringd worden door objecten die weliswaar levenloos zijn, maar zeker niet onschuldig.

In een meesterlijke mengeling van fictie, geschiedenis, memoir en liefdesbrief verheft voormalig oorlogscorrespondent Lara Pawson de netwerken van troep die we om ons heen verzameld hebben tot briljant, meedogenloos en extreem grappig proza. Verbruikt licht is een onthutsende leeservaring waarna u nooit meer op dezelfde manier zult kijken naar een wasmachine, een eekhoorn of een eierwekker.

Lara Pawson is geboren in 1968. Ze is schrijver en journalist. Als oorlogsverslaggever reisde ze veel en woonde onder andere in Angola, Ivoorkust, Mali en Ghana – tegenwoordig woont ze weer in Londen, zo dicht mogelijk bij het bos. Ze publiceerde drie boeken en schrijft regelmatig voor The Guardian en Times Literary Supplement.

Bijpassende boeken

Naja Marie Aidt – Oefeningen in donkerte

Naja Marie Aidt Oefeningen in donkerte recensie en informatie roman van de op Groenland geboren Deense schrijfster. Op 11 juni 2025 verschijnt bij Uitgeverij Querido de Nederlandse vertaling van Øvelser i mørke, de roman van de Deense schrijfster Naja Marie Aidt. Hier lees je informatie over de inhoud van de roman, de auteur en over de uitgave.

Naja Marie Aidt Oefeningen in donkerte recensie

  • “Net als in Het boek van Carl branden de pagina’s zich in je vast, de zinnen wikkelen zich om je hart, spannen aan, knorren en plagen je afwisselend, stimuleren je, en je verandert woord voor woord van de lezer die je bent in een vrouw van middelbare leeftijd met haar trauma’s, melancholie en verzet.” (Berlingske, ∗∗∗∗∗∗)

Recensie van Tim Donker

Het zijn van het zijnde dat het karakter heeft van het erzijn, ook maar geworpen, een geworpen zijnde. Het bestaan in gesleurd, nu heb je je zijn maar te zijn, en je kiest de omstandigheden niet. De omstandigheden waar daar al, om je heen, daarom heten ze zo, en ze blijven groeien ook waar je ze zelf niet gezaaid hebt. Ze knellen, ze drukken, ze duwen dit bestaan een kant op die niet noodzakelijkerwijs een gewenste kant is. Probeer nog maar geloof te hechten aan de fabel van vrije wil als een mens zich geworpen ziet in de omstandigheden van de hoofdpersoon uit Oefeningen in donkerte. Een vrouw, al diep de vijftig in gestombeld, duwend naar zestig, met de sporen van haar tumultueuze jeugd die in haar ziel gekerfd. De harteloze, gewelddadige vader die alles brak wat er in de knop maar te breken valt opdat dit meisje en haar twee zussen nooit meer voluit bloeien zouden. De moeder die liever wegkeek, want wegkijken is makkelijker, zolang je het niet ziet kun je nog doen alsof het niet bestaat. Eén van de twee zussen wordt later, als ze op de rand van volwassenheid staan, door de hoofdpersoon dood aangetroffen op haar studentenkamer. Het lijkt niet direct zelfmoord te zijn, er is geen afscheidsbrief, het oogt niet gepland. Misschien een overdosis. Er is hoe dan ook iets voltrokken dat jaren geleden door de beul van een vader in gang gezet is. De overlevende zussen zuipen en feesten zo hard mogelijk om het verdriet te overstemmen. Altijd feest en altijd dronken; zo ook, bijvoorbeeld, die keer dat de hoofdpersoon toen ze aardig wat in haar keelgat had gegoten in slaap viel op een bed in een huis waar ze niemand kende. Toen ze wakker werd bemerkte ze dat iemand bezig was haar te verkrachten. En later. Dit jaar nog niet. Deze eeuw nog niet. Maar later zeker misschien, een heel klein beetje liefde vinden, zomaar, op een hoopje, ergens in een hoek. Het brengt een beetje respijt. Soms is er respijt. Een man, geluk, drie zonen, een gezin. Maar dan wil de man, de vader van haar zonen, misschien liever toch niet dit familieleven, misschien liever toch een eigen leven. Alsof je de levens voor het uitkiezen hebt en slecht één daarvan echt helemaal van jou is. Misschien is er ook een ander lief, en misschien is zij wat jonger dan de moeder van je drie zonen. Misschien een beetje minder getroebleerd ook. Maakt het uit? Wat het uitmaakt is dat de hoofdpersoon van Oefeningen in donkerte nu alleen is. Alleen de jongens moet opvoeden, want de vader verdwijnt steeds verder naar de achtergrond totdat hij daarin is opgelost. En is ze niet te stuk om dit alleen te kunnen, torst ze zelf al niet een te zware last met zich mee om helemaal in haar eentje ook nog drie jongens te moeten dragen, op het leven voor te bereiden? Ze doet wat ze kan, ze loodst haar jongens naar de volwassenheid. Niemand komt er helemaal zonder kleerscheuren vanaf. De jongens niet. De moeder niet. Dat doet leven. Het scheurt. Niet alleen kleren. Want als de vrouw later, alleen, de jongens allang het huis uit, ongewild getuige is van een vreselijk voorval waarbij haar hachje er ook nog bijna bij inschiet, heeft het leven haar net die ene kaaksmeet teveel gegeven. Wat rest zijn de therapeuten. Behandelaars. Psychologen. U weet wel. Uiteindelijk komt ze terecht bij een specialist in posttraumatische stressstoornissen (die heel het boek doorheen de ptss-man genoemd wordt, wat, misschien onbedoeld, iets grappigs heeft) (of misschien ben ik dat maar, ik heb een beetje een raar gevoel voor humor, ik lach wel vaker om dingen die niemand grappig vindt) (ik herinner me nog mijn keiharde lach door een verder doodstille bioscoop om een scéne waar klaarblijkelijk alleen ik humor in zag) (die zeer waarschijnlijk ook helemaal niet komisch bedoeld was) (al een geluk dat het donker is in zo’n bioscoop) (Debby en Nadia waren daar ook, ik vroeg me af of ze mijn lach herkend hadden, ze zeiden er later op school in elk geval niks over).

Dat is waar Oefeningen in donkerte begint. Bij de ptss-man. Bij de gesprekken. Bij het trauma. Slechts met mondjesmaat, zeg beetje bij beetje, komt de lezer meer te weten. Dat is het boek, en dat is ook waarom ik het eventjes vreesde. Ik was bang voor huilerig proza, vet aangezet drama, onophoudelijke psychologiseringen. Maar het viel mee. Allermeest viel het mee. Aidt laveert juist met een zekere elegantie langsheen de grote thema’s die ze aansnijdt. Dat is in de eerste plaats te danken aan haar bijna griezelige taalbeheersing. Oké je moet wat lelijke onwoorden als “dealen”, “hooked” of “steppingstone” voor lief nemen (of zouden die uit de pen van vertaler Kor de Vries zijn gevloeid? misschien zijn die woorden niet te vinden in het orzjienele Øvelser i morke? zijn sommige talen sterker misschien, zelfverzekerder, en daarom resistenter tegen Engels?) maar over het algemeen weet Aidt een verslavend hallucinant toontje aan te slaan. Poëtisch zou een mens kunnen zeggen. Maar dat dekt nog maar de halve lading. Zangerig, zou beter zijn. Melodieus. Muzikaal. Woorden die dansen. Gegeven een zeker soort ritme. Bij momenten wisselt het perspectief naar andere bewoners van het appartementencomplex waar de hoofdpersoon woont; die vertellen dan wie ze zijn en welk appartement van hen is en welke andere bewoners er nog zijn. Dat gaat steeds in dezelfde bewoordingen, met dezelfde accenten zodat deze passages een soort intermezzi worden of, zo je wilt, refreinen. Een vrouw uit de vriendinnengroep van de hoofdpersoon was een keer op een feest waar iedereen een anekdote moest vertellen. Op dit feest wordt in het  boek een aantal keer teruggekomen, altijd zonder enig verband met het voorafgaande of met het volgende -een zekere mate van fragmentarisme is iets anders wat dit boek zo’n aangename leeservaring maakt- en de paragrafen die handelen over dat feest worden steeds met min of meer gelijkluidende zinnen ingeluid: “Zoals gezegd was Lea een keer op een feest waar iedereen een anekdote moest meebrengen, en een vrouw tikte tegen haar glas en ging staan.” (met kleine variaties in woordvolgorde en -keus). Dat lijkt in beginsel nog iets grappigs te hebben, op een flauwzinnige sitcom-manier: het suffe personage dat altijd hetzelfde soort verhalen op eenzelfde soort manier vertelt, zodat de kijker op enig moment al gaat kunnen voorspellen wat er komt als die lulligaard weer begint. Type: Cliff Clavin. Of als dat je niks zegt: denk aan je oom die boekhouder is en nooit iets meemaakt en daarom steeds maar begint over die paar dingen die hij wél heeft meegemaakt. Doch al snel weet de lezer dat de anekdote die komen gaat, verre van grappig is. Zonder uitzondering vertellen de vrouwen op het feest hartverscheurende verhalen over verkrachting, vernedering, bedrog, pijn, verwaarlozing (feitelijk zijn het ook geen anekdotes want zijn anekdotes niet per definitie grappig of op zijn minst luchtig? in ieder geval gaat het bij een anekdote om een (eenmalig) voorval en niet om ganse levensgeschiedenissen). Daardoor krijgt de houterige inleiding met dat “zoals gezegd”, dat “op een feest”, dat “iedereen een anekdote”, en dat “tikte tegen haar glas en ging staan” een heel andere lading. Iemands onvoorstelbare pijn wordt tot anekdotiek gemaakt of, misschien erger nog, onbeduidend feestjesgeneuzel, kleinpraat, vermaak, een koe, een kalf, iets wat geen speciale aandacht behoeft en wel afgedaan kan worden met de meest afgesleten woorden die een taal te bieden heeft. De tragiek is dubbel: er is iets gruwelijks gebeurd en vervolgens wordt het gebeurde (door de maatschappij? daders? mannen? de slachtoffers zelve, die ingepeperd hebben gekregen er maar overheen te stappen, het “een plekje” te geven, ermee te leven?) gebagatelliseerd tot het nog maar louter borrelpraat meer is. En de lezer zat zelfs nog een beetje te gnuiven! Oja daar heb je haar weer met haar anekdotefeestje! Gnuiver voelt zich nu betrapt: werkt hij niet net zo hard mee aan de machinerie die de pijn en de ellende van deze vrouwen het liefste tot kleinzieligheden vermaalt?

Fragmentarisme, taalkunst, het omkeren van ingesleten reacties: het zijn slechts enkele technieken waarmee Aidt Oefeningen in donkerte zijn indringende pracht geeft. Iets anders dat opvalt is dat veel van de personages in dit boek naamloos blijven. De hoofdpersoon zelve kennen we alleen als “ik”, en vrijwel al haar verwanten alleen in de rol die ze ten opzichte van haar vervullen: de oudste / middelste / jongste zoon, de moeder, de vader, de kleinkinderen, de opa, de ptss-man, de zus, de ex-man, de vader van de drie zonen. Dat werkt vervreemdend omdat je bij namen makkelijker gezichten voorstelt. Zodus blijven de personages in dit boek tot op zekere hoogte gezichtsloos, waardoor je ze ook makkelijker met elkaar verwart? Wie had nu ook alweer dat saje baantje? Was dat de oudste, de middelste of de jongste zoon? Wat zei de zus die nu in Spanje woont en waarover ging dat of wacht was het misschien toch de dode zus die dat zei? De lezer weet het niet meer zeker, en moet af en toe terugbladeren.

Dus vervreemding ook?
Ja vervreemding ook. En verwarring. Omdat je moeite moet doen om het te begrijpen. En er niet uit eerste impuls overheen walsen. Dacht ik zelf al niet dat het huilerig zou zijn, alleen omdat het ging over iets waarvoor een vrouw in therapie moest gaan, is dat niet zoals we zijn (wij mannen, wij westerlingen, wij hollanders): niet zeiken, niet moeilijk doen, herpak u zelve, ga terug op het paard (hee door mijn eigen metafoor zie ik het einde van het boek nu ineens in ander licht!).

Aidt kent haar materialen. Niet alleen verstaat ze de kunst inkt te laten schreeuwen, ook bespeelt ze de lezer als was hij een instrument. Alsof hij ook deel uitmaakt van wat ze zeggen wil. Zijn verwachtingen, zijn vooroordelen, zijn ideeën, zijn meningen, wat hij voor humor meent te moeten houden (ja mijn rare bioscooplach komt terug na vijfendertig jaar om me in mijn billen te bijten). Het anekdotefeestje, het naamloos blijven van de ptss-man, de weerzin die de hoofdpersoon voelt tegen simpele dingen als feestjes, reizen, werk – het leek me alles aanvankelijk best grappig maar later keek ik toch in een angstaanjagender gelaat. Ik acht het niet onwaarschijnlijk dat Aidt de lachreflex doelbewust heeft opgezocht. Ergens een grapje van maken heeft eenzelfde functie als het wegkijken van de moeder van de hoofdpersoon: alles waar je om kunt lachen, hoef je niet serieus te nemen.

De lezer van Oefeningen in donkerte weet zich gemangeld, uitgewrongen, ontroerd, in zijn hemd gezet, gepijnigd en totaal onthutst. En hij kan niet anders dan Aidt daarvoor ten diepste dankbaar te zijn.

Naja Marie Aidt Oefeningen in donkerte

Oefeningen in donkerte

  • Auteur: Naja Marie Aidt (Denemarken)
  • Soort boek: Deense roman
  • Origineel: Øvelser i mørke (2 februari 2024)
  • Nederlandse vertaling: Kor de Vries
  • Uitgever: Querido
  • Verschijnt: 11 juni 2025
  • Omvang: 256 pagina’s
  • Uitgave: paperback / ebook
  • Prijs: € 23,99 / € 12,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de nieuwe roman van Naja Marie Aidt

Op de tweede verdieping van een appartementencomplex dat uitsluitend door vrouwen wordt bewoond, woont een vrouw van 57 jaar. Ze heeft drie volwassen zonen, ze leeft alleen en slaapt geregeld onder haar salontafel. Ze lijdt aan PTSS sinds een zeer traumatische gewelddadige ervaring. Elke week neemt ze de bus om haar therapeut te ontmoeten, en met haar vriendinnen in de buurt probeert ze de donkerte waarin ze zich bevindt te bestrijden en te hopen op nieuwe dromen.

Oefeningen in donkerte is een confronterende roman over geweld tegen vrouwen en de liefde tussen vrouwen onder elkaar, over vrouw zijn en terugkijken op jezelf als kind, tiener, jonge vrouw en volwassene. Over in het reine komen met je verleden – op je eigen voorwaarden.

Naja Marie Aidt is geboren op 24 december 1963 in Aasiaat op Groenland. Ze  is een van de meest gewaardeerde Deense auteurs. In 2017 publiceerde ze Het boek van Carl over de dood
van haar zoon, waarvan in Denemarken 50.000 exemplaren werden verkocht. Het werd genomineerd voor de National Book Awards 2019, de Kirkus Review Awards 2019 en de PEN Translation Prize 2020 en werd in veertien talen vertaald. In 2022 ontving Aidt de Swedish Academy Nordic Prize.

Bijpassende boeken en informatie

Froukje van der Ploeg – Soms blijft iets

Froukje van der Ploeg Soms blijft iets recensie en informatie van de inhoud van de nieuwe dichtbundel. Op 11 juni 2025 verschijnt bij Uitgeverij Querido het boek met nieuwe gedichten van de Nederlandse dichteres Froukje van der Ploeg. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Froukje van der Ploeg Soms blijft iets recensie

  • “Ze weet wat ze ziet, ze ziet wat mensen beweegt, ze luistert naar ze en ze schrijft het op.” (Marijke Schermer)
  • “Een zeldzame combinatie van diepzinnigheid en toegankelijkheid, humor en ernst.” (Roos van Rijswijk)

Recensie van Tim Donker

Niet alle dichtbundels bereiken mij. Ik ben geen groot publiek. Ik zou de kust willen zijn. De kust waar alle poëzie aanspoelt. Maar ook de kust ben ik niet. Anders had ik het wel geweten. Als ik die kust was, of een groot publiek. Dan had ik geweten van Froukje van der Ploeg. Die maar één jaar jonger is dan ik wat er geen zaken mee heeft maar me toch opviel. In 2006 debuteerde ze met de dichtbundel Kater. Sindsdien publiceerde ze nog drie dichtbundels die, en nu sieteer ik het achterplat, “een groot publiek bereikten“. Lap. Daar heb je het. Een groot publiek bereikten die bundels dus wel. Maar mij bereikten ze niet.

En weer wens ik een groot publiek te zijn, en niet mij (mijzelf wens ik vaak niet te zijn). Want dan was Van Der Ploegs poëzie al veel eerder aangespoeld op mijn kust. Dan had ik al veel eerder haar woorden op mijn lijf, haar zinnen in mijn hoofd gehad. Die zinnen als spartelvisjes. Die woorden die de scheuren zijn waardoorheen het licht valt.

Bijvoorbeeld hoe een gedicht als En toen plotseling begint:

Heel kort geleden, zo kort geleden
dat het eigenlijk nu is, was er eens
in een land hier zo dichtbij
dat het eigenlijk hier is een wezen
dat zo op jou leek dat jij het bent

Een begin dat kan tellen, dat zo bloedmooi is dat het een gedicht op zichzelf is en je al bijna niet meer verder durft te lezen want misschien heb je hiermee je portie schoonheid al wel gehad voor deze dag, zulke dingen moet je doseren, teveel pracht slaat misschien wel om in het tegendeel, weet jij veel, maar je leest toch verder en het brengt je in verwarring, maar het is het goede soort verwarring, je weet niet of je een modern sprookje leest, of een oermythe over een wezen dat zichzelf tot het zijnde slaat door het niets te nietsen. Of is het een advies aan de lezer om hoog genoeg te vliegen opdat je vleugels zullen verbranden. Een lichaam te hebben dat op tijd in slaap valt, en niet pas tien minuten voor de wekker gaat. Of nog weer anders wellicht.

Dat kleeft aan deze poëzie. De veelkantigheid. Het onophoudelijk uit zijn voegen barsten. Dat spreken met al die tongen.

Van Der Ploeg instrueert de lezer over de perfecte wraak. Iemand steeds opnieuw die schooldag laten herbeleven van toen je dat tentamen Duits had waarvoor je niet had geleerd. Maak Nabokov onbegrijpelijk voor hem. Laat al zijn bier naar zuurkool smaken. Zulke wraak is zoet, zeg nou zelf, en dan tien jaar later om het te vieren een dagje naar zee. Neem een frietje. Rij weer naar huis.

Maar evengoed toont ze de poëzie van een inbraak. Een agente die weten wil of het huis altijd zo’n rotzooi is, en ja dit wel zo’n beetje de standaardsituatie ja, wanneer het gebeurd is weet je niet precies want je kent de werktijden van inbrekers niet. De humor in dingen die eigenlijk helemaal niet grappig zijn. Ook dat is een constante.

Of de dood. Of het leven. Punk is dood, en wij leven nog. In ieder geval leven we nog. Anderen zijn dood. Wie is er weg, wat is er weg in Autoriteit, wat kun je, leef je nog, weet je hoeveel knoflook in soep gaat, hangt dat niet af van welke soep het is godverdomme (in knoflooksoep al iets meer dan in erwtensoep vermoed ik), en hoe kun je weten wat er weg moet, wat echt dood is, een dichter is dood omdat hij oud was en rookte en leefde, een vriend is dood omdat hij jong is en de dood iets is om mee te spelen, maar denk je dat het einde der tijden gekomen is?

Of wat is. Wat was. De nostalgie. De hang naar. Dagen dat we niet waren waar onze ouders dachten dat we waren (dachten onze ouders? waren we ergens?). Of. Wat niet is wat het had moeten zijn. Wat niet geaccepteerd, niet volgens normen is. Omdat we ziek zijn. Omdat we dood gaan. Omdat we anders zijn. Altijd weer dat leven, en altijd weer druk met andere plannen. Of waar het heen moest. Toen je nog dacht dat je kon sturen. Pindakaas of kunstacademie. Toen je nog dacht dat het ene lor uitmaakte. Of zoals in één van die geweldige brieven die de dichter aan Imke schrijft: “Denk je dat onze tien jaar jongere ik / gelukkig is met hoe we zijn?” Imke en de dichter zijn in ieder geval geen zwervers geworden. Als kind wenste ik zwerver te worden. Zoals David Banner. Dat leek me mooi. Van stad naar stad, een eeuwige reis, altijd onderweg, een soort levenslange vakantie. Maar net als Van Der Ploeg ben ik toch geen zwerver geworden. Zou mijn vijfenveertig jaar jongere ik daar gelukkig mee zijn? Of met wat ik wel geworden ben? Of mijn dertig twintig tien jaar jongere ik? Altijd weer een pijnlijke vraag. Je bent nooit wat je ooit dacht te zullen zijn. En je kunt altijd weer meer verkloten in tien jaar dan je ooit voor mogelijk had gehouden.

Of alles wat ook zou kunnen zijn, in realiteiten anders dan de dagdagelijkse, misschien ontmoet je wel iemand omdat een spin met klompen over de muur van je slaapkamer loopt.

De gedichten in Soms blijft iets zijn grappig, melankoliek, verontrustend, surrealisties, schurend, verwarrend en ongekend prachtig – en meer dan eens dat allemaal tegelijk. Alle registers open zetten zonder dat het ook maar een moment gaat irriteren – daar moet je iets voor kunnen. Dan moet je een dichter zijn die van poëzie gemaakt is. Froukje van der Ploeg is zo’n dichter.

Froukje van der Ploeg Soms blijft iets

Soms blijft iets

  • Auteur: Froukje van der Ploeg (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Uitgever: Querido
  • Verschijnt: 11 juni 2025
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: € 19,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van het boek met nieuwe gedichten van Froukje van der Ploeg

Een godin zaait verwarring op aarde, een vrouw kijkt opgerold de tijd weg en huizen doen huizen na.

In haar nieuwe bundel trekt Froukje van der Ploeg lering uit alles wat beklijft. Met humor en zonder schroom onderzoekt ze het ongemak, de verandering en het welbehagen van lichamen, noteert ze de levensverhalen van andere mensen en toont ze hoe een spin die met klompen over de slaapkamermuur loopt grote gevolgen kan hebben. In brieven aan Imke en op weg naar huis, door het park, maakt ze de balans op.

Froukje van der Ploeg is geboren in 1974. Zr debuteerde in 2006 met de dichtbundel Kater. Sindsdien publiceerde ze nog drie dichtbundels, die een groot publiek bereikten, Zover (2013), Dit is hoe het ging (2016), Nachtvangst (2020). Ze ontving de Hollands Maandblad Poëziebeurs en werd genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs. Regelmatig wordt haar werk in literaire tijdschriften en in bloemlezingen gepubliceerd, en treedt ze op festivals op.

Bijpassende boeken en informatie

Twan Vet – Troostpogingen

Twan Vet Troostpogingen recensie en informatie boek en debuut met gedichten en poëzie van de in Seoul geboren Nederlandse dichter. Op 5 juni 2025 verschijnt bij Uitgeverij De Bezige bij de nieuwe dichtbundel van Twan Vet. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Twan Vet Troostpogingen recensie van Tim Donker

Voor deze Twan Vet hier zie ik een grootse toekomst weggelegd. Maar wel als cabaretier. Of als staande komediant (klaarblijkelijk bleven hele generaties komedianten er altijd maar bij zitten totdat er één op het idee kwam om er bij te gaan staan). Want hij heeft de neiging een moje gedachte om zeep te helpen met wagonladingen banaliteiten en kliesjees.

Troostpogingen opent met een gedicht dat Achtuurjournaal heet, en dat is goed, misschien openen veel mensen hun avond met het achtuurjournaal, of naja, wat weet ik daarvan, ik kijk nooit televisie. Misschien is het ook wel de eerste dag van een nieuw jaar, want: “Ik hou van elk nieuw jaar zeg je, als het nog niet gebeurd is, / nog knispert in het cellofaan. Als geen mens / de dagen nog heeft aangeraakt.”, klinkt het, en dat is een moje gedachte; een jaar als een leegte die nog met van alles gevuld kan worden; een nieuw jaar dat nog ongevormd ligt te liggen; waar niemand nog een kleur aan gegeven heeft. Ik herinner het me zo te voelen toen ik nog een kinderken waart. Het verheugen omdat er iets in huis was dat nog helemaal nagelnieuw was, al was dat maar een jaar, al waren het maar getallen: een 1 en een 9 en een 8 en een 0, en ik ging zeven worden dat jaar en Lonneke was er nog, en zelfs het decennium was nieuw, en mijn knuffels dachten er net zo over, ik had het die ochtend nog aan ze gevraagd.

Maar dan gaat het gedicht verder. Gedichten gaan altijd weer verder, gedichten gaan vaak verder waar ze eigenlijk al afgelopen hadden moeten zijn. De televisie wordt een “treurbuis” genoemd en volgens mij was dat in de jaren zeventig al een kliesjeewoord, en het zwaarste nieuws was vroeger nog te dragen omdat Rob Trip het gezegd had. Ik moest hem even opzoeken en toen kende ik dat gezicht wel, hoe vroeger is vroeger, naja Vet is natuurlijk schandalig jong, die is geboren in 1998, toen waren fatsoenlijke mensen allang volwassen, maar toch, zelfs met dat in het achterhoofd is het effect minimaal, want als er Harmen Siezen of Fred Emmer had gestaan had ik het nog na kunnen voelen misschien, was het nieuws toen veel onschuldiger of knulliger of houteriger, zodat het iets aandoenlijks had ook als er erge dingen werden verteld?, of was het maar dat ik kind was en nooit de volledige implicatie van al die berichten doorvoelde? Je kunt een mens niet verwijten dat hij niet ouder is dan hij is en ik probeer het te snappen door Rob Trip te vervangen door Harmen Siezen, maar toch: als die Rob Trip verder in de bundel nog een paar keer ten tonele wordt gevoerd krijgt het iets kolderieks. Dus vandaar. Zei ik cabaret.

In De zevende dag (is dat ook al niet iets van televisie?) (Twan Vet kijkt echt veel te veel televisie) komen we een ander bekend persoon tegen: “God had net de kroeg geschapen, zocht afgemat / een plekje aan de bar en bestelde rode wijn. / Na het vierde glas bedacht ze mij.” God als (aantrekkelijke?) vrouw, ook de omkering van een kliesjee is kliesjee, een liefje-voor-één-nacht: dronken de liefde bedrijvend met de ikfiguur, klaarkomend, en liggend, daar, in het eerste ochtendlicht. Ik kan zien hoe dit kan werken in een zaal vol lachende mensen. Blasfemie kan best heel grappig zijn, al is het misschien een beetje te vaak gedaan en hebben christendomgrappen langzamerhand wel wat van hun urgentie verloren. Maar deze bundel is geen zaal. Deze bundel is van papier en ik weet niet wat dit op papier met mij doet. Voor ontroering is de situatie net een beetje te bizar, hoewel de laatste regels iets lieflijks hebben. Voorlopig slechts goed voor een vluchtige grijns. Is een grijns goed genoeg voor een gedicht? Does humor belong in music?, vroeg Frank Zappa zich af en ooit, als student, aan het eind van weeral een avond in de spoelkeuken, tijdens wat wij personeelsleden “de nazit” noemden, herhaalde ik de vraag toen we wijn dronken en de overgebleven amuses opaten en kok Hans (ook hij nu dood) beantwoorde hem met een kort en krachtig NEE. Ik keek hem met één opgetrokken wenkbrauw aan maar vele jaren later ben ik zijn onomstotelijke nee gaan begrijpen. Humor maakt muziek zelden beter. Vervelender wel, vaak. Humor in poëzie zou bij Hans misschien een voorzichtiger “nee” hebben uitgelokt (hij hield van de poëzie van Bukowski, soms toch ook niet ongrappig) en ook ik kan humor in poëzie best goed pruimen: K. Schippers kan je overweldigen terwijl je zit te lachen (voor absurdisme is in gedichten best wel heel veel plaats) maar dat is niet iedere dichter gegeven.

Je kunt het sterk vinden hoe Vet de lezer geen blijf laat weten met zijn emoties. Moet ik lachen, moet ik geschokt zijn, moet het me vertederen? Er is een gedicht over een niet-bestaande dochter dat me bijna ontroeren wist. Totdat Vet begint over hoe hij in “elke jongen” het monster ziet “dat alleen aan neuken / denkt en haar straks ook de hel in naait” en wat het ook was dat ik net begon te voelen met één lompe trap vermorzelt. Hoe blijf ik achter? Ook niet geschokt. Verward misschien. Waarom dat platvloerse taalgebruik? Welk effect wordt hier beoogd? Welke dochter kan een vader tot zulke woorden inspireren? Ik weet niet wat dit is.

Of later, verder, liefde als een oude krant die van bed naar bed waait, zeg me wat dat was.

Maar “nog maar half / zo eenzaam als je straks zult zijn” is dan weer helemaal raak, dat is er vol op, dat is een treurige gedachte, en toch is het mooi, het is een indringende gedachte over hoe dingen gaan, over hoe het leven gaat, dat inzicht geef je iemand die in 1998 pas een keer het levenslicht zag eigenlijk niet, ik moest zelf best al oud zijn om te weten dat alle droefnis die ik als jongere voelde en die me toen heel erg leek eigenlijk veel hoopvoller was dat de droefnis zoals ik die later ben gaan voelen.

En ”Slaap altijd met je sokken aan, / koop nooit een kruimeldief, / post vijf keer in je leven een liefdesbrief / die beter zoekraakt dan gelezen wordt, // kweek het verlangen om de zee te zien / en ga dan niet, raak door het verstrijken / van de tijd drie goede vrienden kwijt, // loop minstens twaalf vage angsten op / waarvan je niet meer zult genezen, / zorg dat je meer boeken hebt gelezen / dan je mensen hebt veracht, // sluit vrede met het feit dat alles wat je ziet / al mooier door een ander is gezien, / begrijp je ouders pas als het / te laat is voor verdriet, // beweer elke week ten onrechte / dat je weet waarom je leeft, / luister nooit naar iemand / die je meer dan tien adviezen geeft.” vond ik op de goede manier grappig, omdat er ook een lichte treurnis in zit, een klein schokje van het ongerijmde, het absurde van het willekeurige, en kruimeldief is sowieso een bijzonder achterlijk woord, en dat alles bestaat (kruimeldieven bestaan, de zee bestaat, vrienden kwijtraken bestaat).

Als troostpogingen is Troostpogingen al half geslaagd. Er kwamen grijnzen op mijn bakkes, ik zag flitsen die me stil lieten staan, er was gloed, er was een licht daar in de hoek dat goed voor me was.
Als cabaret zou het kunnen werken; er wordt niet alleen maar op een lach gemikt, er worden ook dingen overhoop gegooid, je zou van een avondje Vet nog iets mee kunnen nemen misschien.
Als poëzie komt het voor mij nog net een beetje te kort. Maar dit is een debuut. Vet kan nog veel kanten op. Een verkeerde kant ook, en dan  een nog verkeerdere. Doe het dan nog eens. En faal beter.

Twan Vet Troostpogingen

Troostpogingen

  • Auteur: Twan Vet (Nederland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie, debuut
  • Uitgever: De Bezige Bij
  • Verschijnt: 5 juni 2025
  • Omvang: 48 pagina’s
  • Uitgave: paperback / luisterboek
  • Prijs: € 21,99 / € 9,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de eerste dichtbundel van Twan Vet

Troostpogingen is een wonderschoon en toegankelijk debuut van Twan Vet, een rijzende ster in de Nederlandse poëzie. Voor de lezers van Menno Wigman en Tjitske Jansen.

Laatste zomerbrief

Ik weet ook wel dat men elkaar in deze tijd
nog amper brieven schrijft, maar dan:
wie gelooft er nog in poëzie?

Jij niet. Daarom is dit een brief
om onder in een la te steken
en bijna te vergeten.

Veel later pas zul je dit lezen
en dan moet je weten dat ik
deze woorden voor je schreef

in de dagen dat we samen waren,
kusten onder de straatlantaars,
in het park en voor je huis.

Als je me mist: houd deze kleine brief
dan schuin. Er dwarrelt nog wat van
het zonlicht dat we lang geleden samen deelden uit.

Twan Vet is in 1998 in Seoul, Zuid-Korea geboren. Hij is dichter, schrijver en muzikant. Troostpogingen is zijn literaire debuut.

Bijpassende boeken en informatie

Shira Wolfe – Jugoslovenska Kinoteka

Shira Wolfe Jugoslovenska Kinoteka recensie, review en informatie over het boek met gedichten. Op 30 januari 2025 verschijnt bij The New Menard Press het boek met gedichten van de Nederlands-Amerikaanse schrijfster Shira Wolf. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave.

Shira Wolfe Jugoslovenska Kinoteka recensie van Tim Donker

Reizen in. Scenes. Belgrado. Landschappen. Steden. Wat je ziet. Wat te zien is. Zulke scenes. In poëzie. Wat is. Wat zijn kan. Een droom kan een scene zijn. Een droom van piraten, en de plank lopen, en talloze spotvogels die eruit zien alsof ze van papier gevouwen zijn. Of. Dansen. Wijn drinken. Met zijn drieën op een bed. Zij en hij en jij. Dichtbij. Koppel in een bed en een groen flitslicht. Of. Praten over filosofie en liefde en ruimtevaart. Helder. Sterrennacht. De grootsheid. Kosmos. Rijden. Koffie bij een benzinestation. Monumenten van pijn. Muziek wacht op je bij de grens. Je komt iemand tegen in de ondergrondse punkbeweging. Je zou graag. Misschien. Deel van een jeugdbeweging zijn jij. De bergen, de zee & meneer Robot in een hoek van de bar. Dit alles tweetalig. Dus ook. Gospodin Robot. Denk je aan Karel Čapek. Denk je aan arbeid. Denk je aan Rossums universele. Denk je aan Tsjechië. Landen denken. De filosofie van de ruimte. Of. Dode zwanen in bevroren rivieren kunnen een scene zijn. Of. Een zeeman die haiku’s schrijft. Italjeniese roodwijn uit de ijskast. En steden, en steeds weer Belgrado. Of ook. Een kakkerlak die ze Zaza noemt, vanwege een Nederlands kinderboek (schrijft ze) (en te weten) (en we weten) (en je weet Puk van de Petteflat nog wel en je weet juffrouw Heijligers nog wel en je weet het klaslokaal nog wel en het einde van de schooldag en hoe er dan voorgelezen werd uit Puk van de Petteflat) (en het was de eerste klas, en je was zes jaar oud, en je weet het licht nog wel) (en iets daarvan maakte in je de liefde wakker voor het boek) (maar dan was al eerder misschien) (en iets daarvan maakte in je de liefde wakker voor lezen) (maar dat was al eerder misschien) (en iets daarvan maakte in je de liefde wakker voor het woord) (maar dat was al eerder misschien) (of ook echt pas veel later nog) (en iets daarvan maakte in je de liefde wakker voor dat joch met zijn pet en zijn kraanwagentje en al die dieren, en luisteren, en luisteren, en luisteren). Misschien ook. Tijden denken. En dat alles tweetalig. Dat heet dat bubašvabi jednog dečačića iz jedne holandske knjige en dat vind je mooi. Talen denken. Denken aan hoe Google knjige vertaalt met gewoon boek en niet kinderboek en denk je misschien zou. Het begrip kinderboek niet bestaan in het Servisch. Kinderboeken denken talen denken landen denken werkelijkheden denken. De werkelijkheid en datgene wat de werkelijkheid representeert. Hyperrealiteit. Simulacrum. Terug naar het hondenhok. Mensen in een grot. Of. Zwemmen naar kleine kerkjes gebouwd op een eiland. Het was heet we bleven in het water. De derde kop koffie op de eerste regendag. Met Sasho en Posho nergens zijn, behalve weg. Waar te zijn. Wat te zijn. Altijd degene willen zijn die je in de ogen van de ander bent. Kopie zonder origineel. En altijd weg, en wegger nog. Van A naar B te gaan. Van B naar C te gaan. Van C naar D te gaan. Blauwe bloemen kunnen een scene zijn. Een verlaten dorp kan een scene zijn. Een oude vrouw een oude man en een grazend paard. Het kan. Een scene zijn. Of zeventig euro moeten betalen voor een fles Brunello. Of. Gesprekken over. Moet Bukowksi verbannen worden van universiteiten omdat hij misogyn was? De lege eenzijdige universiteiten van de bozen en de bangen, en alle balans naar één kant weer. En te denken was hij wel misogyn was hij niet eenvoudiger misantroop misschien en de weinigen die nog deugden in zijn wereld waren bijna allemaal vrouw. Je kunt dromen. Moeders van de zon. Een verhaal van deze wereld. In de late namiddag. En alles, en steeds, en verder nog. Fluisteringen in de bomen. Doet. In de uitkijk op de loer voor een vertrek. Onder de duim en over de maan. Eerst de koffie. Plaatsbepaling. De lucht in de ochtend. Het delirium is weliswaar geweken. Een broer en een zus uit Parijs, en iemand speelt fluit. Want altijd iets te doen. Niemand kan het echt iets schelen als je niet naar het feestje gaat. Kortegolf nachten. Dingen die in je hand passen. En altijd de volgende keer, en altijd wat nog komen gaat. Hoop is een ding met veren. Tot hier weet wanneer. In poëzie of in stilte. Standbeelden kunnen scenes zijn. Gevallen engelen. Gevallen soldaten. Acht moeders. Vandaag geen vogels gezien. En al deze scenes glanzen van schoonheid. En al deze scenes nemen van weemoed aan een diepere tint van koffie. Dan bedoel ik de koffie van het poeder, de koffie voordat het de drank is. Verlangen, gemis, ochtend, koffie (en muziek) (klonk bijvoorbeeld bij Jugoslovenska Kinoteka: Miri van Bassekou Kouyate & Ngoni Ba, een seedee die ik nu, ineens, veel beter vond dan voorheen) (of ooit tevoren) (hoe dingen elkaar onophoudelijk kleuren) (niets altijd dezelfde tint heeft) (& twee keer in dezelfde rivier) (in mistig licht, en mijn weemoed grensde aan droefnis maar het was de goede droefnis de moje droefnis de droefnis die fijn is om te voelen). In al deze scenes. Scenes van vriendschap. Scenes van liefde. Scenes van dansen. Scenes van drinken. Scenes van lopen. Scenes van sneeuw. Scenes van leven. Hoe voelbaar. Voor iedereen. Die in leven is. Een boek als een schittering, een glans, te zien, heel even, en dan weer weg. Maar je hebt het gezien. Je hebt het in handen gehouden. De kracht is dat Wolfe het niet onopgemerkt voorbij liet gaan.

Shira Wolfe Jugoslovenska Kinoteka

Jugoslovenska Kinoteka

  • Auteur: Shira Wolfe (Nederland, Verenigde Staten)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal: Engels, Servisch
  • Servische vertaling: Marko Mladenović
  • Uitgever: The New Menard Press
  • Verschijnt: 30 januari 2025
  • Prijs: € 24,99
  • Boek bestellen bij: Bol / Libris

Flaptekst van de dichtbundel van Shira Wolfe

In Jugoslovenska Kinoteka, Shira Wolfe’s cinematic poetry reads like scenes from a movie, describing a period of her life spent in Belgrade and traversing the Balkans – from Sarajevo to the Bay of Kotor, from Stara Planina to Mount Avala. Most of all, it is an ode to the Belgrade of her past and the relationships she formed there, constellating around that city and continuously reappearing elsewhere in encounters fuelled by synchronicity. In her world, cities become smells; statues can be read; and the boundaries between art and life, between self and other, are always blurred.

Jugoslovenska Kinoteka is published as a bilingual edition in English and Serbian. The Serbian translation is a collaborative effort by Shira Wolfe and Marko Mladenović.

Shira Wolfe is a Dutch-American writer, poet and translator from Amsterdam. After completing her masters in International Performance Research, with a project about Palestinian poet Mahmoud Darwish, she lived in Belgrade on and off between 2016 and 2021. She is the author of the self-published poetry trilogy Wider Than the Sky (2021), Wider Wings (2022) and Fallen Angel (2023), and contributed to the anthology Vreselijk verlangen. Een verzameling smachtende Mammoetjes (HetMoet Publishing, 2023). Shira leads poetry and writing workshops for asylum seekers in the Netherlands through the organisation De Vrolijkheid, and frequently collaborates with The Mystifiers, a socially engaged music collective. She is also a translator for the publication series Archival Textures.

Bijpassende boeken en informatie

Jay Farley – A Cupboard Full of Tomboys

Jay Farley A Cupboard Full of Tomboys review, recensie en informatie boek met gedichten van de non-binaire Engelse filmmaker. Op 28 februari 2025 verschijnt bij Broken Sleep Books de dichtbundel van Jay Farley. Hier lees je informatie over de inhoud van het boek, de auteur en over de uitgave. Een Nederlandse vertaling van het boek is niet verkrijgbaar.

Jay Farley A Cupboard Full of Tomboys recensie van Tim Donker

  is natuurlijk voorschrift, dacht ik. Is wat voorschrijft. Of beslist. Soeverein is hij die over de noodtoestand beslist. Uitnametoestand. De mens komt voor. Dat kan zomaar het geval zijn. Zij is de velen. De vogel vloog weg, en toen kwam de zon op. Het lied van een ik-persoon die hier aanwezig is. De toekomst is rauw, dan wordt die gekookt in het heden, daarna gebakken op een zacht vuurtje, en mettertijd zullen kaantjes overblijven. Man en vrouw en iets voerden de dingen het woord. Vuilnisbelten meubelboulevards silo’s silo’s zendmasten schapenboeren op wolvenjacht sportclubs autosloperijen postsorteercentra bladblazers pizzabezorgers een aan flarden gescheurde bonusfolder, en voor alles een plek. Voor alles een plek.

Plek is voorschrift. Plek is opbergkast. Opbergkast is staties. Is wat vast ligt. Is wat voorgeschreven is. Voorgeschreven rijrichting. Het gekende. De man. De vrouw. Dominerend. Patriarchaal, zeg je. Wit, zeg je. Binair, zeg je. Dat is hoe de opbergkasten getimmerd zijn. Uit hout zo krom. Zet mensen wezens levenden samen in groepen en dat is hoe dingen zullen groeien. De norm normeert. Dat wat de meesten zijn. Dat waaraan het leeuwendeel zich conformeert. De beugel bedacht door de hardst schreeuwenden. Wat past zullen we tolereren. De rest niet. En toen kwam de zon op. Toen klonk het lied van het wij hier aanwezig. En dan juist uitbreken.

Uitbreken. Daarover gaat deze bundel. De opbergkast te krap en sowieso al niet je plek en daar dan weg willen. Dat gaat niet zonder sporen van braak. Farley legt niet alleen de kast of de samenleving, maar gans de taal open. Waardoor deze gedichten geregeld al eens van de bladzijde springen. Op eerste doorbladeren valt al direkt de woekering aan leestekens op. Dus. Je bladert. Je ziet schuine strepen sneeën maken in zinnen, je ziet vierkante haken zich opblazen, je ziet groterdantekentjes hun pijlen richten op wat erna komt. En je denkt. Hier buldert een woedende taal. Maar de leestekens zijn niet zonder betekenis, al is het niet hun gebruikelijke. Een uitleg aan het begin zegt dat [ ] voor onderdrukking staat, < voor slechter wordend, / voor een klein beetje hoopvol. Bijvoorbeeld. Zegt het, om daarna te zeggen dat je die uitleg beter meteen maar weer vergeet en dat zou ik nog willen beklemtonen: vergeet het maar meteen! Het is mojer zonder deze uitleg, het is mojer om de leestekens je eigen gedachten te laten aanjagen, gedichten zijn geen landkaarten, ze kunnen zonder legenda, ze kunnen op zichzelf staan, ze kunnen vrijelijk verkeren met iedere lezer afzonderlijk, ik prefereer een esthetiese duiding, u prefereert iets anders, Jay Farley neigt naar reis, naar progressieve beweging.

En gesproken van reizen. Een nota bene in Nebraska. Het gedicht somt op: paren van twee woorden, het eerste woord begint met een n en het twede met een b. Neutrale biologie. Neurodivers brein. Nucleaire bom. Nieuw bloed. Nagel bijten. Nihilisties bravoure. Non-binair. Misschien het non-binair als een nota bene, een postscriptum, iets wat met de opbergkast niet vanzelf is gegeven, wat niet domineert, wat niet datgene is waaraan de meesten zich wensen te conformeren. Wat pas goed vorm kan krijgen buiten de kast, wat steeds opnieuw bevochten of afgebakend moet worden, als een achterop komend zijnde in het lijf gezet; schrijvend; herrijzen door woorden.

Misschien ook daarom zien deze gedichten er zelden uit zoals gedichten en doorgaans uitzien. Er is een gedicht in de vorm van het twittervogeltje. Mag je nog twitter zeggen? Ik vond twitter altijd een achterlijke naam, maar ik vind x nog grotesker, en die Elon Musk is een van de engste mensen van onze tijd, en twitter was dan nog wel toepasselijk omdat het refereerde aan gekwetter, aan de geluiden die vogels maken, en vogels maken geluid om hun terrein af te bakenen of om wijfjes mee te lokken of om te waarschuwen voor gevaar en is dat niet waar twitter precies over gaat, over territoriale pisserijen, over hee kijk mij eens even, en over alles wat we niet vertrouwen, hier is mijn stukje wereld en daar mag jij niet komen, hier is mijn vrouwtje en daar mag jij niet aan zitten, en daar is alles wat anders is en dat moet wegblijven, geen wonder dat dat medium de aandacht trok van zoon Elon Musk, bureaucratie waarom Nederland wel wat Elon Musk kan gebruiken brallen die rechtse ballen van Elsevier jajaja, in een dictatuur is geen bureaucratie want bureaucratie is tiepies iets van die halfzachte democratiese tijd waarin er allemaal van die stomme regeltjes bestaan om de mensen te beschermen tegen de totale willekeur van wie het toevallig voor het zeggen heeft gelukkig kunnen we soms nog de noodtoestand uitroepen die minstens voor eventjes een eind kan maken aan al die overbodige mensenrechtenonzin zaai angst en heers daar kan Mark van Ranst van meepraten en die laat medisch contact nog koppen iedereen die zegt dat de maatregelen niet nodig waren moet je tegenspreken jajaja laat de angst regeren laat altijd de angst voorop laat nooit iemand de angst ombuigen dat is nodig dat is twitter dus vandaar dat ik liever twitter zeg en niet x. Farley schrijft zijn twittervogeltje vol met messcherpe oordelen over het non-binaire zijn. Het valt aan. Het wijst af. Het gaat door korte bochten. Het heeft geen ogen. Het heft de vinger. Het zegt. Het weet. Het stelt geen vragen. Het poneert. Het sluit uit. En het sluit op. In opbergkasten. Of ontsnappen aan de opbergkasten betekent dat je andere opbergkasten moet bouwen weet ik niet. Maar dat was de vraag niet. Er waren geen vragen.

Of.

Een gedicht in de vorm van een kruiswoordraadsel. Heel onnokosteriaans. Denk ik. Kon je iets zeggen, over. Op een feestje.

Of.

Gedicht in de vorm van een oneindige loop. Heel anselmberriganiaans. Denk ik. Kom in alleen.

Of.

In de vorm van een Roos. Is meisje. Ik had die Pier Paolo Pasolini beter gemogen als die nooit films had gemaakt.

Of. Treurarbeid of. De slinger van foucault of. Het hoofd van vitus bering of. Het leven van quintus fixlein of. Iedereen moet ergens zijn of. De mandril op de slagboom of. De mens een machine of. Ook de nacht is een zon.

Of.

De woorden de namen als haken als ankers het fixeren vasthouden op plek houden en eruit willen een wereld bouwen en daarom dichter zijn (want alleen in je gedichten kan je wonen?).

Of gewoon de gedichten in de vorm van een antwoord. Een zoektocht. Een leven buiten de opbergkast. Het uitbreken, en wat daarna komt.

Gedichten die je bijna hoort.
Gedichten die je bijna aanraken.
Gedichten waarin je kunt wonen als je niet in een opbergkast wil wonen.

Jay Farley A [Cupboard] Full of Tomboys review by Tim Donker

– is of course prescription, I thought. Is what prescribes. Or decides. Sovereign is he who decides on the state of emergency. State of exception. The human appears. That can just happen to be the case. She is the many. The bird flew away, and then the sun rose. The song of an I-person who is present here. The future is raw, then it gets cooked in the present, then baked on a slow fire, and in time, cracklings will remain. Man and woman and something gave voice to things. Garbage dumps, furniture boulevards, silos, silos, transmission towers, sheep farmers hunting wolves, sports clubs, car wrecking yards, mail sorting centers, leaf blowers, pizza deliverers, a bonus flyer torn to shreds, and for everything a place. For everything a place.

Place is prescription. Place is storage cabinet. Storage cabinet is static. Is what lies fixed. Is what is prescribed. Prescribed direction of travel. The known. The man. The woman. Dominating. Patriarchal, you say. White, you say. Binary, you say. That’s how the storage cabinets are built. From wood so crooked. Put people beings living things together in groups and that is how things will grow. The norm normalizes. That which most are. That to which the lion’s share conforms. The bracket conceived by the loudest shouters. What fits we will tolerate. The rest not. And then the sun rose. Then sounded the song of the we present here. And then precisely break out.

Breaking out. That’s what this collection is about. The storage cabinet too cramped and anyway not your place and wanting to get away from there. That doesn’t happen without traces of breaking and entering. Farley not only opens the cabinet or society, but the entire language. Which is why these poems regularly leap off the page. On first flipping through, the proliferation of punctuation marks is immediately noticeable. So. You browse. You see slashes making cuts in sentences, you see square brackets inflating themselves, you see greater-than signs aiming their arrows at what comes after. And you think. Here roars an angry language. But the punctuation marks are not without meaning, though not their usual one. An explanation at the beginning says that [ ] stands for oppression, < for worsening, / for a little bit hopeful. For example. It says, only to say afterward that you’d better forget that explanation right away and I would like to emphasize: forget it right away! It’s more beautiful without this explanation, it’s more beautiful to let the punctuation marks drive your own thoughts, poems are not maps, they can do without a legend, they can stand on their own, they can freely associate with each reader individually, I prefer an aesthetic interpretation, you prefer something else, Jay Farley tends towards journey, towards progressive movement.

And speaking of journeys. A nota bene in Nebraska. The poem enumerates: pairs of two words, the first word begins with an n and the second with a b. Neutral biology. Neurodiverse brain. Nuclear bomb. New blood. Nail biting. Nihilistic bravado. Non-binary. Perhaps the non-binary as a nota bene, a postscript, something that is not automatically given with the storage cabinet, what doesn’t dominate, what is not that to which most wish to conform. What can only take proper form outside the cabinet, what must be fought for or demarcated again and again, as a latecomer placed in the body; writing; resurrecting through words.

Perhaps that’s also why these poems rarely look like poems typically look. There is a poem in the shape of the Twitter bird. Can you still say Twitter? I always thought Twitter was a silly name, but I find x even more grotesque, and that Elon Musk is one of the scariest people of our time, and Twitter was at least appropriate because it referred to chirping, to the sounds birds make, and birds make sound to mark their territory or to attract females or to warn of danger and isn’t that exactly what Twitter is about, about territorial pissing contests, about hey look at me, and about everything we don’t trust, here is my piece of world and you may not come there, here is my female and you may not touch her, and there is everything that is different and that must stay away, no wonder that medium attracted the attention of son Elon Musk, bureaucracy why the Netherlands could use some Elon Musk those right-wing balls from Elsevier bellow yesyesyes, in a dictatorship there is no bureaucracy because bureaucracy is typically something from that soft-handed democratic time when all those stupid rules exist to protect people against the total arbitrariness of whoever happens to be in charge fortunately we can sometimes still declare a state of emergency which at least for a moment can put an end to all that superfluous human rights nonsense sow fear and rule there Marc van Ranst can talk about that and medical contact still headlines everyone who says the measures weren’t necessary must be contradicted yesyesyes let fear rule let fear always lead never let anyone bend fear that is necessary that is Twitter so that’s why I prefer to say Twitter and not x. Farley fills his Twitter bird with razor-sharp judgments about being non-binary. It attacks. It rejects. It takes sharp turns. It has no eyes. It raises its finger. It says. It knows. It asks no questions. It posits. It excludes. And it locks up. In storage cabinets. Whether escaping the storage cabinets means you have to build other storage cabinets I don’t know. But that wasn’t the question. There were no questions.

Or.

A poem in the form of a crossword puzzle. Very un-Okosterian. I think. You could say something, about it. At a party.

Or.

Poem in the form of an infinite loop. Very Anselm Berriganian. I think. Come in alone.

Or.

In the form of a Rose. Is girl. I would have liked that Pier Paolo Pasolini better if he had never made films.

Or. Grief work or. Foucault’s pendulum or. The head of Vitus Bering or. The life of Quintus Fixlein or. Everyone must be somewhere or. The mandrill on the barrier or. Man a machine or. The night too is a sun.

Or.

The words the names as hooks as anchors the fixing holding keeping in place and wanting to get out build a world and therefore be a poet (because you can only live in your poems?).

Or simply the poems in the form of an answer. A search. A life outside the storage cabinet. The breaking out, and what comes after.

Poems you almost hear. Poems that almost touch you. Poems in which you can live if you don’t want to live in a storage cabinet.

Jay Farley A Cupboard Full of Tomboys

A [Cupboard] Full of Tomboys

  • Auteur: Jay Farley (Engeland)
  • Soort boek: gedichten, poëzie
  • Taal; Engels
  • Uitgever: Broken Sleep Books
  • Verschijnt: 28 februari 2025
  • Omvang: 56 pagina’s
  • Uitgave: paperback
  • Prijs: £ 8,99 
  • Boek bestellen bij: Amazon / Bol

Flaptekst van de dichtbundel van John Farley

Through the poetic and raw lens of a neurodiverse filmmaker, A [Cupboard] Full of Tomboys by Jay Farley navigates the intricate intersections of identity, gender, and class. This collection unfolds the journey of an older, working-class non-binary individual. With a cinematic and surreal texture, the poet uses words not only to validate their existence but also to unlock the transformative power of language itself. From the confines of the metaphorical cupboard to the expansive, defiant explorations of a new, queer world, Farley’s poetry challenges binaries, embraces fluidity, and crafts an unflinching celebration of lived authenticity.

Jay Farley is a non-binary, neurodivergent award winning filmmaker and digital artist. Discovering their Non-binary identity in 2022 aged 48 was profound and they found their voice as a performer and poet. Farley subsequently became award winning with ‘I Wish I’d Won the Miners’ Strike’, published in How it Started, Creative Futures Writers’ Award 2022 anthology. They are published in the Queer Icons anthology, SparksHot Poets anthology and illustrated in Woop Woop magazine. Their debut book of poetry A [Cupboard] Full of Tomboys was created under the mentorship of TS.Elliot Award winning Joelle Taylor and published by Broken Sleep Books.

Bijpassende boeken en informatie